← België

ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 18 januari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.006 Arrest- Rolnummer: 6/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-01-29 Raadplegingen: 946 - laatst gezien 2026-06-19 02:18 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Geen schending (artikel 235bis van het Wetboek van strafvordering, rekening houdend met hetgeen is vermeld in B.8.1 en B.8.2) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende artikel 235bis van het Wetboek van strafvordering, gesteld door de kamer van inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep te Brussel. Strafrechtspleging - Opsporingsonderzoek - Inbeslagneming - Controle van de regelmatigheid van de inbeslagneming Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 6/2024 van 18 januari 2024 Rolnummer : 7901 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 235bis van het Wetboek van strafvordering, gesteld door de kamer van inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters T. Giet, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, D. Pieters, S. de Bethune, E. Bribosia, W. Verrijdt, K. Jadin en M. Plovie, bijgestaan door de griffier N. Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 22 november 2022, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 14 december 2022, heeft de kamer van inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 235bis van het Wetboek van strafvordering, dat de kamer van inbeschuldigingstelling ermee belast om, op verzoek van een van de partijen, de regelmatigheid van de aan haar voorgelegde rechtspleging in de loop van het gerechtelijk onderzoek te controleren, de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en met artikel 1 van het Aanvullend Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in zoverre het een partij die het voorwerp uitmaakt van een opsporingsonderzoek niet toelaat te verzoeken om de controle van de regelmatigheid van dat opsporingsonderzoek en van de daarbij gestelde handelingen ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : 2 - M.-A. E., de vennootschap naar Frans recht « X », V.G., I.S. en de vennootschap naar Duits recht « Y », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Y.-B. Debie en Mr. S. Rixhon, advocaten bij de balie te Brussel; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Schaffner, advocaat bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 8 november 2023 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers K. Jadin en D. Pieters te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 21 maart 2022 verwerpt de procureur des Konings de vordering waarmee de appellanten voor het verwijzende rechtscollege op grond van artikel 28sexies van het Wetboek van strafvordering verzoeken om de opheffing van de inbeslagnemingen van verschillende goederen in januari

  1. Tegen die beslissing stellen zij hoger beroep in bij het verwijzende rechtscollege. Dat stelt vast dat de vijf aangevoerde middelen ertoe strekken de wettigheid van de inbeslagnemingen te betwisten en is van oordeel dat de appellanten dat rechtscollege derhalve verzoeken om over te gaan tot een « controle van de regelmatigheid van de rechtspleging in de zin van de artikelen 235 en 235bis van het Wetboek van strafvordering ». Het verwijzende rechtscollege merkt evenwel op dat die twee bepalingen van toepassing zijn in het kader van een gerechtelijk onderzoek, maar niet in het kader van een opsporingsonderzoek. Het besluit hieruit dat het, op grond van die twee bepalingen, geen uitspraak kan doen over de vijf aangevoerde middelen. Op verzoek van de appellanten stelt het verwijzende rechtscollege de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.1.
  2. De appellanten voor het verwijzende rechtscollege merken op dat de artikelen 28sexies en 235bis van het Wetboek van strafvordering werden ingevoerd bij de wet van 12 maart 1998 « tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek », dat tot doel had een daadwerkelijk beroep in alle stadia van het strafproces te verzekeren en de procedures uniform te maken. Zij benadrukken dat het Wetboek van strafvordering, sinds de inwerkingtreding van die wet, toelaat een beroep in te stellen tegen de inbeslagnemingen die zijn bevolen door de procureur des Konings of door de onderzoeksrechter, eerst voor de magistraat in kwestie en vervolgens voor de kamer van inbeschuldigingstelling (procedure van het « strafrechtelijk kort geding »). De vraag is, volgens hen, of de kamer van inbeschuldigingstelling, wanneer in het kader van een strafrechtelijk kort geding een zaak bij haar aanhangig wordt gemaakt, de regelmatigheid van de proceshandelingen kan onderzoeken. Nog volgens hen wordt het antwoord op die vraag gegeven door artikel 235bis van het Wetboek van strafvordering, dat de kamer van inbeschuldigingstelling toelaat de regelmatigheid van de rechtspleging te controleren, niet alleen bij de regeling van de rechtspleging (artikel 235bis, 3 § 1), maar ook « in de andere gevallen waarin ze kennis neemt van de zaak » (artikel 235bis, § 2). Zij wijzen erop dat, op basis van die laatste bepaling, de kamer van inbeschuldigingstelling bevoegd is om de regelmatigheid van de rechtspleging te onderzoeken wanneer bij haar een beroep wordt ingesteld tegen de weigering van een onderzoeksrechter om een inbeslagneming op te heffen. Zij voeren aan dat, daar dezelfde procedure van toepassing is op het beroep gericht tegen de weigering van de procureur des Konings om een inbeslagneming op te heffen, niets toelaat ervan uit te gaan dat artikel 235bis, § 2, van het Wetboek van strafvordering, dat een algemene draagwijdte heeft, in dat geval niet dezelfde bevoegdheid zou toekennen aan de kamer van inbeschuldigingstelling. Zij merken op dat zulks nochtans niet de interpretatie is die daaraan wordt gegeven in de arresten van het Hof van Cassatie die worden aangehaald in de verwijzingsbeslissing (Cass., 20 april 2010, P.09.1750.N, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100420.2; 21 maart 2006, P.05.1701.N, ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060321.5). Zij doen gelden dat de in het geding zijnde bepaling, in die interpretatie, ongrondwettig is. Zij wijzen erop dat de personen die de opheffing van een inbeslagneming vorderen in het kader van een gerechtelijk onderzoek en diegenen die deze vorderen in het kader van een opsporingsonderzoek, zich in vergelijkbare situaties bevinden. Zij zijn van mening dat er geen redelijke verantwoording bestaat voor het feit dat de kamer van inbeschuldigingstelling de regelmatigheid van de rechtspleging kan controleren tijdens een strafrechtelijk kort geding dat is ingesteld in het kader van een gerechtelijk onderzoek, maar zulks niet kan doen tijdens een strafrechtelijk kort geding dat is ingesteld in het kader van een opsporingsonderzoek. Zij voeren aan dat een daadwerkelijke controle, door de kamer van inbeschuldigingstelling, van de beslissingen waarbij de procureur des Konings de opheffing van een inbeslagneming weigert, vereist is om de volgende redenen :

(1)de dwangbevoegdheid van de procureur des Konings inzake inbeslagnemingen is identiek aan die van de onderzoeksrechter;
(2)de procureur des Konings is niet onderworpen aan een onpartijdigheidsplicht; hij vertoont slechts een relatieve onafhankelijkheid; hij is niet ertoe gehouden het opsporingsonderzoek à charge en à décharge te voeren; hij beslist discretionair om al dan niet het openen van een gerechtelijk onderzoek te vorderen, en hij kan, via het « mini-onderzoek » bedoeld in artikel 28septies van het Wetboek van strafvordering, de onderzoeksrechter erom verzoeken dat onderzoekshandelingen worden verricht waarvoor alleen die rechter bevoegd is, zonder dat een gerechtelijk onderzoek wordt geopend;
(3)het bestaan van het strafrechtelijk kort geding sluit de bevoegdheid van de gewone kortgedingrechter uit om de wettigheid van de inbeslagneming te controleren;
(4)tegen de arresten die de kamer van inbeschuldigingstelling ter zake wijst, kan geen onmiddellijk cassatieberoep worden ingesteld. Zij voegen eraan toe dat, indien een onregelmatigheid wordt begaan in het kader van een opsporingsonderzoek, het niet redelijk verantwoord is dat de onwettige handeling gehandhaafd blijft, terwijl die afbreuk doet aan het recht op het ongestoord genot van eigendom en dezelfde onregelmatigheid zou leiden tot de opheffing van de inbeslagneming in het stadium van het gerechtelijk onderzoek. Volgens hen zou de uitoefening van een wettigheidscontrole door de kamer van inbeschuldigingstelling geen afbreuk doen aan het beginsel van de onafhankelijkheid van het openbaar ministerie. Ten slotte verwijzen zij, ter ondersteuning van hun standpunt, naar het arrest van het Hof nr. 6/2017 van 25 januari 2017 (ECLI:BE:GHCC:2017:ARR.006). Zij besluiten dat, in de interpretatie van het verwijzende rechtscollege, artikel 235bis van het Wetboek van strafvordering niet bestaanbaar is met de in de prejudiciële vraag beoogde referentienormen. A.1.
  1. De appellanten voor het verwijzende rechtscollege voeren aan dat artikel 235bis van het Wetboek van strafvordering ook anders kan worden geïnterpreteerd : die bepaling kan zo worden geïnterpreteerd dat zij de kamer van inbeschuldigingstelling toelaat de regelmatigheid van de rechtspleging te onderzoeken wanneer bij haar een beroep wordt ingesteld op grond van artikel 28sexies van het Wetboek van strafvordering. In die interpretatie is de in het geding zijnde bepaling grondwettig. Vervolgens, als antwoord op de stelling van de Ministerraad volgens welke artikel 28sexies van het Wetboek van strafvordering de kamer van inbeschuldigingstelling toelaat de wettigheid en opportuniteit van de beslissing tot inbeslagneming vanwege de procureur des Konings te controleren, voeren zij aan dat, opdat een dergelijke controle volledig en daadwerkelijk is, de kamer van inbeschuldigingstelling eveneens de wettigheid moet kunnen controleren van de opsporingshandelingen waarop de inbeslagneming gegrond is. A.2.
  2. De Ministerraad voert aan dat de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Allereerst wijst hij erop dat de personen die het voorwerp uitmaken van een opsporingsonderzoek en diegenen die het voorwerp uitmaken van een gerechtelijk onderzoek twee vergelijkbare categorieën van personen zijn. Hij doet gelden dat het verschil in behandeling tussen die twee categorieën van personen ten aanzien van de controle van de regelmatigheid van de rechtspleging door de kamer van inbeschuldigingstelling evenwel wordt getemperd door de volgende drie elementen. Ten eerste hebben personen die betrokken zijn bij een opsporingsonderzoek niet hetzelfde beschermingsniveau, noch dezelfde waarborgen nodig als diegenen die het voorwerp uitmaken van een gerechtelijk onderzoek, aangezien, buiten de inbeslagneming, de opsporingshandelingen geen enkele dwangmaatregel mogen inhouden, noch afbreuk mogen doen aan de 4 individuele vrijheden en rechten (artikel 28bis, § 3, van het Wetboek van strafvordering). Ten tweede kan in het kader van een strafrechtelijk kort geding de opheffing van een inbeslagneming worden gevorderd en dit zowel in het kader van een opsporingsonderzoek (artikel 28sexies van het Wetboek van strafvordering) als in het kader van een gerechtelijk onderzoek (artikel 61quater van het Wetboek van strafvordering), met dien verstande dat, in beide gevallen, de kamer van inbeschuldigingstelling zowel het opportune karakter van de inbeslagneming als de wettigheid ervan in het licht van de artikelen 35 en 35ter van het Wetboek van strafvordering vermag te controleren. Volgens de Ministerraad bestaat het enige verschil erin dat uitsluitend in het kader van een gerechtelijk onderzoek de kamer van inbeschuldigingstelling eveneens, op grond van de artikelen 136, 235 en 235bis van het Wetboek van strafvordering, een incidentele controle van de regelmatigheid van het geheel van het gerechtelijk onderzoek en van de daarbij verrichte handelingen (zoals de huiszoeking of de fouillering die voorafgingen aan de inbeslagneming) kan uitvoeren. Ten derde laat artikel 28decies van het Wetboek van strafvordering, dat is aangenomen naar aanleiding van het arrest van het Hof nr. 15/2022 van 3 februari 2022 (ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.015) de kamer van inbeschuldigingstelling voortaan toe de duur van het opsporingsonderzoek te controleren, controle die analoog is aan die van de duur van het onderzoek zoals bepaald in artikel 136 van hetzelfde Wetboek. Hij merkt op dat de wetgever evenwel heeft beslist de artikelen 235 en 235bis van het Wetboek van strafvordering niet van toepassing te maken op het opsporingsonderzoek, daar die bepalingen niet relevant zijn voor het opsporingsonderzoek, noch daaraan aangepast zijn. Vervolgens benadrukt de Ministerraad, met verwijzing naar de rechtspraak van het Hof, dat het in het geding zijnde verschil in behandeling berust op een objectief criterium, namelijk het stadium waarin de strafprocedure zich bevindt in de voorbereidende fase ervan, in het opsporingsonderzoek of in het gerechtelijk onderzoek. Hij voert aan dat dat verschil in behandeling redelijk verantwoord is. Enerzijds zou het niet verenigbaar zijn met het beginsel van de onafhankelijkheid van het openbaar ministerie in het kader van zijn opdrachten van opsporing en vervolging van misdrijven – beginsel dat verankerd is in artikel 151, § 1, eerste lid, tweede zin, van de Grondwet – de kamer van inbeschuldigingstelling toe te laten een controle uit te voeren die betrekking zou hebben op de wijze waarop de procureur des Konings de vervolgingen uitoefent en die verder zou gaan dan de controles bepaald in de artikelen 28sexies en 28decies van het Wetboek van strafvordering. Anderzijds merkt hij op dat, zoals de wetgever heeft opgemerkt bij de invoeging van dat artikel 28decies, artikel 235bis van het Wetboek van strafvordering niet is aangepast aan het opsporingsonderzoek. Volgens de Ministerraad heeft het in het geding zijnde verschil in behandeling geen onevenredige gevolgen, nu het wordt getemperd door de drie voormelde elementen en het openbaar ministerie opdrachten van openbare dienst in het belang van de maatschappij verricht. In tegenstelling tot wat de appellanten voor het verwijzende rechtscollege beweren, kan artikel 235bis van het Wetboek van strafvordering volgens de Ministerraad niet zo worden geïnterpreteerd dat het de kamer van inbeschuldigingstelling toelaat de regelmatigheid van het opsporingsonderzoek te controleren wanneer bij haar een zaak aanhangig wordt gemaakt op grond van artikel 28sexies van het Wetboek van strafvordering. Enerzijds is de saisine van het Hof beperkt tot de interpretatie die het verwijzende rechtscollege heeft gekozen. Anderzijds kan de door de appellanten voor het verwijzende rechtscollege naar voren gebrachte interpretatie geen enkele steun vinden in de tekst van artikel 235bis van het Wetboek van strafvordering, noch in de rechtspraak van het Hof van Cassatie, in de parlementaire voorbereiding of in de rechtsleer. Ten slotte is de Ministerraad van mening dat een dergelijke interpretatie niet verenigbaar is met het beginsel van de onafhankelijkheid van het openbaar ministerie. A.2.
  3. Ten aanzien van de verenigbaarheid van de in het geding zijnde bepaling met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, voert de Ministerraad aan dat het Hof niet bevoegd is om rechtstreeks toe te zien op de naleving van die verdragsbepalingen. Volgens de Ministerraad moet de naleving van de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens afzonderlijk genomen niet worden onderzocht, indien de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet zijn geschonden. Bovendien merkt hij op dat de verwijzingsbeslissing niet uiteenzet in welk opzicht die twee verdragsbepalingen geschonden zouden kunnen zijn. Hij voert aan dat, in elk geval, de in het geding zijnde bepaling geen afbreuk doet aan de essentie van het recht op toegang tot de rechter. Hij voegt eraan toe dat, aangezien artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens niet is geschonden, artikel 13 van hetzelfde Verdrag evenmin is geschonden. Ten slotte benadrukt hij dat de artikelen 28sexies en 28decies van het Wetboek van strafvordering snelle en doeltreffende jurisdictionele beroepen waarborgen. A.2.
  4. Ten aanzien van de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepaling met artikel 16 van de Grondwet en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, merkt de Ministerraad op dat de wetgever over een ruime beoordelingsmarge beschikt in het kader van de belangenafweging van de vereisten van algemeen belang met de bescherming van het recht op het ongestoord genot van de eigendom. Hij merkt op dat de verwijzingsbeslissing niet uiteenzet in welk opzicht de in het geding zijnde bepaling zou leiden tot een onevenredige inmenging in het eigendomsrecht, temeer daar de bepalingen van 5 het Wetboek van strafvordering betreffende de strafrechtelijke inbeslagneming niet het voorwerp uitmaken van de prejudiciële vraag. Ten slotte is de inmenging volgens de Ministerraad in elk geval niet onevenredig, daar
(1)de strafrechtelijke inbeslagneming een bewarende maatregel is, die het voorwerp kan uitmaken van een controle op korte termijn op grond van artikel 28sexies van het Wetboek van strafvordering,
(2)de controle verricht op grond van artikel 28decies van hetzelfde Wetboek indirect toelaat de duur van de inbeslagneming te verminderen en
(3)de door het openbaar ministerie uitgevoerde opdrachten van openbare dienst verantwoorden dat het, ten bewarenden titel, voorwerpen in beslag kan nemen die het resultaat lijken te zijn van het misdrijf, die lijken te hebben gediend om dat misdrijf te plegen of die kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen. -B- B.1.
  1. De voorbereidende fase van het strafproces kan de vorm aannemen van ofwel een opsporingsonderzoek, ofwel een gerechtelijk onderzoek. Het opsporingsonderzoek is « het geheel van de handelingen die ertoe strekken de misdrijven, hun daders en de bewijzen ervan op te sporen en de gegevens te verzamelen die dienstig zijn voor de uitoefening van de strafvordering » (artikel 28bis, § 1, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering). Het wordt gevoerd onder de leiding en het gezag van de bevoegde procureur des Konings. Volgens artikel 28bis, § 3, eerste lid, van hetzelfde Wetboek mogen de opsporingshandelingen in beginsel geen enkele dwangmaatregel inhouden, noch een schending inhouden van individuele rechten en vrijheden, waarbij wordt gepreciseerd dat de inbeslagneming, op grond van die bepaling zelf, een van de uitzonderingen op dat beginsel vormt. De procureur des Konings heeft de verplichting te waken over de wettigheid van de bewijsmiddelen en de loyauteit waarmee zij worden verzameld. Het gerechtelijk onderzoek is « het geheel van de handelingen die ertoe strekken de daders van misdrijven op te sporen, de bewijzen te verzamelen en de maatregelen te nemen die de rechtscolleges in staat moeten stellen met kennis van zaken uitspraak te doen » (artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering). Het gerechtelijk onderzoek wordt gevoerd onder de leiding en het gezag van de onderzoeksrechter. Overeenkomstig artikel 56, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek heeft de onderzoeksrechter de verplichting om een onderzoek à charge en à décharge in te stellen en kan hij daartoe dwang gebruiken en maatregelen nemen die inbreuk maken op de individuele rechten en vrijheden. B.1.
  2. Iedere persoon die wordt benadeeld door een opsporings- of onderzoekshandeling met betrekking tot zijn goederen, zoals een inbeslagneming, kan, naargelang de zaak het 6 voorwerp uitmaakt van een opsporingsonderzoek of een gerechtelijk onderzoek, de opheffing daarvan vragen aan de procureur des Konings (artikel 28sexies van het Wetboek van strafvordering) of aan de onderzoeksrechter (artikel 61quater van hetzelfde Wetboek). Een beroep bij de kamer van inbeschuldigingstelling staat open tegen de beslissing van de procureur des Konings of de onderzoeksrechter, alsook bij ontstentenis van een beslissing. Artikel 28sexies van het Wetboek van strafvordering bepaalt : « §
  3. Onverminderd de bepalingen in de bijzondere wetten kan eenieder die geschaad wordt door een opsporingshandeling met betrekking tot zijn goederen, aan de procureur des Konings de opheffing ervan vragen. §
  4. Het verzoekschrift wordt met redenen omkleed en houdt keuze van woonplaats in België in, indien de verzoeker er zijn woonplaats niet heeft. Het wordt toegezonden aan of neergelegd op het secretariaat van het parket en wordt ingeschreven in een daartoe bestemd register. De procureur des Konings doet uitspraak uiterlijk vijftien dagen na de inschrijving van het verzoekschrift in het register. De met redenen omklede beslissing wordt per faxpost of bij een ter post aangetekende brief ter kennis gebracht van de verzoeker en, in voorkomend geval, van zijn advocaat binnen acht dagen na de beslissing. §
  5. De procureur des Konings kan het verzoek afwijzen indien hij van oordeel is dat de noodwendigheden van het onderzoek het vereisen, indien door de opheffing van de handeling de rechten van partijen of van derden in het gedrang komen, indien de opheffing van de handeling een gevaar zou opleveren voor personen of goederen, of wanneer de wet in de teruggave of de verbeurdverklaring van de betrokken goederen voorziet. Hij kan een gehele, gedeeltelijke of voorwaardelijke opheffing toestaan. Eenieder die de vastgestelde voorwaarden niet naleeft, wordt gestraft met de straffen bepaald in artikel 507bis van het Strafwetboek. §
  6. De zaak kan bij de kamer van inbeschuldigingstelling worden aangebracht binnen vijftien dagen na de kennisgeving van de beslissing aan de verzoeker. De zaak wordt aangebracht bij de kamer van inbeschuldigingstelling door een verklaring gedaan op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg en ingeschreven in een daartoe bestemd register. Indien het opsporingsonderzoek wordt gevoerd door de federale procureur, wordt de zaak aangebracht bij de kamer van inbeschuldigingstelling van het hof van beroep te Brussel. De procureur des Konings zendt de stukken over aan de procureur-generaal, die ze ter griffie neerlegt. 7 De kamer van inbeschuldigingstelling doet uitspraak binnen vijftien dagen na de neerlegging van de verklaring. Deze termijn is geschorst tijdens de duur van het uitstel verleend op vraag van de verzoeker of van zijn advocaat. […] De procureur-generaal, de verzoeker en zijn advocaat worden gehoord. De verzoeker die in het ongelijk wordt gesteld, kan veroordeeld worden in de kosten. §
  7. Indien de procureur des Konings geen beslissing heeft genomen binnen de bij § 2, tweede lid, bepaalde termijn, vermeerderd met vijftien dagen, kan de verzoeker zich wenden tot de kamer van inbeschuldigingstelling. Dit recht vervalt indien het met redenen omklede verzoekschrift niet binnen acht dagen is neergelegd op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg. Het verzoekschrift wordt ingeschreven in een daartoe bestemd register. Indien het opsporingsonderzoek wordt gevoerd door de federale procureur, wordt de zaak aangebracht bij de kamer van inbeschuldigingstelling van het hof van beroep te Brussel. De procedure verloopt overeenkomstig § 4, vierde tot zevende lid. […] §
  8. De verzoeker mag geen verzoekschrift met hetzelfde voorwerp toezenden of neerleggen vooraleer een termijn van drie maanden is verstreken te rekenen van de laatste beslissing die betrekking heeft op hetzelfde voorwerp ». In het kader van een gerechtelijk onderzoek voorziet artikel 61quater van het Wetboek van strafvordering in een vergelijkbare procedure voor de onderzoeksrechter en, op beroep, voor de kamer van inbeschuldigingstelling. B.1.
  9. Het in het geding zijnde artikel 235bis van het Wetboek van strafvordering heeft betrekking op de controle van de regelmatigheid van de rechtspleging door de kamer van inbeschuldigingstelling. Het bepaalt : « §
  10. Bij de regeling van de rechtspleging onderzoekt de kamer van inbeschuldigingstelling, op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van een van de partijen, de regelmatigheid van de haar voorgelegde procedure. Zij kan dit zelfs ambtshalve doen. §
  11. De kamer van inbeschuldigingstelling handelt op dezelfde wijze in de andere gevallen waarin ze kennis neemt van de zaak. §
  12. Wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling ambtshalve de regelmatigheid van de rechtspleging onderzoekt en er een nietigheid, een grond van niet-ontvankelijkheid of van verval van de strafvordering kan bestaan, beveelt ze de debatten te heropenen. 8 §
  13. De kamer van inbeschuldigingstelling hoort, in openbare terechtzitting indien ze op verzoek van een partij daartoe besluit, de opmerkingen van de procureur-generaal, de burgerlijke partij en de inverdenkinggestelde en zulks ongeacht of het toezicht op de regeling van de rechtspleging gebeurt op verzoek van een partij dan wel op vordering van het openbaar ministerie. §
  14. De onregelmatigheden, verzuimen of nietigheden als bedoeld in artikel 131, § 1, of met betrekking tot de verwijzingsbeschikking die door de kamer van inbeschuldigingstelling zijn onderzocht, kunnen niet meer opgeworpen worden voor de feitenrechter, behoudens de middelen die verband houden met de bewijswaardering. Hetzelfde geldt voor de gronden van niet-ontvankelijkheid of van verval van de strafvordering, behalve wanneer ze zijn ontstaan na de debatten voor de kamer van inbeschuldigingstelling. De bepalingen van deze paragraaf zijn niet van toepassing ten aanzien van de partijen die pas na de verwijzing naar het vonnisgerecht in de rechtspleging betrokken zijn, behalve indien de stukken uit het dossier worden verwijderd overeenkomstig artikel 131, § 2, of overeenkomstig § 6 van dit artikel. §
  15. Wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling een onregelmatigheid, verzuim of nietigheid als bedoeld in artikel 131, § 1, of een grond van niet-ontvankelijkheid of van verval van de strafvordering vaststelt, spreekt zij, als daartoe grond bestaat, de nietigheid uit van de handeling die erdoor is aangetast en van een deel of het geheel van de erop volgende rechtspleging. Nietigverklaarde stukken worden uit het dossier verwijderd en neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg. De kamer van inbeschuldigingstelling oordeelt, met inachtneming van de rechten van de andere partijen, in welke mate de ter griffie neergelegde stukken nog in de strafprocedure mogen worden ingezien en aangewend door een partij. De kamer van inbeschuldigingstelling geeft in haar beslissing aan, aan wie de stukken moeten worden teruggegeven, dan wel wat er gebeurt met de nietigverklaarde stukken ». B.2.
  16. Aan het Hof wordt een vraag gesteld over de bestaanbaarheid van artikel 235bis van het Wetboek van strafvordering met de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (hierna : het Eerste Aanvullend Protocol), in zoverre de in het geding zijnde bepaling « een partij die het voorwerp uitmaakt van een opsporingsonderzoek niet toelaat te verzoeken om de controle van de regelmatigheid van dat opsporingsonderzoek en van de daarbij gestelde handelingen ». B.2.
  17. Het voor het verwijzende rechtscollege hangende geschil betreft een beroep dat op grond van artikel 28sexies van het Wetboek van strafvordering bij de kamer van inbeschuldigingstelling is ingesteld tegen de beslissing waarbij de procureur des Konings weigert om inbeslagnemingen op te heffen. Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat de appellanten voor het verwijzende rechtscollege de regelmatigheid van de inbeslagnemingen betwisten. In de verwijzingsbeslissing is het verwijzende rechtscollege van 9 oordeel dat artikel 235bis van het Wetboek van strafvordering dat rechtscollege niet de bevoegdheid toekent om de regelmatigheid van de inbeslagnemingen te onderzoeken. Het Hof beperkt zijn onderzoek derhalve tot de controle van de regelmatigheid van de inbeslagneming in het kader van een opsporingsonderzoek. B.2.
  18. Uit een arrest van het Hof van Cassatie van 16 mei 2000 blijkt dat de artikelen 28sexies en 61quater van het Wetboek van strafvordering zo moeten worden geïnterpreteerd dat, op grond van die bepalingen zelf, de kamer van inbeschuldigingstelling de « gegrondheid » van de inbeslagneming kan controleren, hetgeen het onderzoek in het licht van de in paragraaf 3 van die bepalingen vermelde criteria inhoudt, maar niet de regelmatigheid van de inbeslagneming (Cass., 16 mei 2000, P.00.0296.N, ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000516.7). Uit de rechtspraak van het Hof van Cassatie blijkt eveneens dat, in tegenstelling tot wat geldt wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling ertoe wordt gebracht zich uit te spreken over het beroep inzake een vordering tot opheffing van een inbeslagneming in het kader van een gerechtelijk onderzoek (artikel 61quater van het Wetboek van strafvordering), de kamer van inbeschuldigingstelling, wanneer zij ertoe wordt gebracht zich uit te spreken over een dergelijk beroep in het kader van een opsporingsonderzoek (artikel 28sexies van hetzelfde Wetboek), de regelmatigheid van de rechtspleging, met name de regelmatigheid van de inbeslagneming, niet incidenteel kan controleren op grond van artikel 235bis, § 2, van hetzelfde Wetboek, daar die laatste bepaling enkel van toepassing is op het gerechtelijk onderzoek en niet op het opsporingsonderzoek (Cass., 20 april 2010, P.09.1750.N, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100420.2; 21 maart 2006, P.05.1701.N, ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060321.5). De interpretatie van het verwijzende rechtscollege volgens welke de kamer van inbeschuldigingstelling waarbij een beroep is ingesteld op grond van artikel 28sexies van het Wetboek van strafvordering, de regelmatigheid van de inbeslagneming niet kan controleren op grond van artikel 235bis, § 2, van het Wetboek van strafvordering, is niet klaarblijkelijk verkeerd. Het Hof onderzoekt de prejudiciële vraag in die interpretatie. 10 B.3.
  19. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. B.3.
  20. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.4.
  21. Artikel 16 van de Grondwet bepaalt : « Niemand kan van zijn eigendom worden ontzet dan ten algemenen nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling ». B.4.
  22. Artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bepaalt : « Alle natuurlijke of rechtspersonen hebben recht op het ongestoord genot van hun eigendom. Niemand zal van zijn eigendom worden beroofd behalve in het algemeen belang en met inachtneming van de voorwaarden neergelegd in de wet en in de algemene beginselen van het internationaal recht. De voorgaande bepalingen zullen echter op geen enkele wijze het recht aantasten dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen en boeten te verzekeren ». B.4.
  23. Aangezien artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol een draagwijdte heeft die analoog is met die van artikel 16 van de Grondwet, vormen de erin vervatte waarborgen een onlosmakelijk geheel met die welke zijn opgenomen in die grondwetsbepaling, zodat het Hof, bij zijn toetsing van de in het geding zijnde bepaling, ermee rekening houdt. B.4.
  24. Artikel 1 van het voormelde Protocol biedt niet alleen bescherming tegen een onteigening of een eigendomsberoving (eerste alinea, tweede zin), maar ook tegen elke 11 verstoring van het genot van de eigendom (eerste alinea, eerste zin) en elke regeling van het gebruik van de eigendom (tweede alinea). B.4.
  25. Elke inmenging in het eigendomsrecht moet een billijk evenwicht vertonen tussen de vereisten van het algemeen belang en die van de bescherming van het recht op het ongestoord genot van de eigendom. Er moet een redelijk verband van evenredigheid bestaan tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel. In het kader van de evenredigheidstoetsing dient rekening ermee te worden gehouden dat « niettegenstaande het stilzwijgen van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol met betrekking tot procedurele vereisten, een gerechtelijke procedure die betrekking heeft op het recht op eerbiediging van de eigendom, de betrokkene ook de adequate mogelijkheid moet bieden om zijn zaak bij de bevoegde overheden uit te leggen teneinde op daadwerkelijke wijze de maatregelen te betwisten die afbreuk doen aan de rechten door dat artikel gewaarborgd » (EHRM, grote kamer, 28 juni 2018, G.I.E.M. S.R.L. e.a. t. Italië, ECLI:CE:ECHR:2018:0628JUD000182806, § 302). B.
  26. Artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, dat onder meer het recht op een rechter waarborgt (EHRM, voltallig, 21 februari 1975, Golder t. Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:1975:0221JUD000445170, § 36), houdt in dat geschillen over burgerlijke rechten aan de rechter moeten kunnen worden voorgelegd (EHRM, grote kamer, 15 maart 2018, Naït-Liman t. Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2018:0315JUD005135707, §§ 112-113) zodat eenieder die van oordeel is dat een inmenging in de uitoefening van zijn rechten onrechtmatig is, over de mogelijkheid dient te beschikken om zijn zaak voor te leggen aan een rechterlijke instantie die voldoet aan de vereisten die uit die verdragsbepaling voortvloeien (EHRM, grote kamer, 14 december 2006, Markovic e.a. t. Italië, ECLI:CE:ECHR:2006:1214JUD000139803, § 98). Artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens vormt een lex specialis ten opzichte van artikel 13 van dat Verdrag, waarbij voormeld artikel 6, lid 1, van het Verdrag het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel omvat (EHRM, grote kamer, 15 maart 2022, Grzęda t. Polen, ECLI:CE:ECHR:2022:0315JUD004357218, § 352). 12 Het recht op een daadwerkelijk jurisdictioneel beroep dient aan elkeen te worden gewaarborgd met inachtneming van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.6.
  27. In de interpretatie van het verwijzende rechtscollege doet de in het geding zijnde bepaling een verschil in behandeling ontstaan onder de door een inbeslagneming benadeelde personen naargelang de zaak het voorwerp uitmaakt van een opsporingsonderzoek dan wel van een gerechtelijk onderzoek. In het kader van een opsporingsonderzoek kan de kamer van inbeschuldigingstelling waarbij een beroep is ingesteld op grond van artikel 28sexies van het Wetboek van strafvordering, de regelmatigheid van de inbeslagneming niet controleren op grond van artikel 235bis, § 2, van hetzelfde Wetboek. In het kader van een gerechtelijk onderzoek kan de kamer van inbeschuldigingstelling waarbij een beroep is ingesteld op grond van artikel 61quater van het Wetboek van strafvordering, wel de regelmatigheid van de inbeslagneming controleren op grond van artikel 235bis, § 2, van hetzelfde Wetboek. Dat verschil in behandeling berust op het criterium van het stadium waarin de strafprocedure zich bevindt in de voorbereidende fase ervan, hetgeen een objectief criterium is. B.6.
  28. Daar de inbeslagneming van een goed een inmenging in het recht op het ongestoord genot van eigendom met zich meebrengt en een daarmee verband houdende betwisting valt onder het toepassingsgebied van artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EHRM, 12 februari 2008, Jouan t. België, ECLI:CE:ECHR:2008:0212JUD000595005, § 24; beslissing, 10 april 2003, Yildirim t. Italië, ECLI:CE:ECHR:2003:0410DEC003860202) moet de inbeslagneming, in beginsel, het voorwerp kunnen uitmaken van een daadwerkelijke jurisdictionele controle. B.6.
  29. Noch het feit dat de zaak het voorwerp uitmaakt van een opsporingsonderzoek en niet van een gerechtelijk onderzoek, noch het beginsel van de onafhankelijkheid van het openbaar ministerie in de individuele opsporing en vervolging, beginsel dat is gewaarborgd bij artikel 151, § 1, van de Grondwet, verantwoorden dat de kamer van inbeschuldigingstelling waarbij een beroep is ingesteld op grond van artikel 28sexies van het Wetboek van strafvordering, de regelmatigheid van de inbeslagneming niet kan controleren. De ontstentenis van een dergelijke controle doet afbreuk aan het daadwerkelijke karakter van het jurisdictioneel beroep geregeld bij artikel 28sexies van het Wetboek van strafvordering, 13 aangezien de kamer van inbeschuldigingstelling de regelmatigheid van de inbeslagneming, hetgeen de controle inhoudt van de regelmatigheid van de inbeslagneming zelf en van de handelingen die daartoe aanleiding hebben gegeven, niet kan controleren en aangezien zij derhalve, in geval van een onregelmatigheid, daaruit niet de gevolgen kan trekken ten aanzien van de inbeslagneming, met inachtneming van artikel 32 van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering. De ontstentenis van een daadwerkelijke jurisdictionele controle is des te meer onevenredig, daar de inbeslagneming van goederen een maatregel is die het eigendomsrecht aantast en daar de inbeslagneming daardoor, volgens de bewoordingen zelf van artikel 28bis, § 3, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering, een uitzondering vormt op het beginsel dat de opsporingshandelingen geen enkele maatregel van dwang mogen inhouden, noch afbreuk mogen doen aan de individuele vrijheden en rechten. B.
  30. Zoals reeds vermeld, is artikel 235bis van het Wetboek van strafvordering enkel van toepassing op het gerechtelijk onderzoek. Zulks volgt niet alleen uit de in B.2.3 vermelde rechtspraak van het Hof van Cassatie. Het werd ook uitdrukkelijk zo beoogd door de wetgever bij de invoering van artikel 235bis door artikel 32 van de wet van 12 maart 1998 « tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek » (Parl. St., Kamer, 1996-1997, nr. 857/1, p. 70; ibid., nr. 857/17, pp. 5 en 7) en werd recent door de wetgever in herinnering gebracht bij de invoering van artikel 28decies van het Wetboek van strafvordering (Parl. St., Kamer, 2021-2022, DOC 55-2824/002, pp. 29-31; Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-2824/004, pp. 8-11). Daaruit volgt dat de in B.6.3 vastgestelde ongrondwettigheid niet haar oorsprong vindt in het in het geding zijnde artikel 235bis van het Wetboek van strafvordering. B.8.
  31. Uit de parlementaire voorbereiding van artikel 28sexies van het Wetboek van strafvordering blijkt dat die bepaling zo moet worden geïnterpreteerd dat het beroep dat daarbij wordt geregeld, niet alleen betrekking heeft op de gegrondheid van de inbeslagneming (de « opportuniteit » van de inbeslagneming) maar ook op de « regelmatigheid » van de inbeslagneming : « Dit artikel beoogt een radicale maatregel in te voeren, omdat het in een kortgedingprocedure voorziet tijdens het opsporingsonderzoek. Het betreft hier een antwoord op een evolutie in de rechtspraak betreffende dwangmaatregelen op goederen. Het Wetboek 14 van Strafvordering kent aan de verdachte geen appelrecht toe tegen opsporingshandelingen, wat in de praktijk dikwijls aanleiding gaf tot onbevredigende toestanden, vooral dan wanneer het een beslag of een verzegeling betrof. In de praktijk heeft men vaak getracht hiervoor een uitweg te zoeken door een beroep te doen op de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, zetelend in kort geding. Het optreden van de rechter in kort geding in deze strafrechtelijke aangelegenheid dient ten dele beperkt te worden, door een systeem van rechtsbescherming voor te stellen dat binnen het strafprocessuele kader blijft. Het ontwerp voert een procedure in kort geding in, waarbij aan de procureur des Konings de opheffing van een opsporingshandeling kan worden gevraagd met de mogelijkheid de kamer van inbeschuldigingstelling te adiëren. Het betreft een werkelijk strafrechtelijk kort geding dat elke tussenkomst van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg uitsluit. […] Het is noodzakelijk in de wet een rechtsmiddel te voorzien dat toelaat de regelmatigheid van opsporingshandelingen te toetsen, zonder dat de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, zetelend in kort geding daarover moet oordelen. Deze laatste beschikt immers niet over het strafdossier, zodat hij slecht voorbereid een beslissing dient te nemen. Een ander nadeel van het kort geding is dat het parket zich bij deze procedure niet kan verdedigen, omdat niet het openbaar ministerie maar wel de bevoegde minister wordt gedagvaard. Bovendien verzet de autonomie van het strafprocesrecht zich tegen dit optreden in strafzaken van de rechter in kort geding, daar deze niet de voor het strafprocesrecht vereiste waarborgen biedt. Het komt niet toe aan een civiele rechter te oordelen over de opportuniteit van een strafrechtelijke opsporingsmaatregel; dit systeem van rechtsbescherming tijdens het vooronderzoek moet zich binnen het strafprocessuele kader zelf afspelen. In het ontwerp wordt daarom gekozen voor een procedure van ‘ willig beroep ’ waarbij een verzoekschrift tot opheffing kan worden gericht aan de instantie die de maatregel heeft bevolen (de procureur des Konings of de onderzoeksrechter) met de mogelijkheid voor de verzoeker een rechtsmiddel aan te wenden voor de kamer van inbeschuldigingstelling wanneer de betwiste maatregel wordt gehandhaafd. [Die instanties zijn meer geschikt om te oordelen over de opportuniteit van de onderzoekshandelingen dan de voorzitter van de rechtbank zitting houdend in kort geding.] […] Deze controle wordt zowel tijdens het opsporingsonderzoek als tijdens het gerechtelijk onderzoek toebedeeld aan de kamer van inbeschuldigingstelling, welke de ‘ natuurlijke ’ bezwaarinstantie is tijdens het vooronderzoek. Dit zal leiden tot een grotere uniformiteit in de rechtspraak » (Parl. St., Kamer, 1996-1997, nr. 857/1, pp. 32-34). Het Hof van Cassatie heeft, bij een arrest van 17 oktober 2006, ook geoordeeld dat, wanneer bij de kamer van inbeschuldigingstelling een beroep wordt ingesteld op grond van artikel 28sexies of artikel 61quater van het Wetboek van strafvordering, « de betrokkene […] bij die gelegenheid de onregelmatigheid van de inbeslagname [kan] opwerpen » (Cass., 17 oktober 2006, P.06.0846.N, ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061017.4). 15 B.8.
  32. Het feit dat het in het geding zijnde artikel 235bis van het Wetboek van strafvordering enkel van toepassing is op het gerechtelijk onderzoek, verhindert het verwijzende rechtscollege bijgevolg niet om, op basis van artikel 28sexies van het Wetboek van strafvordering, de regelmatigheid van de inbeslagneming te controleren, hetgeen de controle inhoudt van de regelmatigheid van de inbeslagneming zelf en van de handelingen die daartoe aanleiding hebben gegeven, en, in geval van een onregelmatigheid, met inachtneming van artikel 32 van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering, daaruit de gevolgen te trekken ten aanzien van de inbeslagneming. 16 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Rekening houdend met hetgeen is vermeld in B.8.1 en B.8.2, schendt artikel 235bis van het Wetboek van strafvordering niet de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6, lid 1, en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 18 januari
  33. De griffier, De voorzitter, N. Dupont P. Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.006 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000516.7 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060321.5 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061017.4 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100420.2 ECLI:BE:GHCC:2017:ARR.006 ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.015 ECLI:CE:ECHR:1975:0221JUD000445170 ECLI:CE:ECHR:2003:0410DEC003860202 ECLI:CE:ECHR:2006:1214JUD000139803 ECLI:CE:ECHR:2008:0212JUD000595005 ECLI:CE:ECHR:2018:0315JUD005135707 ECLI:CE:ECHR:2018:0628JUD000182806 ECLI:CE:ECHR:2022:0315JUD004357218 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.