← België

ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.016

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 25 januari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.016 Arrest- Rolnummer: 16/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-02-05 Raadplegingen: 412 - laatst gezien 2026-06-18 00:42 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Geen schending (artikel 88, § 1, eerste lid, tweede zin, van de wet van 4 april 2014, in zoverre het rechtsvorderingen aangaande de verworven reserves van levensverzekeringen aan een verjaringstermijn van dertig jaar onderwerpt) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag over artikel 88, § 1, tweede zin, van de wet van 4 april 2014 « betreffende de verzekeringen », gesteld door het Hof van Beroep te Brussel. Verzekeringsrecht - Verjaringstermijn - Levensverzekeringen - Rechtsvorderingen aangaande de verworven reserves van levensverzekeringen - Dertigjarige verjaringstermijn Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 16/2024 van 25 januari 2024 Rolnummer : 8051 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 88, § 1, tweede zin, van de wet van 4 april 2014 « betreffende de verzekeringen », gesteld door het Hof van Beroep te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en P. Nihoul, en de rechters T. Giet, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, D. Pieters, S. de Bethune, E. Bribosia, W. Verrijdt, K. Jadin en M. Plovie, bijgestaan door de griffier N. Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 22 juni 2023, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 3 juli 2023, heeft het Hof van Beroep te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 88, § 1, tweede zin van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen (voorheen artikel 34, § 1, tweede zin van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst) de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het voorziet in een dertigjarige verjaringstermijn voor rechtsvorderingen in de levensverzekering aangaande de reserve die op de datum van opzegging of op de einddatum gevormd is door de betaalde premies, onder aftrek van de verbruikte sommen, terwijl de gemeenrechtelijke verjaringstermijn voor persoonlijke, contractuele rechtsvorderingen krachtens artikel 2262bis, § 1 van het Oud Burgerlijk Wetboek tien jaar bedraagt en deze termijn onder meer van toepassing is op de rechtsvorderingen van en tegen instellingen voor bedrijfspensioenvoorzieningen, onderscheiden van verzekeringsondernemingen, en op de rechtsvorderingen van en tegen banken aangaande spaarproducten, 2 en terwijl in het gemeen recht de dertigjarige verjaringstermijn krachtens artikel 2262 van het Oud Burgerlijk Wetboek, zoals gewijzigd bij wet van 10 juni 1998, uitsluitend geldt voor zakelijke rechtsvorderingen ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - de nv « Athora Belgium », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. A. Vandenbergen en Mr. S. Lodewijckx, advocaten bij de balie te Brussel; - de bv « Ingram Micro Belux », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. K. De Winter en Mr. O. Van den broeke, advocaten bij de balie van Antwerpen; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. C. Decordier, advocaat bij de balie te Gent. Bij beschikking van 22 november 2023 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers D. Pieters en K. Jadin te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De bv « Ingram Micro Belux », geïntimeerde in het bodemgeschil, kende op 1 januari 1992 een aanvullende pensioentoezegging aan haar personeelsleden toe. Het beheer van die aanvullende pensioentoezegging werd toevertrouwd aan de nv « Athora Belgium » (voorheen genaamd : de nv « Generali Belgium »), appellante in het bodemgeschil, in de vorm van een groepsverzekering. Bij haar vonnis van 7 mei 2015 heeft de Nederlandstalige Rechtbank van Koophandel te Brussel de toenmalige nv « Generali Belgium » veroordeeld tot betaling aan de bv « Ingram Micro Belux » van een contractueel gewaarborgde rentevoet van 3,75 % per jaar op de stortingen die bestemd zijn voor de pensioenwaarborg. Op 22 juni 2015 heeft de nv « Athora Belgium » beroep aangetekend tegen dat vonnis bij het Hof van Beroep te Brussel. Zij betwist onder meer de ontvankelijkheid van de initiële vorderingen van de bv « Ingram Micro Belux » wegens gedeeltelijke verjaring en stelt, in ondergeschikte orde, voor over de verjaringsregeling prejudiciële vragen te stellen aan het Hof. Het verwijzende rechtscollege is van oordeel dat de dertigjarige verjaringstermijn van toepassing is op grond van artikel 88 van de wet van 4 april 2014 « betreffende de verzekeringen » (hierna : de wet van 4 april 2014), nu de rendementen een onderdeel vormen van de verworven reserves. Die dertigjarige verjaringstermijn werd voor het eerst ingeschreven in het toenmalige artikel 34 van de wet van 25 juni 1992 « op de landverzekeringsovereenkomst ». Uit de parlementaire voorbereiding van die wet leidt het verwijzende rechtscollege af dat die verjaringstermijn werd gespiegeld aan de verjaringstermijn voor spaaroperaties in de 3 banksector, die louter een toepassing was van de algemene dertigjarige verjaringstermijn bepaald in het toenmalige artikel 2262 van het oud Burgerlijk Wetboek. Die termijn werd met de invoering van artikel 2262bis van het oud Burgerlijk Wetboek teruggebracht tot tien jaar voor persoonlijke vorderingen. In dit licht acht het verwijzende rechtscollege het noodzakelijk om, alvorens verder recht te spreken, de hiervoor vermelde prejudiciële vraag te stellen. III. In rechte -A- A.1.

  1. De nv « Athora Belgium » voert aan dat de in het geding zijnde bepaling een ongeoorloofd verschil in behandeling in het leven roept. Allereerst zijn de in de prejudiciële vraag aangehaalde situaties vergelijkbaar. Zo streeft de wetgever al jarenlang gelijke voorwaarden na tussen de verzekeringsondernemingen en de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening en streeft hij hierbij naar meer uniformiteit en rechtszekerheid. A.1.
  2. De nv « Athora Belgium » merkt op dat de wetgever de dertigjarige verjaringstermijn in het verzekeringsrecht steeds heeft gekoppeld aan de dertigjarige verjaringstermijn in het burgerlijk recht. Het feit dat de dertigjarige verjaringstermijn nog steeds in de in het geding zijnde bepaling is opgenomen, is volgens haar dan ook louter te wijten aan een vergetelheid van de wetgever, die allicht over het hoofd heeft gezien dat in die regelgeving, in plaats van een loutere verwijzing naar artikel 2262 van het Burgerlijk Wetboek, de dertigjarige verjaringstermijn expliciet werd vermeld. Dit wordt ook bevestigd in de rechtsleer. Anders dan de Ministerraad beweert, kan dat verschil in behandeling geen steun vinden in het feit dat er een nauwere betrokkenheid is tussen een inrichter en een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening dan tussen een inrichter en een verzekeraar. Deze laatste is immers verplicht om de inrichter op een zo goed als identieke wijze te informeren over de pensioentoezegging die hij voor de inrichter beheert. Bovendien is de vordering van de werknemer, die doorgaans de zwakkere partij is, tegen de verzekeraar onderworpen aan een verjaringstermijn van drie jaar, zodat niet valt in te zien waarom de vordering van de inrichter (de werkgever) onderworpen moet zijn aan een verjaringstermijn van dertig jaar. Het in het geding zijnde verschil in behandeling streeft dus geen duidelijk doel na. Wat de vergelijkbaarheid van instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening en verzekeringsondernemingen betreft, merkt de nv « Athora Belgium » op dat in de wet van 28 april 2003 « betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid » een level playing field werd gecreëerd, niet alleen inzake de verjaringsregeling, tussen die beide categorieën van instellingen. In dezelfde zin zijn banken en verzekeringsondernemingen vergelijkbaar wat betreft het aanbieden van financiële producten. Om de voormelde redenen is het verschil in behandeling evenmin pertinent en evenmin evenredig. Voor zover als nodig merkt de nv « Athora Belgium » op dat er geen enkele reden is om de gevolgen van de in het geding zijnde bepaling te handhaven, nu het verwijzende rechtscollege bij vaststelling van de ongrondwettigheid van de in het geding zijnde bepaling de tienjarige verjaringstermijn van artikel 2262bis van het oud Burgerlijk Wetboek moet toepassen. Om dezelfde reden moet het Hof, wanneer het van oordeel zou zijn dat het om een lacune gaat, hoe dan ook vaststellen dat het aan het verwijzende rechtscollege toekomt die lacune in te vullen. A.2.
  3. De bv « Ingram Micro Belux » is van oordeel dat artikel 88, § 1, tweede zin, van de wet van 4 april 2014 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt. Allereerst zijn spaarverzekeringen niet vergelijkbaar met bancaire of andere (pensioen)spaarproducten. Zo hebben zij een andere juridische aard, worden zij door een ander type financiële instelling aangeboden of beheerd, worden zij beheerst door een ander soort contractuele relatie of rechtsverhouding, hebben ze doorgaans een ander rendement en een ander soort rendementsgarantie en is de beschermingsregeling van het depositogarantiefonds niet uniform van toepassing op alle producten die vergeleken worden in de prejudiciële vraag. Daarenboven zijn tak 21-levensverzekeringen overdraagbaar in tegenstelling tot bancaire spaar- en termijnrekeningen, zijn ze er niet door vervangbaar en hebben ze andere gevolgen bij overlijden. Voorts beklemtoont de bv « Ingram Micro Belux » dat de algemene organisatie en praktische werking, de juridische aard, de aard van kapitalisatie, de financiële instellingen en het winstmotief van een groepsverzekering anders is dan bij een pensioenfonds en dat er enkel bij groepsverzekeringen een gewaarborgd rendement is. A.2.
  4. Volgens de bv « Ingram Micro Belux » is de bijzondere dertigjarige verjaringstermijn in het verzekeringsrecht niet vergelijkbaar met de gemeenrechtelijke tienjarige verjaringstermijn. Voor vorderingen 4 voortvloeiend uit een verzekeringsovereenkomst geldt de principiële verjaringstermijn van drie jaar. De dertigjarige verjaringstermijn geldt enkel voor vorderingen over opgebouwde reserves die betrekking hebben op het spaarkapitaal van de verzekerde som in het kader van levensverzekeringen en groepsverzekeringen. De dertigjarige verjaringstermijn maakt dus deel uit van een verjaringsregeling die specifiek is geënt op het verzekeringsrecht en in haar geheel afwijkt van de gemeenrechtelijke verjaringsregeling. Die verjaringsregeling beoogt het behouden van een balans tussen de legitieme belangen van de verzekeraar en de bescherming van de verzekeringnemers, de verzekerden en de begunstigden. Uit de rechtspraak van het Hof vloeit voort dat de wetgever moet beschikken over een ruime beoordelingsvrijheid bij het regelen van de verjaring. A.2.
  5. Evenmin is er volgens de bv « Ingram Micro Belux » sprake van een onevenredige beperking van de rechten van de verzekeraars. De verzekeraar geniet in beginsel een verjaringstermijn van drie jaar die beduidend korter is dan de gemeenrechtelijke tienjarige verjaringstermijn die van toepassing is op banken en pensioenfondsen. Daarenboven voorziet de verjaring in het verzekeringsrecht in een passend evenwicht tussen alle bij de verzekeringsovereenkomst betrokken partijen. Dat laatste leidt volgens de bv « Ingram Micro Belux » ertoe dat het behoud van die dertigjarige verjaringstermijn niet kan worden beschouwd als een vergetelheid van de wetgever. A.3.
  6. De Ministerraad is van oordeel dat de in het geding zijnde bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt. In tegenstelling tot wat het verwijzende rechtscollege suggereert, berust de dertigjarige verjaringstermijn in de in het geding zijnde bepaling geenszins op een vergetelheid van de wetgever. A.3.
  7. De geviseerde situaties zijn niet voldoende vergelijkbaar met elkaar om van een ongeoorloofd verschil in behandeling te kunnen spreken. De verzekeringsondernemingen en de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening hebben een fundamenteel verschillende relatie met de inrichters van een pensioentoezegging, zijn onderworpen aan een ander prudentieel toezichtskader, streven een ander doel na en oefenen verschillende activiteiten uit. A.3.
  8. In zoverre het Hof van oordeel zou zijn dat de categorieën voldoende vergelijkbaar zijn, stelt de Ministerraad vast dat het in het geding zijnde onderscheid in ieder geval een wettig doel nastreeft, op een objectief criterium steunt en evenredig en pertinent is in het licht van het door de wetgever nagestreefde doel. Allereerst benadrukt de Ministerraad dat de wetgever een ruime beoordelingsbevoegdheid heeft inzake de vaststelling van verjaringsregels. Volgens hem zouden uniforme regels niet stroken met de werkelijkheid en zouden zij tot onwenselijke situaties leiden. De wetgever streeft een wettig doel na met het bepalen van verjaringsregels die eigen zijn aan de specifieke actoren en overeenkomsten. Met de wet van 15 mei 2014 « houdende diverse bepalingen » werd ingegrepen in de verjaringstermijnen die van toepassing zijn op vorderingen in het kader van de tweede pensioenpijler. De vorderingen waarbij geen aangeslotenen of begunstigden zijn betrokken, namelijk de vorderingen in de relatie tussen de inrichters en de pensioeninstellingen, werden echter bewust ongewijzigd gelaten. Anders dan de nv « Athora Belgium » beweert, betreft de in het geding zijnde bepaling dan ook helemaal geen vergetelheid van de wetgever. Het onderscheid in verjaringsregels is gestoeld op de onderlinge verschillen die er bestaan tussen verzekeringsondernemingen en de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening en staat in redelijk verband met het beoogde doel. In het bijzonder bestaat er een nauwe band tussen een inrichter en een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening, terwijl die niet bestaat tussen een inrichter en een verzekeraar. De dertigjarige verjaringstermijn voor rechtsvorderingen aangaande reserves in de tweede pensioenpijler komt tegemoet aan de zeer specifieke eigenschappen van verzekeringsondernemingen en de verzekeringsovereenkomsten. -B- B.
  9. Het verwijzende rechtscollege wenst te vernemen of artikel 88, § 1, eerste lid, tweede zin, van de wet van 4 april 2014 « betreffende de verzekeringen » (hierna : de wet van 4 april 2014) bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het voorziet in een dertigjarige verjaringstermijn voor rechtsvorderingen in de levensverzekering aangaande de reserve die op de datum van opzegging of op de einddatum gevormd is door de betaalde 5 premies, onder aftrek van de verbruikte sommen, terwijl de gemeenrechtelijke verjaringstermijn voor persoonlijke, contractuele rechtsvorderingen krachtens artikel 2262bis, § 1, van het oud Burgerlijk Wetboek tien jaar bedraagt en die termijn onder meer van toepassing is op de rechtsvorderingen van en tegen instellingen voor bedrijfspensioenvoorzieningen, onderscheiden van verzekeringsondernemingen, en op de rechtsvorderingen van en tegen banken aangaande spaarproducten, en terwijl de gemeenrechtelijke dertigjarige verjaringstermijn krachtens artikel 2262 van het oud Burgerlijk Wetboek, zoals gewijzigd bij de wet van 10 juni 1998 « tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring » (hierna : de wet van 10 juni 1998), uitsluitend geldt voor zakelijke rechtsvorderingen. B.2.
  10. Artikel 88, § 1, van de wet van 4 april 2014 bepaalt : « De verjaringstermijn voor elke rechtsvordering voortvloeiend uit een verzekeringsovereenkomst bedraagt drie jaar. In de levensverzekering bedraagt de termijn dertig jaar voor wat betreft de rechtsvordering aangaande de reserve die op de datum van opzegging of op de einddatum gevormd is door de betaalde premies, onder aftrek van de verbruikte sommen. De termijn begint te lopen vanaf de dag van het voorval dat het vorderingsrecht doet ontstaan. Wanneer degene aan wie de rechtsvordering toekomt, bewijst dat hij pas op een later tijdstip van het voorval kennis heeft gekregen, begint de termijn te lopen vanaf dat tijdstip, maar hij verstrijkt in elk geval vijf jaar na het voorval, behoudens bedrog. [...] ». B.2.
  11. Artikel 2262 van het oud Burgerlijk Wetboek bepaalt : « Alle zakelijke rechtsvorderingen verjaren door verloop van dertig jaar, zonder dat hij die zich op deze verjaring beroept, verplicht is daarvan enige titel te vertonen of dat men hem de exceptie van kwade trouw kan tegenwerpen ». B.2.
  12. Artikel 2262bis, § 1, van het oud Burgerlijk Wetboek bepaalt : « Alle persoonlijke rechtsvorderingen verjaren door verloop van tien jaar. In afwijking van het eerste lid verjaren alle rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon. 6 De in het tweede lid vermelde vorderingen verjaren in ieder geval door verloop van twintig jaar vanaf de dag volgend op die waarop het feit waardoor de schade is veroorzaakt, zich heeft voorgedaan ». B.
  13. Het verwijzende rechtscollege verzoekt het Hof de dertigjarige verjaringstermijn die geldt voor rechtsvorderingen met betrekking tot de verworven reserves van levensverzekeringen zoals bepaald in artikel 88, § 1, eerste lid, tweede zin, van de wet van 4 april 2014, te vergelijken met de gemeenrechtelijke verjaringsregeling zoals bepaald in de artikelen 2262 en 2262bis van het oud Burgerlijk Wetboek, in het bijzonder zoals die geldt voor rechtsvorderingen ten aanzien van instellingen voor bedrijfspensioenvoorzieningen en spaarproducten van banken. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat het bodemgeschil betrekking heeft op een aanvullende pensioentoezegging die door een werkgever (de inrichter), geïntimeerde in het bodemgeschil, aan zijn personeelsleden wordt toegekend en die wordt beheerd door een verzekeraar, appellant in het bodemgeschil, in de vorm van een groepsverzekering. Het verwijzende rechtscollege heeft geoordeeld dat de vordering van de geïntimeerde tegen de appellant betrekking heeft op een rechtsvordering betreffende de verworven reserves van levensverzekeringen, zoals bedoeld in artikel 88, § 1, eerste lid, tweede zin, van de wet van 4 april
  14. Het verwijzende rechtscollege vergelijkt die rechtsvordering met een rechtsvordering inzake een aanvullende pensioentoezegging die door een werkgever aan zijn personeelsleden wordt toegekend en die wordt beheerd door een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening alsook met een rechtsvordering betreffende een spaarproduct aangeboden door een bank, die allebei zijn onderworpen aan de verjaringstermijn voor persoonlijke, contractuele rechtsvorderingen bepaald in artikel 2262bis, § 1, van het oud Burgerlijk Wetboek. B.4.
  15. De Ministerraad en de geïntimeerde in het bodemgeschil voeren aan dat verzekeringsondernemingen die een aanvullende pensioentoezegging beheren niet vergelijkbaar zijn met instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening die een aanvullende pensioentoezegging beheren, noch met banken die spaarproducten aanbieden. B.4.
  16. Verschil en niet-vergelijkbaarheid mogen niet worden verward. Aangezien zowel verzekeringsondernemingen als instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening en banken een financieel product kunnen aanbieden dat gericht kan zijn op de opbouw van een kapitaal 7 bestemd voor opname bij de pensionering, zijn zij voldoende vergelijkbaar. De verschillen tussen verzekeringsondernemingen, instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening en banken die spaarproducten aanbieden, kunnen weliswaar een element zijn in de beoordeling van een verschil in behandeling, maar zij kunnen niet volstaan om tot de niet-vergelijkbaarheid te besluiten, anders zou de toetsing aan het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie van elke inhoud worden ontdaan. B.5.
  17. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.5.
  18. Inzake verjaring is er een zodanige verscheidenheid aan situaties dat uniforme regels in het algemeen niet haalbaar zouden zijn en dat de wetgever moet kunnen beschikken over een ruime beoordelingsbevoegdheid wanneer hij die aangelegenheid regelt. Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende verjaringstermijnen in verschillende omstandigheden, houdt op zich geen discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake zijn indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die verjaringstermijnen, een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen. B.
  19. De in het geding zijnde bepaling gaat terug op artikel 34, § 1, van de wet van 25 juni 1992 « op de landverzekeringsovereenkomst », waarvan zij de inhoud ongewijzigd heeft overgenomen. De parlementaire voorbereiding licht die bepaling als volgt toe : « Inzake levensverzekering maakt het ontwerp een onderscheid tussen de verjaring van de vordering betreffende het deel ‘ risicokapitaal ’ en de verjaring van de vordering betreffende het deel ‘ spaarkapitaal ’. De verjaringstermijn voor het gedeelte ‘ risicokapitaal ’ wordt vastgesteld op drie jaar, zoals voor elke vordering uit de verzekeringsovereenkomst. De verjaringstermijn voor het gedeelte ‘ spaarkapitaal ’ wordt vastgesteld op 30 jaar naar de 8 analogie met de verjaringstermijn voor spaaroperaties in de banksector » (Parl. St., Kamer, 1990-1991, nr. 1586/1, p. 35). De wetgever beoogde de verjaringstermijn voor rechtsvorderingen betreffende de verworven reserves van levensverzekeringen derhalve af te stemmen op de verjaringstermijn voor de rechtsvorderingen met betrekking tot spaarverrichtingen in de banksector, die toen de gemeenrechtelijke verjaringstermijn voor persoonlijke en zakelijke rechtsvorderingen was, bepaald in artikel 2262 van het oud Burgerlijk Wetboek, zoals van toepassing vóór de wijziging ervan bij de wet van 10 juni
  20. Die wet van 10 juni 1998 heeft de gemeenrechtelijke verjaringstermijn voor persoonlijke, contractuele rechtsvorderingen, via de invoering van een artikel 2262bis in het oud Burgerlijk Wetboek, teruggebracht tot 10 jaar. De wetgever is evenwel niet overgegaan tot een aanpassing van de dertigjarige verjaringstermijn voor rechtsvorderingen betreffende de verworven reserves. B.7.
  21. Het komt in beginsel aan de wetgever toe te oordelen of de dertigjarige verjaringstermijn voor rechtsvorderingen over de verworven reserves van levensverzekeringen als te lang dient te worden beschouwd. Er dient niettemin te worden nagegaan of de toepassing van die lange termijn voor verzekeringsondernemingen geen onevenredige beperking van de rechten van de betrokken personen met zich meebrengt, in zoverre de verjaringsregeling niet verzoenbaar zou zijn met de rechtszekerheid en de goede rechtsbedeling. B.7.
  22. In het licht daarvan dient te worden benadrukt dat de verjaringstermijn voor elke rechtsvordering voortvloeiend uit een verzekeringsovereenkomst in beginsel drie jaar bedraagt. Die termijn is beduidend korter dan de gemeenrechtelijke verjaringstermijn van tien jaar, zoals bedoeld in artikel 2262bis van het oud Burgerlijk Wetboek. Uitsluitend voor rechtsvorderingen aangaande de verworven reserves van levensverzekeringen bedraagt de verjaringstermijn dertig jaar. Hieruit vloeit voort dat rechtsvorderingen aangaande het risicokapitaal onderworpen zijn aan de beduidend kortere verjaringstermijn van drie jaar. B.7.
  23. Zoals het Hof heeft geoordeeld bij zijn arrest nr. 140/2020 van 22 oktober 2020 (ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.140), dient die lange verjaringstermijn, net als het dwingende karakter van de verjaringstermijnen waarin werd voorzien, te worden beschouwd als een specifieke bepaling die ertoe strekt een evenwicht tot stand te brengen tussen de belangen van de verschillende personen die bij een verzekeringsovereenkomst betrokken zijn. 9 Nu de in het geding zijnde verjaringstermijn uitsluitend betrekking heeft op de verworven reserves van levensverzekeringen, die inherent in principe een lange duurtijd kennen en een groot financieel belang hebben, kan niet worden aangenomen dat de verjaringsregeling in strijd zou zijn met de rechtszekerheid en de goede rechtsbedeling. B.
  24. De toepassing van de dertigjarige verjaringstermijn voor rechtsvorderingen aangaande de verworven reserves van levensverzekeringen brengt dan ook geen onevenredige beperking van de rechten van de verzekeringsondernemingen met zich mee. B.
  25. Artikel 88, § 1, eerste lid, tweede zin, van de wet van 4 april 2014 is bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het rechtsvorderingen aangaande de verworven reserves van levensverzekeringen aan een verjaringstermijn van dertig jaar onderwerpt. 10 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 88, § 1, eerste lid, tweede zin, van de wet van 4 april 2014 « betreffende de verzekeringen » schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, in zoverre het rechtsvorderingen aangaande de verworven reserves van levensverzekeringen aan een verjaringstermijn van dertig jaar onderwerpt. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 25 januari
  26. De griffier, De voorzitter, N. Dupont L. Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.016 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.140 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.