id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 08 februari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.021 Arrest- Rolnummer: 21/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-02-19 Raadplegingen: 344 - laatst gezien 2026-06-18 02:19 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Geen schending (artikel 275/5, § 2, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals van toepassing in het aanslagjaar 2012, in zoverre het voor de toepassing van de gedeeltelijke vrijstelling van de doorstorting van bedrijfsvoorheffing wegens ploegenarbeid vereist dat de ploegen hetzelfde werk doen zowel qua inhoud als qua omvang) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen betreffende artikel 275/5 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gesteld door het Hof van Cassatie. Fiscaal recht - Bedrijfsvoorheffing - Gedeeltelijke vrijstelling van de doorstorting van bedrijfsvoorheffing - Ondernemingen waar ploegenarbeid wordt verricht - Definitie Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 21/2024 van 8 februari 2024 Rolnummers : 7973 en 7980 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 275/5 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gesteld door het Hof van Cassatie. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en P. Nihoul, en de rechters J. Moerman, S. de Bethune, E. Bribosia, W. Verrijdt en K. Jadin, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging a. Bij arrest van 24 maart 2023, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 11 april 2023, heeft het Hof van Cassatie de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 275/5 WIB 92, zoals van toepassing op het geding, wanneer het aldus wordt uitgelegd dat voor de toepassing van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing wegens ploegenarbeid vereist is dat de omvang van het werk hetzelfde is op het niveau van de opeenvolgende ploegen, en niet van de individuele werknemers, het door de gecoördineerde Grondwet in de artikelen 10 en 11 gewaarborgde gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel, doordat een ongerechtvaardigd verschil in behandeling in het leven wordt geroepen tussen ondernemingen waarin de verschillende ploegen volgens bandwerk steeds dezelfde omvang van werk verrichten, die wel van de vrijstelling genieten, en ondernemingen waarin de omvang van het werk van de ploegen varieert volgens piek- en daluren, die uitgesloten worden van de vrijstelling, in het licht van het door de maatregel nagestreefde doel om tegemoet te komen aan de extra kosten voor de werkgever die met een ploegenstelsel werkt en van het antwoord van de Europese Commissie dat de vrijstellingsmaatregel geen verboden staatssteun uitmaakt in de mate dat zij zich uitstrekt tot vrijwel alle economische sectoren ? ». b. Bij arrest van 31 maart 2023, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 20 april 2023, heeft het Hof van Cassatie de volgende prejudiciële vraag gesteld : 2 « Schendt artikel 275/5, § 2, 1°, WIB 92, in de versie zoals van toepassing voor aanslagjaar 2012, de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, doordat ondernemingen waar het werk wordt verricht in minstens twee ploegen van minstens twee werknemers, die hetzelfde werk doen zowel qua inhoud als qua omvang en die elkaar in de loop van de dag opvolgen zonder dat er een onderbreking is tussen de opeenvolgende ploegen en zonder dat de overlapping meer bedraagt dan een vierde van hun dagtaak kunnen worden beschouwd als ‘ ondernemingen waar ploegenarbeid wordt verricht ’ in de zin van voormeld artikel en bijgevolg kunnen genieten van een gedeeltelijke vrijstelling van de doorstorting van de bedrijfsvoorheffing, terwijl ondernemingen waarvan de ploegen vergelijkbaar werk qua omvang doen en voor het overige voldoen aan dezelfde voorwaarden niet kunnen worden beschouwd als ‘ ondernemingen waar ploegenarbeid wordt verricht ’ in de zin van dat artikel en bijgevolg niet kunnen genieten van een gedeeltelijke vrijstelling van de doorstorting van de bedrijfsvoorheffing ? ». Die zaken, ingeschreven onder de nummers 7973 en 7980 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Memories zijn ingediend door : - de nv « VAB » en de nv « Autobussen De Reys », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie (in beide zaken); - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. W. van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie. Bij beschikking van 6 december 2023 heeft het Hof, na de rechters-verslaggeefsters J. Moerman en E. Bribosia te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen waren, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaken in beraad zouden worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in de bodemgeschillen In de zaak nr. 7973 De nv « VAB », een bedrijf dat bijstand verleent bij autopech door middel van interventies onderweg, thuis of op reis, maakt voor het aanslagjaar 2012 gebruik van de vrijstelling van de verplichting tot doorstorting van de ingehouden bedrijfsvoorheffing wegens ploegenarbeid, zoals geregeld in artikel 275/5 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna : het WIB 1992). De fiscale administratie oordeelt dat voor de wegenwachters van het bedrijf niet is voldaan aan de wettelijke voorwaarden verbonden aan de vrijstelling. De nv « VAB » dient een vordering in bij de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, afdeling Antwerpen, die deze vordering bij vonnis van 27 oktober 2017 afwijst om reden dat de vennootschap slechts aantoont dat de omvang van het werk 3 dezelfde is op het niveau van de individuele werknemers, terwijl artikel 275/5 van het WIB 1992 vereist dat wordt aangetoond dat de omvang van het werk dezelfde is op het niveau van de ploegen. Bij de arresten van het Hof van Beroep te Antwerpen van 15 oktober 2019 en 19 januari 2021 wordt het vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg bevestigd. Tegen die arresten tekent de nv « VAB » cassatieberoep aan bij het Hof van Cassatie, dat het aangewezen acht bovenvermelde prejudiciële vraag te stellen aan het Hof. In de zaak nr. 7980 De nv « Autobussen De Reys », een bedrijf dat autobussen en autocars voor openbaar vervoer en leerlingenvervoer van de Vlaamse Vervoermaatschappij (De Lijn) exploiteert, maakt voor het aanslagjaar 2012 gebruik van de vrijstelling van de verplichting tot doorstorting van de ingehouden bedrijfsvoorheffing wegens ploegenarbeid, zoals geregeld in artikel 275/5 van het WIB
- De fiscale administratie oordeelt dat niet is voldaan aan de wettelijke voorwaarden verbonden aan de vrijstelling. De nv « Autobussen De Reys » dient een vordering in bij de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, afdeling Antwerpen, die deze vordering bij vonnis van 9 juni 2017 afwijst om reden dat de afwisseling van chauffeurs op bepaalde door het bedrijf in opdracht van De Lijn geëxploiteerde lijnen, niet voldoet aan de definitie van ploegenarbeid vervat in artikel 275/5 van het WIB
- Bij de arresten van het Hof van Beroep te Antwerpen van 15 oktober 2019 en 19 januari 2021 wordt het door de nv « Autobussen De Reys » aangetekende hoger beroep tegen het vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg deels gegrond verklaard. Tegen die arresten tekent de Belgische Staat cassatieberoep aan bij het Hof van Cassatie, dat het aangewezen acht bovenvermelde prejudiciële vraag te stellen aan het Hof. III. In rechte -A- A.1.
- De Ministerraad zet uiteen dat de in het geding zijnde bepaling teruggaat op artikel 301 van de programmawet van 22 december 2003 en dat die bepaling bij de wet van 23 december 2005 « betreffende het generatiepact » werd overgeheveld naar het WIB
- Uit de parlementaire voorbereiding van de programmawet van 22 december 2003 leidt hij af dat de desbetreffende bepaling werd aangenomen naar aanleiding van de in het kader van de werkgelegenheidsconferentie van 2003 door de sociale partners geformuleerde vraag om maatregelen te nemen die de extra kosten verbonden aan ploegenarbeid kunnen compenseren en dat die extra kosten veroorzaakt worden doordat openbaar vervoer en kinderopvang op atypische werkuren veel minder voorhanden of zelfs onbestaande zijn. De Ministerraad meent dat de werkgelegenheidsconferentie van 2003 eveneens heeft geopteerd voor een fiscaal gunstige behandeling van ploegenarbeid uit schrik voor delokalisatie van bedrijven uit de industriële sector en dit meer bepaald na de grote herstructureringen bij Ford Genk in de jaren
- De werkelijke historische aanleiding voor de in het geding zijnde bepaling was volgens hem dus de concurrentiekracht van de Belgische industrie, waaronder de automobielindustrie. Om te voorkomen dat de maatregel door de bevoegde instanties van de Europese Unie zou worden gekwalificeerd als staatssteun, heeft de wetgever volgens de Ministerraad ervoor geopteerd het toepassingsgebied zodanig te formuleren dat de maatregel kan worden toegepast in elke economische sector (de chemische sector, de energiesector, de voedingsindustrie, enz.). Hij wijst erop dat de maatregel werd aangemeld bij de Europese Commissie en dat die laatste heeft geoordeeld dat de maatregel, wegens het algemene en niet-sector-gebonden karakter ervan, geen verboden staatsteun uitmaakt in de zin van artikel 107, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. A.1.
- De Ministerraad doet gelden dat de wetgever het begrip « ploegenarbeid » strikt heeft afgebakend met de bedoeling de weerslag van de maatregel op de overheidsfinanciën berekenbaar en beheersbaar te houden. Hij wijst erop dat die maatregel een grote budgettaire impact heeft en dat het niet de bedoeling van de wetgever is geweest om elke vorm van arbeid in onregelmatige uren en/of ploegen onder het toepassingsgebied van de in het geding zijnde bepaling te laten vallen. Voor de juiste interpretatie van die bepaling moet volgens hem rekening worden gehouden met de context die de wetgever heeft beoogd, meer bepaald bandwerk via opeenvolgende ploegen, waarbij, aangezien de productie niet mag stilvallen, de opeenvolgende ploegen eenzelfde omvang hebben, hetzelfde werk doen qua inhoud en omvang en elkaar aflossen op een welbepaalde werkplaats. Het werken volgens een onregelmatig werkrooster beantwoordt volgens hem niet aan de definitie van ploegenarbeid en werd door de wetgever volgens hem niet beoogd. Dat het de ploegen zijn die hetzelfde werk moeten doen qua inhoud en omvang, volgt volgens hem uit de Franstalige versie van de in het geding zijnde bepaling, waarin het woord « lesquelles » 4 duidelijk betrekking heeft op het woord « équipes ». Dat de opvolging op dezelfde locatie moet gebeuren, volgt volgens hem ook uit de tekst van de wet, daar de ploegen elkaar moeten opvolgen zonder onderbreking, wat dezelfde werkplaats impliceert. Hij wijst in dit kader erop dat het koninklijk besluit van 16 juli 2004 « betreffende bepaalde aspecten van nacht- en ploegenarbeid die verband houden met het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk » ploegenarbeid eveneens definieert aan hand van het criterium van het leveren van arbeid « op dezelfde werkplek ». A.
- De Ministerraad meent allereerst dat de prejudiciële vragen geen antwoord behoeven, daar het, wat het toepassingsgebied van de in het geding zijnde bepaling betreft, essentieel is dat het gaat om werk dat door de werknemers die de ploeg vormen, samen wordt verricht. Hij is van oordeel dat de wegenwachters van de nv « VAB » (zaak nr. 7973) en de chauffeurs van de nv « Autobussen De Reys » (zaak nr. 7980) niet samen, maar elk individueel een werk uitvoeren, waardoor het antwoord op de gestelde prejudiciële vragen volgens hem niet dienstig is voor de beslechting van de geschillen die hangende zijn voor het verwijzende rechtscollege. A.
- In zoverre het Hof van oordeel zou zijn dat de prejudiciële vragen wel degelijk een antwoord behoeven, meent de Ministerraad dat de in de prejudiciële vragen vermelde categorieën van personen niet vergelijkbaar zijn om meerdere redenen. Ten eerste meent hij dat werknemers die samenwerken in een ploeg niet te vergelijken zijn met werknemers die bijstand verlenen bij pech of die busritten verzorgen, daar die laatste categorieën van werknemers individueel werk uitvoeren. Het variëren van de omvang van het werk volgens piek- en daluren en het verrichten van vergelijkbaar werk, veronderstellen volgens hem geenszins dat het werk door de ploeg samen wordt verricht. Ten tweede meent hij dat de in de prejudiciële vragen vermelde categorieën niet vergelijkbaar zijn omdat wanneer een ploeg volgens bandwerk steeds dezelfde omvang van werk verricht, het daaraan inherent is dat de continuïteit van het werk wordt verzekerd, terwijl wanneer een ploeg werk verricht volgens piek- en daluren of vergelijkbaar werk qua omvang verricht, de continuïteit van het werk op zich genomen niet van belang is. Ten slotte meent hij dat de desbetreffende categorieën van personen niet vergelijkbaar zijn, daar het bij de eerste categorie van personen gaat om werknemers van ondernemingen die de continuïteit van het werk moeten verzekeren uit technische noodzaak, terwijl dat niet het geval is bij de tweede categorie van personen. Hij is van oordeel dat de ploegenarbeid die de nv « VAB » en de nv « Autobussen De Reys » organiseren niet is ingegeven door enige technische noodzaak. A.4.
- In zoverre het Hof van oordeel zou zijn dat de in de prejudiciële vragen vermelde categorieën van personen voldoende vergelijkbaar zijn, meent de Ministerraad dat de aangevoerde verschillen in behandeling berusten op een objectief criterium en redelijk verantwoord zijn rekening houdend met het doel en de gevolgen van de maatregel. A.4.
- Het objectieve criterium waarop de desbetreffende verschillen in behandeling berusten, is volgens de Ministerraad het werken in minstens twee ploegen van minstens twee werknemers, die hetzelfde werk doen zowel qua inhoud als qua omvang en die elkaar in de loop van de dag opvolgen zonder dat er een onderbreking is tussen de opeenvolgende ploegen en zonder dat de overlapping meer bedraagt dan een vierde van hun dagtaak. Inherent aan dat criterium is volgens hem het samenwerken als ploeg, alsook het werken van de opeenvolgende ploegen op dezelfde arbeidsplaats en met hetzelfde arbeidsmaterieel. A.4.
- Het doel van de in het geding zijnde bepaling bestaat volgens de Ministerraad erin de hogere loonkosten waarmee de werkgevers die personeel in ploegenarbeid tewerkstellen te maken krijgen, en die aanleiding geven tot een reële schrik voor delokalisatie van de desbetreffende bedrijven naar het buitenland, te compenseren en zodoende die specifieke werkgelegenheid een concurrentiële positie te laten houden. Hij meent dat in geval van ploegenarbeid zoals door de wetgever beoogd, de werkgevers geen andere opties hebben dan de aan de ploegenarbeid verbonden meerkosten te maken, daar het verzekeren van de continuïteit van het werk voor die werkgevers een technische noodzaak vormt. Wanneer niet uit technische noodzaak maar om zuiver economische redenen wordt gewerkt met ploegen, is de ploegenarbeid volgens hem een keuze van de werkgever en zijn de daaraan verbonden loonkosten vermijdbaar. Hij meent dat de keuze van de wetgever om enkel voor die ondernemingen waar ploegenarbeid wordt verricht in de zin van de definitie vervat in de in het geding zijnde bepaling, een fiscale gunstmaatregel in het leven te roepen een pertinente maatregel is die evenredig is met het beoogde doel. Hij is daarbij van oordeel dat de maatregel binnen de beoordelingsbevoegdheid van de wetgever valt en geen onevenredige gevolgen heeft voor ondernemingen die met andere vormen van ploegenarbeid werken. A.
- In zoverre het Hof niettemin van oordeel zou zijn dat de in het geding zijnde bepaling niet bestaanbaar is met de in de prejudiciële vragen vermelde referentienormen, verzoekt de Ministerraad het Hof om die bepaling haar uitwerking te laten behouden tot en met het einde van het lopende inkomstenjaar en de wetgever een redelijke termijn te geven om de vastgestelde ongrondwettigheid te remediëren. Hij meent dat aan een eventueel 5 ongerechtvaardigd verschil in behandeling niet zonder meer een einde kan worden gemaakt door ook werkgevers die andere vormen van ploegenarbeid hanteren de fiscale gunstmaatregel te laten toepassen, daar de gevolgen daarvan voor de begroting nefast zouden zijn. Hij is van oordeel dat een eventuele vaststelling van ongrondwettigheid te dezen een nieuwe maatschappelijke afweging door de wetgever vereist. Hij wijst erop dat artikel 172 van de Grondwet vereist dat een fiscale gunstmaatregel door de wetgever wordt ingevoerd. A.6.
- De nv « VAB » en de nv « Autobussen De Reys » menen dat de wetgever de vrijstelling van de doorstortingsverplichting van de bedrijfsvoorheffing heeft ingevoerd als maatregel om de extra kosten die verbonden zijn aan ploegenarbeid te compenseren en dat rekening dient te worden gehouden met het gegeven dat de wetgever bij de invoering van die maatregel een ruime omschrijving van ploegenarbeid heeft moeten hanteren om te voorkomen dat de maatregel zou worden gekwalificeerd als verboden staatssteun in de zin van het recht van de Europese Unie. Zij verwijzen naar het antwoord van de Europese Commissie op de aanmelding van de maatregel door de Belgische Staat en menen dat uit dat antwoord blijkt dat het begrip « ploegenarbeid » voldoende ruim moet worden uitgelegd om te voorkomen dat de maatregel zou worden gekwalificeerd als verboden staatssteun. A.6.
- De nv « VAB » en de nv « Autobussen De Reys » zijn van oordeel dat het vereiste dat de ploegen hetzelfde werk moeten doen qua omvang, geïnterpreteerd in die zin dat de omvang van het werk moet worden beoordeeld op ploegniveau, ten aanzien van de doelstelling van de wetgever om tegemoet te komen aan de extra kosten waarmee de werkgever wordt geconfronteerd, een onredelijk en niet-pertinent criterium uitmaakt. In de voormelde interpretatie heeft het criterium volgens hen tot gevolg dat de vrijstelling in feite enkel geldt voor de industriële sectoren waar continu met ploegen met hetzelfde aantal werknemers hetzelfde volume aan werk wordt verricht, terwijl het de bedoeling was dat de vrijstelling ten goede zou komen van alle sectoren die met ploegenstelsels werken en dit om te voorkomen dat de maatregel strijdig zou zijn met de Europese concurrentieregels. De voormelde interpretatie leidt volgens hen ertoe dat werkgevers die ingevolge de aard van hun activiteit geconfronteerd worden met piek- en daluren en de omvang van hun ploegen dienovereenkomstig moeten aanpassen, stelselmatig zijn uitgesloten van de vrijstelling. Zij menen dat de in de zaak nr. 7973 gestelde prejudiciële vraag bevestigend dient te worden beantwoord. A.6.
- De nv « VAB » en de nv « Autobussen De Reys » menen evenwel dat de in het geding zijnde bepaling ook op een andere, grondwetsconforme, manier kan worden uitgelegd. Wanneer het criterium « hetzelfde werk doen [...] qua omvang » wordt uitgelegd in die zin dat dit dient te worden beoordeeld op het niveau van de werknemers en niet op het niveau van de ploegen, schendt de in het geding zijnde bepaling, volgens hen, de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet niet. A.7.
- Wat de in de zaak nr. 7980 gestelde prejudiciële vraag betreft, zijn de nv « VAB » en de nv « Autobussen De Reys » van oordeel dat die vraag eveneens bevestigend dient te worden beantwoord. In die zin geïnterpreteerd dat de in het geding zijnde bepaling vereist dat de omvang van het werk identiek is, bestaat er volgens hen geen objectieve en redelijke verantwoording voor het verschil in behandeling tussen de in die vraag bedoelde categorieën van personen. Een dergelijke strikte interpretatie van « hetzelfde werk doen [...] qua omvang » houdt volgens hen onvoldoende rekening met de economische realiteit en beperkt de maatregel tot specifieke rigide en routinematige werkprocessen zoals in de autoassemblagesector, hetgeen volgens hen niet te verantwoorden is in het licht van de doelstelling die de wetgever heeft nagestreefd. A.7.
- De nv « VAB » en de nv « Autobussen De Reys » menen evenwel dat de in het geding zijnde bepaling ook op een andere, grondwetsconforme manier kan worden uitgelegd. Wanneer het criterium « hetzelfde werk doen [...] qua omvang » wordt uitgelegd in die zin dat daaronder dient te worden begrepen dat de ploegen een vergelijkbaar werk qua omvang doen, schendt de in het geding zijnde bepaling, volgens hen, de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet niet. -B- B.1.
- De prejudiciële vragen hebben betrekking op artikel 275/5 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna : het WIB 1992). 6 Die bepaling voorziet voor de ondernemingen waarin ploegen- of nachtarbeid wordt verricht in een gedeeltelijke vrijstelling van de doorstorting van bedrijfsvoorheffing, zijnde het voorschot dat de werkgevers inhouden op de belasting op de beroepsinkomsten van werknemers. B.1.
- Artikel 275/5 van het WIB 1992, in de versie zoals van toepassing in de zaken die hangende zijn voor het verwijzende rechtscollege, meer bepaald de versie die geldt voor het aanslagjaar 2012, bepaalt : « §
- De ondernemingen waarin ploegenarbeid of nachtarbeid wordt verricht, die een ploegenpremie betalen of toekennen en die krachtens artikel 270, 1°, schuldenaar zijn van de bedrijfsvoorheffing op die premie, worden ervan vrijgesteld een bedrag aan bedrijfsvoorheffing gelijk aan 15,6 pct. van de belastbare bezoldigingen waarin die ploegenpremies zijn begrepen, in de Schatkist te storten, op voorwaarde dat de genoemde voorheffing volledig op die bezoldigingen en premies wordt ingehouden. De in het vorige lid bedoelde belastbare bezoldigingen, ploegenpremies inbegrepen, zijn de overeenkomstig artikel 31, tweede lid, 1° en 2°, vastgestelde belastbare bezoldigingen van de werknemers met uitsluiting van het vakantiegeld, de eindejaarspremie en de achterstallige bezoldigingen. Om de in het eerste lid bedoelde vrijstelling van storting van de bedrijfsvoorheffing te verkrijgen, moet de werkgever, ter gelegenheid van zijn aangifte in de bedrijfsvoorheffing, het bewijs leveren dat de werknemers in hoofde van wie de vrijstelling wordt gevraagd ploegenarbeid hebben verricht tijdens de periode waarop die aangifte betrekking heeft. De Koning bepaalt de nadere modaliteiten voor het leveren van dit bewijs. Deze vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing wordt enkel toegekend voor werknemers die, overeenkomstig de arbeidsregeling waarin zij tewerkgesteld zijn, over de betrokken maand waarvoor het voordeel wordt gevraagd, tenminste een derde van hun arbeidstijd in ploegen- of nachtarbeid zijn tewerkgesteld. Voor de toepassing van deze norm worden, naast de effectieve arbeidsprestaties, ook de schorsingen van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst waarvoor het loon wordt doorbetaald, mee in de teller opgenomen. Perioden van schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst zonder loon, worden niet meegerekend in de noemer. §
- Voor de toepassing van § 1 wordt verstaan onder : 1° ondernemingen waar ploegenarbeid wordt verricht : de ondernemingen waar het werk wordt verricht in minstens twee ploegen van minstens twee werknemers, die hetzelfde werk doen zowel qua inhoud als qua omvang en die elkaar in de loop van de dag opvolgen zonder dat er een onderbreking is tussen de opeenvolgende ploegen en zonder dat de overlapping meer bedraagt dan een vierde van hun dagtaak : a) hetzij door werknemers van categorie 1 bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002; 7 b) hetzij door statutaire werknemers bij de volgende autonome overheidsbedrijven : de naamloze vennootschap van publiek recht Belgacom, de naamloze vennootschap van publiek recht bpost, de naamloze vennootschap van publiek recht NMBS Holding, de naamloze vennootschap van publiek recht NMBS en de naamloze vennootschap van publiek recht Infrabel; 2° ondernemingen waar nachtarbeid wordt verricht : de ondernemingen waar werknemers overeenkomstig de in de onderneming toepasselijke arbeidsregeling, prestaties verrichten tussen 20 uur en 6 uur, met uitsluiting van de werknemers die enkel prestaties verrichten tussen 6 uur en 24 uur en de werknemers die gewoonlijk beginnen te werken vanaf 5 uur. De hier bedoelde werknemers zijn: a) hetzij de werknemers van categorie 1 bedoeld in artikel 330 van de programmawet
(1)van 24 december 2002; b) hetzij de statutaire werknemers bij de volgende autonome overheidsbedrijven : de naamloze vennootschap van publiek recht Belgacom, de naamloze vennootschap van publiek recht bpost, de naamloze vennootschap van publiek recht NMBS Holding, de naamloze vennootschap van publiek recht NMBS en de naamloze vennootschap van publiek recht Infrabel; 3° ploegenpremie, de premie die wordt toegekend naar aanleiding van de in 1° bedoelde ploegenarbeid of van de in 2° bedoelde nachtarbeid; 4° de ondernemingen die erkend zijn voor uitzendarbeid die uitzendkrachten ter beschikking stellen van in 1° en 2° bedoelde ondernemingen die deze uitzendkrachten tewerkstellen in een systeem van ploegen- of nachtwerk in de functie van een werknemer van categorie 1, worden, wat de vrijstelling van storting van de bedrijfsvoorheffing op de belastbare bezoldigingen van die uitzendkrachten waarin ploegenpremies zijn begrepen, betreft, gelijkgesteld met die ondernemingen ». B.
- Aan het Hof worden twee prejudiciële vragen gesteld die betrekking hebben op de in de in het geding zijnde bepaling vervatte definitie van « ondernemingen waar ploegenarbeid wordt verricht » (artikel 275/5, § 2, 1°, van het WIB 1992). Met de eerste prejudiciële vraag (zaak nr. 7973) wordt het Hof gevraagd of de in het geding zijnde bepaling, in de interpretatie dat voor de toepassing van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing wegens ploegenarbeid vereist is dat de omvang van het werk dezelfde is op het niveau van de opeenvolgende ploegen, en aldus niet op het niveau van de individuele werknemers, bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat een « verschil in behandeling in het leven wordt geroepen tussen ondernemingen waarin de verschillende ploegen volgens bandwerk steeds dezelfde omvang van werk verrichten, die wel van de 8 vrijstelling genieten, en ondernemingen waarin de omvang van het werk van de ploegen varieert volgens piek- en daluren, die uitgesloten worden van de vrijstelling ». Met de tweede prejudiciële vraag (zaak nr. 7980) wordt het Hof gevraagd of de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 172, eerste lid, van de Grondwet, « doordat ondernemingen waar het werk wordt verricht in minstens twee ploegen van minstens twee werknemers, die hetzelfde werk doen zowel qua inhoud als qua omvang en die elkaar in de loop van de dag opvolgen zonder dat er een onderbreking is tussen de opeenvolgende ploegen en zonder dat de overlapping meer bedraagt dan een vierde van hun dagtaak kunnen worden beschouwd als ‘ ondernemingen waar ploegenarbeid wordt verricht ’ in de zin van voormeld artikel en bijgevolg kunnen genieten van een gedeeltelijke vrijstelling van de doorstorting van de bedrijfsvoorheffing, terwijl ondernemingen waarvan de ploegen vergelijkbaar werk qua omvang doen en voor het overige voldoen aan dezelfde voorwaarden niet kunnen worden beschouwd als ‘ ondernemingen waar ploegenarbeid wordt verricht ’ in de zin van dat artikel en bijgevolg niet kunnen genieten van een gedeeltelijke vrijstelling van de doorstorting van de bedrijfsvoorheffing ». B.3.
- Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.3.
- Artikel 172, eerste lid, van de Grondwet vormt, in fiscale aangelegenheden, een bijzondere toepassing van het in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet vervatte beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. B.4.
- Krachtens artikel 172, tweede lid, van de Grondwet kan de wetgever vrijstelling of vermindering van belasting toekennen. 9 Wanneer hij ten voordele van sommige belastingplichtigen een fiscale vrijstelling invoert, mag hij evenwel het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie niet schenden. B.4.
- Het komt de wetgever toe de vrijstelling of vermindering van de belasting vast te stellen. Hij beschikt ter zake over een ruime beoordelingsvrijheid. Fiscale maatregelen maken immers een wezenlijk onderdeel uit van het sociaaleconomische beleid. Zij zorgen niet alleen voor een substantieel deel van de inkomsten die de verwezenlijking van dat beleid mogelijk moeten maken, maar zij laten de wetgever ook toe om sturend en corrigerend op te treden en op die manier het sociaaleconomische beleid vorm te geven. De maatschappelijke keuzen die bij het inzamelen en het inzetten van middelen moeten worden gemaakt, behoren tot de bevoegdheid van de wetgever. Het Hof vermag dergelijke beleidskeuzen, alsook de motieven die daaraan ten grondslag liggen, slechts af te keuren indien zij op een manifeste vergissing zouden berusten of indien zij onredelijk zouden zijn. B.5.
- Volgens het in het geding zijnde artikel 275/5, § 1, van het WIB 1992 worden de ondernemingen waarin ploegenarbeid wordt verricht, die een ploegenpremie betalen of toekennen en die schuldenaar zijn van de bedrijfsvoorheffing op die premie, ervan vrijgesteld een bedrag aan bedrijfsvoorheffing gelijk aan 15,6 %. van de belastbare bezoldigingen waarin die ploegenpremies zijn begrepen, in de Schatkist te storten, op voorwaarde dat de genoemde voorheffing volledig op die bezoldigingen en premies wordt ingehouden. Om de vrijstelling van storting van de bedrijfsvoorheffing te verkrijgen, moet de werkgever, ter gelegenheid van zijn aangifte in de bedrijfsvoorheffing, het bewijs leveren dat de werknemers voor wie de vrijstelling wordt gevraagd ploegenarbeid hebben verricht tijdens de periode waarop die aangifte betrekking heeft. De vrijstelling wordt enkel toegekend voor werknemers die, overeenkomstig de arbeidsregeling waarin zij tewerkgesteld zijn, over de betrokken maand waarvoor het voordeel wordt gevraagd, ten minste een derde van hun arbeidstijd in ploegenarbeid zijn tewerkgesteld. B.5.
- Onder « ondernemingen waar ploegenarbeid wordt verricht » dient volgens artikel 275/5, § 2, 1°, van het WIB 1992 te worden verstaan : de ondernemingen waar het werk wordt verricht in minstens twee ploegen van minstens twee werknemers, die hetzelfde werk doen zowel qua inhoud als qua omvang en die elkaar in de loop van de dag opvolgen zonder 10 dat er een onderbreking is tussen de opeenvolgende ploegen en zonder dat de overlapping meer bedraagt dan een vierde van hun dagtaak. B.
- De aan het Hof gestelde prejudiciële vragen hebben betrekking op de in de voormelde definitie van « ondernemingen waar ploegenarbeid wordt verricht » vervatte woorden « die hetzelfde werk doen [...] qua omvang ». B.7.
- In de in de zaak nr. 7973 gestelde prejudiciële vraag wordt de in het geding zijnde bepaling geïnterpreteerd in die zin dat « hetzelfde werk doen [...] qua omvang » dient te worden beoordeeld op het niveau van de opeenvolgende ploegen, en aldus niet op het niveau van de individuele werknemers. Die interpretatie steunt op een letterlijke lezing van artikel 275/5, § 2, 1°, van het WIB 1992 en volgt in het bijzonder uit de formulering van de Franstalige versie van die bepaling, waarin het woord « lesquelles » enkel kan slaan op het woord « équipes » en aldus niet op het woord « travailleurs ». In die interpretatie is het voor de toepassing van de vrijstelling van de doorstorting van bedrijfsvoorheffing aldus vereist dat de omvang van het werk verricht door de opeenvolgende ploegen dezelfde is. Wanneer de omvang van het werk verricht door een individuele werknemer die deel uitmaakt van een ploeg dezelfde is als de omvang van het werk verricht door een individuele werknemer van een andere ploeg, maar de omvang van het werk verricht door de opeenvolgende ploegen niet dezelfde is, komt de desbetreffende onderneming, in de voormelde interpretatie van de in het geding zijnde bepaling, niet in aanmerking voor de vrijstelling van de doorstorting van bedrijfsvoorheffing. B.7.
- Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing in de zaak nr. 7980 blijkt dat de in het geding zijnde bepaling door het verwijzende rechtscollege eveneens wordt geïnterpreteerd in die zin dat « hetzelfde werk doen [...] qua omvang » dient te worden beoordeeld op het niveau van de opeenvolgende ploegen. Daarnaast wordt de in het geding zijnde bepaling in die zaak in die zin geïnterpreteerd dat voor de toepassing van de vrijstelling vereist is dat de omvang van het werk van de ploegen dezelfde is en dat een vergelijkbare omvang van werk aldus niet volstaat. B.7.
- In de voormelde interpretaties brengt de in het geding zijnde bepaling volgens het verwijzende rechtscollege met zich mee dat ondernemingen waarin de ploegen dezelfde 11 omvang van werk verrichten, zoals in de industriële sector, de vrijstelling genieten, terwijl ondernemingen waarin de omvang van het werk van de ploegen varieert volgens piek- en daluren en de ondernemingen waarin de omvang van het werk van de ploegen vergelijkbaar maar niet dezelfde is, zoals het geval kan zijn in andere sectoren, uitgesloten worden van de vrijstelling. B.
- De Ministerraad voert aan dat de prejudiciële vragen geen antwoord behoeven, daar het voor de toepassing van de in het geding zijnde bepaling essentieel zou zijn dat het gaat om werk dat samen wordt verricht door de werknemers die de ploeg vormen. Hij is van oordeel dat de wegenwachters van de nv « VAB » (zaak nr. 7973) en de chauffeurs van de nv « Autobussen De Reys » (zaak nr. 7980) niet samen, maar elk individueel een werk uitvoeren, waardoor het antwoord op de gestelde prejudiciële vragen volgens hem niet nuttig is voor de beslechting van de geschillen die hangende zijn voor het verwijzende rechtscollege. B.9.
- In de regel komt het het verwijzende rechtscollege toe te oordelen of het antwoord op de prejudiciële vraag nuttig is voor het oplossen van het geschil. Alleen indien dat klaarblijkelijk niet het geval is, kan het Hof beslissen dat de vraag geen antwoord behoeft. Het staat eveneens in de regel aan het verwijzende rechtscollege om de bepalingen die het toepast, te interpreteren, onder voorbehoud van een kennelijk verkeerde lezing van de in het geding zijnde bepaling. B.9.
- Bij de verwijzingsbeslissingen heeft het verwijzende rechtscollege zich niet uitgesproken over de vraag of het voor de toepassing van de in het geding zijnde bepaling is vereist dat het werk dat door een ploeg wordt verricht, samen wordt verricht door de werknemers die de ploeg vormen. In de hypothese dat het verwijzende rechtscollege ervan uitgaat dat het voor de toepassing van de in het geding zijnde bepaling niet is vereist dat het werk dat door een ploeg wordt verricht, samen wordt verricht door de werknemers die de ploeg vormen, kunnen de gestelde prejudiciële vragen niet worden gekwalificeerd als vragen die steunen op een kennelijk verkeerde lezing van de in het geding zijnde bepaling. Die bepaling bevat immers geen uitdrukkelijk en niet voor interpretatie vatbaar voorschrift met betrekking tot het al dan niet samenwerken van de werknemers die de ploeg vormen. 12 In de hypothese dat het verwijzende rechtscollege ervan uitgaat dat het voor de toepassing van de in het geding zijnde bepaling wel is vereist dat het werk dat door een ploeg wordt verricht, samen wordt verricht door de werknemers die de ploeg vormen, staat het aan de bevoegde rechtscolleges en niet aan het Hof om te beoordelen of het in de voor het verwijzende rechtscollege hangende zaken al dan niet gaat om werk dat samen wordt verricht door de werknemers die de ploeg vormen. B.9.
- De exceptie wordt verworpen. B.
- In de interpretatie van het verwijzende rechtscollege roept de in het geding zijnde bepaling een verschil in behandeling in het leven tussen, enerzijds, ondernemingen waarin de omvang van het werk van de ploegen dezelfde is en, anderzijds, de ondernemingen waarin de omvang van het werk van de ploegen varieert volgens piek- en daluren en de ondernemingen waarin de omvang van het werk van de ploegen niet dezelfde, maar vergelijkbaar is. B.11.
- De Ministerraad meent dat de voormelde categorieën van ondernemingen niet vergelijkbaar zijn, ten eerste, omdat het in de eerste categorie van ondernemingen gaat om werknemers van een ploeg die samenwerken in die ploeg, terwijl het in de tweede categorie van ondernemingen gaat om werknemers van een ploeg die individueel werk verrichten, ten tweede, omdat bij de eerste categorie van ondernemingen de continuïteit van het werk primeert bij de organisatie van de ploegenarbeid, terwijl dat niet het geval is bij de tweede categorie van ondernemingen en, ten derde, omdat bij de eerste categorie van ondernemingen de continuïteit van het werk een technische noodzakelijkheid vormt, terwijl dat niet het geval is bij de tweede categorie van ondernemingen. B.11.
- Verschil en niet-vergelijkbaarheid mogen niet met elkaar worden verward. De door de Ministerraad aangehaalde elementen van verschil tussen de beide categorieën van ondernemingen kunnen weliswaar in voorkomend geval elementen zijn bij de beoordeling van het redelijke karakter van het verschil in behandeling, maar zij kunnen niet volstaan om te besluiten tot de niet-vergelijkbaarheid van die ondernemingen, anders zou de toetsing aan het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie van elke inhoud worden ontdaan. 13 B.
- Het in B.10 vermelde verschil in behandeling berust op een objectief criterium, meer bepaald het al dan niet identieke karakter van de omvang van het werk dat door de ploegen wordt verricht. B.13.
- De in het geding zijnde bepaling gaat terug op artikel 301 van de programmawet van 22 december
- De parlementaire voorbereiding van die wet vermeldt : « In het kader van de werkgelegenheidsconferentie hebben al de sociale partners de regering gevraagd een maatregel te voorzien die de extra kosten verbonden aan ploegenarbeid kan compenseren. [...] Ploegenarbeid komt zowat in alle sectoren en types van ondernemingen voor. Het is trouwens vaak het enige antwoord dat een onderneming kan bieden op de steeds verdergaande globalisering van de economie en de daaraan gekoppelde flexibilisering. Ploegenarbeid confronteert werkgevers echter vaak met extra kosten ten opzichte van zijn werknemers in vergelijking met andere werknemers. Voorzieningen zoals bijvoorbeeld openbaar vervoer of kinderopvang zijn op atypische werkuren immers veel minder voorhanden of zelfs onbestaande. Dit verplicht de werkgever tot het maken van extra kosten. Deze maatregel poogt hieraan tegemoet te komen. Ondernemingen worden er immers van vrijgesteld een op forfaitaire basis geraamd gedeelte van de bedrijfsvoorheffing die is ingehouden op de ploegenpremies aan de Schatkist door te storten » (Parl. St., Kamer, 2003- 2004, DOC 51-0473/001 en 51-0474/001, pp. 152-153). B.13.
- Daaruit blijkt dat de in het geding zijnde bepaling tot stand is gekomen naar aanleiding van een door alle sociale partners in het kader van een in 2003 georganiseerde werkgelegenheidsconferentie geformuleerde vraag om maatregelen te nemen die de extra kosten verbonden aan ploegenarbeid kunnen compenseren. Die kosten nemen doorgaans de vorm aan van het betalen van een ploegenpremie aan de desbetreffende werknemers, premie die beoogt de ongemakken en de nadelen verbonden aan de ploegenarbeid, zoals die welke voortvloeien uit het minder beschikbaar zijn, op atypische werkuren, van openbaar vervoer en kinderopvang, te compenseren. B.13.
- Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 3 juli 2005 « houdende diverse bepalingen betreffende het sociaal overleg » (hierna : de wet van 3 juli 2005) en van de wet van 14 23 december 2005 « betreffende het generatiepact » (hierna : de wet van 23 december 2005), die de oorspronkelijke versie van de in het geding zijnde bepaling hebben gewijzigd onder meer door het erin vastgestelde percentage van de vrijstelling van de doorstorting van bedrijfsvoorheffing te verhogen, blijkt evenwel dat de maatregel in het bijzonder is ingegeven door een meer algemene doelstelling dan die betreffende het compenseren van de extra kosten verbonden aan ploegenarbeid. De parlementaire voorbereiding van de wet van 3 juli 2005 vermeldt : « De Regering heeft er zich toe geëngageerd om de afspraken die tussen de sociale partners zijn gemaakt ter gelegenheid van de besprekingen inzake het interprofessioneel akkoord [2005- 2006], een concrete uitwerking te geven. De tekst van het interprofessioneel akkoord die de goedkeuring kreeg van de meeste sociale partners, bevat onder meer twee luiken met specifieke fiscale maatregelen. Het gaat hier in het bijzonder om : ‘ [...] 3) Ploegenarbeid De vrijstelling van doorstorting van de voorheffing ten belope van 1 % van de loonmassa wordt verhoogd tot 2,5 %. Ten aanzien van deze lastenverlaging herbevestigen de sociale partners hun engagement van de werkgelegenheidsconferentie van oktober 2003, met name dat deze lastenverlagingen dienen om de competitiviteit van de bedrijven op een duurzame wijze te versterken ten opzichte van onze handelspartners en om de positie van sommige doelgroepen op de arbeidsmarkt op een duurzame wijze te verbeteren. ’. De voorgelegde teksten respecteren dit verzoek » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51- 1767/001, p. 17). De parlementaire voorbereiding van de wet van 23 december 2005 vermeldt : « Omwille van de loonkosthandicap die België heeft ten opzichte van andere landen, wordt, gelijktijdig met de invoeging van de desbetreffende bepalingen in het WIB 92, de vrijstelling van storting van de bedrijfsvoorheffing op de lonen van ploegenarbeiders opgetrokken tot 5,63 pct. van het referentieloon. Binnen dezelfde filosofie wordt aan de Koning de mogelijkheid geboden om de vrijstelling van doorstorting te verhogen tot maximaal 10,7 pct. De regering verwacht wel dat er tussen de sociale partners en de industrie een sociaal akkoord wordt afgesloten met een even groot effect. 15 Dit wordt geregeld via het nieuwe lid in artikel 2755, § 1, WIB 92 » (Parl. St., Kamer, 2005- 2006, DOC 51-2128/001, p. 60). B.13.
- Uit het voorgaande blijkt dat de wetgever, uitgaande van de « loonkosthandicap die België heeft ten opzichte van andere landen », met de in het geding zijnde bepaling de competitiviteit van ondernemingen die werken met ploegenarbeid heeft willen versterken en de positie van sommige doelgroepen op de arbeidsmarkt heeft willen verbeteren, door middel van een compensatie van de extra kosten verbonden aan ploegenarbeid. Zoals de Ministerraad aanvoert, kan de in het geding zijnde bepaling niet los worden gezien van haar context, meer bepaald die van de herstructureringen die in de jaren 2000 werden doorgevoerd bij de autoassemblagefabriek van Ford te Genk, waarvan de werkzaamheden later werden overgeheveld naar niet-Belgische vestigingen van de autofabrikant, en heeft de werkgelegenheidsconferentie van 2003, daarin later gevolgd door de wetgever, aldus in essentie gepleit voor een fiscaal gunstigere behandeling van ploegenarbeid om delokalisatie van bedrijven uit de industriële sector te voorkomen. B.14.
- Hoewel de wetgever met de in het geding zijnde bepaling aldus in hoofdorde de ploegenarbeid in de industriële sector blijkt voor ogen te hebben gehad, heeft hij niettemin uitdrukkelijk ervoor geopteerd het toepassingsgebied van de maatregel niet te beperken tot die sector. Dit blijkt niet alleen uit de algemene aard van de criteria waarmee de wetgever het begrip « ondernemingen waar ploegenarbeid wordt verricht » heeft gedefinieerd, maar ook uit de in B.13.1 aangehaalde parlementaire voorbereiding waarin wordt beklemtoond dat « ploegenarbeid [...] zowat in alle sectoren en types van ondernemingen voor[komt] ». B.14.
- Dat de wetgever het toepassingsgebied van de maatregel niet heeft willen beperken tot de industriële sector blijkt eveneens uit het antwoord van de Europese Commissie van 20 april 2004 op de aanmelding, op grond van de toenmalige artikelen 87 en 88 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (thans de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie), door de Belgische Staat bij die Commissie van de maatregel vervat in de in het geding zijnde bepaling, antwoord waar ook uitdrukkelijk naar wordt verwezen in de prejudiciële vraag gesteld in de zaak nr.
- 16 Na te hebben vastgesteld dat de vrijstelling vervat in de in het geding zijnde bepaling « een onmiskenbaar voordeel » vormt, heeft de Europese Commissie geoordeeld : «
- In verband met de vraag of dit voordeel selectief is, vestigt de Commissie de aandacht op de volgende elementen : - Om de begrippen ‘ ploegenarbeid ’ en ‘ nachtarbeid ’ te definiëren, hebben de Belgische autoriteiten gebruik gemaakt van de reeds bestaande begripsomschrijvingen in het Belgische arbeidsrecht. Het zijn dus objectieve begripsomschrijvingen die niet ad hoc zijn opgesteld met de bedoeling dat een bepaalde onderneming of economische sector voordeel zou hebben bij deze maatregel. Elke onderneming die werkt volgens een vorm van arbeidsorganisatie die overeenstemt met een van deze objectieve begripsomschrijvingen, komt voor deze maatregel in aanmerking, zonder dat er sprake is van de uitoefening van enige discretionaire bevoegdheid door de Belgische autoriteiten. [...] - Deze maatregel lijkt evenmin sectorgebonden. Juridisch gezien, kunnen alle sectoren ervan profiteren, behalve de non-profitsector en dan vooral de gezondheidssector. Deze uitzondering, die is gerechtvaardigd door het feit dat deze sector reeds van de sociale maribel het voordeel geniet, volstaat echter niet om de maatregel als selectief te beschouwen. Bovendien hebben de Belgische autoriteiten aangetoond dat er in een breed scala aan economische sectoren daadwerkelijk ploegenarbeid wordt verricht. De Commissie heeft in het verleden reeds vastgesteld dat een maatregel die meer geschikt is voor bepaalde economische sectoren dan voor andere, daarom niet noodzakelijk sectoraal selectief is. Zo heeft zij in de mededeling over de toepassing van de regels betreffende steunmaatregelen van de staten op maatregelen op het gebied van de directe belastingen op ondernemingen gesteld dat maatregelen ter verlichting van de belastingdruk op arbeid een relatief belangrijker effect hebben voor arbeidsintensieve bedrijfstakken dan voor kapitaalintensieve bedrijfstakken, maar dat ze daarom nog niet noodzakelijk staatssteun zijn. Dezelfde conclusies gelden voor het onderhavige geval : aangezien in bijna alle economische sectoren ploegenarbeid wordt verricht, is de onderzochte maatregel niet sectoraal selectief.
- Om al deze redenen komt de Commissie tot de conclusie, dat de maatregel in kwestie het karakter heeft van een algemene maatregel en dus geen staatssteun is in de zin van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag » (Europese Commissie, C
(2004)1357fin). B.15.
- Zoals de Europese Commissie heeft opgemerkt, heeft de wetgever het begrip « ondernemingen waar ploegenarbeid wordt verricht » gedefinieerd aan de hand van objectieve criteria die toelaten dat elke onderneming die werkt volgens een vorm van arbeidsorganisatie die overeenstemt met die criteria in aanmerking komt voor de in het geding zijnde maatregel. Dat de wetgever bij het aannemen van de in het geding zijnde bepaling in hoofdorde de industriële sector voor ogen heeft gehad, brengt aldus niet met zich mee dat ondernemingen uit andere sectoren die voldoen aan de criteria vervat in de definitie van het begrip 17 « ondernemingen waar ploegenarbeid wordt verricht » worden uitgesloten van de vrijstelling opgenomen in de in het geding zijnde bepaling. De Europese Commissie is daarbij van oordeel geweest dat uit de loutere omstandigheid dat een maatregel meer geschikt is voor bepaalde economische sectoren dan voor andere, niet noodzakelijk kan worden afgeleid dat die maatregel sectoraal selectief is. B.15.
- Daar het toepassingsgebied van de in het geding zijnde maatregel niet is beperkt tot de ondernemingen in de industriële sector waar ploegenarbeid wordt verricht, geldt die maatregel, in tegenstelling tot wat de prejudiciële vraag in de zaak nr. 7973 laat uitschijnen, niet uitsluitend voor de ondernemingen waarin de opeenvolgende ploegen « bandwerk » verrichten. B.15.
- Voor de toepassing van de in het geding zijnde bepaling is evenwel vereist dat de ploegen « hetzelfde werk doen [...] qua omvang », vereiste die met zich meebrengt dat niet elke vorm van arbeidsorganisatie door middel van ploegen in aanmerking wordt genomen voor de toepassing van die bepaling. Daar de wetgever niet heeft verduidelijkt aan de hand van welke criteria « de omvang » van het werk dient te worden geëvalueerd, gaat het om een feitenkwestie die door de bevoegde rechtscolleges dient te worden beoordeeld rekening houdend met de concrete aard van het door de ploegen geleverde werk. Daar het uitdrukkelijk de bedoeling is geweest van de wetgever om het toepassingsgebied van de in het geding zijnde bepaling niet te beperken tot ondernemingen uit de industriële sector waarin ploegen bandwerk verrichten, kan de vereiste betreffende « hetzelfde werk doen [...] qua omvang » bij een dergelijke beoordeling niet worden verengd tot het leveren van hetzelfde werk door middel van rigide en routinematige handelingen. B.15.
- Er kan worden aangenomen dat de vereiste betreffende « hetzelfde werk doen [...] qua omvang » onder meer is ingegeven door de wens te voorkomen dat werkgevers louter vanwege het fiscale voordeel verbonden aan de in het geding zijnde bepaling, hun arbeidsorganisatie zouden ombuigen naar arbeid verricht in ploegen. Bovendien kan worden aangenomen dat de wetgever met die vereiste de kostprijs verbonden aan de maatregel binnen perken heeft willen houden. Uit een verslag van het Rekenhof aan het federale Parlement van 27 maart 2019 blijkt dat de maatregel van de vrijstelling van de doorstorting van bedrijfsvoorheffing wegens ploegen- en nachtarbeid een 18 significante budgettaire impact heeft en dat die impact in de loop der jaren sterk is toegenomen. Terwijl de kosten verbonden aan de maatregel in 2005 101,15 miljoen euro bedroegen, zijn die kosten opgelopen tot 920,81 miljoen euro in 2010, tot 1,0615 miljard euro in 2015 en tot 1,4376 miljard euro in 2017 (Rekenhof, « Vrijstellingen van storting van bedrijfsvoorheffing – een complexe regeling ter ondersteuning van werkgevers », 27 maart 2019, www.ccrek.be, p. 13). In 2022 bedroegen de kosten 1,969 miljard euro voor 19 278 ondernemingen die toepassing hebben gemaakt van de in het geding zijnde bepaling (Vr. en Antw., Kamer, 2022- 2023, 21 april 2023, QRVA 55-109, pp. 176-177). B.
- Bij de beoordeling of een maatregel redelijk verantwoord is, dient rekening ermee te worden gehouden dat de wetgever, zoals is vermeld in B.4.2, bij het vaststellen van vrijstellingen van belastingen over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt. Dit is des te meer het geval wanneer hij, zoals te dezen, met die vrijstellingen corrigerend en sturend wenst op te treden op sociaaleconomisch vlak en, zoals blijkt uit de in B.13.1 aangehaalde parlementaire voorbereiding, tegemoet wenst te komen aan een vraag van « al de sociale partners ». B.17.
- Uit wat is vermeld in B.13.1 tot B.15.4 blijkt dat de wetgever de definitie van « ondernemingen waar ploegenarbeid wordt verricht » en het van die definitie deel uitmakende criterium « hetzelfde werk doen [...] qua omvang » heeft gehanteerd om, enerzijds, de door hem beoogde ondernemingen op een niet sectoraal selectieve wijze te omschrijven en, anderzijds, de kosten van de maatregel binnen perken te houden en misbruik van die maatregel te voorkomen. Hij heeft eveneens de concurrentiekracht willen versterken van de ondernemingen die gebruikmaken van ploegenarbeid en die in vergelijking met andere landen vooral lijden onder een loonkostenhandicap. De in het geding zijnde maatregel beoogt bovendien de positie van bepaalde specifieke doelgroepen op de arbeidsmarkt te versterken. B.17.
- De voormelde doelstellingen zijn legitiem. De wetgever heeft redelijkerwijs kunnen oordelen dat de betrokken ondernemingen een concurrentienadeel lijden evenals dat de beoogde doelgroepen bijzondere moeilijkheden ondervinden op de arbeidsmarkt. Hij kon eveneens van oordeel zijn dat het gekozen onderscheidingscriterium het mogelijk maakt, enerzijds, te voorkomen dat de ene sector van de economie ten aanzien van de andere wordt bevoordeeld en, anderzijds, de weerslag op de begroting te beperken. Daaruit volgt dat het onderscheidingscriterium pertinent is. 19 B.
- Rekening houdend met de ruime beoordelingsvrijheid waarover de wetgever beschikt, met de door hem nagestreefde doelstellingen en met het feit dat de in het geding zijnde maatregel niet sectoraal selectief is, berust de te dezen in het geding zijnde en door de wetgever gemaakte beleidskeuze niet op een manifeste vergissing en is het niet onredelijk dat de ondernemingen waarin de omvang van het werk van de ploegen dezelfde is in aanmerking komen voor de toepassing van de in de in het geding zijnde bepaling vervatte vrijstelling, terwijl dat niet het geval is voor de ondernemingen waarin de omvang van het werk van de ploegen varieert volgens piek- en daluren en voor de ondernemingen waarin de omvang van het werk van de ploegen niet dezelfde, maar vergelijkbaar is. De in het geding zijnde verschillen in behandeling zijn niet zonder redelijke verantwoording. B.
- In zoverre artikel 275/5, § 2, 1°, van het WIB 1992 voor de toepassing van de gedeeltelijke vrijstelling van de doorstorting van bedrijfsvoorheffing wegens ploegenarbeid vereist dat de ploegen hetzelfde werk doen zowel qua inhoud als qua omvang, is die bepaling bestaanbaar met de artikelen 10, 11 en 172, eerste lid, van de Grondwet. 20 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 275/5, § 2, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals van toepassing in het aanslagjaar 2012, schendt de artikelen 10, 11 en 172, eerste lid, van de Grondwet niet, in zoverre het voor de toepassing van de gedeeltelijke vrijstelling van de doorstorting van bedrijfsvoorheffing wegens ploegenarbeid vereist dat de ploegen hetzelfde werk doen zowel qua inhoud als qua omvang. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 8 februari
- De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut L. Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.021 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div