← België

ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 18 januari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.007 Arrest- Rolnummer: 7/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-01-29 Raadplegingen: 414 - laatst gezien 2026-06-18 09:39 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag over artikel 131 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Luik, afdeling Namen. Sociaal recht - Sociale zekerheid - Ziekte- en invaliditeitsverzekering - Arbeidsongeschiktheid - Uitkering Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 7/2024 van 18 januari 2024 Rolnummer : 7935 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 131 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Luik, afdeling Namen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, D. Pieters, E. Bribosia, W. Verrijdt, K. Jadin en M. Plovie, bijgestaan door de griffier N. Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 9 februari 2023, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 17 februari 2023, heeft de Arbeidsrechtbank te Luik, afdeling Namen, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 131 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, in zoverre het de persoon uitsluit van het genot van uitkeringen die - hoewel hij arbeidsongeschikt is en de uit de wet voortvloeiende verplichtingen omtrent de wachttijd vervult - niet meer doet blijken van zijn hoedanigheid van gerechtigde sinds meer dan dertig dagen vóór de aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid, artikel 23 van de Grondwet en het recht op sociale zekerheid dat het bevat, in het bijzonder omdat dat laatste artikel veronderstelt dat de bij artikel 131 ingestelde overeenkomstige plicht evenredig is met de daarmee nagestreefde doelstelling ? ». De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. V. Pertry, advocate bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend. Bij beschikking van 20 september 2023 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers M. Plovie en W. Verrijdt te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij de Ministerraad binnen zeven dagen na ontvangst van 2 de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zouden worden gesloten op 4 oktober 2023 en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 4 oktober 2023 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege is als arbeidsongeschikt erkend voor de periode van 10 juni 2015 tot 24 april 2017. Op 5 oktober 2021 heeft de verwerende partij voor het verwijzende rechtscollege, de Landsbond van de Onafhankelijke Ziekenfondsen, vastgesteld dat er meer dan dertig dagen zijn verstreken tussen de eerste dag van de arbeidsongeschiktheid en de laatste dag waarop de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege werkzaam of gecontroleerd werkloos was. Bijgevolg zijn er volgens de verwerende partij voor het verwijzende rechtscollege geen arbeidsongeschiktheidsuitkeringen verschuldigd, overeenkomstig artikel 131 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 (hierna : de wet van 14 juli 1994). In het kader van het beroep ingesteld tegen die beslissing heeft het verwijzende rechtscollege de hierboven weergegeven prejudiciële vraag gesteld. III. In rechte -A- A.1. De Ministerraad is van mening dat artikel 131 van de wet van 14 juli 1994 bestaanbaar is met artikel 23 van de Grondwet, die een grondwetsbepaling is zonder rechtstreekse werking. Bij het waarborgen van het recht op sociale zekerheid beschikt de wetgever bovendien over een ruime beoordelingsbevoegdheid. Om arbeidsongeschiktheidsuitkeringen te kunnen genieten op grond van de wet van 14 juli 1994, moet de betrokkene over de hoedanigheid van gerechtigde beschikken en een wachttijd hebben volbracht. Artikel 131 van de wet van 14 juli 1994 leidt ertoe dat bepaalde personen die bij de aanvang van hun arbeidsongeschiktheid niet langer over de hoedanigheid van gerechtigde beschikken, toch aanspraak kunnen maken op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. In tegenstelling tot wat het verwijzende rechtscollege veronderstelt, beperkt de in het geding zijnde bepaling geenszins het toepassingsgebied van de regeling inzake de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, maar breidt zij het voordeel ervan daarentegen uit. A.2. Naar de mening van de Ministerraad dient het Hof, bij het onderzoek van de in het geding zijnde maatregel, rekening te houden met alle wettelijke bepalingen die ertoe bijdragen dat ieder een menswaardig leven kan leiden. De regeling inzake arbeidsongeschiktheidsuitkeringen vormt slechts één aspect van het sociaal verzekeringsstelsel. Er bestaan nog verschillende andere mechanismen die toelaten een verlies aan inkomsten uit arbeid te compenseren, in het bijzonder de werkloosheidsuitkeringen. Die mechanismen zijn complementair. De Ministerraad benadrukt dat de wetgever, krachtens artikel 23 van de Grondwet, de economische, sociale en culturele rechten dient te waarborgen « rekening houdend met de overeenkomstige plichten ». Wanneer de arbeidsongeschiktheid eindigt en de betrokkene niet opnieuw aan het werk gaat, kan hij een werkloosheidsuitkering aanvragen. De wetgever heeft daarnaast voorzien in een tijdelijke dekking in het kader van de ziekte- en invaliditeitsverzekering voor het geval de sociaal verzekerde een beroep instelt tegen de beslissing dat zijn arbeidsongeschiktheid ten einde is. De enige formaliteit die hij daarvoor dient na te leven, is het aanvragen van een werkloosheidsuitkering. De plichten die aldus worden opgelegd aan de betrokkenen, zijn volgens de Ministerraad niet onevenredig. 3 -B- B.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op het recht op een ziekte- en invaliditeitsuitkering vanwege arbeidsongeschiktheid. B.2.1. Het in het geding zijnde artikel 131 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 (hierna : de wet van 14 juli 1994), bepaalt : « De uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid zijn slechts verschuldigd aan de gerechtigden op voorwaarde dat er geen doorlopend tijdvak van meer dan dertig dagen verlopen is tussen de aanvangsdag van hun arbeidsongeschiktheid en de laatste dag van een tijdvak waarover zij de in artikel 86, § 1, bedoelde hoedanigheid van gerechtigde hadden, of als arbeidsongeschikt erkend waren in de zin van deze gecoördineerde wet ». B.2.2. Artikel 86, § 1, van de wet van 14 juli 1994 bepaalt : « Rechthebbenden op de in titel IV, hoofdstuk III, van deze gecoördineerde wet omschreven uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid, onder de voorwaarden die ze bepaalt, zijn, als gerechtigden : 1°

  1. a)de werknemers die vallen onder de verplichte uitkeringsverzekering, krachtens de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met inbegrip van de werknemers die een vergoeding genieten die verschuldigd is naar aanleiding van : i. de onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst; ii. de eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor personeelsafgevaardigden; iii. de eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor syndicale afgevaardigden; iv. de beëindiging van de arbeidsovereenkomst in gemeenschappelijk akkoord; v. de uitwinning van de handelsvertegenwoordiger bedoeld bij artikel 101 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten; vi. een overeenkomst gesloten hetzij bij het begin of tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, hetzij binnen een termijn van twaalf maanden na het einde van de arbeidsovereenkomst op grond waarvan de werknemer zich ertoe verbindt om geen personeel of zelfstandige medecontractanten af te werven van de vroegere werkgever, hetzij in eigen naam en voor eigen rekening, hetzij in naam en voor rekening van één of meerdere derden, en/of zich ertoe verbindt om geen soortgelijke activiteiten uit te oefenen als dewelke hij uitoefende bij zijn 4 vroegere werkgever, hetzij door zelf een onderneming uit te baten, hetzij door in dienst te treden van een concurrerende werkgever; evenals de werknemers die een ontslagcompensatievergoeding bedoeld in artikel 7, § 1, derde lid, zf), van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders genieten, tijdens de tijdvakken die gedekt zijn door die vergoedingen. De leerlingen zoals bepaald in uitvoering van artikel 1, § 1, derde lid, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders worden tot 31 december van het jaar waarin ze de leeftijd van 18 jaar bereiken beschouwd als werknemers die vallen onder de verplichte uitkeringsverzekering.
  2. b)de hierboven bedoelde werkneemsters gedurende de in artikel 32, eerste lid, 4° bedoelde rustperiode;
  3. c)de werknemers die zich in één van de in artikel 32, eerste lid, 3° en 5°, bedoelde toestanden bevinden;
  4. d)de werknemers bedoeld in artikel 15 van het koninklijk besluit van [18 februari 1997] houdende maatregelen met het oog op de ontbinding van de Regie voor maritiem transport in uitvoering van artikel 3, § 1, 6°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie.
  5. e)de varende werknemers die met één van de vennootschappen bedoeld in artikel 13, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 18 februari 1997 houdende maatregelen met het oog op de ontbinding van de Regie voor Maritiem Transport ter uitvoering van artikel 3, § 1, 6°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie, die de vervoerverplichtingen van de Regie hebben overgenomen, verbonden zijn met een arbeidsovereenkomst gesloten na 1 januari 1997, en die tewerkgesteld zijn aan boord van schepen door deze vennootschappen uitgerust voor transport over zee van en naar een lidstaat van de Europese Unie. 2° de werknemers die, tijdens een tijdvak van arbeidsongeschiktheid, of van moederschapsbescherming, zoals bij deze gecoördineerde wet bepaald, de bij 1°, a), bedoelde hoedanigheid van gerechtigde verliezen; 3° bij het aflopen van het in artikel 32, eerste lid, 6°, bedoelde tijdvak van voortgezette verzekering, de werknemers, die de in 1° bedoelde hoedanigheid hebben gehad op voorwaarde dat zij arbeidsongeschikt zijn geworden of zich in een tijdvak van moederschapsbescherming bevinden uiterlijk de eerste werkdag na afloop van het tijdvak van voortgezette verzekering. 4° bij het aflopen van de maximale periode die aanleiding heeft gegeven tot de betaling van een overgangsuitkering bepaald in de pensioenwetgeving, de personen die arbeidsongeschikt zijn geworden of zich in een tijdvak van moederschapsbescherming bevinden, uiterlijk de eerste werkdag na afloop van dit door de overgangsuitkering gedekte tijdvak ». 5 B.3. Het verwijzende rechtscollege vraagt het Hof of artikel 131 van de wet van 14 juli 1994 bestaanbaar is met het bij artikel 23, derde lid, 2°, van de Grondwet gewaarborgde recht op sociale zekerheid, « in zoverre het de persoon uitsluit van het genot van uitkeringen die - hoewel hij arbeidsongeschikt is en de uit de wet voortvloeiende verplichtingen omtrent de wachttijd vervult - niet meer doet blijken van zijn hoedanigheid van gerechtigde sinds meer dan dertig dagen vóór de aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid […], in het bijzonder omdat [artikel 23 van de Grondwet] veronderstelt dat de bij artikel 131 ingestelde overeenkomstige plicht evenredig is met de daarmee nagestreefde doelstelling ». B.4. Artikel 23 van de Grondwet bepaalt dat ieder het recht heeft om een menswaardig leven te leiden. Daartoe waarborgen de onderscheiden wetgevers, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale en culturele rechten en bepalen zij de voorwaarden voor de uitoefening ervan. Die rechten omvatten onder meer het in de prejudiciële vraag vermelde recht op sociale zekerheid (artikel 23, derde lid, 2°). Artikel 23 van de Grondwet bepaalt niet wat die rechten, waarvan enkel het beginsel wordt uitgedrukt, impliceren, waarbij elke wetgever, overeenkomstig het tweede lid van dat artikel, ermee is belast die rechten te waarborgen, rekening houdend met de overeenkomstige plichten. B.5. Het Hof ziet niet in hoe een wetsbepaling die, onder meer om de overgang naar een eventuele werkhervatting of een eventuele toekenning van een werkloosheidsuitkering te vergemakkelijken, het recht op een uitkering wegens arbeidsongeschiktheid uitbreidt tot een periode waarin de betrokkene niet langer de hoedanigheid van sociaal verzekerde heeft, een aantasting uitmaakt van het recht op sociale zekerheid, zoals gewaarborgd in artikel 23, derde lid, 2°, van de Grondwet. B.6. Artikel 131 van de wet van 14 juli 1994 is bestaanbaar met artikel 23, derde lid, 2°, van de Grondwet. 6 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 131 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, schendt artikel 23, derde lid, 2°, van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 18 januari 2024. De griffier, De voorzitter, N. Dupont P. Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.007 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.