id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 21 december 2023 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.176 Arrest- Rolnummer: 176/2023 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-01-01 Raadplegingen: 392 - laatst gezien 2026-06-16 22:11 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Verwerping van het beroep (onder voorbehoud van de in B.7 vermelde interpretatie) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: het beroep tot vernietiging van de artikelen 94 en 146 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 17 maart 2022 « tot wijziging van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de ordonnantie van 1 april 2004 betreffende de organisatie van de gasmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, betreffende wegenisretributies inzake gas en elektriciteit en houdende wijziging van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de ordonnantie van 12 december 1991 houdende oprichting van begrotingsfondsen met het oog op de omzetting van richtlijn 2018/2001 en richtlijn 2019/944 », ingesteld door de nv « APK Infra West » en anderen. Energie - Brussels Hoofdstedelijk Gewest - Gas- en elektriciteitsmarkten - Aantasting van energie-infrastructuren - 1. Bevoegdheidverdelende regels - 2. Rechtspersonen - Maximale straf - Tien percent van de jaaromzet Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 176/2023 van 21 december 2023 Rolnummer : 7878 In zake : het beroep tot vernietiging van de artikelen 94 en 146 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 17 maart 2022 « tot wijziging van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de ordonnantie van 1 april 2004 betreffende de organisatie van de gasmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, betreffende wegenisretributies inzake gas en elektriciteit en houdende wijziging van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de ordonnantie van 12 december 1991 houdende oprichting van begrotingsfondsen met het oog op de omzetting van richtlijn 2018/2001 en richtlijn 2019/944 », ingesteld door de nv « APK Infra West » en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters T. Giet, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, D. Pieters, S. de Bethune, E. Bribosia, W. Verrijdt, K. Jadin en M. Plovie, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 19 oktober 2022 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 21 oktober 2022, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 94 en 146 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 17 maart 2022 « tot wijziging van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de ordonnantie van 1 april 2004 betreffende de organisatie van de gasmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, betreffende wegenisretributies inzake gas en elektriciteit en houdende wijziging van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de ordonnantie van 12 december 1991 houdende oprichting van begrotingsfondsen met het oog op de omzetting van richtlijn 2018/2001 en richtlijn 2019/944 » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 20 april 2022) door de nv « APK Infra West », de nv « BESIX Unitec », de nv « RENOTEC », de nv « Société pour 2 le développement des réseaux d’assainissement et d’eau potable » (SODRAEP) (thans : de nv « ARGEA »), de nv « Verbraeken Infra » en de nv « Visser & Smit Hanab », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. E. Lemmens, advocaat bij de balie Luik-Hoei. Memories en memories van wederantwoord zijn ingediend door : - de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Chomé, Mr. S. Depré en Mr. J. Van Vyve, advocaten bij de balie te Brussel; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. E. Jacubowitz en Mr. C. Caillet, advocaten bij de balie te Brussel. De verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 20 september 2023 heeft het Hof, na de rechters-verslaggeefsters E. Bribosia en J. Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zouden worden gesloten op 4 oktober 2023 en de zaak in beraad zou worden genomen. Ingevolge het verzoek van de verzoekende partijen om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 4 oktober 2023 de dag van de terechtzitting bepaald op 8 november 2023. Op de openbare terechtzitting van 8 november 2023 : - zijn verschenen : . Mr. E. Kiehl en Mr. Y. Hachlaf, advocaten bij de balie Luik-Hoei, loco Mr. E. Lemmens, voor de verzoekende partijen; . Mr. M. Chomé, voor de Brusselse Hoofdstedelijke Regering; . Mr. C. Caillet en Mr. S. Hancart, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggeefsters E. Bribosia en J. Moerman verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.1. De verzoekende partijen verantwoorden hun belang om in rechte te treden met het feit dat zij ondernemingen zijn die actief zijn in de bouwsector en de sector van infrastructuurwerken. Die activiteiten kunnen aanleiding geven tot een toepassing van de bestreden artikelen 94 en 146 van de ordonnantie van 17 maart 2022 « tot wijziging van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de ordonnantie van 1 april 2004 betreffende de organisatie van de gasmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, betreffende wegenisretributies inzake gas en elektriciteit en houdende wijziging van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de ordonnantie van 12 december 1991 houdende oprichting van begrotingsfondsen met het oog op de omzetting van richtlijn 2018/2001 en richtlijn 2019/944 » (hierna : de ordonnantie van 17 maart 2022), die voorzien in geldboeten ten bedrage van maximaal 10 % van de jaaromzet van de rechtspersoon voor de vernietiging of de beschadiging, door gebrek aan voorzorg, van de elektriciteits- en gasinfrastructuren. Gelet op de jaaromzet van de verzoekende partijen zijn de bestreden bepalingen bovendien van dien aard dat ze het bedrag van de strafrechtelijke geldboeten die aan hen kunnen worden opgelegd, sterk verzwaren. A.2. Het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en de Ministerraad betwisten het belang van de verzoekende partijen om in rechte te treden niet. Ten gronde Wat betreft het eerste middel A.3.1. De verzoekende partijen leiden een eerste middel af uit de schending van artikel 6, § 1, VII, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (hierna : de bijzondere wet van 8 augustus 1980) en van het evenredigheidsbeginsel, en uit de bevoegdheidsoverschrijding. Artikel 94 van de ordonnantie van 17 maart 2022 voegt een nieuwe paragraaf in artikel 31 van de ordonnantie van 19 juli 2001 « betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest » (hierna : de ordonnantie van 19 juli 2001) in, terwijl artikel 146 van de ordonnantie van 17 maart 2022 een nieuwe paragraaf invoegt in artikel 23 van de ordonnantie van 1 april 2004 « betreffende de organisatie van de gasmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest » (hierna : de ordonnantie van 1 april 2004). A.3.2. De verzoekende partijen doen allereerst gelden dat de bestreden bepalingen met name de onopzettelijke vernietiging of beschadiging van de infrastructuren voor de productie van elektriciteit en gas bestraffen, terwijl de bevoegdheid inzake de productie van energie aan de federale overheid is voorbehouden. A.3.3. Zij voeren ook aan dat artikel 146 van de ordonnantie van 17 maart 2022, dat de gasmarkt betreft, in zoverre het de onopzettelijke vernietiging of beschadiging van de infrastructuren voor « plaatselijk vervoer » bestraft, inbreuk maakt op de bevoegdheden van de federale overheid, aangezien het « plaatselijke vervoer » niet in de ordonnantie wordt gedefinieerd en dus ook de pijpleidingen en grote aardgasleidingen kan omvatten, die onder de bevoegdheid van de federale overheid vallen. A.3.4. De verzoekende partijen zijn bovendien van mening dat het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest inbreuk maakt op de bevoegdheden van de federale overheid, in zoverre de bestreden bepalingen voorzien in strafrechtelijke sancties voor wie de transmissie van elektriciteit of van gas op de netten belet of belemmerd heeft. Wat betreft de wetgeving inzake de elektriciteitsmarkt, doen zij gelden dat de in artikel 94 van de ordonnantie van 17 maart 2022 gebruikte term « net » dient te worden begrepen in de zin van de definitie van die term die bij artikel 2, 9°, van de ordonnantie van 19 juli 2001 is bepaald. Die definitie beoogt het geheel van elektriciteitstransmissienetten, en niet enkel het gewestelijke transmissienet en het distributienet. Daaruit volgt dat artikel 94 van de ordonnantie van 17 maart 2022 betrekking heeft op een materie die onder de bevoegdheid van de federale overheid valt. 4 Wat betreft de wetgeving inzake de gasmarkt, menen de verzoekende partijen dat, ook al wordt de term « net » niet in de ordonnantie van 1 april 2004 gedefinieerd, de gewestelijke wetgever dezelfde draagwijdte heeft willen geven aan het misdrijf met betrekking tot de gasnetten als aan het misdrijf met betrekking tot de elektriciteitsnetten, zodat de grief die zij ten aanzien van artikel 94 van de ordonnantie van 17 maart 2022 formuleren, kan worden overgenomen voor artikel 146 van die ordonnantie. A.3.5. Ten slotte voeren de verzoekende partijen aan dat elke schade veroorzaakt aan de transmissie- infrastructuren die onder de federale bevoegdheid vallen, noodzakelijkerwijs tot gevolg heeft dat de transmissie van elektriciteit of gas op de lokale transmissienetten of op het distributienet wordt belet of belemmerd, zodat die schade nadeel kan berokkenen aan de andere gewesten. Zij besluiten daaruit dat de bevoegdheden van de federale overheid en die van de gewesten dermate met elkaar verweven zijn dat het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest met de federale overheid en met de andere gewesten had moeten samenwerken om strafrechtelijke sancties in te voeren teneinde de aantastingen van de infrastructuren voor de transmissie van energie te bestraffen. A.3.6. De verzoekende partijen zijn van mening dat een gedeeltelijke vernietiging erop zou neerkomen de constitutieve elementen van het misdrijf te wijzigen, terwijl het uitsluitend de wetgever toekomt het repressieve beleid te bepalen dat hij wil voeren. Daaruit volgt dat de bestreden bepalingen in hun geheel dienen te worden vernietigd. A.4.1. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering herinnert eraan dat de gewesten bevoegd zijn voor de nieuwe energiebronnen, met uitzondering van die in verband met nucleaire energie. In dat opzicht zijn zij bevoegd inzake de productie van energie uit die nieuwe energiebronnen, in het bijzonder de productie van hernieuwbare energie. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering verzoekt het Hof dus een verzoenende interpretatie te geven aan de verwijzing naar de « infrastructuren voor productie » in de bestreden bepalingen, zodat kan worden aangenomen dat enkel de infrastructuren waarvoor de gewesten bevoegd zijn, worden beoogd. Die interpretatie vindt steun in een passage uit de parlementaire voorbereiding waarin het Gewest onderstreept dat de ordonnantie van 17 maart 2022 enkel de aspecten van het energiebeleid betreft waarvoor de gewesten bevoegd zijn, met inbegrip van de nieuwe energiebronnen. Zij maakt ook een vergelijking met de decreten van het Waalse Gewest die van toepassing zijn op, respectievelijk, de elektriciteitsmarkt en de gasmarkt, die bepalingen bevatten die op een vergelijkbare wijze zijn opgesteld. Bovendien merkt de Brusselse Hoofdstedelijke Regering op dat de afdeling wetgeving van de Raad van State geen bezwaar heeft gemaakt met betrekking tot de grondwettigheid van de bestreden bepalingen. A.4.2. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering doet gelden dat, in tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partijen aanvoeren, de uitdrukking « plaatselijk vervoer » niet in artikel 146 van de ordonnantie van 17 maart 2022 voorkomt. In tegenstelling tot de elektriciteitsmarkt, waarop de infrastructuren voor « plaatselijk vervoer », op basis van de spanning, worden onderscheiden van de infrastructuren voor « vervoer », die onder de bevoegdheid van de federale overheid ressorteren, valt het vervoer op het gebied van gas integraal onder de bevoegdheid van de federale overheid, zodat het begrip « plaatselijk vervoer » niet bestaat. Bijgevolg zijn de door de verzoekende partijen opgeworpen grieven niet pertinent. A.4.3. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering voert aan dat de bestreden bepalingen, door de personen te beogen die de transmissie van elektriciteit en van gas op « de netten » beletten of belemmeren, geen inbreuk maken op de bevoegdheden van de federale overheid. De term « net » dient te worden begrepen in het licht van de rest van de bestreden bepalingen. Hij verwijst dus naar het gewestelijke elektriciteitstransmissienet en naar de distributienetten voor elektriciteit en gas. A.4.4. Ten slotte is de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van mening dat de kritiek volgens welke het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest niet met de federale overheid en met de andere gewesten in overleg zou zijn getreden alvorens de bestreden bepalingen aan te nemen, onjuist is. Zij merkt op dat het Gewest overleg heeft gepleegd met de andere overheden in het kader van de Overleggroep Staat-Gewesten voor de energie (hierna : « ENOVER ») die overeenkomstig het samenwerkingsakkoord tussen de federale overheid, het Waalse Gewest, het Vlaamse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 18 december 1991 « met betrekking tot de coördinatie van de activiteiten in verband met energie » (hierna : het samenwerkingsakkoord van 18 december 1991) werd opgericht. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering voert aan dat de ontwerpen van bepalingen aan de betrokken entiteiten en aan de federale overheid werden meegedeeld, en dat die geen bezwaren hebben geuit. 5 A.5.1. De Ministerraad meent dat de bestreden bepalingen, in zoverre zij betrekking hebben op de infrastructuren voor de productie van energie en de transmissie van elektriciteit op de netten, gedeeltelijk dienen te worden vernietigd, wegens schending van de artikelen 6, § 1, VII, en 11 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 en van artikel 143, § 1, van de Grondwet. A.5.2. In hoofdorde is de Ministerraad van mening dat de bestreden bepalingen niet in overeenstemming zijn met de artikelen 6, § 1, VII, en 11 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 in zoverre zij de productie- infrastructuren beogen, aangezien de aangelegenheid van de productie van energie onder de bevoegdheid van de federale overheid valt. Hoewel het juist is dat de gewesten bevoegd zijn inzake nieuwe energiebronnen, neemt zulks niet weg dat de bestreden bepalingen geen onderscheid maken tussen de infrastructuren voor de productie van energie uit die bronnen en de andere productie-infrastructuren, zodat het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest inbreuk maakt op de bevoegdheden van de federale overheid. Bovendien is artikel 94 van de ordonnantie van 17 maart 2022, dat een paragraaf invoegt in artikel 31 van de ordonnantie van 19 juli 2001, niet in overeenstemming met de artikelen 6, § 1, VII, en 11 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, in zoverre het de transmissie van elektriciteit op « de netten » beoogt. Aangezien artikel 2, 9°, van de ordonnantie van 19 juli 2001 de term « net » definieert met verwijzing naar zowel het « gewestelijk vervoer » van elektriciteit als het « vervoer » van elektriciteit, waarbij dat laatste onder de bevoegdheid van de federale overheid valt, heeft het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, door de bestreden bepaling aan te nemen, de bevoegdheden overschreden die eraan waren toegekend. A.5.3. In ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat, indien het Hof zou oordelen dat de Brusselse gewestwetgever in de bestreden bepalingen de infrastructuren voor de productie van elektriciteit en gas heeft kunnen beogen, uit het beginsel van de exclusiviteit van de bevoegdheden zou voortvloeien dat de federale overheid niet hetzelfde gedrag strafbaar zou kunnen stellen. Hij is van mening dat de bestreden bepalingen de federale bepalingen die van toepassing zijn op de beschadiging van infrastructuren voor de productie van elektriciteit en gas impliciet opheffen. Daaruit volgt dat een overleg met de federale overheid nodig was, teneinde geen afbreuk te doen aan het in artikel 143, § 1, van de Grondwet vervatte beginsel van de federale loyauteit. A.6.1. De verzoekende partijen antwoorden dat de passage uit de parlementaire voorbereiding die de Brusselse Hoofdstedelijke Regering aanhaalt een eenvoudige aanhef is en dat die geen betrekking heeft op de bestreden bepalingen. De verzoekende partijen voeren aan dat de Brusselse Hoofdstedelijke Regering de betekenis van de termen « vervoer », « productie » en « net » verdraait. Wanneer de ordonnanties die bij de ordonnantie van 17 maart 2022 zijn gewijzigd definities van die termen bevatten, dient daarnaar te worden verwezen, en niet naar andere bronnen. A.6.2. De verzoekende partijen zijn van mening dat, ook al is het juist dat de lijst van aangelegenheden waarvoor krachtens artikel 1 van het samenwerkingsakkoord van 18 december 1991 een overleg dient plaats te vinden niet exhaustief is, die bepaling niet erin voorziet dat de uitoefening van de accessoire bevoegdheden inzake het strafrecht in het kader van ENOVER dient te worden besproken. Zij merken ook op dat niet uit de door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering voorgelegde briefwisseling blijkt dat de kwestie van de strafrechtelijke sancties zou zijn aangehaald tijdens het overleg dat heeft plaatsgevonden. Zij zien dit bevestigd door het feit dat de Ministerraad de gedeeltelijke vernietiging van de bestreden bepalingen vordert. A.6.3. Ten slotte doen de verzoekende partijen gelden dat de parlementaire voorbereiding van de decreten van het Waalse Gewest die van toepassing zijn op, respectievelijk, de elektriciteitsmarkt en de gasmarkt niet pertinent zijn om de bestreden bepalingen te interpreteren. A.7. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering repliceert dat zij de expertengroep van ENOVER regelmatig heeft geïnformeerd over de vooruitgang van de totstandkoming van de ordonnantie van 17 maart 2022. Het voorontwerp van ordonnantie werd op 18 december 2020 aan die expertengroep overgezonden. Het ontwerp van ordonnantie werd op 9 februari 2022 aan haar overgezonden. De federale overheid had geen enkele opmerking over die ontwerpen. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering is van mening dat haar niet kan worden verweten niet het initiatief te hebben genomen om een debat te starten over bepalingen die, op het eerste gezicht, geen moeilijkheden leken te veroorzaken. 6 A.8.1. De Ministerraad repliceert dat de interpretatie door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van de bestreden bepalingen noch uit de tekst van de bestreden bepalingen, noch uit de parlementaire voorbereiding blijkt. Bovendien heeft de passage uit de parlementaire voorbereiding waarin het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest zijn bevoegdheden inzake energie afbakent enkel betrekking op de omzetting van de geldende Europese richtlijnen en niet op de bestreden bepalingen. Daarbij komt nog dat de loutere vermelding, in de parlementaire voorbereiding, van de bevoegdheidverdelende regels niet volstaat als bewijs voor de grondwettigheid van de bestreden bepalingen. In navolging van de verzoekende partijen is de Ministerraad van mening dat de passages uit de parlementaire voorbereiding van de Waalse decreten die van toepassing zijn op, respectievelijk, de elektriciteitsmarkt en de gasmarkt niet pertinent zijn om de bestreden bepalingen te interpreteren. Hij merkt op dat het Hof zich nog niet over de grondwettigheid van de Waalse wetgeving heeft uitgesproken. A.8.2. Wat betreft het overleg met de federale overheid, voert de Ministerraad aan dat de e-mails die de Brusselse Hoofdstedelijke Regering neerlegt, niet toelaten te besluiten dat een overleg heeft plaatsgevonden, aangezien daarmee slechts de ontwerpen van ordonnantie werden overgezonden. De besprekingen binnen ENOVER hadden geen betrekking op de bestreden bepalingen, aangezien de opdrachten ervan niet de accessoire strafrechtelijke bevoegdheden betreffen. Bovendien werd de bestreden ordonnantie niet aangehaald tijdens de plenaire vergaderingen van ENOVER. Wat betreft het tweede middel A.9. De verzoekende partijen leiden een tweede middel af uit de schending van artikel 14 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Zij merken op dat de bestreden bepalingen erin voorzien dat de rechtspersonen een geldboete van maximaal 10 % van hun jaaromzet opgelegd kunnen krijgen. Volgens de verzoekende partijen is de term « omzet » niet gedefinieerd in de bestreden bepalingen, waarin evenmin wordt verwezen naar een definitie in een andere wetgeving. Vanuit een tijdsperspectief preciseren de bestreden bepalingen bovendien niet met welk jaar rekening dient te worden gehouden om het omzetcijfer te bepalen. Indien het het lopende jaar op het moment van het plegen van het misdrijf betreft, wordt de vereiste van voorzienbaarheid niet nageleefd, aangezien de omzet nog niet gekend is. Indien het het omzetcijfer van het voorgaande jaar betreft, zou de maximumstraf onmogelijk te dragen kunnen zijn, aangezien de omzet het daaropvolgende jaar sterk gedaald zou kunnen zijn. A.10. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering merkt op dat de uitdrukking « jaaromzet » haar gewoonlijke betekenis moet krijgen. Het gaat om een courant begrip. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering verwijst naar de rechtspraak van het Hof met betrekking tot de interpretatie van courante begrippen. Zij benadrukt dat de strafrechtelijke sancties des te meer voorzienbaar zijn omdat de bestreden bepalingen bestemd zijn voor beroepsbeoefenaars die over goede informatie kunnen beschikken om te weten of hun gedrag opportuun is. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering herinnert ook eraan dat die uitdrukking in meerdere nationale en Europese wetgevingen wordt gebruikt, met name in wetgevingen die van toepassing zijn op de energiesector, en in de reglementering van de overheidsopdrachten. Zij doet gelden dat het vanzelfsprekend is dat de betrokken jaaromzet die is van het jaar dat voorafgaat aan dat waarin het misdrijf wordt gepleegd aangezien de omzet van het lopende jaar nog niet gekend is. A.11. De verzoekende partijen antwoorden dat de wetgevingen waarnaar de Brusselse Hoofdstedelijke Regering verwijst verschillende definities bevatten van de uitdrukking « omzet », zodat er geen courante betekenis van dat begrip bestaat. Die definities zijn, bovendien, preciezer over de betrokken periode van activiteit. 7 Wat betreft het derde middel A.12. De verzoekende partijen leiden een derde middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met het beginsel van de vrijheid van ondernemen en met artikel 6, § 1, VI, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. Het middel valt uiteen in vijf onderdelen. A.13.1.1. In een eerste onderdeel merken de verzoekende partijen op dat de vrijheid van ondernemen een algemeen beginsel van de Belgische rechtsorde is dat beoogt om elke marktdeelnemer toe te laten zijn activiteit vrij uit te oefenen. A.13.1.2. Zij zijn van mening dat de bestreden bepalingen op discriminerende wijze afbreuk doen aan de vrijheid van ondernemen. Zij doen gelden dat de strafmaat onevenredig streng is in vergelijking met de straffen die bij de vroegere wetgeving waren bepaald en met de bij artikel 41bis, § 1, van het Strafwetboek bepaalde straffen voor de misdrijven die door rechtspersonen worden gepleegd. Zij merken op dat de geldboete, voor sommigen onder hen, meerdere miljoenen euro zou kunnen bedragen. Het risico om dergelijke straffen op te lopen, zal een weerslag hebben op het beleid van de onderneming, zodat de vrijheid van ondernemen wordt beperkt. A.13.1.3. De verzoekende partijen menen dat de bestreden bepalingen onevenredige gevolgen veroorzaken, aangezien zij betrekking hebben op onopzettelijke handelingen waaruit de dader geen enkel voordeel haalt. De verzoekende partijen voeren aan dat de bestreden bepalingen discriminerend zijn ten aanzien van hen, aangezien zij wegens hun activiteiten reeds belang erbij hebben alles in het werk te stellen om het plegen van de in de bestreden bepalingen beoogde misdrijven te vermijden. De meeste wegenwerken worden immers uitgevoerd in het kader van overheidsopdrachten, zodat de betrokken ondernemingen bestraft zullen worden met toepassing van de wetgeving en van de reglementering betreffende de overheidsopdrachten. Daarbij komt het in het geding brengen van de buitencontractuele aansprakelijkheid van de ondernemingen, de bij het Strafwetboek bepaalde forfaitaire geldboeten en het risico op gevangenisstraffen dat op de natuurlijke personen weegt die als orgaan of als aangestelde van de rechtspersoon handelen. De verzoekende partijen besluiten daaruit dat de door de wetgever nagestreefde doelstelling kan worden bereikt zonder dat het noodzakelijk is de bestreden bepalingen toe te voegen aan het bestaande juridische kader. A.13.2. Wat betreft het eerste onderdeel, voert de Brusselse Hoofdstedelijke Regering aan dat het onopzettelijke karakter van het misdrijf losstaat van de evenredigheid van de bestreden maatregelen. Volgens haar moet, om te bepalen of een maatregel evenredig is, de vraag worden gesteld of andere, minder beperkende maatregelen zouden hebben toegelaten het nagestreefde doel te bereiken. Aangezien het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest heeft geoordeeld dat de ongevallen als resultaat van de werken uitgevoerd in de buurt van elektriciteits- en gasinfrastructuren de integriteit van de energienetten in gevaar brachten, was het noodzakelijk de verantwoordelijken van die werken te bestraffen om de door de wetgever nagestreefde doelstelling, namelijk de veiligheid van energievoorziening waarborgen, te bereiken. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering meent dat het verkeerd is te stellen dat de ondernemingen van de bouwsector reeds alle belang erbij hebben om te vermijden de gas- en elektriciteitsinfrastructuren aan te tasten. Het is immers wegens het feit dat de Brusselse gewestwetgever heeft vastgesteld dat de bestaande sancties onvoldoende afschrikkend waren dat hij het noodzakelijk heeft geacht de bestreden maatregelen te nemen. Vóór de aanneming van de ordonnantie van 17 maart 2022 had de netbeheerder meermaals de aandacht van de Regering op de toename van het aantal ongevallen gevestigd. A.13.3. De verzoekende partijen antwoorden dat zij de noodzaak van het bestraffen van de daders van onopzettelijke aantastingen van de energie-infrastructuren niet betwisten, aangezien een dergelijke strafbaarstelling reeds vóór de inwerkingtreding van de bestreden bepalingen bestond. De verzoekende partijen zijn daarentegen van mening dat de bestreden bepalingen onevenredige gevolgen hebben, aangezien die ertoe kunnen leiden dat bepaalde vennootschappen geldboeten zullen krijgen voor een bedrag dat duizenden malen hoger is dan de geldboeten waarin in de vroegere regeling was voorzien. Bovendien verantwoordt het beperkte aantal ongevallen dat door de netbeheerder wordt aangehaald niet dat het bedrag van de geldboeten op een dergelijk niveau wordt vastgesteld. 8 A.14.1.1. In een tweede onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen een discriminatie doen ontstaan tussen de rechtspersonen en de natuurlijke personen. Wanneer een natuurlijke persoon de dader is van een van de in de bestreden bepalingen beoogde inbreuken, krijgt die een gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en een geldboete van 500 euro tot 5 000 euro, of slechts een van die straffen, terwijl een rechtspersoon een geldboete oploopt die tot 10 % van zijn jaaromzet kan bedragen. A.14.1.2. De verzoekende partijen doen gelden dat de bestreden bepalingen worden verantwoord met de wil de veiligheid van de energievoorziening te waarborgen. Niets verklaart dat de aan de natuurlijke personen opgelegde geldboeten niet worden uitgedrukt in een percentage van hun omzet aangezien zij ook economische activiteiten met winstoogmerk kunnen uitoefenen. De verzoekende partijen zijn van mening dat het bedrag van de geldboete moet variëren op basis van de ernst van de tekortkoming en niet op basis van de omzet. Ten slotte herinneren zij eraan dat de geldboete, voor sommigen onder hen, meerdere miljoenen euro zou kunnen bedragen. A.14.2. Wat betreft het tweede onderdeel, doet de Brusselse Hoofdstedelijke Regering gelden dat de situatie van de natuurlijke personen niet vergelijkbaar is met die van de rechtspersonen. Aangezien zij zijn opgericht in de vorm van een vennootschap, bevinden de rechtspersonen zich in een betere economische situatie dan de natuurlijke personen. Bovendien beschikken zij over een eigen vermogen, onderscheiden van dat van hun leden. De situatie van de ondernemer die een natuurlijk persoon is, die geen scheiding tussen zijn privévermogen en zijn professionele vermogen geniet, is risicovoller. De wetgever heeft de natuurlijke personen niet op dezelfde wijze willen bestraffen, aangezien die zich in een minder gunstige economische situatie bevinden. A.14.3. De verzoekende partijen merken op dat een besloten vennootschap kan worden opgericht door één enkele vennoot zonder dat diens economische situatie beter is dan die van een natuurlijke persoon. Bovendien zal de in een percentage van de omzet opgelegde geldboete proportioneel kleiner zijn indien de omzet van een natuurlijke persoon kleiner is. A.15.1.1. In een derde onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen een discriminatie veroorzaken tussen de rechtspersonen die actief zijn in de bouwsector en de andere rechtspersonen. Zij merken op dat de rechtspersonen die actief zijn in de bouwsector een geldboete ten bedrage van 10 % van hun omzet kunnen oplopen indien zij, in het kader van hun economische activiteiten, een van de in de bestreden bepalingen beoogde inbreuken plegen, terwijl de rechtspersonen die actief zijn in andere economische sectoren, in de regel slechts de geldboeten oplopen waarin bij artikel 41bis van het Strafwetboek is voorzien, waarvan het maximumbedrag 720 000 euro bedraagt, zelfs wanneer het misdrijf een misdaad is. Daaruit volgt dat de ondernemingen die actief zijn in de bouwsector een aanzienlijk hogere geldboete opgelegd kunnen krijgen, terwijl de in de bestreden bepalingen beoogde misdrijven minder ernstig zijn, aangezien het onopzettelijke misdrijven betreft die als wanbedrijf worden gekwalificeerd. A.15.1.2. Volgens de verzoekende partijen verantwoordt niets dat verschil in behandeling. A.15.2. Wat betreft het derde onderdeel, voert de Brusselse Hoofdstedelijke Regering aan dat de verzoekende partijen zich vergissen in de draagwijdte van de bestreden bepalingen wanneer zij menen dat die onder de rechtspersonen een verschil in behandeling doen ontstaan op basis van de sector waarin die actief zijn. De bestreden bepalingen voorzien in sancties wegens de door de rechtspersoon gepleegde daad en niet wegens de sector waarin die actief is, zodat elke rechtspersoon op dezelfde wijze kan worden bestraft. Volgens de Regering zou een eventueel verschil in behandeling zijn oorsprong dus niet vinden in de bestreden bepalingen, maar in het gedrag van de ondernemingen. A.15.3. De verzoekende partijen antwoorden dat uit het beginsel van de statutaire specialiteit dat in artikel 1 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen is opgenomen, voortvloeit dat de activiteiten van een rechtspersoon in zijn statuten worden gedefinieerd. Daaruit volgt dat de bestreden bepalingen een bepaald type van rechtspersonen beogen die worden bepaald op basis van hun activiteit. 9 A.15.4. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering repliceert dat, als de redenering van de verzoekende partijen wordt gevolgd, de wetgever nooit meer een gedrag zou kunnen bestraffen in verband met de uitoefening van een activiteit die eigen is aan een sector, aangezien de rechtspersonen die actief zijn in die sector gediscrimineerd zouden worden ten opzichte van de rechtspersonen die niet actief zijn in die sector. Uit het feit dat de rechtspersonen die actief zijn in andere sectoren dan de bouwsector, in de praktijk, geen werkzaamheden moeten uitvoeren in de buurt van energie-infrastructuur mag dus niet worden afgeleid dat de bestreden bepalingen hen gunstiger behandelen dan de rechtspersonen die actief zijn in de bouwsector. A.16.1.1. In een vierde onderdeel doen de verzoekende partijen gelden dat de bestreden bepalingen een onverantwoord verschil in behandeling in het leven roepen tussen de rechtspersonen die onopzettelijk energie-infrastructuren hebben aangetast en de rechtspersonen die zulks opzettelijk hebben gedaan. De ordonnantie van 17 maart 2022 heft de vroegere wetgeving op die zowel de opzettelijke als de onopzettelijke aantastingen van de energie-infrastructuren beoogde. Daaruit volgt dat enkel artikel 523 van het Strafwetboek een juridische grondslag kan vormen voor de vervolging van bepaalde opzettelijke aantastingen van de energie-infrastructuren. Die bepaling heeft evenwel een beperkt toepassingsgebied, aangezien zij enkel de vernietiging van machines beoogt. Bovendien kan de geldboete die wordt opgelegd aan de rechtspersonen die aan die inbreuken schuldig werden bevonden niet hoger zijn dan het maximum van 720 000 euro dat bij artikel 41bis van het Strafwetboek is vastgesteld of van 408 000 euro, rekening houdend met verzachtende omstandigheden. Daaruit volgt dat de onopzettelijke aantastingen van de energie-infrastructuren kunnen worden bestraft met geldboeten die gevoelig hoger zijn dan die welke zijn bepaald om de opzettelijke aantastingen te bestraffen, zelfs wanneer er bij die laatste sprake is van verzwarende omstandigheden. Volgens de verzoekende partijen dient een soortgelijke redenering te worden gevolgd indien de aantasting van de infrastructuur moet worden gekwalificeerd als opzettelijke beschadiging van onroerende eigendommen in de zin van de artikelen 534ter en 534quater van het Strafwetboek. A.16.1.2. De verzoekende partijen zijn van mening dat dat verschil in behandeling niet redelijk verantwoord is. Zij verwijzen naar het arrest van het Hof nr. 138/2012 van 14 november 2012 (ECLI:BE:GHCC:2012:ARR.138) waarbij het Hof heeft geoordeeld dat het discriminerend was om gefailleerden die strafrechtelijke misdrijven hebben gepleegd gunstiger te behandelen dan gefailleerden die geen strafrechtelijke fout hebben begaan. A.16.2. Wat betreft het vierde onderdeel, meent de Brusselse Hoofdstedelijke Regering dat de rechtspersonen die een onopzettelijke aantasting van de elektriciteits- en gasinfrastructuren hebben veroorzaakt en de rechtspersonen die een opzettelijke aantasting van die infrastructuren hebben veroorzaakt, niet met elkaar kunnen worden vergeleken. De bestreden bepalingen beogen de ondernemingen die, wegens de kostprijs van de voorafgaande stappen, nalaten zich te informeren over de aanwezigheid van dergelijke infrastructuren alvorens de werken aan te vatten. De bestreden bepalingen bestraffen dus niet alleen de beschadiging of de vernietiging van infrastructuren, maar ook het gebrek aan voorzorg, dat de wetgever beslist heeft strenger te bestraffen. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering besluit daaruit dat de betrokken categorieën niet vergelijkbaar zijn. A.17.1.1. In een vijfde onderdeel zetten de verzoekende partijen uiteen dat de bestreden bepalingen een onverantwoord verschil in behandeling in het leven roepen onder rechtspersonen, op basis van hun omzet. A.17.1.2. Zij menen dat het aangeklaagde verschil in behandeling niet op een objectieve en redelijke verantwoording berust. De doelstelling die erin bestaat de energieveiligheid te waarborgen, laat niet toe de maatregelen te verantwoorden. Bovendien zijn zij van mening dat het criterium van de omzet geen objectief criterium is, aangezien bepaalde rechtspersonen verkiezen een grote omzet te hebben en minder belang hechten aan hun winstmarge, terwijl anderen hun activiteit beperken en hun winstmarge maximaliseren. Bovendien kunnen twee rechtspersonen een identieke winst hebben, maar een volledig verschillende omzet. Omgekeerd kan een rechtspersoon een omzet hebben die vergelijkbaar is met die van een andere rechtspersoon, maar verlies lijden terwijl de andere winst maakt. Volgens de verzoekende partijen behandelen de bestreden bepalingen de rechtspersonen dus verschillend enkel op basis van hun handelsbeleid. 10 A.17.1.3. Zij doen ook gelden dat de omzet onderhevig is aan onzekerheden die geen verband houden met de activiteit van de rechtspersoon, zoals de toename van de kostprijs van bepaalde materialen, de toename van de energieprijzen of van de arbeidskosten. Daaruit volgt dat de omzet aanzienlijk kan toenemen zonder dat de financiële capaciteit van de onderneming toeneemt. De verzoekende partijen leiden daaruit af dat het criterium van de omzet objectief noch pertinent is. A.17.2. Wat betreft het vijfde onderdeel, merkt de Brusselse Hoofdstedelijke Regering op dat de omzet een van de criteria is die toelaten de omvang van de onderneming te bepalen en, in het bijzonder, de kleine, middelgrote en grote ondernemingen te onderscheiden. Dat criterium wordt in verschillende wetgevingen gebruikt. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering beklemtoont met name het feit dat de boetes die aan de ondernemingen worden opgelegd voor de misdrijven in het mededingingsrecht doorgaans worden vastgesteld op een bepaald percentage van de globale jaaromzet van de onderneming. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering verwijst naar de uiteenzetting met betrekking tot het tweede middel wat betreft het begrip « jaaromzet ». -B- B.1. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van de artikelen 94 en 146 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 17 maart 2022 « tot wijziging van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de ordonnantie van 1 april 2004 betreffende de organisatie van de gasmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, betreffende wegenisretributies inzake gas en elektriciteit en houdende wijziging van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de ordonnantie van 12 december 1991 houdende oprichting van begrotingsfondsen met het oog op de omzetting van richtlijn 2018/2001 en richtlijn 2019/944 » (hierna : de ordonnantie van 17 maart 2022). B.2.1. Uit het verzoekschrift blijkt dat de grieven van de verzoekende partijen uitsluitend zijn gericht tegen de artikelen 94, 1°, en 146, 1°, van de ordonnantie van 17 maart 2022. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die bepalingen. B.2.2. Artikel 94, 1°, van de ordonnantie van 17 maart 2022 voegt, in artikel 31 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 19 juli 2001 « betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest » (hierna : de ordonnantie van 19 juli 2001), een paragraaf 1bis in, die bepaalt : 11 « Wordt gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en een boete van 500 tot 5.000 euro of, als de overtreder een rechtspersoon is, van maximaal tien percent van zijn jaaromzet of met één van deze straffen : al wie, door gebrek aan voorzorg, infrastructuren voor productie, plaatselijk vervoer, distributie en gebruik van elektriciteit onopzettelijk heeft vernietigd of beschadigd, of de transmissie van elektriciteit op de netten belet of belemmerd heeft ». B.2.3. Artikel 146, 1°, van de ordonnantie van 17 maart 2022 voegt, in artikel 23 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 1 april 2004 « betreffende de organisatie van de gasmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, betreffende wegenisretributies inzake gas en elektriciteit en houdende wijziging van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest » (hierna : de ordonnantie van 1 april 2004), een paragraaf 1bis in, die bepaalt : « Wordt gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en een boete van 500 tot 5.000 euro of, als de overtreder een rechtspersoon is, van maximaal tien percent van zijn jaaromzet of met één van deze straffen : al wie, bij gebrek aan voorzorg, infrastructuren voor productie, distributie en gebruik van gas onopzettelijk heeft vernietigd of beschadigd, of de transmissie van gas op de netten belet of belemmerd heeft ». Ten gronde Wat betreft het eerste middel B.3. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van artikel 6, § 1, VII, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (hierna : de bijzondere wet van 8 augustus 1980) en van het evenredigheidsbeginsel inzake bevoegdheidsverdeling. De verzoekende partijen doen gelden dat de bestreden bepalingen betrekking hebben op de aantasting van infrastructuren die onder de bevoegdheid van de federale overheid vallen. Bovendien zijn zij van mening dat, aangezien de gewestelijke en federale infrastructuren gekoppeld zijn, de bevoegdheden van de federale overheid en van de gewesten zodanig met elkaar verweven zijn dat het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest met de federale overheid en met de andere gewesten had moeten samenwerken om de bestreden regeling in te voeren. 12 B.4.1. Krachtens artikel 6, § 1, VII, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, zijn de gewesten bevoegd voor de gewestelijke aspecten van de energie, en in ieder geval : «
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.