id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 25 januari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.012 Arrest- Rolnummer: 12/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-02-05 Raadplegingen: 417 - laatst gezien 2026-06-19 00:34 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende artikel XX.174, derde lid, van het Wetboek van economisch recht, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Leuven. Economisch recht - Insolventie van ondernemingen - Faillissement - Kwijtschelding - Uitsluiting - Niet-gefailleerde echtgenoot - Contractuele schulden die vreemd zijn aan de beroepsactiviteit van de gefailleerde echtgenoot Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 12/2024 van 25 januari 2024 Rolnummer : 7939 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel XX.174, derde lid, van het Wetboek van economisch recht, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Leuven. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en P. Nihoul, en de rechters T. Giet, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache en D. Pieters, bijgestaan door de griffier N. Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 15 februari 2023, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 27 februari 2023, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Leuven een prejudiciële vraag gesteld die bij beschikking van het Hof van 7 maart 2023 als volgt geherformuleerd werd : « Schendt artikel XX.174, lid 3 van het Wetboek van economisch recht de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat de bevrijding van persoonlijke schulden, voortvloeiende uit kredietovereenkomsten die gezamenlijk door echtgenoten werden aangegaan, die de gefailleerde echtgenoot-natuurlijke persoon geniet ingevolge een aan hem verleende kwijtschelding met toepassing van artikel XX.173 van het Wetboek van economisch recht, niet wordt verleend aan de andere, niet-gefailleerde echtgenoot, die slechts wordt bevrijd van de schulden die betrekking hebben op de beroepsactiviteiten van de gefailleerde echtgenoot en niet van de contractuele schulden die vreemd zijn aan de beroepsactiviteit van de gefailleerde echtgenoot ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - J.V. en I.V., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. C. Pittomvils, advocaat bij de balie te Leuven; 2 - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. S. Ronse en Mr. T. Quintens, advocaten bij de balie van West-Vlaanderen. Bij beschikking van 22 november 2023 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Y. Kherbache en M. Pâques te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Het bodemgeschil voor de verwijzende rechter heeft betrekking op drie kredietovereenkomsten die bij twee bankinstellingen werden afgesloten door J.V. en zijn echtgenote I.V. De eisende partij voor de verwijzende rechter, de nv « Fiducré », aan wie de schuldvorderingen zijn overgedragen, heeft beide echtgenoten tot betaling aangesproken. Bij dagvaarding van 23 september 2019 werd de zaak aanhangig gemaakt bij het Vredegerecht van het kanton Tienen. Het Vredegerecht heeft op 5 maart 2021 geoordeeld dat de betalingsvordering van de nv « Fiducré » ongegrond was. Bij vonnis van de Ondernemingsrechtbank te Leuven van 25 februari 2021 is J.V. failliet verklaard en bij vonnis van 21 april 2021 werden al zijn restschulden kwijtgescholden. De nv « Fiducré » heeft op 1 juli 2021 hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank van eerste aanleg te Leuven tegen het vonnis van het Vredegerecht van 5 maart
- De verwijzende rechter stelt vast dat J.V. ten aanzien van de nv « Fiducré » bevrijd is van de schulden waarvoor hij tot betaling werd aangesproken, vermits aan hem de kwijtschelding werd verleend (artikel XX.173 van het Wetboek van economisch recht). Zijn echtgenote I.V. daarentegen verkrijgt geen kwijtschelding voor de restschulden van de drie kredietovereenkomsten, aangezien artikel XX.174, derde lid, van het Wetboek van economisch recht de kwijtschelding ten aanzien van haar beperkt tot de schulden die betrekking hebben op de beroepsactiviteiten van de gefailleerde echtgenoot, en niet op contractuele schulden die vreemd zijn aan de beroepsactiviteit van de gefailleerde (en die bestonden op het moment van de faillietverklaring). De verwijzende rechter stelt bovenvermelde prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.
- De Ministerraad meent dat voor het verschil in behandeling tussen de gefailleerde en de echtgenoot van de gefailleerde een redelijke verantwoording bestaat die evenredig is aan het door de wetgever nagestreefde doel. De wetgever streefde ernaar de gefailleerde een tweede kans te geven, waardoor deze een snelle herstart zou kunnen maken na het faillissement. Voor de echtgenoot van de gefailleerde bestaat die verantwoording niet en wordt enkel kwijtschelding geboden voor de restschulden die eigen zijn aan de economische activiteit van de 3 gefailleerde. Een onbeperkte en uitgebreidere kwijtschelding zou immers een discriminatie teweegbrengen ten opzichte van echtgenoten en partners in andere collectieve of quasi collectieve procedures. Bovendien zou een krediet aan echtgenoten of partners van ondernemers moeilijker worden gelet op het bijkomende risico gecreëerd door de potentiële kwijtschelding. A.
- De verwerende partij voor de verwijzende rechter, I.V., verwijst in haar memorie van antwoord naar de rechtspraak van het Hof van Cassatie en het Grondwettelijk Hof aangaande de voorheen bestaande regeling van de verschoonbaarheid in het faillissementsrecht (artikel 82, 2°, van de faillissementswet van 8 augustus 1997), waarbij beide hoven van oordeel waren dat de verschoonbaarheid van de gefailleerde zich tevens uitstrekt tot de echtgenoot van de gefailleerde, ongeacht de aard van de aangegane schulden. Volgens het Hof van Cassatie is de uitbreiding van de gevolgen van de verschoonbaarheid tot de echtgenoot noodzakelijk om te vermijden dat de inkomsten van de gefailleerde uit een nieuwe beroepsactiviteit via de echtgenoot alsnog zouden kunnen worden geraakt. Voormelde redenering moet, volgens de verwerende partij voor de verwijzende rechter, naar analogie worden toegepast ten aanzien van de kwijtschelding van de schulden van de echtgenoot van de gefailleerde, waardoor artikel XX.174, derde lid, van het Wetboek van economisch recht als strijdig met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet moet worden beschouwd. -B- B.
- Bij wet van 11 augustus 2017 werd boek XX (« Insolventie van Ondernemingen ») ingevoegd in het Wetboek van economisch recht. Hoofdstuk 6 van titel VI (« Faillissement ») van dat boek XX bevat de nieuwe regeling van de kwijtschelding, die in de plaats komt van de verschoonbaarheid. Het Hof wordt ondervraagd over de bestaanbaarheid van artikel XX.174, derde lid, van het Wetboek van economisch recht met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat de kwijtschelding van schulden « voortvloeiende uit kredietovereenkomsten die gezamenlijk door echtgenoten werden aangegaan, die de gefailleerde echtgenoot-natuurlijke persoon geniet ingevolge een aan hem verleende kwijtschelding » niet wordt verleend aan de andere, niet-gefailleerde echtgenoot, die slechts wordt bevrijd van de schulden die betrekking hebben op de beroepsactiviteiten van de gefailleerde echtgenoot « en niet van de contractuele schulden die vreemd zijn aan de beroepsactiviteit van de gefailleerde echtgenoot ». B.
- Uit het verwijzingsvonnis blijkt dat de gefailleerde en I.V. gehuwd zijn en dat de schulden, die ten aanzien van I.V. niet kunnen worden kwijtgescholden op grond van artikel XX.174, derde lid, van het Wetboek van economisch recht, voortvloeien uit drie kredietovereenkomsten die gezamenlijk en hoofdelijk door de echtgenoten werden aangegaan en waarop de wet van 12 juni 1991 « op het consumentenkrediet » van toepassing is. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die hypothese. 4 B.
- De kwijtschelding van de restschulden wordt voor de gefailleerde geregeld in artikel XX.173 van het Wetboek van economisch recht en voor de echtgenoot, de gewezen echtgenoot, de wettelijk samenwonende of de gewezen wettelijk samenwonende van de gefailleerde in artikel XX.174 van het Wetboek van economisch recht. B.
- Artikel XX.173 van het Wetboek van economisch recht, zoals van toepassing op het bodemgeschil, bepaalt : « §
- Indien de gefailleerde een natuurlijke persoon is, zal hij ten aanzien van de schuldeisers worden bevrijd van de restschulden, onverminderd de zakelijke zekerheden gesteld door de schuldenaar of derden. De kwijtschelding heeft [geen] gevolgen voor de onderhoudsschulden van de gefailleerde noch voor de schulden voortvloeiend uit de verplichting tot herstel van de schade verbonden aan het overlijden of aan de aantasting van de lichamelijke integriteit van een persoon waaraan de gefailleerde schuld heeft. §
- De kwijtschelding wordt enkel toegekend door de rechtbank op verzoek van de gefailleerde, welk verzoekschrift hij dient te voegen bij zijn aangifte van het faillissement of dient neer te leggen in het register uiterlijk drie maanden na de bekendmaking van het faillissementsvonnis, zelfs indien het faillissement is afgesloten voor het verstrijken van die termijn. Het verzoekschrift wordt door de griffier ter kennis gebracht van de curator. Deze legt uiterlijk na één maand een verslag neer in het register over omstandigheden die kunnen aanleiding geven tot de vaststelling van kennelijk grove fouten, bedoeld in §
- Zonder de sluiting van het faillissement af te wachten en van zodra de termijn van zes maanden is verstreken, kan de gefailleerde de rechtbank verzoeken uitspraak te doen over de kwijtschelding. Op verzoek van de gefailleerde deelt de rechtbank aan deze laatste, via het register, binnen een termijn van een jaar vanaf de opening van het faillissement, de redenen mee die rechtvaardigen waarom ze zich niet over de kwijtschelding heeft uitgesproken zonder dat deze mededeling vooruitloopt op de latere beslissing inzake de kwijtschelding. De rechtbank spreekt zich uit over het verzoek tot kwijtschelding uiterlijk bij de sluiting van het faillissement of, indien het verzoek bedoeld in het eerste lid nog niet is ingediend op het ogenblik van sluiting, binnen een maand na het verzoek. Het vonnis dat de kwijtschelding van de schuldenaar beveelt wordt door de griffier ter kennis gebracht van de curator en in het register neergelegd. Het wordt door de curator bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. §
- Elke belanghebbende met inbegrip van de curator en het openbaar ministerie kan, bij verzoekschrift waarvan door de griffier wordt kennis gegeven aan de gefailleerde, vanaf de bekendmaking van het faillissementsvonnis vorderen dat de kwijtschelding slechts voor een deel wordt toegekend of volledig geweigerd bij gemotiveerde beslissing, indien de gefailleerde kennelijk grove fouten heeft begaan die hebben bijgedragen tot het faillissement. Dezelfde 5 vordering kan worden ingesteld bij wijze van derdenverzet bij verzoekschrift uiterlijk drie maanden na de publicatie van het vonnis van kwijtschelding. Wanneer de gefailleerde beoefenaar is van een vrij beroep, dan stelt de griffier diens orde of instituut in kennis door een kopie te sturen van het vonnis waarin de kwijtschelding voor een deel wordt toegekend of volledig geweigerd ». Artikel XX.174, van het Wetboek van economisch recht, zoals van toepassing op het bodemgeschil, bepaalt : « De echtgenoot, gewezen echtgenoot, wettelijk samenwonende of gewezen wettelijk samenwonende van de gefailleerde die persoonlijk verbonden is voor de schuld die voornoemde persoon tijdens de duur van het huwelijk of de duur van de wettelijke samenwoning was aangegaan, wordt ingevolge de kwijtschelding van die verplichting bevrijd. De kwijtschelding kan de wettelijk samenwonende van wie de verklaring van samenwonen afgelegd werd in de zes maanden voor het openen van de faillissementsprocedure, niet tot voordeel strekken. De kwijtschelding heeft geen gevolgen op de persoonlijke of gemeenschappelijke schulden van de echtgenoot, ex-echtgenoot, wettelijk samenwonende of gewezen wettelijk samenwonende voortvloeiend uit een overeenkomst door de genoemde personen gesloten, ongeacht of die schulden alleen of samen met de gefailleerde werden aangegaan, en die vreemd zijn aan de beroepsactiviteit van de gefailleerde ». De twee hiervoor aangehaalde bepalingen zijn respectievelijk vervangen en gewijzigd bij de wet van 7 juni 2023 « tot omzetting van Richtlijn (EU) 2019/1023 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende preventieve herstructureringsstelsels, betreffende kwijtschelding van schuld en beroepsverboden, en betreffende maatregelen ter verhoging van de efficiëntie van procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld, en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2017/1132 en houdende diverse bepalingen inzake insolvabiliteit ». Die wijzigingen hebben geen gevolgen voor de aan de verwijzende rechter voorgelegde zaak, daar zij van toepassing zijn op de na 1 september 2023 geopende insolventieprocedures. B.5.
- De kwijtschelding van de restschulden bepaald in artikel XX.173 van het Wetboek van economisch recht is een subjectief recht van de gefailleerde waarover de ondernemingsrechtbank zich in beginsel uitspreekt op het ogenblik van de sluiting van het faillissement. Dat vonnis heeft een declaratieve werking en brengt de kwijtschelding met zich mee van de restschulden die overblijven na de vereffening van de voor beslag vatbare goederen 6 (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2407/001, pp. 89 en 97-98). Die kwijtschelding geldt zowel voor de beroepsmatige schulden van de gefailleerde als voor zijn privéschulden. Met de kwijtschelding van de restschulden ten aanzien van de gefailleerde, wil de wetgever « de tweede kans [bevorderen], die het ondernemerschap aanmoedigt en een nieuwe start mogelijk maakt » (ibid., p. 3). B.5.
- Met artikel XX.174 van het Wetboek van economisch recht heeft de wetgever het recht op de kwijtschelding van de restschulden gedeeltelijk uitgebreid tot de echtgenoot, gewezen echtgenoot, wettelijk samenwonende of gewezen wettelijk samenwonende van de gefailleerde. De wetgever heeft de bevrijding van de echtgenoot, gewezen echtgenoot, wettelijk samenwonende of gewezen wettelijk samenwonende echter beperkt tot de contractuele schulden die de gefailleerde heeft aangegaan tijdens het huwelijk of de wettelijke samenwoning, waartoe de echtgenoot, de gewezen echtgenoot, de samenwonende of de gewezen samenwonende persoonlijk verbonden is en die verband houden met de beroepsactiviteit van de gefailleerde. De parlementaire voorbereiding vermeldt dienaangaande : « De kwijtschelding biedt ook voordelen aan de personen die verbonden zijn met de schuldenaar zoals zijn echtgenoot of partner. Een reden hiervan is dat zonder de uitbreiding van de kwijtschelding, de gefailleerde die krachtens de wet of de overeenkomst, verbonden is met zijn partner, indirect opnieuw zou moeten instaan voor de schulden waarvan hij bevrijd is. Dit kan onder meer voorvallen wanneer partijen krachtens hun huwelijksvermogensstelsel tot elkaars schulden verbonden zijn. Er zijn evenwel grenzen aan die bevrijding. Het zou een discriminatie zijn ten opzichte van echtgenoten en partners in andere collectieve of quasi collectieve procedures een onbeperkt stelsel van bevrijding in het leven te roepen. Vandaar dat de wet de effecten van de kwijtschelding niet uitstrekt tot persoonlijke contractuele schulden van de niet-gefailleerde partner die vreemd zijn aan de economische activiteit van de gefailleerde. Het krediet aan echtgenoten of partners van ondernemers zou overigens moeilijker worden gelet op het bijkomend risico gecreëerd door deze potentiële kwijtschelding » (ibid., p. 98). B.
- Het Hof moet nagaan of het redelijk verantwoord is dat, op grond van de artikelen XX.173 en XX.174 van het Wetboek van economisch recht, de gefailleerde wordt 7 bevrijd van de gemeenschappelijke schulden die zijn ontstaan uit kredietovereenkomsten gesloten met zijn echtgenoot, terwijl die echtgenoot enkel wordt bevrijd van de schulden met betrekking tot de beroepsactiviteiten van de gefailleerde echtgenoot, hetgeen inhoudt dat de echtgenoot ertoe gehouden zal blijven een schuld te vereffenen waarvan zijn gefailleerde echtgenoot is bevrijd. B.7.
- Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.7.
- Om de grondwettigheid van het verschil in behandeling te beoordelen, moet het Hof rekening houden met, enerzijds, de economische en sociale doelstellingen van de in het geding zijnde maatregel en, anderzijds, de ter zake geldende beginselen van het burgerlijk recht, op grond waarvan « een contract dat geldig tot stand is gekomen, [...] degenen die het hebben gesloten tot wet [strekt] » (artikel 5.69 van het Burgerlijk Wetboek) en « tenzij de wet of het contract anders bepaalt, [...] een schuldeiser zijn vordering op alle goederen van zijn schuldenaar [kan] verhalen » (artikel 3.36 van het Burgerlijk Wetboek). B.
- De kwijtschelding toegekend aan de echtgenoot van de gefailleerde beantwoordt hoofdzakelijk aan de noodzaak om de doeltreffendheid van de nieuwe start die aan de gefailleerde wordt geboden, niet in het gedrang te brengen. Die nieuwe start zou in sterke mate in het gedrang komen indien de gefailleerde opnieuw indirect zou moeten instaan voor schulden waarvan hij is bevrijd (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2407/001, p. 98). De wetgever beschikt evenwel over een ruime beoordelingsbevoegdheid bij het bepalen van de omvang van de kwijtschelding van de schulden ten aanzien van de echtgenoot van de gefailleerde. Aldus kan hij het opportuun achten die kwijtschelding te beperken, rekening houdend met zowel de belangen van de gefailleerde en diens echtgenoot, als met die van hun 8 schuldeisers. Het is redelijk verantwoord dat de wil om de doeltreffendheid van de nieuwe start die aan de gefailleerde wordt geboden, niet in het gedrang te brengen, niet zover gaat dat de echtgenoot van de gefailleerde wordt bevrijd van elke schuld die hij met de gefailleerde zou zijn aangegaan. B.
- Het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de in het geding zijnde bepaling, brengt geen onevenredige gevolgen met zich mee voor de echtgenoot van de gefailleerde, gelet op het feit dat hij reeds een kwijtschelding van sommige schulden geniet. B.
- Artikel XX.174, derde lid, van het Wetboek van economisch recht is bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 9 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel XX.174, derde lid, van het Wetboek van economisch recht schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 25 januari
- De griffier, De voorzitter, N. Dupont L. Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.012 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div