id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 25 januari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.014 Arrest- Rolnummer: 14/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-02-05 Raadplegingen: 290 - laatst gezien 2026-06-17 05:32 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: het beroep tot vernietiging van de artikelen 2 tot 5 van het decreet van het Waalse Gewest van 22 september 2022 « tot opschorting van de afsluitingen en tot invoeging van een artikel 66/1 in het decreet van 12 april 2001 betreffende de organisatie van de gewestelijke elektriciteitsmarkt en een artikel 2bis in het decreet van 19 december 2002 betreffende de organisatie van de gewestelijke gasmarkt », ingesteld door de vzw « Federatie van de Belgische Elektriciteits- en Gasbedrijven ». Energie - Waals Gewest - Gas- en elektriciteitsmarkten - Conjunctureel beschermde afnemers - Prijs voor de energielevering - Sociaal prijsbeleid - Bevoegdheidverdelende regels Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 14/2024 van 25 januari 2024 Rolnummer : 7977 In zake : het beroep tot vernietiging van de artikelen 2 tot 5 van het decreet van het Waalse Gewest van 22 september 2022 « tot opschorting van de afsluitingen en tot invoeging van een artikel 66/1 in het decreet van 12 april 2001 betreffende de organisatie van de gewestelijke elektriciteitsmarkt en een artikel 2bis in het decreet van 19 december 2002 betreffende de organisatie van de gewestelijke gasmarkt », ingesteld door de vzw « Federatie van de Belgische Elektriciteits- en Gasbedrijven ». Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters T. Giet, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, D. Pieters, S. de Bethune, E. Bribosia, W. Verrijdt, K. Jadin en M. Plovie, bijgestaan door de griffier N. Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 13 april 2023 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 14 april 2023, heeft de vzw « Federatie van de Belgische Elektriciteits- en Gasbedrijven », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. D. Verhoeven, Mr. F. Tulkens en Mr. L. Malluquin, advocaten bij de balie te Brussel, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 2 tot 5 van het decreet van het Waalse Gewest van 22 september 2022 « tot opschorting van de afsluitingen en tot invoeging van een artikel 66/1 in het decreet van 12 april 2001 betreffende de organisatie van de gewestelijke elektriciteitsmarkt en een artikel 2bis in het decreet van 19 december 2002 betreffende de organisatie van de gewestelijke gasmarkt » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 13 oktober 2022). De Waalse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. S. Depré, Mr. P. Vernet en Mr. G. Haumont, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend, de verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de Waalse Regering heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. 2 Bij beschikking van 22 november 2023 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers T. Giet en S. de Bethune te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep A.1. De vzw « Federatie van Belgische Elektriciteits- en Gasbedrijven », verzoekende partij, voert aan dat zij belang erbij heeft om in rechte te treden tegen de bestreden bepalingen. De verzoekende partij is een vzw waarvan het statutaire doel bestaat in het behartigen van de beroepsbelangen van de ondernemingen van de elektriciteits- en gassector. A.2. De Waalse Regering betwist niet het belang van de verzoekende partij om in rechte te treden. Ten aanzien van het eerste middel A.3. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van de bevoegdheidverdelende regels. A.4.1. In een eerste onderdeel voert de verzoekende partij aan dat de artikelen 2 tot 5 van het decreet van het Waalse Gewest van 22 september 2022 « tot opschorting van de afsluitingen en tot invoeging van een artikel 66/1 in het decreet van 12 april 2001 betreffende de organisatie van de gewestelijke elektriciteitsmarkt en een artikel 2bis in het decreet van 19 december 2002 betreffende de organisatie van de gewestelijke gasmarkt », door de categorie van « conjunctureel beschermde afnemers » vast te stellen en erin te voorzien dat voortaan aan hen energie wordt geleverd tegen het sociaal tarief, de voor die afnemers geldende prijs van de energielevering wijzigen en afwijken van het in de federale wetgeving vastgelegde stelsel van de maximumprijzen voor de levering van elektriciteit en gas aan « beschermde residentiële afnemers ». Hieruit vloeit voort dat zij inbreuk maken op de bevoegdheden van de federale overheid inzake energieprijzen en –tarieven, met inbegrip van het sociaal beleid inzake energieprijzen. De verzoekende partij steunt daarvoor met name op een advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State over een voorontwerp van ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (RvSt, advies nr. 69.836/1/V van 29 september 2021, Parl. St., Brussels Hoofdstedelijk Parlement, 2021-2022, A-516/1, pp. 160-161) en op een verslag van de auditeur van de Raad van State betreffende het besluit van de Waalse Regering van 24 september 2020 « tot vaststelling van een categorie conjunctureel beschermde afnemers van elektriciteit en gas op korte termijn in het kader van de COVID-19-crisis », dat een stelsel van conjunctureel beschermde afnemers invoert en waarvan de bestreden bepalingen een wetgevende consolidatie vormen. Zij merkt ook op dat, vóór de aanneming van de bestreden bepalingen, de Waalse minister van Energie zijn federale tegenhanger heeft gevraagd het voordeel van het stelsel van de beschermde afnemers uit te breiden teneinde de rekening van de gezinnen te verlichten in de context van de economische crisis naar aanleiding van de 3 COVID-19-pandemie. Zij leidt hieruit af dat, in tempore non suspecto, de Waalse Regering zich onbevoegd achtte om het toepassingsgebied van het sociaal tarief uit te breiden. A.4.2. Bovendien is de verzoekende partij van mening dat de bestreden bepalingen ook inbreuk maken op de bevoegdheden van de federale overheid inzake de bescherming van de consument, het mededingingsrecht, het recht inzake de handelspraktijken en het handelsrecht. A.4.3. De verzoekende partij is daarnaast van mening dat de bestreden bepalingen in strijd zijn met artikel 6, § 1, VI, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (hierna : de bijzondere wet van 8 augustus 1980), daar zij niet in overeenstemming zijn met het vrij verkeer van diensten, noch met het algemene normatieve kader van de economische en monetaire unie. A.5.1. De Waalse Regering herinnert eraan dat de Waalse wetgevingen inzake gas en elektriciteit het sociaal tarief definiëren met verwijzing naar de door de federale overheid genomen normen. Zij leidt hieruit af dat de bestreden bepalingen niet tussenkomen in de vaststelling van dat tarief. Zij is van een mening dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen de bevoegdheid die wordt uitgeoefend door de federale overheid inzake de vaststelling van de maximumprijzen die van toepassing zijn op de beschermde afnemers, enerzijds, en de bevoegdheid van de gewesten die toelaat de categorieën van afnemers te definiëren die de levering van energie tegen het door de federale overheid vastgestelde sociaal tarief kunnen genieten, anderzijds. Volgens haar wordt de opdracht bestaande in de levering van energie tegen het sociaal tarief gezien als een verplichting van openbare dienst ten laste van de distributienetbeheerders krachtens de decretale wetgevingen inzake gas en elektriciteit. Echter, de gewesten zijn bevoegd om aan de spelers van de energiemarkt een verplichting van openbare dienst op te leggen die erin bestaat energie tegen het sociaal tarief te leveren aan door hen vastgestelde categorieën van personen. De Waalse Regering merkt op dat de Waalse wetgeving inzake elektriciteit van bij de aanvang de distributienetbeheerder ertoe heeft gemachtigd elektriciteit tegen het sociaal tarief te leveren aan de beschermde afnemers. Zij merkt op dat de afdeling wetgeving van de Raad van State zich nooit heeft verzet tegen de gewestbevoegdheid ter zake. A.5.2. Daarnaast stelt de Waalse Regering vast dat de verzoekende partij de kritiek die zij uit ten aanzien van de inbreuk op de bevoegdheden van de federale overheid inzake de bescherming van de consument, het mededingingsrecht, het recht inzake de handelspraktijken en het handelsrecht, niet uiteenzet. De Waalse Regering ziet niet in waarin de aangeklaagde inbreuk zou bestaan. Zij herinnert eveneens eraan dat het Waalse Gewest bevoegd is om, in de aangelegenheden die het Gewest toebehoren, het door de federale overheid vastgestelde algemene kader inzake de bescherming van de consument aan te vullen. A.6. De verzoekende partij antwoordt dat de toekenning van het statuut van beschermde afnemer alleen tot gevolg heeft dat maximumprijzen worden toegepast, die het « sociaal tarief » worden genoemd. Het begrip zelf van « beschermde afnemer » vloeit voort uit het stelsel van de maximumprijzen dat de federale overheid heeft vastgesteld. Volgens haar kan niet worden beweerd dat er geen inbreuk is op de bevoegdheid van de federale overheid inzake prijzen om reden dat het Waalse Gewest niet zelf een prijs vaststelt, maar een door de federale overheid vastgestelde prijs toepasselijk maakt op andere begunstigden. De verzoekende partij is van mening dat het op verschillende categorieën van personen toepasselijk maken van een prijs die zonder dat optreden niet toepasselijk zou zijn, volstaat om inbreuk te maken op de bevoegdheid van de federale overheid. Zij merkt op dat de bestreden bepalingen de prijs beogen te wijzigen die wordt betaald door de personen op wie die van toepassing is, daar zij het sociaal tarief dat geldt voor de « beschermde residentiële afnemers » in de zin van de federale wetgeving toepasselijk maken op de categorieën die zij kwalificeren als « conjunctureel beschermde afnemers ». Bovendien erkent de verzoekende partij dat de gewesten verplichtingen van openbare dienst mogen opleggen en aanvullende maatregelen inzake de bescherming van de consument mogen nemen. Zij doet evenwel gelden dat die verplichtingen en die aanvullende maatregelen verband moeten houden met de gewestelijke bevoegdheden. De gewesten mogen daarbij dus geen inbreuk maken op de federale bevoegdheden. 4 A.7. De Waalse Regering repliceert dat het prijsbeleid niet alleen onder de bevoegdheden van de federale overheid valt in zoverre het een aangelegenheid vormt waarvan de technische en economische ondeelbaarheid een gelijke behandeling op nationaal vlak behoeft. De voorwaarden inzake de toekenning van het sociaal tarief worden niet beoogd in artikel 6, § 1, VII, derde lid, d), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. Daar de energiemarkt op nationaal niveau is gestructureerd, is het coherent om aan de federale overheid de bevoegdheid toe te kennen de maximumprijzen te bepalen. Dat geldt daarentegen niet voor de vaststelling van de voorwaarden waaronder het sociaal tarief kan worden toegekend, daar die voorwaarden verband kunnen houden met nationale of met gewestelijke omstandigheden. De Waalse Regering is van mening dat, aangezien de gewesten bevoegd zijn om de gewestelijke energie-aspecten te regelen en om verplichtingen van openbare dienst op te leggen die verband houden met hun bevoegdheden, zij kunnen optreden wanneer omstandigheden eigen zijn aan het grondgebied of de economie van het gewest. De Waalse Regering voert aan dat de afdeling wetgeving van de Raad van State heeft opgemerkt dat de bescherming van de financieel kwetsbare afnemers een gewestelijk energie-aspect was (RvSt, advies nr. 72.294/3 van 13 oktober 2022, §§ 7.2 en 7.4) Zij is ook van mening dat de bevoegdheid van het Waalse Gewest inzake de bescherming van de kwetsbare afnemers in verband kan worden gebracht met de bevoegdheid inzake het sociaal beleid. A.8. In een tweede onderdeel verklaart de verzoekende partij dat het Waalse Gewest zich niet kan beroepen op de theorie van de impliciete bevoegdheden. Zij is van mening dat de inbreuk op de bevoegdheden van de federale overheid niet marginaal is, daar die geldt voor een duur van vier jaar. Bovendien leent de aangelegenheid zich niet tot een gedifferentieerde behandeling, daar, enerzijds, sommige personen kunnen vallen onder het toepassingsgebied van het federale stelsel van de beschermde residentiële afnemers en van het gewestelijke stelsel van de conjunctureel beschermde afnemers en, anderzijds, die twee stelsels onverenigbaar zijn. Immers, het federale stelsel voorziet erin dat de energieleverancier aan een beschermde afnemer energie levert tegen het sociaal tarief, terwijl het gewestelijke stelsel erin voorziet dat de distributienetbeheerder aan de conjunctureel beschermde afnemer energie levert. Volgens de verzoekende partij vloeit uit de toepassing van de bestreden bepalingen voort dat de uitoefening van de federale bevoegdheden uiterst moeilijk wordt, zodat het beginsel van de evenredigheid dat inherent is aan de uitoefening van alle bevoegdheden, geschonden is. A.9. De Waalse Regering voert aan dat, daar de bestreden bepalingen niet leiden tot een inbreuk op de bevoegdheden van de federale overheid, niet moet worden nagegaan of het Waalse Gewest zich kon beroepen op de theorie van de impliciete bevoegdheden. A.10. In een derde onderdeel voert de verzoekende partij aan dat de aangelegenheid van de conjunctureel beschermde afnemers nauw verweven is met die van de beschermde residentiële afnemers, zodat het Waalse Gewest overleg moest plegen met de federale overheid of een samenwerkingsakkoord moest sluiten. Daar niets aantoont dat aan die vormvereisten is voldaan, schenden de bestreden bepalingen artikel 143 van de Grondwet en de artikelen 6, § 3, 2°, en 92bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. A.11. Volgens de Waalse Regering is de verzoekende partij van mening dat de bestreden bepalingen in strijd zijn met de verplichtingen tot samenwerking waarin de artikelen 6, § 3, 2°, en 92bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 voorzien. Zij herinnert eraan dat artikel 92bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 een limitatieve lijst bevat van de aangelegenheden waarin een samenwerkingsakkoord verplicht is. Zij stelt vast dat geen enkele van die aangelegenheden het onderwerp van de bestreden bepalingen betreft. Bovendien vallen die evenmin onder het « gezamenlijk uitoefenen van eigen bevoegdheden » of onder de « gemeenschappelijke ontwikkeling van initiatieven » tussen de Waalse decreetgever en de federale overheid. Bovendien sluit artikel 6, § 3, 2°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, dat voorziet in een verplicht overleg voor elke maatregel betreffende het energiebeleid, de uitoefening, door de gewesten, van de bevoegdheden 5 die artikel 6, § 1, VII, van dezelfde bijzondere wet aan hen toekent, uit van het toepassingsgebied van die verplichting. Aangezien de bestreden bepalingen zijn genomen in het kader van die bevoegdheden, was geen overleg vereist. Ten aanzien van de handhaving van de gevolgen A.12. De Waalse Regering verzoekt, in ondergeschikte orde, om de handhaving van de gevolgen, daar een eventuele vernietiging de gezinnen die op het vlak van energie kwetsbaar zijn en door de bestreden bepalingen worden beschermd, op onevenredige en onoverkomelijke wijze zou treffen. Een vernietiging van de bestreden bepalingen zou tot gevolg hebben de conjunctureel beschermde afnemers ertoe te verplichten aan het Waalse Gewest het verschil tussen het sociaal tarief en het commercieel tarief terug te betalen, terwijl zij zich bevinden in een kwetsbare situatie. Zij zou ook administratieve moeilijkheden met zich meebrengen voor de leveranciers. De Waalse Regering verzoekt het Hof de gevolgen van de bestreden bepalingen te handhaven tot de datum waarop zij buiten werking treden, namelijk 1 september 2024, teneinde geen afbreuk te doen aan de rechtszekerheid, noch aan de waarborgen waarin is voorzien voor de conjunctureel beschermde afnemers. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen en de context ervan B.1. De verzoekende partij vordert de vernietiging van de artikelen 2 tot 5 van het decreet van het Waalse Gewest van 22 september 2022 « tot opschorting van de afsluitingen en tot invoeging van een artikel 66/1 in het decreet van 12 april 2001 betreffende de organisatie van de gewestelijke elektriciteitsmarkt en een artikel 2bis in het decreet van 19 december 2002 betreffende de organisatie van de gewestelijke gasmarkt » (hierna : het decreet van 22 september 2022). B.2.1. Artikel 2 van het decreet van 22 september 2022 voegt in het decreet van het Waalse Gewest van 12 april 2001 « betreffende de organisatie van de gewestelijke elektriciteitsmarkt » (hierna : het Elektriciteitsdecreet) een artikel 66/1 in dat een nieuwe categorie van beschermde afnemers invoert, de « conjunctureel beschermde afnemers » genoemd. B.2.2. Artikel 4 van het decreet van 22 september 2022 voegt in het decreet van het Waalse Gewest van 19 december 2002 « betreffende de organisatie van de gewestelijke gasmarkt » (hierna : het Gasdecreet) een artikel 2bis in dat, voor de toepassing van dat decreet, de « beschermde afnemer » definieert met verwijzing naar onder meer artikel 66/1 van het Elektriciteitsdecreet. 6 B.3. Het stelsel van de beschermde afnemers vindt zijn oorsprong in de wetgeving van de federale overheid, met name in de wet van 29 april 1999 « betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt » (hierna : de Elektriciteitswet) en in de wet van 12 april 1965 « betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen » (hierna : de Gaswet). Die wetten bepalen dat de « beschermde residentiële afnemers » « maximumprijzen » genieten voor de levering van elektriciteit (artikel 20, § 2, van de Elektriciteitswet) en van gas (artikel 15/10, § 2, van de Gaswet). Die prijzen worden ook het « het sociaal tarief » genoemd. Beide voormelde wetten beschouwen de « beschermde residentiële afnemer » als : « elke huishoudelijke afnemer die kan bewijzen dat hijzelf of iedere persoon die onder hetzelfde dak leeft een beslissing geniet tot toekenning van : 1° door een OCMW, :
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.