id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 14 december 2023 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.174 Arrest- Rolnummer: 174/2023 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2023-12-25 Raadplegingen: 875 - laatst gezien 2026-06-18 21:44 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche De prejudiciële vragen behoeven geen antwoord Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen betreffende artikel 17 van de wet van 11 februari 2013 « houdende organisatie van het beroep van vastgoedmakelaar », gesteld door de kamer van beroep van het Beroepsinstituut van vastgoedmakelaars. Economisch recht - Vastgoedmakelaar - Strafrechtelijke veroordeling wegens misbruik van vertrouwen - Ambtshalve schrapping van de vastgoedmakelaar - Beoordelingsbevoegdheid van de rechter - Door het Hof van Cassatie definitief beslechte rechtspunten Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 174/2023 van 14 december 2023 Rolnummer : 7948 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 17 van de wet van 11 februari 2013 « houdende organisatie van het beroep van vastgoedmakelaar », gesteld door de kamer van beroep van het Beroepsinstituut van vastgoedmakelaars. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en P. Nihoul, en de rechters J. Moerman, S. de Bethune, E. Bribosia, W. Verrijdt en K. Jadin, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij beslissing nr. 1716 van 16 februari 2023, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 13 maart 2023, heeft de kamer van beroep van het Beroepsinstituut van vastgoedmakelaars de volgende prejudiciële vragen gesteld : «
- Schendt artikel 17 van de wet van 11 februari 2013 houdende organisatie van het beroep van vastgoedmakelaar het gelijkheidsbeginsel, zoals vervat in artikel 10 en artikel 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens, waar het voorschrijft dat iedere strafrechtelijke veroordeling voor de tenlastelegging misbruik van vertrouwen in de zin van artikel 491 van het Strafwetboek ambtshalve leidt tot schrapping van de vastgoedmakelaar, terwijl deze ambtshalve sanctie niet is voorzien voor vastgoedmakelaars die andere al dan niet wettelijk zwaarder gesanctioneerde misdrijven zouden plegen zodat vastgoedmakelaars die veroordeeld worden voor andere misdrijven slechts kunnen worden gestraft na een tuchtrechtelijke procedure, waarin deze de mogelijkheid krijgen inhoudelijk verweer te voeren ?
- Schendt artikel 17 van de wet van 11 februari 2013 houdende organisatie van het beroep van vastgoedmakelaar het gelijkheidsbeginsel, zoals vervat in artikel 10 en artikel 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het recht op een eerlijk proces, het beginsel van de onafhankelijkheid van de rechter (gewaarborgd bij artikel 151 van de Grondwet, artikel 6.1 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en artikel 14, eerste lid van het 2 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten), waar het voorschrijft dat iedere strafrechtelijke veroordeling voor de tenlastelegging misbruik van vertrouwen in de zin van artikel 491 van het Strafwetboek ambtshalve leidt tot schrapping van de vastgoedmakelaar, waardoor het aan de rechter die wordt gevat met het oog op de toepassing van artikel 17 van voormelde wet van 11 februari 2013 iedere rechtsmacht ontzegt om zelf een sanctie te bepalen, minstens om de wettelijke voorgeschreven sanctie te controleren of te milderen ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - S.T., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. L. Arnou, advocaat bij de balie van West-Vlaanderen; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. E. Jacubowitz en Mr. P. De Maeyer, advocaten bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 18 oktober 2023 heeft het Hof, na de rechters-verslaggeefsters J. Moerman en E. Bribosia te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 8 november 2023 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 8 november 2023 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Bij een beslissing van 17 april 2020 van de uitvoerende kamer van het Beroepsinstituut van vastgoedmakelaars wordt S.T. met toepassing van artikel 17 van de wet van 11 februari 2013 « houdende organisatie van het beroep van vastgoedmakelaar » (hierna : de wet van 11 februari 2013) ambtshalve geschrapt op de kolom « vastgoedmakelaars-bemiddelaars » van het tableau van de titularissen van het Beroepsinstituut van vastgoedmakelaars. Bij een beslissing van 11 december 2020 van de kamer van beroep van dat Beroepsinstituut wordt het beroep tegen de voormelde beslissing van de uitvoerende kamer ongegrond verklaard. Bij een arrest van 14 oktober 2022 van het Hof van Cassatie (ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221014.1N.9) wordt de beslissing van de kamer van beroep vernietigd en wordt de zaak verwezen naar de kamer van beroep van het Beroepsinstituut van vastgoedmakelaars in een andere samenstelling. Die kamer van beroep meent dat het Hof van Cassatie ten onrechte ervan uitgaat dat de procedure betreffende de ambtshalve schrapping van een vastgoedmakelaar een tuchtprocedure is en acht het vervolgens aangewezen bovenvermelde prejudiciële vragen te stellen aan het Hof. 3 III. In rechte -A- A.1.
- De Ministerraad zet uiteen dat de vastgoedmakelaar die wordt veroordeeld voor het plegen van misbruik van vertrouwen in de zin van artikel 491 van het Strafwetboek, overeenkomstig de in het geding zijnde bepaling ambtshalve wordt geschrapt op het tableau van de titularissen van het Beroepsinstituut van vastgoedmakelaars, terwijl de vastgoedmakelaar die wordt veroordeeld voor een ander misdrijf maar gestraft kan worden na het volgen van een tuchtrechtelijke procedure. Hij meent dat het in de eerste prejudiciële vraag beoogde verschil in behandeling berust op een objectief criterium, meer bepaald de aard van de strafrechtelijke veroordeling van een vastgoedmakelaar. A.1.
- De Ministerraad is van oordeel dat de wetgever met de in het geding zijnde bepaling heeft beoogd de consumenten en het imago van de beroepsgroep van de vastgoedmakelaars te beschermen. Uit de parlementaire voorbereiding leidt hij af dat de wetgever een einde heeft willen maken aan het plegen van misbruik van vertrouwen door vastgoedmakelaars-syndici in het kader van het beheer van de fondsen van de mede-eigendom. Daar het misbruik van vertrouwen het voornaamste risico voor het beroep van vastgoedmakelaars uitmaakt, heeft de wetgever volgens de Ministerraad dan ook enkel dat misdrijf onderworpen aan de ambtshalve schrapping. Hij meent dat daaruit blijkt dat de wetgever niet verder is gegaan dan nodig was en dat de in het geding zijnde bepaling aldus evenredig is ten aanzien van de nagestreefde doelstellingen. Hij meent ten slotte dat de kamers van het Beroepsinstituut van vastgoedmakelaars steeds moeten nagaan of de wettelijk bepaalde sancties verzoenbaar zijn met de dwingende eisen van internationale verdragen en het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. A.1.
- In zoverre S.T. aanvoert dat de in het geding zijnde bepaling een niet-verantwoord verschil in behandeling in het leven roept tussen vastgoedmakelaars, naargelang zij al dan niet strafrechtelijk zijn veroordeeld voor het plegen van misbruik van vertrouwen, meent de Ministerraad dat dat verschil in behandeling de grenzen van de aan het Hof gestelde prejudiciële vragen te buiten gaat. Hoe dan ook is er voor dat verschil in behandeling volgens hem een redelijke verantwoording, daar de eerste categorie van vastgoedmakelaars zich reeds heeft kunnen verdedigen tijdens de strafprocedure, terwijl de tweede categorie van vastgoedmakelaars dat nog niet heeft kunnen doen. A.1.
- In zoverre S.T. in het kader van de eerste prejudiciële vraag de in het geding zijnde bepaling bekritiseert doordat zij geen onderscheid maakt naargelang het misbruik van vertrouwen heeft plaatsgevonden in de privésfeer dan wel tijdens de uitoefening van het beroep, meent de Ministerraad dat die kritiek eveneens de grenzen van de gestelde prejudiciële vraag te buiten gaat. A.2.
- Het in de tweede prejudiciële vraag beoogde verschil in behandeling steunt volgens de Ministerraad op hetzelfde objectieve criterium als dat waarop het in de eerste prejudiciële vraag beoogde verschil in behandeling steunt en is volgens hem redelijk verantwoord om dezelfde redenen als die welke het in de eerste prejudiciële vraag beoogde verschil in behandeling verantwoorden. A.2.
- De Ministerraad wijst erop dat artikel 5, §§ 1 en 2, van de wet van 11 februari 2013 de uitoefening van het beroep van vastgoedmakelaar onderwerpt aan voorwaarden, die onder meer inhouden dat niemand het beroep van vastgoedmakelaar kan uitoefenen indien bepaalde straffen werden opgelopen. De ambtshalve schrapping is dan ook volgens hem coherent met de ratio legis van de wet van 11 februari 2013, die beperkingen stelt aan de mogelijkheid om het beroep van vastgoedmakelaar uit te oefenen. Hij meent bovendien dat het in het licht van de strijd tegen het misbruik van vertrouwen door vastgoedmakelaars redelijk is verantwoord dat er geen onderscheid wordt gemaakt naargelang de feiten zich in het privéleven dan wel in de uitoefening van het beroep hebben voorgedaan. A.2.
- De Ministerraad meent dat het verwijzende rechtscollege terecht van oordeel is dat de schrapping op het tableau van de titularissen van het Beroepsinstituut van vastgoedmakelaars ambtshalve gebeurt en aldus niet het gevolg is van een tuchtonderzoek. Het verwijzende rechtscollege is volgens hem slechts bevoegd om na te gaan of de strafrechtelijke veroordeling is uitgesproken op grond van artikel 491 van het Strafwetboek en of de beslissing door de bevoegde rechter is genomen overeenkomstig artikel 159 van de Grondwet en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Hij meent dat er geen sprake is van een schending van het recht op een eerlijk proces. 4 A.3.
- Met betrekking tot de eerste prejudiciële vraag doet S.T. gelden dat uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever ervoor heeft willen zorgen dat snel en efficiënt kan worden opgetreden tegen de zwaarste tekortkomingen van vastgoedmakelaars. Uit de omstandigheid dat de in het geding zijnde bepaling uitsluitend het misbruik van vertrouwen in de zin van artikel 491 van het Strafwetboek beoogt, leidt hij af dat andere misdrijven, zoals onder meer diefstal met geweld, oplichting, afpersing, valsheid in geschrifte en het witwassen van geld, door de wetgever blijkbaar worden beschouwd als minder zware misdrijven, terwijl sommige van die misdrijven misdaden zijn en het misbruik van vertrouwen een wanbedrijf is. Hij meent dat de door de wetgever nagestreefde doelstelling betreffende het beschermen van de consumenten het in het geding zijnde verschil in behandeling niet redelijk kan verantwoorden. A.3.
- S.T. wijst erop dat de regeling van de ambtshalve schrapping wegens een veroordeling voor misbruik van vertrouwen ernstige gevolgen heeft voor de rechten van verdediging en het recht op een eerlijk proces van de vervolgde persoon. Hij doet gelden dat de persoon die is veroordeeld voor misbruik van vertrouwen zich niet meer kan verdedigen, daar de sanctie a priori vaststaat, meer bepaald de zwaarste sanctie. Personen die een ander misdrijf hebben gepleegd, kunnen zich daarentegen volgens hem wel nog verdedigen op het vlak van de op te leggen sanctie en dit in het kader van de ingestelde tuchtprocedure. Hij meent dat de in het geding zijnde bepaling aldus in strijd is met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, daar voor het voormelde verschil in behandeling geen enkele verantwoording bestaat. De argumentatie van de Ministerraad kan het verschil in behandeling volgens hem niet verantwoorden, daar de in het geding zijnde bepaling niet alleen van toepassing is op de vastgoedmakelaar-syndicus, maar op alle vastgoedmakelaars, en daar die bepaling ook geldt wanneer de vastgoedmakelaar wordt veroordeeld wegens het plegen van misbruik van vertrouwen in de privésfeer zonder de belangen van de consumenten te schaden. A.3.
- S.T. is van oordeel dat de in het geding zijnde bepaling niet bestaanbaar is met het algemeen rechtsbeginsel van de rechten van verdediging en met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Hij meent dat die laatste bepaling te dezen toepassing vindt daar het al dan niet mogen uitoefenen van een beroep een burgerlijk recht is en daar een absoluut beroepsverbod een strafsanctie uitmaakt. A.3.
- S.T. meent dat de in het geding zijnde bepaling eveneens een niet-verantwoord verschil in behandeling in het leven roept tussen, enerzijds, vastgoedmakelaars die misbruik van vertrouwen hebben gepleegd en daarvoor strafrechtelijk werden veroordeeld en, anderzijds, vastgoedmakelaars die misbruik van vertrouwen hebben gepleegd en die daarvoor niet strafrechtelijk werden veroordeeld maar wel tuchtrechtelijk worden vervolgd door de tuchtinstanties van het Beroepsinstituut van vastgoedmakelaars. Hij wijst erop dat de vastgoedmakelaars die strafrechtelijk werden veroordeeld voor misbruik van vertrouwen, zich bij de bevoegde instanties van het voormelde Beroepsinstituut niet meer kunnen verdedigen op het vlak van de strafmaat, terwijl de vastgoedmakelaars die niet strafrechtelijk werden veroordeeld zich op dat vlak wel nog kunnen verdedigen. Hij meent dat er voor dat verschil in behandeling geen redelijke verantwoording bestaat. A.3.
- S.T. meent dat de schending van de in de eerste prejudiciële vraag vermelde referentienormen des te flagranter is, nu de in het geding zijnde bepaling geen onderscheid maakt naargelang het misbruik van vertrouwen wordt gepleegd in het kader van de uitoefening van het beroep, dan wel in het kader van het privéleven. A.4.
- Met betrekking tot de tweede prejudiciële vraag, meent S.T. dat de in het geding zijnde bepaling niet bestaanbaar is met de in die vraag vermelde referentienormen, omdat de instantie die die bepaling moet toepassen geen andere beslissing kan nemen dan de schrapping van de desbetreffende vastgoedmakelaar op het tableau van de titularissen van het Beroepsinstituut van vastgoedmakelaars. Hij meent dat de instanties die moeten oordelen over het al dan niet opleggen van sancties in de zin van de artikelen 14 en volgende van de wet van 11 februari 2013 onafhankelijke rechterlijke instanties dienen te zijn die naar eigen inzicht en in alle onafhankelijkheid de gepaste sanctie moeten kunnen kiezen in verhouding tot de inbreuk die dient te worden beoordeeld. Terwijl de bevoegde instanties voor alle andere tuchtrechtelijke inbreuken beschikken over de bevoegdheid om met volle rechtsmacht te oordelen, is dat volgens hem niet het geval wanneer toepassing wordt gemaakt van de in het geding zijnde bepaling. Hij meent dat voor het desbetreffende verschil in behandeling geen redelijke verantwoording bestaat. A.4.
- S.T. betwist de argumentatie van de Ministerraad met betrekking tot artikel 5 van de wet van 11 februari 2013 en is van oordeel dat er een verschil bestaat tussen voorwaarden die de toegang tot het beroep bepalen en voorwaarden waaraan personen moeten voldoen die het beroep al uitoefenen. Hij meent dat de personen die het beroep al uitoefenen recht hebben op een beoordeling door een onafhankelijke rechterlijke instantie wanneer hun een beroepsverbod wordt opgelegd. 5 -B- B.
- De prejudiciële vragen hebben betrekking op artikel 17 van de wet van 11 februari 2013 « houdende organisatie van het beroep van vastgoedmakelaar » (hierna : de wet van 11 februari 2013). Die bepaling maakt deel uit van afdeling 2 (« Tuchtsancties ») van hoofdstuk 4 (« Tucht ») van de wet van 11 februari 2013 en bepaalt : « Elke veroordeling voor misbruik van vertrouwen in de zin van artikel 491 van het Strafwetboek leidt ambtshalve tot de schrapping van de vastgoedmakelaar door de Kamer. Elke voorafgaande veroordeling op basis van artikel 491 van het Strafwetboek verhindert de uitoefening van de activiteit van vastgoedmakelaar. In geval van vaststelling van verduistering kan de Kamer de vastgoedmakelaar schorsen of schrappen van de lijst ». B.2.
- Volgens artikel 7, § 3, van de Kaderwet betreffende de dienstverlenende intellectuele beroepen, zoals gecodificeerd bij het koninklijk besluit van 3 augustus 2007 « tot codificatie van de kaderwetten betreffende de dienstverlenende intellectuele beroepen », bevat een beroepsinstituut dat overeenkomstig de bepalingen van die Kaderwet wordt opgericht een nationale raad samengesteld uit een gelijk aantal Nederlandstalige en Franstalige leden, alsook twee uitvoerende kamers en twee kamers van beroep, die respectievelijk het Frans en het Nederlands als voertaal hebben. B.2.
- Volgens artikel 9, § 1, van de voormelde Kaderwet hebben de kamers onder meer tot taak het tableau van de beroepsbeoefenaars op te maken en bij te houden (artikel 9, § 1, 1°), evenals te waken over de voorschriften van de plichtenleer en uitspraak in tuchtzaken te doen ten opzichte van de beroepsbeoefenaars, de stagiairs en de personen die gemachtigd zijn het beroep occasioneel uit te oefenen (artikel 9, § 1, 3°). De kamers van beroep doen uitspraak over de beroepen ingesteld tegen de door de uitvoerende kamers genomen beslissingen (artikel 9, § 6). 6 Tegen de door de uitvoerende kamers of de verenigde uitvoerende kamers in laatste aanleg gewezen beslissingen en de eindbeslissingen van de kamers van beroep of van de verenigde kamers van beroep kan cassatieberoep worden ingesteld overeenkomstig de bepalingen van deel IV, boek III, titel IVbis, van het Gerechtelijk Wetboek (artikel 9, § 7). In geval van cassatie wordt de zaak verwezen naar de anders samengestelde kamer of kamers, die zich dienen te voegen naar de beslissing van het Hof van Cassatie betreffende het door dat Hof beslechte rechtspunt (artikel 1121/5, eerste lid, 5°, van het Gerechtelijk Wetboek). B.
- Aan het Hof worden twee prejudiciële vragen gesteld. Met de eerste prejudiciële vraag beoogt het verwijzende rechtscollege van het Hof te vernemen of artikel 17, eerste lid, van de wet van 11 februari 2013 bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, doordat die bepaling een verschil in behandeling in het leven roept tussen vastgoedmakelaars, naargelang zij strafrechtelijk worden veroordeeld voor misbruik van vertrouwen in de zin van artikel 491 van het Strafwetboek, dan wel voor het plegen van een ander misdrijf : wanneer een vastgoedmakelaar strafrechtelijk wordt veroordeeld voor misbruik van vertrouwen in de zin van artikel 491 van het Strafwetboek wordt hij door de bevoegde kamer ambtshalve geschrapt als vastgoedmakelaar, terwijl de vastgoedmakelaar die strafrechtelijk wordt veroordeeld voor een ander misdrijf slechts na een tuchtrechtelijke procedure waarin hij verweer kan voeren, een sanctie kan worden opgelegd door de bevoegde kamer. Met de tweede prejudiciële vraag wordt het Hof gevraagd of artikel 17, eerste lid, van de wet van 11 februari 2013 bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het recht op een eerlijk proces en met het beginsel van de onafhankelijkheid van de rechter, zoals gewaarborgd bij artikel 151 van de Grondwet, bij artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en bij artikel 14, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, doordat die bepaling, door voor te schrijven dat een vastgoedmakelaar die strafrechtelijk wordt veroordeeld voor misbruik van vertrouwen in de zin van artikel 491 van het Strafwetboek ambtshalve wordt geschrapt als vastgoedmakelaar, de rechter die wordt geadieerd met het oog op de toepassing van de in het geding zijnde bepaling iedere rechtsmacht ontzegt om zelf een sanctie te bepalen en om de wettelijk voorgeschreven sanctie te controleren en te milderen. 7 B.4.
- Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat het Hof van Cassatie bij een arrest van 14 oktober 2022 (ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221014.1N.9), na een beslissing van de kamer van beroep van het Beroepsinstituut van vastgoedmakelaars van 11 december 2020 te hebben vernietigd, de desbetreffende zaak heeft verwezen naar het verwijzende rechtscollege. B.4.
- Zoals is vermeld in B.2.2, dient de kamer van beroep waarnaar de zaak door het Hof van Cassatie na een vernietiging wordt verwezen zich te voegen naar de beslissing van het Hof van Cassatie betreffende de door dat Hof beslechte rechtspunten. B.4.
- Een arrest waarmee het Hof van Cassatie, na vernietiging van een rechterlijke beslissing, een zaak verwijst naar een ander gerecht, heeft, wat het beslechte rechtspunt betreft, een bijzonder gezag ten aanzien van dat gerecht. Het aan een dergelijk arrest verbonden gezag houdt in dat het betrokken rechtspunt moet worden geacht definitief te zijn beslecht en dat de beslissing van het Hof van Cassatie ter zake aldus in beginsel niet meer in het geding kan worden gebracht in de desbetreffende zaak. B.4.
- Bij zijn arrest van 14 oktober 2022 heeft het Hof van Cassatie geoordeeld : «
- Uit het geheel van de voormelde bepalingen volgt dat de kamer die overgaat tot schrapping van de vastgoedmakelaar op grond van een voorafgaande veroordeling voor misbruik van vertrouwen in de zin van artikel 491 Strafwetboek, een maatregel oplegt die met een tuchtsanctie gelijkstaat.
- De tuchtrechter moet op grond van artikel 6 EVRM kunnen onderzoeken of het opleggen van de wettelijk voorziene sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet de rechter in het bijzonder in staat stellen na te gaan of de tuchtsanctie niet onevenredig is met de overtreding.
- De kamer van beroep die oordeelt dat zij bij de toetsing van de schrapping van de eiser ‘ enkel bevoegd [is] tot een marginale toetsing die erin bestaat [na te gaan] of de strafrechtelijke veroordeling van [de eiser] is uitgesproken op grond van art. 491 Sw ’ en dat zij ‘ enkel [dient] na te gaan krachtens art. 159 GW en art. 1 aanvullend protocol EVRM of de beslissing door het bevoegde rechtscollege is genomen ’ en zij aldus niet beschikt over een beoordelingsbevoegdheid in geval van een strafrechtelijke veroordeling van de vastgoedmakelaar wegens misbruik van vertrouwen in de zin van artikel 491 Strafwetboek, schendt artikel 6.1 EVRM ». 8 B.4.
- Daaruit volgt dat in de zaak die hangende is voor het verwijzende rechtscollege definitief is beslecht dat dat rechtscollege bij de toepassing van artikel 17, eerste lid, van de wet van 11 februari 2013 optreedt als tuchtrechter en dat de schrapping van een vastgoedmakelaar op grond van die bepaling dient te worden gekwalificeerd als een maatregel die met een tuchtsanctie gelijkstaat. Daaruit volgt eveneens dat in de zaak die hangende is voor het verwijzende rechtscollege definitief is beslecht dat het verwijzende rechtscollege bij de toepassing van artikel 17, eerste lid, van de wet van 11 februari 2013 beschikt over een beoordelingsbevoegdheid die dat rechtscollege onder meer in staat stelt na te gaan of de tuchtsanctie van de schrapping van een vastgoedmakelaar evenredig is met de desbetreffende overtreding. B.5.
- Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing en uit de formulering van de aan het Hof gestelde prejudiciële vragen blijkt dat het verwijzende rechtscollege de definitief door het Hof van Cassatie beslechte rechtspunten opnieuw in het geding brengt. In de verwijzingsbeslissing oordeelt dat rechtscollege immers dat « het Hof van Cassatie vertrekt […] van de verkeerde veronderstelling dat de huidige procedure een tuchtprocedure is ». De aan het Hof gestelde vragen gaan bovendien ervan uit dat het verwijzende rechtscollege bij de toepassing van artikel 17, eerste lid, van de wet van 11 februari 2013 niet optreedt als tuchtrechter en dat het bij de toepassing van dat artikel niet beschikt over een beoordelingsbevoegdheid. B.5.
- Daar de desbetreffende rechtspunten in de zaak die hangende is voor het verwijzende rechtscollege definitief zijn beslecht en daar die rechtspunten betrekking hebben op de interpretatie van de in het geding zijnde bepaling, staat het niet aan dat rechtscollege om die rechtspunten opnieuw in het geding te brengen door middel van het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof. B.
- Doordat de door het verwijzende rechtscollege gestelde prejudiciële vragen uitgaan van een interpretatie van de in het geding zijnde bepaling die niet in overeenstemming is met de in de voor dat rechtscollege hangende zaak definitief beslechte rechtspunten, is het beantwoorden van die vragen niet nuttig voor het oplossen van het geschil dat hangende is voor dat rechtscollege en behoeven die vragen geen antwoord. 9 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vragen behoeven geen antwoord. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 14 december
- De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut L. Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.174 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221014.1N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div