id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 11 januari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.005 Arrest- Rolnummer: 5/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-01-22 Raadplegingen: 446 - laatst gezien 2026-06-14 19:37 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Schorsing (artikel 123, § 1, 24° tot 28°, van het decreet van het Waalse Gewest van 9 maart 2023) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de vordering tot gedeeltelijke schorsing van het decreet van het Waalse Gewest van 9 maart 2023 « betreffende de afvalstoffen, het circulair gebruik van de materialen en de openbare netheid », ingesteld door de vzw « Recupel » en anderen. Leefmilieu - Waals Gewest - Afvalpreventie en -valorisatie - Uitgebreide aansprakelijkheidsregeling voor producenten - Begrip producent Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 5/2024 van 11 januari 2024 Rolnummer : 8086 In zake : de vordering tot gedeeltelijke schorsing van het decreet van het Waalse Gewest van 9 maart 2023 « betreffende de afvalstoffen, het circulair gebruik van de materialen en de openbare netheid », ingesteld door de vzw « Recupel » en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters S. de Bethune, E. Bribosia, W. Verrijdt, K. Jadin en M. Plovie, bijgestaan door de griffier N. Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de vordering en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 5 oktober 2023 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 10 oktober 2023, is een vordering tot gedeeltelijke schorsing ingesteld van het decreet van het Waalse Gewest van 9 maart 2023 « betreffende de afvalstoffen, het circulair gebruik van de materialen en de openbare netheid » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 31 juli 2023; erratum in het Belgisch Staatsblad van 25 oktober 2023) door de vzw « Recupel », de vzw « Bebat », de vzw « Recytyre », de vzw « Techlink », de vzw « Agoria », de vzw « Traxio », de vzw « Belgische beroepsgroepering van invoerders en fabrieksagenten van gereedschap », de vzw « Belgische Federatie van de Toeleveranciers van Machines, Gebouwen en Uitrustingen en aanverwante diensten voor de Landbouw en voor de Groenvoorzieningen » en de nv « Sortbat », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. D. Lagasse, advocaat bij de balie te Brussel. Bij hetzelfde verzoekschrift vorderen de verzoekende partijen eveneens de gedeeltelijke vernietiging van hetzelfde decreet. Bij beschikking van 18 oktober 2023 heeft het Hof de terechtzitting voor de debatten over de vordering tot schorsing bepaald op 22 november 2023, na de in artikel 76, § 4, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof bedoelde overheden te hebben uitgenodigd hun eventuele schriftelijke opmerkingen, in de vorm van een memorie, uiterlijk op 2 16 november 2023 in te dienen en een afschrift ervan binnen dezelfde termijn aan de verzoekende partijen over te zenden, alsook aan de griffie van het Hof via mail op het adres « griffie@const-court.be ». Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door : - de nv « Signify Belgium », de nv « TP Vision Belgium », de nv « BSH Home Appliances », de nv « Miele » en de bv « Bebat PRO », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. D. Lagasse (tussenkomende partijen); - de Waalse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J.-F. Cartuyvels, advocaat bij de balie van Luxemburg. Op de openbare terechtzitting van 22 november 2023 : - zijn verschenen : . Mr. D. Lagasse en Mr. S. Perin, advocaat bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen en de tussenkomende partijen; . Mr. J.-F. Cartuyvels, voor de Waalse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers M. Plovie en W. Verrijdt verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de vordering tot schorsing en van de tussenkomst A.1.1. De eerste drie verzoekende partijen zijn vzw’s die, voor rekening van de producenten die bij hen zijn aangesloten, instaan voor de uitvoering van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid inzake het beheer van afvalstoffen. Zij zetten uiteen dat zij actief zijn op het gehele Belgische grondgebied. De vierde tot en met de achtste verzoekende partij zijn vzw’s die de collectieve belangen verdedigen van de producenten die een uitgebreide verantwoordelijkheid inzake het beheer van afvalstoffen dragen. De negende verzoekende partij is een naamloze vennootschap die door de tweede verzoekende partij werd opgericht voor het beheer van een fabriek waar bepaalde afvalstoffen worden gesorteerd. A.1.2. De eerste vier tussenkomende partijen zijn naamloze vennootschappen, die producenten zijn van elektrische en elektronische apparatuur (EEA), onderworpen aan de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid inzake afvalstoffen. Zij hebben, door middel van het storten van bijdragen, de uitvoering van hun verplichtingen toevertrouwd aan de eerste verzoekende partij. De vijfde tussenkomende partij is een besloten vennootschap, dochteronderneming van de tweede verzoekende partij, via welke die laatste operationele activiteiten verricht. 3 Ten aanzien van de vordering tot schorsing op grond van artikel 20, 2°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof A.2.1.1. In hoofdorde vorderen de verzoekende partijen de schorsing van artikel 123, § 1, 24° tot 28°, van het decreet van het Waalse Gewest van 9 maart 2023 « betreffende de afvalstoffen, het circulair gebruik van de materialen en de openbare netheid » (hierna : het decreet van 9 maart 2023) met toepassing van artikel 20, 2°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof (hierna : de bijzondere wet van 6 januari 1989). Zij brengen in herinnering dat het Hof, bij zijn arrest nr. 37/2018 van 22 maart 2018 (ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.037), artikel 79 van het decreet van het Waalse Gewest van 23 juni 2016 « houdende wijziging van het Milieuwetboek, van het Waterwetboek en van verscheidene decreten inzake afvalstoffen en milieuvergunning » (hierna : het decreet van 23 juni 2016) heeft vernietigd, in zoverre het in het decreet van het Waalse Gewest van 27 juni 1996 « betreffende de afvalstoffen » (hierna : het decreet van 27 juni 1996) een artikel 8bis, § 1, eerste lid, invoegde dat verwees naar de in artikel 2, 20°bis, van het decreet van 27 juni 1996 gegeven definitie van het begrip « producent ». Zij zetten uiteen dat het Hof die bepaling heeft vernietigd omdat die laatste het de Waalse Regering mogelijk maakte regelingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid in te voeren zonder vooraf een samenwerkingsakkoord met de andere gewesten met betrekking tot de definitie van het begrip « producent » te hebben gesloten, terwijl de markt van de producten van gewestgrensoverschrijdende aard is, hetgeen inhoudt dat de criteria die de territoriale bevoegdheid van elk gewest afbakenen, onderling coherent moeten zijn. Zij voegen eraan toe dat het Hof, bij zijn arrest nr. 163/2020 van 17 december 2020 (ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.163), artikel 76, 1°, van het programmadecreet van het Waalse Gewest van 17 juli 2018 « houdende verschillende maatregelen inzake tewerkstelling, vorming, economie, industrie, onderzoek, innovatie, digitale technologieën, leefmilieu, ecologische overgang, ruimtelijke ordening, openbare werken, mobiliteit en vervoer, energie, klimaat, luchthavenbeleid, toerisme, landbouw, natuur, bossen, plaatselijke besturen en huisvesting » heeft vernietigd om reden dat de Waalse decreetgever het begrip « aan de uitgebreide verantwoordelijkheid onderworpen producent » had gedefinieerd zonder vooraf overleg te plegen met de twee andere gewesten. De verzoekende partijen doen gelden dat, hoewel het bestreden artikel noch identiek is aan artikel 79 van het decreet van 23 juni 2016, noch aan artikel 2, 20°bis, van het decreet van 27 juni 1996, het een definitie van het begrip « aan de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid onderworpen producent » aanneemt zonder dat een samenwerkingsakkoord met de andere gewesten werd gesloten. Zij leiden daaruit af dat dat artikel gelijkaardig is aan artikel 8bis, § 1, eerste lid, ingevoegd in het decreet van 27 juni 1996 bij artikel 79 van het decreet van 23 juni 2016, en dat het door dezelfde ongrondwettigheid is aangetast. Zij zijn immers van mening dat in beide gevallen niet de bewoordingen van de definitie van het begrip « producent » problematisch zijn, maar de omstandigheid dat de decreetgever die definitie heeft aangenomen zonder dat vooraf een samenwerkingsakkoord met de twee andere gewesten werd gesloten. Zij leiden daaruit af dat de decreetgever het gezag van gewijsde van de voormelde arresten van het Hof nrs. 37/2018 en 163/2020 heeft geschonden. Zij geven aan dat de schorsing van artikel 123, § 1, 24° tot 28°, van het decreet van 9 maart 2023 door het Hof, het mogelijk zou maken om de volledige titel 2 van dat decreet niet-toepasselijk te maken. A.2.1.2. De tussenkomende partijen ondersteunen die vordering tot schorsing. A.2.2. De Waalse Regering betwist niet dat het Hof, bij de voormelde arresten nrs. 37/2018 en 163/2020, reeds bepalingen heeft vernietigd die gelijkaardig zijn aan die waarvan de schorsing wordt gevorderd. Zij erkent dat het Hof in die twee arresten heeft geoordeeld dat de decreetgever geen regeling inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid kon aannemen zonder vooraf een intergewestelijk samenwerkingsakkoord te hebben gesloten waarin het begrip « producent » wordt gedefinieerd, en zij verwijst ook naar het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State over de bestreden bepalingen, waarin wordt herinnerd aan de verplichting voor het Gewest om de definitie van het begrip « aan de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid onderworpen producent » te bepalen in overleg met de wetgevers van de andere gewesten. A.2.3. De Waalse Regering doet gelden dat, op het ogenblik van het aannemen van het decreet van 9 maart 2023, met de twee andere gewesten werd onderhandeld over een samenwerkingsakkoord met betrekking tot de definitie van het begrip « aan de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid onderworpen producent ». Zij geeft aan dat zij op 20 juli 2023 het ontwerp van intergewestelijk samenwerkingsakkoord « over de uitgebreide 4 producentenverantwoordelijkheid voor bepaalde afvalstromen en voor zwerfvuil » in tweede lezing heeft goedgekeurd en dat die tekst voor advies is overgezonden aan de afdeling wetgeving van de Raad van State. Zij geeft aan dat het advies wordt verwacht tegen 21 november 2023. A.2.4. De Waalse Regering betwist de op haar rustende verplichting om de definitie van het begrip « producent » in overleg met de wetgevers van de twee andere gewesten aan te nemen niet. Zij zet uiteen dat de definities van de bestreden bepalingen identiek zijn aan die welke zijn opgenomen in het voormelde ontwerp van samenwerkingsakkoord. Zij doet gelden dat het aannemen van het decreet van 9 maart 2023 en de onderhandelingen over het ontwerp van samenwerkingsakkoord parallel hebben plaatsgevonden en merkt op dat de gewestwetgevers maar over een beperkte bewegingsvrijheid beschikken, aangezien de betrokken definities in ruime mate worden bepaald door het Europese recht. In dat verband voert zij aan dat de bestreden definities onmiskenbaar in overeenstemming zijn met het Europese recht. A.2.5. De Waalse Regering, die erkent dat het decreet van 9 maart 2023 vooruitloopt op het sluiten van het voormelde samenwerkingsakkoord, gedraagt zich naar de wijsheid van het Hof wat de toepassing van artikel 20, 2°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 betreft. Zij doet evenwel gelden dat, gelet op de beperkte bewegingsvrijheid waarover de deelentiteiten beschikken om de Europese definities om te zetten in het interne recht, het decreet van 9 maart 2023, door vooruit te lopen op het sluiten van het samenwerkingsakkoord teneinde zich onmiddellijk te voegen naar het Europees recht, slechts een beperkte schending van het beginsel van de federale loyauteit zou uitmaken en enkel in het geval waarin dat akkoord andere definities zou bevatten dan die welke in de bestreden bepalingen voorkomen. -B- Ten aanzien van de vordering tot schorsing B.1.1. In hoofdorde vorderen de verzoekende partijen de schorsing van artikel 123, § 1, 24° tot 28°, van het decreet van het Waalse Gewest van 9 maart 2023 « betreffende de afvalstoffen, het circulair gebruik van de materialen en de openbare netheid » (hierna : het decreet van 9 maart 2023). Die vordering tot schorsing steunt op artikel 20, 2°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof (hierna : de bijzondere wet van 6 januari 1989). In ondergeschikte orde vorderen de verzoekende partijen de schorsing van de artikelen 123, § 1, 24° tot 28°, 127, § 1, 128, § 2, 129, § 1, 132, § 1, 137, § 1, 138, § 1, 6° en 7°, 140, 159, 2°, 160, 1° en 9°, 204, 39°, 269 en 271, § 1, van het decreet van 9 maart 2023. Die vordering tot schorsing steunt op artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989. B.1.2. De verzoekende partijen voeren aan dat de schorsing van artikel 123, § 1, 24° tot 28°, van het decreet van 9 maart 2023, die zij in hoofdorde vorderen, het mogelijk zou maken om de volledige titel 2 van dat decreet niet-toepasselijk te maken. De Waalse Regering betwist die veronderstelling niet. 5 Ten aanzien van titel 2 van het decreet van 9 maart 2023 B.2.1. Bij het decreet van 9 maart 2023 wordt het decreet van het Waalse Gewest van 27 juni 1996 « betreffende de afvalstoffen » (hierna : het decreet van 27 juni 1996) opgeheven en vervangen, teneinde de wetgeving van het Waalse Gewest met betrekking tot het afvalstoffenrecht te moderniseren en de talrijke Europeesrechtelijke bepalingen die in die materie zijn aangenomen, op te nemen in de Waalse decreetgeving (Parl. St., Waals Parlement, 2022-2023, nr. 1180/1, p. 4). Titel 2 van het decreet van 9 maart 2023 hervormt het systeem van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, dat zijn oorsprong vindt in de richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 « betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen », gewijzigd bij de richtlijn (EU) 2018/851 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 « tot wijziging van Richtlijn 2008/98/EG betreffende afvalstoffen ». B.2.2. De regeling van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid bestaat uit een « geheel van maatregelen om ervoor te zorgen dat de producenten van producten financiële of financiële en organisatorische verantwoordelijkheid nemen voor het beheer van de afvalfase van de levenscyclus van een product » (artikel 123, § 1, 1°, van het decreet van 9 maart 2023). Die regeling is van toepassing ten aanzien van de in artikel 121, § 2, van het decreet van 9 maart 2023 opgesomde afvalstoffen, waaronder afval van elektrische en elektronische apparatuur (EEA), afval van batterijen en accu’s en afgedankte voertuigen. Die regeling houdt een aantal verplichtingen in voor de beoogde producenten van producten. Overeenkomstig artikel 127, § 2, van het decreet van 9 maart 2023 kan de producent hetzij zelf aan zijn verplichtingen voldoen, door middel van een individueel strategisch plan, hetzij zijn verplichtingen laten uitvoeren via « een organisatie die overeenkomstig hoofdstuk 2, afdeling 5, en hoofdstuk 5 van [titel 2] en de uitvoeringsbepalingen daarvan door de administratie of door de Regering in administratief beroep is erkend in het kader van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voor producten en waarbij hij zich heeft aangesloten, in welk geval hij wordt geacht aan zijn verplichtingen te hebben voldaan zodra en zolang hij aantoont dat hij rechtstreeks of via een tot vertegenwoordiging bevoegde persoon met deze erkende organisatie een overeenkomst heeft gesloten ». 6 Ten aanzien van de vordering tot schorsing in hoofdorde Wat betreft de bestreden bepaling B.3. De vordering tot schorsing in hoofdorde heeft betrekking op artikel 123, § 1, 24° tot 28°, van het decreet van 9 maart 2023. Artikel 123 bevat de definities die specifiek zijn voor titel 2 van het decreet. Het 24° tot 28° van paragraaf 1 van dat artikel definiëren : « 24° ‘ producent van producten ’ : elke persoon bedoeld in 25°, 26°, 27° of 28° afhankelijk van de betrokken regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid; 25° ‘ EEA producent ’: elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die ongeacht de verkooptechniek, met inbegrip van communicatie op afstand overeenkomstig de bepalingen van artikel I.8, 15°, van het Wetboek van economisch recht : is gevestigd op het Belgisch grondgebied en onder zijn eigen naam of merk EEA vervaardigt, of EEA laat ontwerpen of vervaardigen die hij onder zijn naam of merk op het Belgisch grondgebied verhandelt; is gevestigd op het Belgisch grondgebied en op het Belgisch grondgebied onder zijn eigen naam of handelsmerk apparatuur wederverkoopt die door andere leveranciers is geproduceerd; hierbij wordt de wederverkoper niet als ‘ producent ’ aangemerkt wanneer het merkteken van de producent overeenkomstig punt
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.