← België

ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.011

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 18 januari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.011 Arrest- Rolnummer: 11/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-01-29 Raadplegingen: 662 - laatst gezien 2026-06-18 16:30 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Schending (artikel 68/1, § 2, tweede lid, van de wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, in zoverre het de personen die ertoe werden gemachtigd de titel van psycholoog te dragen met toepassing van artikel 14 van de wet van 8 november 1993 en die over een beroepservaring van ten minste drie jaar in het domein van de klinische psychologie beschikken, uitsluit van de overgangsregeling waarin het voorziet) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag over artikel 68/1, § 2, tweede lid, van de wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, gecoördineerd op 10 mei 2015, gesteld door de Raad van State. Gezondheidszorgberoepen - Uitoefening van de klinische psychologie - Voorwaarden - Overgangsregeling - Beperking - Houders van een diploma van universitair onderwijs Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 11/2024 van 18 januari 2024 Rolnummer : 7979 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 68/1, § 2, tweede lid, van de wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, gecoördineerd op 10 mei 2015, gesteld door de Raad van State. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters T. Giet, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache en D. Pieters, bijgestaan door de griffier N. Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest nr. 256.226 van 6 april 2023, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 20 april 2023, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 68/1, § 2, tweede lid, van de wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de beginselen van rechtszekerheid en gewettigd vertrouwen, in zoverre de overgangsregeling waarin het voorziet voor de personen die een beroepservaring van minstens drie jaar in het domein van de klinische psychologie kunnen bewijzen, wordt voorbehouden aan die welke houder zijn van een universitair diploma in het domein van de psychologie, met uitsluiting van de andere personen die ertoe zijn gemachtigd de titel van psycholoog te dragen met toepassing van artikel 14 van de wet van 8 november 1993 tot bescherming van de titel van psycholoog ? ». Memories zijn ingediend door : - Anouk Dohmen, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. V. Letellier, advocaat bij de balie te Brussel; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. E. Jacubowitz en Mr. C. Caillet, advocaten bij de balie te Brussel. 2 Anouk Dohmen heeft ook een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 8 november 2023 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers M. Pâques en Y. Kherbache te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Anouk Dohmen is houder van een in 1984 aan het « Institut libre Marie Haps » behaald diploma van het voltijds hoger onderwijs van het korte type van assistente in de psychologie, klinisch specialisme. Zij werkt sedert 1 september 1985 als klinisch psychologe en sedert 1 april 2007 binnen een private psychologenpraktijk. Bij de wet van 8 november 1993 « tot bescherming van de titel van psycholoog » (hierna : de wet van 8 november 1993) wordt het gebruik van de titel van psycholoog in beginsel voorbehouden aan de houders van een universitair diploma in de psychologie. Op grond van een overgangsbepaling van die wet werd Anouk Dohmen evenwel ertoe gemachtigd de titel van psycholoog te dragen met alle rechten daaraan verbonden. Zij is sedert 1 januari 1996 ingeschreven op de lijst die wordt bijgehouden door de Psychologencommissie. Bij de artikelen 68/1 tot 68/4 van de wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, gecoördineerd op 10 mei 2015 (hierna : de gecoördineerde wet van 10 mei 2015), worden de regels vastgesteld met betrekking tot de uitoefening van de klinische psychologie en de klinische orthopedagogiek, waaronder de voornaamste erkenningsvoorwaarden. De beoefenaars van een gezondheidszorgberoep, onder wie de klinisch psychologen en de klinisch orthopedagogen, mogen hun vak enkel uitoefenen nadat zij het vereiste visum op basis van hun diploma hebben verkregen, overeenkomstig artikel 25 van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 en, vervolgens, ingevolge de opheffing van die bepaling, overeenkomstig artikel 11 van de wet van 22 april 2019 « inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg ». Op 13 november 2019 dient Anouk Dohmen een aanvraag in om het vereiste visum te verkrijgen voor de uitoefening van de klinische psychologie. Op 28 april 2022 beslist de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid om haar te weigeren het visum uit te reiken, met name om reden dat haar diploma geen diploma van het universitair onderwijs in het vakgebied van de psychologie is. Anouk Dohmen vordert de nietigverklaring van die beslissing voor de Raad van State. In die context stelt de Raad van State de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.

  1. De verzoekende partij voor de Raad van State merkt op dat artikel 14 van de wet van 8 november 1993 de houders van een diploma in de psychologie van het hoger onderwijs buiten de universiteit met een minimale 3 beroepservaring de mogelijkheid heeft geboden om de titel van psycholoog te dragen, mits de bevoegde overheid een beslissing in die zin heeft genomen. De wetgever heeft geoordeeld dat die personen dezelfde mate van kwaliteit boden als die welke wordt verwacht van een houder van een universitair diploma in de psychologie. De verzoekende partij voor de Raad van State is van mening dat met de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 hetzelfde doel inzake kwaliteit wordt nagestreefd als met de wet van 8 november 1993, in zoverre zij erin voorziet dat de beoefenaar houder moet zijn van een universitair diploma in de klinische psychologie. De in het geding zijnde bepaling is ongrondwettig in zoverre zij de personen die de in de wet van 8 november 1993 bedoelde overgangsregeling hebben genoten, niet de mogelijkheid biedt om te blijven praktiseren als klinisch psycholoog. Het is niet redelijk verantwoord dat die personen definitief worden uitgesloten van de uitoefening van de klinische psychologie, ook al kunnen zij de titel blijven dragen die traditioneel verbonden is aan de uitoefening van die praktijk en ook al doen zij blijken van minstens 25 jaar ervaring op 1 september
  2. De verzoekende partij voor de Raad van State voert aan dat de onmogelijkheid voor haar om haar beroep te blijven uitoefenen nadat zij, in 1994, daartoe werd gemachtigd door een commissie die ermee is belast na te gaan of zij, rekening houdend met haar opleiding en met haar ervaring, waarborgen bood die vergelijkbaar zijn met die welke voortvloeien uit het behalen van een universitair diploma, daarenboven afbreuk doet aan haar rechtmatige verwachtingen. A.
  3. De Ministerraad voert aan dat de wetgever, bij de in het geding zijnde bepaling, een gezondheidssector wenst te regelen die voordien niet was geregeld, teneinde een aantal ontsporingen tegen te gaan, een kader te bieden dat de competenties van de klinisch psychologen waarborgt en, zodoende, de patiënten te beschermen in een context waar de nood aan een kwaliteitsvolle dienstverlening inzake zorgverstrekking toeneemt. Volgens de wetgever oefenen al te veel personen de klinische psychologie uit zonder over de vereiste kwalificaties te beschikken. De wetgever is in dat verband van mening dat het onontbeerlijk is om houder te zijn van een universitair diploma om de titel van klinisch psycholoog toegekend te krijgen. Een andersluidend amendement werd in de commissie verworpen. De omstandigheid dat een persoon gedurende verschillende jaren heeft gepraktiseerd onder de titel van klinisch psycholoog, waarborgt de kwaliteit van de verstrekte zorg onvoldoende. De Ministerraad voegt eraan toe dat de doelstellingen van de wet van 8 november 1993 soortgelijk zijn aan die van de wet van 4 april 2014 « tot regeling van de geestelijke gezondheidszorgberoepen en tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen », maar zij zijn niet identiek. In 1994 was het noodzakelijk om de titel van psycholoog te beschermen om de patiënten een kwaliteitsvolle dienstverlening te waarborgen. Artikel 68/1, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 gaat verder, aangezien het ertoe strekt kwakzalverij en beroepsbeoefenaars die praktiseren als klinisch psycholoog zonder over de vereiste competenties te beschikken, tegen te gaan. Het gaat om de veiligheid van de patiënt, die een dwingende reden van algemeen belang uitmaakt. Daarenboven staan het beginsel van gewettigd vertrouwen en het rechtszekerheidsbeginsel niet eraan in de weg dat de wetgever zich vergewist van de competenties van de beroepsbeoefenaars die praktiseren als klinisch psycholoog. Ten slotte is de door de verzoekende partij voor de Raad van State verworven ervaring niet verloren; het volstaat dat zij een universitaire opleiding volgt om als klinisch psychologe te praktiseren. De Ministerraad besluit dat de ontstentenis van een overgangsregeling voor psychologen die enkel een niet-universitair diploma hebben behaald, redelijk verantwoord is. A.
  4. De verzoekende partij voor de Raad van State antwoordt dat het doel dat erin bestaat kwakzalverij tegen te gaan en de patiënt te beschermen tegen de ontsporingen in de sector, in essentie betrekking heeft op de uitoefening van de psychotherapie. Dat doel is niet pertinent met betrekking tot de psychologen, wier titel wordt beschermd sedert de inwerkingtreding van de wet van 8 november 1993 en die aan de controle van de Psychologencommissie zijn onderworpen. Met de regeling van de uitoefening van de klinische psychologie wordt een onderscheiden doel nagestreefd, dat erin bestaat die beoefenaars op te nemen in de regeling van de gezondheidszorg en in een zorgtraject dat wordt aanbevolen door de Wereldgezondheidsorganisatie. Volgens de verzoekende partij voor de Raad van State berust de argumentatie van de Ministerraad op verwarring tussen het dragen van de titel van psycholoog en de uitoefening van het beroep. Het dragen van de titel wordt geregeld bij de wet van 8 november 1993, terwijl de uitoefening van het beroep wordt geregeld bij artikel 62/1 van de gecoördineerde wet van 10 mei
  5. Er kan niet redelijkerwijs worden aangevoerd dat een persoon die de titel van psycholoog wettig draagt - en die dus houder is van een universitair diploma, behoudens toepassing van de overgangsregeling -, niet doet blijken van de noodzakelijke kwaliteiten om het beroep van klinisch psycholoog uit te oefenen, hetgeen zou inhouden dat hij houder zou moeten zijn van een universitair 4 diploma. Het is daarentegen verantwoord om te eisen dat de uitoefening van de klinische psychologie wordt voorbehouden aan psychologen en dus dat dezelfde voorwaarden worden opgelegd voor de uitoefening van het beroep en voor het gebruik van de titel. De verzoekende partij voor de Raad van State preciseert dat haar stelling niet erop neerkomt dat aan de wetgever de verplichting wordt opgelegd om in dezelfde overgangsregeling te voorzien als die van de wet van 8 november 1993, maar hoogstens dat hij wordt verplicht te erkennen dat de psychologen die op de door de Psychologencommissie bijgehouden lijst zijn ingeschreven op de datum van inwerkingtreding van de bepaling die de uitoefening van het beroep regelt op basis van de overgangsregeling van de wet van 8 november 1993, het beroep van klinisch psycholoog moeten kunnen blijven uitoefenen. -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling en de context ervan B.1.
  6. Artikel 10 van de wet van 22 april 2019 « inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg » (hierna : de wet van 22 april 2019) bepaalt dat de gezondheidszorgbeoefenaar enkel gezondheidszorg mag verstrekken indien hij beschikt over een visum dat zijn bekwaamheid tot uitoefening van zijn gezondheidszorgberoep reflecteert. Dat visum wordt uitgereikt door het directoraat-generaal Gezondheidszorg van de Federale Overheidsdienst (FOD) Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu op basis van het basisdiploma van de gezondheidszorgbeoefenaar om het desbetreffende beroep in België te kunnen uitoefenen (artikel 11 van dezelfde wet). B.1.
  7. Artikel 68/1, § 1, eerste lid, van de wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, gecoördineerd op 10 mei 2015 (hierna : de gecoördineerde wet van 10 mei 2015), bepaalt dat, buiten de artsen, alleen de houder van een erkenning uitgereikt door de minister bevoegd voor Volksgezondheid de klinische psychologie mag uitoefenen. Het in het geding zijnde artikel 68/1, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015, in de versie die van toepassing was bij het aannemen van de voor de Raad van State bestreden handeling, bepaalt : « De erkenning in de klinische psychologie kan enkel worden verleend aan de houder van een diploma van het universitaire onderwijs in het domein van de klinische psychologie behaald ter afsluiting van een opleiding, die in het kader van het voltijds onderwijs, minstens vijf jaar studie of 300 punten in het Europees systeem voor de overdracht en de accumulatie van studiebelastingpunten (ECTS) telt, een stage in het domein van de klinische psychologie inbegrepen. Met de houder van een diploma in het domein van de klinische psychologie worden 5 gelijkgesteld, de personen die houder zijn van een universitair diploma in het vakgebied van de psychologie dat uitgereikt werd voor de inwerkingtreding van dit artikel en die een beroepservaring van minimum drie jaar in het domein van de klinische psychologie kunnen bewijzen ». Die bepalingen zijn in werking getreden op 1 september
  8. Daaruit volgt dat het diploma dat is vereist om de klinische psychologie uit te oefenen, op basis waarvan het directoraat-generaal Gezondheidszorg van de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu het in artikel 10 van de wet van 22 april 2019 vermelde visum al dan niet toekent, betrekking heeft op de in artikel 68/1, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 bedoelde diploma’s. B.2.
  9. Bij de wet van 4 april 2014 « tot regeling van de geestelijke gezondheidszorgberoepen en tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen » (hierna : de wet van 4 april 2014), die aan de oorsprong ligt van artikel 68/1 van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015, regelt de wetgever de sector van de geestelijke gezondheidszorg en voert hij een kader in dat de bekwaamheid van de klinisch psychologen waarborgt en ze erkent als volwaardige gezondheidszorgbeoefenaars. Het is de bedoeling de patiënten te beschermen in een context waar de nood aan een kwaliteitsvolle dienstverlening op het gebied van de geestelijke gezondheidszorg toeneemt : « Enerzijds is [de sector van de geestelijke gezondheidszorg] volstrekt onbevattelijk voor de patiënten. Zo is aangetoond dat, ofschoon almaar meer Belgen uitdrukkelijk te kennen geven behoefte te hebben aan psychologische begeleiding, zij toegeven niet te weten tot wie zij zich moeten wenden. Zij zijn niet op de hoogte van de specifieke eigenheden van de verschillende betrokkenen (huisarts, psychiater, psycholoog, psychotherapeut enzovoort). Voorts weigeren veel mensen hun huisarts of een psychiater te raadplegen uit angst dat zij vrijwel automatisch een geneesmiddelenbehandeling voorgeschreven zullen krijgen of omdat zij een zekere mate van privacy omtrent intieme aangelegenheden wensen te handhaven, maar aarzelen zij tegelijkertijd om zich te wenden tot andere beroepsbeoefenaars (psychologen en psychotherapeuten), uit angst in handen van een charlatan te vallen. En dat gevaar bestaat inderdaad. Vandaag de dag mag onverschillig wie improviseren en zich psychotherapeut noemen. De patiënt heeft dus niet de minste garantie aangaande de kwaliteit van de ‘ therapeut ’ die hij raadpleegt, en het spreekt voor zich dat hij zich aldus blootstelt aan eventuele ontsporingen; zo loopt hij onder meer een risico op hersenspoeling, stopzetting van conventionele zorgverstrekking enzovoort. 6 Het feit dat het werk van die beroepsbeoefenaars in de gezondheidszorg niet officieel wordt erkend, kan dan weer een belemmering vormen voor een interdisciplinaire opvang van de patiënten, zoals dat nochtans door de WGO wordt aanbevolen. De WGO pleit immers uitdrukkelijk voor een tegelijkertijd biologische, psychologische en sociale aanpak van psychische en psychiatrische problemen, met name opdat de gevolgen van individuele en sociale factoren voor de ziekte en de gezondheid duidelijker worden gediagnosticeerd en duurzamer kunnen worden aangepakt. Daartoe moeten nieuwe beroepsbeoefenaars worden opgenomen in de organisatie van de gezondheidszorg en dienen de betrokkenen officieel in de uitoefening van hun beroep te worden erkend. Bovendien genieten die beroepsmensen, door het ontbreken van een reglementering, niet de minste bescherming, met name de psychologen die nochtans vermeld staan in de personeelsnormen van diverse zorgverstrekkende diensten en zorginstellingen, alsook van zorgprogramma’s (bijvoorbeeld in de oncologie, bij de afdelingen van de vzw Service de Santé Mentale enzovoort). Uit een strikt regelgevend oogpunt zouden die praktijken thans zelfs als onwettig kunnen worden beschouwd. Ten slotte zijn psychologie en psychotherapie interessante alternatieven voor een geneesmiddelenbehandeling, die momenteel overduidelijk problematisch is. De beroepsbeoefenaars in kwestie bieden behandelingen, begeleidingen en technieken die, in sommige gevallen en voor sommige patiënten, zeer doeltreffend kunnen blijken, temeer omdat de redenen die mensen ertoe aanzetten op consult te gaan evenzeer zijn ingegeven door het streven naar zelfvinding en zelfontplooiing als door de wens zich te laten verzorgen. Derhalve is het voor de wetgever belangrijk dat hij erkent dat psychische en sociale aspecten een toenemende en primordiale impact hebben op de gezondheid, alsook dat dit leidt tot complexe behandelingen in de geestelijke gezondheidszorg die een multidisciplinaire aanpak vergen, wat garant staat voor een alomvattende aanpak van de patiënt en zijn naasten. Hoewel het voor zich spreekt dat de geneeskunde levens redt, blijft het onontbeerlijk de wens om te leven te ondersteunen en aldus de genezing te versnellen of zelfs te voorkomen dat iemand opnieuw ziek wordt. Gelet op het onmogelijk te negeren en almaar toenemende onwelbevinden van de bevolking, stellen de indieners van dit wetsvoorstel het volgende : A. aangezien dit onwelbevinden sociale en economische gevolgen heeft; B. aangezien de bevolking kennelijk vragende partij is aanspraak te kunnen maken op een kwaliteitsvolle follow-up inzake geestelijke gezondheidszorg; C. aangezien de klinische psychologie en de klinische orthopedagogiek niet wettelijk zijn erkend als een onder de gezondheidszorg ressorterende beroepsbezigheid; D. aangezien het aantal mensen dat beweert de betrokken patiënten met psychotherapie te kunnen helpen exponentieel toeneemt; 7 is het nuttig :
  10. de klinisch psychologen en klinisch orthopedagogen te erkennen als ‘ beoefenaars van de gezondheidszorgberoepen ’ als bedoeld in het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen;
  11. het houderschap van de titel van psychotherapeut te reglementeren;
  12. een Hoge Raad voor de Geestelijke Gezondheid in te stellen die, samen met de verschillende actoren op het vlak van de geestelijke gezondheid (psychiaters, klinisch psychologen, klinisch orthopedagogen, psychotherapeuten enzovoort), zou worden gelast : a. de politieke wereld te informeren; b. zich te beraden over de opleidings- en de uitoefeningsvoorwaarden met betrekking tot de betrokken beroepen; c. interdisciplinair informatie uit te wisselen over de uitdagingen op het vlak van de geestelijke gezondheid, met name niet alleen wat de gezondheid op zich betreft, maar ook inzake de sociale integratie, de economie, de financiële middelen enzovoort. Die regelgeving zou de activiteiten van die beroepsbeoefenaars en de door hen aangereikte therapieën moeten kunnen verantwoorden, hen een vorm van bescherming bieden die de toets kan doorstaan met de bescherming waarop andere zorgverleners aanspraak kunnen maken, en bovenal de patiënt beschermen door te omschrijven welke vaardigheden vereist zijn om die beroepen uit te oefenen. Doordat deze regelgeving erop aanstuurt de inzet van de klinische psychologie en van de psychotherapie te bevorderen en zij preventief bedoeld is, zou zij een aanzienlijke besparing op de begroting moeten opleveren » (Parl. St., Kamer, 2013-2014, DOC 53-3243/001, pp. 5-7). In de parlementaire voorbereiding wordt eveneens vermeld : « Dit artikel vult het voormelde koninklijk besluit nr. 78 aan met een nieuw hoofdstuk Isexies, met als opschrift ‘ De uitoefening van de klinische psychologie ’. Hoewel de wet van 8 november 1993 het voeren van de titel van psycholoog regelt en onder de bevoegdheid valt van de minister die bevoegd is voor de Middenstand, beoogt dit wetsvoorstel de klinisch psychologen te doen ressorteren onder het toepassingsveld van het voormelde koninklijk besluit nr.
  13. Dat oogmerk is volkomen terecht, eensdeels wegens de noden van de patiënten op dat vlak, en anderdeels op grond van de vigerende praktijk in het veld, zijnde de ziekenhuisomgeving; daarin zijn het al geruime tijd die naar behoren opgeleide beroepsmensen die zich bekommeren om het geestelijk welzijn van de patiënten. Om als klinisch psycholoog aan de slag te gaan, moet de betrokkene beschikken over een ad-hoc-erkenning waarvan de voorwaarden om ze te verkrijgen, te behouden en in te trekken worden bepaald door de Koning, nadat de Federale Raad voor de Klinische Psychologie advies heeft uitgebracht. Die erkenning zal alleen kunnen worden verleend aan de houder van een universitair diploma in de klinische psychologie dat wordt uitgereikt na een opleiding van minstens vijf studiejaren of 300 ECTS-studiepunten, een stage op het vlak van de klinische 8 psychologie inbegrepen. Sommige klinisch psychologen die al geruime tijd als dusdanig aan de slag zijn, voldoen misschien niet aan de voormelde voorwaarden (studieduur en stage). Het spreekt vanzelf dat de via artikel 21sexiesvicies opgerichte Erkenningscommissie de betrokkenen zal erkennen die kunnen aantonen dat zij over beroepservaring terzake beschikken » (ibid., pp. 7-8). B.2.
  14. Tijdens de parlementaire voorbereiding werd een amendement ingediend om de personen die geen houder zijn van een diploma in het vakgebied van de psychologie maar die een beroepservaring kunnen voorleggen in de behandeling en/of begeleiding van patiënten met geestelijke gezondheidszorgproblemen, de mogelijkheid te bieden een individuele aanvraag tot erkenning als psycholoog in te dienen, met de verplichting om een bijkomend opleidingstraject te volgen (Parl. St., Kamer, 2013-2014, DOC 53-3243/002, pp. 2-3). Dat amendement werd om de volgende redenen verworpen : « [Een lid] is het niet eens met de visie van de indiensters van dit amendement. Het wetsvoorstel strekt ertoe een raamwerk af te bakenen dat de bekwaamheid van de klinisch psychologen waarborgt. Om rekening te houden met de actoren die wel over dienstige ervaring beschikken maar niet over de vereiste diploma’s, luidt het nieuwe artikel 21quatervicies, § 2, tweede lid (in fine) : ‘ Met de houder van een diploma in het domein van de klinische psychologie worden gelijkgesteld, de personen die houder zijn van een universitair diploma in het vakgebied van de psychologie uitgereikt vóór de inwerkingtreding van deze bepaling en die een beroepservaring van minimum 3 jaar in het domein van de klinische psychologie kunnen bewijzen ’. Tijdens de besprekingen ter voorbereiding van het wetsvoorstel hebben de actoren van de sector hun eisen inzake diplomavereisten voorgelegd. Een universitair diploma blijft een basisvereiste. De minister bevestigt die zienswijze » (Parl. St., Kamer, 2013-2014, DOC 53-3243/003, p. 17). B.2.
  15. Na het aannemen van de beslissing die voor de Raad van State wordt bestreden, werd artikel 68/1, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 gewijzigd bij artikel 44 van de wet van 18 mei 2022 « houdende diverse dringende bepalingen inzake gezondheid ». 9 Die wijziging, die ertoe strekte verduidelijking te verschaffen over de universitaire diploma’s in de psychologie waarvan de houder kan worden gelijkgesteld met de houder van een universitair diploma in het domein van de klinische psychologie, heeft geen weerslag op het onderzoek van de prejudiciële vraag. Ten aanzien van de prejudiciële vraag B.
  16. De Raad van State stelt het Hof een vraag over de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepaling met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de beginselen van rechtszekerheid en gewettigd vertrouwen, « in zoverre de overgangsregeling waarin [zij] voorziet voor de personen die een beroepservaring van minstens drie jaar in het domein van de klinische psychologie kunnen bewijzen, wordt voorbehouden aan die welke houder zijn van een universitair diploma in het domein van de psychologie, met uitsluiting van de andere personen die ertoe zijn gemachtigd de titel van psycholoog te dragen met toepassing van artikel 14 van de wet van 8 november 1993 tot bescherming van de titel van psycholoog » (hierna : de wet van 8 november 1993). B.
  17. Artikel 1, 1°, van de wet van 8 november 1993 bepaalt dat men, om de titel van psycholoog te dragen, in beginsel houder moet zijn van een universitair diploma in de psychologie. Artikel 14, § 1, van die wet bepaalt dat, bij wijze van overgangsmaatregel, de personen die een diploma in de psychologie hebben behaald in het hoger onderwijs buiten de universiteit dat door de Staat of door de Gemeenschap wordt georganiseerd, erkend of gesubsidieerd, en die gedurende ten minste drie of vier jaar naargelang van het behaalde diploma een beroep hebben uitgeoefend dat verband houdt met de psychologie, tevens zijn gemachtigd de titel van psycholoog te dragen met alle rechten daaraan verbonden, voor zover de bij artikel 15 van de wet ingestelde Erkenningscommissie of de minister van Middenstand voor hen een gunstige beslissing heeft genomen. Een aanvraag in die zin moest bij de minister van Middenstand worden ingediend binnen twaalf maanden na de inwerkingtreding van de wet (artikel 14, § 2, eerste lid, van dezelfde wet). De verzoekende partij voor de Raad van State heeft die overgangsmaatregel genoten. 10 B.
  18. Uit hetgeen in B.1 is vermeld, blijkt dat het vereiste visum om gezondheidszorg te verstrekken in het domein van de klinische psychologie, enkel kan worden toegekend aan de houders van een diploma van het universitair onderwijs in het domein van de klinische psychologie, behaald ter afsluiting van een opleiding die in het kader van het voltijds onderwijs minstens vijf jaar studie of 300 punten in het Europees systeem voor de overdracht en de accumulatie van studiebelastingpunten (ECTS) telt, een stage in het domein van de klinische psychologie inbegrepen. Bij wijze van uitzondering heeft de wetgever erin voorzien dat de erkenning kan worden verleend aan de houders van een universitair diploma in het vakgebied van de psychologie dat werd uitgereikt vóór 1 september 2016 en die een beroepservaring van minstens drie jaar in het domein van de klinische psychologie kunnen bewijzen (artikel 68/1, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015, zoals het van toepassing was bij het aannemen van de voor de Raad van State bestreden handeling). Daaruit volgt dat de personen die gedurende verschillende jaren de klinische psychologie hebben uitgeoefend en die, zoals de verzoekende partij voor de Raad van State, ertoe werden gemachtigd de titel van psycholoog te dragen met toepassing van artikel 14 van de wet van 8 november 1993, niet het vereiste visum kunnen verkrijgen om te praktiseren als klinisch psycholoog, aangezien zij geen houder zijn van een universitair diploma in het domein van de psychologie. Het Hof dient na te gaan of de uitsluiting van die personen van de overgangsregeling bedoeld in de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de beginselen van rechtszekerheid en gewettigd vertrouwen. B.
  19. Indien de wetgever een beleidswijziging noodzakelijk acht, vermag hij te oordelen dat zij met onmiddellijke ingang moet worden doorgevoerd en is hij in beginsel niet ertoe gehouden in een overgangsregeling te voorzien. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet zijn slechts geschonden indien de overgangsregeling of de ontstentenis daarvan tot een verschil in behandeling leidt waarvoor geen redelijke verantwoording bestaat of indien aan het vertrouwensbeginsel op buitensporige wijze afbreuk wordt gedaan. Dat laatste is het geval 11 wanneer de rechtmatige verwachtingen van een bepaalde categorie van rechtsonderhorigen worden miskend zonder dat een dwingende reden van algemeen belang voorhanden is die het ontbreken van een te hunnen voordele ingestelde overgangsregeling kan verantwoorden. Het beginsel van gewettigd vertrouwen is nauw verbonden met het rechtszekerheidsbeginsel, dat de wetgever verbiedt om zonder redelijke verantwoording afbreuk te doen aan het belang van de rechtsonderhorigen om in staat te zijn de rechtsgevolgen van hun handelingen te voorzien. B.
  20. Door vast te stellen dat enkel de houders van een diploma van het universitair onderwijs in het domein van de klinische psychologie, behaald ter afsluiting van een opleiding die in het kader van het voltijds onderwijs minstens vijf jaar studie of 300 punten in het Europees systeem voor de overdracht en de accumulatie van studiebelastingpunten telt, een stage in het domein van de klinische psychologie inbegrepen, de klinische psychologie mogen uitoefenen, beoogt de wetgever de bekwaamheid van de klinisch psychologen te waarborgen en, zodoende, zoals in B.2.1 is vermeld, de patiënten te beschermen die op hun diensten een beroep zouden doen. De wetgever heeft echter rekening gehouden met de situatie van sommige klinisch psychologen die reeds lang praktiseren en die geen houder zijn van een universitair diploma in het specifieke domein van de klinische psychologie, maar die over voldoende beroepservaring in dat domein beschikken. Volgens de wetgever blijft een universitair diploma in de psychologie evenwel onontbeerlijk om de bekwaamheid van de klinisch psychologen te waarborgen (Parl. St., Kamer, 2013-2014, DOC 53-3243/002, pp. 2-3). B.
  21. Bij artikel 14 van de wet van 8 november 1993 heeft de wetgever geoordeeld dat de personen die vóór 10 juni 1994 een diploma in de psychologie hadden behaald in het hoger onderwijs buiten de universiteit, een bekwaamheidsniveau vertoonden dat gelijkwaardig is aan dat van de personen die houder zijn van een universitair diploma in de psychologie, en hij heeft een procedure ingevoerd die het mogelijk maakt na te gaan of de wettelijke voorwaarden worden nageleefd en zulks vast te stellen bij individuele beslissingen (zie de artikelen 14 en volgende van de wet van 8 november 1993). 12 Niets in de parlementaire voorbereiding van de wet van 4 april 2014, noch in de uitleg van de Ministerraad maakt het mogelijk te verantwoorden dat de personen die ertoe werden gemachtigd de titel van psycholoog te dragen met toepassing van artikel 14 van de wet van 8 november 1993 en die over voldoende beroepservaring in het domein van de klinische psychologie beschikken, vandaag verschillend worden behandeld ten opzichte van de personen die houder zijn van een universitair diploma in de psychologie dat vóór 1 september 2016 werd uitgereikt. Gelet op het doel dat erin bestaat de bekwaamheid van de klinisch psychologen te waarborgen en, zodoende, de patiënten te beschermen, en rekening houdend met de situatie van sommige klinisch psychologen die reeds lang praktiseren, is het niet redelijk verantwoord om die twee categorieën van personen verschillend te behandelen. De wet van 8 november 1993 en de wet van 4 april 2014 hebben weliswaar een verschillende draagwijdte : de wet van 8 november 1993 strekt enkel ertoe de titel van psycholoog te beschermen en het beroepsgeheim te regelen, zonder de toegang tot het beroep te regelen, terwijl de wet van 4 april 2014 niet-erkende personen verbiedt om de klinische psychologie uit te oefenen en de klinisch psychologen opneemt onder de gezondheidszorgbeoefenaars. Dat objectieve verschil doet evenwel niets af aan het feit dat met beide wetten een gemeenschappelijk doel wordt nagestreefd, dat erin bestaat de patiënten te beschermen. Ten aanzien van dat doel bieden de twee in de prejudiciële vraag vermelde categorieën van personen echter de vereiste minimumwaarborgen. B.
  22. Uit het voorgaande vloeit voort dat het feit dat de personen die ertoe werden gemachtigd de titel van psycholoog te dragen met toepassing van artikel 14 van de wet van 8 november 1993 en die over een beroepservaring van ten minste drie jaar in het domein van de klinische psychologie beschikken, zijn uitgesloten van de in artikel 68/1, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 bedoelde overgangsregeling, niet berust op een dwingende reden van algemeen belang. B.
  23. In zoverre het de personen die ertoe werden gemachtigd de titel van psycholoog te dragen met toepassing van artikel 14 van de wet van 8 november 1993 en die over een beroepservaring van ten minste drie jaar in het domein van de klinische psychologie beschikken, uitsluit van de overgangsregeling waarin het voorziet, is artikel 68/1, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van 13 de Grondwet, in samenhang gelezen met de beginselen van rechtszekerheid en gewettigd vertrouwen. 14 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : In zoverre het de personen die ertoe werden gemachtigd de titel van psycholoog te dragen met toepassing van artikel 14 van de wet van 8 november 1993 en die over een beroepservaring van ten minste drie jaar in het domein van de klinische psychologie beschikken, uitsluit van de overgangsregeling waarin het voorziet, schendt artikel 68/1, § 2, tweede lid, van de wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, gecoördineerd op 10 mei 2015, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de beginselen van rechtszekerheid en gewettigd vertrouwen. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 18 januari
  24. De griffier, De voorzitter, N. Dupont P. Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.011 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.011 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.