← België

ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.176

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 21 december 2023 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.176 Arrest- Rolnummer: 176/2023 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-01-01 Raadplegingen: 392 - laatst gezien 2026-06-16 22:11 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Verwerping van het beroep (onder voorbehoud van de in B.7 vermelde interpretatie) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: het beroep tot vernietiging van de artikelen 94 en 146 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 17 maart 2022 « tot wijziging van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de ordonnantie van 1 april 2004 betreffende de organisatie van de gasmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, betreffende wegenisretributies inzake gas en elektriciteit en houdende wijziging van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de ordonnantie van 12 december 1991 houdende oprichting van begrotingsfondsen met het oog op de omzetting van richtlijn 2018/2001 en richtlijn 2019/944 », ingesteld door de nv « APK Infra West » en anderen. Energie - Brussels Hoofdstedelijk Gewest - Gas- en elektriciteitsmarkten - Aantasting van energie-infrastructuren - 1. Bevoegdheidverdelende regels - 2. Rechtspersonen - Maximale straf - Tien percent van de jaaromzet Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 176/2023 van 21 december 2023 Rolnummer : 7878 In zake : het beroep tot vernietiging van de artikelen 94 en 146 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 17 maart 2022 « tot wijziging van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de ordonnantie van 1 april 2004 betreffende de organisatie van de gasmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, betreffende wegenisretributies inzake gas en elektriciteit en houdende wijziging van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de ordonnantie van 12 december 1991 houdende oprichting van begrotingsfondsen met het oog op de omzetting van richtlijn 2018/2001 en richtlijn 2019/944 », ingesteld door de nv « APK Infra West » en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters T. Giet, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, D. Pieters, S. de Bethune, E. Bribosia, W. Verrijdt, K. Jadin en M. Plovie, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 19 oktober 2022 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 21 oktober 2022, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 94 en 146 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 17 maart 2022 « tot wijziging van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de ordonnantie van 1 april 2004 betreffende de organisatie van de gasmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, betreffende wegenisretributies inzake gas en elektriciteit en houdende wijziging van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de ordonnantie van 12 december 1991 houdende oprichting van begrotingsfondsen met het oog op de omzetting van richtlijn 2018/2001 en richtlijn 2019/944 » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 20 april 2022) door de nv « APK Infra West », de nv « BESIX Unitec », de nv « RENOTEC », de nv « Société pour 2 le développement des réseaux d’assainissement et d’eau potable » (SODRAEP) (thans : de nv « ARGEA »), de nv « Verbraeken Infra » en de nv « Visser & Smit Hanab », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. E. Lemmens, advocaat bij de balie Luik-Hoei. Memories en memories van wederantwoord zijn ingediend door : - de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Chomé, Mr. S. Depré en Mr. J. Van Vyve, advocaten bij de balie te Brussel; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. E. Jacubowitz en Mr. C. Caillet, advocaten bij de balie te Brussel. De verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 20 september 2023 heeft het Hof, na de rechters-verslaggeefsters E. Bribosia en J. Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zouden worden gesloten op 4 oktober 2023 en de zaak in beraad zou worden genomen. Ingevolge het verzoek van de verzoekende partijen om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 4 oktober 2023 de dag van de terechtzitting bepaald op 8 november 2023. Op de openbare terechtzitting van 8 november 2023 : - zijn verschenen : . Mr. E. Kiehl en Mr. Y. Hachlaf, advocaten bij de balie Luik-Hoei, loco Mr. E. Lemmens, voor de verzoekende partijen; . Mr. M. Chomé, voor de Brusselse Hoofdstedelijke Regering; . Mr. C. Caillet en Mr. S. Hancart, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggeefsters E. Bribosia en J. Moerman verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.1. De verzoekende partijen verantwoorden hun belang om in rechte te treden met het feit dat zij ondernemingen zijn die actief zijn in de bouwsector en de sector van infrastructuurwerken. Die activiteiten kunnen aanleiding geven tot een toepassing van de bestreden artikelen 94 en 146 van de ordonnantie van 17 maart 2022 « tot wijziging van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de ordonnantie van 1 april 2004 betreffende de organisatie van de gasmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, betreffende wegenisretributies inzake gas en elektriciteit en houdende wijziging van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de ordonnantie van 12 december 1991 houdende oprichting van begrotingsfondsen met het oog op de omzetting van richtlijn 2018/2001 en richtlijn 2019/944 » (hierna : de ordonnantie van 17 maart 2022), die voorzien in geldboeten ten bedrage van maximaal 10 % van de jaaromzet van de rechtspersoon voor de vernietiging of de beschadiging, door gebrek aan voorzorg, van de elektriciteits- en gasinfrastructuren. Gelet op de jaaromzet van de verzoekende partijen zijn de bestreden bepalingen bovendien van dien aard dat ze het bedrag van de strafrechtelijke geldboeten die aan hen kunnen worden opgelegd, sterk verzwaren. A.2. Het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en de Ministerraad betwisten het belang van de verzoekende partijen om in rechte te treden niet. Ten gronde Wat betreft het eerste middel A.3.1. De verzoekende partijen leiden een eerste middel af uit de schending van artikel 6, § 1, VII, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (hierna : de bijzondere wet van 8 augustus 1980) en van het evenredigheidsbeginsel, en uit de bevoegdheidsoverschrijding. Artikel 94 van de ordonnantie van 17 maart 2022 voegt een nieuwe paragraaf in artikel 31 van de ordonnantie van 19 juli 2001 « betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest » (hierna : de ordonnantie van 19 juli 2001) in, terwijl artikel 146 van de ordonnantie van 17 maart 2022 een nieuwe paragraaf invoegt in artikel 23 van de ordonnantie van 1 april 2004 « betreffende de organisatie van de gasmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest » (hierna : de ordonnantie van 1 april 2004). A.3.2. De verzoekende partijen doen allereerst gelden dat de bestreden bepalingen met name de onopzettelijke vernietiging of beschadiging van de infrastructuren voor de productie van elektriciteit en gas bestraffen, terwijl de bevoegdheid inzake de productie van energie aan de federale overheid is voorbehouden. A.3.3. Zij voeren ook aan dat artikel 146 van de ordonnantie van 17 maart 2022, dat de gasmarkt betreft, in zoverre het de onopzettelijke vernietiging of beschadiging van de infrastructuren voor « plaatselijk vervoer » bestraft, inbreuk maakt op de bevoegdheden van de federale overheid, aangezien het « plaatselijke vervoer » niet in de ordonnantie wordt gedefinieerd en dus ook de pijpleidingen en grote aardgasleidingen kan omvatten, die onder de bevoegdheid van de federale overheid vallen. A.3.4. De verzoekende partijen zijn bovendien van mening dat het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest inbreuk maakt op de bevoegdheden van de federale overheid, in zoverre de bestreden bepalingen voorzien in strafrechtelijke sancties voor wie de transmissie van elektriciteit of van gas op de netten belet of belemmerd heeft. Wat betreft de wetgeving inzake de elektriciteitsmarkt, doen zij gelden dat de in artikel 94 van de ordonnantie van 17 maart 2022 gebruikte term « net » dient te worden begrepen in de zin van de definitie van die term die bij artikel 2, 9°, van de ordonnantie van 19 juli 2001 is bepaald. Die definitie beoogt het geheel van elektriciteitstransmissienetten, en niet enkel het gewestelijke transmissienet en het distributienet. Daaruit volgt dat artikel 94 van de ordonnantie van 17 maart 2022 betrekking heeft op een materie die onder de bevoegdheid van de federale overheid valt. 4 Wat betreft de wetgeving inzake de gasmarkt, menen de verzoekende partijen dat, ook al wordt de term « net » niet in de ordonnantie van 1 april 2004 gedefinieerd, de gewestelijke wetgever dezelfde draagwijdte heeft willen geven aan het misdrijf met betrekking tot de gasnetten als aan het misdrijf met betrekking tot de elektriciteitsnetten, zodat de grief die zij ten aanzien van artikel 94 van de ordonnantie van 17 maart 2022 formuleren, kan worden overgenomen voor artikel 146 van die ordonnantie. A.3.5. Ten slotte voeren de verzoekende partijen aan dat elke schade veroorzaakt aan de transmissie- infrastructuren die onder de federale bevoegdheid vallen, noodzakelijkerwijs tot gevolg heeft dat de transmissie van elektriciteit of gas op de lokale transmissienetten of op het distributienet wordt belet of belemmerd, zodat die schade nadeel kan berokkenen aan de andere gewesten. Zij besluiten daaruit dat de bevoegdheden van de federale overheid en die van de gewesten dermate met elkaar verweven zijn dat het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest met de federale overheid en met de andere gewesten had moeten samenwerken om strafrechtelijke sancties in te voeren teneinde de aantastingen van de infrastructuren voor de transmissie van energie te bestraffen. A.3.6. De verzoekende partijen zijn van mening dat een gedeeltelijke vernietiging erop zou neerkomen de constitutieve elementen van het misdrijf te wijzigen, terwijl het uitsluitend de wetgever toekomt het repressieve beleid te bepalen dat hij wil voeren. Daaruit volgt dat de bestreden bepalingen in hun geheel dienen te worden vernietigd. A.4.1. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering herinnert eraan dat de gewesten bevoegd zijn voor de nieuwe energiebronnen, met uitzondering van die in verband met nucleaire energie. In dat opzicht zijn zij bevoegd inzake de productie van energie uit die nieuwe energiebronnen, in het bijzonder de productie van hernieuwbare energie. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering verzoekt het Hof dus een verzoenende interpretatie te geven aan de verwijzing naar de « infrastructuren voor productie » in de bestreden bepalingen, zodat kan worden aangenomen dat enkel de infrastructuren waarvoor de gewesten bevoegd zijn, worden beoogd. Die interpretatie vindt steun in een passage uit de parlementaire voorbereiding waarin het Gewest onderstreept dat de ordonnantie van 17 maart 2022 enkel de aspecten van het energiebeleid betreft waarvoor de gewesten bevoegd zijn, met inbegrip van de nieuwe energiebronnen. Zij maakt ook een vergelijking met de decreten van het Waalse Gewest die van toepassing zijn op, respectievelijk, de elektriciteitsmarkt en de gasmarkt, die bepalingen bevatten die op een vergelijkbare wijze zijn opgesteld. Bovendien merkt de Brusselse Hoofdstedelijke Regering op dat de afdeling wetgeving van de Raad van State geen bezwaar heeft gemaakt met betrekking tot de grondwettigheid van de bestreden bepalingen. A.4.2. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering doet gelden dat, in tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partijen aanvoeren, de uitdrukking « plaatselijk vervoer » niet in artikel 146 van de ordonnantie van 17 maart 2022 voorkomt. In tegenstelling tot de elektriciteitsmarkt, waarop de infrastructuren voor « plaatselijk vervoer », op basis van de spanning, worden onderscheiden van de infrastructuren voor « vervoer », die onder de bevoegdheid van de federale overheid ressorteren, valt het vervoer op het gebied van gas integraal onder de bevoegdheid van de federale overheid, zodat het begrip « plaatselijk vervoer » niet bestaat. Bijgevolg zijn de door de verzoekende partijen opgeworpen grieven niet pertinent. A.4.3. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering voert aan dat de bestreden bepalingen, door de personen te beogen die de transmissie van elektriciteit en van gas op « de netten » beletten of belemmeren, geen inbreuk maken op de bevoegdheden van de federale overheid. De term « net » dient te worden begrepen in het licht van de rest van de bestreden bepalingen. Hij verwijst dus naar het gewestelijke elektriciteitstransmissienet en naar de distributienetten voor elektriciteit en gas. A.4.4. Ten slotte is de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van mening dat de kritiek volgens welke het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest niet met de federale overheid en met de andere gewesten in overleg zou zijn getreden alvorens de bestreden bepalingen aan te nemen, onjuist is. Zij merkt op dat het Gewest overleg heeft gepleegd met de andere overheden in het kader van de Overleggroep Staat-Gewesten voor de energie (hierna : « ENOVER ») die overeenkomstig het samenwerkingsakkoord tussen de federale overheid, het Waalse Gewest, het Vlaamse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 18 december 1991 « met betrekking tot de coördinatie van de activiteiten in verband met energie » (hierna : het samenwerkingsakkoord van 18 december 1991) werd opgericht. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering voert aan dat de ontwerpen van bepalingen aan de betrokken entiteiten en aan de federale overheid werden meegedeeld, en dat die geen bezwaren hebben geuit. 5 A.5.1. De Ministerraad meent dat de bestreden bepalingen, in zoverre zij betrekking hebben op de infrastructuren voor de productie van energie en de transmissie van elektriciteit op de netten, gedeeltelijk dienen te worden vernietigd, wegens schending van de artikelen 6, § 1, VII, en 11 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 en van artikel 143, § 1, van de Grondwet. A.5.2. In hoofdorde is de Ministerraad van mening dat de bestreden bepalingen niet in overeenstemming zijn met de artikelen 6, § 1, VII, en 11 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 in zoverre zij de productie- infrastructuren beogen, aangezien de aangelegenheid van de productie van energie onder de bevoegdheid van de federale overheid valt. Hoewel het juist is dat de gewesten bevoegd zijn inzake nieuwe energiebronnen, neemt zulks niet weg dat de bestreden bepalingen geen onderscheid maken tussen de infrastructuren voor de productie van energie uit die bronnen en de andere productie-infrastructuren, zodat het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest inbreuk maakt op de bevoegdheden van de federale overheid. Bovendien is artikel 94 van de ordonnantie van 17 maart 2022, dat een paragraaf invoegt in artikel 31 van de ordonnantie van 19 juli 2001, niet in overeenstemming met de artikelen 6, § 1, VII, en 11 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, in zoverre het de transmissie van elektriciteit op « de netten » beoogt. Aangezien artikel 2, 9°, van de ordonnantie van 19 juli 2001 de term « net » definieert met verwijzing naar zowel het « gewestelijk vervoer » van elektriciteit als het « vervoer » van elektriciteit, waarbij dat laatste onder de bevoegdheid van de federale overheid valt, heeft het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, door de bestreden bepaling aan te nemen, de bevoegdheden overschreden die eraan waren toegekend. A.5.3. In ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat, indien het Hof zou oordelen dat de Brusselse gewestwetgever in de bestreden bepalingen de infrastructuren voor de productie van elektriciteit en gas heeft kunnen beogen, uit het beginsel van de exclusiviteit van de bevoegdheden zou voortvloeien dat de federale overheid niet hetzelfde gedrag strafbaar zou kunnen stellen. Hij is van mening dat de bestreden bepalingen de federale bepalingen die van toepassing zijn op de beschadiging van infrastructuren voor de productie van elektriciteit en gas impliciet opheffen. Daaruit volgt dat een overleg met de federale overheid nodig was, teneinde geen afbreuk te doen aan het in artikel 143, § 1, van de Grondwet vervatte beginsel van de federale loyauteit. A.6.1. De verzoekende partijen antwoorden dat de passage uit de parlementaire voorbereiding die de Brusselse Hoofdstedelijke Regering aanhaalt een eenvoudige aanhef is en dat die geen betrekking heeft op de bestreden bepalingen. De verzoekende partijen voeren aan dat de Brusselse Hoofdstedelijke Regering de betekenis van de termen « vervoer », « productie » en « net » verdraait. Wanneer de ordonnanties die bij de ordonnantie van 17 maart 2022 zijn gewijzigd definities van die termen bevatten, dient daarnaar te worden verwezen, en niet naar andere bronnen. A.6.2. De verzoekende partijen zijn van mening dat, ook al is het juist dat de lijst van aangelegenheden waarvoor krachtens artikel 1 van het samenwerkingsakkoord van 18 december 1991 een overleg dient plaats te vinden niet exhaustief is, die bepaling niet erin voorziet dat de uitoefening van de accessoire bevoegdheden inzake het strafrecht in het kader van ENOVER dient te worden besproken. Zij merken ook op dat niet uit de door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering voorgelegde briefwisseling blijkt dat de kwestie van de strafrechtelijke sancties zou zijn aangehaald tijdens het overleg dat heeft plaatsgevonden. Zij zien dit bevestigd door het feit dat de Ministerraad de gedeeltelijke vernietiging van de bestreden bepalingen vordert. A.6.3. Ten slotte doen de verzoekende partijen gelden dat de parlementaire voorbereiding van de decreten van het Waalse Gewest die van toepassing zijn op, respectievelijk, de elektriciteitsmarkt en de gasmarkt niet pertinent zijn om de bestreden bepalingen te interpreteren. A.7. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering repliceert dat zij de expertengroep van ENOVER regelmatig heeft geïnformeerd over de vooruitgang van de totstandkoming van de ordonnantie van 17 maart 2022. Het voorontwerp van ordonnantie werd op 18 december 2020 aan die expertengroep overgezonden. Het ontwerp van ordonnantie werd op 9 februari 2022 aan haar overgezonden. De federale overheid had geen enkele opmerking over die ontwerpen. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering is van mening dat haar niet kan worden verweten niet het initiatief te hebben genomen om een debat te starten over bepalingen die, op het eerste gezicht, geen moeilijkheden leken te veroorzaken. 6 A.8.1. De Ministerraad repliceert dat de interpretatie door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van de bestreden bepalingen noch uit de tekst van de bestreden bepalingen, noch uit de parlementaire voorbereiding blijkt. Bovendien heeft de passage uit de parlementaire voorbereiding waarin het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest zijn bevoegdheden inzake energie afbakent enkel betrekking op de omzetting van de geldende Europese richtlijnen en niet op de bestreden bepalingen. Daarbij komt nog dat de loutere vermelding, in de parlementaire voorbereiding, van de bevoegdheidverdelende regels niet volstaat als bewijs voor de grondwettigheid van de bestreden bepalingen. In navolging van de verzoekende partijen is de Ministerraad van mening dat de passages uit de parlementaire voorbereiding van de Waalse decreten die van toepassing zijn op, respectievelijk, de elektriciteitsmarkt en de gasmarkt niet pertinent zijn om de bestreden bepalingen te interpreteren. Hij merkt op dat het Hof zich nog niet over de grondwettigheid van de Waalse wetgeving heeft uitgesproken. A.8.2. Wat betreft het overleg met de federale overheid, voert de Ministerraad aan dat de e-mails die de Brusselse Hoofdstedelijke Regering neerlegt, niet toelaten te besluiten dat een overleg heeft plaatsgevonden, aangezien daarmee slechts de ontwerpen van ordonnantie werden overgezonden. De besprekingen binnen ENOVER hadden geen betrekking op de bestreden bepalingen, aangezien de opdrachten ervan niet de accessoire strafrechtelijke bevoegdheden betreffen. Bovendien werd de bestreden ordonnantie niet aangehaald tijdens de plenaire vergaderingen van ENOVER. Wat betreft het tweede middel A.9. De verzoekende partijen leiden een tweede middel af uit de schending van artikel 14 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Zij merken op dat de bestreden bepalingen erin voorzien dat de rechtspersonen een geldboete van maximaal 10 % van hun jaaromzet opgelegd kunnen krijgen. Volgens de verzoekende partijen is de term « omzet » niet gedefinieerd in de bestreden bepalingen, waarin evenmin wordt verwezen naar een definitie in een andere wetgeving. Vanuit een tijdsperspectief preciseren de bestreden bepalingen bovendien niet met welk jaar rekening dient te worden gehouden om het omzetcijfer te bepalen. Indien het het lopende jaar op het moment van het plegen van het misdrijf betreft, wordt de vereiste van voorzienbaarheid niet nageleefd, aangezien de omzet nog niet gekend is. Indien het het omzetcijfer van het voorgaande jaar betreft, zou de maximumstraf onmogelijk te dragen kunnen zijn, aangezien de omzet het daaropvolgende jaar sterk gedaald zou kunnen zijn. A.10. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering merkt op dat de uitdrukking « jaaromzet » haar gewoonlijke betekenis moet krijgen. Het gaat om een courant begrip. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering verwijst naar de rechtspraak van het Hof met betrekking tot de interpretatie van courante begrippen. Zij benadrukt dat de strafrechtelijke sancties des te meer voorzienbaar zijn omdat de bestreden bepalingen bestemd zijn voor beroepsbeoefenaars die over goede informatie kunnen beschikken om te weten of hun gedrag opportuun is. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering herinnert ook eraan dat die uitdrukking in meerdere nationale en Europese wetgevingen wordt gebruikt, met name in wetgevingen die van toepassing zijn op de energiesector, en in de reglementering van de overheidsopdrachten. Zij doet gelden dat het vanzelfsprekend is dat de betrokken jaaromzet die is van het jaar dat voorafgaat aan dat waarin het misdrijf wordt gepleegd aangezien de omzet van het lopende jaar nog niet gekend is. A.11. De verzoekende partijen antwoorden dat de wetgevingen waarnaar de Brusselse Hoofdstedelijke Regering verwijst verschillende definities bevatten van de uitdrukking « omzet », zodat er geen courante betekenis van dat begrip bestaat. Die definities zijn, bovendien, preciezer over de betrokken periode van activiteit. 7 Wat betreft het derde middel A.12. De verzoekende partijen leiden een derde middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met het beginsel van de vrijheid van ondernemen en met artikel 6, § 1, VI, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. Het middel valt uiteen in vijf onderdelen. A.13.1.1. In een eerste onderdeel merken de verzoekende partijen op dat de vrijheid van ondernemen een algemeen beginsel van de Belgische rechtsorde is dat beoogt om elke marktdeelnemer toe te laten zijn activiteit vrij uit te oefenen. A.13.1.2. Zij zijn van mening dat de bestreden bepalingen op discriminerende wijze afbreuk doen aan de vrijheid van ondernemen. Zij doen gelden dat de strafmaat onevenredig streng is in vergelijking met de straffen die bij de vroegere wetgeving waren bepaald en met de bij artikel 41bis, § 1, van het Strafwetboek bepaalde straffen voor de misdrijven die door rechtspersonen worden gepleegd. Zij merken op dat de geldboete, voor sommigen onder hen, meerdere miljoenen euro zou kunnen bedragen. Het risico om dergelijke straffen op te lopen, zal een weerslag hebben op het beleid van de onderneming, zodat de vrijheid van ondernemen wordt beperkt. A.13.1.3. De verzoekende partijen menen dat de bestreden bepalingen onevenredige gevolgen veroorzaken, aangezien zij betrekking hebben op onopzettelijke handelingen waaruit de dader geen enkel voordeel haalt. De verzoekende partijen voeren aan dat de bestreden bepalingen discriminerend zijn ten aanzien van hen, aangezien zij wegens hun activiteiten reeds belang erbij hebben alles in het werk te stellen om het plegen van de in de bestreden bepalingen beoogde misdrijven te vermijden. De meeste wegenwerken worden immers uitgevoerd in het kader van overheidsopdrachten, zodat de betrokken ondernemingen bestraft zullen worden met toepassing van de wetgeving en van de reglementering betreffende de overheidsopdrachten. Daarbij komt het in het geding brengen van de buitencontractuele aansprakelijkheid van de ondernemingen, de bij het Strafwetboek bepaalde forfaitaire geldboeten en het risico op gevangenisstraffen dat op de natuurlijke personen weegt die als orgaan of als aangestelde van de rechtspersoon handelen. De verzoekende partijen besluiten daaruit dat de door de wetgever nagestreefde doelstelling kan worden bereikt zonder dat het noodzakelijk is de bestreden bepalingen toe te voegen aan het bestaande juridische kader. A.13.2. Wat betreft het eerste onderdeel, voert de Brusselse Hoofdstedelijke Regering aan dat het onopzettelijke karakter van het misdrijf losstaat van de evenredigheid van de bestreden maatregelen. Volgens haar moet, om te bepalen of een maatregel evenredig is, de vraag worden gesteld of andere, minder beperkende maatregelen zouden hebben toegelaten het nagestreefde doel te bereiken. Aangezien het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest heeft geoordeeld dat de ongevallen als resultaat van de werken uitgevoerd in de buurt van elektriciteits- en gasinfrastructuren de integriteit van de energienetten in gevaar brachten, was het noodzakelijk de verantwoordelijken van die werken te bestraffen om de door de wetgever nagestreefde doelstelling, namelijk de veiligheid van energievoorziening waarborgen, te bereiken. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering meent dat het verkeerd is te stellen dat de ondernemingen van de bouwsector reeds alle belang erbij hebben om te vermijden de gas- en elektriciteitsinfrastructuren aan te tasten. Het is immers wegens het feit dat de Brusselse gewestwetgever heeft vastgesteld dat de bestaande sancties onvoldoende afschrikkend waren dat hij het noodzakelijk heeft geacht de bestreden maatregelen te nemen. Vóór de aanneming van de ordonnantie van 17 maart 2022 had de netbeheerder meermaals de aandacht van de Regering op de toename van het aantal ongevallen gevestigd. A.13.3. De verzoekende partijen antwoorden dat zij de noodzaak van het bestraffen van de daders van onopzettelijke aantastingen van de energie-infrastructuren niet betwisten, aangezien een dergelijke strafbaarstelling reeds vóór de inwerkingtreding van de bestreden bepalingen bestond. De verzoekende partijen zijn daarentegen van mening dat de bestreden bepalingen onevenredige gevolgen hebben, aangezien die ertoe kunnen leiden dat bepaalde vennootschappen geldboeten zullen krijgen voor een bedrag dat duizenden malen hoger is dan de geldboeten waarin in de vroegere regeling was voorzien. Bovendien verantwoordt het beperkte aantal ongevallen dat door de netbeheerder wordt aangehaald niet dat het bedrag van de geldboeten op een dergelijk niveau wordt vastgesteld. 8 A.14.1.1. In een tweede onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen een discriminatie doen ontstaan tussen de rechtspersonen en de natuurlijke personen. Wanneer een natuurlijke persoon de dader is van een van de in de bestreden bepalingen beoogde inbreuken, krijgt die een gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en een geldboete van 500 euro tot 5 000 euro, of slechts een van die straffen, terwijl een rechtspersoon een geldboete oploopt die tot 10 % van zijn jaaromzet kan bedragen. A.14.1.2. De verzoekende partijen doen gelden dat de bestreden bepalingen worden verantwoord met de wil de veiligheid van de energievoorziening te waarborgen. Niets verklaart dat de aan de natuurlijke personen opgelegde geldboeten niet worden uitgedrukt in een percentage van hun omzet aangezien zij ook economische activiteiten met winstoogmerk kunnen uitoefenen. De verzoekende partijen zijn van mening dat het bedrag van de geldboete moet variëren op basis van de ernst van de tekortkoming en niet op basis van de omzet. Ten slotte herinneren zij eraan dat de geldboete, voor sommigen onder hen, meerdere miljoenen euro zou kunnen bedragen. A.14.2. Wat betreft het tweede onderdeel, doet de Brusselse Hoofdstedelijke Regering gelden dat de situatie van de natuurlijke personen niet vergelijkbaar is met die van de rechtspersonen. Aangezien zij zijn opgericht in de vorm van een vennootschap, bevinden de rechtspersonen zich in een betere economische situatie dan de natuurlijke personen. Bovendien beschikken zij over een eigen vermogen, onderscheiden van dat van hun leden. De situatie van de ondernemer die een natuurlijk persoon is, die geen scheiding tussen zijn privévermogen en zijn professionele vermogen geniet, is risicovoller. De wetgever heeft de natuurlijke personen niet op dezelfde wijze willen bestraffen, aangezien die zich in een minder gunstige economische situatie bevinden. A.14.3. De verzoekende partijen merken op dat een besloten vennootschap kan worden opgericht door één enkele vennoot zonder dat diens economische situatie beter is dan die van een natuurlijke persoon. Bovendien zal de in een percentage van de omzet opgelegde geldboete proportioneel kleiner zijn indien de omzet van een natuurlijke persoon kleiner is. A.15.1.1. In een derde onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen een discriminatie veroorzaken tussen de rechtspersonen die actief zijn in de bouwsector en de andere rechtspersonen. Zij merken op dat de rechtspersonen die actief zijn in de bouwsector een geldboete ten bedrage van 10 % van hun omzet kunnen oplopen indien zij, in het kader van hun economische activiteiten, een van de in de bestreden bepalingen beoogde inbreuken plegen, terwijl de rechtspersonen die actief zijn in andere economische sectoren, in de regel slechts de geldboeten oplopen waarin bij artikel 41bis van het Strafwetboek is voorzien, waarvan het maximumbedrag 720 000 euro bedraagt, zelfs wanneer het misdrijf een misdaad is. Daaruit volgt dat de ondernemingen die actief zijn in de bouwsector een aanzienlijk hogere geldboete opgelegd kunnen krijgen, terwijl de in de bestreden bepalingen beoogde misdrijven minder ernstig zijn, aangezien het onopzettelijke misdrijven betreft die als wanbedrijf worden gekwalificeerd. A.15.1.2. Volgens de verzoekende partijen verantwoordt niets dat verschil in behandeling. A.15.2. Wat betreft het derde onderdeel, voert de Brusselse Hoofdstedelijke Regering aan dat de verzoekende partijen zich vergissen in de draagwijdte van de bestreden bepalingen wanneer zij menen dat die onder de rechtspersonen een verschil in behandeling doen ontstaan op basis van de sector waarin die actief zijn. De bestreden bepalingen voorzien in sancties wegens de door de rechtspersoon gepleegde daad en niet wegens de sector waarin die actief is, zodat elke rechtspersoon op dezelfde wijze kan worden bestraft. Volgens de Regering zou een eventueel verschil in behandeling zijn oorsprong dus niet vinden in de bestreden bepalingen, maar in het gedrag van de ondernemingen. A.15.3. De verzoekende partijen antwoorden dat uit het beginsel van de statutaire specialiteit dat in artikel 1 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen is opgenomen, voortvloeit dat de activiteiten van een rechtspersoon in zijn statuten worden gedefinieerd. Daaruit volgt dat de bestreden bepalingen een bepaald type van rechtspersonen beogen die worden bepaald op basis van hun activiteit. 9 A.15.4. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering repliceert dat, als de redenering van de verzoekende partijen wordt gevolgd, de wetgever nooit meer een gedrag zou kunnen bestraffen in verband met de uitoefening van een activiteit die eigen is aan een sector, aangezien de rechtspersonen die actief zijn in die sector gediscrimineerd zouden worden ten opzichte van de rechtspersonen die niet actief zijn in die sector. Uit het feit dat de rechtspersonen die actief zijn in andere sectoren dan de bouwsector, in de praktijk, geen werkzaamheden moeten uitvoeren in de buurt van energie-infrastructuur mag dus niet worden afgeleid dat de bestreden bepalingen hen gunstiger behandelen dan de rechtspersonen die actief zijn in de bouwsector. A.16.1.1. In een vierde onderdeel doen de verzoekende partijen gelden dat de bestreden bepalingen een onverantwoord verschil in behandeling in het leven roepen tussen de rechtspersonen die onopzettelijk energie-infrastructuren hebben aangetast en de rechtspersonen die zulks opzettelijk hebben gedaan. De ordonnantie van 17 maart 2022 heft de vroegere wetgeving op die zowel de opzettelijke als de onopzettelijke aantastingen van de energie-infrastructuren beoogde. Daaruit volgt dat enkel artikel 523 van het Strafwetboek een juridische grondslag kan vormen voor de vervolging van bepaalde opzettelijke aantastingen van de energie-infrastructuren. Die bepaling heeft evenwel een beperkt toepassingsgebied, aangezien zij enkel de vernietiging van machines beoogt. Bovendien kan de geldboete die wordt opgelegd aan de rechtspersonen die aan die inbreuken schuldig werden bevonden niet hoger zijn dan het maximum van 720 000 euro dat bij artikel 41bis van het Strafwetboek is vastgesteld of van 408 000 euro, rekening houdend met verzachtende omstandigheden. Daaruit volgt dat de onopzettelijke aantastingen van de energie-infrastructuren kunnen worden bestraft met geldboeten die gevoelig hoger zijn dan die welke zijn bepaald om de opzettelijke aantastingen te bestraffen, zelfs wanneer er bij die laatste sprake is van verzwarende omstandigheden. Volgens de verzoekende partijen dient een soortgelijke redenering te worden gevolgd indien de aantasting van de infrastructuur moet worden gekwalificeerd als opzettelijke beschadiging van onroerende eigendommen in de zin van de artikelen 534ter en 534quater van het Strafwetboek. A.16.1.2. De verzoekende partijen zijn van mening dat dat verschil in behandeling niet redelijk verantwoord is. Zij verwijzen naar het arrest van het Hof nr. 138/2012 van 14 november 2012 (ECLI:BE:GHCC:2012:ARR.138) waarbij het Hof heeft geoordeeld dat het discriminerend was om gefailleerden die strafrechtelijke misdrijven hebben gepleegd gunstiger te behandelen dan gefailleerden die geen strafrechtelijke fout hebben begaan. A.16.2. Wat betreft het vierde onderdeel, meent de Brusselse Hoofdstedelijke Regering dat de rechtspersonen die een onopzettelijke aantasting van de elektriciteits- en gasinfrastructuren hebben veroorzaakt en de rechtspersonen die een opzettelijke aantasting van die infrastructuren hebben veroorzaakt, niet met elkaar kunnen worden vergeleken. De bestreden bepalingen beogen de ondernemingen die, wegens de kostprijs van de voorafgaande stappen, nalaten zich te informeren over de aanwezigheid van dergelijke infrastructuren alvorens de werken aan te vatten. De bestreden bepalingen bestraffen dus niet alleen de beschadiging of de vernietiging van infrastructuren, maar ook het gebrek aan voorzorg, dat de wetgever beslist heeft strenger te bestraffen. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering besluit daaruit dat de betrokken categorieën niet vergelijkbaar zijn. A.17.1.1. In een vijfde onderdeel zetten de verzoekende partijen uiteen dat de bestreden bepalingen een onverantwoord verschil in behandeling in het leven roepen onder rechtspersonen, op basis van hun omzet. A.17.1.2. Zij menen dat het aangeklaagde verschil in behandeling niet op een objectieve en redelijke verantwoording berust. De doelstelling die erin bestaat de energieveiligheid te waarborgen, laat niet toe de maatregelen te verantwoorden. Bovendien zijn zij van mening dat het criterium van de omzet geen objectief criterium is, aangezien bepaalde rechtspersonen verkiezen een grote omzet te hebben en minder belang hechten aan hun winstmarge, terwijl anderen hun activiteit beperken en hun winstmarge maximaliseren. Bovendien kunnen twee rechtspersonen een identieke winst hebben, maar een volledig verschillende omzet. Omgekeerd kan een rechtspersoon een omzet hebben die vergelijkbaar is met die van een andere rechtspersoon, maar verlies lijden terwijl de andere winst maakt. Volgens de verzoekende partijen behandelen de bestreden bepalingen de rechtspersonen dus verschillend enkel op basis van hun handelsbeleid. 10 A.17.1.3. Zij doen ook gelden dat de omzet onderhevig is aan onzekerheden die geen verband houden met de activiteit van de rechtspersoon, zoals de toename van de kostprijs van bepaalde materialen, de toename van de energieprijzen of van de arbeidskosten. Daaruit volgt dat de omzet aanzienlijk kan toenemen zonder dat de financiële capaciteit van de onderneming toeneemt. De verzoekende partijen leiden daaruit af dat het criterium van de omzet objectief noch pertinent is. A.17.2. Wat betreft het vijfde onderdeel, merkt de Brusselse Hoofdstedelijke Regering op dat de omzet een van de criteria is die toelaten de omvang van de onderneming te bepalen en, in het bijzonder, de kleine, middelgrote en grote ondernemingen te onderscheiden. Dat criterium wordt in verschillende wetgevingen gebruikt. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering beklemtoont met name het feit dat de boetes die aan de ondernemingen worden opgelegd voor de misdrijven in het mededingingsrecht doorgaans worden vastgesteld op een bepaald percentage van de globale jaaromzet van de onderneming. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering verwijst naar de uiteenzetting met betrekking tot het tweede middel wat betreft het begrip « jaaromzet ». -B- B.1. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van de artikelen 94 en 146 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 17 maart 2022 « tot wijziging van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de ordonnantie van 1 april 2004 betreffende de organisatie van de gasmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, betreffende wegenisretributies inzake gas en elektriciteit en houdende wijziging van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de ordonnantie van 12 december 1991 houdende oprichting van begrotingsfondsen met het oog op de omzetting van richtlijn 2018/2001 en richtlijn 2019/944 » (hierna : de ordonnantie van 17 maart 2022). B.2.1. Uit het verzoekschrift blijkt dat de grieven van de verzoekende partijen uitsluitend zijn gericht tegen de artikelen 94, 1°, en 146, 1°, van de ordonnantie van 17 maart 2022. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die bepalingen. B.2.2. Artikel 94, 1°, van de ordonnantie van 17 maart 2022 voegt, in artikel 31 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 19 juli 2001 « betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest » (hierna : de ordonnantie van 19 juli 2001), een paragraaf 1bis in, die bepaalt : 11 « Wordt gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en een boete van 500 tot 5.000 euro of, als de overtreder een rechtspersoon is, van maximaal tien percent van zijn jaaromzet of met één van deze straffen : al wie, door gebrek aan voorzorg, infrastructuren voor productie, plaatselijk vervoer, distributie en gebruik van elektriciteit onopzettelijk heeft vernietigd of beschadigd, of de transmissie van elektriciteit op de netten belet of belemmerd heeft ». B.2.3. Artikel 146, 1°, van de ordonnantie van 17 maart 2022 voegt, in artikel 23 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 1 april 2004 « betreffende de organisatie van de gasmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, betreffende wegenisretributies inzake gas en elektriciteit en houdende wijziging van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest » (hierna : de ordonnantie van 1 april 2004), een paragraaf 1bis in, die bepaalt : « Wordt gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en een boete van 500 tot 5.000 euro of, als de overtreder een rechtspersoon is, van maximaal tien percent van zijn jaaromzet of met één van deze straffen : al wie, bij gebrek aan voorzorg, infrastructuren voor productie, distributie en gebruik van gas onopzettelijk heeft vernietigd of beschadigd, of de transmissie van gas op de netten belet of belemmerd heeft ». Ten gronde Wat betreft het eerste middel B.3. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van artikel 6, § 1, VII, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (hierna : de bijzondere wet van 8 augustus 1980) en van het evenredigheidsbeginsel inzake bevoegdheidsverdeling. De verzoekende partijen doen gelden dat de bestreden bepalingen betrekking hebben op de aantasting van infrastructuren die onder de bevoegdheid van de federale overheid vallen. Bovendien zijn zij van mening dat, aangezien de gewestelijke en federale infrastructuren gekoppeld zijn, de bevoegdheden van de federale overheid en van de gewesten zodanig met elkaar verweven zijn dat het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest met de federale overheid en met de andere gewesten had moeten samenwerken om de bestreden regeling in te voeren. 12 B.4.1. Krachtens artikel 6, § 1, VII, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, zijn de gewesten bevoegd voor de gewestelijke aspecten van de energie, en in ieder geval : «

  1. a)De distributie en het plaatselijke vervoer van elektriciteit door middel van netten waarvan de nominale spanning lager is dan of gelijk is aan 70 000 volt, met inbegrip van de distributienettarieven voor elektriciteit, met uitzondering van de tarieven van de netten die een transmissiefunctie hebben en die uitgebaat worden door dezelfde beheerder als het transmissienet;
  2. b)De openbare gasdistributie, met inbegrip van de nettarieven voor de openbare distributie van gas, met uitzondering van de tarieven van de netwerken die ook een aardgasvervoersfunctie hebben en die worden uitgebaat door dezelfde beheerder als het aardgasvervoersnet; [...]
  3. f)De nieuwe energiebronnen met uitzondering van deze die verband houden met de kernenergie; [...] ». Die bepaling behoudt evenwel aan de federale overheid de bevoegdheden voor met betrekking tot de aangelegenheden « die wegens hun technische en economische ondeelbaarheid een gelijke behandeling op nationaal vlak behoeven, te weten : [...] de grote infrastructuren voor de stockering; het vervoer en de productie van energie ». Artikel 6, § 3, 2° en 3°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 legt aan de gewestregeringen en aan de federale overheid op om overleg te plegen voor iedere maatregel op het gebied van het energiebeleid, buiten de bevoegdheden opgesomd in artikel 6, § 1, VII, van dezelfde bijzondere wet, en over de grote lijnen van het nationale energiebeleid. B.4.2. Krachtens artikel 11 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 kunnen de gewesten binnen de grenzen van hun bevoegdheden ook de niet-naleving van de bepalingen van hun decreten strafbaar stellen en die straffen bepalen. B.4.3. De voormelde bepalingen zijn van toepassing gemaakt op het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest bij artikel 4 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen. 13 B.5.1. Door aan de gewesten de bevoegdheid inzake de gewestelijke aspecten van energie over te dragen, hebben de Grondwetgever en de bijzondere wetgever aan de gewesten de volledige bevoegdheid toegekend om de regels uit te vaardigen die aan die aangelegenheid eigen zijn, en zulks onverminderd hun beroep, in voorkomend geval, op artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. B.5.2. Wat betreft de samenhang tussen de aan de gewesten toegekende bevoegdheden en die welke aan de federale overheid zijn voorbehouden, wordt in de parlementaire voorbereiding van de bijzondere wet van 8 augustus 1988 tot wijziging van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen uiteengezet : « Wat het energiebeleid betreft zijn de Gewesten bevoegd voor de gewestelijke aspecten van het energiebeleid en in ieder geval voor de opgesomde aangelegenheden van het eerste lid van artikel 6, § 1, VII, behalve voor de aangelegenheden waarvan de technische en economische ondeelbaarheid een gelijke behandeling op nationaal vlak behoeven en die limitatief en volledig worden opgesomd na de woorden : ‘ te weten ’. De nationale overheid is bevoegd voor de voormelde uitzonderingen evenals voor de niet-gewestelijke aspecten van het energiebeleid » (Parl. St., Senaat, B.Z., 1988, nr. 405/2, p. 111). B.5.3. Aldus heeft de bijzondere wetgever het energiebeleid opgevat als een gedeelde exclusieve bevoegdheid, waarbij de gasdistributie en de distributie en het plaatselijk vervoer van elektriciteit (door middel van netten waarvan de nominale spanning lager is dan of gelijk is aan 70 000 volt) aan de gewesten zijn toevertrouwd, terwijl het (niet-plaatselijk) vervoer van energie tot de bevoegdheid van de federale wetgever is blijven behoren. Daarnaast zijn de gewesten onder meer bevoegd om het geheel aan regels aan te nemen die eigen zijn aan nieuwe energiebronnen, met uitzondering van die welke verband houden met kernenergie. De gewesten zijn dus bevoegd voor de productie van energie uit nieuwe energiebronnen. De federale overheid is van haar kant bevoegd gebleven voor de overige vormen van energieproductie. B.6. De verzoekende partijen voeren aan dat de bestreden bepalingen betrekking hebben op het geheel van infrastructuren voor de productie van energie, op het geheel van elektriciteitstransmissienetten en op de gastransmissienetten, zodat zij inbreuk maken op de bevoegdheid van de federale overheid. 14 B.7. Zoals de Brusselse Hoofdstedelijke Regering aanvoert, dienen de bestreden bepalingen zo te worden geïnterpreteerd dat enkel de infrastructuren voor de productie van elektriciteit en de productie van gas uit nieuwe energiebronnen door die bepalingen worden beoogd. Evenzo dient het bij die bepalingen voorziene verbod om de transmissie van elektriciteit of gas op de « netten » te beletten of te belemmeren zo te worden geïnterpreteerd dat dat verbod slechts de transmissie betreft op de netten die door de ordonnanties van 19 juli 2001 en 1 april 2004 worden beoogd, namelijk, enerzijds, het net voor de distributie en het plaatselijk vervoer van elektriciteit en, anderzijds, het gasdistributienet. In die interpretatie zijn de bestreden bepalingen in overeenstemming met de in artikel 6, § 1, VII, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 opgenomen bevoegdheidverdelende regels. B.8.1. De verzoekende partijen voeren ook aan dat artikel 146 van de ordonnantie van 17 maart 2022, dat de gasmarkt betreft, de onopzettelijke vernietiging of beschadiging van de infrastructuren voor « plaatselijk vervoer » zou bestraffen. Zij doen gelden dat, aangezien die uitdrukking niet in de van toepassing zijnde wetgeving wordt gedefinieerd, zij het gastransmissienet kan beogen, dat onder de bevoegdheid van de federale overheid valt. B.8.2. Artikel 146 van de ordonnantie van 17 maart 2022 heeft evenwel niet de draagwijdte die de verzoekende partijen eraan geven. Die bepaling bevat immers niet het begrip « plaatselijk vervoer ». Zoals de Brusselse Hoofdstedelijke Regering opmerkt, valt het vervoer, op het gebied van gas, integraal onder de bevoegdheid van de federale overheid. B.9. De verzoekende partijen en de Ministerraad klagen ook aan dat de bestreden bepalingen zijn aangenomen zonder voorafgaand overleg tussen de gewesten en de federale overheid. Zij zijn van mening dat daaruit een schending van het evenredigheidsbeginsel voortvloeit. B.10.1. Alvorens na te gaan of het evenredigheidsbeginsel het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest ertoe verplichtte de federale overheid en de andere gewesten te betrekken bij de totstandkoming van de bestreden bepalingen, onderzoekt het Hof of de in het voormelde artikel 6, § 3, 2° en 3°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 vermelde 15 overlegverplichtingen van toepassing zijn. Mocht dat het geval zijn en indien zou blijken dat die verplichting niet werd nageleefd, dan zijn de bestreden bepalingen aangetast door bevoegdheidsoverschrijding en moet niet meer worden onderzocht of de ordonnantiegever het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden dat inherent is aan de uitoefening van elke bevoegdheid. B.10.2. In de in B.7 vermelde interpretatie hebben de bestreden bepalingen betrekking op de distributie en het plaatselijke vervoer van elektriciteit door middel van netten waarvan de nominale spanning lager is dan of gelijk is aan 70 000 volt, alsook op de openbare gasdistributie en de productie van energie uit nieuwe energiebronnen. De ordonnantiegever ontleent zijn bevoegdheid dus aan het voormelde artikel 6, § 1, VII, eerste lid, a),
  4. b)en f), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. Om die reden is de bij artikel 6, § 3, 2°, van die bijzondere wet voorgeschreven overlegverplichting te dezen niet van toepassing. Bovendien ressorteren de bestreden bepalingen evenmin onder de in artikel 6, § 3, 3°, van dezelfde bijzondere wet beoogde « grote lijnen van het nationaal energiebeleid ». B.11. Er dient nog te worden onderzocht of de ordonnantiegever het evenredigheidsbeginsel, dat inherent is aan elke bevoegdheidsuitoefening, heeft geschonden met de bestreden bepalingen. Dat beginsel verbiedt elke overheid om het aan haar toevertrouwde beleid op dermate wijze te voeren dat het voor een andere overheid onmogelijk of overdreven moeilijk wordt om het beleid dat haar is toevertrouwd doelmatig te voeren. B.12. De bestreden bepalingen bestraffen eenieder die, door een gebrek aan voorzorg, de energie-infrastructuren die onder de bevoegdheid van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest vallen, onopzettelijk heeft aangetast of de transmissie van energie via die infrastructuren heeft belet of belemmerd. Aangezien de energie-infrastructuren gekoppeld zijn, dragen de bestreden bepalingen bij tot de bescherming van de efficiënte transmissie van energie via de netten die niet onder de bevoegdheid van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest vallen. Het blijkt derhalve niet dat de beleidskeuze van de Brusselse ordonnantiegever die van de federale overheid en die van de andere gewesten doorkruist. Bovendien belet de keuze van de Brusselse ordonnantiegever de federale overheid en de andere gewesten niet om hun beleid inzake energie, en in het bijzonder inzake de bestraffing van de aantastingen van de energie- infrastructuren of van het belemmeren van de transmissie van energie, verder te zetten. 16 B.13. Daaruit volgt dat de bestreden bepalingen het de federale overheid niet onmogelijk of overdreven moeilijk maken om haar bevoegdheden uit te oefenen, en dat het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest niet ertoe gehouden was overleg te plegen met de federale overheid en de andere gewesten alvorens die bepalingen aan te nemen. B.14. Onder voorbehoud van de interpretatie vermeld in B.7 is het eerste middel niet gegrond. Wat betreft het tweede middel B.15. Het tweede middel is afgeleid uit de schending van artikel 14 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 7, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. De bestreden bepalingen zouden het wettigheidsbeginsel in strafzaken schenden, doordat zij niet zouden beantwoorden aan de vereisten inzake nauwkeurigheid, duidelijkheid en voorzienbaarheid van de strafbaarstelling. Bij ontstentenis van een definitie van het begrip « jaaromzet » kunnen rechtspersonen niet op afdoende wijze inschatten welke maximale geldboete zij riskeren en dus wat het strafrechtelijke gevolg van hun gedrag zal zijn. B.16. Artikel 14 van de Grondwet bepaalt : « Geen straf kan worden ingevoerd of toegepast dan krachtens de wet ». Artikel 7, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : « Niemand kan worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde. Evenmin zal een zwaardere straf worden opgelegd dan die welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was ». B.17. In zoverre artikel 7, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens het wettigheidsbeginsel in strafzaken waarborgt, heeft het een draagwijdte die analoog is aan die van de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet. 17 B.18. Door aan de wetgevende macht de bevoegdheid te verlenen om, enerzijds, te bepalen in welke gevallen strafvervolging mogelijk is en, anderzijds, de wet aan te nemen krachtens welke een straf kan worden vastgesteld en toegepast, waarborgen de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet aan elke burger dat geen enkele gedraging strafbaar zal worden gesteld en geen straf zal worden opgelegd dan krachtens regels aangenomen door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering. Het wettigheidsbeginsel in strafzaken dat uit de voormelde grondwets- en verdragsbepalingen voortvloeit, gaat bovendien uit van de idee dat de strafwet moet worden geformuleerd in bewoordingen op grond waarvan eenieder, op het ogenblik waarop hij een gedrag aanneemt, kan uitmaken of dat gedrag al dan niet strafbaar is en de mogelijkerwijs op te lopen straf kan kennen. Het eist dat de wetgever in voldoende nauwkeurige, duidelijke en rechtszekerheid biedende bewoordingen bepaalt welke feiten strafbaar worden gesteld, zodat, enerzijds, diegene die een gedrag aanneemt, vooraf op afdoende wijze kan inschatten wat het strafrechtelijke gevolg van dat gedrag zal zijn en, anderzijds, aan de rechter geen al te grote beoordelingsbevoegdheid wordt gelaten. Het wettigheidsbeginsel in strafzaken staat evenwel niet eraan in de weg dat de wet aan de rechter een beoordelingsbevoegdheid toekent. Er dient immers rekening te worden gehouden met het algemene karakter van de wetten, de uiteenlopende situaties waarop zij van toepassing zijn en de evolutie van de gedragingen die zij bestraffen. Aan het vereiste dat een misdrijf duidelijk moet worden omschreven in de wet is voldaan wanneer de rechtzoekende, op basis van de bewoordingen van de relevante bepaling en, indien nodig, met behulp van de interpretatie daarvan door de rechtscolleges, kan weten welke handelingen en welke verzuimen zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid meebrengen. Enkel bij het onderzoek van een specifieke strafbepaling is het mogelijk om, rekening houdend met de elementen eigen aan de misdrijven die zij wil bestraffen, te bepalen of de door de wetgever gehanteerde algemene bewoordingen zo vaag zijn dat ze het strafrechtelijk wettigheidsbeginsel zouden schenden. 18 B.19.1. Hoewel het begrip « jaaromzet » niet expliciet is gedefinieerd in de bestreden bepalingen, kan niet staande worden gehouden dat het niet zou voldoen aan de voorwaarde van voorzienbaarheid van de strafwet. B.19.2. Krachtens artikel 3:1, § 1, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen is het bestuursorgaan van een vennootschap met rechtspersoonlijkheid immers verplicht elk jaar een jaarrekening op te maken in de vorm en met de inhoud bepaald door de Koning. Die jaarrekening bestaat uit de balans, de resultatenrekening en de toelichting. Artikel 3:90 van het koninklijk besluit van 29 april 2019 « tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen » definieert de inhoud van de rubriek « omzet » van de resultatenrekening als « het bedrag van de verkoop van goederen en de levering van diensten aan derden, in het kader van de gewone bedrijfsuitoefening van de vennootschap, onder aftrek van de op de verkoopprijs in de handel toegestane kortingen (afslag, ristorno, rabat); dit bedrag omvat niet de belasting over de toegevoegde waarde, noch enige andere rechtstreeks met de omzet verbonden belasting ». De jaaromzet kan dus worden bepaald op grond van de meest recente door het bestuursorgaan opgestelde jaarrekening (zie in die zin ook artikel 36, § 2, derde lid, van de wet van 2 augustus 2002 « betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten »). B.19.3. Het begrip « jaaromzet » is bijgevolg niet dermate vaag dat het niet elke rechtspersoon zou toelaten de mogelijkerwijs krachtens de bestreden bepalingen op te lopen maximumstraf te kennen. B.20. Het tweede middel is niet gegrond. Wat betreft het derde middel B.21. Het derde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met het beginsel van de vrijheid van ondernemen en met artikel 6, § 1, VI, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. 19 B.22. De verzoekende partijen voeren aan dat de bestreden bepalingen meerdere verschillen in behandeling in het leven roepen die in strijd zijn met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. B.23. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.24. Ten eerste voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen een verschil in behandeling in het leven roepen tussen de rechtspersonen die actief zijn in de bouwsector en de andere rechtspersonen (derde onderdeel van het derde middel). B.25. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen veronderstellen, maken de bestreden bepalingen geen enkel onderscheid naargelang de sector waarin de rechtspersoon actief is. In die mate is het uitgangspunt van het middel bijgevolg onjuist. B.26.1. Ten tweede voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen een verschil in behandeling in het leven roepen tussen de rechtspersonen die onopzettelijk de energie-infrastructuren aantasten en de rechtspersonen die dat opzettelijk doen (vierde onderdeel van het derde middel). B.26.2. Er dient te worden opgemerkt dat niet elke aantasting van energie-infrastructuren de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de betrokkenen met zich meebrengt. De bestreden bepalingen stellen niet het louter onopzettelijk aantasten van energie-infrastructuren strafbaar. Een strafbaarstelling op grond van de bestreden bepalingen is pas mogelijk indien er sprake is van een gebrek aan voorzorg, hetgeen te dezen het moreel element van het misdrijf vormt. Het Hof dient bijgevolg het verschil in behandeling te onderzoeken tussen de rechtspersonen die 20 energie-infrastructuren aantasten als gevolg van het feit dat zij niet de nodige voorzorgsmaatregelen hebben genomen, en de rechtspersonen die dat opzettelijk doen. B.27.1. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering doet gelden dat, gelet op het morele element van het misdrijf, de in B.26.2 vermelde categorieën van rechtspersonen niet vergelijkbaar zijn. B.27.2. Verschil en niet-vergelijkbaarheid mogen niet worden verward. Het verschil tussen de voormelde categorieën van rechtspersonen, wat het moreel element van het misdrijf betreft, kan weliswaar een element zijn in de beoordeling van het redelijke en evenredige karakter van het bekritiseerde verschil in behandeling, maar het kan niet volstaan om tot de niet-vergelijkbaarheid van die rechtspersonen te besluiten, anders zou de toetsing aan het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie van elke inhoud kunnen worden ontdaan. B.28. De ordonnantie van 17 maart 2022 voorziet niet in strafsancties voor de opzettelijke aantastingen van die infrastructuren, noch voor het opzettelijk beletten of belemmeren van die transmissie. B.29. Vóór de inwerkingtreding van de ordonnantie van 17 maart 2022 bepaalde artikel 27, tweede lid, van de wet van 10 maart 1925 « op de electriciteitsvoorziening » (hierna : de wet van 10 maart 1925) : « Zij die, bij gebrek aan voorzorg, zonder opzet machines of inrichtingen voor de voortbrengst, de omzetting, de bezorging en de benuttiging van electrische energie vernielen of beschadigen of die het vervoer daarvan op de wettelijk toegelaten lijnen en netten verhinderen of stremmen, worden gestraft met de bij artikel 563 van het Strafwetboek bepaalde straffen ». Die bepaling werd, wat het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betreft, opgeheven bij artikel 155 van de ordonnantie van 17 maart 2022. B.30.1. De ordonnantie van 17 maart 2022 heeft evenwel het eerste lid van artikel 27 van de wet van 10 maart 1925 behouden, dat bepaalt : « De bepalingen der artikelen 523, 524 en 525 van het Strafwetboek zijn onderscheidenlijk van toepassing op feiten van gedeeltelijke of geheele vernieling van machines of inrichtingen voor de voortbrengst, de omzetting, het vervoer, de bezorging en de benuttiging van electrische 21 energie en op feiten van verhindering van of opzettelijken aanslag op het vervoer van electrische energie op de wettelijk toegelaten lijnen en netten ». B.30.2. Artikel 523 van het Strafwetboek voorziet in een gevangenisstraf van vijftien dagen tot drie jaar en een geldboete van 50 euro tot 500 euro voor de persoon « die een machine vernielt, die aan een ander toebehoort en bestemd is voor voortbrenging, omzetting of verdeling van drijfkracht of voor het verbruik ervan voor andere dan louter huishoudelijke doeleinden ». Artikel 524 van het Strafwetboek werd opgeheven. In artikel 525 van hetzelfde Wetboek worden de verzwarende omstandigheden beschreven die tot een zwaardere straf kunnen leiden. Het eerste lid van die bepaling voorziet in een bestraffing met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar wanneer de feiten omschreven in artikel 523 « gepleegd worden in vereniging of in bende en met behulp van gewelddaden, feitelijkheden of bedreigingen ». Het tweede lid van die bepaling voorziet in een bestraffing met opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar en met een geldboete van 500 tot 5 000 euro voor « de hoofden en de aanstokers ». B.30.3. Wanneer de dader van het misdrijf een rechtspersoon is, moeten die straffen worden omgezet overeenkomstig artikel 41bis van het Strafwetboek, dat bepaalt : « De geldboeten toepasselijk op misdrijven gepleegd door rechtspersonen, zijn : in criminele en correctionele zaken : [...] - wanneer de wet op het feit vrijheidsstraf en geldboete stelt, of een van de straffen alleen : geldboete van minimum vijfhonderd euro vermenigvuldigd met het getal van de maanden van de minimumvrijheidsstraf, doch niet lager dan de minimumgeldboete op het feit gesteld; met als maximum tweeduizend euro vermenigvuldigd met het getal van de maanden van de maximumvrijheidsstraf, doch niet lager dan het dubbele van de maximumgeldboete op het feit gesteld; [...] ». B.30.4. Daaruit blijkt dat de minimum- en maximumstraffen die overeenkomstig artikel 523 van het Strafwetboek aan een rechtspersoon kunnen worden opgelegd, bij ontstentenis van verzwarende omstandigheden, respectievelijk 500 euro en 72 000 euro bedragen. In geval van verzwarende omstandigheden kan de straf bovendien oplopen tot 240 000 euro (artikel 525, eerste lid, van het Strafwetboek) of 360 000 euro (artikel 525, tweede lid, van het Strafwetboek). Die bedragen dienen nog te worden verhoogd met de 22 opdeciemen, overeenkomstig artikel 1 van de wet van 5 maart 1952 « betreffende de opdécimes op de strafrechtelijke geldboeten ». B.31. Daarnaast kunnen de aantastingen van de infrastructuren die niet door de artikelen 523 en 525 van het Strafwetboek worden bestraft, met name de opzettelijke aantastingen van de gasinfrastructuren, worden gekwalificeerd als beschadiging van andermans eigendom in de zin van artikel 534ter van hetzelfde Wetboek, dat erin voorziet dat de dader van het misdrijf wordt gestraft met een gevangenisstraf van een maand tot zes maanden en met een geldboete van 26 euro tot 200 euro of met een van die straffen alleen. Met toepassing van artikel 41bis van het Strafwetboek, bedragen de minimum- en maximumstraffen waarin voor de rechtspersonen is voorzien aldus respectievelijk 500 euro en 12 000 euro. Ook die bedragen dienen nog te worden verhoogd met de opdeciemen. B.32. Overigens is het niet uitgesloten dat een opzettelijke aantasting van energie-infrastructuren, naast een van de misdrijven bedoeld in de artikelen 523, 525 of 534ter van het Strafwetboek, ook nog een ander misdrijf vormt, zoals een terroristisch misdrijf in de zin van artikel 137 van het Strafwetboek. In dat geval wordt, overeenkomstig artikel 65 van het Strafwetboek, alleen de zwaarste straf uitgesproken. B.33. De kritiek van de verzoekende partijen komt in essentie erop neer dat de geldboete die op grond van de bestreden bepalingen kan worden opgelegd aan een rechtspersoon voor een aantasting van energie-infrastructuren die louter het gevolg is van een gebrek aan voorzorg, in bepaalde situaties hoger zou kunnen liggen dan de geldboete die aan diezelfde rechtspersoon kan worden opgelegd voor een opzettelijke aantasting van energie-infrastructuren. Dat is meer bepaald het geval wanneer de jaaromzet van de betrokken rechtspersoon meer dan het tienvoud bedraagt van de in B.30 en B.31 vermelde maximale geldboetes, verhoogd met de opdeciemen. De bestreden bepalingen voorzien immers, als de overtreder een rechtspersoon is, in een maximale straf van 10 % van de jaaromzet. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die situatie. 23 B.34. De beoordeling van de ernst van een misdrijf en van de strengheid waarmee het misdrijf kan worden bestraft, behoort tot de beoordelingsbevoegdheid van de bevoegde wetgever. Derhalve komt het de bevoegde wetgever toe de grenzen en de bedragen vast te leggen waarbinnen de beoordelingsbevoegdheid van de rechter moet worden uitgeoefend. Het Hof zou een dergelijk systeem slechts kunnen afkeuren indien het onredelijk zou zijn. Het Hof zou zich op het aan de wetgever voorbehouden domein begeven indien het bij de vraag naar de verantwoording van de verschillen in de talrijke wetteksten houdende sancties telkens een afweging zou maken op grond van een waardeoordeel over de laakbaarheid van de betrokken feiten ten opzichte van andere strafbaar gestelde feiten. Wat de strafmaat betreft, moet de beoordeling van het Hof beperkt blijven tot die gevallen waar de keuze van de wetgever dermate onsamenhangend is dat ze ertoe leidt vergelijkbare misdrijven onredelijk te behandelen. B.35.1. De parlementaire voorbereiding van de ordonnantie van 17 maart 2022 vermeldt : « In artikel 31 van de elektriciteitsordonnantie worden strafrechtelijke sancties opgenomen in geval van schade aan of vernieling van productie-, gewestelijke transmissie- en distributie-infrastructuur door gebrek aan voorzorg. Het is essentieel om de veiligheid van de stroomvoorziening te garanderen. Door hun aard kunnen deze installaties ongelukken veroorzaken als de voorzorgsmaatregelen niet in acht worden genomen bij werkzaamheden in hun omgeving. In het licht van recente voorbeelden dient het belang van het respecteren van de integriteit van energienetten opnieuw te worden bevestigd » (Parl. St., Brussels Hoofdstedelijk Parlement, 2021-2022, A-516/1, pp. 59-60). De parlementaire voorbereiding preciseert niet uitdrukkelijk de reden waarom de ordonnantiegever niet ook de opzettelijke aantastingen van energie-infrastructuren door rechtspersonen heeft bestraft met een maximumstraf die afhankelijk is van het omzetcijfer. Het Hof zou evenwel niet tot de schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie kunnen besluiten om de enkele reden dat uit de parlementaire voorbereiding niet de redelijke verantwoording van een verschil in behandeling blijkt. De vaststelling dat een dergelijke verantwoording niet in de parlementaire voorbereiding is vermeld, sluit niet uit dat aan een maatregel een legitieme doelstelling ten grondslag ligt die het eruit voortvloeiende verschil in behandeling in redelijkheid kan verantwoorden. 24 Blijkens de memorie van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering zijn de bestreden bepalingen ingegeven door de vaststelling dat aannemers die werkzaamheden uitvoeren op het grondgebied van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest geregeld nalaten zich vooraf te informeren over de eventuele aanwezigheid van energie-infrastructuren, waardoor er vaak onopzettelijke beschadigingen door gebrek aan voorzorg worden aangericht aan zulke infrastructuren. De Brusselse distributienetbeheerder, die werd geconfronteerd met hoge herstellingskosten, heeft daarom uitdrukkelijk verzocht om bijkomende maatregelen teneinde aannemers aan te manen tot meer voorzichtigheid. B.35.2. Er kan de ordonnantiegever niet worden verweten dat hij, wanneer hij zoals te dezen in het kader van zijn bevoegdheden inzake energiebeleid voorziet in een specifieke strafbaarstelling, de draagwijdte van die strafbaarstelling beperkt tot hetgeen noodzakelijk is om aan de voormelde problematiek tegemoet te komen en de betrokkenen ertoe aan te zetten de nodige voorzorgsmaatregelen te nemen. Het is bijgevolg niet onredelijk dat de bestreden bepalingen uitsluitend de situaties regelen waarin het aantasten van de energie-infrastructuren, dan wel het beletten of belemmeren van de transmissie van energie heeft plaatsgevonden door een gebrek aan voorzorg. De verzoekende partijen voeren aan dat het opzettelijk aantasten van elektriciteits- en gasinfrastructuren en het opzettelijk beletten of belemmeren van de transmissie van elektriciteit en gas, in bepaalde gevallen minder streng zouden kunnen worden bestraft dan het onopzettelijk plegen van zulke daden. Die vaststelling leidt evenwel niet tot de conclusie dat de bestreden bepalingen in strijd zijn met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Het staat aan de ordonnantiegever om, wanneer hij een plaag wil bestrijden die andere preventieve maatregelen tot nog toe onvoldoende hebben kunnen indijken, te dezen het grote aantal gevallen waarin door een gebrek aan voorzorg energie-infrastructuren worden beschadigd bij aannemingswerken, te beslissen of sommige vormen van delinquentie strenger moeten worden bestraft. Door te voorzien in een maximumstraf die proportioneel is met de jaaromzet, maken de bestreden bepalingen het mogelijk om zowel kleine als grote rechtspersonen ertoe aan te zetten op structurele wijze de nodige voorzorgsmaatregelen te nemen wanneer zij werkzaamheden uitvoeren met een risico op beschadiging van energie-infrastructuren. Het omzetcijfer geeft immers een indicatie van de omvang van een onderneming. Gelet op de specifieke finaliteit van 25 de bestreden strafbaarstellingen en op het feit dat opzettelijke aantastingen van energie-infrastructuren onderworpen blijven aan de strafbepalingen vermeld in B.30.1, is de door de ordonnantiegever gemaakte keuze niet dermate onsamenhangend dat het Hof die keuze zou kunnen afkeuren. B.35.3. De bestreden bepalingen hebben ten slotte geen onevenredige gevolgen voor de ondernemingen-rechtspersonen. Die bepalingen voorzien immers in een bestraffing « met een gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en een boete van 500 tot 5 000 euro of, als de overtreder een rechtspersoon is, van maximaal tien percent van zijn jaaromzet of met één van deze straffen ». Aldus laten de bestreden bepalingen toe om een sanctie te kiezen binnen ruime marges van straffen, waarbij de minimale straf, ten aanzien van zowel natuurlijke als rechtspersonen, bestaat in een geldboete van 500 euro. De verzoekende partijen betogen weliswaar dat zij krachtens de bestreden bepaling een geldboete van « meerdere miljoenen euro » riskeren, maar gelet op de proportionele aard ervan kan een dergelijke geldboete slechts worden opgelegd aan een onderneming die een jaaromzet van meerdere tientallen miljoenen euro realiseert. De rechter beschikt bijgevolg over een strafvork die hem toelaat een straf op maat vast te stellen in het licht van de relevante elementen van de zaak. Daarenboven blijkt een maximale geldboete van 10 % van de jaaromzet niet dermate hoog te zijn dat zij noodzakelijkerwijs het voortbestaan van de onderneming in het gedrang zou brengen. Voorts dient, zoals is vermeld in B.26.2, in elk geval het bestaan van een gebrek aan voorzorg te worden aangetoond opdat de voormelde straffen kunnen worden opgelegd. Een onopzettelijke aantasting van energie-infrastructuren waarbij de betrokken onderneming kan bewijzen dat zij de nodige voorzorgsmaatregelen had genomen, kan bijgevolg geen aanleiding geven tot een strafbaarstelling overeenkomstig de bestreden bepalingen. B.36. Ten derde voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen een verschil in behandeling in het leven roepen onder ondernemingen, naargelang de omvang van hun jaaromzet (vijfde onderdeel van het derde middel). B.37. Zoals is vermeld in B.34.2, maken de bestreden bepalingen, door te voorzien in een maximumstraf die proportioneel is met de jaaromzet, het mogelijk om zowel kleine als grote rechtspersonen ertoe aan te zetten op structurele wijze de nodige voorzorgsmaatregelen te 26 nemen wanneer zij werkzaamheden uitvoeren met een risico op beschadiging van energie-infrastructuren. Het in B.36 vermelde verschil in behandeling is bijgevolg redelijk verantwoord. B.38. Ten vierde voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen een verschil in behandeling in het leven roepen tussen natuurlijke personen en rechtspersonen (tweede onderdeel van het derde middel). De mogelijkheid om een maximumstraf op te leggen die bestaat in een geldboete van 10 % van de jaaromzet geldt immers uitsluitend ten aanzien van rechtspersonen. B.39. Een rechtspersoon beschikt, in tegenstelling tot een natuurlijke persoon, over een afgescheiden vermogen. Daarnaast is het bestuursorgaan van een vennootschap met rechtspersoonlijkheid in beginsel verplicht elk jaar een jaarrekening op te maken, waaruit ook de omzet van de onderneming blijkt, zoals is vermeld in B.19.2. Natuurlijke personen zijn niet onderworpen aan een dergelijke verplichting. Daarbij dient eveneens rekening ermee te worden gehouden dat er ten aanzien van natuurlijke personen steeds, ongeacht de omvang van hun onderneming, een reële dreiging uitgaat van de bij de bestreden bepalingen vastgestelde gevangenisstraffen. Aldus worden natuurlijke personen hoe dan ook ertoe aangezet op structurele wijze de nodige voorzorgsmaatregelen te nemen om schade aan energie-infrastructuren te voorkomen. Ten aanzien van rechtspersonen zou de toepassing van het conversiemechanisme van artikel 41bis van het Strafwetboek op de bij de bestreden bepalingen vastgestelde gevangenisstraffen evenwel aanleiding geven tot een maximale geldboete van 12 000 euro. Er kan worden aangenomen dat de dreiging van een dergelijke geldboete, wat sommige grote ondernemingen betreft, niet volstaat om de betrokken rechtspersoon effectief op structurele wijze ertoe aan te zetten de nodige voorzorgsmaatregelen te nemen. Gelet op de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover de ordonnantiegever te dezen beschikt, kunnen die omstandigheden verantwoorden dat de bestreden bepalingen enkel ten aanzien van rechtspersonen voorzien in straffen waarvan het maximum afhankelijk is van de jaaromzet. 27 B.40. De verzoekende partijen voeren in het derde middel eveneens aan dat de bestreden bepalingen op onevenredige wijze afbreuk doen aan de vrijheid van ondernemen (eerste onderdeel van het derde middel). B.41.1. De vrijheid van ondernemen, bedoeld in artikel II.3 van het Wetboek van economisch recht, moet worden uitgeoefend « met inachtneming van de in België van kracht zijnde internationale verdragen, van het algemeen normatief kader van de economische unie en de monetaire eenheid zoals vastgesteld door of krachtens de internationale verdragen en de wet » (artikel II.4 van hetzelfde Wetboek). De vrijheid van ondernemen dient derhalve in samenhang te worden gelezen met de toepasselijke bepalingen van het Unierecht, alsook met artikel 6, § 1, VI, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, waaraan het Hof rechtstreeks vermag te toetsen daar het een bevoegdheidverdelende regel betreft. Ten slotte wordt de vrijheid van ondernemen eveneens gewaarborgd door artikel 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Het Hof is derhalve bevoegd om de bestreden bepalingen te toetsen aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de vrijheid van ondernemen. B.41.2. De vrijheid van ondernemen kan niet als een absolute vrijheid worden opgevat. Zij belet niet dat de bevoegde wetgever de economische bedrijvigheid van personen en ondernemingen regelt. Deze zou pas onredelijk optreden indien hij de vrijheid van ondernemen zou beperken zonder dat daartoe enige noodzaak bestaat of indien die beperking onevenredig zou zijn met het nagestreefde doel. B.42. Uit hetgeen is vermeld in B.34 tot B.37, volgt eveneens dat de bestreden bepalingen niet op onevenredige wijze afbreuk doen aan de vrijheid van ondernemen. B.43. Het derde middel is niet gegrond. 28 Om die redenen, het Hof, onder voorbehoud van de in B.7 vermelde interpretatie, verwerpt het beroep. Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 21 december 2023. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut P. Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.176 Gerelateerde publicatie(
  5. s)citeert: ECLI:BE:GHCC:2012:ARR.138 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.