← België

ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.169

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 30 november 2023 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.169 Arrest- Rolnummer: 169/2023 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2023-12-11 Raadplegingen: 1299 - laatst gezien 2026-06-19 01:23 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Geen schending (artikel 162bis, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering, in samenhang gelezen met artikel 194 van hetzelfde Wetboek) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 162bis en 194 van het Wetboek van strafvordering, gesteld door het Hof van Beroep te Bergen. Strafrechtspleging - Verhaalbaarheid van kosten en honoraria van een advocaat - Rechtsplegingsvergoeding - Uitsluiting - Stedenbouwkundige inbreuk - Gemachtigde ambtenaar Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 169/2023 van 30 november 2023 Rolnummer : 7946 In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 162bis en 194 van het Wetboek van strafvordering, gesteld door het Hof van Beroep te Bergen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters T. Giet, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, D. Pieters, S. de Bethune, E. Bribosia, W. Verrijdt, K. Jadin en M. Plovie, bijgestaan door de griffier N. Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 17 januari 2023, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 13 maart 2023, heeft het Hof van Beroep te Bergen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 162bis en 194 van het Wetboek van strafvordering, die naar artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek verwijzen wat het verschuldigd zijn van een rechtsplegingsvergoeding betreft, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, afzonderlijk beschouwd of in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en/of artikel 9 van het Verdrag van Aarhus betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, wanneer zij in die zin worden geïnterpreteerd dat de gemachtigde ambtenaar, handelend op grond van artikel D.VII.13 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling, geen rechtsplegingsvergoeding zou kunnen verkrijgen ten laste van de beklaagde die in de vordering van de gemachtigde ambtenaar in het ongelijk is gesteld ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - de gemachtigde ambtenaar van het Operationeel Directoraat-generaal Ruimtelijke Ordening, Huisvesting, Patrimonium en Energie van de Waalse Overheidsdienst, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Moërynck, advocaat bij de balie te Brussel; 2 - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Schaffner, advocaat bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 20 september 2023 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers K. Jadin en D. Pieters te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 4 oktober 2023 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 4 oktober 2023 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Een man bouwt een garage en verbouwt een gebouw zonder daarvoor de vereiste stedenbouwkundige vergunning te hebben aangevraagd. Bij vonnis van 1 februari 2022 veroordeelt de correctionele rechtbank Henegouwen, afdeling Charleroi, hem tot een geldboete wegens het aldus schenden van diverse bepalingen van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling van het Waalse Gewest (hierna : het WWRO). Op vordering van de door de Waalse Regering voor het ambtsgebied Henegouwen gemachtigde ambtenaar van de Waalse Overheidsdienst (hierna : de gemachtigde ambtenaar), veroordeelt de rechtbank de beklaagde ook tot een herstel van de plaats in haar oorspronkelijke staat en tot enkele inrichtingswerken, met toepassing van artikel D.VII.13 van het WWRO. Het Hof van Beroep te Bergen, waarbij hogere beroepen tegen dat vonnis zijn ingesteld, bevestigt die veroordelingen. De gemachtigde ambtenaar, die wordt erkend als zijnde partij in het geding, vraagt voor het Hof van Beroep dat de beklaagde, met toepassing van artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering, ertoe wordt veroordeeld hem een rechtsplegingsvergoeding in de zin van artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek te betalen. Het Hof van Beroep merkt evenwel op dat, volgens het Hof van Cassatie, die ambtenaar in een zaak als deze geen burgerlijke partij is in de zin van die laatste wetskrachtige bepaling, zodat de beklaagde niet kan worden veroordeeld tot het betalen van de gevorderde vergoeding. De gemachtigde ambtenaar, die argumenten put uit drie arresten van het Grondwettelijk Hof (de arresten nr. 68/2015 (ECLI:BE:GHCC:2015:ARR.068) en nr. 69/2015 (ECLI:BE:GHCC:2015:ARR.069) van 21 mei 2015, alsook het arrest nr. 34/2016 van 3 maart 2016 (ECLI:BE:GHCC:2016:ARR.034)) meent echter dat de interpretatie die het Hof van Cassatie aan artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering geeft, niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre die interpretatie een discriminerend verschil in behandeling doet ontstaan. Het Hof van Beroep beslist dus aan het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag te stellen. III. In rechte -A- A.

  1. De door de Waalse Regering voor het ambtsgebied Henegouwen gemachtigde ambtenaar van de Waalse Overheidsdienst (hierna : de gemachtigde ambtenaar) voert aan dat de prejudiciële vraag bevestigend moet worden beantwoord. 3 A.2.
  2. In de eerste plaats onderstreept de gemachtigde ambtenaar dat zijn met toepassing van artikel D.VII.13 van het WWRO ingestelde vordering weliswaar wordt uitgeoefend in het kader van een strafproces ter behartiging van het algemeen belang, en in het bijzonder de goede ruimtelijke ordening, doch niet mag worden verward met de strafvordering. Hij preciseert dat zijn vordering de strafvordering niet op gang brengt en dat de uitoefening ervan losstaat van de vraag of het het openbaar ministerie dan wel de burgerlijke partij is die de strafvordering op gang heeft gebracht. De gemachtigde ambtenaar beweert eveneens dat de uitoefening van zijn vordering van hem een daadwerkelijke partij in het strafproces maakt. Hij merkt ook op dat zijn vordering is gericht op het herstel en niet op de straf. Hij betoogt dat de prejudiciële vraag noopt tot de vergelijking van de situatie van een overheid die een herstelvordering in het algemeen belang instelt, met die van een burgerlijke partij die een dergelijke vordering in haar eigen belang instelt. A.2.
  3. Volgens de gemachtigde ambtenaar kan de omstandigheid dat hij een vordering uitoefent die strekt tot de vrijwaring van het algemeen belang niet verantwoorden dat de wet hem het recht op een rechtsplegingsvergoeding in de zin van artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek ontzegt. Uit drie door het Hof gewezen arresten van 21 mei 2015 (voormelde arresten nrs. 68/2015 en 69/2015, en 70/2015 (ECLI:BE:GHCC:2015:ARR.070)) alsook uit het arrest nr. 34/2016 van 3 maart 2016 leidt de ambtenaar af dat het niet meer in overeenstemming is met de Grondwet om de eventuele toekenning van een rechtsplegingsvergoeding enkel voor te behouden aan de partijen bij een burgerlijk proces die alleen voor hun persoonlijk belang opkomen. Hij is van mening dat die rechtspraak ook relevant is voor de gemachtigde ambtenaar die handelt in het kader van het strafproces waarvan sprake is in artikel D.VII.13 van het WWRO, gelet op de aard van de door hem uitgeoefende vordering, zijn statuut van procespartij en het feit dat hij in voorkomend geval dezelfde vordering voor een burgerlijke rechtbank zou kunnen formuleren met toepassing van artikel D.VII.22 van het WWRO. A.
  4. De Ministerraad voert aan dat de prejudiciële vraag ontkennend dient te worden beantwoord. A.4.
  5. De Ministerraad onderstreept eerst dat de gemachtigde ambtenaar die handelt in het kader dat is vastgesteld bij artikel D.VII.13 van het WWRO geen burgerlijke partij is in de zin van artikel 162bis, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering, aangezien die ambtenaar handelt om het algemeen belang te behartigen en niet om schade te herstellen die hij persoonlijk zou hebben geleden. Hij preciseert dat de door die ambtenaar ingestelde herstelvordering uit naam van de maatschappij geschiedt en niet om particuliere belangen te dienen. A.4.
  6. De Ministerraad merkt op dat het Hof zich bij het arrest nr. 135/2009 van 1 september 2009 (ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.135) reeds heeft uitgesproken over het in het geding zijnde verschil in behandeling tussen de burgerlijke partij en de gemachtigde ambtenaar. Hij herinnert eraan dat dat verschil in behandeling, dat voortvloeit uit artikel 162bis, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering, werd verantwoord door de omstandigheid dat, in tegenstelling tot de burgerlijke partij, die handelt om het herstel van haar eigen schade te verkrijgen, de gemachtigde ambtenaar optreedt voor de vrijwaring van het algemeen belang. De Ministerraad meent dat de arresten nrs. 68/2015, 69/2015, 70/2015 en 34/2016 die verantwoording niet in twijfel trekken, aangezien de motieven ervan niet relevant zijn om de prejudiciële vraag te beantwoorden. De Ministerraad merkt op dat die arresten geen betrekking hadden op de regels die van toepassing zijn op de strafprocedure. Hij merkt eveneens op dat het Hof zich bij de arresten nrs. 68/2015 en 69/2015 heeft uitgesproken over het recht op een rechtsplegingsvergoeding in de context van een beroep voor een burgerlijk rechtscollege dat een soortgelijk doel heeft als dat van het beroep tot nietigverklaring dat kan worden ingesteld bij de Raad van State, namelijk het betwisten van de wettigheid van een overheidsbeslissing. De Ministerraad wijst ook erop dat de in artikel D.VII.13, eerste lid, van het WWRO bedoelde vordering van de gemachtigde ambtenaar een uit naam van de maatschappij geformuleerde herstelvordering is die niet tot doel heeft om een rechter te verzoeken uitspraak te doen over het bestaan of de schending van een subjectief recht. Hij leidt daaruit af dat het net zo min verantwoord zou zijn om aan de gemachtigde ambtenaar die op dat punt in het gelijk wordt gesteld, een recht op een rechtsplegingsvergoeding toe te kennen ten laste van de beklaagde, als om een dergelijk recht toe te kennen aan het openbaar ministerie dat in het gelijk wordt gesteld. 4 A.4.
  7. Ten slotte voert de Ministerraad aan dat de omstandigheid dat de in artikel D.VII.13 van het WWRO bedoelde vordering van de gemachtigde ambtenaar ook voor een burgerlijke rechtbank kan worden geformuleerd met toepassing van artikel D.VII.22 van datzelfde Wetboek, evenmin van dien aard is dat het in het geding zijnde verschil in behandeling een redelijke verantwoording wordt ontnomen. Hij is van mening dat de prejudiciële vraag niet ertoe strekt de situatie van de gemachtigde ambtenaar voor de correctionele rechtbank te vergelijken met zijn situatie voor de burgerlijke rechtbank. Hij voegt eraan toe dat het Hof bij het arrest nr. 36/2013 van 7 maart 2013 (ECLI:BE:GHCC:2013:ARR.036) heeft geoordeeld dat de gevolgen van de vordering van die ambtenaar met betrekking tot het recht op een rechtsplegingsvergoeding op dezelfde wijze moesten worden geregeld als de gevolgen van de strafvordering. -B- B.
  8. De rechtsplegingsvergoeding is een « forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij » (artikel 1022, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals vervangen bij artikel 7 van de wet van 21 april 2007 « betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat »). B.2.
  9. Artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering is een van de wetsbepalingen die het verloop van de procedure voor de politierechtbanken regelen. Dat artikel 162bis, dat in dat Wetboek werd ingevoegd bij artikel 9 van de voormelde wet van 21 april 2007 en de laatste keer werd gewijzigd bij artikel 6 van de wet van 18 maart 2018 « houdende wijzigingen van diverse bepalingen van het strafrecht, de strafvordering en het gerechtelijk recht », bepaalt : « Ieder veroordelend vonnis, uitgesproken tegen de beklaagde en tegen de personen die voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijk zijn, veroordeelt hen tot het betalen aan de burgerlijke partij van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek. De burgerlijke partij die rechtstreeks heeft gedagvaard of die zich met een afzonderlijke vordering heeft aangesloten bij een rechtstreekse dagvaarding van een andere burgerlijke partij, of die, bij ontstentenis van enig beroep van het openbaar ministerie, de beklaagde of burgerrechtelijk aansprakelijke persoon, hoger beroep heeft ingesteld en die in het ongelijk wordt gesteld, kan worden veroordeeld tot het aan de beklaagde en aan de burgerrechtelijke aansprakelijke persoon betalen van de vergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek. De vergoeding wordt bepaald door het vonnis ». B.2.
  10. Artikel 194 van het Wetboek van strafvordering is een van de wetsbepalingen die het verloop van de procedure voor de correctionele rechtbanken regelen. 5 Sinds de wijziging ervan bij artikel 10 van de wet van 21 april 2007 bepaalt dat artikel 194 dat uitspraak wordt gedaan « over de vergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, overeenkomstig artikel 162bis ». B.2.
  11. Artikel 211 van het Wetboek van strafvordering, dat deel uitmaakt van de bepalingen tot regeling van het hoger beroep van correctionele vonnissen, bepaalt, sinds de wijziging ervan bij artikel 11 van de wet van 21 april 2007, dat de « bepalingen van de voorgaande artikelen betreffen de […] de veroordeling […] [tot] de vergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek […] eveneens [gelden] voor de vonnissen in hoger beroep gewezen ». B.3.
  12. Voor het Franse taalgebied bepaalt artikel D.VII.13 van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling van het Waalse Gewest (hierna : het WWRO), dat deel uitmaakt van hoofdstuk V (« Vervolging voor de correctionele rechtbank ») van boek VII (« Overtredingen en straffen ») van dat Wetboek : « Naast de straf beveelt de rechtbank op met redenen omkleed verzoek van de gemachtigde ambtenaar of het gemeentecollege : 1° ofwel het herstel van de plaats in haar oorspronkelijke staat of de stopzetting van het onrechtmatige gebruik; 2° ofwel de uitvoering van werken of inrichtingswerken voor zover de handelingen en werken of de te handhaven bebouwing en de uit te voeren werken of inrichtingswerken het gewestplan en de normen van de leidraad voor gewestelijke stedenbouw naleven of de voorwaarden m.b.t. de afwijking van het gewestplan of de normen van de leidraad voor gewestelijke stedenbouw naleven; 3° ofwel de betaling van een som gelijk aan de meerwaarde die het goed ingevolge de overtreding verworven heeft, voor zover het noch op de beschermingslijst noch op de monumentenlijst voorkomt krachtens het Waals Erfgoedwetboek en voor zover de in overtreding uitgevoerde handelingen en werken of de uitgevoerde bebouwing het gewestplan en de normen van de leidraad voor gewestelijke stedenbouw of de voorwaarden m.b.t. de afwijking van het gewestplan of de normen van de leidraad voor gewestelijke stedenbouw naleven. De motivering van de gemachtigd ambtenaar of van het gemeentecollege heeft met name betrekking op de impact van de gekozen wijze van herstel op het leefmilieu ten opzichte van artikel D.66 van Boek I van het Milieuwetboek en op de naleving van de in het eerste lid, 2° of 3°, bedoelde voorwaarden. 6 De rechtbank bepaalt daarvoor een termijn, die in sub 1° en 2° bedoelde gevallen één jaar niet mag overschrijven. In geval van veroordeling tot betaling van een som, legt de rechtbank deze vast op de gehele of gedeeltelijke meerwaarde die het goed verworven heeft, en beveelt dat de veroordeelde op geldige wijze voldoening kan geven door de plaats binnen één jaar in haar oorspronkelijke staat te herstellen. De som wordt gestort op een speciale rekening van de begroting van het Gewest ». B.3.
  13. De « gemachtigde ambtenaar » waarvan sprake is in de voormelde decretale bepaling is een ambtenaar van het « Operationeel Directoraat-generaal Ruimtelijke Ordening, Huisvesting, Patrimonium en Energie » van de Waalse Overheidsdienst die door de Waalse Regering werd aangewezen om bepaalde in het WWRO beschreven opdrachten te vervullen (artikel D.I.3 van dat Wetboek, zoals van toepassing in het Franse taalgebied). B.3.
  14. Het bevel dat de correctionele rechtbank, met toepassing van artikel D.VII.13, eerste lid, van het WWRO, op verzoek van de voormelde ambtenaar geeft aan de beklaagde is een « maatregel van burgerlijke aard ». Dat bevel valt evenwel onder de strafvordering, namelijk de « rechtsvordering tot toepassing van de straffen » naar luid van artikel 1 van de wet van 17 april 1878 « houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering ». De maatregel die aldus door de rechtbank wordt bevolen, die een verplichte aanvulling op de strafrechtelijke veroordeling vormt, strekt niet ertoe schade te vergoeden die door een misdrijf is toegebracht aan particuliere belangen, maar strekt ertoe om, in het algemeen belang, de gevolgen van een misdrijf ongedaan te maken (Cass., 29 april 2015, P.15.0002.F, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150429.3; 24 maart 2021, P.20.1344.F, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210324.2F.5). B.
  15. De rechtsplegingsvergoeding waarvan sprake is in het in B.2.1 weergegeven artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering heeft enkel betrekking op de burgerlijke rechtsvordering, namelijk de rechtsvordering tot herstel van de door een misdrijf veroorzaakte schade, die wordt bedoeld in artikel 3 van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering. Wanneer hij partij is in een zaak die hangende is voor de correctionele rechtbank die kennisneemt van een met toepassing van artikel D.VII.13 van het WWRO ingestelde vordering, is de in B.3 bedoelde gemachtigde ambtenaar dus geen burgerlijke partij in de zin van artikel 162bis, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering (Cass., 12 maart 2019, P.18.0747.N, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190312.2). 7 B.
  16. Uit de prejudiciële vraag blijkt dat het Hof wordt verzocht na te gaan of artikel 162bis, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering, in samenhang gelezen met artikel 194 van datzelfde Wetboek, bestaanbaar is met, onder meer, het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, zoals het voortvloeit uit de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre die wetsbepalingen een discriminerend verschil in behandeling zouden doen ontstaan tussen twee categorieën van eisende partijen in een strafproces die voor de correctionele rechtbank in het gelijk worden gesteld, wanneer dat rechtscollege ertoe wordt gebracht zich uit te spreken over inbreuken op het WWRO : enerzijds, de burgerlijke partij die recht heeft op een rechtsplegingsvergoeding ten laste van de beklaagde, en, anderzijds, de gemachtigde ambtenaar die de in artikel D.VII.13 van datzelfde Wetboek bedoelde vordering heeft ingesteld en die niet kan verkrijgen dat de beklaagde wordt veroordeeld tot het betalen van een dergelijke vergoeding. B.
  17. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.7.
  18. Toen tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 21 april 2007 de vraag werd opgeworpen inzake de toepassing van de verhaalbaarheid van de kosten en erelonen van advocaten bij de strafgerechten, heeft de wetgever geoordeeld dat het « meer conform [was] met de principes van gelijkheid en non-discriminatie dat men de rechtsonderhorigen die het herstel vragen van een schade voor een burgerlijke of een strafrechtelijke jurisdictie op gelijke voet zou behandelen ». De wetgever heeft dan ook ervoor gekozen « het systeem van de verhaalbaarheid uit te breiden tot de relaties tussen de beklaagde (of de beschuldigde) en de burgerlijke partij » (Parl. St., Senaat, 2006-2007, nr. 3-1686/4, p. 8). De wetgever heeft daarentegen beslist dat de verhaalbaarheid niet zou gelden in de verhouding tussen de beklaagde en de Staat, die is vertegenwoordigd door het openbaar ministerie. In dat verband werd 8 opgemerkt dat « het openbaar ministerie, door vervolging in te stellen, het algemeen belang vertegenwoordigt en derhalve niet op één lijn kan worden gesteld met een burgerlijke partij die de strafvordering alleen in gang zou zetten om een privébelang te verdedigen » (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2891/002, p. 7). B.7.
  19. De wetgever heeft derhalve bij de wet van 21 april 2007 principieel elke verhaalbaarheid uitgesloten van de kosten en erelonen van advocaten in de betrekkingen tussen de beklaagde en het openbaar ministerie. B.7.
  20. Bij zijn arrest nr. 182/2008 van 18 december 2008 (ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.182) betreffende de beroepen tot vernietiging van de wet van 21 april 2007 heeft het Hof geoordeeld dat de fundamentele verschillen tussen het openbaar ministerie, dat in het belang van de maatschappij belast is met het onderzoek en de vervolging van misdrijven en de strafvordering uitoefent, en de burgerlijke partij, die haar eigen belang nastreeft, konden verantwoorden het systeem van de forfaitaire vergoeding waarin de wet van 21 april 2007 voorziet, niet wordt toegepast ten laste van de Staat. Wegens de opdracht die aan het openbaar ministerie is toegewezen, vermocht de wetgever redelijkerwijs ervan uit te gaan dat een regeling volgens welke een rechtsplegingsvergoeding automatisch verschuldigd zou zijn telkens wanneer zijn vordering zonder gevolg blijft, niet tot het openbaar ministerie diende te worden uitgebreid. B.7.
  21. Bij zijn arrest nr. 83/2011 van 18 mei 2011 (ECLI:BE:GHCC:2011:ARR.083) heeft het Hof voor recht gezegd dat artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, vóór de inwerkingtreding van de wet van 21 februari 2010 « tot wijziging van de artikelen 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en 162bis van het Wetboek van strafvordering », de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schond in zoverre een rechtsplegingsvergoeding ten laste van de Belgische Staat kon worden gelegd wanneer het arbeidsauditoraat in het ongelijk wordt gesteld in zijn rechtsvordering die werd ingesteld op grond van artikel 138bis, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek. 9 Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie vereiste naar het oordeel van het Hof dat die vorderingen, die worden ingesteld door een publiek orgaan in naam van het algemeen belang en in alle onafhankelijkheid, op dezelfde wijze worden behandeld als de strafvorderingen. B.7.
  22. Een dergelijke specifieke regeling is verantwoord rekening houdende met, enerzijds, de bijzondere aard van het strafrechtelijk contentieux, dat tot doel heeft de misdrijven te vervolgen en te bestraffen en dat niet ertoe strekt het bestaan of de schending van een subjectief recht te laten vaststellen, noch, in beginsel, uitspraak te doen over de wettigheid van een handeling van een overheid, en gelet op, anderzijds, de specifieke opdracht van het openbaar ministerie of het arbeidsauditoraat in strafzaken - die ermee belast zijn de strafvordering uit naam van de maatschappij uit te oefenen. Ten slotte zijn de functies van het openbaar ministerie en van het arbeidsauditoraat dat, inzake het sociaal strafrecht, de functies van het openbaar ministerie uitoefent (artikelen 145 en 152 van het Gerechtelijk Wetboek) of dat voor de arbeidsrechtbank de vordering instelt bepaald in artikel 138bis, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, die vergelijkbaar is met de strafvordering die het openbaar ministerie instelt voor de strafgerechten, omdat die tot doel heeft vast te stellen of een misdrijf werd gepleegd, verankerd in artikel 151, § 1, van de Grondwet en wordt hun onafhankelijkheid erbij gewaarborgd. B.7.
  23. Bij zijn arresten nrs. 68/2015 (ECLI:BE:GHCC:2015:ARR.068), 69/2015 (ECLI:BE:GHCC:2015:ARR.069) en 70/2015 (ECLI:BE:GHCC:2015:ARR.070) van 21 mei 2015 heeft het Hof zijn rechtspraak met betrekking tot de verhaalbaarheid van de kosten en erelonen van advocaten in de geschillen voor de burgerlijke rechter tussen een overheid die in het algemeen belang optreedt en een particulier, in haar geheel heroverwogen. Voor de betrekkingen tussen de beklaagde en het openbaar ministerie herbevestigde het Hof evenwel zijn arrest nr. 182/2008 van 18 december 2008, waarin het beroepen tot vernietiging tegen artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering, zoals ingevoegd bij de wet van 21 april 2007, verwierp, om de redenen die in B.7.5 zijn vermeld. Het Hof heeft de uitsluiting van de verplichting voor de in het ongelijk gestelde partij om een rechtsplegingsvergoeding te betalen beperkt tot, enerzijds, de betrekkingen tussen de beklaagde en het openbaar ministerie en, anderzijds, de door het arbeidsauditoraat voor de 10 arbeidsrechtbank ingestelde vordering op grond van artikel 138bis, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, omdat die vordering vergelijkbaar is met de strafvordering, omdat zij tot doel heeft vast te stellen of een misdrijf werd gepleegd, en niet louter een herstel van burgerlijke aard te verkrijgen, en zij bovendien de strafvordering doet vervallen. B.
  24. Wegens de vordering die de gemachtigde ambtenaar kan instellen in het kader van een strafprocedure en die geënt is op die van het openbaar ministerie, kon de wetgever redelijkerwijs oordelen dat het niet aangewezen was om in diens voordeel de regeling van de verhaalbaarheid uit te breiden, die hij op strafrechtelijk vlak uitdrukkelijk heeft willen beperken tot de verhouding tussen de beklaagde en de burgerlijke partij. B.
  25. Uit het voormelde volgt dat artikel 162bis, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering, in samenhang gelezen met artikel 194 van datzelfde Wetboek, niet onbestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 11 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 162bis, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering, in samenhang gelezen met artikel 194 van hetzelfde Wetboek, schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 30 november
  26. De griffier, De voorzitter, N. Dupont P. Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.169 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150429.3 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190312.2 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210324.2F.5 ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.182 ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.135 ECLI:BE:GHCC:2011:ARR.083 ECLI:BE:GHCC:2013:ARR.036 ECLI:BE:GHCC:2015:ARR.068 ECLI:BE:GHCC:2015:ARR.069 ECLI:BE:GHCC:2015:ARR.070 ECLI:BE:GHCC:2016:ARR.034 geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.085 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.