← België

ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.015

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 25 januari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.015 Arrest- Rolnummer: 15/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-02-05 Raadplegingen: 281 - laatst gezien 2026-06-17 05:32 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: het beroep tot gedeeltelijke vernietiging van artikel 103 van de wet van 22 november 2022 « tot wijziging van de wet van 16 maart 1803 op het notarisambt, tot invoering van een tuchtraad voor de notarissen en de gerechtsdeurwaarders in het Gerechtelijk Wetboek en diverse bepalingen », in zoverre het betrekking heeft op paragraaf 2, tweede lid, eerste zin, van het bij het voormelde artikel 103 ingevoegde artikel 555/5bis van het Gerechtelijk Wetboek, ingesteld door Niki Leys. Gerechtelijk recht - Notarissen en gerechtsdeurwaarders - Tucht - Tuchtraad - Voorzitter - Plaatsvervangend voorzitter - Aanwijzing - Voorwaarden - Zittende magistraten van de rechtbank van eerste aanleg Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 15/2024 van 25 januari 2024 Rolnummer : 8020 In zake : het beroep tot gedeeltelijke vernietiging van artikel 103 van de wet van 22 november 2022 « tot wijziging van de wet van 16 maart 1803 op het notarisambt, tot invoering van een tuchtraad voor de notarissen en de gerechtsdeurwaarders in het Gerechtelijk Wetboek en diverse bepalingen », in zoverre het betrekking heeft op paragraaf 2, tweede lid, eerste zin, van het bij het voormelde artikel 103 ingevoegde artikel 555/5bis van het Gerechtelijk Wetboek, ingesteld door Niki Leys. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en P. Nihoul, en de rechters Y. Kherbache, S. de Bethune, E. Bribosia, W. Verrijdt en M. Plovie, bijgestaan door de griffier N. Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 13 juni 2023 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 14 juni 2023, heeft Niki Leys beroep tot gedeeltelijke vernietiging ingesteld van artikel 103 van de wet van 22 november 2022 « tot wijziging van de wet van 16 maart 1803 op het notarisambt, tot invoering van een tuchtraad voor de notarissen en de gerechtsdeurwaarders in het Gerechtelijk Wetboek en diverse bepalingen » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 22 december 2022). De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Vanpraet, advocaat bij de balie van West-Vlaanderen, heeft een memorie ingediend, de verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 22 november 2023 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers W. Verrijdt en M. Plovie te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de 2 kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- A.

  1. De verzoekende partij zet uiteen dat zij rechter is bij de Nederlandstalige Ondernemingsrechtbank te Brussel. Zij werd in het verleden meermaals aangewezen als voorzitter van de Nederlandstalige kamer van de tuchtcommissie van gerechtsdeurwaarders voor het rechtsgebied van het Hof van Beroep te Brussel. De wet van 22 november 2022 « tot wijziging van de wet van 16 maart 1803 op het notarisambt, tot invoering van een tuchtraad voor de notarissen en de gerechtsdeurwaarders in het Gerechtelijk Wetboek en diverse bepalingen » (hierna : de wet van 22 november 2022) heeft het tuchtrecht van de notarissen en de gerechtsdeurwaarders hervormd, in het bijzonder door de oprichting van een tuchtraad die bevoegd is ten aanzien van alle notarissen en gerechtsdeurwaarders in België. Artikel 103 van die wet heeft als gevolg dat de verzoekende partij zich geen kandidaat kan stellen om aangewezen te worden tot voorzitter of plaatsvervangend voorzitter van de Nederlandstalige tuchtkamer van die tuchtraad. De verzoekende partij meent dat zij daarom over een belang beschikt om de vernietiging van die bepaling te vorderen. A.
  2. De verzoekende partij leidt een enig middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Zij voert aan dat de bestreden bepaling een verschil in behandeling in het leven roept tussen de zittende magistraten naargelang zij al dan niet lid zijn van de rechtbank van eerste aanleg. Enkel de zittende magistraten van de rechtbank van eerste aanleg komen in aanmerking om te worden aangewezen als voorzitter of plaatsvervangend voorzitter van de Nederlandstalige of de Franstalige tuchtkamer van de tuchtraad voor de notarissen en de gerechtsdeurwaarders. De parlementaire voorbereiding van de wet van 22 november 2022 bevat geen verantwoording voor dat verschil in behandeling. Blijkens de memorie van toelichting beoogde de wetgever een efficiëntere, professionelere en geloofwaardigere tuchtprocedure voor de notarissen en de gerechtsdeurwaarders, onder leiding van een gezaghebbende magistraat met ruime ervaring. De verzoekende partij ziet niet in hoe die doelstelling kan verantwoorden dat enkel magistraten van een rechtbank van eerste aanleg het voorzitterschap van een tuchtkamer mogen waarnemen. Elke zittende magistraat is, gelet op de voorwaarden om tot magistraat te worden benoemd, geschikt om die functie uit te oefenen, en beschikt over voldoende ervaring om zittingen te leiden en beslissingen te nemen. Zulks blijkt ook uit artikel 294bis van het Gerechtelijk Wetboek, dat geen onderscheid maakt tussen de magistraten onderling wat betreft het bekleden van een functie bij een commissie, een raad of een comité van advies. Er bestaan daarnaast verschillende andere tuchtrechtelijke organen waarvan de magistraten uit andere rechtscolleges kunnen worden aangewezen dan de rechtbanken van eerste aanleg. Ook de door de Ministerraad aangevoerde argumenten kunnen het voormelde verschil in behandeling niet verantwoorden, aldus de verzoekende partij. Allereerst is het niet relevant dat de wetgever het aan de korpschefs van de betrokken rechtscolleges wenste over te laten de kandidaten voor het voorzitterschap van de tuchtraad voor te dragen. De verzoekende partij betwist die keuze van de wetgever niet. De Ministerraad gaat evenwel eraan voorbij dat niet alleen de rechtbanken van eerste aanleg, maar ook de andere rechtbanken een korpschef hebben. Evenmin is het relevant dat de tuchtraad uitspraak doet in eerste aanleg. Verschillende andere tuchtinstanties die uitspraak doen in eerste aanleg, hebben een magistraat als voorzitter die kan worden gekozen uit elk van de hoven en rechtbanken. Daarenboven kan ook tegen de vonnissen van de ondernemingsrechtbank beroep worden ingesteld bij het hof van beroep. 3 Naar de mening van de verzoekende partij is de bestreden bepaling bijgevolg niet noodzakelijk om de door de wetgever nagestreefde doelstelling te bereiken en heeft zij onevenredige gevolgen. Bovendien is de bestreden bepaling in strijd met het bij artikel 10, tweede lid, van de Grondwet gewaarborgde recht van de verzoekende partij om zich, als Belg, kandidaat te kunnen stellen voor een burgerlijke bediening. A.
  3. Volgens de Ministerraad is het enige middel niet gegrond. De wetgever beschikt over een ruime beoordelingsbevoegdheid wat de rechterlijke organisatie betreft. In het bijzonder staat het aan de wetgever de samenstelling te bepalen van de rechterlijke instanties. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie verplicht de wetgever niet om bij algemene maatregel alle zittende magistraten, zelfs al bevinden zij zich in een vergelijkbare rechtstoestand, op dezelfde wijze toegang te verlenen tot het voorzitterschap van de tuchtraad. De Ministerraad vervolgt dat de keuze om het voorzitterschap van de tuchtraad uitsluitend te laten waarnemen door magistraten van de rechtbank van eerste aanleg, is ingegeven door twee redenen. Ten eerste laat een dergelijke regeling toe dat de korpschefs van de rechtbanken van eerste aanleg de kandidaten aanwijzen. Zij bevinden zich in de beste positie om te beoordelen welke magistraten geschikt zijn om in de tuchtraad zitting te nemen, alsook om de impact op de organisatie en de werklast van de rechtbank in te schatten. Ten tweede neemt de tuchtraad beslissingen in eerste aanleg, waartegen beroep kan worden ingesteld bij het hof van beroep. Ook in de vroegere tuchtprocedures met betrekking tot de notarissen en de gerechtsdeurwaarders hadden de rechtbanken van eerste aanleg overigens een centrale rol. Die rechtbanken waren onder meer bevoegd om de hogere tuchtstraffen op te leggen ten aanzien van de leden van de beide beroepsgroepen. In tegenstelling tot wat de verzoekende partij beweert, kan naar de mening van de Ministerraad niet uit artikel 294bis van het Gerechtelijk Wetboek worden afgeleid dat alle magistraten principieel in aanmerking komen voor het bekleden van een functie bij een commissie, een raad of een comité. Die bepaling heeft immers louter betrekking op de cumulatie van ambten door magistraten, zoals ook blijkt uit de combinatie ervan met de artikelen 293, eerste lid, en 294, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Gelet op de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover de wetgever beschikt, mocht hij volgens de Ministerraad bijgevolg redelijkerwijze ervoor kiezen om, binnen de brede groep van zittende magistraten, de aanwijzing van de kandidaat-voorzitters van de tuchtkamers te laten plaatsvinden op het niveau van de rechtbanken van eerste aanleg, met uitsluiting van de andere hoven en rechtbanken. De voorzitters van de rechtbanken van eerste aanleg hebben geen zicht op de organisatie en de werklastverdeling in de andere hoven en rechtbanken. -B- Ten aanzien van de bestreden bepaling B.
  4. Het beroep tot vernietiging heeft betrekking op de voorwaarden om te worden aangesteld tot voorzitter of plaatsvervangend voorzitter van de Nederlandstalige of de Franstalige tuchtkamer van de tuchtraad voor de notarissen en de gerechtsdeurwaarders. B.
  5. De wet van 22 november 2022 « tot wijziging van de wet van 16 maart 1803 op het notarisambt, tot invoering van een tuchtraad voor de notarissen en de gerechtsdeurwaarders in het Gerechtelijk Wetboek en diverse bepalingen » (hierna : de wet van 22 november 2022) hervormt het tuchtrecht van de notarissen en de gerechtsdeurwaarders. Daartoe wordt onder meer in het tweede deel van het Gerechtelijk Wetboek een boek IVbis ingevoegd, bestaande uit 4 de artikelen 555/3 tot 555/5octies, met als opschrift « Tucht voor notarissen en gerechtsdeurwaarders ». De doelstelling van die hervorming bestaat in « een modernisering, uniformisering en professionalisering van de tuchtprocedures van beide ambten door een gezamenlijk tuchtorgaan te creëren voor deze beide actoren van justitie die het statuut van openbaar ambtenaar hebben » (Parl. St., Kamer, 2021-2022, DOC 55-2868/001, p. 64). Voordien werd de tuchtrechtelijke bevoegdheid ten aanzien van de notarissen en de gerechtsdeurwaarders uitgeoefend door respectievelijk de kamers van notarissen en de tuchtcommissies van gerechtsdeurwaarders, dan wel, wat de hogere tuchtstraffen betreft, door de rechtbanken van eerste aanleg (zie de artikelen 533 tot 548 van het Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 95 tot 113 van de wet van 16 maart 1803 « op het notarisambt », zoals van toepassing vóór de wijziging en/of de opheffing ervan bij de wet van 22 november 2022). Overeenkomstig artikel 124 van de wet van 22 november 2022 zijn de bepalingen met betrekking tot de nieuwe tuchtprocedure in werking getreden op 1 januari 2024 (zie ook Parl. St., Kamer, 2021-2022, DOC 55-2868/001, p. 79). B.
  6. Artikel 555/5bis, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals ingevoegd bij artikel 103 van de wet van 22 november 2022, voorziet aldus in de oprichting, voor heel België, van een tuchtraad met een Nederlandstalige en een Franstalige tuchtkamer, bevoegd ten aanzien van de aan het tuchtrecht van de notarissen en gerechtsdeurwaarders onderworpen personen. Tegen de beslissingen van elke tuchtkamer kan verzet of beroep worden ingesteld bij het hof van beroep van het rechtsgebied waar de betrokkene zijn standplaats heeft (artikel 555/5octies, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals ingevoegd bij artikel 110 van de wet van 22 november 2022). Luidens de memorie van toelichting gaat het om « een unieke tuchtraad [...] voor de twee actoren van justitie » en « [krijgt] deze rechtbank [...] de bevoegdheid over het volledige arsenaal van tuchtstraffen, inbegrepen schorsing en afzetting ». De wetgever beoogde « een meer efficiënte en professionele regeling die de geloofwaardigheid van de handhaving van de tucht ten goede komt », hetgeen « de verlating van het plaatselijk niveau van de tuchtrechtspraak en de leiding en begeleiding door een gezaghebbende magistraat met ruime ervaring [vergt] » (Parl. St., Kamer, 2021-2022, DOC 55-2868/001, p. 6; zie ook ibid., p. 70, en Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-2868/003, p. 5). 5 B.4.
  7. Artikel 555/5bis, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals ingevoegd bij artikel 103 van de wet van 22 november 2022, bepaalt de samenstelling van de tuchtraad : « Elke tuchtkamer is samengesteld uit drie leden, waaronder een magistraat die de tuchtkamer voorzit, naargelang het geval, twee notarissen-assessoren of twee gerechtsdeurwaarders-assessoren. De voorzitter van elke rechtbank van eerste aanleg wijst om de drie jaar een magistraat in functie aan uit de zittende magistraten van de rechtbank van eerste aanleg en deelt deze gemotiveerde aanwijzing mee aan het College van de hoven en rechtbanken die uit de aangewezen magistraten één voorzitter en drie plaatsvervangers aanstelt per tuchtkamer. In het rechtsgebied Brussel wordt per taalrol een magistraat aangewezen. Het College van de hoven en rechtbanken informeert de minister van Justitie van de aangewezen magistraten. De minister van Justitie maakt de aangewezen magistraten in het Belgisch Staatsblad bekend. De plaatsvervangend voorzitter vervangt de voorzitter wanneer deze belet is of gewraakt wordt. Het mandaat is hernieuwbaar. Elke kamer van notarissen duidt een notaris-assessor aan per begonnen schijf van vijftig notarissen in het genootschap van notarissen. De kamer van notarissen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest stelt een Nederlandstalige en een Franstalige assessor aan per begonnen schijf van honderd notarissen. Voor de notarissen is de aanvaarding van de opdracht van assessor een deontologische verplichting; voor de erenotarissen niet. De algemene vergadering van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders verkiest per gerechtelijk arrondissement vier gerechtsdeurwaarders-assessoren. Voor het gerechtelijk arrondissement Brussel worden twee Nederlandstalige en twee Franstalige assessoren verkozen. De ontslagnemende notaris-assessor wordt vervangen door een notaris die wordt aangeduid door de kamer van notarissen van het genootschap waarvan hij deel uitmaakt. De ontslagnemende assessor-gerechtsdeurwaarder wordt vervangen door een gerechtsdeurwaarder die verkozen wordt door de algemene vergadering van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders. De assessoren worden aangesteld voor een mandaat van drie jaar. Uittredende assessoren kunnen eenmaal onmiddellijk heraangesteld worden. De notarissen en gerechtsdeurwaarders die sedert tenminste vijf jaar het ambt uitoefenen, erenotarissen en ere-gerechtsdeurwaarders kunnen tot assessor benoemd worden. Zij mogen binnen de vijf jaar voorafgaand aan hun aanstelling niet veroordeeld zijn geweest tot een in kracht van gewijsde gegane tuchtsanctie. 6 De notarissen-assessoren mogen geen lid zijn van het directiecomité van de Nationale Kamer van notarissen, een kamer van notarissen of het auditoraat opgericht bij de Nationale Kamer van notarissen. De gerechtsdeurwaarders-assessoren mogen geen lid zijn van het directiecomité van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders, van de raad van de arrondissementskamer of het auditoraat opgericht bij de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders. Het mandaat eindigt bij het verstrijken van de termijn, wanneer een onverenigbaarheid ontstaat als bedoeld in het achtste lid, of wanneer zij het voorwerp zijn van een in kracht van gewijsde gegane tuchtsanctie. De tuchtraad stelt het huishoudelijk reglement vast waarin de werking en organisatie, de vervanging van de voorzitter, de aanwijzing van de assessoren per beroepsgroep en de wijze van samenstelling van de tuchtkamer voor de zittingen wordt geregeld. Het huishoudelijk reglement wordt bij ministerieel besluit door de minister van Justitie, na advies van de Nationale Kamer van notarissen en de Nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders, goedgekeurd en in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt ». B.4.
  8. De verzoekende partij vordert de vernietiging van de eerste zin van het tweede lid van die paragraaf, die de procedure tot aanstelling van de voorzitters en de plaatsvervangende voorzitters van de tuchtkamers vaststelt. B.5.
  9. De memorie van toelichting van de wet van 22 november 2022 vermeldt met betrekking tot het voorzitterschap van de tuchtkamers : « Het voorzitterschap van elke tuchtkamer berust bij een magistraat. Dit is noodzakelijk om te vermijden dat tuchtrecht een louter interne aangelegenheid is van de beroepsgroep en dat de objectiviteit van de rechtspraak ten overstaan van het publiek en het openbaar gezag wordt gewaarborgd. Er is gekozen voor magistraten die voorgedragen worden aan het College van hoven en rechtbanken door de voorzitter van elke rechtbank van eerste aanleg die zijn korps kent en kan oordelen welke magistraten specifiek in aanmerking kunnen komen om de functie in te vullen. De voordracht dient gemotiveerd te worden, waardoor het College van hoven en rechtbanken op objectieve gronden de aan te stellen magistraten kiest. Het is best de reserve voldoende ruim te voorzien omdat pas na enkele jaren zal blijken wat de werklast voor de betrokken magistraat betekent en of al dan niet door vervanging een spreiding van de werklast noodzakelijk is. Er worden dan ook één voorzitter voorzien en drie plaatsvervangers » (Parl. St., Kamer, 2021-2022, DOC 55-2868/001, pp. 70-71). B.5.
  10. Een amendement werd verworpen dat een wijziging voorstelde van de procedure tot aanstelling van de voorzitters en de plaatsvervangende voorzitters, zoals opgenomen in artikel 555/5bis, § 2, tweede lid, eerste zin, van het Gerechtelijk Wetboek. Die wijziging hield 7 in dat de eerste voorzitter van elk hof van beroep om de drie jaar een magistraat in functie zou aanwijzen uit de zittende magistraten van de rechtbanken van zijn rechtsgebied en die gemotiveerde aanwijzing zou meedelen aan de minister van Justitie, die een voorzitter zou aanwijzen (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-2868/006, p. 9; Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-2868/007, p. 11). Een soortgelijke regeling was overigens opgenomen in het voorontwerp van wet, zoals voorgelegd voor advies aan de afdeling wetgeving van de Raad van State (Parl. St., Kamer, 2021-2022, DOC 55-2868/001, p. 128). In de bevoegde Kamercommissie verklaarde de minister van Justitie daaromtrent : « De minister is van oordeel dat voor de goede werking van de rechterlijke orde het niet getuigt van goed beheer wanneer een eerste voorzitter van het hof van beroep rechters uit de rechtbank van eerste aanleg of zelfs een voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg of de arbeidsrechtbank kan aanwijzen. Dit gebeurt tot nog toe inderdaad in veel gevallen. De aanwijzing van rechters moet evenwel de korpschef van de eigen rechtbank toekomen. Dit wordt ook zo bepaald in het wetsontwerp houdende diverse bepalingen inzake rechterlijke organisatie II (DOC 55 1978/001), dat hier binnenkort ter bespreking zal voorliggen. De nadruk wordt op de eigen korpschef gelegd, die zijn rechtbank moet kunnen beheren. Het betreft in dezen voorts duidelijk een eerste aanleg (weliswaar in tucht), nu het beroep tegen de uitspraken van de tuchtraad wordt ingeleid voor het hof van beroep. Gelet op deze beide elementen werd in dezen de keuze gemaakt dat elke voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg één magistraat voordraagt. Hij dient deze voordracht te motiveren, wat maakt dat er wel degelijk een objectieve basis voorhanden zal zijn voor het College van de hoven en rechtbanken, dat op zijn beurt de aanstelling verzekert. De minister benadrukt dat het hier niet over een verkiezing met kandidaten gaat, maar wel om een aanduiding door de korpschef. Het betreft de voordracht van één voorzitter en drie plaatsvervangers. De aanduiding van de plaatsvervangers komt er op specifieke vraag van het College, met de bedoeling dat deze plaatsvervangers ook zitting zullen hebben, waardoor er een werklastverdeling tussen de magistraten zal gebeuren. Het is daarbij aan de tuchtraad om een huishoudelijk reglement op te stellen dat de werking, de vervanging van de voorzitter enzovoort zal regelen » (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-2868/007, p. 10). Ten gronde B.
  11. De verzoekende partij leidt een enig middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Zij voert aan dat de bestreden bepaling een verschil in behandeling in het leven roept tussen de zittende magistraten, naargelang zij lid zijn van de rechtbank van eerste aanleg dan wel van een ander rechtscollege dat tot de hoven en rechtbanken behoort. Enkel de zittende magistraten van de rechtbank van eerste aanleg komen in aanmerking om te worden aangesteld tot voorzitter of plaatsvervangend voorzitter van de Nederlandstalige of de 8 Franstalige tuchtkamer van de tuchtraad voor de notarissen en de gerechtsdeurwaarders. Volgens de verzoekende partij is dat verschil in behandeling niet redelijk verantwoord. Daarnaast zou de bestreden bepaling het recht van de verzoekende partij schenden om zich, als Belg, « kandidaat te stellen om benoemd te worden in een burgerlijke bediening zoals gegarandeerd door artikel 10, tweede lid van de Grondwet ». B.7.
  12. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet hebben een algemene draagwijdte. Zij verbieden elke discriminatie, ongeacht de oorsprong ervan : de grondwettelijke regels van de gelijkheid en van de niet-discriminatie zijn toepasselijk ten aanzien van alle rechten en alle vrijheden. B.7.
  13. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.7.
  14. Krachtens artikel 10, tweede lid, van de Grondwet zijn alleen Belgen tot de burgerlijke en militaire bedieningen benoembaar, behoudens de uitzonderingen die voor bijzondere gevallen door een wet kunnen worden gesteld. Die grondwetsbepaling verhindert de wetgever niet om voorwaarden vast te stellen waaronder Belgen zich kandidaat kunnen stellen voor een burgerlijke bediening. Hij dient daarbij echter het beginsel van gelijkheid en niet- discriminatie in acht te nemen, waarvan het beginsel van de gelijke toegang tot de openbare ambten een corollarium vormt. B.
  15. Het behoort tot de beoordelingsbevoegdheid van de wetgever om de gewenste samenstelling van de tuchtraad voor de notarissen en de gerechtsdeurwaarders te bepalen. Het Hof kan de daarbij door de wetgever gemaakte keuzes enkel afkeuren indien zij onredelijk zijn of indien zij op onevenredige wijze afbreuk doen aan de rechten van een categorie van personen. 9 B.9.
  16. De verzoekende partij voert aan dat de wetgever in het verleden, wat het voorzitterschap van andere tuchtorganen betreft, nooit een soortgelijk onderscheid heeft gemaakt tussen de zittende magistraten van de hoven en rechtbanken. In het bijzonder benadrukt de verzoekende partij dat de voorzitters van de vroegere tuchtcommissies van gerechtsdeurwaarders werden aangewezen uit de zittende magistraten van alle hoven en rechtbanken van het betrokken rechtsgebied (artikel 534, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals van toepassing vóór de vervanging ervan bij artikel 82 van de wet van 22 november 2022). B.9.
  17. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie verzet zich niet ertegen dat de wetgever terugkomt op zijn oorspronkelijke doelstellingen om er andere na te streven. In het algemeen trouwens moet de overheid haar beleid kunnen aanpassen aan de wisselende vereisten van het algemeen belang. Wanneer de wetgever het tuchtrecht van de gerechtsdeurwaarders hervormt en daartoe een nieuw tuchtorgaan opricht, kan hij derhalve voor een andere procedure tot aanstelling van de voorzitters opteren. B.
  18. Overeenkomstig de bestreden bepaling « [wijst] de voorzitter van elke rechtbank van eerste aanleg [...] om de drie jaar een magistraat in functie aan uit de zittende magistraten van de rechtbank van eerste aanleg en deelt [hij] deze gemotiveerde aanwijzing mee aan het College van de hoven en rechtbanken die uit de aangewezen magistraten één voorzitter en drie plaatsvervangers aanstelt per tuchtkamer ». Zoals blijkt uit de in B.5 vermelde parlementaire voorbereiding, heeft de wetgever aldus gekozen voor een regeling waarbij het toekomt aan « de korpschef van de eigen rechtbank », en niet aan de voorzitter van het hof van beroep, de magistraten voor te dragen die kunnen worden aangesteld tot voorzitter of plaatsvervangend voorzitter van één van de beide kamers van de tuchtraad, uitgaande van de idee dat hij « zijn korps kent en kan oordelen welke magistraten specifiek in aanmerking kunnen komen om de functie in te vullen ». B.
  19. De rechtbanken van eerste aanleg hebben ruime bevoegdheden, zowel in burgerlijke als in strafzaken, en beschikken in beginsel over een korps van magistraten met uiteenlopende kennis- en interessegebieden. Zij nemen daarnaast kennis van de vorderingen tot regeling van 10 het niet bij tarief vastgestelde ereloon van notarissen (artikel 569, eerste lid, 15°, van hetzelfde Wetboek), en beëdigen de notarissen en de gerechtsdeurwaarders (artikel 572 van hetzelfde Wetboek). B.
  20. Gelet op de bevoegdheden en de samenstelling van de rechtbanken van eerste aanleg, is het niet onredelijk dat uitsluitend zittende magistraten van die rechtbanken kunnen worden voorgedragen voor het voorzitterschap van de tuchtraad voor de notarissen en de gerechtsdeurwaarders, en dat die mogelijkheid niet bestaat voor de zittende magistraten van de andere hoven en rechtbanken. De omstandigheid dat ook magistraten van de andere hoven en rechtbanken bekwaam kunnen zijn om de functie van voorzitter uit te oefenen, verplicht de wetgever niet om het voorzitterschap open te stellen voor het geheel van de magistraten, des te meer daar zulks met name in kleinere rechtscolleges een impact zou kunnen hebben op de werking van het korps. B.
  21. Het feit dat de zittende magistraten van de andere hoven en rechtbanken dan de rechtbanken van eerste aanleg niet in aanmerking komen voor het voorzitterschap van de tuchtraad voor de notarissen en de gerechtsdeurwaarders, heeft ten slotte geen onevenredige gevolgen voor die magistraten. Zij behouden de uitoefening van hun ambt in het rechtscollege waar zij zijn benoemd. Overigens kunnen zij solliciteren naar een vacante betrekking bij een rechtbank van eerste aanleg, en in voorkomend geval bij hun nieuwe korpschef blijk geven van hun belangstelling voor het voorzitterschap van de tuchtraad. B.
  22. Het enige middel is niet gegrond. 11 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus gewezen in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 25 januari
  23. De griffier, De voorzitter, N. Dupont L. Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.015 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.