← België

ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.017

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 01 februari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.017 Arrest- Rolnummer: 17/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-02-12 Raadplegingen: 602 - laatst gezien 2026-06-19 00:28 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Schending (artikel 198, § 1, eerste streepje, van het Wetboek van vennootschappen, in zoverre het niet in een uitzondering voorziet in geval van het opzettelijk verbergen van verrichtingen door een of meerdere vennoten) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende artikel 198, § 1, eerste streepje, van het Wetboek van vennootschappen (zoals van toepassing vóór de opheffing van dat Wetboek bij de wet van 23 maart 2019), gesteld door het Hof van Cassatie. Vennootschapsrecht - Rechtsvorderingen tegen vennoten - Verjaringstermijn van vijf jaar - Aanvangspunt Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 17/2024 van 1 februari 2024 Rolnummer : 7972 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 198, § 1, eerste streepje, van het Wetboek van vennootschappen (zoals van toepassing vóór de opheffing van dat Wetboek bij de wet van 23 maart 2019), gesteld door het Hof van Cassatie. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en P. Nihoul, en de rechters T. Giet, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, D. Pieters, S. de Bethune, E. Bribosia, W. Verrijdt, K. Jadin en M. Plovie, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 10 maart 2023, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 11 april 2023, heeft het Hof van Cassatie de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 198, § 1, eerste streepje, Wetboek van Vennootschappen, zoals van toepassing voor de opheffing van dit wetboek bij Wet van 23 maart 2019, de artikelen 10 en 11 Grondwet, in samenhang gelezen met het recht op toegang tot de rechter, gewaarborgd door artikel 6.1 EVRM, in zoverre de vordering tegen vennoten verjaart na vijf jaar vanaf de bekendmaking van de uittreding van de vennoot of van de ontbinding van de vennootschap, of vanaf het verstrijken van de overeengekomen duur, ongeacht het tijdstip waarop de eiser kennis krijgt van de feiten die ten grondslag liggen aan zijn vordering en die noodzakelijk zijn om zijn vordering effectief te kunnen instellen, terwijl de loop van de verjaring van de vordering op grond van artikel 198, § 1, vierde streepje, Wetboek van Vennootschappen, zoals van toepassing voor de opheffing van dit wetboek bij Wet van 23 maart 2019 en artikel 2262bis, § 1, tweede lid, Oud Burgerlijk Wetboek, kennis vereist in hoofde van de eiser van de relevante feiten die ten grondslag liggen aan zijn vordering ? ». 2 Memories zijn ingediend door : - Mr. Koen Clonen, in zijn hoedanigheid van vereffenaar van de bv « Eur Advice », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie; - Raymond Hommersen en Maria Van Zijtveld, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. B. Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Vanpraet, advocaat bij de balie van West-Vlaanderen. Bij beschikking van 20 september 2023 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers S. de Bethune en T. Giet te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zouden worden gesloten op 4 oktober 2023 en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 4 oktober 2023 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 31 juli 2003 werd de bvba « Eur Advice » opgericht door de verwerende partijen in het bodemgeschil. In 2008 kocht de vennootschap een onroerend goed voor 420 000 euro, maar die aankoop werd niet in de jaarrekening van de vennootschap vermeld. In 2012 werd het onroerend goed verkocht voor 395 000 euro. De opbrengst werd vervolgens zonder enige vermelding of verantwoording in de boeken van de vennootschap overgeschreven van de rekening van de vennootschap naar de privérekening van twee vennoten, de verwerende partijen in het bodemgeschil. Op 28 januari 2014 werd de vennootschap gerechtelijk ontbonden en werd een vereffenaar aangesteld. Op 20 maart 2014 ontving de vereffenaar een kennisgeving vanwege de fiscale administratie inzake een aanslag van ambtswege ten gevolge van de verkoop van het onroerend goed. Op 24 juni 2016 heeft de notaris de vereffenaar in kennis gesteld van de verkoopakte. Op 20 mei 2019 heeft de bank van de vennootschap aan de vereffenaar de rekeninguittreksels overgemaakt waaruit de overschrijving van de verkoopopbrengst naar de privérekening van de verwerende partijen blijkt. Op 16 januari 2020 heeft de vereffenaar voor de Ondernemingsrechtbank te Antwerpen, afdeling Antwerpen, tegen de twee vennoten een vordering ingesteld tot terugbetaling van de vennootschapsgelden die onterecht op hun privérekening werden gestort. In haar vonnis van 12 november 2020 verklaarde de Ondernemingsrechtbank de voormelde vordering van de vereffenaar ontvankelijk en gegrond en werden de verwerende partijen in solidum veroordeeld tot terugbetaling van 36 396 euro, vermeerderd met de interesten, en tot de gedingkosten. Op 9 maart 2021 hebben zij hoger beroep ingesteld. Het Hof van beroep te Antwerpen heeft in zijn arrest van 12 mei 2022 het hoger beroep ontvankelijk en gegrond verklaard en vervolgens de vordering tot terugbetaling onontvankelijk wegens verjaring verklaard. De vereffenaar heeft tegen dat arrest cassatieberoep ingesteld. De eisende partij voor het Hof van Cassatie voert in haar eerste onderdeel van het enige middel aan dat artikel 198, § 1, eerste streepje, van het Wetboek van vennootschappen, zoals van toepassing vóór de opheffing ervan bij de wet van 23 maart 2019, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de 3 mens, schendt doordat die bepaling het vertrekpunt van de verjaring vastlegt op een tijdstip dat geen rekening houdt met het moment waarop de eiser kennisneemt van de feiten die ten grondslag liggen aan diens vordering tegen de aangesproken vennoten. Dat brengt het verwijzende rechtscollege ertoe de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag aan het Hof voor te leggen. III. In rechte -A- A.

  1. De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege is van oordeel dat de prejudiciële vraag bevestigend dient te worden beantwoord. A.2.
  2. Zij betoogt allereerst dat de in de prejudiciële vraag vermelde categorieën van personen vergelijkbaar zijn. De partijen die een vordering instellen met toepassing van artikel 198, § 1, eerste streepje, van het Wetboek van vennootschappen, bevinden zich in een situatie die vergelijkbaar is met die van de partijen die een vordering instellen met toepassing van artikel 198, § 1, vierde streepje, van hetzelfde Wetboek. Het gaat telkens om aansprakelijkheidsvorderingen. Het gegeven dat de vordering in het ene geval is gericht tegen vennoten en in het andere geval tegen zaakvoerders of bestuurders, volstaat niet om te besluiten dat de voormelde categorieën niet vergelijkbaar zijn. Partijen die een vordering instellen met toepassing van artikel 198, § 1, eerste streepje, van het Wetboek van vennootschappen bevinden zich bovendien eveneens in een situatie die vergelijkbaar is met die van de partijen die een vordering instellen met toepassing van artikel 2262bis, § 1, tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek. In beide gevallen gaat het om een buitencontractuele-aansprakelijkheidsvordering. A.2.
  3. Zij stelt dat de partijen die met toepassing van artikel 198, § 1, eerste streepje, van het Wetboek van vennootschappen een vordering instellen op het vlak van de verjaring anders worden behandeld dan de partijen die een vordering instellen met toepassing van artikel 198, § 1, vierde streepje, van hetzelfde Wetboek of met toepassing van artikel 2262bis, § 1, tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek. Hoewel in beide gevallen de verjaringstermijn vijf jaar bedraagt, is er een verschil wat het startpunt van die termijn betreft. In het geval van artikel 198, § 1, eerste streepje, van het Wetboek van vennootschappen bedraagt de termijn vijf jaar zonder meer en ongeacht of de vorderende partij op de hoogte is van de litigieuze handeling die ten grondslag ligt aan de vordering, ofwel vanaf de bekendmaking, hetzij van de uittreding van de vennoot, hetzij van de akte van ontbinding van de vennootschap, ofwel vanaf het verstrijken van de overeengekomen duur. In het geval van artikel 198, § 1, vierde streepje, van hetzelfde Wetboek bedraagt de termijn vijf jaar, te rekenen vanaf de litigieuze verrichtingen of vanaf de ontdekking indien het gaat om het opzettelijk verbergen van de verrichtingen, hetgeen waarborgt dat de vordering niet verjaart vooraleer de betrokkene kennis heeft of minstens kon hebben van de feiten die de aansprakelijkheidsvordering rechtvaardigen. Ook artikel 2262bis, § 1, tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek houdt in dat de verjaring verloopt vijf jaar nadat de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of de verzwaring ervan en de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon, hetgeen waarborgt dat de aansprakelijkheidsvordering niet kan verjaren vooraleer de benadeelde op de hoogte is of minstens kon zijn van de feiten die eraan ten grondslag liggen. A.2.
  4. Volgens haar is het verschil in behandeling, wat betreft het aanvangspunt van de verjaring, niet redelijk verantwoord. Zo kan, ingevolge artikel 198, § 1, eerste streepje, van het Wetboek van vennootschappen, de verjaringstermijn aflopen alvorens de eiser redelijkerwijs over de vereiste kennis beschikt, hetgeen hem zou verhinderen een rechtsmiddel aan te wenden waarover hij in beginsel beschikt. Zo wordt bij de toepassing van die bepaling op geen enkele wijze rekening gehouden met het moment van kennisname van de feiten die ten grondslag liggen aan de vordering. Zij merkt in dat verband nog op dat de ratio legis van artikel 198, § 1, eerste streepje, van het Wetboek van vennootschappen, namelijk het instellen van een vijfjarige verjaringstermijn uit vrees dat de dertigjarige gemeenrechtelijke verjaringstermijn te veel onzekerheid zou creëren waardoor kapitaalverschaffers ontmoedigd zouden worden om te investeren in ondernemingen, het verschil in behandeling niet kan verantwoorden. Zij wijst immers erop dat diezelfde ratio legis eveneens van toepassing is op artikel 198, § 1, vierde streepje, van het Wetboek van vennootschappen en dat de wetgever daar wel heeft voorzien in een verjaringstermijn die pas aanvangt op het moment dat de schadelijder kennis heeft van de litigieuze verrichting indien deze opzettelijk verborgen wordt gehouden. Er bestaat geen enkele verantwoording om, zelfs bij een korte verjaringstermijn, 4 volledig abstractie te maken van het tijdstip waarop de eiser kennis krijgt van de relevante feiten. In dat opzicht meent zij ook dat het arrest van het Hof nr. 47/2007 van 21 maart 2007 (ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.047) niet kan worden getransponeerd naar de voorliggende zaak. A.
  5. De verwerende partijen voor het verwijzende rechtscollege zijn van oordeel dat de prejudiciële vraag ontkennend moet worden beantwoord. A.4.
  6. De vergelijkbaarheid van de vergeleken categorieën en het verschil in behandeling worden niet betwist, maar zij stellen dat het verschil in behandeling gerechtvaardigd is. A.4.
  7. Het verschil in behandeling, wat de startdatum van de verjaringstermijn betreft, tussen diegene die een aansprakelijkheidsvordering instelt tegen een vennoot en diegene die een aansprakelijkheidsvordering instelt tegen een zaakvoerder wegens een met opzet verborgen gehouden verrichting of diegene die een vordering tot schadevergoeding instelt op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid, is volgens haar pertinent en redelijk verantwoord in het licht van het doel van de wetgever, dat erin bestaat te vermijden dat vennoten, na het einde van hun hoedanigheid als vennoot, nog te lang zouden kunnen worden verontrust door rechtsvorderingen van de vennootschap of derden, hetgeen potentiële kapitaalverschaffers zou kunnen ontmoedigen om te investeren in nieuwe ondernemingen. Bijgevolg is het volgens hen gerechtvaardigd dat de wetgever, wat betreft de aansprakelijkheidsvorderingen tegen vennoten, geoordeeld heeft om de verjaringstermijn te laten starten op het moment van de bekendmaking van de ontbinding van de vennootschap. Bovendien wijzen zij erop dat de termijn overeenkomstig artikel 198, § 1, eerste streepje, van het Wetboek van vennootschappen doorgaans langer is dan die overeenkomstig artikel 198, § 1, vierde streepje, van hetzelfde Wetboek. Die laatste begint namelijk in principe al bij de litigieuze verrichting, die steeds plaatsvindt vóór de ontbinding van de vennootschap. Zelfs indien de verrichting opzettelijk verborgen wordt gehouden en de termijn dus pas aanvang neemt op het moment van kennisname, is de termijn nog steeds korter dan wanneer de schadelijder al kennis heeft van die handeling vóór de ontbinding van de vennootschap. Dit laatste geldt eveneens voor de vergelijking met de verjaringstermijn bepaald in artikel 2262bis, § 1, tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek. A.
  8. De Ministerraad is van oordeel dat de prejudiciële vraag ontkennend moet worden beantwoord. A.6.
  9. Hij betwist noch de vergelijkbaarheid, noch het beperkte verschil in behandeling, maar betoogt dat het verschil in behandeling gerechtvaardigd is. A.6.
  10. Het verschil in behandeling berust op een objectieve en redelijke verantwoording. Dat verschil wordt immers verantwoord door de doelstellingen die de wetgever nastreeft met artikel 198, § 1, eerste streepje, van het Wetboek van vennootschappen. Het is immers legitiem dat de wetgever zoekt naar een evenwicht tussen private belangen van schuldeisers en hogere belangen van het handelsverkeer en van rechtszekerheid. Hij wijst in dat verband op het voormelde arrest van het Hof nr. 47/2007 inzake artikel 198, § 1, vierde streepje, van het Wetboek van vennootschappen. In diezelfde zin kan worden aangenomen dat het verschil in behandeling tussen diegene die een aansprakelijkheidsvordering instelt onder de toepassing van artikel 198, § 1, eerste streepje, van het Wetboek van vennootschappen, en diegene die een vordering instelt onder de toepassing van artikel 2262bis, § 1, tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek, pertinent is. Hij stelt dat artikel 198, § 1, eerste streepje, van het Wetboek van vennootschappen ertoe strekt de hogere belangen van het handelsverkeer en van rechtszekerheid te beschermen. Die regel laat enkel toe dat vennoten binnen een vastgelegde korte periode na het einde van hun hoedanigheid als vennoot (hetzij door de ontbinding van de vennootschap, hetzij door hun uittreding) door de vennootschap of door derden kunnen worden aangesproken. Overigens laat de in het geding zijnde bepaling schuldeisers toe om daadwerkelijk een vordering in te stellen. De verjaringstermijn biedt voldoende ruimte en waarborgt afdoende het recht op toegang tot de rechter van een schuldeiser jegens een vennoot. Hij voegt eraan toe dat de verjaringstermijn voortvloeiend uit artikel 198, § 1, eerste streepje, van het Wetboek van vennootschappen, die ingaat vanaf de ontbinding van de vennootschap, de vereffenaar voldoende tijd geeft om de boekhoudkundige stukken, de rekeningen en de activa van een vennootschap te controleren, om eventueel verder onderzoek te voeren naar de rol van de vennoten en om, indien nodig, een rechtsvordering in te stellen tegen de vennoten. Hij is van oordeel dat het startpunt en de duur van de verjaringstermijn ertoe leiden dat feiten die aanleiding kunnen geven tot vorderingen tegen oud-vennoten binnen een redelijke termijn bekend worden. De specifieke aard van de vordering jegens vennoten en het oogmerk van de wetgever om, ten behoeve van het handelsverkeer, vijf jaar na de ontbinding van de vennootschap of na de uittreding duidelijkheid te hebben, 5 verantwoorden eveneens het startpunt van de verjaringstermijn. Het feit dat de verjaring van de vordering jegens een vennoot pas aanvangt na diens uittreding of na de ontbinding van de vennootschap, en dat het onderzoek naar eventuele fouten dan kan starten, maken dat die rechtsvordering een andere aard heeft en een andere verantwoording kent dan de rechtsvorderingen die worden beheerst door artikel 198, § 1, vierde streepje, van het Wetboek van vennootschappen of artikel 2262bis, § 1, tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek. De Ministerraad stelt voorts dat de termijn die voortvloeit uit artikel 198, § 1, eerste streepje, van het Wetboek van vennootschappen, doorgaans niet korter is dan de termijnen die van toepassing zijn op de andere rechtsvorderingen. De litigieuze verrichting vindt plaats vóór de ontbinding of uittreding en bijgevolg is artikel 198, § 1, eerste streepje, van het Wetboek van vennootschappen gunstiger voor schuldeisers, behoudens in het geval van opzet. Hij verwijst ten slotte naar het voormelde arrest van het Hof nr. 47/2007 om zijn standpunt te ondersteunen. -B- B.
  11. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 198, § 1, eerste streepje, van het Wetboek van vennootschappen, vóór de opheffing van dat Wetboek bij artikel 34 van de wet van 23 maart 2019 « tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen ». B.2.
  12. Artikel 198, § 1, van het Wetboek van vennootschappen maakt deel uit van titel X (« Rechtsvorderingen en verjaring ») van boek IV (« Bepalingen gemeenschappelijk aan de rechtspersonen geregeld in dit wetboek ») van dat Wetboek. Die bepaling luidt : « Door verloop van vijf jaren verjaren : - alle rechtsvorderingen tegen vennoten, te rekenen van de bekendmaking hetzij van hun uittreding, hetzij van de akte van ontbinding van de vennootschap, of te rekenen van het verstrijken van de overeengekomen duur; - alle rechtsvorderingen van derden tot teruggave van ten onrechte uitgekeerde dividenden, te rekenen van de uitkering; - alle rechtsvorderingen tegen de vereffenaars als zodanig, of bij ontstentenis van vereffenaars, tegen de personen die krachtens artikel 185 als vereffenaars worden beschouwd, te rekenen van de bekendmaking voorgeschreven bij artikel 195; - alle rechtsvorderingen tegen zaakvoerders, bestuurders, leden van de directieraad, leden van de raad van toezicht, commissarissen, vereffenaars, wegens verrichtingen in verband met hun taak, te rekenen van die verrichtingen of, indien ze met opzet verborgen zijn gehouden, te rekenen van de ontdekking; - alle rechtsvorderingen tot nietigverklaring van een naamloze vennootschap, een Europese vennootschap, een Europese coöperatieve vennootschap, een besloten vennootschap 6 met beperkte aansprakelijkheid, een coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of een commanditaire vennootschap op aandelen, gegrond op een vormgebrek, te rekenen van de bekendmaking, indien het vennootschapscontract gedurende ten minste vijf jaar is uitgevoerd, onverminderd de schadevergoeding, zo daartoe grond bestaat ». B.2.
  13. Artikel 2262bis, § 1, van het oud Burgerlijk Wetboek bepaalt : « Alle persoonlijke rechtsvorderingen verjaren door verloop van tien jaar. In afwijking van het eerste lid verjaren alle rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon. De in het tweede lid vermelde vorderingen verjaren in ieder geval door verloop van twintig jaar vanaf de dag volgend op die waarop het feit waardoor de schade is veroorzaakt, zich heeft voorgedaan ». B.
  14. De prejudiciële vraag peilt naar de grondwettigheid van twee verschillen in behandeling met betrekking tot het tijdstip waarop de in de voormelde bepalingen bedoelde verjaringstermijnen een aanvang nemen. Ten eerste dient het Hof zich uit te spreken over het verschil in behandeling tussen, enerzijds, de houders van een rechtsvordering tegen vennoten (artikel 198, § 1, eerste streepje, van het Wetboek van vennootschappen) en, anderzijds, de houders van een rechtsvordering tegen zaakvoerders, bestuurders, leden van de directieraad, leden van de raad van toezicht, commissarissen en vereffenaars, wegens verrichtingen in verband met hun taak (artikel 198, § 1, vierde streepje, van het Wetboek van vennootschappen). Ten tweede dient het Hof zich uit te spreken over het verschil in behandeling tussen, enerzijds, de houders van een rechtsvordering tegen vennoten (artikel 198, § 1, eerste streepje, van het Wetboek van vennootschappen) en, anderzijds, de houders van een rechtsvordering tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid (artikel 2262bis, § 1, tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek). B.4.
  15. Het Hof onderzoekt eerst het verschil in behandeling tussen, enerzijds, de houders van een rechtsvordering tegen vennoten en, anderzijds, de houders van een rechtsvordering tegen zaakvoerders, bestuurders, leden van de directieraad, leden van de raad van toezicht, commissarissen en vereffenaars, wegens verrichtingen in verband met hun taak. 7 Wat de eerste categorie van personen betreft, loopt de vijfjarige verjaringstermijn « te rekenen [hetzij] van de bekendmaking [...] van [de] uittreding [van de vennoten], hetzij van de akte van ontbinding van de vennootschap, of te rekenen van het verstrijken van de overeengekomen duur » (artikel 198, § 1, eerste streepje, van het Wetboek van vennootschappen). Wat de tweede categorie van personen betreft, loopt de vijfjarige verjaringstermijn « te rekenen van die verrichtingen of, indien ze met opzet verborgen zijn gehouden, te rekenen van de ontdekking » (artikel 198, § 1, vierde streepje, van het Wetboek van vennootschappen). B.4.
  16. In tegenstelling tot hetgeen de prejudiciële vraag laat uitschijnen, volgt niet uit artikel 198, § 1, vierde streepje, van het Wetboek van vennootschappen dat de verjaringstermijn van de rechtsvorderingen tegen zaakvoerders, bestuurders, leden van de directieraad, leden van de raad van toezicht, commissarissen en vereffenaars pas aanvangt op het ogenblik dat de eiser kennis heeft van de relevante feiten die ten grondslag liggen aan zijn vordering. Krachtens die bepaling neemt de verjaringstermijn in de regel immers een aanvang op het ogenblik van de verrichtingen. Enkel wanneer de verrichtingen met opzet verborgen zijn gehouden, neemt de verjaringstermijn een aanvang bij de ontdekking en dus vanaf het ogenblik dat de schuldeiser daarvan kennis heeft gekregen. Wanneer het gebrek aan kennis van de verrichting in hoofde van de schuldeiser een andere oorzaak heeft, zoals een gebrek aan diligentie, vangt de verjaringstermijn wel degelijk aan op het ogenblik van de verrichting. Het Hof beperkt zijn onderzoek bijgevolg tot de hypothese waarin de vennoten respectievelijk de zaakvoerders, bestuurders, leden van de directieraad, leden van de raad van toezicht, commissarissen en vereffenaars de verrichtingen met opzet verborgen hebben gehouden voor de schuldeisers. B.5.
  17. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet hebben een algemene draagwijdte. Zij verbieden elke discriminatie, ongeacht de oorsprong ervan : de grondwettelijke regels van de gelijkheid en van de niet-discriminatie zijn toepasselijk ten aanzien van alle rechten en alle vrijheden, met inbegrip van die welke voortvloeien uit internationale verdragen die België binden. 8 B.5.
  18. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.6.
  19. Het recht op toegang tot de rechter, zoals het onder meer is gewaarborgd door artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, is niet absoluut en kan worden onderworpen aan beperkingen, onder meer wat de ontvankelijkheidsvoorwaarden van een beroep betreft, voor zover dergelijke beperkingen de essentie van dat recht niet aantasten en voor zover zij in een evenredige verhouding staan met een legitieme doelstelling. Het recht op toegang tot de rechter wordt geschonden indien de regeling ervan niet langer de rechtszekerheid en de goede rechtsbedeling dient, maar veeleer een soort barrière vormt die de rechtsonderhorige verhindert dat zijn geschil ten gronde door de bevoegde rechter wordt beoordeeld (EHRM, 27 juli 2006, Efstathiou e.a. t. Griekenland, ECLI:CE:ECHR:2006:0727JUD003699802, § 24; 24 februari 2009, L’Erablière A.S.B.L. t. België, ECLI:CE:ECHR:2009:0224JUD004923007, § 35). B.6.
  20. De aard van een verjaringstermijn of de manier waarop hij wordt toegepast, zijn in strijd met het recht op toegang tot de rechter indien zij de rechtsonderhorige verhinderen om een rechtsmiddel aan te wenden dat in beginsel beschikbaar is (EHRM, 12 januari 2006, Mizzi t. Malta, ECLI:CE:ECHR:2006:0112JUD002611102, § 89; 7 juli 2009, Stagno t. België, ECLI:CE:ECHR:2009:0707JUD000106207, § 28), indien de haalbaarheid ervan afhankelijk is van omstandigheden buiten de wil van de verzoeker (EHRM, 22 juli 2010, Melis t. Griekenland, ECLI:CE:ECHR:2010:0722JUD003060407, § 28) of indien zij als gevolg hebben dat elke vordering bij voorbaat tot mislukken is gedoemd (EHRM, 11 maart 2014, Howald Moor e.a. t. Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2014:0311JUD005206710, § 74). B.6.
  21. Het recht op toegang tot de rechter verzet zich evenwel niet tegen absolute verjaringstermijnen. Dat recht moet immers worden verzoend met het streven naar 9 rechtszekerheid en de zorg om het recht op een eerlijk proces die elke verjaringsregel kenmerken. De omstandigheid dat een verjaringstermijn kan verstrijken vooraleer de schuldeiser kennis heeft van alle elementen die nodig zijn om zijn vorderingsrecht uit te oefenen, is bijgevolg op zichzelf niet in strijd met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.
  22. Inzake verjaring is er een zodanige verscheidenheid aan situaties dat uniforme regels in het algemeen niet haalbaar zouden zijn en dat de wetgever moet kunnen beschikken over een ruime beoordelingsvrijheid wanneer hij die aangelegenheid regelt. B.
  23. Zoals de Ministerraad aanvoert, heeft de vijfjarige verjaringstermijn van artikel 198, § 1, eerste streepje, van het Wetboek van vennootschappen als doel de te lange onzekerheid voor de vennoten te vermijden, die voortvloeide uit de gemeenrechtelijke verjaringstermijn. De wetgever wilde daarnaast voorkomen dat, door een te lange onzekerheid na het beëindigen van de hoedanigheid van vennoot, potentiële kapitaalverschaffers minder geneigd zouden zijn om te investeren in nieuwe vennootschappen. Met het instellen van de korte verjaringstermijn van vijf jaar in artikel 198, § 1, vierde streepje, van het Wetboek van vennootschappen was het eveneens de bedoeling van de wetgever de in die bepaling bedoelde personen niet te lang in onzekerheid te laten omtrent hun eventuele aansprakelijkheid voor fouten begaan in de uitoefening van hun opdracht. Hij vreesde dat anders slechts weinig personen bereid zouden worden gevonden verantwoordelijke taken op zich te nemen. Tevens meende hij dat van degenen die een aansprakelijkheidsvordering zouden willen instellen, redelijkerwijze mag worden gevraagd dat ze dat doen op een tijdstip dat niet te ver verwijderd ligt van het ogenblik waarop de schadeveroorzakende handelingen werden gesteld, zodanig dat de aangesproken personen zich die handelingen nog kunnen herinneren en zich daarop kunnen verdedigen. De wetgever heeft bijgevolg, door een van het gemeen recht afwijkende termijn op te leggen in een algemene en imperatieve bepaling die wordt geacht te voldoen in alle gevallen, de privébelangen van de schuldeisers ondergeschikt gemaakt aan de hogere belangen van het handelsverkeer (zie ook Cass., 27 mei 1994, Arr. Cass., 1994, nr. 8220, ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940527.8). 10 B.
  24. De vennoten zijn de personen die, door middel van een inbreng, investeren in de vennootschap (zie onder meer de artikelen 19 en 22 van het Wetboek van vennootschappen). Zij zijn, afhankelijk van de gekozen vennootschapsvorm, beperkt of onbeperkt aansprakelijk voor de schulden van de vennootschap. De zaakvoerders, bestuurders, leden van de directieraad, leden van de raad van toezicht, commissarissen en vereffenaars zijn verantwoordelijk voor het bestuur van, de controle op en/of de vereffening van de vennootschap. Zij zijn in beginsel niet persoonlijk verbonden voor de verbintenissen van de vennootschap (artikel 61, § 1, van het Wetboek van vennootschappen), maar zijn aansprakelijk voor de tekortkomingen in de uitoefening van hun taak (zie onder meer de artikelen 140, 192, 262, 380, 527 en 918 van het Wetboek van vennootschappen). B.10.
  25. De verschillen tussen de vennoten en de in artikel 198, § 1, vierde streepje, van het Wetboek van vennootschappen bedoelde personen, wat zowel hun rol in de vennootschap als hun aansprakelijkheid betreft, kunnen verantwoorden dat de vijfjarige verjaringstermijn voor rechtsvorderingen tegen de eersten begint te lopen vanaf het verlies van hun hoedanigheid, terwijl de vijfjarige verjaringstermijn voor rechtsvorderingen tegen de laatsten, wegens verrichtingen in verband met hun taak, begint te lopen vanaf die verrichtingen. B.10.
  26. Het is evenwel niet redelijk verantwoord dat enkel voor de rechtsvorderingen tegen de in artikel 198, § 1, vierde streepje, van het Wetboek van vennootschappen bedoelde personen is voorzien in een uitzondering op het absolute karakter van de verjaringstermijn ingeval de schadeverwekkende verrichtingen met opzet verborgen zijn gehouden, terwijl er voor rechtsvorderingen tegen vennoten niet is voorzien in een uitzondering op het absolute karakter van de verjaringstermijn ingeval de verjaring tot stand is gekomen door het opzettelijk verbergen van verrichtingen door een of meerdere vennoten. Indien de schuldeiser na het verstrijken van de absolute verjaringstermijn van vijf jaar alsnog kennis zou krijgen van dergelijke verrichtingen, dient er in een mogelijkheid te worden voorzien om zijn vordering alsnog te doen gelden. B.
  27. In zoverre de in het geding zijnde bepaling in een dergelijk geval niet voorziet in een uitzondering, is het in B.4.2 gepreciseerde verschil in behandeling bijgevolg niet 11 bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. 12 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 198, § 1, eerste streepje, van het Wetboek van vennootschappen, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het niet in een uitzondering voorziet in geval van het opzettelijk verbergen van verrichtingen door een of meerdere vennoten. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 1 februari
  28. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut L. Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.017 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940527.8 ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.047 ECLI:CE:ECHR:2006:0112JUD002611102 ECLI:CE:ECHR:2006:0727JUD003699802 ECLI:CE:ECHR:2009:0224JUD004923007 ECLI:CE:ECHR:2009:0707JUD000106207 ECLI:CE:ECHR:2010:0722JUD003060407 ECLI:CE:ECHR:2014:0311JUD005206710 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.