← België

ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.014

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 25 januari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.014 Arrest- Rolnummer: 14/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-02-05 Raadplegingen: 290 - laatst gezien 2026-06-17 05:32 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: het beroep tot vernietiging van de artikelen 2 tot 5 van het decreet van het Waalse Gewest van 22 september 2022 « tot opschorting van de afsluitingen en tot invoeging van een artikel 66/1 in het decreet van 12 april 2001 betreffende de organisatie van de gewestelijke elektriciteitsmarkt en een artikel 2bis in het decreet van 19 december 2002 betreffende de organisatie van de gewestelijke gasmarkt », ingesteld door de vzw « Federatie van de Belgische Elektriciteits- en Gasbedrijven ». Energie - Waals Gewest - Gas- en elektriciteitsmarkten - Conjunctureel beschermde afnemers - Prijs voor de energielevering - Sociaal prijsbeleid - Bevoegdheidverdelende regels Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 14/2024 van 25 januari 2024 Rolnummer : 7977 In zake : het beroep tot vernietiging van de artikelen 2 tot 5 van het decreet van het Waalse Gewest van 22 september 2022 « tot opschorting van de afsluitingen en tot invoeging van een artikel 66/1 in het decreet van 12 april 2001 betreffende de organisatie van de gewestelijke elektriciteitsmarkt en een artikel 2bis in het decreet van 19 december 2002 betreffende de organisatie van de gewestelijke gasmarkt », ingesteld door de vzw « Federatie van de Belgische Elektriciteits- en Gasbedrijven ». Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters T. Giet, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, D. Pieters, S. de Bethune, E. Bribosia, W. Verrijdt, K. Jadin en M. Plovie, bijgestaan door de griffier N. Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 13 april 2023 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 14 april 2023, heeft de vzw « Federatie van de Belgische Elektriciteits- en Gasbedrijven », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. D. Verhoeven, Mr. F. Tulkens en Mr. L. Malluquin, advocaten bij de balie te Brussel, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 2 tot 5 van het decreet van het Waalse Gewest van 22 september 2022 « tot opschorting van de afsluitingen en tot invoeging van een artikel 66/1 in het decreet van 12 april 2001 betreffende de organisatie van de gewestelijke elektriciteitsmarkt en een artikel 2bis in het decreet van 19 december 2002 betreffende de organisatie van de gewestelijke gasmarkt » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 13 oktober 2022). De Waalse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. S. Depré, Mr. P. Vernet en Mr. G. Haumont, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend, de verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de Waalse Regering heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. 2 Bij beschikking van 22 november 2023 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers T. Giet en S. de Bethune te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep A.1. De vzw « Federatie van Belgische Elektriciteits- en Gasbedrijven », verzoekende partij, voert aan dat zij belang erbij heeft om in rechte te treden tegen de bestreden bepalingen. De verzoekende partij is een vzw waarvan het statutaire doel bestaat in het behartigen van de beroepsbelangen van de ondernemingen van de elektriciteits- en gassector. A.2. De Waalse Regering betwist niet het belang van de verzoekende partij om in rechte te treden. Ten aanzien van het eerste middel A.3. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van de bevoegdheidverdelende regels. A.4.1. In een eerste onderdeel voert de verzoekende partij aan dat de artikelen 2 tot 5 van het decreet van het Waalse Gewest van 22 september 2022 « tot opschorting van de afsluitingen en tot invoeging van een artikel 66/1 in het decreet van 12 april 2001 betreffende de organisatie van de gewestelijke elektriciteitsmarkt en een artikel 2bis in het decreet van 19 december 2002 betreffende de organisatie van de gewestelijke gasmarkt », door de categorie van « conjunctureel beschermde afnemers » vast te stellen en erin te voorzien dat voortaan aan hen energie wordt geleverd tegen het sociaal tarief, de voor die afnemers geldende prijs van de energielevering wijzigen en afwijken van het in de federale wetgeving vastgelegde stelsel van de maximumprijzen voor de levering van elektriciteit en gas aan « beschermde residentiële afnemers ». Hieruit vloeit voort dat zij inbreuk maken op de bevoegdheden van de federale overheid inzake energieprijzen en –tarieven, met inbegrip van het sociaal beleid inzake energieprijzen. De verzoekende partij steunt daarvoor met name op een advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State over een voorontwerp van ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (RvSt, advies nr. 69.836/1/V van 29 september 2021, Parl. St., Brussels Hoofdstedelijk Parlement, 2021-2022, A-516/1, pp. 160-161) en op een verslag van de auditeur van de Raad van State betreffende het besluit van de Waalse Regering van 24 september 2020 « tot vaststelling van een categorie conjunctureel beschermde afnemers van elektriciteit en gas op korte termijn in het kader van de COVID-19-crisis », dat een stelsel van conjunctureel beschermde afnemers invoert en waarvan de bestreden bepalingen een wetgevende consolidatie vormen. Zij merkt ook op dat, vóór de aanneming van de bestreden bepalingen, de Waalse minister van Energie zijn federale tegenhanger heeft gevraagd het voordeel van het stelsel van de beschermde afnemers uit te breiden teneinde de rekening van de gezinnen te verlichten in de context van de economische crisis naar aanleiding van de 3 COVID-19-pandemie. Zij leidt hieruit af dat, in tempore non suspecto, de Waalse Regering zich onbevoegd achtte om het toepassingsgebied van het sociaal tarief uit te breiden. A.4.2. Bovendien is de verzoekende partij van mening dat de bestreden bepalingen ook inbreuk maken op de bevoegdheden van de federale overheid inzake de bescherming van de consument, het mededingingsrecht, het recht inzake de handelspraktijken en het handelsrecht. A.4.3. De verzoekende partij is daarnaast van mening dat de bestreden bepalingen in strijd zijn met artikel 6, § 1, VI, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (hierna : de bijzondere wet van 8 augustus 1980), daar zij niet in overeenstemming zijn met het vrij verkeer van diensten, noch met het algemene normatieve kader van de economische en monetaire unie. A.5.1. De Waalse Regering herinnert eraan dat de Waalse wetgevingen inzake gas en elektriciteit het sociaal tarief definiëren met verwijzing naar de door de federale overheid genomen normen. Zij leidt hieruit af dat de bestreden bepalingen niet tussenkomen in de vaststelling van dat tarief. Zij is van een mening dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen de bevoegdheid die wordt uitgeoefend door de federale overheid inzake de vaststelling van de maximumprijzen die van toepassing zijn op de beschermde afnemers, enerzijds, en de bevoegdheid van de gewesten die toelaat de categorieën van afnemers te definiëren die de levering van energie tegen het door de federale overheid vastgestelde sociaal tarief kunnen genieten, anderzijds. Volgens haar wordt de opdracht bestaande in de levering van energie tegen het sociaal tarief gezien als een verplichting van openbare dienst ten laste van de distributienetbeheerders krachtens de decretale wetgevingen inzake gas en elektriciteit. Echter, de gewesten zijn bevoegd om aan de spelers van de energiemarkt een verplichting van openbare dienst op te leggen die erin bestaat energie tegen het sociaal tarief te leveren aan door hen vastgestelde categorieën van personen. De Waalse Regering merkt op dat de Waalse wetgeving inzake elektriciteit van bij de aanvang de distributienetbeheerder ertoe heeft gemachtigd elektriciteit tegen het sociaal tarief te leveren aan de beschermde afnemers. Zij merkt op dat de afdeling wetgeving van de Raad van State zich nooit heeft verzet tegen de gewestbevoegdheid ter zake. A.5.2. Daarnaast stelt de Waalse Regering vast dat de verzoekende partij de kritiek die zij uit ten aanzien van de inbreuk op de bevoegdheden van de federale overheid inzake de bescherming van de consument, het mededingingsrecht, het recht inzake de handelspraktijken en het handelsrecht, niet uiteenzet. De Waalse Regering ziet niet in waarin de aangeklaagde inbreuk zou bestaan. Zij herinnert eveneens eraan dat het Waalse Gewest bevoegd is om, in de aangelegenheden die het Gewest toebehoren, het door de federale overheid vastgestelde algemene kader inzake de bescherming van de consument aan te vullen. A.6. De verzoekende partij antwoordt dat de toekenning van het statuut van beschermde afnemer alleen tot gevolg heeft dat maximumprijzen worden toegepast, die het « sociaal tarief » worden genoemd. Het begrip zelf van « beschermde afnemer » vloeit voort uit het stelsel van de maximumprijzen dat de federale overheid heeft vastgesteld. Volgens haar kan niet worden beweerd dat er geen inbreuk is op de bevoegdheid van de federale overheid inzake prijzen om reden dat het Waalse Gewest niet zelf een prijs vaststelt, maar een door de federale overheid vastgestelde prijs toepasselijk maakt op andere begunstigden. De verzoekende partij is van mening dat het op verschillende categorieën van personen toepasselijk maken van een prijs die zonder dat optreden niet toepasselijk zou zijn, volstaat om inbreuk te maken op de bevoegdheid van de federale overheid. Zij merkt op dat de bestreden bepalingen de prijs beogen te wijzigen die wordt betaald door de personen op wie die van toepassing is, daar zij het sociaal tarief dat geldt voor de « beschermde residentiële afnemers » in de zin van de federale wetgeving toepasselijk maken op de categorieën die zij kwalificeren als « conjunctureel beschermde afnemers ». Bovendien erkent de verzoekende partij dat de gewesten verplichtingen van openbare dienst mogen opleggen en aanvullende maatregelen inzake de bescherming van de consument mogen nemen. Zij doet evenwel gelden dat die verplichtingen en die aanvullende maatregelen verband moeten houden met de gewestelijke bevoegdheden. De gewesten mogen daarbij dus geen inbreuk maken op de federale bevoegdheden. 4 A.7. De Waalse Regering repliceert dat het prijsbeleid niet alleen onder de bevoegdheden van de federale overheid valt in zoverre het een aangelegenheid vormt waarvan de technische en economische ondeelbaarheid een gelijke behandeling op nationaal vlak behoeft. De voorwaarden inzake de toekenning van het sociaal tarief worden niet beoogd in artikel 6, § 1, VII, derde lid, d), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. Daar de energiemarkt op nationaal niveau is gestructureerd, is het coherent om aan de federale overheid de bevoegdheid toe te kennen de maximumprijzen te bepalen. Dat geldt daarentegen niet voor de vaststelling van de voorwaarden waaronder het sociaal tarief kan worden toegekend, daar die voorwaarden verband kunnen houden met nationale of met gewestelijke omstandigheden. De Waalse Regering is van mening dat, aangezien de gewesten bevoegd zijn om de gewestelijke energie-aspecten te regelen en om verplichtingen van openbare dienst op te leggen die verband houden met hun bevoegdheden, zij kunnen optreden wanneer omstandigheden eigen zijn aan het grondgebied of de economie van het gewest. De Waalse Regering voert aan dat de afdeling wetgeving van de Raad van State heeft opgemerkt dat de bescherming van de financieel kwetsbare afnemers een gewestelijk energie-aspect was (RvSt, advies nr. 72.294/3 van 13 oktober 2022, §§ 7.2 en 7.4) Zij is ook van mening dat de bevoegdheid van het Waalse Gewest inzake de bescherming van de kwetsbare afnemers in verband kan worden gebracht met de bevoegdheid inzake het sociaal beleid. A.8. In een tweede onderdeel verklaart de verzoekende partij dat het Waalse Gewest zich niet kan beroepen op de theorie van de impliciete bevoegdheden. Zij is van mening dat de inbreuk op de bevoegdheden van de federale overheid niet marginaal is, daar die geldt voor een duur van vier jaar. Bovendien leent de aangelegenheid zich niet tot een gedifferentieerde behandeling, daar, enerzijds, sommige personen kunnen vallen onder het toepassingsgebied van het federale stelsel van de beschermde residentiële afnemers en van het gewestelijke stelsel van de conjunctureel beschermde afnemers en, anderzijds, die twee stelsels onverenigbaar zijn. Immers, het federale stelsel voorziet erin dat de energieleverancier aan een beschermde afnemer energie levert tegen het sociaal tarief, terwijl het gewestelijke stelsel erin voorziet dat de distributienetbeheerder aan de conjunctureel beschermde afnemer energie levert. Volgens de verzoekende partij vloeit uit de toepassing van de bestreden bepalingen voort dat de uitoefening van de federale bevoegdheden uiterst moeilijk wordt, zodat het beginsel van de evenredigheid dat inherent is aan de uitoefening van alle bevoegdheden, geschonden is. A.9. De Waalse Regering voert aan dat, daar de bestreden bepalingen niet leiden tot een inbreuk op de bevoegdheden van de federale overheid, niet moet worden nagegaan of het Waalse Gewest zich kon beroepen op de theorie van de impliciete bevoegdheden. A.10. In een derde onderdeel voert de verzoekende partij aan dat de aangelegenheid van de conjunctureel beschermde afnemers nauw verweven is met die van de beschermde residentiële afnemers, zodat het Waalse Gewest overleg moest plegen met de federale overheid of een samenwerkingsakkoord moest sluiten. Daar niets aantoont dat aan die vormvereisten is voldaan, schenden de bestreden bepalingen artikel 143 van de Grondwet en de artikelen 6, § 3, 2°, en 92bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. A.11. Volgens de Waalse Regering is de verzoekende partij van mening dat de bestreden bepalingen in strijd zijn met de verplichtingen tot samenwerking waarin de artikelen 6, § 3, 2°, en 92bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 voorzien. Zij herinnert eraan dat artikel 92bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 een limitatieve lijst bevat van de aangelegenheden waarin een samenwerkingsakkoord verplicht is. Zij stelt vast dat geen enkele van die aangelegenheden het onderwerp van de bestreden bepalingen betreft. Bovendien vallen die evenmin onder het « gezamenlijk uitoefenen van eigen bevoegdheden » of onder de « gemeenschappelijke ontwikkeling van initiatieven » tussen de Waalse decreetgever en de federale overheid. Bovendien sluit artikel 6, § 3, 2°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, dat voorziet in een verplicht overleg voor elke maatregel betreffende het energiebeleid, de uitoefening, door de gewesten, van de bevoegdheden 5 die artikel 6, § 1, VII, van dezelfde bijzondere wet aan hen toekent, uit van het toepassingsgebied van die verplichting. Aangezien de bestreden bepalingen zijn genomen in het kader van die bevoegdheden, was geen overleg vereist. Ten aanzien van de handhaving van de gevolgen A.12. De Waalse Regering verzoekt, in ondergeschikte orde, om de handhaving van de gevolgen, daar een eventuele vernietiging de gezinnen die op het vlak van energie kwetsbaar zijn en door de bestreden bepalingen worden beschermd, op onevenredige en onoverkomelijke wijze zou treffen. Een vernietiging van de bestreden bepalingen zou tot gevolg hebben de conjunctureel beschermde afnemers ertoe te verplichten aan het Waalse Gewest het verschil tussen het sociaal tarief en het commercieel tarief terug te betalen, terwijl zij zich bevinden in een kwetsbare situatie. Zij zou ook administratieve moeilijkheden met zich meebrengen voor de leveranciers. De Waalse Regering verzoekt het Hof de gevolgen van de bestreden bepalingen te handhaven tot de datum waarop zij buiten werking treden, namelijk 1 september 2024, teneinde geen afbreuk te doen aan de rechtszekerheid, noch aan de waarborgen waarin is voorzien voor de conjunctureel beschermde afnemers. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen en de context ervan B.1. De verzoekende partij vordert de vernietiging van de artikelen 2 tot 5 van het decreet van het Waalse Gewest van 22 september 2022 « tot opschorting van de afsluitingen en tot invoeging van een artikel 66/1 in het decreet van 12 april 2001 betreffende de organisatie van de gewestelijke elektriciteitsmarkt en een artikel 2bis in het decreet van 19 december 2002 betreffende de organisatie van de gewestelijke gasmarkt » (hierna : het decreet van 22 september 2022). B.2.1. Artikel 2 van het decreet van 22 september 2022 voegt in het decreet van het Waalse Gewest van 12 april 2001 « betreffende de organisatie van de gewestelijke elektriciteitsmarkt » (hierna : het Elektriciteitsdecreet) een artikel 66/1 in dat een nieuwe categorie van beschermde afnemers invoert, de « conjunctureel beschermde afnemers » genoemd. B.2.2. Artikel 4 van het decreet van 22 september 2022 voegt in het decreet van het Waalse Gewest van 19 december 2002 « betreffende de organisatie van de gewestelijke gasmarkt » (hierna : het Gasdecreet) een artikel 2bis in dat, voor de toepassing van dat decreet, de « beschermde afnemer » definieert met verwijzing naar onder meer artikel 66/1 van het Elektriciteitsdecreet. 6 B.3. Het stelsel van de beschermde afnemers vindt zijn oorsprong in de wetgeving van de federale overheid, met name in de wet van 29 april 1999 « betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt » (hierna : de Elektriciteitswet) en in de wet van 12 april 1965 « betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen » (hierna : de Gaswet). Die wetten bepalen dat de « beschermde residentiële afnemers » « maximumprijzen » genieten voor de levering van elektriciteit (artikel 20, § 2, van de Elektriciteitswet) en van gas (artikel 15/10, § 2, van de Gaswet). Die prijzen worden ook het « het sociaal tarief » genoemd. Beide voormelde wetten beschouwen de « beschermde residentiële afnemer » als : « elke huishoudelijke afnemer die kan bewijzen dat hijzelf of iedere persoon die onder hetzelfde dak leeft een beslissing geniet tot toekenning van : 1° door een OCMW, :

  1. a)het leefloon toegekend in toepassing van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie;
  2. b)een financiële maatschappelijke dienstverlening, die geheel of gedeeltelijk door de Federale Staat ten laste wordt genomen op grond van artikel 5 van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
  3. c)een wachtuitkering op het gewaarborgd inkomen voor bejaarden, de inkomensgarantie voor ouderen of de uitkering voor personen met een handicap; 2° door de FOD Sociale Zekerheid Directie Generaal Personen met een Handicap,
  4. a)de inkomensvervangende tegemoetkoming bedoeld in artikel 2, § 1, van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap;
  5. b)de integratietegemoetkoming bedoeld in artikel 2, § 2, van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap;
  6. c)een tegemoetkoming bedoeld in de wet van 27 juni 1969 betreffende het toekennen van tegemoetkomingen aan mindervaliden;
  7. d)een aanvullende tegemoetkoming, bedoeld in de wet van 27 juni 1969 betreffende het toekennen van tegemoetkomingen aan mindervaliden; 7
  8. e)de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden bedoeld in artikel 2, § 3, van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap;
  9. f)ten minste 4 punten in pijler 1 bedoeld in artikel 6, § 2, 1°, van het koninklijk besluit van 28 maart 2003 tot uitvoering van de artikelen 47, 56septies en 63 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders en van artikel 88 van de programmawet (I) van 24 december 2002; 3° door een instelling van een gewest of een gemeenschap, een tegemoetkoming voor de hulp aan bejaarden die de Koning gelijkstelt met de in 2°, e), bedoelde tegemoetkoming; 4° op basis van een decreet of ordonnantie genomen beslissing tot toekenning van een aantal punten of een score aan een kind die de Koning gelijkstelt met een in 2°, f), bedoelde beslissing; 5° door de Federale Pensioendienst,
  10. a)het gewaarborgd inkomen voor bejaarden, bedoeld in de wet van 1 april 1969 tot instelling van het ingesteld gewaarborgd inkomen voor bejaarden;
  11. b)de inkomensgarantie voor ouderen, bedoeld in de wet van 22 maart 2001, tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen;
  12. c)een tegemoetkoming voor hulp van derden bedoeld in de wet van 27 juni 1969 betreffende het toekennen van tegemoetkomingen aan mindervaliden;
  13. d)een tegemoetkoming ter aanvulling van het gewaarborgd inkomen voor bejaarden, bedoeld in de wet van 27 juni 1969 betreffende het toekennen van tegemoetkomingen aan mindervaliden; 6° voor zichzelf de verhoogde verzekeringstegemoetkoming bedoeld in artikel 37, § 19, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen » (artikel 15/10, § 2/2, van de Gaswet; artikel 20, § 2/1, van de Elektriciteitswet). B.4. De « beschermde residentiële afnemers » genieten het statuut van « beschermde afnemer » in de zin van het Elektriciteitsdecreet (artikel 33). Artikel 33bis, tweede lid, van het Elektriciteitsdecreet bepaalt dat de distributienetbeheerder ertoe gemachtigd is elektriciteit tegen het sociaal tarief te leveren aan de beschermde residentiële afnemers als zij daarom vragen. De artikelen 31bis en 31ter van het Gasdecreet voorzien in vergelijkbare regels. 8 B.5.1. De Waalse Regering kan de lijst van de beschermde afnemers uitbreiden tot andere eindafnemers dan diegenen die worden beoogd in de twee voormelde decreten (artikel 33, § 2, van het Elektriciteitsdecreet en artikel 31bis, § 2, van het Gasdecreet). B.5.2. Op grond van die machtiging heeft de Waalse Regering verschillende besluiten genomen teneinde een nieuwe categorie van beschermde afnemers in te voeren, namelijk de « conjunctureel beschermde afnemers » (besluit van de Waalse Regering van 24 september 2020 « tot vaststelling van een categorie conjunctureel beschermde afnemers van elektriciteit en gas op korte termijn in het kader van de COVID-19-crisis »; besluit van de Waalse Regering van 1 april 2021 « tot wijziging van het besluit van de Waalse Regering van 24 september 2020 tot instelling van een categorie van conjunctureel beschermde afnemers van elektriciteit en gas op korte termijn in het kader van de COVID-19-crisis »; besluit van de Waalse Regering van 3 februari 2022 « tot wijziging van het besluit van de Waalse Regering van 24 september 2020 tot instelling van een categorie van conjunctureel beschermde afnemers van elektriciteit en gas op korte termijn in het kader van de COVID-19-crisis »). Die afnemers genieten de levering van elektriciteit en van gas tegen de maximumprijzen die door de federale overheid zijn vastgesteld. Er is eveneens in voorzien dat de energielevering wordt verzekerd door de distributienetbeheerder. B.5.3. Die besluiten maken het voorwerp uit van beroepen die hangende zijn voor de Raad van State. B.6. De bestreden bepalingen hebben met name tot doel een wetgevende validatie tot stand te brengen voor de door die besluiten ingevoerde regeling (Parl. St., Waals Parlement, 2022-2023, nr. 1029/1, p. 3). B.7.1. Artikel 66/1, §§ 1 en 2, van het Elektriciteitsdecreet, zoals ingevoegd bij artikel 2 van het decreet van 22 september 2022, neemt de categorie van « conjunctureel beschermde afnemers » op in de Waalse wetgeving. 9 Het bepaalt : « § 1. Er wordt een categorie beschermde afnemers opgericht, die ‘ conjunctureel beschermde afnemers ’ wordt genoemd en die toegekend wordt : 1° van 20 september 2020 tot en met 31 augustus 2023, aan de residentiële afnemers, of elke persoon die onder hetzelfde dak woont, die genieten van een attest van het OCMW of van een sociale dienst dat erkent dat het moeilijk is om aan zijn energiefactuur te voldoen overeenkomstig bijlage 1; 2° aan de residentiële afnemers, met uitzondering van de afnemers bedoeld in artikel 33, § 1, in gebreke van betaling in de volgende gevallen :
  14. a)van 20 september 2020 tot en met 31 augustus 2022, een afnemer, of een persoon die onder hetzelfde dak woont, wiens beroepsinkomen wordt beïnvloed door de COVID 19-crisis in de zin van paragraaf 2, 1°;
  15. b)van 20 september 2020 tot en met 31 augustus 2023, een afnemer, of een persoon die onder hetzelfde dak woont, die als volledig vergoede werkloze een uitkering heeft;
  16. c)van 20 september 2020 tot en met 31 augustus 2023, een afnemer, of een persoon die onder hetzelfde dak woont, die geniet van een verhoogde tegemoetkoming van zijn ziekenfonds krachtens artikel 37 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen;
  17. d)van 1 januari 2022 tot en met 31 augustus 2023, een afnemer met een schadeattest van de verzekeringsmaatschappij van de afnemer als gevolg van de overstromingen van juli 2021 of een ontvangstbevestiging van een aanvraag om bijstand van het Rampenfonds als gevolg van de overstromingen van juli 2021;
  18. e)van 1 september 2022 tot en met 31 augustus 2023, een afnemer, of een persoon die onder hetzelfde dak woont, wiens beroepsinkomen aanzienlijk wordt beïnvloed door de energieprijscrisis. § 2. 1° de in paragraaf 1, 2°, a), bedoelde afnemer wiens beroepsinkomsten worden beïnvloed door de COVID-19 crisis, is :
  19. a)een persoon die een tijdelijke werkloosheidsuitkering heeft ontvangen wegens overmacht als gevolg van COVID-19 of om economische redenen overeenkomstig het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering en het koninklijk besluit van 30 maart 2020 tot aanpassing van de procedures in het kader van tijdelijke werkloosheid omwille van het COVID-19-virus en tot wijziging van artikel 10 van het koninklijk besluit van 6 mei 2019 tot wijziging van de artikelen 27, 51, 52bis, 58, 58/3 en 63 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering en tot invoeging van de artikelen 36sexies, 63bis en 124bis in hetzelfde besluit, wanneer deze uitkering ten minste 14 dagen tijdelijke werkloosheid dekt;
  20. b)een zelfstandige, een helper of een meewerkende echtgeno(o)t(
  21. e)in de zin van de artikelen 3, 5quater, 6 en 7bis van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende 10 inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, die in 2020, 2021 en 2022 een financiële uitkering heeft ontvangen na een gedwongen onderbreking, geheel of gedeeltelijk, van zijn of haar zelfstandige activiteit als gevolg van COVID-19 krachtens de wet van 23 maart 2020 tot wijziging van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen en tot invoering van tijdelijke maatregelen in het kader van COVID-19 ten gunste van zelfstandigen; 2° de in paragraaf 1, 2°, e), bedoelde afnemer wiens beroepsinkomsten aanzienlijk worden beïnvloed door de energieprijscrisis, is :
  22. a)een persoon die een tijdelijke werkloosheidsuitkering heeft ontvangen wegens overmacht als gevolg van de energieprijscrisis in de zin van de federale reglementering;
  23. b)een persoon die het overbruggingsrecht heeft ontvangen [...] als gevolg van de energieprijscrisis in de zin van de federale reglementering ». B.7.2. Artikel 66/1, §§ 3 tot 8, van het Elektriciteitsdecreet en bijlage 1 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij artikel 3 van het decreet van 22 september 2022, regelen de procedurele aspecten van de elektriciteitslevering aan de beschermde afnemers. Hieruit vloeit met name voort dat elektriciteit wordt geleverd door de distributienetbeheerder en dat de overeenkomst die de leverancier en de afnemer met elkaar bindt, wordt opgeschort. Zoals in B.2.2 is vermeld, wordt, voor de periode van 20 september 2020 tot 1 september 2024, de beschermde afnemer in de zin van het Gasdecreet gedefinieerd onder verwijzing naar onder meer artikel 66/1 van het Elektriciteitsdecreet (artikel 4 van het decreet van 22 september 2022), zodat dezelfde procedure van toepassing is in het kader van de twee wetgevingen. B.8. Artikel 66/1 van het Elektriciteitsdecreet en artikel 2bis van het Gasdecreet treden buiten werking op 1 september 2024 (artikel 5 van het decreet van 22 september 2022). Ten gronde B.9. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van artikel 143 van de Grondwet en van artikel 6, § 1, VI, derde lid, vierde lid, 2°, vijfde lid, 3° tot 5°, en VII, tweede lid, d), § 3, 2°, van artikel 10 en van artikel 92bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (hierna : de bijzondere wet van 8 augustus 1980). 11 In een eerste onderdeel voert de verzoekende partij aan dat de bestreden bepalingen de prijs voor de energielevering wijzigen die van toepassing is op de beschermde afnemers, en afwijken van het in de federale wetgeving vastgelegde stelsel van de maximumprijzen voor de levering van elektriciteit en gas aan de beschermde residentiële afnemers. Hieruit vloeit voort dat die bepalingen inbreuk zouden maken op de bevoegdheden van de federale overheid inzake energieprijzen en –tarieven – met inbegrip van het sociaal beleid inzake de energieprijzen -, de bescherming van de consument, het mededingingsrecht, het recht inzake de handelspraktijken en het handelsrecht. Daarnaast zouden de bestreden bepalingen artikel 6, § 1, VI, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 schenden, daar zij niet in overeenstemming zouden zijn met het vrij verkeer van diensten, noch met het algemene normatieve kader van de economische en monetaire unie. In een tweede onderdeel voert de verzoekende partij aan dat het Waalse Gewest zich niet kan beroepen op de impliciete bevoegdheden. B.10.1. Artikel 6, § 1, VI, vijfde lid, 3°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 bepaalt : « [Alleen] de federale overheid [is] bevoegd voor [...] 3° het prijs- en inkomensbeleid, met uitzondering van de regeling van de prijzen in de aangelegenheden die tot de bevoegdheid van de gewesten en de gemeenschappen behoren, onder voorbehoud van hetgeen bepaald is in artikel 6, § 1, VII, tweede lid,
  24. d)». B.10.2. Artikel 6, § 1, VII, tweede lid, d), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 bepaalt dat de federale overheid bevoegd is voor de tarieven, met inbegrip van het prijsbeleid, onverminderd de gewestelijke bevoegdheid inzake de energiedistributietarieven. B.10.3. De huidige formulering van die bepaling vloeit voort uit artikel 18 van de bijzondere wet van 6 januari 2014 betreffende de Zesde Staatshervorming. In de parlementaire voorbereiding wordt vermeld : 12 « Krachtens het nieuwe artikel 6, § 1, VI, vijfde lid, 3°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, zal het prijsbeleid inzake de levering van elektriciteit en gas, met daarin begrepen het sociaal prijzenbeleid, tot de exclusieve bevoegdheid van de federale overheid blijven behoren. Dit doet geen afbreuk aan de bevoegdheden van de gewesten om openbare dienstverplichtingen op te leggen die verband houden met hun bevoegdheden, noch aan hun bevoegdheid inzake de distributietarieven » (Parl. St., Senaat, 2012-2013, nr. 5-2232, p. 103). B.11. De bevoegdheid van de federale overheid inzake het sociaal prijsbeleid heeft niet alleen betrekking op het bedrag van de prijzen. Het omvat de bevoegdheid om de begunstigden van de betrokken prijzen te bepalen. Zonder een identificatie van de begunstigden is het immers onmogelijk een sociaal prijsbeleid te voeren. Die bevoegdheid ressorteert uitsluitend onder de federale overheid. In tegenstelling tot wat de Waalse Regering aanvoert, laat de bijzondere wet van 8 augustus 1980 de gewesten niet toe een sociaal prijsbeleid aan te nemen dat is aangepast aan de gewestelijke omstandigheden, onder voorbehoud van het gebruik van de impliciete bevoegdheden. B.12. Hoewel de bestreden bepalingen op zich niet de maximale energieprijzen voor de beschermde afnemers bepalen, breiden zij de categorieën van begunstigden van die prijzen aanzienlijk uit. Zij beogen dus de prijs te wijzigen die wordt betaald door de personen op wie deze van toepassing is. Hiermee maakt het Waalse Gewest inbreuk op het sociaal prijsbeleid inzake energie, dat ressorteert onder de bevoegdheden van de federale overheid. B.13.1. Het Hof moet evenwel nog nagaan of het Waalse Gewest zich kan beroepen op de impliciete bevoegdheden. Luidens artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 kunnen de decreten rechtsbepalingen bevatten in aangelegenheden waarvoor de decreetgevers niet bevoegd zijn, voor zover die bepalingen noodzakelijk zijn voor de uitoefening van hun bevoegdheid. Daartoe is vereist dat de aangenomen regeling noodzakelijk kan worden geacht voor de uitoefening van de bevoegdheden van de decreetgever, dat die aangelegenheid zich tot een gedifferentieerde regeling leent en dat de weerslag van de in het geding zijnde bepalingen op de te dezen federale aangelegenheid slechts marginaal is. 13 B.13.2. Artikel 6, § 1, VII, tweede lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 behoudt aan de federale overheid de aangelegenheden voor betreffende het energiebeleid « die wegens hun technische en economische ondeelbaarheid een gelijke behandeling op nationaal vlak behoeven », en met name « de tarieven, met inbegrip van het prijsbeleid ». Die bepaling draagt ertoe bij de economische monetaire unie te waarborgen. B.14. Artikel 66/1, § 1, 2°, van het Elektriciteitsdecreet breidt het toepassingsgebied ratione personae van het stelsel van de maximumprijzen voor de energielevering aanzienlijk uit, zij het voor een beperkte duur. Immers, die bepaling beoogt de afnemers wier beroepsinkomen is getroffen door de COVID-19-pandemie of door de crisis van de energieprijzen, de afnemers die het statuut hebben van uitkeringsgerechtigde volledig werklozen, de afnemers die een verhoogde tegemoetkoming van hun ziekenfonds genieten en die niet het statuut hebben van beschermde residentiële afnemer, de slachtoffers van de overstromingen van de maand juli 2021 en de personen die onder hetzelfde dak als die categorieën van afnemers leven. B.15. De bestreden bepalingen brengen bijgevolg de economische afwegingen die de federale overheid heeft gemaakt, en inzonderheid het evenwicht tussen het belang van de energieleveranciers en het belang van de afnemers, fundamenteel in het geding. B.16. Hieruit vloeit voort dat betrokken aangelegenheid zich niet leent tot een gedifferentieerde regeling. Het eerste middel is gegrond. B.17. Aangezien de andere middelen niet tot een ruimere vernietiging kunnen leiden, moeten zij niet worden onderzocht. Ten aanzien van de handhaving van de gevolgen B.18. Door aan te voeren dat de vernietiging rampzalige gevolgen zou hebben voor de conjunctureel beschermde afnemers die ertoe zouden zijn gehouden het verschil tussen het 14 sociaal tarief en het commercieel tarief terug te betalen aan het Waalse Gewest, toont de Waalse Regering niet aan dat het noodzakelijk is om de gevolgen van de vernietigde bepalingen te handhaven, aangezien het ongrondwettige optreden van het Gewest de oorzaak van de vernietiging is en het Gewest bijgevolg ertoe kan worden gebracht de gevolgen ervan te dragen, met name ten aanzien van de beschermde afnemers die die bepalingen hebben genoten. Voor het overige toont de Waalse Regering niet aan in welk opzicht de vernietiging van de bestreden bepalingen onoverkomelijke administratieve moeilijkheden ten laste van de leveranciers zou doen ontstaan. 15 Om die redenen, het Hof vernietigt de artikelen 2 tot 5 van het decreet van het Waalse Gewest van 22 september 2022 « tot opschorting van de afsluitingen en tot invoeging van een artikel 66/1 in het decreet van 12 april 2001 betreffende de organisatie van de gewestelijke elektriciteitsmarkt en een artikel 2bis in het decreet van 19 december 2002 betreffende de organisatie van de gewestelijke gasmarkt ». Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 25 januari 2024. De griffier, De voorzitter, N. Dupont P. Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.014 Gerelateerde publicatie(
  25. s)geciteerd door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.761 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.762 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.763 ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.430 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.