← België

ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.167

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 30 november 2023 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.167 Arrest- Rolnummer: 167/2023 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2023-12-11 Raadplegingen: 838 - laatst gezien 2026-06-18 22:18 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Geen schending (artikel 77/1, § 3, eerste lid, tweede zin, van de wet van 5 mei 2014) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag over artikel 77/1 van de wet van 5 mei 2014 « betreffende de internering », gesteld door het Hof van Beroep te Luik. Internering van personen met een geestesstoornis - Personen die tot een vrijheidsberovende straf zijn veroordeeld - Veroordeelden die worden onderworpen aan een psychiatrisch deskundigenonderzoek - Het niet in aanmerking nemen van het tijdstip waarop de geestesstoornis zich heeft gemanifesteerd Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 167/2023 van 30 november 2023 Rolnummer : 7928 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 77/1 van de wet van 5 mei 2014 « betreffende de internering », gesteld door het Hof van Beroep te Luik. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters J. Moerman, S. de Bethune, E. Bribosia, W. Verrijdt en K. Jadin, bijgestaan door de griffier N. Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 1 februari 2023, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 3 februari 2023, heeft het Hof van Beroep te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 77/1 van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het de inhoud en het bereik van het deskundigenonderzoek bedoeld in artikel 5 van diezelfde wet beperkt terwijl de kwestie van het tijdstip waarop de geestesstoornis zich zou hebben gemanifesteerd essentieel is om de fundamentele rechten van de persoon ten aanzien van wie om internering wordt verzocht, te waarborgen ? ». De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. B. Renson, advocaat bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend. Bij beschikking van 4 oktober 2023 heeft het Hof, na de rechters-verslaggeefsters E. Bribosia en J. Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij de Ministerraad binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 18 oktober 2023 en de zaak in beraad zal worden genomen. 2 Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 18 oktober 2023 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil G.A. zit een straf uit in de gevangenis van Marche-en-Famenne. Op 1 april 2021 verzoekt de directeur van de gevangenis om zijn internering. Op 8 december 2021 beveelt de Rechtbank van eerste aanleg Luik, afdeling Luik, zijn internering. Op 17 december 2021 stelt G.A. hoger beroep in tegen die beslissing voor het Hof van Beroep te Luik. Op 21 december 2022 wordt het verslag van het psychiatrisch deskundigenonderzoek neergelegd ter terechtzitting. Het verslag stelt dat G.A. lijdt aan een duurzame geestesstoornis die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden ernstig aantast en dat het risico bestaat dat hij opnieuw misdrijven zal plegen. Het verslag besluit dat een medisch-psychosociale opvolging in de zin van de wet van 5 mei 2014 « betreffende de internering » (hierna : de wet van 5 mei 2014) onontbeerlijk lijkt. G.A. doet gelden dat de interneringsprocedure zou voortvloeien uit de wil om de diagnose van ontstentenis van een geestesstoornis die in de jaren 2010 en 2011 tijdens zijn proces werd gesteld, te corrigeren. Bij zijn arrest van 28 maart 2011 heeft het Hof van Beroep te Luik geoordeeld dat er geen aanleiding was om de wet van 9 april 1930 « tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen, gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten », die destijds van kracht was, toe te passen, om reden dat het college van deskundigen had geoordeeld dat G.A. noch voor zichzelf noch voor anderen een gevaar vormde dat in verband kon worden gebracht met een evolutieve mentale psychopathologie. G.A. merkt op dat het psychiatrisch deskundigenonderzoek waarin de wet van 5 mei 2014 voorziet, niet dezelfde inhoud heeft naar gelang van de fase waarin het wordt verricht. Het deskundigenonderzoek dat tijdens de gerechtelijke fase wordt verricht, dient het tijdstip te bepalen waarop de geestesstoornis zich heeft gemanifesteerd, terwijl het deskundigenonderzoek dat voorafgaat aan de beslissing over de internering van een veroordeelde zich daarover niet moet uitspreken. G.A. is van mening dat dit verschil in behandeling discriminerend is. Op zijn verzoek stelt het Hof van Beroep te Luik aan het Grondwettelijk Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. III. In rechte -A- De Ministerraad merkt op dat de twee categorieën van deskundigenonderzoeken die volgens de prejudiciële vraag moeten worden vergeleken, zorgvuldig van elkaar moeten worden onderscheiden : het deskundigenonderzoek dat wordt verricht tijdens de fases van het opsporingsonderzoek, het gerechtelijk onderzoek of berechting en het deskundigenonderzoek dat wordt verricht na de veroordeling van een persoon. Zij vinden plaats in verschillende contexten en streven niet dezelfde doelstellingen na. Het eerste type van deskundigenonderzoek heeft onder meer tot doel de schuld of de strafrechtelijke aansprakelijkheid van een persoon vast te stellen. Het vindt plaats vóór een eventuele veroordeling. Artikel 71 van 3 het Strafwetboek bepaalt immers dat er geen misdrijf is wanneer de beschuldigde of de beklaagde op het tijdstip van de feiten aan een geestesstoornis leed die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden heeft tenietgedaan. De deskundige moet bijgevolg nagaan of, op het ogenblik van de feiten, de persoon aan een geestesstoornis leed die zijn oordeelsvermogen heeft tenietgedaan of ernstig heeft aangetast, of er mogelijk een oorzakelijk verband bestaat tussen die stoornis en de feiten, en of de persoon nog steeds aan een geestesstoornis lijdt op het ogenblik van het deskundigenonderzoek. Het tweede type van deskundigenonderzoek vindt plaats na een veroordeling tot een gevangenisstraf – dat wil zeggen op een ogenblik dat de schuld reeds is vastgesteld -, wanneer tijdens de detentie een duurzame geestesstoornis wordt vastgesteld. De doelstellingen ervan bestaan erin toekomstige misdrijven te voorkomen en ervoor te zorgen dat de persoon zorg krijgt in een meer aangepaste structuur dan de gevangenis. Dat deskundigenonderzoek houdt dus geen verband met het bestraffen van een misdrijf, maar uitsluitend met de gezondheidstoestand van de betrokkene. Daaruit volgt dat de deskundige niet moet bepalen of er op het ogenblik van het misdrijf een geestesstoornis bestond, noch of er een oorzakelijk verband was tussen die stoornis en dat misdrijf. Gelet op de doelstellingen die met dat tweede type van deskundigenonderzoek worden nagestreefd, is het niet pertinent te bepalen of de persoon op het ogenblik van het misdrijf aan een geestesstoornis leed. Indien zou worden geoordeeld zou dat de conclusies van het deskundigenonderzoek dat vóór de veroordeling werd verricht – volgens welke de dader niet aan een geestesstoornis leed die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden heeft tenietgedaan – definitief zouden zijn, zouden de betrokken gedetineerde bovendien de aangepaste zorg en interneringsvoorwaarden worden ontzegd, wanneer een stoornis wordt vastgesteld na de veroordeling. Daarnaast herinnert de Ministerraad eraan dat zowel het Grondwettelijk Hof als het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van mening zijn dat een internering moet worden verantwoord door actuele medische evaluaties, en niet op basis van gebeurtenissen in het verleden (GwH, arrest nr. 80/2018 van 28 juni 2018, ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.080; EHRM, 18 februari 2014, Ruiz Rivera t. Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2014:0218JUD000830006, § 60). -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling en de context ervan B.1.

  1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de bestaanbaarheid van artikel 77/1 van de wet van 5 mei 2014 « betreffende de internering » (hierna : de wet van 5 mei 2014) met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.1.
  2. Die bepaling maakt deel uit van titel Vbis (« De internering van veroordeelden ») die in de wet van 5 mei 2014 werd ingevoerd bij de wet van 4 mei 2016 « houdende internering en diverse bepalingen inzake Justitie ». Zij betreft dus personen die zijn veroordeeld en die in de gevangenis worden vastgehouden. B.1.
  3. Artikel 77/1 van de wet van 5 mei 2014 bepaalt : 4 « §
  4. De veroordeelde die het voorwerp is van minstens één veroordeling wegens een misdaad of wanbedrijf zoals bedoeld in artikel 9, § 1, 1°, bij wie tijdens de detentie door de psychiater van de gevangenis een geestesstoornis met een duurzaam karakter wordt vastgesteld die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden teniet doet of ernstig aantast of en ten aanzien van wie het gevaar bestaat dat hij ten gevolge van zijn geestesstoornis opnieuw misdrijven zal plegen zoals bedoeld in artikel 9, § 1, 1°, kan op verzoek van de directeur worden geïnterneerd door de bevoegde kamer voor de bescherming van de maatschappij. [...] §
  5. De directeur maakt het dossier over aan de kamer voor de bescherming van de maatschappij en de griffie deelt een afschrift ervan mee aan het openbaar ministerie, de veroordeelde en zijn advocaat. De kamer voor de bescherming van de maatschappij beveelt onverwijld een forensisch psychiatrisch onderzoek dat voldoet aan de vereisten van de artikelen 5, § 1, 3° en 4°, 7 en
  6. De kamer voor de bescherming van de maatschappij kan beslissen dat de veroordeelde ter observatie wordt opgenomen. In dat geval wordt de veroordeelde overgebracht naar het door de Koning opgericht beveiligd klinisch observatiecentrum. De observatiestelling mag twee maanden niet te boven gaan. §
  7. Binnen de maand na de ontvangst van het verslag van de deskundige, stelt het openbaar ministerie een met redenen omkleed advies op, zendt dit aan de kamer voor de bescherming van de maatschappij en deelt het in afschrift mee aan de veroordeelde, zijn advocaat en de directeur ». De misdaden en wanbedrijven bedoeld in artikel 9, § 1, 1°, van de wet van 5 mei 2014, waarvan sprake is in artikel 77/1, § 1, zijn die welke de fysieke of psychische integriteit van derden aantasten of bedreigen. B.
  8. Artikel 5, § 1, van dezelfde wet, zoals het werd vervangen bij artikel 146 van de wet van 4 mei 2016, bepaalt de inhoud van het psychiatrisch deskundigenonderzoek tijdens de fases van het opsporingsonderzoek, het gerechtelijk onderzoek of berechting. Het bepaalt : « Wanneer er redenen zijn om aan te nemen dat een persoon zich bevindt in een in artikel 9 bedoelde toestand, bevelen de procureur des Konings, de onderzoeksrechter of de onderzoeks- of vonnisgerechten een forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek teneinde minstens na te gaan : 1° of de persoon op het ogenblik van de feiten leed aan een geestesstoornis die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden heeft tenietgedaan of ernstig heeft aangetast 5 en of de persoon op het ogenblik van het deskundigenonderzoek leed aan een geestesstoornis die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden heeft tenietgedaan of ernstig heeft aangetast; 2° of er mogelijk een oorzakelijk verband bestaat tussen de geestesstoornis en de feiten; 3° of het gevaar bestaat dat betrokkene ten gevolge van de geestesstoornis, in voorkomend geval in samenhang met andere risicofactoren, opnieuw misdrijven pleegt, zoals bepaald in artikel 9, § 1, 1°; 4° dat en hoe de persoon in voorkomend geval kan worden behandeld, begeleid, verzorgd met het oog op zijn re-integratie in de maatschappij; 5° dat desgevallend, indien de tenlastelegging betrekking heeft op de in artikelen 371/1 tot 378 van het Strafwetboek bedoelde feiten of de in de artikelen 379 tot 387 van hetzelfde Wetboek bedoelde feiten indien ze gepleegd werden op minderjarigen of met hun deelneming, de noodzaak bestaat om een gespecialiseerde begeleiding of behandeling op te leggen ». B.
  9. Uit het voorgaande blijkt dat, in tegenstelling tot het psychiatrisch deskundigenonderzoek betreffende een veroordeelde, dat beperkt is tot de inlichtingen bedoeld in artikel 5, § 1, 3° en 4°, van de wet van 5 mei 2014, het psychiatrisch deskundigenonderzoek dat wordt verricht tijdens de fases van het opsporingsonderzoek, het gerechtelijk onderzoek of berechting meer bepaald dient vast te stellen of, op het ogenblik van de feiten, de persoon aan een geestesstoornis leed die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden heeft tenietgedaan of ernstig heeft aangetast, en of er mogelijk een oorzakelijk verband bestaat tussen die stoornis en de feiten. Ten gronde B.
  10. De prejudiciële vraag betreft het verschil in behandeling tussen de veroordeelden die worden onderworpen aan een psychiatrisch deskundigenonderzoek op grond van artikel 77/1, § 3, van de wet van 5 mei 2014, en de personen die worden onderworpen aan een psychiatrisch deskundigenonderzoek op grond van de artikelen 5, § 1, en 9, § 1, van dezelfde wet, in zoverre alleen die laatste categorie van deskundigenonderzoeken rekening zou houden met het tijdstip waarop de geestesstoornis zich heeft gemanifesteerd. B.
  11. Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat het verwijzende rechtscollege van het Hof wenst te vernemen of dat verschil in behandeling op discriminerende 6 wijze afbreuk doet aan het recht op een eerlijk proces aangezien de rechter, doordat hij niet over informatie beschikt betreffende het tijdstip waarop de geestesstoornis zich heeft gemanifesteerd, ertoe kan worden gebracht een beslissing te nemen die het gezag van gewijsde van het arrest waarbij de veroordeling van de betrokkene is uitgesproken en waarbij werd geoordeeld dat internering niet kan worden verantwoord op grond van zijn mentale gezondheidstoestand, opnieuw in het geding kan brengen. Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt ook dat G.A., geïntimeerde voor het verwijzende rechtscollege aanvoert dat, aangezien de geestesstoornis die thans ten aanzien van hem wordt gediagnosticeerd zich vóór zijn veroordeling heeft gemanifesteerd, het verwijzende rechtscollege zijn internering niet op basis van die stoornis kan uitspreken zonder het gezag van gewijsde van het arrest van het Hof van Beroep te Luik van 28 maart 2011 opnieuw in het geding te brengen, arrest waarbij dat Hof oordeelde dat hij niet hoefde te worden geïnterneerd om reden dat hij destijds niet aan een geestesstoornis leed die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden heeft tenietgedaan of ernstig heeft aangetast. B.
  12. Hoewel de prejudiciële vraag naar artikel 77/1 van de wet van 5 mei 2014 in zijn geheel verwijst, blijkt uit de motivering van de verwijzingsbeslissing dat de vraag uitsluitend betrekking heeft op paragraaf 3, eerste lid, tweede zin, van dat artikel. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die bepaling. B.7.
  13. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.7.
  14. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet hebben een algemene draagwijdte. Zij verbieden elke discriminatie, ongeacht de oorsprong ervan : de grondwettelijke regels van de 7 gelijkheid en van de niet-discriminatie zijn toepasselijk ten aanzien van alle rechten en alle vrijheden, met inbegrip van die welke voortvloeien uit internationale verdragen die België binden. B.
  15. Luidens artikel 2 van de wet van 5 mei 2014 is de internering van personen met een geestesstoornis « een veiligheidsmaatregel die er tegelijkertijd toe strekt de maatschappij te beschermen en ervoor te zorgen dat aan de geïnterneerde persoon de zorg wordt verstrekt die zijn toestand vereist met het oog op zijn re-integratie in de maatschappij. Rekening houdend met het veiligheidsrisico en de gezondheid van de geïnterneerde persoon zal hem de nodige zorg aangeboden worden om een menswaardig leven te leiden. Die zorg is gericht op een maximaal haalbare vorm van maatschappelijke re-integratie en verloopt waar aangewezen en mogelijk via een zorgtraject waarin aan de geïnterneerde persoon telkens zorg op maat aangeboden wordt ». B.9.
  16. Internering is een maatregel van onbepaalde duur, die eindigt wanneer de geestesstoornis in die mate gestabiliseerd is dat er redelijkerwijs niet meer te vrezen valt dat de geïnterneerde, al dan niet ten gevolge van zijn geestesstoornis, eventueel in samenhang met andere risicofactoren, opnieuw misdrijven zal plegen die de fysieke of psychische integriteit van derden aantasten of bedreigen (artikel 66 van de wet van 5 mei 2014; zie ook artikel 77/9 wat de internering van veroordeelden betreft). B.9.
  17. Indien, in het geval van een veroordeelde die is geïnterneerd, de kamer voor de bescherming van de maatschappij van oordeel is dat de internering niet langer aangewezen is, heft ze deze op en beveelt zij de terugkeer van de veroordeelde naar de gevangenis, tenzij de veroordeelde op dat ogenblik al zijn vrijheidsstraffen heeft ondergaan (artikel 77/9, § 8, tweede lid). Indien daarentegen de geestestoestand van de veroordeelde niet voldoende gestabiliseerd is op het ogenblik van het verstrijken van de straffen, loopt de internering door overeenkomstig de wet van 5 mei 2014 (artikel 77/9, § 10). Daaruit volgt dat een interneringsmaatregel tot gevolg kan hebben dat de periode waarin de geïnterneerde van zijn vrijheid wordt beroofd, wordt verlengd. 8 B.10.
  18. Uit artikel 9 van de wet van 5 mei 2014 blijkt dat vier voorwaarden moeten zijn vervuld opdat een interneringsmaatregel kan worden uitgesproken in het kader van de fases van het opsporingsonderzoek, het gerechtelijk onderzoek of berechting : - de betrokkene heeft een misdaad of wanbedrijf gepleegd die/dat de fysieke of psychische integriteit van een derde aantast of bedreigt (artikel 9, § 1, eerste lid, 1°); - op het ogenblik van de beslissing lijdt de betrokkene aan een geestesstoornis die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden tenietdoet of ernstig aantast (artikel 9, § 1, eerste lid, 2°); - het gevaar bestaat dat de betrokkene, als gevolg van zijn geestesstoornis, eventueel in samenhang met andere risicofactoren, opnieuw dat type van feiten zal plegen (artikel 9, § 1, eerste lid, 3°); - de rechter kan pas beslissen na uitvoering van een forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek in de zin van artikel 5 van dezelfde wet of na actualisatie van een eerder uitgevoerd deskundigenonderzoek (artikel 9, § 2). B.10.
  19. De internering van veroordeelden voldoet aan soortgelijke voorwaarden, aangezien zij betrekking heeft op personen die veroordeeld zijn voor een misdaad of wanbedrijf die/dat de fysieke of psychische integriteit van een derde aantast of bedreigt (artikel 77/1, § 1), aangezien die personen moeten lijden aan een geestesstoornis met een duurzaam karakter die hun oordeelsvermogen of de controle over hun daden tenietdoet of ernstig aantast, en die wordt vastgesteld door de psychiater van de gevangenis (artikel 77/1, § 1) en vervolgens door het psychiatrisch deskundigenonderzoek (artikel 77/1, § 3, in samenhang gelezen met artikel 5, § 1, 3° en 4°), aangezien het gevaar bestaat dat die personen, ten gevolge van hun geestesstoornis, opnieuw misdrijven plegen van hetzelfde type als de misdrijven waarvoor zij zijn veroordeeld (artikel 77/1, §§ 1 en 3, in samenhang gelezen met artikel 5, § 1, 3°), en aangezien de kamer voor de bescherming van de maatschappij enkel na een forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek tot internering kan beslissen (artikel 77/1, § 3). B.10.
  20. Daaruit volgt dat de vraag of de betrokkene, op het ogenblik van de feiten, aan een geestesstoornis leed die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden heeft 9 tenietgedaan of ernstig heeft aangetast, geen voorwaarde vormt om een internering uit te spreken, noch tijdens de fases van het opsporingsonderzoek, het gerechtelijk onderzoek of berechting, noch ten aanzien van veroordeelden. B.11.
  21. Het deskundigenonderzoek dat wordt verricht in het kader van de fases van het opsporingsonderzoek, het gerechtelijk onderzoek of berechting spreekt zich echter wel over die kwestie uit aangezien het ook de rechter opheldering verschaft wanneer hij bepaalt of de betrokkene ontoerekeningsvatbaar is in de zin van artikel 71 van het Strafwetboek. Dat artikel bepaalt onder meer dat « er […] geen misdrijf [is] wanneer de beschuldigde of de beklaagde op het tijdstip van de feiten leed aan een geestesstoornis die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden heeft tenietgedaan ». B.11.
  22. Wat betreft het deskundigenonderzoek dat voorafgaat aan de beslissing tot internering van een veroordeelde, verwijst artikel 77/1, § 3, van de wet van 5 mei 2014 niet naar artikel 5, § 1, 1°, van dezelfde wet, dat bepaalt dat het deskundigenonderzoek vaststelt of de betrokkene aan een geestesstoornis leed, enerzijds, op het ogenblik van de feiten en, anderzijds, op het ogenblik van het deskundigenonderzoek. Artikel 77/1, § 3, verwijst echter wel naar artikel 5, § 1, 3° en 4°, van de wet van 5 mei 2014, dat bepaalt dat het deskundigenonderzoek vaststelt of bij de veroordeelde een risico op recidive bestaat wegens de geestesstoornis en of die stoornis kan worden behandeld. Daaruit volgt dat met het deskundigenonderzoek dat voorafgaat aan de beslissing tot internering van een veroordeelde wordt aangetoond, zoals dat te dezen het geval was, of de veroordeelde aan een geestesstoornis lijdt op het ogenblik waarop dat onderzoek plaatsvindt. B.11.
  23. Om zich te kunnen uitspreken over de eventuele ontoerekeningsvatbaarheid van de beschuldigde of de beklaagde dient de rechter met name te weten of hij, op het ogenblik van de feiten, aan een geestesstoornis leed die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden heeft tenietgedaan. De beslissing om geen internering uit te spreken dient te worden verantwoord door het feit dat die persoon, op de dag van het psychiatrisch deskundigenonderzoek, geen geestesstoornis vertoont die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden heeft tenietgedaan of ernstig heeft aangetast. De beslissing waarbij de veroordeelde wordt geïnterneerd, dient daarentegen te worden verantwoord, niet door de 10 mentale gezondheidstoestand van de veroordeelde op de dag van zijn veroordeling of zelfs op het ogenblik dat hij het misdrijf pleegde, maar door zijn actuele mentale gezondheidstoestand. De tweede beslissing kan niet het gezag van gewijsde van de eerste opnieuw in het geding brengen, aangezien zij in een andere context en op een ander tijdstip wordt genomen, zodat zij zich niet uitspreekt over de diagnose die bij het oorspronkelijke psychiatrisch deskundigenonderzoek werd gesteld. Daaruit volgt dat de inhoud van het psychiatrisch deskundigenonderzoek waarop de tweede beslissing steunt, evenmin het gezag van gewijsde van de eerste beslissing opnieuw in het geding kan brengen. B.
  24. Aangezien de strafrechtelijke aansprakelijkheid van een veroordeelde per definitie reeds werd vastgesteld, is het pertinent dat het psychiatrisch deskundigenonderzoek dat voorafgaat aan de eventuele internering van een veroordeelde zich niet dient uit te spreken over de vraag of de geestesstoornis bestond op het ogenblik van de feiten. De wetgever kon ervan uitgaan dat de kamer voor de bescherming van de maatschappij die beschikt over een verslag van het deskundigenonderzoek waarin wordt vastgesteld dat de veroordeelde thans aan een geestesstoornis lijdt die een risico op recidive inhoudt en die kan worden behandeld, nabehandeld en verzorgd, niet hoeft te weten sinds hoelang de veroordeelde aan die stoornis lijdt, om te bepalen of er al dan niet aanleiding was om hem te interneren. B.13.
  25. Het Hof dient nog te bepalen of dat verschil in behandeling onevenredige gevolgen heeft. B.13.
  26. Een veroordeelde ten aanzien van wie een interneringsmaatregel is getroffen op grond van het verslag van het deskundigenonderzoek, kan van zijn vrijheid worden beroofd voor een onbepaalde duur die kan worden verlengd tot na het verstrijken van zijn gevangenisstraf. B.13.
  27. Het feit dat het psychiatrisch deskundigenonderzoek zich niet uitspreekt over het tijdstip waarop de geestesstoornis zich heeft gemanifesteerd houdt geen enkel verband met de beslissing van de kamer voor de bescherming van de maatschappij. Niets wijst erop dat het feit dat die kwestie niet in aanmerking wordt genomen in het verslag van het psychiatrisch deskundigenonderzoek, het risico zou verhogen dat de veroordeelde van zijn vrijheid wordt beroofd voor een langere periode dan die van zijn straf. 11 B.13.
  28. De beslissing tot internering gaat gepaard met procedurele waarborgen die van die aard zijn dat zij bijdragen tot de inachtneming van de fundamentele rechten van de veroordeelde. Er is in een zitting voorzien (artikel 77/2, § 1). De veroordeelde en zijn advocaat hebben gedurende ten minste tien dagen vóór de datum van de zitting toegang tot het dossier. Zij kunnen een afschrift van het dossier verkrijgen (artikel 77/2, § 2). De kamer voor de bescherming van de maatschappij hoort de veroordeelde en zijn advocaat. Zij kan beslissen om andere personen te horen (artikel 77/3). Tegen de beslissing van de kamer voor de bescherming van de maatschappij kan hoger beroep worden ingesteld bij de correctionele kamer van het hof van beroep (artikel 77/6, § 1). B.13.
  29. Bovendien is, zoals in B.8 is vermeld, de internering van een persoon met een geestesstoornis geen straf, maar een veiligheidsmaatregel die ertoe strekt de maatschappij te beschermen en, tegelijkertijd, aan de geïnterneerde de zorg te verstrekken die zijn toestand vereist met het oog op zijn re-integratie in de maatschappij. Gelet op de aard van die maatregel is het redelijk verantwoord dat indien de geestestoestand van een veroordeelde die wordt geïnterneerd krachtens een beslissing van de kamer voor de bescherming van de maatschappij, op het ogenblik van het verstrijken van de straftijd niet voldoende is gestabiliseerd, zodat zijn internering nodig blijft, die maatregel voortduurt totdat de kamer voor de bescherming van de maatschappij van oordeel is dat dit wel het geval is. De gevolgen van die maatregel zijn niet onevenredig aangezien een internering tot doel heeft de geïnterneerde te verzorgen en omdat wordt gewaarborgd dat tijdens de plaatsing een automatische periodieke controle plaatsvindt waarvoor niet de betrokkene het initiatief neemt. Ook kan een procedure bij hoogdringendheid worden geïnitieerd door de geïnterneerde veroordeelde en zijn raadsman, overeenkomstig de artikelen 53 en 54 van de wet van 5 mei
  30. Aldus kan de rechtmatigheid van de vrijheidsberoving op gezette tijden worden beoordeeld en kan een einde komen aan de internering wanneer de geestestoestand van de betrokkene dat toelaat. B.
  31. Daaruit volgt dat de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 12 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 77/1, § 3, eerste lid, tweede zin, van de wet van 5 mei 2014 « betreffende de internering » schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 30 november
  32. De griffier, De voorzitter, N. Dupont P. Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.167 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.080 ECLI:CE:ECHR:2014:0218JUD000830006 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.