id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 18 januari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.008 Arrest- Rolnummer: 8/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-01-29 Raadplegingen: 516 - laatst gezien 2026-06-14 19:37 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Geen schending (artikel 6.21, eerste lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende artikel 6.21 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, gesteld door de Vrederechter van het kanton Veurne. Sociale huur - Vlaams Gewest - Verplichtingen van de huurder - Eigendomsvoorwaarden - Machtiging aan de Regering Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 8/2024 van 18 januari 2024 Rolnummer : 7937 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 6.21 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, gesteld door de Vrederechter van het kanton Veurne. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en P. Nihoul, en de rechters T. Giet, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, D. Pieters, S. de Bethune, E. Bribosia, W. Verrijdt, K. Jadin en M. Plovie, bijgestaan door de griffier N. Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 14 februari 2023, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 20 februari 2023, heeft de Vrederechter van het kanton Veurne de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 6.21 van de Vlaamse Codex Wonen 2021 de artikelen 10, 11, 22 en/of 23 van de Grondwet in die zin geïnterpreteerd dat er voor de eigendomsvoorwaarden die bij sociale woninghuur opgelegd worden aan een huurder een onderscheid wordt gemaakt tussen een huurder die ingevolge erfenis en/of lening en/of sparen met deze gelden een onroerend goed aankoopt en een huurder die de gelden die hij in de zelfde omstandigheden erft en/of leent en/of spaart niet gebruikt om een onroerend goed aan te kopen ? ». Memories zijn ingediend door : - de cv « Woonmaatschappij IJzer en Zee », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. I. Feys, advocaat bij de balie van West-Vlaanderen; - A.S. en N.M., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. D. Waeyaert, advocaat bij de balie van West-Vlaanderen; 2 - de Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Roets, Mr. E. Cloots en Mr. S. Sottiaux, advocaten bij de balie van Antwerpen. Memories van antwoord zijn ingediend door : - de cv « Woonmaatschappij IJzer en Zee »; - de Vlaamse Regering. Bij beschikking van 20 september 2023 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers S. de Bethune en T. Giet te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 4 oktober 2023 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 4 oktober 2023 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Met ingang van 1 januari 2006 gaf de cv « Woonmaatschappij IJzer & Zee » een onroerend goed, gelegen te Adinkerke, in sociale woninghuur voor onbepaalde duur aan A.S en zijn echtgenote N.M. Uit onderzoek uitgevoerd door een van externe partner, de bv « Focus Handhaving », op verzoek van de sociale woonmaatschappij, bleek dat A.S. en N.M. op 4 november 2014 een woning in Angad (Marokko) aangekocht hadden. De echtgenoten zijn elk voor 50 % eigenaar van de woning. De cv « Woonmaatschappij IJzer & Zee » heeft om die reden bij aangetekende brief van 21 februari 2022 de huurovereenkomst opgezegd en de huurders in gebreke gesteld om de onterecht verkregen sociale correctie op de huurprijs terug te betalen. De huurders hebben via een schrijven van 9 maart 2022 meegedeeld dat zij eind mei 2022 de woning zouden verlaten, onder voorbehoud van al hun rechten, hetgeen zij effectief hebben gedaan. Op 1 april 2022 heeft de cv « Woonmaatschappij IJzer & Zee » een procedure tegen A.S. en N.M. ingeleid voor het Vredegerecht van het kanton Veurne. De eisende partij vordert de beëindiging van de huurovereenkomst met toepassing van artikel 6.33, eerste lid, 1°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, in samenhang gelezen met artikel 6.21 van diezelfde Codex. Zij vordert ook de terugbetaling van de onterecht verkregen sociale correctie op de huurprijs. De verwerende partijen stellen geen tegenvordering in, maar zij vragen wel om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof. Zij voeren voor het verwijzende rechtscollege aan dat zij het onroerend goed hebben betaald met de erfenis van N.M. na het overlijden van haar vader, en met een lening die A.S. en N.M. op 6 december 2012 hadden afgesloten bij de bank. Het verwijzende rechtscollege stelt vast dat de inschrijvings- en toelatingsvoorwaarden met betrekking tot een sociale huurwoning bepalen in welke mate onroerend bezit van de huurder toegelaten is en wat de grenzen van het referentie-inkomen zijn die niet overschreden mogen worden. Het verwijzende rechtscollege stelt tegelijk vast dat er geen rekening wordt gehouden met het « gespaarde » roerende vermogen. De verwerende partijen in het bodemgeschil voeren aan dat er, wat betreft de eigendomsvoorwaarden voor een sociale woning, sprake is van een ongelijke behandeling tussen, enerzijds, personen die met financiële middelen die voortvloeien uit een erfenis en/of sparen en/of een lening een onroerend goed aankopen en, anderzijds, personen die diezelfde financiële middelen, voortvloeiend uit een erfenis en/of sparen en/of een lening, gewoon bewaren. Zij verzoeken het verwijzende rechtscollege ter zake een prejudiciële vraag aan het Hof voor te leggen. Het verwijzende 3 rechtscollege is van oordeel dat er dient te worden ingegaan op de vraag om over het voormelde verschil in behandeling een prejudiciële vraag te stellen. Het voorgaande heeft het verwijzende rechtscollege ertoe gebracht de voormelde prejudiciële vraag aan het Hof te stellen. III. In rechte -A- A.1.1. De Vlaamse Regering voert in hoofdorde aan dat de prejudiciële vraag minstens deels onontvankelijk is. Zij voert aan dat de interpretatie die het verwijzende rechtscollege geeft aan artikel 6.21 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, klaarblijkelijk niet (geheel) voortvloeit uit de bewoordingen van die bepaling zelf, maar berust op een appreciatie van het verwijzende rechtscollege van de uitvoering van die bepaling door de Vlaamse Regering. Het komt niet aan het Hof toe zich – onder het mom van een « interpretatie » van een decretale norm – uit te spreken over de (grond)wettigheid van de wijze waarop de Vlaamse Regering de geviseerde norm heeft uitgevoerd. Zij betoogt dat minstens de prejudiciële vraag zodanig dient te worden geherformuleerd dat enkel wordt nagegaan of het verschil in behandeling – waarbij artikel 6.21 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, in samenhang gelezen met artikelen 6.11 en 6.8, § 1, eerste lid, 2°, van dezelfde Codex, de Vlaamse Regering enkel zou toestaan om bij de nadere invulling van de inschrijvings- en toelatingsvoorwaarden voor een sociale woning wel rekening te houden met het onroerend vermogen en het inkomen van sociale huurders, maar niet met hun roerend vermogen – verantwoord is in het licht van de artikelen 10, 11, 22 en/of 23 van de Grondwet. A.1.2. Ten tweede is de Vlaamse Regering van oordeel dat de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft, vermits een antwoord op de vraag klaarblijkelijk niet dienstig kan zijn voor de oplossing van het bodemgeschil. Het hanteren van een voorwaarde inzake onroerend bezit is an sich objectief gerechtvaardigd om de woonbehoeftigheid van kandidaat-sociale huurders te beoordelen. Er is dus hooguit potentieel sprake van een onderinclusieve regeling, die slechts potentieel aanleiding kan geven tot de vaststelling van een ongrondwettige lacune. De eventuele vaststelling van een ongrondwettige lacune veronderstelt dan een optreden van de decreetgever ten aanzien van (kandidaat-)sociale huurders met een significant roerend vermogen, maar heeft niet tot gevolg dat de rechtmatige voorwaarde inzake onroerend bezit buiten toepassing moet worden gelaten in het bodemgeschil. De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege sluit zich aan bij dit standpunt van de Vlaamse Regering. A.2. De verwerende partijen voor het verwijzende rechtscollege zijn van oordeel dat artikel 6.21 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, dat de voorwaarde inhoudt dat sociale huurders geen onroerend goed als eigenaar mogen bezitten of verwerven, discriminerend is ten opzichte van een persoon in dezelfde omstandigheden, die zijn beschikbare financiële middelen niet gebruikt om een onroerend goed aan te kopen, maar ze spaart en belegt. Zij menen dat de financiële situatie van beide categorieën dezelfde is. Beide categorieën van personen hebben hetzelfde vermogen, dat ze gewoonweg op een andere manier beleggen. Het onderscheid tussen onroerend en roerend vermogen is niet meer relevant om te voldoen aan de doelstellingen. Het aldus aangevoerde verschil in behandeling kan niet worden aanvaard. Zij besluiten dat artikel 6.21 de artikelen 10, 11, 22 en/of 23 van de Grondwet schendt. A.3.1. In ondergeschikte orde is de Vlaamse Regering van oordeel dat de prejudiciële vraag ontkennend beantwoord dient te worden. Er is geen schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 22 en 23 van de Grondwet. A.3.2. Het bekritiseerde onderscheid in behandeling berust op een objectief criterium. De voorwaarde inzake het al dan niet beschikken over een onroerend bezit betreft een objectieve maatstaf waarmee de categorie van personen die voldoen aan de voorwaarde inzake onroerende bezit objectief wordt afgebakend ten opzichte van de categorie van personen die niet beschikt over onroerend bezit. 4 A.3.3. Het gemaakte onderscheid is ook redelijk verantwoord. Door het instellen van de voorwaarde inzake onroerend bezit beoogde de decreetgever, gelet op de inherente schaarsheid van publieke middelen, het sociale huurstelsel toe te spitsen op de meest woonbehoeftigen. Het betreft een legitieme doelstelling van algemeen belang. Voorts is de voorwaarde pertinent. Een inschrijvings- en toelatingsvoorwaarde die uitgaat van het onroerend bezit van een (kandidaat-)sociale huurder is een adequaat en relevant middel om naar de woonbehoeftigheid te peilen. Er is geen nood aan een directe inaanmerkingneming van het roerende vermogen. Er kan immers worden aangenomen dat ook een combinatie van de criteria « onroerend bezit » en « inkomen », waarbij het roerend vermogen op indirecte wijze in aanmerking wordt genomen, eveneens geschikt is om de woonbehoeftigheid te toetsen. De wijze waarop het roerend vermogen wordt verkregen is in principe weinig relevant. Immers, geleend geld maakt geen deel uit van het vermogen van de sociale huurder aangezien het moet worden terugbetaald en de spaarcapaciteit van de huurder is wel afhankelijk van het inkomen, waarmee rekening wordt gehouden. Een positief banksaldo of een investeringsportfolio levert immers interesten, respectievelijk dividenden op die vanaf een bepaalde hoogte of omvang wel te kwalificeren zijn als « inkomsten » en in voorkomend geval doorwerken in de inkomensvoorwaarde. Bovendien is de maatregel proportioneel. Enerzijds, biedt de delegatie van de decreetgever aan de Vlaamse Regering om de inschrijvings- en toelatingsvoorwaarden inzake onroerend bezit nader in te vullen, voldoende ruimte om die voorwaarde te verfijnen met het oog op een evenredige afbakening van de graad van behoeftigheid. Overigens wordt bij de invulling van de voorwaarde inzake onroerend bezit rekening gehouden met onder meer het type van woning, de gevolgen van een huwelijk of partnerschap van de betrokkenen, en de mogelijkheid om binnen een bepaalde termijn een kosteloos verkregen onroerend goed te vervreemden. Anderzijds, is het gegeven dat het roerend vermogen slechts op indirecte wijze in rekening wordt gebracht niet kennelijk disproportioneel in het licht van de legitieme doelstelling van de decreetgever. De Vlaamse Regering merkt nog op dat in het uitzonderlijke geval dat een sociale huurder, onafhankelijk van het inkomen, een significant roerend vermogen zou verkrijgen (bv. een erfenis), de impact daarvan op de gelijke toegang tot sociale huisvesting marginaal is. Zij merkt op dat op basis van cijfers naar analogie kan worden aangenomen dat personen in een dergelijke situatie een hogere uitstroom kennen waardoor hun sociale woning beschikbaar komt voor andere woonbehoeftigen. Louter in ondergeschikte orde, indien het Hof per impossibile zou oordelen dat het onderscheid niet afdoende pertinent of proportioneel is, betoogt zij dat de in het geding zijnde decretale regeling hoogstens onderinclusief kan zijn ten aanzien van sociale huurders met een significant roerend vermogen. In dat geval is er sprake van een ongrondwettige lacune, die door de decreetgever dient te worden geremedieerd. Ten slotte wijst zij er nog op dat uit het feit dat bij het decreet van 21 april 2023 « tot wijziging van diverse decreten met betrekking tot wonen » een voorwaarde inzake het roerend vermogen werd ingevoerd, niet kan worden afgeleid dat de vroegere regeling niet afdoende was om grondwettig te zijn. A.3.4. Ten slotte betoogt de Vlaamse Regering dat er ook geen schending is van het recht op een behoorlijke huisvesting, noch van het recht op eerbiediging van het privéleven en het gezinsleven. Met betrekking tot het recht op behoorlijke huisvesting is er allerminst sprake van een aanzienlijke vermindering van het huidige beschermingsniveau en dus geen schending van de standstill-verplichting, vervat in artikel 23 van de Grondwet. De geviseerde regeling heeft volgens haar net tot doel het recht op behoorlijke huisvesting te waarborgen voor de meest woonbehoeftigen. Bovendien is de regeling pertinent en evenredig ten aanzien van de legitieme doelstelling van algemeen belang. Er is ook geen sprake van een inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven. Indien er al een inmenging zou zijn, dan is de geviseerde regeling in ieder geval pertinent en evenredig ten opzichte van de nagestreefde doelstelling. 5 -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling en haar context B.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 6.21 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021. B.2.1. Artikel 6.21 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 bepaalt : « De huurder van een sociale huurwoning moet tijdens de hele duur van de huurovereenkomst voldoen aan de voorwaarden inzake onroerend bezit, bedoeld in deel 4 van dit boek. De Vlaamse Regering kan daarop evenwel algemene uitzonderingen toestaan voor bijzondere en tijdelijke situaties. De Vlaamse Regering bepaalt de overige voorwaarden waaraan de huurder van een sociale huurwoning blijvend moet voldoen ». Die bepaling schrijft bijgevolg voor dat een sociale huurder blijvend dient te voldoen aan de voorwaarden inzake onroerend bezit. Zij machtigt daarnaast de Vlaamse Regering om te bepalen aan welke andere voorwaarden de sociale huurder blijvend dient te voldoen. B.2.2. Deel 4, waarnaar in het voormelde artikel 6.21 wordt verwezen, bevat de regels met betrekking tot de toelatingsvoorwaarden en de toewijzing van sociale huurwoningen. De toelatingsvoorwaarden worden vastgesteld in artikel 6.11, eerste lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021. Die bepaling verwijst, wat betreft de toelatingsvoorwaarden, naar de regels met betrekking tot de inschrijvingsvoorwaarden voor de sociale woninghuur, zoals vastgesteld in artikel 6.8 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021. B.2.3. Artikel 6.11, eerste lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, zoals van toepassing in het bodemgeschil, bepaalt : « De kandidaat-huurder kan alleen worden toegelaten tot een sociale huurwoning als hij voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 6.8, § 1, eerste lid, 1°, 2° en 3° ». Artikel 6.8, § 1, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, zoals van toepassing in het bodemgeschil, bepaalt : 6 « Om zich voor een sociale huurwoning in te schrijven, voldoen de personen, vermeld in paragraaf 3, aan de volgende voorwaarden : 1° ze zijn minstens 18 jaar; 2° ze voldoen aan de voorwaarden met betrekking tot het onroerend bezit en het inkomen die de Vlaamse Regering vaststelt; 3° ze zijn ingeschreven in de bevolkingsregisters, vermeld in artikel 1, § 1, eerste lid, 1°, van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten, of ze zijn ingeschreven op een referentieadres als vermeld in artikel 1, § 2, van de voormelde wet. [...] De Vlaamse Regering kan uitzonderingen bepalen op de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 1° ». Uit die bepaling volgt dat om in aanmerking te komen voor een sociale huurwoning een kandidaat-huurder dient te voldoen aan voorwaarden inzake onroerend bezit en inkomen. B.2.4. Ter uitvoering van artikel 6.8, § 1, eerste lid, 2°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 heeft de Vlaamse Regering de inschrijvingsvoorwaarden met betrekking tot het onroerend bezit en het inkomen van een kandidaat-huurder nader bepaald (artikelen 6.12 tot 6.14 van het besluit van de Vlaamse Regering van 11 september 2020 « tot uitvoering van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 »; hierna : het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021). Artikel 6.12 van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021 bepaalt ter uitvoering van artikel 6.8, § 1, eerste lid, 2°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 dat de volgende inschrijvingsvoorwaarden voor het onroerend bezit van toepassing zijn : « 1° de potentiële kandidaat-huurder heeft geen woning of perceel, bestemd voor woningbouw, volledig of gedeeltelijk in volle eigendom; 2° [...] heeft geen volledig of gedeeltelijk recht van erfpacht, opstal of vruchtgebruik op een woning of perceel, bestemd voor woningbouw; 3° [...] heeft geen woning die of perceel, bestemd voor woningbouw, dat volledig of gedeeltelijk in erfpacht of opstal is gegeven; 7 4° [...] heeft geen woning die of perceel, bestemd voor woningbouw, dat hij volledig of gedeeltelijk zelf in vruchtgebruik heeft gegeven; 5° [...] is geen zaakvoerder, bestuurder of aandeelhouder van een vennootschap waarin hij zakelijke rechten als vermeld in punt 1° tot en met 4°, heeft ingebracht; [...] ». Artikel 6.13 van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021 bepaalt ter uitvoering van artikel 6.8, § 1, eerste lid, 2°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 volgende grenzen voor het referentie-inkomen : « 1° 20.244 euro voor een alleenstaande persoon zonder personen ten laste; 2° 21.940 euro voor een alleenstaande persoon met een handicap als vermeld in artikel 6.1, eerste lid, 4°, c), en die geen andere personen ten laste heeft; 3° 30.365 euro voor andere personen, verhoogd met 1 697 euro per persoon ten laste ». Het referentie-inkomen heeft louter betrekking op de som van de volgende inkomsten die ontvangen zijn in het jaar waarop het laatst beschikbare aanslagbiljet betrekking heeft :
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.