← België

ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 08 februari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.020 Arrest- Rolnummer: 20/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-02-19 Raadplegingen: 347 - laatst gezien 2026-06-16 06:06 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen over artikel 53, tweede lid, van de wetten betreffende de preventie van beroepsziekten en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voortvloeit, gecoördineerd op 3 juni 1970, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Antwerpen, afdeling Antwerpen. Sociaal recht - Sociale zekerheid - Beroepsziekten - Privésector - Beslissingen van Fedris - Betwistingen - Vervaltermijn van een jaar Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 20/2024 van 8 februari 2024 Rolnummer : 7961 In zake : de prejudiciële vragen over artikel 53, tweede lid, van de wetten betreffende de preventie van beroepsziekten en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voortvloeit, gecoördineerd op 3 juni 1970, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Antwerpen, afdeling Antwerpen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en P. Nihoul, en de rechters J. Moerman, M. Pâques, D. Pieters, W. Verrijdt en K. Jadin, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 23 maart 2023, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 28 maart 2023, heeft de Arbeidsrechtbank te Antwerpen, afdeling Antwerpen, de volgende prejudiciële vragen gesteld : « - Schendt artikel 53, tweede lid van de gecoördineerde Wetten van 03/06/1970 betreffende de preventie van beroepsziekten en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voortvloeit, de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet van 17/02/1994, waar het een verschillende behandeling inhoudt, doordat de vordering tot betaling van vergoedingen van slachtoffers van een beroepsziekte - werkzaam in de overheidssector - verjaart na het verstrijken van een termijn van drie jaar van de dag waarop de betwiste administratieve rechtshandeling ter kennis werd gebracht (artikel 20, eerste lid van de wet van 03/07/1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor de ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector), terwijl slachtoffers van een beroepsziekte - werkzaam in de privésector - de betwiste administratieve rechtshandelingen, op straffe van verval, binnen een termijn van een jaar volgend op de datum van de kennisgeving ervan aan de bevoegde arbeidsrechtbank moeten voorleggen ? 2 - Schendt artikel 53, tweede lid van de gecoördineerde Wetten van 03/06/1970 betreffende de preventie van beroepsziekten en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voortvloeit, de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet van 17/02/1994, waar het een verschillende behandeling inhoudt, doordat de rechtsvordering tot betaling van de vergoedingen van slachtoffers van een arbeidsongeval - werkzaam in de privésector - verjaart na een termijn van drie jaar na de kennisgeving van de beslissing tot genezenverklaring (artikel 69, eerste en laatste lid van de Wet van 10/04/1971 betreffende de arbeidsongevallen), terwijl slachtoffers van een beroepsziekte - werkzaam in de privésector - de betwiste administratieve rechtshandelingen, op straffe van verval, binnen een termijn van een jaar volgend op de datum van de kennisgeving ervan aan de bevoegde arbeidsrechtbank moeten voorleggen ? - Schendt artikel 53, tweede lid van de gecoördineerde Wetten van 03/06/1970 betreffende de preventie van beroepsziekten en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voortvloeit, de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet van 17/02/1994, waar het een verschillende behandeling inhoudt, doordat slachtoffers van een beroepsziekte - werkzaam in de overheidssector - over een verjaringstermijn beschikken om in rechte op te treden (artikel 20, eerste lid van de Wet van 03/07/1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor de ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector), terwijl slachtoffers van een beroepsziekte - werkzaam in de privésector - over een vervaltermijn beschikken om in rechte op te treden ? - Schendt artikel 53, tweede lid van de gecoördineerde Wetten van 03/06/1970 betreffende de preventie van beroepsziekten en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voortvloeit, de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet van 17/02/1994, waar het een verschillende behandeling inhoudt, doordat slachtoffers van een arbeidsongeval - werkzaam in de privésector - over een verjaringstermijn beschikken om in rechte op te treden (artikel 69, eerste en laatste lid van de Wet van 10/04/1971 betreffende de arbeidsongevallen), terwijl slachtoffers van een beroepsziekte - werkzaam in de privésector - over een vervaltermijn beschikken om in rechte op te treden ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - Samir Boumaaza, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. H. Schyvens, advocaat bij de balie van Antwerpen; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. L. Vandenplas, advocate bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 6 december 2023 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers D. Pieters en K. Jadin te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. 3 De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 10 maart 2020 dient Samir Boumaaza bij Fedris (Federaal agentschap voor beroepsrisico’

  1. s)een aanvraag in tot erkenning van een aandoening als beroepsziekte en tot toekenning van een vergoeding. Die aanvraag wordt verworpen bij een beslissing die op 14 juli 2020 aangetekend wordt verzonden, waarbij de beroepsmogelijkheid en de modaliteiten daarvan worden vermeld. Op 25 januari 2022 stelt Samir Boumaaza beroep in tegen de verwerpingsbeslissing bij de Arbeidsrechtbank te Antwerpen, afdeling Antwerpen. Als antwoord op de exceptie van laattijdigheid opgeworpen door Fedris, verzoekt Samir Boumaaza om de eerste twee prejudiciële vragen te stellen aan het Hof. De verwijzende rechter gaat in op dat verzoek, maar wijzigt de bewoordingen van de eerste twee vragen en stelt bijkomend ambtshalve de derde en vierde prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.1. Volgens Samir Boumaaza kan niet worden ingezien hoe de verschillen in behandeling die worden vermeld in de prejudiciële vragen, redelijk verantwoord zouden zijn. Dit geldt zowel met betrekking tot de verschillende termijnen als met betrekking tot de verschillende aard van die termijnen, namelijk verval- en verjaringstermijnen. Hij verwijst daarbij naar de rechtspraak van het Hof van Cassatie. Mogelijke andere verschillen tussen de procedures verantwoorden de in het geding zijnde verschillen niet. A.2. De Ministerraad gaat uitgebreid in op de ontstaansgeschiedenis van de verschillende regelingen die worden vergeleken in de prejudiciële vragen. De in die vragen vermelde verschillen zijn gebaseerd op een objectief criterium, namelijk de verschillende afgebakende procedures. De rechtspraak van het Hof van Cassatie waarnaar wordt verwezen door Samir Boumaaza is in die context niet relevant. Hetzelfde geldt voor de verwijzing naar het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 102/2009 van 18 juni 2009 (ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.102). De daarin vastgestelde schending is immers gebaseerd op een incoherentie binnen het specifieke systeem van vergoeding voor de arbeidsongevallen in de privésector en niet op een vergelijking met andere systemen, die hun eigen logica volgen. De vervaltermijn van een jaar is langer dan de standaardtermijn in socialezekerheidszaken, die drie maanden bedraagt. Bovendien kan ook ten aanzien van een vervaltermijn overmacht worden aangevoerd. De vervaltermijn, die uitdrukkelijk in de beslissing van Fedris wordt vermeld, is duidelijk, voorspelbaar en niet te kort. Bijgevolg heeft de in het geding zijnde bepaling geen onevenredige gevolgen voor de betrokkenen. Tot slot wijst de Ministerraad erop dat het te kort door de bocht is om louter de verschillende termijnen te vergelijken, zonder rekening te houden met het feit dat de betrokken termijnen verschillende aanvangspunten hebben. -B- B.1.1. De prejudiciële vragen hebben betrekking op het stelsel van de beroepsziekten in de privésector, dat wordt geregeld in de wetten betreffende de preventie van beroepsziekten en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voortvloeit, gecoördineerd op 3 juni 1970 (hierna : de gecoördineerde wetten). Die bepalen in artikel 1 ervan dat het doel ervan erin 4 bestaat een regeling inzake schadeloosstelling voor dergelijke ziekten te treffen en de voorkoming van die ziekten te bevorderen. Fedris (Federaal agentschap voor beroepsrisico’
  2. s)is bevoegd om uitspraak te doen omtrent iedere aanvraag tot schadeloosstelling alsmede omtrent iedere aanvraag tot herziening van reeds toegekende vergoedingen. B.1.2. De termijn voor betwistingen betreffende de beslissingen van Fedris wordt geregeld in artikel 53, tweede lid, van de gecoördineerde wetten. Artikel 53, tweede lid, van de gecoördineerde wetten, zoals van toepassing in het bodemgeschil, bepaalt : « Onverminderd het bepaalde in artikel 44, § 3, inzake de terugvordering, moeten de bestreden administratieve rechtshandelingen door de getroffene of diens rechthebbenden, op straffe van verval, binnen een jaar volgend op de datum van de kennisgeving van de administratieve rechtshandeling, aan de bevoegde arbeidsrechtbank voorgelegd worden. De kosten zijn volledig ten laste van Fedris, behalve wanneer de eis roekeloos en tergend is ». B.1.3. De termijn waarover de aanvrager beschikt om bij de arbeidsrechtbank een beroep in te stellen tegen een weigeringsbeslissing van Fedris, werd niet in het bijzonder besproken in de parlementaire voorbereiding van de wetten waarbij die is vastgesteld. De vervaltermijn van één jaar die bij artikel 53 van de gecoördineerde wetten is vastgesteld om een beroep in te stellen tegen de beslissingen die in het kader van die wetten door Fedris zijn genomen, vindt zijn oorsprong in artikel 50 van de wet van 24 december 1963 « betreffende de schadeloosstelling voor en de voorkoming van beroepsziekten », dat toen als volgt werd verduidelijkt : « Beroep kan worden ingesteld door de getroffene en door diens rechthebbenden. Het moet worden ingediend in het jaar volgend op de datum van betekening van de administratieve beslissing » (Parl. St., Senaat, 1962-1963, nr. 237, p. 37). B.2. In de eerste en derde prejudiciële vraag wordt het Hof gevraagd de voormelde vervaltermijn van een jaar te vergelijken met de regeling waarin is voorzien in artikel 20, eerste lid, van de wet van 3 juli 1967 « betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector » (hierna : de wet van 3 juli 1967), dat bepaalt dat de vordering tot betaling 5 van vergoedingen van slachtoffers van een beroepsziekte werkzaam in de overheidssector verjaart na het verstrijken van een termijn van drie jaar te rekenen van de dag waarop de betwiste administratieve rechtshandeling ter kennis werd gebracht. Artikel 20, eerste lid, van de wet van 3 juli 1967 bepaalt : « Vorderingen tot betaling van vergoedingen verjaren na het verstrijken van een termijn van drie jaar te rekenen van de dag waarop de betwiste administratieve rechtshandeling ter kennis werd gebracht. Vorderingen tot betaling van de bijslagen wegens verergering van de blijvende arbeidsongeschiktheid en van de overlijdensbijslagen verjaren na drie jaar vanaf de eerste dag volgend op de betalingsperiode waarop zij betrekking hebben, voor zover de verjaringstermijn van een eventuele hoofdvordering tot betaling van de op deze periode betrekking hebbende vergoedingen niet is verstreken ». B.3. In de tweede en vierde prejudiciële vraag wordt het Hof gevraagd de vervaltermijn vermeld in artikel 53, tweede lid, van de gecoördineerde wetten te vergelijken met de regeling waarin is voorzien in artikel 69, eerste en zesde lid, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 (hierna : de wet van 10 april 1971), in zoverre dat artikel bepaalt dat de rechtsvordering tot betaling van de vergoedingen van slachtoffers van een arbeidsongeval werkzaam in de privésector verjaart na een termijn van drie jaar na de kennisgeving van de beslissing tot genezenverklaring, alsook in zoverre slachtoffers van een arbeidsongeval werkzaam in de privésector over een verjaringstermijn beschikken om in rechte op te treden. Artikel 69, eerste en zesde lid, van de wet van 10 april 1971 bepaalt : « De rechtsvordering tot betaling van de vergoedingen verjaart na drie jaar. De rechtsvordering tot terugvordering van onverschuldigde vergoedingen verjaart na drie jaar. […] In de gevallen bedoeld in artikel 24, eerste lid, verjaart de betalingsvordering van de vergoedingen drie jaar na de kennisgeving van de beslissing tot genezenverklaring ». B.4. In essentie wordt het Hof ondervraagd over de bestaanbaarheid van artikel 53, tweede lid, van de gecoördineerde wetten met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre die bepaling voorziet in een vervaltermijn van één jaar om beroep in te dienen tegen de weigeringsbeslissing van Fedris, terwijl zowel artikel 20, eerste lid, van de wet van 3 juli 1967 als artikel 69, eerste en zesde lid, van de wet van 10 april 1971 voorzien in een verjaringstermijn 6 (derde en vierde prejudiciële vraag) van drie jaar (eerste en tweede prejudiciële vraag). Het Hof behandelt de vragen samen. B.5. Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedureregels in verschillende omstandigheden houdt op zich geen discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake zijn indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die procedureregels een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen. B.6.1. Door de objectieve verschillen tussen de verschillende betrokken categorieën van werknemers, alsook de objectieve verschillen tussen beroepsziekten en arbeidsongevallen, is het verantwoord dat zij aan verschillende systemen worden onderworpen, zodat kan worden aanvaard dat bij een nadere vergelijking van beide systemen verschillen in behandeling aan het licht komen, nu eens in de ene zin, dan weer in de andere, onder voorbehoud dat elke regel dient overeen te stemmen met de logica van het systeem waarvan die regel deel uitmaakt. B.6.2. Door de eigen logica van elk systeem zijn verschillen verantwoord, meer bepaald wat de procedureregels, het bedrag en de uitvoeringsbepalingen van de vergoeding betreft. Het behoort tot de bevoegdheid van de wetgever te beoordelen of een grotere gelijkschakeling wenselijk is en te bepalen op welk tijdstip en op welke wijze via concrete maatregelen vorm moet worden gegeven aan een grotere eenvormigheid tussen de verschillende regelgevingen. B.6.3. Rekening houdend met de eigen logica van de drie vergeleken stelsels en met de aard van de in het geding zijnde aanvragen, wordt niet op onverantwoorde wijze afbreuk gedaan aan de rechten van de aanvrager die verzoekt om bij de arbeidsrechtbank een beroep in te stellen tegen een weigeringsbeslissing die op hem betrekking heeft. Zoals de Ministerraad in zijn memorie beklemtoont, vormt de termijn van drie maanden de gebruikelijke termijn om een beroep in te stellen tegen de beslissingen die door de socialezekerheidsinstellingen worden genomen. 7 Artikel 23 van de wet van 11 april 1995 « tot invoering van het ‘ handvest ’ van de sociaal verzekerde » bepaalt immers : « Onverminderd gunstiger termijnen voortvloeiend uit specifieke wetgevingen moet tegen de beslissingen van de instellingen van sociale zekerheid die bevoegd zijn voor de toekenning, betaling of de terugvordering van prestaties, op straffe van verval, beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de kennisgeving van die beslissingen of na de kennisneming van de beslissing door de sociaal verzekerde indien geen kennisgeving plaats had. Onverminderd gunstiger termijnen voortvloeiend uit specifieke wetgevingen moet elk beroep tot erkenning van een recht tegen een instelling van sociale zekerheid ook worden ingesteld op straffe van verval, binnen drie maand na de vaststelling van het in gebreke blijven van de instelling ». De wetgever heeft echter geoordeeld dat een langere termijn noodzakelijk was voor het instellen van een beroep tegen de beslissingen van Fedris die zijn genomen in het kader van de gecoördineerde wetten. Die procedure houdt immers de erkenning van een ziekte in waarvoor moet worden bewezen dat zij verband houdt met de uitoefening van een beroep, en dat zij een inkomensverlies heeft veroorzaakt waarvan het bedrag zelf moet worden geraamd, en waarvan de symptomen zich nog kunnen ontwikkelen. In het licht van die elementen is een termijn van een jaar niet onredelijk, mede gelet op het algemeen rechtsbeginsel dat de strengheid van de wet in geval van overmacht of van onoverwinnelijke dwaling kan worden gemilderd, beginsel waarvan de in het geding zijnde bepaling niet is afgeweken. B.7. Artikel 53, tweede lid, van de gecoördineerde wetten, is bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 8 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 53, tweede lid, van de wetten betreffende de preventie van beroepsziekten en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voortvloeit, gecoördineerd op 3 juni 1970, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 8 februari 2024. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut L. Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.020 Gerelateerde publicatie(
  3. s)citeert: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.102 geciteerd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.380 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.787 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.788 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.