id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 30 november 2023 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.168 Arrest- Rolnummer: 168/2023 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2023-12-11 Raadplegingen: 397 - laatst gezien 2026-06-18 23:47 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche - Schending (artikel 458 van het Gerechtelijk Wetboek, in samenhang gelezen met artikel 568 van hetzelfde Wetboek, in de interpretatie dat de advocaat die het voorwerp uitmaakt van de klacht, de beslissing tot buitenvervolgingstelling die een zogenaamde « vaderlijke vermaning » van de stafhouder bevat, niet kan aanvechten bij een onafhankelijke en onpartijdige rechter) - Geen schending (artikel 458 van het Gerechtelijk Wetboek, in samenhang gelezen met artikel 568 van hetzelfde Wetboek, in de interpretatie dat de advocaat die het voorwerp uitmaakt van de klacht, de beslissing tot buitenvervolgingstelling die een zogenaamde « vaderlijke vermaning » van de stafhouder bevat, kan aanvechten bij een onafhankelijke en onpartijdige rechter) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende artikel 458, gelezen in samenhang met artikel 568, van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent. Gerechtelijk recht - Balie - Tucht - Klacht tegen een advocaat - Beslissing van de stafhouder - Vaderlijke vermaning - Ontstentenis van verhaalmogelijkheden Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 168/2023 van 30 november 2023 Rolnummer : 7945 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 458, in samenhang gelezen met artikel 568, van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en P. Nihoul, en de rechters Y. Kherbache, S. de Bethune, E. Bribosia, W. Verrijdt en M. Plovie, bijgestaan door de griffier N. Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 2 maart 2023, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 7 maart 2023, heeft de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 458 van het Gerechtelijk Wetboek, in samenhang met artikel 568 van hetzelfde wetboek, het recht op toegang tot de rechter, vervat in artikel 13 van de Grondwet, in zoverre het aldus dient te worden geïnterpreteerd dat er ten gunste van de advocaat geen mogelijkheid van verhaal voor een onafhankelijke en onpartijdige rechter bestaat tegen de beslissing van de stafhouder, dat de door hem overeenkomstig vermeld artikel 458 ontvangen klacht van onvoldoende gewicht is doch daarbij wel beslist de advocaat een geschreven ‘ vaderlijke vermaning ’ te geven ? ». Memories zijn ingediend door : - G. V.K., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. F. Van Vlaenderen, advocaat bij de balie te Gent; - M.M., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. B. Staelens, advocaat bij de balie van West-Vlaanderen; 2 - de Orde van Vlaamse balies, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. F. Judo, Mr. C. Jenart en Mr. L. Janssens, advocaten bij de balie te Brussel (tussenkomende partij); - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Vanpraet, advocaat bij de balie van West-Vlaanderen. Memories van antwoord zijn ingediend door : - G. V.K.; - M.M.; - de Orde van Vlaamse balies. Bij beschikking van 4 oktober 2023 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers W. Verrijdt en M. Plovie te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 18 oktober 2023 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 18 oktober 2023 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil G. V.K., de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege, was tot 30 juni 2022 advocaat bij de balie te Gent. Zij werd op 23 november 1999 opgenomen op het tableau van de Orde van advocaten bij de balie te Gent en bleef opgenomen tot de weglating op haar verzoek op 30 juni
- Sinds 2009 was zij tevens actief als curator bij de Ondernemingsrechtbank te Gent. Op 30 november 2020 opende de stafhouder van de Orde van advocaten bij de balie te Gent, de verwerende partij voor het verwijzende rechtscollege, een tuchtdossier lastens G. V.K. naar aanleiding van een klacht van een confrater. De confrater meende dat G. V.K. zich ongepast had gedragen in het kader van een faillissement waarvan zij curator was. Op 28 oktober 2021 besloot de stafhouder G. V.K. niet te verwijzen naar de tuchtraad, maar het dossier af te sluiten met een « vaderlijke vermaning ». Bij een brief van 22 november 2021 heeft G. V.K. de « vaderlijke vermaning » betwist. Na haar en haar raadsman gehoord te hebben, heeft de stafhouder bij een brief van 14 januari 2022 zijn « vaderlijke vermaning » bevestigd. G. V.K. heeft vervolgens de stafhouder op 17 maart 2022 gedagvaard voor de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent. Zij verzoekt de Rechtbank om de beslissingen van de stafhouder van 28 oktober 2021 en 14 januari 2022 nietig te verklaren en om te bevelen dat die beslissingen en alle verwijzingen naar die beslissingen onmiddellijk moeten worden verwijderd uit eender welk dossier over G. V.K. bij de Orde van advocaten bij de balie te Gent. De brief van 28 oktober 2021 is volgens G. V.K. immers gevoegd in twee andere tuchtdossiers waarin zij wel is doorverwezen naar de tuchtraad. 3 De stafhouder is van oordeel dat de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, geen rechtsmacht heeft om zich uit te spreken over de vordering van G. V.K. De « vaderlijke vermaning » is volgens hem ofwel onderdeel van de sepotbeslissing die tot zijn discretionaire bevoegdheid behoort, ofwel een tuchtrechtelijke beslissing waarvoor de tuchtraad bevoegd is. Alvorens daarover uitspraak te doen, acht de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, het noodzakelijk de hiervoor vermelde prejudiciële vraag te stellen. III. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de prejudiciële vraag A.
- De tussenkomende partij voert aan dat de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft daar de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege niet over een subjectief recht beschikt op grond waarvan zij een vordering kan instellen bij de burgerlijke rechter. Zij wijst erop dat het de stafhouder niet verboden is een vermaning op te nemen in de sepotbeslissing, en dat de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege geen belang heeft bij een beroep tegen een sepotbeslissing waarin de vermaning is opgenomen, aangezien de sepotbeslissing en de vermaning geen rechtsgevolgen creëren. De vermaning is immers geen tuchtsanctie en met de sepotbeslissing wordt evenmin een tuchtprocedure opgestart. Het voorgaande geldt volgens haar des te meer nu de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege geen advocaat meer is. Verder merkt de tussenkomende partij op dat het in geen geval de hoven en rechtbanken toekomt rechterlijk toezicht uit te oefenen in deontologische aangelegenheden tussen advocaten. Het komt de rechter volgens haar niet toe zich in de plaats te stellen van de stafhouder. Dat betekent volgens haar evenwel niet dat de advocaat tegen wie een klacht is ingediend geen manier heeft om zijn bezwaren bij de motivering van de sepotbeslissing te uiten. De advocaat kan immers, zoals de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege heeft gedaan, een willig beroep instellen bij de stafhouder. A.
- De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege is van oordeel dat de prejudiciële vraag ontvankelijk is. Zij voert aan dat zij over een subjectief recht beschikt, namelijk het recht op bescherming van haar persoonlijke en professionele integriteit. Zij voert tevens aan dat zij belang heeft bij haar vordering aangezien de « vaderlijke vermaning » rechtsgevolgen voor haar creëert. De sepotbeslissing is immers overgezonden aan de klager die er vrijelijk gebruik van mag maken, is gevoegd in twee lopende tuchtdossiers en is opgenomen in haar persoonlijk dossier bij de Orde van advocaten bij de balie te Gent. Het feit dat zij momenteel geen advocaat meer is, doet daar volgens haar geen afbreuk aan. Ten gronde A.
- De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege meent dat de prejudiciële vraag bevestigend moet worden beantwoord. Zij voert aan dat er geen redelijke verantwoording bestaat voor het feit dat de klager een sepotbeslissing met « vaderlijke vermaning » van de stafhouder kan betwisten bij de voorzitter van de tuchtraad, terwijl de advocaat tegen wie de klacht was ingediend, dat niet kan. De advocaat tegen wie de klacht was ingediend, heeft volgens haar eveneens belang bij het betwisten van een dergelijke sepotbeslissing. De « vaderlijke vermaning » heeft immers rechtsgevolgen voor de betrokken advocaat. Het betreft een sanctie waarvoor geen wettelijke grondslag bestaat maar die niettemin wordt uitgesproken door de stafhouder. A.
- De verwerende partij voor het verwijzende rechtscollege is van oordeel dat de prejudiciële vraag ontkennend moet worden beantwoord. Zij wijst erop dat de beslissing van de stafhouder om een klacht niet te seponeren, te seponeren of te seponeren met een « vaderlijke vermaning » tot de kern van de discretionaire bevoegdheid van de stafhouder behoort en dat het niet aan de rechter toekomt die discretionaire bevoegdheid aan te tasten. Zij wijst verder erop dat een « vaderlijke vermaning » louter een meningsuiting van de stafhouder is die 4 niet raakt aan de rechtspositie van de betrokken advocaat. Zij is immers niet bindend en heeft geen gezag van gewijsde indien zij zou worden aangehaald in een latere tuchtrechtelijke vervolging of in een ander geschil. Gelet op de vrijheid van meningsuiting kan zij bijgevolg niet worden getoetst door een rechter. Voorts merkt de verwerende partij voor het verwijzende rechtscollege nog op dat de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege ten onrechte het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie bij de toetsing betrekt. De prejudiciële vraag heeft immers uitsluitend betrekking op artikel 13 van de Grondwet. Ten overvloede voegt zij daaraan toe dat het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie hoe dan ook niet is geschonden aangezien de advocaat tegen wie de klacht is ingediend, in tegenstelling tot de klager, geen belang heeft bij het betwisten van een sepotbeslissing, daar die hem tot voordeel strekt, zelfs indien zij een « vaderlijke vermaning » bevat. A.
- De Ministerraad is eveneens van oordeel dat de prejudiciële vraag ontkennend moet worden beantwoord. Hij werpt in hoofdorde op dat het recht op toegang tot de rechter uit artikel 13 van de Grondwet niet geldt voor een « vaderlijke vermaning » die opgenomen is in een sepotbeslissing van de stafhouder. Volgens de Ministerraad is het recht op toegang tot de rechter maar van toepassing indien er sprake is van het afdwingen van een recht of het gekrenkt worden van een recht. Een « vaderlijke vermaning » raakt volgens hem evenwel niet aan de rechten van de betrokken advocaat, aangezien zij slechts een overweging is in een beslissing tot buitenvervolgingstelling die hem net tot voordeel strekt. Een « vaderlijke vermaning » is volgens hem geen afzonderlijke beslissing en evenmin een tuchtsanctie. In ondergeschikte orde werpt de Ministerraad op dat artikel 458 van het Gerechtelijk Wetboek niet verbiedt dat de advocaat die de vermaning krijgt, de vermaning betwist bij de rechter. De in het geding zijnde bepaling verhindert een beroep bij een onafhankelijke en onpartijdige rechter dus niet indien hij daar recht op zou hebben. Het komt in dat geval de geadieerde rechtbank toe te oordelen of de advocaat over het vereiste belang beschikt om de « vaderlijke vermaning » te betwisten. A.
- Volgens de tussenkomende partij, de Orde van Vlaamse balies, moet de prejudiciële vraag ontkennend worden beantwoord, zij het slechts in zoverre het Hof de prejudiciële vraag ontvankelijk zou verklaren. Zij doet gelden dat de vermeende beperking van het recht op toegang tot de rechter redelijk verantwoord is. Het feit dat de betrokken advocaat geen specifiek rechtsmiddel heeft tegen de sepotbeslissing met « vaderlijke vermaning » past binnen de legitieme doelstelling van de wetgever om zo veel mogelijk deontologische geschillen op te lossen zonder oproeping voor de tuchtraad. Die regeling heeft geen onevenredige gevolgen. De sepotbeslissing is immers ten gunste van de betrokken advocaat en creëert geen rechtsgevolgen. Daarnaast kan de betrokken advocaat steeds een willig beroep instellen bij de stafhouder. Tot slot merkt de tussenkomende partij, om soortgelijke redenen als de redenen aangevoerd door de verwerende partij voor het verwijzende rechtscollege, op dat het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, dat de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege volgens haar onterecht in de toetsing betrekt, niet geschonden is. -B- B.1.
- De prejudiciële vraag heeft betrekking op de beroepsmogelijkheden van een advocaat tegen wie een klacht is ingediend tegen een beslissing van de stafhouder om haar niet te laten verschijnen voor de tuchtraad maar om haar wel « vaderlijk » te vermanen. B.1.
- De in het geding zijnde bepalingen zijn artikel 458 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals ingevoegd bij artikel 10 van de wet van 21 juni 2006 « tot wijziging van een aantal bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de balie en de tuchtprocedure voor haar leden », en artikel 568 van het Gerechtelijk Wetboek. 5 Artikel 458 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt : « §
- De stafhouder ontvangt en onderzoekt de klachten tegen de advocaten van zijn Orde. Om ontvankelijk te zijn, moeten klachten schriftelijk worden ingediend, moeten ze ondertekend en gedateerd zijn, en moeten ze de volledige identiteit van de klager bevatten. De stafhouder kan eveneens ambtshalve of op schriftelijke aangifte door de procureur-generaal een onderzoek instellen. De stafhouder leidt het onderzoek of stelt een onderzoeker aan, wiens taken en bevoegdheden hij omschrijft. De klager en de advocaat die het voorwerp uitmaakt van het onderzoek, worden van de instelling van het onderzoek schriftelijk op de hoogte gebracht. De klager heeft het recht om tijdens het onderzoek gehoord te worden en kan, in voorkomend geval, bijkomende informatie en bewijsstukken verschaffen. De verklaringen van de klager, van de advocaat en van de getuigen worden opgetekend in een proces-verbaal. De gehoorde personen ontvangen op hun verzoek een afschrift van het proces-verbaal van hun verklaringen. De advocaat die het voorwerp uitmaakt van een tuchtonderzoek, kan zich tijdens het onderzoek laten bijstaan door de advocaat van zijn keuze, maar kan zich niet laten vertegenwoordigen. §
- De stafhouder die na het onderzoek oordeelt dat er redenen bestaan om de advocaat te laten verschijnen voor de tuchtraad, zendt het dossier samen met zijn met redenen omklede beslissing over aan de voorzitter van de tuchtraad, zodat deze de tuchtraad kan samenroepen overeenkomstig de bepalingen van artikel
- Hij brengt de advocaat en de klager hiervan op de hoogte. Is de stafhouder van mening dat de klacht onontvankelijk, ongegrond of van onvoldoende gewicht is, dan brengt hij de klager en de advocaat hiervan schriftelijk op de hoogte. De klager kan de beslissing binnen drie maanden betwisten bij een ter post aangetekende brief gericht aan de voorzitter van de tuchtraad. De advocaat of de klager kan zich eveneens tot laatstgenoemde richten binnen dezelfde termijn en op dezelfde wijze indien de stafhouder binnen een termijn van zes maanden na het indienen van de klacht geen beslissing tot buitenvervolgingstelling of tot vervolging heeft genomen. §
- De voorzitter van de tuchtraad bij wie de zaak door de advocaat of de klager aanhangig wordt gemaakt, kan het volgende doen binnen een termijn van drie maanden te rekenen van die aanhangigmaking :
- indien hij vaststelt dat het onderzoek van de stafhouder nog niet ingesteld is, nog loopt of niet volledig is, kan hij hetzij de stafhouder ertoe uitnodigen dit onderzoek te beëindigen binnen een door hem te bepalen termijn, hetzij de klacht zelf onderzoeken of een onderzoeker 6 aanstellen wiens taken en bevoegdheden hij omschrijft. De stafhouder geeft in laatstgenoemd geval de zaak uit handen en zendt het dossier ervan dadelijk over aan de voorzitter van de tuchtraad;
- hij kan bij een met redenen omklede en een schriftelijke beslissing, desgevallend na een onderzoek, weigeren gevolg te geven aan onontvankelijke klachten, ongegronde klachten of klachten van onvoldoende gewicht;
- hij kan, in voorkomend geval na een onderzoek, beslissen dat de advocaat dient te verschijnen voor de tuchtraad, in welk geval artikel 459 toegepast wordt. De stafhouder, de advocaat en de klager ontvangen in elk geval een afschrift van deze beslissing, waartegen geen rechtsmiddel openstaat ». Artikel 568 van hetzelfde Wetboek bepaalt : « De rechtbank van eerste aanleg neemt kennis van alle vorderingen, behalve die welke rechtstreeks voor het hof van beroep en het Hof van Cassatie komen. Indien de verweerder de bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg betwist, kan de eiser, vóór de sluiting van de debatten, de verwijzing vorderen van de zaak naar de arrondissementsrechtbank, die uitspraak doet zoals bepaald is in de artikelen 641 en
- Wanneer de verweerder de rechtsmacht van de rechtbank van eerste aanleg afwijst, ingevolge de toewijzing van het geschil aan scheidsrechters, geeft de rechtbank de zaak uit handen, zo daartoe grond bestaat ». B.2.
- Krachtens artikel 458 van het Gerechtelijk Wetboek behoort het tot de bevoegdheid van de stafhouder om klachten tegen advocaten van zijn Orde te ontvangen, om die klachten te onderzoeken of te laten onderzoeken, en om uitspraak te doen over het gevolg dat aan de klacht moet worden gegeven. De stafhouder kan meer bepaald beslissen dat de advocaat moet verschijnen voor de tuchtraad, dan wel dat de klacht onontvankelijk, ongegrond of van onvoldoende gewicht is en dat de betrokken advocaat bijgevolg buiten vervolging wordt gesteld. De stafhouder kan niet zelf een tuchtsanctie opleggen aan de betrokken advocaat. Die bevoegdheid komt in eerste aanleg aan de tuchtraad toe. De tuchtraad heeft tot taak « de inbreuken op de eer van de Orde en op de beginselen van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid, die aan het beroep ten grondslag liggen en een behoorlijke beroepsuitoefening moeten waarborgen, alsook de inbreuken op de reglementen te bestraffen, onverminderd de bevoegdheid van de rechtbanken, indien daartoe grond bestaat » (artikel 456, eerste lid, van het 7 Gerechtelijk Wetboek). Hij kan « bij een met redenen omklede beslissing, naar gelang van het geval, waarschuwen, berispen, schorsen voor een termijn van ten hoogste één jaar, schrappen van het tableau, van de lijst van advocaten die hun beroep uitoefenen onder de beroepstitel van een andere lidstaat van de Europese Unie of van de lijst van stagiairs » (artikel 460, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek). Hoewel artikel 458 van het Gerechtelijk Wetboek daar niet uitdrukkelijk in voorziet, kan de stafhouder volgens de parlementaire voorbereiding in zijn beslissing tot buitenvervolgingstelling een vermelding opnemen die met de verouderde term « vaderlijke vermaning » wordt aangeduid. De parlementaire voorbereiding vermeldt : « Hij kan ook oordelen dat de klacht onontvankelijk, ongegrond of van onvoldoende gewicht is om een tuchtprocedure te rechtvaardigen (hij zou b.v. de zaak in dat geval kunnen afdoen met een ‘ vaderlijke vermaning van de stafhouder ’, welke geen tuchtstraf daar stelt) » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1724/001, pp. 28 en 29). B.2.
- Indien de stafhouder beslist om de betrokken advocaat niet te verwijzen naar de tuchtraad, kan de klager krachtens artikel 458, § 2, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek de beslissing tot buitenvervolgingstelling binnen drie maanden betwisten bij een ter post aangetekende brief gericht aan de voorzitter van de tuchtraad. Die bepaling voorziet niet in een soortgelijke beroepsmogelijkheid voor de betrokken advocaat tegen de beslissing tot buitenvervolgingstelling, zelfs niet indien die beslissing een zogenaamde « vaderlijke vermaning » bevat. B.3.
- Krachtens artikel 568 van het Gerechtelijk Wetboek beschikt de rechtbank van eerste aanleg over een voorwaardelijke volheid van bevoegdheid. Zij kan kennisnemen van alle vorderingen die niet rechtstreeks voor het hof van beroep of het Hof van Cassatie komen en die ook niet tot de uitsluitende bevoegdheid van een andere rechtbank behoren. In zoverre de vordering tot de algemene of bijzondere bevoegdheid van een andere rechtbank behoort, kan de verweerder in limine litis de bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg betwisten. B.3.
- Het verwijzende rechtscollege interpreteert artikel 458 van het Gerechtelijk Wetboek, in samenhang gelezen met artikel 568 van hetzelfde Wetboek, in die zin dat de advocaat die het voorwerp uitmaakt van de klacht, de beslissing van de stafhouder tot 8 buitenvervolgingstelling met een zogenaamde « vaderlijke vermaning » niet kan aanvechten bij een onafhankelijke en onpartijdige rechter. Het Hof beantwoordt de prejudiciële vraag in die interpretatie, die niet kennelijk verkeerd is. B.3.
- Het verwijzende rechtscollege wenst te vernemen of artikel 458 van het Gerechtelijk Wetboek, in samenhang gelezen met artikel 568 van hetzelfde Wetboek, in die interpretatie bestaanbaar is met het recht op toegang tot de rechter zoals vervat in artikel 13 van de Grondwet. B.4.
- De tussenkomende partij werpt op dat de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft, daar de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege niet over een subjectief recht beschikt om de zogenaamde « vaderlijke vermaning » die opgenomen is in de beslissing tot buitenvervolgingstelling, te betwisten bij de burgerlijke rechter. Zij doet gelden dat het niet verboden is voor de stafhouder om een vermaning op te nemen in de beslissing tot buitenvervolgingstelling, en dat de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege geen enkel belang heeft bij een beroep tegen de beslissing tot buitenvervolgingstelling waarin de vermaning is opgenomen, aangezien die beslissing geen rechtsgevolgen creëert. B.4.
- Aangezien de opgeworpen exceptie nauw samenhangt met de draagwijdte die aan artikel 13 van de Grondwet dient te worden gegeven, valt het onderzoek van de exceptie samen met dat van de grond van de zaak. B.5.
- Artikel 13 van de Grondwet bepaalt : « Niemand kan tegen zijn wil worden afgetrokken van de rechter die de wet hem toekent ». B.5.
- Artikel 13 van de Grondwet houdt een recht in op toegang tot de bevoegde rechter. Dat recht wordt eveneens gewaarborgd bij artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en bij een algemeen rechtsbeginsel. Artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens waarborgt het recht op toegang tot de rechter bij het vaststellen van burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het 9 bepalen van de gegrondheid van een ingestelde strafvervolging. Artikel 13 van de Grondwet en het algemene rechtsbeginsel waarborgen het recht op toegang tot de rechter meer algemeen voor elk geschil dat betrekking heeft op een recht of een verplichting, ongeacht of het burgerlijk van aard is in de zin van artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.5.
- Het recht op toegang tot de rechter vormt een wezenlijk aspect van het recht op een eerlijk proces en is fundamenteel in een rechtsstaat. Het recht om zich tot een rechter te wenden, heeft bovendien zowel betrekking op het recht om in rechte op te treden als op het recht om zich te verdedigen. Het recht op toegang tot een rechter is evenwel niet absoluut. De beperkingen van dat recht mogen geen afbreuk doen aan de inhoud van dat recht. Zij moeten bovendien redelijk evenredig zijn met het gewettigde doel dat zij nastreven (EHRM, 7 juli 2009, Stagno t. België, ECLI:CE:ECHR:2009:0707JUD000106207, § 25; grote kamer, 17 januari 2012, Stanev t. Bulgarije, ECLI:CE:ECHR:2012:0117JUD003676006, §§ 229 en 230). De reglementering inzake het recht op toegang tot een rechter moet steeds de rechtszekerheid en de goede rechtsbedeling nastreven en mag geen soort van belemmering vormen die de rechtzoekende belet dat de inhoud van zijn geschil wordt beslecht door het bevoegde rechtscollege (EHRM, 7 juli 2009, Stagno t. België, ECLI:CE:ECHR:2009:0707JUD000106207, § 25; 29 maart 2011, RTBF t. België, ECLI:CE:ECHR:2011:0329JUD005008406, § 69). De verenigbaarheid van die beperkingen met het recht op toegang tot een rechter wordt beoordeeld rekening houdend met de bijzonderheden van de in het geding zijnde procedure en van het hele proces (EHRM, 29 maart 2011, RTBF t. België, ECLI:CE:ECHR:2011:0329JUD005008406, § 70). B.
- Het recht op toegang tot de rechter is van toepassing op een geschil tussen de betrokken advocaat en de stafhouder over een zogenaamde « vaderlijke vermaning » die opgenomen is in een beslissing tot buitenvervolgingstelling. Een dergelijke vermelding raakt immers aan de rechten van de betrokken advocaat, inzonderheid aan zijn recht op een goede naam, en kan bovendien een weerslag hebben op een latere tuchtprocedure tegen dezelfde advocaat, waarin de zogenaamde « vaderlijke vermaning » als stuk kan worden bijgevoegd. De in het geding zijnde bepalingen, in die zin geïnterpreteerd dat zij de betrokken advocaat niet de mogelijkheid geven om de zogenaamde « vaderlijke vermaning » te betwisten bij een rechter, beperken aldus het recht op toegang tot de rechter. 10 B.
- Die beperking raakt rechtstreeks aan de inhoud van dat recht zelf. De betrokken advocaat kan in de interpretatie die het verwijzende rechtscollege aan de in het geding zijnde bepalingen geeft, de zogenaamde « vaderlijke vermaning » die opgenomen is in een beslissing tot buitenvervolgingstelling, op geen enkele manier bij een rechter aanvechten, hoewel zij de in B.6 vermelde nadelige gevolgen kan hebben voor de betrokken advocaat. Het feit dat de betrokken advocaat een willig beroep kan instellen bij de stafhouder, doet aan het voorgaande geen afbreuk, aangezien dit geenszins kan worden gelijkgesteld met een beroep bij een onafhankelijke en onpartijdige rechter. In tegenstelling tot wat de tussenkomende partij aanvoert, verantwoordt de doelstelling van de wetgever om zoveel mogelijk deontologische geschillen te beslechten zonder oproeping voor de tuchtraad, ook niet dat aan dezelfde instantie, te dezen de stafhouder, de taak wordt toevertrouwd om een beslissing te heronderzoeken die de rechten van de betrokken advocaat aantast. B.
- In de interpretatie die het verwijzende rechtscollege eraan geeft, is artikel 458 van het Gerechtelijk Wetboek, in samenhang gelezen met artikel 568 van het Gerechtelijk Wetboek, bijgevolg niet bestaanbaar met artikel 13 van de Grondwet. B.
- De in het geding zijnde bepaling is evenwel voor een andere interpretatie vatbaar. Artikel 458 van het Gerechtelijk Wetboek sluit niet uitdrukkelijk uit dat de betrokken advocaat de beslissing van de stafhouder tot buitenvervolgingstelling met een zogenaamde « vaderlijke vermaning » betwist bij een rechter. Bijgevolg kan die bepaling, in samenhang gelezen met artikel 568 van het Gerechtelijk Wetboek, zo worden geïnterpreteerd dat de betrokken advocaat over de mogelijkheid beschikt om de beslissing van de stafhouder tot buitenvervolgingstelling met een zogenaamde « vaderlijke vermaning » te betwisten bij de rechtbank van eerste aanleg, die op grond van artikel 568 van het Gerechtelijk Wetboek de residuaire bevoegdheid heeft. In die interpretatie is artikel 458 van het Gerechtelijk Wetboek, in samenhang gelezen met artikel 568 van het Gerechtelijk Wetboek, bestaanbaar met artikel 13 van de Grondwet. 11 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : - In de interpretatie dat de advocaat die het voorwerp uitmaakt van de klacht, de beslissing tot buitenvervolgingstelling die een zogenaamde « vaderlijke vermaning » van de stafhouder bevat, niet kan aanvechten bij een onafhankelijke en onpartijdige rechter, schendt artikel 458 van het Gerechtelijk Wetboek, in samenhang gelezen met artikel 568 van hetzelfde Wetboek, artikel 13 van de Grondwet. - In de interpretatie dat de advocaat die het voorwerp uitmaakt van de klacht, de beslissing tot buitenvervolgingstelling die een zogenaamde « vaderlijke vermaning » van de stafhouder bevat, kan aanvechten bij een onafhankelijke en onpartijdige rechter, schendt artikel 458 van het Gerechtelijk Wetboek, in samenhang gelezen met artikel 568 van hetzelfde Wetboek, artikel 13 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 30 november
- De griffier, De voorzitter, N. Dupont L. Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.168 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:CE:ECHR:2009:0707JUD000106207 ECLI:CE:ECHR:2011:0329JUD005008406 ECLI:CE:ECHR:2012:0117JUD003676006 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div