← België

ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 18 januari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.010 Arrest- Rolnummer: 10/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-01-29 Raadplegingen: 337 - laatst gezien 2026-06-19 01:45 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Geen schending (artikel 17quater, § 3, 1°, van de wet van 15 maart 1954) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag over artikel 17quater, § 3, van de wet van 15 maart 1954 « betreffende de herstelpensioenen voor de burgerlijke slachtoffers van de oorlog van 1940-1945 en hun rechthebbenden », gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Henegouwen, afdeling Doornik. Pensioenen - Weduwen van oorlogsinvaliden - Reversiepensioen - Voorwaarden - Duur van het huwelijk Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 10/2024 van 18 januari 2024 Rolnummer : 7959 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 17quater, § 3, van de wet van 15 maart 1954 « betreffende de herstelpensioenen voor de burgerlijke slachtoffers van de oorlog van 1940-1945 en hun rechthebbenden », gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Henegouwen, afdeling Doornik. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters T. Giet, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, D. Pieters, S. de Bethune, E. Bribosia, W. Verrijdt, K. Jadin en M. Plovie, bijgestaan door de griffier N. Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 20 maart 2023, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 27 maart 2023, heeft de Rechtbank van eerste aanleg Henegouwen, afdeling Doornik, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 17quater, § 3, van de wet van 15 maart 1954 betreffende de herstelpensioenen voor de burgerlijke slachtoffers van de oorlog van 1940-1945 en hun rechthebbenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in voorkomend geval in samenhang gelezen met artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, in die zin geïnterpreteerd dat de langstlevende echtgenoot van een na 1 januari 1960 overleden oorlogsslachtoffer van wie het huwelijk minder dan tien jaar heeft geduurd geen reversiepensioen kan genieten, zelfs indien de duur van het samenleven (huwelijk en feitelijke samenwoning) gelijk is aan en zelfs langer is dan tien jaar en dus dat het, enerzijds, de personen die op het tijdstip van het overlijden gedurende tien jaar gehuwd zijn en, anderzijds, de personen die op het tijdstip van het overlijden gedurende minder dan tien jaar gehuwd zijn maar gedurende minstens tien jaar samenwonend zijn geweest (ofwel hebben samengeleefd), verschillend behandelt ? 2 Heeft die interpretatie niet tot gevolg dat er op onverantwoorde en/of onevenredige wijze een bepaalde vorm van samenleven wordt opgedrongen, namelijk het huwelijk, met uitsluiting van elke andere vorm van samenleven zoals de feitelijke samenwoning ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - Christine Page, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. S. Kaisergruber, advocaat bij de balie te Brussel; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. E. Jacubowitz en Mr. C. Caillet, advocaten bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 18 oktober 2023 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers M. Pâques en Y. Kherbache te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 8 november 2023 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 8 november 2023 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Christine Page en Roger Brasseur zijn op 31 mei 1997 gehuwd, na vijf jaar samenleven. Roger Brasseur is op 26 mei 2006 overleden. Hij genoot, als burgerlijk slachtoffer van de oorlog 1940-1945, een herstelpensioen voor een invaliditeitsgraad van 61 %. Ingevolge dat overlijden vraagt Christine Page een reversiepensioen aan op basis van artikel 19 van de wet van 15 maart 1954 « betreffende de herstelpensioenen voor de burgerlijke slachtoffers van de oorlog 1940-1945 en hun rechthebbenden » (hierna : de wet van 15 maart 1954). De Staatscommissaris weigert haar dat reversiepensioen toe te kennen, omdat het huwelijk geen duur van minstens tien jaar heeft gehad, zoals bij artikel 17quater, § 3, van de wet van 15 maart 1954 wordt geëist. Voor de Rechtbank van eerste aanleg Henegouwen, afdeling Doornik, vordert Christine Page dat de Belgische Staat wegens onrechtmatige daad wordt veroordeeld, op grond van de ongrondwettigheid van het voormelde artikel 17quater, § 3, in zoverre het de langstlevende echtgenoot van een oorlogsslachtoffer niet toelaat een reversiepensioen te genieten wanneer het huwelijk minder dan tien jaar heeft geduurd, maar de duur van het samenleven (feitelijke samenwoning gevolgd door een huwelijk) langer is dan tien jaar. Op verzoek van Christine Page stelt de Rechtbank de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. 3 III. In rechte -A- A.1.

  1. De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege verwijst naar meerdere arresten waarbij het Hof heeft geoordeeld dat het discriminerend was om de jaren van wettelijke samenwoning niet gelijk te stellen aan het huwelijk. Die rechtspraak dient te worden overgenomen voor de feitelijke samenwoning. Te dezen vond de feitelijke samenwoning plaats tussen 1992 en
  2. De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege zou niet volgens de regeling van de wettelijke samenwoning hebben kunnen samenwonen, aangezien die regeling in 1998 werd gecreëerd. A.1.
  3. De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege merkt op dat de voorwaarde dat het huwelijk minstens tien jaar moet hebben geduurd, die in de wet van 15 maart 1954 werd ingevoegd bij de wet van 4 juni 1982 « tot wijziging van de pensioenregeling der oorlogsweduwen », niet wordt verantwoord in de parlementaire voorbereiding. Die voorwaarde compenseert het feit dat het reversiepensioen – in tegenstelling tot de andere pensioenen voor rechthebbenden – zelfs kan worden toegekend bij ontstentenis van een oorzakelijk verband tussen het overlijden en het schadelijke feit en zelfs indien het huwelijk dateert van na het oorlogsfeit. Volgens de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege wilde de wetgever, in 1982, zich met die huwelijksvoorwaarde vergewissen van het feit dat het slachtoffer en de langstlevende echtgenoot effectief gedurende minstens tien jaar hadden samengewoond en een affectieve relatie hadden onderhouden. Te dezen is die doelstelling bereikt, aangezien de betrokken personen gedurende veertien jaar hebben samengeleefd, waarvan vijf jaar als feitelijk samenwonenden en negen als echtgenoten. A.1.
  4. De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege verwijst naar artikel 2 van de wet van 18 juli 2017 « betreffende de oprichting van het statuut van nationale solidariteit, de toekenning van een herstelpensioen en de terugbetaling van medische zorg ingevolge daden van terrorisme » (hierna : de wet van 18 juli 2017), waarin onder de rechthebbenden van het rechtstreekse slachtoffer, de langstlevende echtgenoot en de langstlevende wettelijk of feitelijk samenwonende worden vermeld. Die bepaling stelt de gehuwde koppels dus gelijk aan de wettelijk en feitelijk samenwonenden. Logischerwijze is het dezelfde wil die de wetgever in 1982 heeft gehad, bij de invoeging van artikel 17quater in de wet van 15 maart
  5. Volgens de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege is het feit dat de wet van 18 juli 2017 (tot op heden) niet in een reversiepensioen voorziet voor de rechthebbenden van de slachtoffers van terrorisme niet pertinent. Wat ertoe doet, is dat de wet van 18 juli 2017 het huwelijk, het wettelijk samenwonen en het feitelijk samenwonen gelijkstelt. Daarnaast bestaan er andere gevallen waarin bepaalde wetgevers de wettelijk samenwonenden en de feitelijk samenwonenden op gelijke wijze behandelen, bijvoorbeeld inzake successierechten. A.1.
  6. De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege merkt op dat, volgens het Hof, een verschil in behandeling tussen gehuwde personen en wettelijk samenwonenden kan worden verantwoord op basis van het doel van de betrokken maatregel. Te dezen verantwoordt het met de in het geding zijnde bepaling nagestreefde doel het verschil in behandeling niet. De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege doet gelden dat het Hof een verschil in behandeling tussen wettelijk samenwonenden en feitelijk samenwonenden kan toestaan om reden dat de feitelijk samenwonenden ervoor hebben gekozen niet te huwen of wettelijk samen te wonen. Te dezen hebben de betrokken personen een dergelijke keuze niet kunnen maken. Zij konden niet meteen huwen omdat ze de scheiding van Roger Brasseur hebben moeten afwachten. Zij zouden ook niet voor wettelijke samenwoning hebben kunnen kiezen, aangezien die nog niet bestond. A.1.
  7. De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege verwijst ten slotte naar de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, waaruit blijkt dat een Staat de toekenning van een reversiepensioen aan de langstlevende echtgenoot rechtsgeldig kan weigeren wanneer die heeft nagelaten de stappen te ondernemen om de relatie te laten erkennen, terwijl dergelijke stappen mogelijk waren in het interne recht (zie met name EHRM, 2 november 2010, Şerife Yiğit t. Turkije, § 84, ECLI:CE:ECHR:2010:1102JUD000397605). A contrario dient te dezen een reversiepensioen te worden toegekend, aangezien er tussen 1992 en 1997 geen mechanisme bestond dat toeliet de relatie van de twee betrokken personen wettelijk te bekrachtigen. 4 A.1.
  8. In ondergeschikte orde stelt de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege voor om een adviesverzoek aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens te richten, op basis van het Protocol nr. 16 bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. A.2.
  9. De Ministerraad voert aan dat het in het geding zijnde verschil in behandeling op een objectief criterium berust, namelijk het al dan niet bestaan van een huwelijk van een duur van minstens tien jaar. Daarnaast streeft de maatregel een legitiem doel na. De wetgever heeft immers ervoor gekozen het recht op het pensioen slechts te openen voor de enige bij wet geregelde samenlevingsvorm op het moment waarop artikel 17quater bij de wet van 30 juni 1983 « tot aanvulling van de wetgeving betreffende de aan de oorlogsslachtoffers toegekende pensioenen en renten » in de wet van 15 maart 1954 werd ingevoegd. De voorwaarde dat het huwelijk minstens tien jaar moet hebben geduurd, toont de duurzaamheid en de stabiliteit van het huwelijk aan. De maatregel is adequaat en is niet onevenredig met het nagestreefde doel in zoverre hij geen rekening houdt met de voorafgaande jaren samenwoning. De Ministerraad merkt op dat het Hof bij zijn arrest nr. 137/2000 van 21 december 2000 (ECLI:BE:GHCC:2000:ARR.137) heeft geoordeeld dat het huwelijk en de feitelijke samenwoning samenlevingsvormen zijn die verschillende juridische gevolgen hebben. De feitelijk samenwonenden hebben niet dezelfde rechten en plichten als de gehuwde personen. Bovendien is de feitelijke samenwoning geen geïnstitutionaliseerde samenlevingsvorm en staat die niet met dezelfde zekerheid vast als de door een huwelijk gevormde gemeenschap. Het recht op het pensioen is het gevolg van de keuze van de personen voor de ene of de andere samenlevingsvorm. A.2.
  10. De Ministerraad voert aan dat de toetsing van het verschil in behandeling aan artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens niet tot een andere conclusie leidt. De Ministerraad verwijst naar de beslissing van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens Manenc t. Frankrijk van 21 september 2010 (ECLI:CE:ECHR:2010:0921DEC006668609). Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft bij dat arrest geoordeeld dat de Franse wet, in zoverre zij de toekenning van een reversiepensioen slechts toestaat aan gehuwde personen, met uitsluiting van de partners van een « pacte civil de solidarité » (PACS), een legitiem doel nastreeft, namelijk de bescherming van de familie met de banden van het huwelijk als basis. Volgens dat Hof verplicht artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens de Staten niet om het recht op een reversiepensioen ten voordele van de langstlevende echtgenoot uit te breiden tot de samenwonende. Daaruit volgt dat de inmenging in het privé- en gezinsleven die uit de in het geding zijnde bepaling zou voortvloeien redelijk verantwoord is. A.3.
  11. De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege antwoordt dat te dezen de betrokken personen niet voor een samenlevingsvorm hebben gekozen, zoals zij evenmin hebben beslist dat Roger Brasseur na negen jaar huwelijk zou overlijden, in plaats van na tien jaar. Een verschil in behandeling tussen de gehuwde personen en de wettelijk of feitelijk samenwonenden is slechts toelaatbaar onder de dubbele voorwaarde dat de betrokken personen de wettelijke regeling van hun relatie vrij hebben kunnen kiezen en dat een verantwoord en evenredig verband bestaat tussen het verschil in behandeling onder de samenlevingsvormen en het doel van de maatregel. A.3.
  12. De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege voert vervolgens aan dat de voormelde beslissing Manenc t. Frankrijk te dezen niet pertinent is. Het is een oude en achterhaalde beslissing; zij betreft een verschil in behandeling niet op basis van de samenlevingsvorm maar op basis van de seksuele geaardheid. De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege verwijst naar het meer recente arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 december 2013 in zake Hay (C-267/12, ECLI:EU:C:2013:823), dat daartegen ingaat. A.4.
  13. De Ministerraad voert aan dat de wetgever, door naar het huwelijk te verwijzen, zich niet alleen ervan wou vergewissen dat het slachtoffer en de langstlevende echtgenoot gedurende minstens tien jaar onder hetzelfde dak hebben geleefd en een affectieve relatie hebben onderhouden, maar ook dat zij, tijdens die periode, de wil hebben gehad om daaraan burgerlijke en patrimoniale gevolgen te verbinden. Het doel van de wetgever was om het gezinsleven als resultaat van de instelling van het huwelijk te beschermen. Bovendien veronderstelt de feitelijke samenwoning niet noodzakelijk dat de betrokkenen de wil hebben een permanente affectieve relatie tussen hen te creëren en te onderhouden, in een stabiele gemeenschappelijke woonplaats. A.4.
  14. De Ministerraad benadrukt dat de verwijzing naar de wet van 18 juli 2017 niet pertinent is, aangezien zij betrekking heeft op een andere regeling, en dat de wil van de wetgever in 1982 niet kan worden afgeleid uit de wil van de wetgever zoals die in 2017 werd uitgedrukt. 5 Hij voegt eraan toe dat de betrokken personen te dezen ervoor hadden kunnen kiezen om te huwen, en dat het in voorkomend geval aan Roger Brasseur stond om zo snel mogelijk een einde te maken aan zijn vorige huwelijk. Rekening houdend met die mogelijkheid kan niet worden ingegaan op het adviesverzoek bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Bovendien, volgens de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege, indien een gehuwd persoon gedurende minstens tien jaar samenwoont met een andere persoon dan de echtgenoot, zouden zowel de langstlevende echtgenoot als de samenwonende aanspraak kunnen maken op het reversiepensioen, hetgeen niet mogelijk is. Daarnaast kan op grond van het feit dat er andere wetgevingen bestaan waarin de wettelijk samenwonenden en de feitelijk samenwonenden op dezelfde wijze worden behandeld geenszins worden vastgesteld dat de in het geding zijnde bepaling discriminerend zou zijn. Ten slotte, zelfs indien de wettelijke samenleving toen zou hebben bestaan, zouden de betrokken personen in ieder geval er geen beroep op hebben kunnen doen, aangezien één van hen gehuwd was. -B- B.
  15. Krachtens artikel 17quater van de wet van 15 maart 1954 « betreffende de herstelpensioenen voor de burgerlijke slachtoffers van de oorlog van 1940-1945 en hun rechthebbenden » (hierna : de wet van 15 maart 1954), heeft de langstlevende echtgenoot van een persoon die een invaliditeitspensioen genoot als burgerlijk slachtoffer van de oorlog 1940-1945 recht op een pensioen, reversiepensioen genaamd, bij het overlijden van die laatste, mits aan meerdere voorwaarden wordt voldaan. Het in het geding zijnde artikel 17quater, § 3, van de wet van 15 maart 1954 bepaalt : « De overlevende echtgenoot verkrijgt het pensioen waarin bij dit artikel wordt voorzien voor zover : 1° het huwelijk ten minste 10 jaar geduurd heeft; indien de invalide evenwel voor 1 januari 1960 overleden is, wordt de vereiste minimumduur van het huwelijk verminderd met een duur, gelijk aan het verschil tussen 1960 en het jaartal van het overlijden van de invalide, zonder dat deze minimumduur kleiner mag zijn dan één jaar; 2° de andere echtgenoot tijdens de periode van één jaar voor zijn overlijden zonder onderbreking krachtens deze wet houder is geweest als oorlogsinvalide van een pensioen waarvan het bedrag minstens gelijk is aan dat overeenstemmend met een invaliditeitspercentage van 10 pct. vergoed met toepassing van artikel 6, § 1 ». B.
  16. Het verwijzende rechtscollege vraagt aan het Hof of die bepaling bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 22 van de Grondwet en met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre zij niet toelaat een reversiepensioen toe te kennen aan de langstlevende echtgenoot van een 6 oorlogsslachtoffer van wie het huwelijk minder dan tien jaar heeft geduurd, terwijl de totale duur van het samenleven gelijk was aan minstens tien jaar, in de vorm van een feitelijke samenwoning gevolgd door een huwelijk. Het verwijzende rechtscollege stelt aan het Hof een vraag over het verschil in behandeling dat daaruit voortvloeit tussen de personen die gedurende minstens tien jaren gehuwd waren op het moment van het overlijden van de persoon die een invaliditeitspensioen genoot en de personen die gedurende minder dan tien jaar gehuwd waren maar die gedurende minstens tien jaar hadden samengewoond op het moment van het overlijden. Het vraagt zich af of de in het geding zijnde bepaling niet tot gevolg heeft dat er op onverantwoorde en/of onevenredige wijze een bepaalde vorm van samenleven wordt opgedrongen, namelijk het huwelijk, met uitsluiting van elke andere vorm van samenleven, zoals de feitelijke samenwoning. B.3.
  17. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. B.3.
  18. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.3.
  19. Artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens waarborgen het recht op eerbiediging van het privé- en het gezinsleven. B.
  20. Het verschil in behandeling berust op een objectief criterium, namelijk het al dan niet bestaan van een huwelijk met een minimale duur van tien jaar tussen de persoon die recht had op een invaliditeitspensioen als burgerlijk slachtoffer van de oorlog 1940-1945, die is overleden, en de langstlevende echtgenoot. 7 Het Hof dient vast te stellen of het discriminerend is geen rekening te houden met de periode waarin de betrokken personen hebben samengeleefd alvorens te huwen om te bepalen of de langstlevende echtgenoot recht heeft op het in B.1 vermelde reversiepensioen. B.
  21. In de parlementaire voorbereiding van de wet van 30 juni 1983 « tot aanvulling van de wetgeving betreffende de aan de oorlogsslachtoffers toegekende pensioenen en renten », die aan de basis ligt van de voorwaarde dat het huwelijk minstens tien jaar moet hebben geduurd opdat de langstlevende echtgenoot recht heeft op een reversiepensioen, wordt de bestaansreden van die voorwaarde niet gepreciseerd. Volgens de Ministerraad heeft de wetgever ervoor gekozen het recht op het reversiepensioen enkel te openen voor de op dat ogenblik enige geïnstitutionaliseerde vorm van samenleven, namelijk het huwelijk. B.
  22. De Staten hebben een zekere beoordelingsvrijheid wanneer zij in een verschillende behandeling voorzien naargelang een koppel al dan niet gehuwd is, met name in de domeinen die onder het sociale en fiscale beleid vallen, bijvoorbeeld inzake belasting, pensioenen en sociale zekerheid (EHRM, grote kamer, Şerife Yiğit t. Turkije, 2 november 2010,ECLI:CE:ECHR:2010:1102JUD000397605, § 72; Korosidou t. Griekenland, 10 februari 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0210JUD000995708, § 70). B.
  23. Bij het bepalen van het pensioenbeleid beschikt de wetgever over een ruime beoordelingsbevoegdheid. Hij heeft het voordeel van het reversiepensioen redelijkerwijs kunnen voorbehouden aan de personen die een stabiele en duurzame gemeenschap vormen en die hun relatie, in dat kader, hebben geformaliseerd door een beroep te doen op een geïnstitutionaliseerde vorm van samenleven, zoals het huwelijk. De door feitelijk samenwonenden gevormde gemeenschap staat immers niet met dezelfde zekerheid vast als die welke ontstaat uit het huwelijk en daaruit vloeien niet dezelfde rechten en plichten voort. Terwijl de echtgenoten hun relatie hebben geformaliseerd en hun wederzijdse rechten en plichten hebben bepaald, zijn de feitelijke samenwonenden immers niet dezelfde juridische verbintenissen jegens elkaar aangegaan en is de feitelijke samenwoning geen geïnstitutionaliseerde vorm van samenleven. 8 B.
  24. Rekening houdend met het voorgaande, is het redelijkerwijs verantwoord dat de wetgever geen rekening houdt met de periode waarin de betrokken personen feitelijk hebben samengeleefd alvorens te huwen om te bepalen of de langstlevende echtgenoot recht heeft op het in B.1 vermelde reversiepensioen. B.
  25. Het verschil in behandeling veroorzaakt geen onevenredige gevolgen. Er dient in dit opzicht rekening te worden gehouden met het feit dat wordt beslist te huwen of buiten het huwelijk samen te wonen met kennis van de voor- en nadelen van de ene of de andere vorm van samenleven. Het feit dat de betrokken personen, te dezen, niet eerder konden huwen, is niet het gevolg van de ontstentenis van een mechanisme dat toelaat hun relatie wettelijk te bekrachtigen, maar wel van de omstandigheid dat één van die twee personen door een vorig huwelijk gebonden was. B.
  26. Artikel 17quater, § 3, 1°, van de wet van 15 maart 1954 is bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, alsook met artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Er is geen aanleiding om een adviesverzoek aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens te richten. 9 Om die redenen, Het Hof zegt voor recht : Artikel 17quater, § 3, 1°, van de wet van 15 maart 1954 « betreffende de herstelpensioenen voor de burgerlijke slachtoffers van de oorlog van 1940-1945 en hun rechthebbenden » schendt niet de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 18 januari
  27. De griffier, De voorzitter, N. Dupont P. Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.010 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:GHCC:2000:ARR.137 ECLI:CE:ECHR:2010:0921DEC006668609 ECLI:CE:ECHR:2010:1102JUD000397605 ECLI:CE:ECHR:2011:0210JUD000995708 ECLI:EU:C:2013:823 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.