id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 08 februari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.018 Arrest- Rolnummer: 18/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-02-19 Raadplegingen: 1045 - laatst gezien 2026-06-18 14:33 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche
- Geen schending (artikel 65/1, § 2, van de wet van 16 maart 1968, in zoverre het erin voorziet dat het rechtscollege waarbij een beroep tegen een bevel tot betalen wordt ingesteld « de overtredingen die aan de grondslag liggen van het bevel tot betalen, ten gronde [beoordeelt] en [...], indien deze bewezen worden verklaard, toepassing [maakt] van de strafwet »)
- Geen schending (dezelfde bepaling, in zoverre zij onmiddellijk van toepassing is op de lopende rechtsplegingen) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen over artikel 65/1, § 2, van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer », zoals vervangen bij artikel 29, 2°, van de wet van 28 november 2021, gesteld door de correctionele rechtbank Henegouwen, afdeling Bergen. Strafvordering - Politie over het wegverkeer - Bevel tot betalen - Beroep bij de politierechtbank - Onderzoek van de zaak ten gronde - Toepasbaarheid op de lopende rechtsplegingen Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 18/2024 van 8 februari 2024 Rolnummers : 7934, 7967, 7968, 7969, 7970 en 7971 In zake : de prejudiciële vragen over artikel 65/1, § 2, van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer », zoals vervangen bij artikel 29, 2°, van de wet van 28 november 2021, gesteld door de correctionele rechtbank Henegouwen, afdeling Bergen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters T. Giet, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache en D. Pieters, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging a. Bij vonnis van 31 januari 2023, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 16 februari 2023, heeft de correctionele rechtbank Henegouwen, afdeling Bergen, de volgende prejudiciële vragen gesteld : « Schendt artikel 65/1, § 2, van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer, zoals het werd vervangen bij de wet van 28 november 2021, in de interpretatie volgens welke het van toepassing is op de feiten die vóór de inwerkingtreding ervan werden begaan en op de vóór de inwerkingtreding ervan ingestelde beroepen, de bepalingen over de fundamentele rechten en vrijheden gewaarborgd in titel II van de Grondwet (met name de artikelen 10, 11, 13 en 14 van de Grondwet) en de artikelen 6 en 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre de verzoekers, onder de gelding van de vroegere wet, op hun eigen beroep, in de voor hen meest ongunstige situatie, het bevel tot betalen uitvoerbaar konden zien worden, hetgeen hun situatie niet verslechterde, terwijl onder de gelding van de nieuwe wet hun eigen beroep, dat vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet werd ingesteld, hun situatie verslechtert doordat het de strafvordering op gang brengt, zodat de strafwet op hen van toepassing wordt, met mogelijke inschrijving in het strafregister ? Schendt artikel 65/1, § 2, van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer, zoals het werd vervangen bij de wet van 28 november 2021, al dan niet de 2 bepalingen over de fundamentele rechten en vrijheden gewaarborgd in titel II van de Grondwet (met name de artikelen 10, 11, 13 en 14 van de Grondwet) en de artikelen 6 en 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre de verzoekers, op hun eigen beroep, hun situatie zo goed als zeker verslechteren door zelf de strafvordering tegen zichzelf op gang te brengen en de strafwet op zichzelf van toepassing zien worden, met een zeer waarschijnlijke inschrijving in het strafregister ? ». b. Bij vijf vonnissen van 21 maart 2023, waarvan de expedities ter griffie van het Hof zijn ingekomen op 6 april 2023, heeft de correctionele rechtbank Henegouwen, afdeling Bergen, de volgende prejudiciële vragen gesteld : « Schendt artikel 65/1, § 2, van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer, zoals het werd vervangen bij de wet van 28 november 2021, in de interpretatie volgens welke het van toepassing is op de feiten die vóór de inwerkingtreding ervan werden begaan en op de beroepen die zelfs na de inwerkingtreding ervan werden ingesteld, de bepalingen over de fundamentele rechten en vrijheden gewaarborgd in titel II van de Grondwet (met name de artikelen 10, 11, 13 en 14 van de Grondwet) en de artikelen 6 en 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre de verzoekers, onder de gelding van de vroegere wet, op hun eigen beroep, in de voor hen meest ongunstige situatie, het bevel tot betalen uitvoerbaar konden zien worden, hetgeen hun situatie niet verslechterde, terwijl onder de gelding van de nieuwe wet hun eigen beroep, dat zelfs na de inwerkingtreding van de nieuwe wet werd ingesteld voor feiten die eerder zijn begaan, hun situatie verslechtert doordat het de strafvordering op gang brengt, zodat de strafwet op hen van toepassing wordt, met mogelijke inschrijving in het strafregister ? Schendt artikel 65/1, § 2, van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer, zoals het werd vervangen bij de wet van 28 november 2021, de bepalingen over de fundamentele rechten en vrijheden gewaarborgd in titel II van de Grondwet (met name de artikelen 10, 11, 13 en 14 van de Grondwet) en de artikelen 6 en 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre de verzoekers, op hun eigen beroep, hun situatie zo goed als zeker verslechteren door zelf de strafvordering tegen zichzelf op gang te brengen en de strafwet op zichzelf van toepassing zien worden, met een zeer waarschijnlijke inschrijving in het strafregister ? ». Die zaken, ingeschreven onder de nummers 7934, 7967, 7968, 7969, 7970 en 7971 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Schaffner, advocaat bij de balie te Brussel, heeft memories ingediend. Bij beschikking van 6 december 2023 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers M. Pâques en Y. Kherbache te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen waren, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij de Ministerraad binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaken in beraad zouden worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, zijn de zaken in beraad genomen. 3 De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De bodemgeschillen in de zaken nrs. 7934, 7967, 7968, 7969, 7970 en 7971 hebben betrekking op personen aan wie, wegens het plegen van een verkeersovertreding, een voorstel tot onmiddellijke inning van een bepaalde geldsom, een herinnering aan dat voorstel en een voorstel tot minnelijke schikking of, wat betreft de zaak nr. 7969, onmiddellijk een voorstel tot minnelijke schikking werden toegestuurd. Doordat geen gevolg werd gegeven aan die voorstellen, heeft het openbaar ministerie, met toepassing van artikel 65/1 van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer » (hierna : de Wegverkeerswet), die personen vervolgens een bevel tot betalen toegezonden. Tegen die bevelen tot betalen van een geldsom hebben de betrokken personen bij de Politierechtbank Henegouwen, afdeling Bergen, beroep aangetekend, overeenkomstig artikel 65/1, § 2, van de Wegverkeerswet. Tegen de vonnissen van de Politierechtbank heeft het openbaar ministerie vervolgens hoger beroep aangetekend bij de Rechtbank van eerste aanleg Henegouwen, afdeling Bergen, die heeft geoordeeld dat het aangewezen was om, alvorens uitspraak te doen over de grond van de zaken, de hiervoor weergegeven prejudiciële vragen te stellen aan het Hof. III. In rechte -A- A.
- De Ministerraad merkt op dat de prejudiciële vragen behalve de artikelen 6 en 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, « de bepalingen over de fundamentele rechten en vrijheden gewaarborgd in titel II van de Grondwet (met name de artikelen 10, 11, 13 en 14 van de Grondwet) » beogen en stelt dat, aangezien de precieze aanduiding van de toetsingsnormen een voorwaarde voor de ontvankelijkheid van de prejudiciële vragen voor het Hof is, de analyse van het Hof zich moet beperken tot de naleving van de artikelen van de Grondwet die uitdrukkelijk door het verwijzende rechtscollege worden vermeld, dat wil zeggen, wat de Grondwet betreft, enkel de artikelen 10, 11, 13 en 14 ervan. A.2.
- Wat in het bijzonder de eerste prejudiciële vraag betreft, doet de Ministerraad in hoofdorde gelden dat die vraag geen antwoord behoeft omdat ze berust op een verkeerd uitgangspunt, namelijk dat de bij de in het geding zijnde bepaling aan de politierechtbank, alsook aan de correctionele rechtbank in geval van hoger beroep, toegekende bevoegdheid zou zijn uitgebreid bij de wet van 28 november 2021 « om justitie menselijker, sneller en straffer te maken » (hierna : de wet van 28 november 2021). De Ministerraad voert aan dat een dergelijke interpretatie van de in het geding zijnde bepaling kennelijk verkeerd is, want die bepaling heeft de rechtbank waarvoor die betwisting met betrekking tot het bevel tot betalen aanhangig is gemaakt altijd toegelaten om ten gronde kennis te nemen van de zaak, hetgeen duidelijk blijkt uit de lezing van de parlementaire voorbereiding van die bepaling en ten aanzien van de ratio legis ervan. De Ministerraad verwijst ook naar de argumenten – geformuleerd vóór de aanneming en de inwerkingtreding van de wet van 28 november 2021 – van het openbaar ministerie voor het verwijzende rechtscollege in de zaak nr. 7934, met betrekking tot een reeks tekstuele en contextuele elementen die de intentie van de wetgever weergeven om erin te voorzien dat de politierechtbank waarbij een beroep tegen een bevel tot betalen wordt ingesteld, bevoegd is om ten gronde kennis te nemen van de zaak. A.2.
- De Ministerraad doet nog gelden dat de eerste prejudiciële vraag, los van het voorgaande, op een kennelijk verkeerde lezing van de wettekst berust, in zoverre het verwijzende rechtscollege aangeeft dat, terwijl op basis van de vorige wet, het bevel tot betalen uitvoerbaar werd indien het beroep ontvankelijk doch ongegrond was verklaard, de in het geding zijnde bepaling daarentegen uitdrukkelijk erin voorzag dat « indien het beroep ontvankelijk wordt verklaard, [...] het bevel tot betalen als niet bestaande [wordt] beschouwd ». 4 A.3.
- In ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat de in het geding zijnde bepaling, zelfs in de interpretatie die het verwijzende rechtscollege eraan geeft, niet onbestaanbaar is met de aangevoerde toetsingsnormen. De in het geding zijnde bepaling is een procedurewet, waardoor, in het licht van de rechtspraak van het Hof, dient te worden nagegaan of de onmiddellijke toepassing ervan op de in het geding zijnde geschillen geldig verantwoord is en of die onmiddellijke toepassing onevenredige gevolgen kan hebben. A.3.
- De Ministerraad geeft aan dat de door de wetgever nagestreefde doelstelling, namelijk vermijden dat de geldboetes onbetaald blijven en de politierechtbanken en -parketten ontlasten, legitiem is en niet zou kunnen worden bereikt indien de rechtsonderhorige die een beroep tegen een bevel tot betalen instelt niets te verliezen had bij het instellen van dat beroep, hetgeen rechtvaardigt dat de regel volgens welke de rechtbank waarbij het beroep wordt ingesteld ten gronde kennisneemt van de zaak, onmiddellijk in alle lopende zaken wordt toegepast. De Ministerraad stelt ook dat de onmiddellijke toepassing van de nieuwe wet geen afbreuk doet aan het vertrouwensbeginsel aangezien, niettegenstaande het feit dat sommige rechtscolleges die bepaling anders hebben geïnterpreteerd, de wil van de wetgever altijd duidelijk is geweest, zodat de verzoeker die het ontvangen bevel tot betalen betwist, weet dat door een dergelijk beroep in te stellen, de strafvordering tegen hem op gang kan worden gebracht. De Ministerraad geeft nog aan dat de toepassing van de in het geding zijnde bepaling geen onevenredige gevolgen heeft aangezien de verzoeker afstand kan doen van zijn beroep tegen het bevel tot betalen. A.3.
- De Ministerraad leidt uit die argumenten af dat de in het geding zijnde bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt. A.
- De Ministerraad voert vervolgens aan dat de in het geding zijnde norm de artikelen 13 en 14 van de Grondwet niet schendt, omdat zij niet alleen een wetsbepaling is, maar bovendien noch tot doel, noch tot gevolg heeft dat de verzoeker wordt onttrokken aan het rechtscollege dat de wet hem toewijst. Bovendien worden de straffen die in voorkomend geval door het betrokken rechtscollege worden opgelegd na de rechtspleging die door het beroep op gang is gebracht, krachtens de strafwet opgelegd. A.
- Ten slotte, wat betreft de kwestie van de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde norm met de artikelen 6 en 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, voert de Ministerraad in hoofdorde aan dat, indien de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, er geen aparte toetsing dient te gebeuren ten aanzien van de bepalingen van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. In ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat, gezien de door de wetgever nagestreefde legitieme doelstellingen en de ontstentenis van onevenredige gevolgen, de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar is met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens omdat zij de toegang van de rechtsonderhorigen tot een rechtbank niet zodanig beperkt dat dat recht wezenlijk zou zijn geschonden. Hij voegt eraan toe dat die bepaling ook niet onbestaanbaar is met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens omdat dat artikel niet van toepassing is op de procedurewetten. A.6.
- Wat betreft de tweede prejudiciële vraag, doet de Ministerraad gelden dat zij op een verkeerd uitgangspunt berust, namelijk dat, in het stelsel van de in het geding zijnde bepaling, de rechtsonderhorige die een beroep tegen een bevel tot betalen instelt zijn situatie « zo goed als zeker » verslechtert. De Ministerraad voert aan dat de situatie van de rechtsonderhorige in tal van gevallen verbetert, bijvoorbeeld wanneer hij de hem verweten feiten met succes betwist, zodat hij wordt vrijgesproken en het bevel tot betalen als onbestaande wordt verklaard. A.6.
- De Ministerraad is nog van mening dat het verwijzende rechtscollege uit het oog verliest dat een gerechtelijke procedure nu eenmaal een zekere mate van onzekerheid met zich meebrengt, en hij voert aan dat de doelstelling van de wetgever om de strafgerechten te ontlasten niet zou worden bereikt indien de rechtsonderhorige niets te verliezen had, maar alles te winnen, door een beroep tegen een bevel tot betalen in te stellen. A.6.
- De Ministerraad voert ook aan dat de in het geding zijnde bepaling niet onbestaanbaar is met de aangehaalde referentienormen omdat de voormelde doelstelling van de wetgever legitiem is. Ten slotte is hij van mening dat de maatregel het vertrouwen van de rechtsonderhorigen niet aantast en geen enkel onevenredig gevolg heeft, aangezien de rechtsonderhorige altijd afstand kan doen van zijn beroep. 5 -B– Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling en de context ervan B.
- Artikel 65/1 van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer » (hierna : de Wegverkeerswet) heeft betrekking op het bevel tot betalen dat de procureur des Konings onder bepaalde voorwaarden kan geven aan personen die een verkeersmisdrijf hebben gepleegd. Dat artikel, zoals laatst gewijzigd bij artikel 29 van de wet van 28 november 2021 « om justitie menselijker, sneller en straffer te maken » (hierna : de wet van 28 november 2021), bepaalt : « §
- Wanneer de in artikel 216bis, § 1, van het Wetboek van Strafvordering bedoelde geldsom niet binnen de bepaalde termijn wordt betaald, kan de procureur des Konings aan de overtreder een bevel geven tot betalen van de op deze overtreding toepasselijke geldsom, verhoogd met 35 % en desgevallend met de bijdrage voor het bijzonder Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders. Daarnaast wordt er ook een administratieve toeslag van 25,32 euro, zoals bedoeld in titel 4 van de programmawet van 21 juni 2021, geheven. Het bedrag van deze administratieve toeslag wordt elk jaar op 1 januari automatisch aangepast in functie van de evolutie van de consumptieprijsindex van de maand november van het voorgaande jaar. De door de overtreder verrichte betalingen worden eerst op de bijdrage voor het bijzonder Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders toegerekend en daarna op deze administratieve toeslag. De procureur des Konings bepaalt op welke wijze de betaling geschiedt. De betaling moet gebeuren binnen een termijn van dertig dagen volgend op de dag van ontvangst van het bevel. [...] De betaling binnen deze termijn doet de strafvordering vervallen. §
- De persoon die het bevel tot betalen heeft ontvangen of diens advocaat kan binnen dertig dagen volgend op de dag van ontvangst van het bevel tot betalen beroep aantekenen bij de politierechtbank bevoegd volgens de plaats van de overtreding. Het beroep wordt ingesteld bij een verzoekschrift dat neergelegd wordt op de griffie van de bevoegde politierechtbank of bij een aangetekende zending of via elektronische post die aan de griffie worden verzonden. In die laatste gevallen geldt de datum van verzending van de aangetekende zending of van de elektronische post als datum waarop het verzoekschrift werd ingediend. De aangetekende zending wordt geacht te zijn verzonden de derde werkdag voor de ontvangst ervan op de griffie. [...] 6 De verzoeker wordt binnen een termijn van dertig dagen vanaf de inschrijving in het daartoe bestemde register door de griffier per gerechtsbrief, per aangetekende zending of overeenkomstig artikel 32ter van het Gerechtelijk Wetboek opgeroepen om te verschijnen op de zitting die de rechter bepaalt. De griffier zendt een kopie van het verzoekschrift over aan de procureur des Konings en deelt hem de datum van de zitting mee. Het beroep maakt de zaak in zijn geheel aanhangig voor de strafrechtelijke kamer van de politierechtbank die eerst de ontvankelijkheid van het beroep beoordeelt. Indien het beroep ontvankelijk wordt verklaard, wordt het bevel tot betalen als niet bestaande beschouwd. De rechtbank beoordeelt de overtredingen die aan de grondslag liggen van het bevel tot betalen, ten gronde en maakt, indien deze bewezen worden verklaard, toepassing van de strafwet. De bij verstek veroordeelde kan tegen het vonnis in verzet komen overeenkomstig de procedure bedoeld in artikel 187 van het Wetboek van strafvordering. Tegen de beslissing van de politierechtbank kan hoger beroep worden ingesteld volgens de bepalingen opgenomen in het Wetboek van strafvordering. [...] ». B.2.
- Het bevel tot betalen is initieel ingevoerd bij de wet van 22 april 2012 « betreffende de invoering van het bevel tot betalen na inbreuken op de wetgeving inzake het wegverkeer » (hierna : de wet van 22 april 2012) en had tot doel « te voorkomen dat boetes onbetaald zouden blijven en de politieparketten te ontlasten » (Parl. St., Kamer, 2011-2012, DOC 53-2074/002, p. 3) : « Het bevel tot betalen wordt na de onmiddellijke inning en eventueel de minnelijke schikking en vóór de dagvaarding voor de politierechtbank geschoven zonder dat de overtreder enig recht verliest of de bevoegdheden van de rechtbank worden ingekort » (ibid.). De parlementaire voorbereiding van de programmawet van 25 december 2016, die het bij de wet van 22 april 2012 in de Wegverkeerswet ingevoegde artikel 65/1 heeft vervangen, vermeldt : « Het [...] is de laatste stap in de procedure van een eventueel verval van de strafvordering tegen betaling van een som » (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2208/001, p. 28). B.2.
- De proceseconomie vormde aldus één van de redenen tot het invoeren van het bevel tot betalen in de Wegverkeerswet. De overtreder die niet betaalt en niet ingaat op een voorstel tot minnelijke schikking, ontvangt een bevel tot betalen, dat de procureur des Konings, na een 7 termijn van 30 dagen, van rechtswege uitvoerbaar kan verklaren, waardoor de procureur des Konings zich niet moet richten tot de strafrechter om de overtreder tot effectieve betaling te dwingen. Het bevel tot betalen is in beginsel de vijfde aanmaning tot betalen. « De overtreder krijgt namelijk een onmiddellijke inning, een rappel daarvan, een minnelijke schikking en opnieuw een rappel alvorens er een bevel tot betalen wordt uitgevaardigd » (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2208/001, p. 29). De overtreder heeft derhalve, in beginsel herhaaldelijk, reeds de kans gehad de strafvordering te doen vervallen door het betalen van de verkeersboete. B.3.
- Tegen het bevel tot betalen kan beroep worden aangetekend bij de politierechtbank. In geval van een beroep worden zowel de overtreder als de procureur des Konings in kennis gebracht van de zittingsdatum (artikel 65/1, § 2, zesde lid, van de Wegverkeerswet). B.3.
- Met betrekking tot de beoordelingsbevoegdheid van de politierechtbank in geval van een beroep tegen een bevel tot betalen, bepaalde artikel 65/1, § 2, van de Wegverkeerswet, vóór de wijziging ervan bij de wet van 28 november 2021, uitsluitend dat « indien het beroep ontvankelijk wordt verklaard, [...] het bevel tot betalen als niet bestaande [wordt] beschouwd ». B.3.
- Die wettekst heeft geleid tot uiteenlopende interpretaties in de rechtspraak van de politie- en correctionele rechtbanken met betrekking tot de beoordelingsbevoegdheid van het rechtscollege dat kennisneemt van het beroep tegen een bevel tot betalen. Het Hof van Cassatie heeft op zijn beurt bij een arrest van 1 juni 2021 geoordeeld : «
- Hoewel de regeling van het bevel tot betalen beoogt bij te dragen tot de handhaving van de verkeerswetgeving, strekt ze niet tot het opleggen van een straf in de zin van artikel 1 Strafwetboek, maar uitsluitend tot het creëren van een uitvoerbare titel. Door het uitvaardigen van een bevel tot betalen en de daarop volgende procedure wordt de strafvordering niet in werking gesteld en de in artikel 65/1, § 2, Wegverkeerswet uitgewerkte bezwaarprocedure kan er dan ook niet toe leiden dat de politierechtbank of in hoger beroep de correctionele rechtbank kennis neemt van de strafvordering voor de feiten die aanleiding hebben gegeven tot het uitvaardigen van het bevel tot betalen. Het gegeven dat een uitvoerbaar bevel tot betalen een straf kan zijn in de zin van artikel 6 EVRM of dat indien de fod Financiën niet binnen de drie jaar tot invorderen van het uitvoerbaar verklaard bevel tot betaling kan overgaan, het openbaar ministerie overeenkomstig artikel 65/1, § 10, Wegverkeerswet het recht tot sturen van de overtreder kan schorsen, doet daaraan geen afbreuk. 8
- Uit de doelstellingen van de door artikel 65/1 Wegverkeerswet uitgewerkte regeling en de wetsgeschiedenis ervan waarin wordt aangegeven dat de politierechtbank het beroep ten gronde behandelt, volgt dat, ongeacht wat in het zesde en zevende lid van artikel 65/1, § 2, Wegverkeerswet is geschreven, de politierechtbank en in hoger beroep de correctionele rechtbank ingeval van een door artikel 65, § 2, Wegverkeerswet ingesteld beroep moeten onderzoeken of : - het bij verzoekschrift ingesteld beroep voldoet aan de in artikel 65, § 1, eerste en tweede lid, Wegverkeerswet bepaalde tijds- en vormvoorwaarden; - de in artikel 65/1, § 1, Wegverkeerswet bedoelde voorwaarden voor het uitvaardigen van het bevel tot betalen en de kennisgeving ervan zijn verenigd; - wel vaststaat dat de persoon tegen wie het bevel tot betalen is uitgevaardigd de feiten op grond waarvan dit bevel is uitgevaardigd heeft gepleegd, wat veronderstelt dat wordt nagegaan of de voor de overtreding vereiste bestanddelen zijn verenigd, of die feiten aan de als overtreder aangemerkte persoon kunnen worden toegerekend en of de som waarvoor het openbaar ministerie het bevel tot betalen heeft uitgevaardigd wettig is.
- Het staat aan de rechter om in het licht van dit onderzoek te beslissen of het beroep van de persoon tegen wie het bevel tot betalen is uitgevaardigd : - onontvankelijk is, wat ertoe leidt dat eens de beslissing van de rechter definitief is het bevel tot betalen uitvoerbaar wordt; - ontvankelijk maar ongegrond is, wat er eveneens toe leidt dat eens de beslissing van de rechter definitief is het bevel tot betalen uitvoerbaar wordt; - ontvankelijk en gegrond is, wat als gevolg heeft dat het bevel tot betaling als niet bestaande moet worden beschouwd. Het is dan aan het openbaar ministerie om te oordelen of voor de feiten waarvoor het bevel tot betalen werd uitgevaardigd in het licht van de door de rechter gemaakte beoordeling de strafvordering alsnog kan worden ingesteld en vervolgens aan de strafrechter bij wie die strafvordering desgevallend aanhangig wordt gemaakt om daarover te beslissen.
- Aannemen, op basis van een letterlijke lezing van artikel 65/1, § 2, zesde en zevende lid, Wegverkeerswet, dat de rechter zijn onderzoek van het door artikel 65/1, § 2, eerste en tweede lid, Wegverkeerswet bedoelde beroep moet beperken tot een onderzoek naar de ontvankelijkheid van dit beroep en dat elke ontvankelijkverklaring van een dergelijk beroep automatisch tot gevolg heeft dat het bevel tot betalen niet bestaande wordt, is niet alleen strijdig met de wetsgeschiedenis van de regeling, maar zou aan deze regeling elke zin ontnemen. Een ontvankelijk beroep dat volgens de wil van de wetgever met redenen omkleed moet zijn, zou volstaan en dit ongeacht op welke gronden het is gesteund, om aan het bevel tot betalen elke uitwerking te ontzeggen. Dat kan onmogelijk de bedoeling van de wetgever zijn geweest » (Cass., 1 juni 2021, P.21.0325.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210601.2N.5; zie ook, in soortgelijke zin, Cass., 22 juni 2021, P.21.0478.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210622.2N.17). 9 B.3.
- Met de wet van 28 november 2021 beoogde de wetgever « de beroepsprocedure bij het bevel tot betalen te stroomlijnen » en, gezien de rechtsonzekerheid gecreëerd door « controverse in de rechtspraak », « een aantal zaken te verduidelijken ». Daar hij met name vaststelt dat artikel 65/1, § 2, van de Wegverkeerswet « [door] veel rechters [wordt geïnterpreteerd] in de zin dat ze enkel over de ontvankelijkheid en niet over de grond van de zaak moeten oordelen », heeft de wetgever uitdrukkelijk willen bepalen « dat de rechter ook bevoegd is om direct over de grond van de zaak te oordelen » (Parl. St., Kamer, 2020-2021, DOC 55-2175/001, pp. 31 en 32). B.3.
- Sinds de wijziging ervan bij de wet van 28 november 2021 bepaalt artikel 65/1, § 2, zevende lid, van de Wegverkeerswet uitdrukkelijk dat het beroep tegen het bevel tot betalen « de zaak in zijn geheel aanhangig [maakt] voor de strafrechtelijke kamer van de politierechtbank die eerst de ontvankelijkheid van het beroep beoordeelt ». Artikel 147bis van het Wetboek van strafvordering, ingevoegd bij de wet van 28 november 2021, bepaalt eveneens dat het beroep tegen het bevel tot betalen « de zaak aanhangig [maakt] bij de politierechtbank ». Volgens artikel 65/1, § 2, achtste lid, van de Wegverkeerswet wordt het bevel tot betalen als niet bestaande beschouwd indien het beroep ontvankelijk wordt verklaard en beoordeelt de rechtbank « de overtredingen die aan de grondslag liggen van het bevel tot betalen, ten gronde en maakt [zij], indien deze bewezen worden verklaard, toepassing van de strafwet ». Ten gronde B.4.
- Met zijn prejudiciële vragen verzoekt het verwijzende rechtscollege het Hof na te gaan of artikel 65/1, § 2, van de Wegverkeerswet, zoals vervangen bij de wet van 28 november 2021, bestaanbaar is met « de bepalingen over de fundamentele rechten en vrijheden gewaarborgd in titel II van de Grondwet (met name de artikelen 10, 11, 13 en 14 van de Grondwet) en de artikelen 6 en 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens ». B.4.
- De motivering van de verwijzingsvonnissen laat niet toe af te leiden welke andere « bepalingen over de fundamentele rechten en vrijheden gewaarborgd in titel II van de Grondwet » dan de door het verwijzende rechtscollege opgesomde bepalingen door de in het geding zijnde bepaling geschonden kunnen zijn. Er kan niettemin van worden uitgegaan dat 10 artikel 12, tweede lid, van de Grondwet ook impliciet wordt beoogd. Het Hof beperkt zijn onderzoek dus tot de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepaling met de artikelen 10, 11, 12, tweede lid, 13 en 14 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Wat betreft de tweede prejudiciële vraag B.
- Met zijn tweede prejudiciële vraag in de zaken nrs. 7934, 7967, 7968, 7969, 7970 en 7971 vraagt het verwijzende rechtscollege het Hof de grondwettigheid na te gaan van artikel 65/1, § 2, van de Wegverkeerswet, zoals vervangen bij de wet van 28 november 2021, in zoverre de situatie van de verzoekers die op basis van die bepaling een beroep tegen een bevel tot betalen instellen « zo goed als zeker » verslechtert aangezien zij de strafvordering op gang brengen en de strafwet op zichzelf van toepassing zien worden, met « een zeer waarschijnlijke inschrijving in het strafregister ». B.6.
- Bij zijn arresten nrs. 50/2023 (ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.050) en 95/2023 (ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.095) heeft het Hof een soortgelijke prejudiciële vraag beantwoord : « B.
- Met hun eerste prejudiciële vraag beogen de verwijzende rechtscolleges van het Hof te vernemen of artikel 65/1, § 2, van de Wegverkeerswet bestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 14, lid 3, g), van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, doordat de rechtsonderhorige door beroep aan te tekenen tegen een bevel tot betalen ‘ noodzakelijkerwijs de strafvordering tegen zichzelf instelt ’. B.5.
- Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.5.
- De artikelen 10 en 11 van de Grondwet hebben een algemene draagwijdte. Zij verbieden elke discriminatie, ongeacht de oorsprong ervan : de grondwettelijke regels van de 11 gelijkheid en van de niet-discriminatie zijn toepasselijk ten aanzien van alle rechten en alle vrijheden, met inbegrip van die welke voortvloeien uit internationale verdragen die België binden. B.6.
- Artikel 13 van de Grondwet bepaalt : ‘ Niemand kan tegen zijn wil worden afgetrokken van de rechter die de wet hem toekent ’. Het recht op toegang tot de rechter zou inhoudsloos zijn indien niet voldaan is aan het recht op een eerlijk proces, zoals gewaarborgd bij artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, bij artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en bij een algemeen rechtsbeginsel. Bijgevolg dienen bij een toetsing aan artikel 13 van de Grondwet die waarborgen te worden betrokken. B.6.
- Het recht op toegang tot de rechter, zoals het onder meer is gewaarborgd bij artikel 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, is niet absoluut en kan worden onderworpen aan beperkingen, onder meer wat de ontvankelijkheidsvoorwaarden van een beroep betreft, voor zover dergelijke beperkingen de essentie van dat recht niet aantasten en voor zover zij in een evenredige verhouding staan met een legitieme doelstelling. Het recht op toegang tot de rechter wordt geschonden indien de regeling ervan niet langer de rechtszekerheid en de goede rechtsbedeling dient, maar veeleer een soort barrière vormt die de rechtsonderhorige verhindert dat zijn geschil ten gronde door de bevoegde rechter wordt beoordeeld (EHRM, 27 juli 2006, Efstathiou e.a. t. Griekenland, CE:ECHR:2006:0727JUD003699802, § 24; 24 februari 2009, L’Erablière ASBL t. België, CE:ECHR:2009:0224JUD004923007, § 35). B.6.
- Volgens artikel 14, lid 3, g), van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten heeft ieder, bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging, het recht ‘ niet te worden gedwongen tegen zichzelf te getuigen of een bekentenis af te leggen ’. B.6.
- Het zwijgrecht en het recht om niet bij te dragen tot zijn eigen beschuldiging zijn, ook al worden zij niet uitdrukkelijk vermeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, ‘ internationale normen die in het algemeen erkend zijn en deel uitmaken van de kern van het begrip van eerlijk proces verankerd in artikel 6, § 1 ’ (EHRM, 5 april 2012, Chambaz t. Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2012:0405JUD001166304, § 52). Het recht om zichzelf niet te beschuldigen betreft in hoofdorde het eerbiedigen van de wil van de beklaagde om te zwijgen en veronderstelt dat de overheden hun argumentatie trachten te gronden zonder een beroep te doen op bewijselementen die onder dwang of druk zijn verkregen, tegen de wil in van de beklaagde (EHRM, grote kamer, 13 september 2016, Ibrahim e.a. t. Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2016:0913JUD005054108, § 266). Het recht vormt een bescherming tegen het verkrijgen van bewijsmateriaal door middel van dwang of druk, maar is geen absoluut recht : ‘ Het recht om niet tegen zichzelf te getuigen is evenwel niet absoluut [...]. Het gehanteerde niveau van dwang is niet verenigbaar met artikel 6 wanneer dat recht in zijn kern wordt aangetast [...]. Dat recht wordt echter niet automatisch door alle vormen van rechtstreekse dwang uitgehold met een schending van artikel 6 tot gevolg [...]. Wat in deze context van 12 cruciaal belang is, is het gebruik dat tijdens de strafprocedure wordt gemaakt van de onder dwang verkregen elementen [...] ’ (ibid., § 269). B.7.
- Daar het beroep tegen een bevel tot betalen de zaak ‘ in zijn geheel ’ aanhangig maakt voor de strafrechtelijke kamer van de politierechtbank en daar die rechtbank de overtredingen die aan de grondslag liggen van het bevel tot betalen ‘ ten gronde ’ dient te beoordelen en, wanneer die zijn vastgesteld, toepassing dient te maken van de strafwet, brengt het instellen van zulk een beroep met zich mee dat de strafvordering op gang wordt gebracht. Uit de omstandigheid dat het instellen van het beroep de strafvordering op gang brengt, kan evenwel, in tegenstelling tot wat de verwijzende rechtscolleges lijken te poneren, niet worden afgeleid dat de strafvordering door de rechtsonderhorige wordt ingesteld tegen zichzelf. Zoals is vermeld in B.3.1, worden in geval van een beroep tegen een bevel tot betalen zowel de verzoeker als de procureur des Konings in kennis gebracht van de zittingsdatum, waarbij het toekomt aan de procureur des Konings om de strafvordering uit te oefenen. B.7.
- Zoals is vermeld in B.2.2, vormde de proceseconomie één van de redenen tot het invoeren van het bevel tot betalen in de Wegverkeerswet. De procedure inzake het beroep tegen zulk een bevel, zoals verduidelijkt bij de wet van 28 november 2021, blijkt eveneens te zijn ingegeven door proceseconomische redenen. Uit de in B.3.4 aangehaalde parlementaire voorbereiding blijkt immers dat de wetgever heeft willen voorkomen dat het rechtscollege dat kennis neemt van het beroep tegen een bevel tot betalen, wanneer het oordeelt dat dat beroep ontvankelijk is, de zaak zou moeten terugsturen naar het openbaar ministerie, waarna die instantie ze opnieuw aanhangig zou moeten maken bij de politierechtbank om ze ten gronde te laten beoordelen. B.7.
- De in het geding zijnde bepaling is pertinent ten aanzien van de nagestreefde doelstelling. De wetgever vermocht ervan uit te gaan dat wanneer het openbaar ministerie oordeelt dat een bevel tot betalen dient te worden gegeven aan een rechtsonderhorige, het eveneens van oordeel is dat er redenen zijn om die rechtsonderhorige te dagvaarden voor de strafrechter, indien het bevel tot betalen zou worden betwist. Het bevel tot betalen roept immers een uitvoerbare titel in het leven, die de overheid toelaat om, zonder het optreden van een rechter, het door de rechtsonderhorige te betalen bedrag in te vorderen, behoudens in geval van een beroep tegen dat bevel. De wetgever vermocht aldus ook van oordeel te zijn dat wanneer de rechtsonderhorige het bevel tot betalen betwist, de strafvordering op gang dient te worden gebracht. B.7.
- Zoals is vermeld in B.2.2, heeft de betrokken rechtsonderhorige reeds voorafgaand aan het geven van het bevel tot betalen meerdere kansen gehad om de strafvordering te doen vervallen en dit naar aanleiding van de aan hem gedane voorstellen tot onmiddellijke inning en tot minnelijke schikking. In die omstandigheden kan de rechtsonderhorige redelijkerwijze niet verwachten dat hij het na die voorstellen gegeven bevel tot betalen kan betwisten bij de rechter, zonder dat die rechter de zaak ten gronde zou kunnen beoordelen. B.7.
- Noch uit de in het geding zijnde bepaling, noch uit enige andere wettelijke bepaling kan worden afgeleid dat de rechtsonderhorige in de rechtspleging voor het rechtscollege dat dient te oordelen over het beroep tegen het bevel tot betalen, zich niet zou kunnen beroepen op het door artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 14, lid 3, g), van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten gewaarborgde recht om niet te worden gedwongen tegen zichzelf te getuigen of een bekentenis af te leggen. Bovendien laat geen enkele wettelijke bepaling het openbaar ministerie toe om 13 bewijselementen te verkrijgen in strijd met de voormelde verdragsbepalingen. In voorkomend geval staat het aan het rechtscollege dat kennis neemt van het beroep tegen het bevel tot betalen om te beoordelen of de bewijselementen die het openbaar ministerie voorlegt al dan niet voldoen aan de uit die verdragsbepalingen voortvloeiende vereisten en, in zoverre dat niet het geval zou zijn, de gepaste gevolgen daaraan te verbinden. B.7.
- Ten slotte dient in herinnering te worden gebracht dat het Hof, bij zijn arrest nr. 14/2022 van 3 februari 2022 (ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.014), heeft geoordeeld dat artikel 65/1, § 2, van de Wegverkeerswet, in de interpretatie dat de verzoeker geen afstand kan doen van zijn beroep tegen het bevel tot betalen, niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, maar dat die bepaling ook in die zin kan worden geïnterpreteerd dat de verzoeker wel afstand kan doen van zijn beroep, in welk geval die bepaling bestaanbaar is met de voormelde grondwetsartikelen. Daaruit volgt dat de rechtsonderhorige die beroep instelt tegen het bevel tot betalen, in beginsel afstand kan doen van zijn beroep. Een afstand van het ingestelde beroep brengt met zich mee dat het bevel tot betalen van de procureur des Konings uitvoerbaar wordt en dat, wanneer aan dat bevel uitvoering wordt gegeven, een einde komt aan de uitoefening van de strafvordering. B.7.
- Gelet op wat is vermeld in B.7.4 tot B.7.6, heeft de in het geding zijnde bepaling geen onevenredige gevolgen. B.
- Het onderzoek van de eerste prejudiciële vraag in de zaken nrs. 7784, 7785, 7786, 7815 en 7816 leidt niet tot een vaststelling van onbestaanbaarheid van artikel 65/1, § 2, van de Wegverkeerswet met de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 14, lid 3, g), van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten ». B.6.
- Om dezelfde redenen is de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar met de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.
- Met dezelfde prejudiciële vraag verzoekt het verwijzende rechtscollege het Hof ook na te gaan of de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar is met de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.8.
- Artikel 12, tweede lid, van de Grondwet bepaalt dat « niemand kan worden vervolgd dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft ». De in die bepaling geformuleerde beginselen van wettigheid en voorspelbaarheid van de strafrechtspleging waarborgen elke burger dat tegen hem enkel een vervolging kan worden ingesteld volgens een bij de wet vastgestelde procedure waarvan hij vóór de aanwending ervan kan kennisnemen. 14 B.8.
- Artikel 65/1, § 2, van de Wegverkeerswet, zoals vervangen bij de wet van 28 november 2021, is een strafrechtelijke procedurewet en is in dat opzicht onderworpen aan de vereisten van wettigheid en voorspelbaarheid vervat in artikel 12, tweede lid, van de Grondwet. De bepaling, die van wetgevende aard is, is in duidelijke en precieze termen opgesteld en doet geen afbreuk aan de rechtszekerheid van de rechtsonderhorigen, die op basis van de bewoordingen ervan kunnen weten aan welke risico’s zij zich blootstellen door een beroep in te stellen tegen een bevel tot betalen met toepassing van die bepaling, en in het bijzonder kunnen weten dat hun situatie door de toepassing van de strafwet kan verslechteren. B.9.
- Artikel 14 van de Grondwet bepaalt dat « geen straf kan worden ingevoerd of toegepast dan krachtens de wet ». Artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt dat « niemand mag worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde » en dat « evenmin [...] een zwaardere straf [mag] worden opgelegd dan die, die ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was ». B.9.
- Artikel 65/1, § 2, van de Wegverkeerswet, zoals vervangen bij de wet van 28 november 2021, is een procedurewet en regelt noch de strafbaarstelling, noch de straf. Het kan dus geen afbreuk doen aan artikel 14 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.
- Artikel 65/1, § 2, van de Wegverkeerswet, zoals vervangen bij de wet van 28 november 2021, in zoverre het erin voorziet dat het rechtscollege waarbij een beroep tegen een bevel tot betalen wordt ingesteld « de overtredingen die aan de grondslag liggen van het bevel tot betalen, ten gronde [beoordeelt] en [...], indien deze bewezen worden verklaard, toepassing [maakt] van de strafwet », is bestaanbaar met de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. 15 Wat betreft de eerste prejudiciële vraag B.11.
- Met zijn eerste prejudiciële vraag in de zaak nr. 7934 vraagt het verwijzende rechtscollege het Hof de grondwettigheid na te gaan van artikel 65/1, § 2, van de Wegverkeerswet, zoals vervangen bij de wet van 28 november 2021, in de interpretatie dat het van toepassing is op de feiten die vóór de inwerkingtreding ervan gepleegd zijn en op de beroepen die vóór de inwerkingtreding ervan ingesteld zijn in zoverre de rechtsonderhorigen die tegen een bevel tot betalen een beroep instelden, onder de gelding van de vroegere wet alleen « in de voor hen meest ongunstige situatie », het bevel tot betalen uitvoerbaar konden zien worden naar aanleiding van hun beroep, hetgeen hun situatie niet verslechterde, terwijl, onder de gelding van de nieuwe wet, hun beroep, dat vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet werd ingesteld, de strafvordering op gang brengt, zodat de strafwet op hen van toepassing wordt, met mogelijke inschrijving in het strafregister, hetgeen hun situatie kan verslechteren. Aan het Hof wordt meer bepaald gevraagd of die bepaling bestaanbaar is met de artikelen 10, 11, 12, tweede lid, 13 en 14 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.11.
- Met de eerste prejudiciële vraag in de zaken nrs. 7967, 7968, 7969, 7970 en 7971 stelt het verwijzende rechtscollege een vrijwel identieke vraag aan het Hof, met dit verschil dat de rechtsonderhorigen worden beoogd die hun beroep hebben ingesteld na de inwerkingtreding van de nieuwe wet. B.11.
- Aan het Hof wordt aldus een vraag gesteld over het verschil in behandeling door de onmiddellijke toepassing van het nieuwe artikel 65/1, § 2, van de Wegverkeerswet tussen, enerzijds, de rechtsonderhorigen van wie het beroep onder de gelding van de vroegere wet werd behandeld en, anderzijds, de rechtsonderhorigen van wie het beroep onder de gelding van de nieuwe wet moet worden behandeld, terwijl de feiten die hun ten laste worden gelegd zich vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet hebben voorgedaan, of zelfs hun beroep vóór die inwerkingtreding werd ingesteld. B.12.
- De Ministerraad voert in hoofdorde aan dat de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft omdat ze op een verkeerd uitgangspunt berust. De Ministerraad is immers van mening dat de in het geding zijnde bepaling reeds vóór de wijziging ervan bij de wet van 28 november 2021 aan het rechtscollege waarbij het beroep tegen een bevel tot betalen wordt ingesteld toeliet 16 ten gronde kennis te nemen van de zaak, en dat de interpretatie in omgekeerde zin die het verwijzende rechtscollege eraan geeft, kennelijk verkeerd is. De Ministerraad doet ook gelden dat het verwijzende rechtscollege ten onrechte aangeeft dat, op basis van de vorige wet, het bevel tot betalen uitvoerbaar werd indien het beroep ontvankelijk maar ongegrond werd verklaard, terwijl de in het geding zijnde bepaling daarentegen uitdrukkelijk erin voorzag dat « indien het beroep ontvankelijk wordt verklaard, [...] het bevel tot betalen als niet bestaande [wordt] beschouwd ». B.12.
- De bepaling waarvan de Ministerraad beweert dat zij kennelijk foutief door het verwijzende rechtscollege wordt geïnterpreteerd, is niet de in het geding zijnde bepaling, maar de bepaling die vroeger van toepassing was, namelijk artikel 65/1, § 2, van de Wegverkeerswet, vóór de wijziging ervan bij de wet van 28 november
- Zelfs indien de door het verwijzende rechtscollege in aanmerking genomen interpretatie als kennelijk verkeerd wordt beschouwd, zou dit niets veranderen aan de omstandigheid dat die interpretatie werd gekozen door verschillende hoven en rechtbanken en dat de rechtsonderhorigen, in de praktijk, de kans kregen om, zoals het verwijzende rechtscollege aangeeft, enkel het risico te lopen « het bevel tot betalen uitvoerbaar [te] zien worden, hetgeen hun situatie niet verslechterde ». Uit de formulering van de prejudiciële vraag blijkt dat het Hof wordt verzocht de grondwettigheid te onderzoeken van de toepassing van de in het geding zijnde bepaling op de lopende rechtsplegingen, zelfs al werden de in het geding zijnde feiten vóór de inwerkingtreding van die bepaling gepleegd, of zelfs al werd het beroep vóór die inwerkingtreding ingesteld. De exceptie wordt verworpen. B.
- De in het geding zijnde bepaling is een procedurewet, waardoor ze van toepassing is op de hangende rechtsgedingen, zonder dat die worden onttrokken aan de instantie van het gerecht waarvoor zij op geldige wijze aanhangig zijn en behoudens de uitzonderingen bij de wet bepaald (artikel 3 van het Gerechtelijk Wetboek). Het verwijzende rechtscollege vraagt aan het Hof om de grondwettigheid ervan na te gaan in de interpretatie dat die bepaling van toepassing is op de lopende rechtsplegingen, ook al dateren de in het geding zijnde feiten of zelfs het beroep dat de rechtspleging op gang heeft gebracht, van vóór de inwerkingtreding ervan. 17 B.
- Het is inherent aan een nieuwe regeling dat een onderscheid wordt gemaakt tussen personen die zijn betrokken bij rechtstoestanden die onder het toepassingsgebied van de vroegere regeling vielen en personen die zijn betrokken bij rechtstoestanden die onder het toepassingsgebied van de nieuwe regeling vallen. Daar het elke wetswijziging onmogelijk zou maken, schendt een dergelijk onderscheid de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Het verwijzende rechtscollege vraagt aan het Hof om de situatie van de rechtsonderhorigen van wie het beroep tegen een bevel tot betalen onder de gelding van de vroegere wet werd behandeld, te vergelijken met de situatie van de rechtsonderhorigen van wie het beroep onder de gelding van de in het geding zijnde bepaling wordt behandeld, terwijl de feiten die aan de basis van de zaak liggen, of zelfs het beroep, dateren van vóór de inwerkingtreding van die bepaling. Een dergelijke vergelijking kan niet leiden tot de vaststelling van een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.
- Wat de mogelijke schending van artikel 13 van de Grondwet betreft, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, zet het verwijzende rechtscollege niet uiteen, en valt uit de motivering van de verwijzingsbeslissingen niet af te leiden op welke wijze de onmiddellijke toepassing van die in het geding zijnde bepaling de voormelde waarborgen zou schenden. De prejudiciële vraag is onontvankelijk in zoverre zij die bepalingen beoogt. B.
- Wat betreft de mogelijke schending van artikel 14 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, regelt de in het geding zijnde bepaling noch de strafbaarstelling, noch de straf. De onmiddellijke toepassing ervan op de lopende rechtsplegingen schendt derhalve niet de voormelde bepalingen. B.17.
- De in artikel 12, tweede lid, van de Grondwet vervatte vereiste van voorspelbaarheid van de strafrechtspleging verzet zich in principe niet tegen de onmiddellijke toepassing van de wetten betreffende de bevoegdheid en de rechtspleging in strafzaken. Het komt in beginsel de wetgever toe om de inwerkingtreding van een nieuwe wet te regelen en uit te maken of hij al dan niet dient te voorzien in een afwijking van het algemeen beginsel, 18 verankerd in artikel 3 van het Gerechtelijk Wetboek, dat de procedurewetten onmiddellijk van toepassing zijn. B.17.
- De in het geding zijnde bepaling regelt, zoals in B.16 is vermeld, noch de strafbaarstelling, noch de straf. Zij houdt ook geen verband met de regels betreffende het bewijs van de schuld van een persoon, die in beginsel niet met terugwerkende kracht in het nadeel van die persoon kunnen worden gewijzigd (zie de arresten van het Hof nr. 153/2018, ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.153, B.24.2, en nr. 112/2020, ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.112, B.11). B.
- Artikel 65/1, § 2, van de Wegverkeerswet, zoals vervangen bij de wet van 28 november 2021, in zoverre het erin voorziet dat het rechtscollege waarbij een beroep tegen een bevel tot betalen wordt ingesteld « de overtredingen die aan de grondslag liggen van het bevel tot betalen, ten gronde [beoordeelt] en [...], indien deze bewezen worden verklaard, toepassing [maakt] van de strafwet », is bestaanbaar met de artikelen 10, 11, 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. 19 Om die redenen, het Hof zegt voor recht :
- Artikel 65/1, § 2, van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer », in zoverre het erin voorziet dat het rechtscollege waarbij een beroep tegen een bevel tot betalen wordt ingesteld « de overtredingen die aan de grondslag liggen van het bevel tot betalen, ten gronde [beoordeelt] en [...], indien deze bewezen worden verklaard, toepassing [maakt] van de strafwet », schendt niet de artikelen 10, 11, 12, tweede lid, 13 en 14 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.
- Dezelfde bepaling, in zoverre zij onmiddellijk van toepassing is op de lopende rechtsplegingen, schendt niet de artikelen 10, 11, 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 8 februari
- De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut P. Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.018 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210601.2N.5 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210622.2N.17 ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.153 ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.112 ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.014 ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.050 ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.095 ECLI:CE:ECHR:2006:0727JUD003699802 ECLI:CE:ECHR:2009:0224JUD004923007 ECLI:CE:ECHR:2012:0405JUD001166304 ECLI:CE:ECHR:2016:0913JUD005054108 geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.148 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.