id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 15 februari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.022 Arrest- Rolnummer: 22/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-02-26 Raadplegingen: 543 - laatst gezien 2026-06-18 17:49 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Schending (artikel 312, § 2, van het oud Burgerlijk Wetboek, in zoverre het aan het kind een termijn van een jaar te rekenen vanaf de ontdekking van het leugenachtige karakter van de afstamming van moederszijde oplegt om een vordering tot betwisting van het moederschap in te stellen) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende artikel 312, § 2, van het oud Burgerlijk Wetboek, gesteld door de familierechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg Henegouwen, afdeling Bergen. Burgerlijk recht - Afstamming - Afstamming van moederszijde - Vordering tot betwisting - Leugenachtig karakter van de afstamming van moederszijde - Vergissing van het ziekenhuis bij de kennisgeving van de geboorte ingevolge de bevalling - Verjaringstermijn van een jaar Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 22/2024 van 15 februari 2024 Rolnummer : 7918 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 312, § 2, van het oud Burgerlijk Wetboek, gesteld door de familierechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg Henegouwen, afdeling Bergen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters J. Moerman, S. de Bethune, E. Bribosia, W. Verrijdt en K. Jadin, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 16 januari 2023, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 20 januari 2023, heeft de familierechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg Henegouwen, afdeling Bergen, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 312, § 2, van het Burgerlijk Wetboek de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in zoverre het de verjaringstermijn van de vordering van het kind inzake betwisting van moederschap vaststelt op een jaar, te rekenen vanaf de ontdekking van het leugenachtige karakter van de afstamming van moederszijde, terwijl het kind inzake betwisting van vaderschap over de bij artikel 331ter van het Burgerlijk Wetboek vastgestelde termijn beschikt ? ». Memories zijn ingediend door : - F.M. C., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. F. Haenecour, advocaat bij de balie te Bergen; - K.C., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. A. Druitte, advocate bij de balie te Bergen; 2 - M.D., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. L. Gourmelen, advocate bij de balie te Bergen; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. S. Depré en Mr. E. de Lophem, advocaten bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 20 december 2023 heeft het Hof, na de rechters-verslaggeefsters E. Bribosia en J. Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil F.M. C., Guinees onderdaan, is op 3 december 1993 in België geboren en daarna teruggekeerd naar Guinee. Hij komt omstreeks 2012 terug naar België. Eind 2019 stelt hij vast dat zijn akte van geboorte, opgemaakt te Brussel, een vergissing bevat met betrekking tot zijn afstamming van moederszijde aangezien die K.C. vermeldt in plaats van M.D., zijn biologische moeder. Hij schrijft die vergissing toe aan het ziekenhuis, aangezien de ziekenhuiskosten destijds door K.C. werden betaald. Na gezocht te hebben naar de gegevens van K.C., stelt hij een dagvaarding in voor de familierechtbank van de rechtbank van eerste aanleg Henegouwen, afdeling Bergen (het verwijzende rechtscollege) op 11 augustus 2021, zijnde meer dan een jaar na de ontdekking van de onjuiste vermelding van zijn afstamming van moederszijde. Daar het verwijzende rechtscollege vaststelt dat het Belgische recht van toepassing is krachtens het internationaal privaatrecht en dat artikel 312 van het oud Burgerlijk Wetboek de vordering tot betwisting van het moederschap toelaat binnen het jaar van de ontdekking van het leugenachtige karakter van de afstamming van moederszijde, stelt het de bovenvermelde prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.
- F.M. C., eisende partij voor het verwijzende rechtscollege, voert aan dat materiële overwegingen verklaren waarom de dagvaarding niet-tijdig is neergelegd. Zo moesten met name eerst de gegevens van K.C. teruggevonden worden, en moest een beroep worden gedaan op een raadsman. De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege is in ieder geval van mening dat het Hof de lering kan toepassen uit zijn arresten nrs. 96/2011 (ECLI:BE:GHCC:2011:ARR.096), 18/2016 (ECLI:BE:GHCC:2016:ARR.018), 72/2016 (ECLI:BE:GHCC:2016:ARR.072) en 161/2016 (ECLI:BE:GHCC:2016:ARR.161) op het onderhavige geval. Zij meent dat uit die arresten blijkt dat de bepaling die aan het kind, teneinde een vordering tot betwisting van het moederschap in te stellen, een termijn van een jaar oplegt te rekenen vanaf de ontdekking van het feit dat de persoon die het heeft erkend niet zijn moeder is, ongrondwettig is. Het wettelijke moederschap en het wettelijke vaderschap zijn vergelijkbaar en het is in de beide gevallen even belangrijk de biologische en socio-affectieve 3 werkelijkheid te laten erkennen. Het gaat ook om de eerbieding van het privé- en gezinsleven van het kind en van de moeder. Overeenkomstig de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens, moet de wetgever een evenwicht vinden tussen de rechtszekerheid en het recht van het kind om zijn oorsprong te kennen. De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege beklemtoont voor het overige dat zij wel degelijk vóór de leeftijd van 28 jaar heeft gehandeld, waarmee artikel 331ter van het oud Burgerlijk Wetboek wordt nageleefd. De prejudiciële vraag dient dus bevestigend te worden beantwoord. A.
- K.C. en M.D., beide verwerende partijen voor het verwijzende rechtscollege, sluiten zich aan bij de argumenten van F. M.C. A.
- De Ministerraad herinnert eraan dat het in het geding zijnde artikel 312, § 2, van het oud Burgerlijk Wetboek, drie voorwaarden bevat om het moederschap te betwisten. De eerste is een tijdsvoorwaarde: de vordering moet binnen een termijn van een jaar worden uitgeoefend. De tweede is een voorwaarde met betrekking tot de persoon : de houder van het recht om een vordering tot betwisting van het moederschap in te stellen, zijn opgesomd door de gecontroleerde regel. De derde is een materiële voorwaarde en houdt verband met het leugenachtige karakter van de afstamming van moederszijde die de houder van het vorderingsrecht wil betwisten. Uit de motieven van de verwijzingsbeslissing blijkt echter dat niet aan die laatste voorwaarde is voldaan. De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege wijst in werkelijkheid niet op het leugenachtige karakter van de afstamming maar op een vergissing die destijds door het ziekenhuis zou zijn gemaakt. Die vergissing kan het voorwerp uitmaken van een vordering tot verbetering van de burgerlijke staat, overeenkomstig artikel 35 van het oud Burgerlijk Wetboek. Het verwijzende rechtscollege is overigens bevoegd om dat te doen. Bijgevolg is de Ministerraad van mening dat het antwoord op de prejudiciële vraag niet nuttig is voor de oplossing van het geschil en dat zij geen antwoord behoeft. -B- Ten aanzien van het nut van de prejudiciële vraag B.1.
- De Ministerraad voert aan dat de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft aangezien dat kennelijk niet nuttig is voor de oplossing van het geschil. Hij is van mening dat de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege immers, gezien het voorwerp van het geschil, voor hetzelfde rechtscollege een vordering tot verbetering van een akte van de burgerlijke stand had moeten instellen en niet een vordering tot betwisting van de afstamming van moederszijde. B.1.
- In de regel komt het het verwijzende rechtscollege toe te oordelen of het antwoord op de prejudiciële vraag nuttig is voor het oplossen van het geschil. Alleen indien dat klaarblijkelijk niet het geval is, kan het Hof beslissen dat de vraag geen antwoord behoeft. Het staat eveneens in de regel aan het verwijzende rechtscollege om de bepalingen die het toepast, te interpreteren, onder voorbehoud van een kennelijk verkeerde lezing van die bepalingen. B.2.
- Luidens de artikelen 33 en 44 van het oud Burgerlijk Wetboek is de ambtenaar van de burgerlijke stand bevoegd voor de verbeteringen in geval van een « materiële vergissing ». 4 In alle andere gevallen is de familierechtbank bevoegd voor de verbetering van de akten van de burgerlijke stand. Artikel 35 van het oud Burgerlijk Wetboek, in de versie ervan die van toepassing was voor het verwijzende rechtscollege, bepaalde daartoe : « §
- De persoon die een akte wil laten verbeteren of laten nietig verklaren of een ontbrekende akte wil laten vervangen overeenkomstig artikel 26 kan hiertoe een verzoekschrift indienen bij de familierechtbank. De ambtenaar van de burgerlijke stand van de plaats van opmaak van de akte die deze akte wil laten verbeteren, kan hiertoe een verzoekschrift ondertekend door hemzelf of een advocaat indienen bij de familierechtbank. De procureur des Konings vordert de verbetering van een akte bij de familierechtbank indien hij een fout in de akte vaststelt. §
- De griffier van de kamer waar de zaak aan toebedeeld is, zendt het verzoekschrift over aan het openbaar ministerie. Na ontvangst van het advies van het openbaar ministerie roept de griffier de verzoeker, bij gerechtsbrief, op om te verschijnen op de door de voorzitter van de kamer vastgestelde zitting. §
- De griffier stuurt de gegevens nodig voor de opmaak van de gewijzigde akte overeenkomstig afdeling 6 ten gevolge van de verbetering, voor de opmaak van de akte van nietigverklaring of voor de opmaak van de vervangende akte via de DABS onmiddellijk naar de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand en neemt de in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing als bijlage op in de DABS. De bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand maakt onmiddellijk de gewijzigde akte of akten van de burgerlijke stand ten gevolge van de verbetering, de akten van nietigverklaring of de vervangende akte op en verbindt deze, in voorkomend geval, met de akten van de burgerlijke stand waarop ze betrekking hebben ». B.2.
- Artikel 56 van het oud Burgerlijk Wetboek, in de versie ervan die op het moment van de geboorte van de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege van toepassing was, bepaalde : « In geval van bevalling in ziekenhuizen, klinieken, kraaminrichtingen of andere verpleeginrichtingen, wordt de geboorte van het kind aangegeven door de vader, de moeder of de meemoeder of door beide ouders of, wanneer deze er zich van onthouden de aangifte te doen, door de persoon die de leiding van de inrichting uitoefent, of zijn afgevaardigde. De persoon die de leiding van de inrichting uitoefent of zijn afgevaardigde zijn gehouden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand kennis te geven van de bevalling, uiterlijk de eerste daaropvolgende werkdag ». 5 B.3.
- Uit de argumenten van de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege blijkt dat de voor dat rechtscollege ingestelde rechtsvordering als doel heeft de afstammingsband van moederszijde met een andere persoon dan die welke is vermeld op de akte van geboorte van de eisende partij te laten erkennen, ingevolge wat volgens die laatste een vergissing is van het ziekenhuis van geboorte. De aangehaalde vergissing zou bijgevolg geen verband houden met de inschrijving van een akte in de registers van de burgerlijk stand als dusdanig, maar met de kennisgeving van de geboorte ingevolge de bevalling in het ziekenhuis. Het staat niet aan het Hof, maar aan het verwijzende rechtscollege om na te gaan of de aangevoerde argumentatie in verband met de vergissing van het desbetreffende ziekenhuis, waarvoor het bewijs a priori minder gemakkelijk te leveren valt dan voor die welke onder de gewone verbeteringen van de akten van de burgerlijke stand vallen, op waarheid berust. B.3.
- Bovendien wordt in de parlementaire voorbereiding van de hervorming van het afstammingsrecht, met betrekking tot de vorige versie van artikel 312 van het oud Burgerlijk Wetboek, die betrekking had op de betwisting van de afstamming van moederszijde, geen onderscheid gemaakt tussen feitelijke situaties voor wat betreft de mogelijkheid om een rechtsvordering in te stellen op grond van dat artikel, en zulks in tegenstelling tot hetgeen de Ministerraad aanvoert. Met de vordering tot betwisting van de afstamming van moederszijde werd uitdrukkelijk de situatie van de vergissing met betrekking tot de aanduiding van de moeder in de akte van burgerlijke staat beoogd, en meer in het bijzonder het geval van de onvrijwillige verwisseling van een kind (Parl. St., Senaat, 1977-1978, nr. 305/1, pp. 10-11; Parl. St., Senaat, 1984-1985, nr. 904/2, p. 40). Hoewel de voorliggende situatie voor het verwijzende rechtscollege verschilt van de in de voormelde parlementaire voorbereiding beoogde situatie, laat dat verschil op zich niet toe te oordelen dat de beweerde vergissing van het ziekenhuis in de in het voor het verwijzende rechtscollege hangende zaak enkel aanleiding zou kunnen geven tot een vordering tot verbetering van de akten van de burgerlijke stand en niet tot een vordering tot betwisting van de afstamming van moederszijde. B.
- Het blijkt niet dat het rechtscollege de bepalingen die het toepast kennelijk verkeerd interpreteert. Het blijkt evenmin dat het antwoord op de prejudiciële vraag kennelijk niet nuttig is voor de oplossing van het geschil voor het verwijzende rechtscollege. B.
- De exceptie wordt verworpen. 6 Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling B.
- Artikel 312 van het oud Burgerlijk Wetboek bepaalt : « §
- Het kind heeft als moeder de persoon die als zodanig in de akte van geboorte is vermeld. §
- Tenzij het kind het bezit van staat heeft ten aanzien van de moeder, kan de op deze wijze vastgelegde afstamming van moederszijde betwist worden door alle wettelijke middelen, binnen het jaar van de ontdekking van het leugenachtige karakter van de afstamming van moederszijde, door de vader, het kind, de vrouw ten opzichte van wie de afstamming is vastgesteld en door de persoon die het moederschap van het kind opeist ». De voormelde paragraaf 2 vloeit voort uit een bij de wet van 27 december 2006 « houdende diverse bepalingen (I) » ingevoegde wijziging (hierna : de wet van 27 december 2006). B.
- Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de door de voormelde bepaling beoogde vordering werd ingesteld meer dan een jaar na de ontdekking van de akte van geboorte waarop een andere naam vermeld staat dan die van de biologische moeder van de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege. B.
- De wetgever heeft, bij de hervorming van het afstammingsrecht, de waarheid zoveel mogelijk willen benaderen (Parl. St., Senaat, 1977-1978, nr. 305/1, p. 3) en heeft om die reden willen toestaan dat de wettelijke afstamming van moederszijde kan worden betwist (Parl. St., Senaat, 1977-1978, nr. 305/1, pp. 10-11). De wetgever heeft de draagwijdte van die betwisting niettemin willen beperken, rekening houdend met het beginsel « mater semper certa est » (Parl. St., Senaat, 1984-1985, nr. 904/2, p. 38). Dat verklaart dat de in het geding zijnde bepaling de vordering tot betwisting van de afstamming van moederszijde steeds uitsluit in geval van het bezit van staat ten aanzien van de moeder. B.
- De termijn van een jaar waarin de vordering tot betwisting van het moederschap moet worden ingesteld door de vader, het kind, de vrouw ten opzichte van wie de afstamming is vastgesteld en de persoon die het moederschap van het kind opeist, werd ingevoerd bij de wet van 27 december
- Die termijn wordt als volgt verantwoord : 7 « De wet van 1 juli 2006 schept een discriminatie door geen enkele termijn en geen enkele beperking te voorzien inzake de hoedanigheid om te vorderen in het kader van het betwisten van het moederschap, ontstaan uit de geboorteakte. Teneinde een eventuele terechtwijzing door het Arbitragehof te vermijden, is het passend dat men, zoals bij het betwisten van het vaderschap, het recht om te vorderen beperkt tot een bepaald aantal personen (in casu de vader, het kind, de vrouw ten opzichte van wie de afstamming is vastgesteld, evenals de persoon die het moederschap van het kind opeist). Zoals voor de betwisting van het vaderschap is eveneens voorzien dat de vordering moet ingediend worden tijdens het jaar van het ontdekken van de geboorte. In overeenstemming met het advies van de Raad van State, werden de woorden ‘ van het leugenachtige karakter van de afstamming van moederszijde ’ toegevoegd » (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2760/001, pp. 238-239). Uit die parlementaire voorbereiding blijkt dat, wat betreft de in het geding zijnde termijn van een jaar, de wetgever de intentie had om de vordering tot betwisting van het vaderschap en de vordering tot betwisting van het moederschap op dezelfde wijze te behandelen. Ten gronde B.
- Aan het Hof wordt een vraag gesteld over de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepaling met de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre zij het kind niet toelaat de erkenning van het moederschap te betwisten na de termijn van een jaar te rekenen vanaf de ontdekking van het leugenachtige karakter van de afstamming van moederszijde, terwijl het kind voor de betwisting van het vaderschap over een termijn van 30 jaar beschikt, zoals bepaald bij artikel 331ter van het oud Burgerlijk Wetboek. B.11.
- Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat 8 dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.11.
- Artikel 22 van de Grondwet bepaalt : « Ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald. De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen de bescherming van dat recht ». Artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : «
- Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling.
- Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van 's lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen ». B.11.
- De grondwetgever heeft gestreefd naar een zo groot mogelijke concordantie tussen artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 van het voormelde Europees Verdrag voor de rechten van de mens (Parl. St., Kamer, 1992-1993, nr. 997/5, p. 2). De draagwijdte van dat artikel 8 is analoog aan die van de voormelde grondwetsbepaling, zodat de waarborgen die beide bepalingen bieden, een onlosmakelijk geheel vormen. B.
- Het Hof heeft reeds op verschillende prejudiciële vragen geantwoord die betrekking hadden op de vordering tot betwisting van het vaderschap. Bij zijn arrest nr. 77/2016 van 25 mei 2016 (ECLI:BE:GHCC:2016:ARR.077), heeft het Hof geoordeeld : « B.4.
- Het recht op de eerbiediging van het privéleven en het gezinsleven, zoals het door de voormelde bepalingen wordt gewaarborgd, beoogt in wezen de personen te beschermen tegen inmengingen in hun privéleven en hun gezinsleven. Artikel 22, eerste lid, van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens sluiten een overheidsinmenging in het recht op eerbiediging van het 9 privé- en gezinsleven niet uit, maar vereisen dat die inmenging wordt toegestaan door een voldoende precieze wettelijke bepaling, dat zij een wettig doel nastreeft en dat zij noodzakelijk is in een democratische samenleving. Die bepalingen houden voor de overheid bovendien de positieve verplichting in om maatregelen te nemen die een daadwerkelijke eerbiediging van het privéleven en het gezinsleven verzekeren, zelfs in de sfeer van de onderlinge verhoudingen tussen individuen (EHRM, 27 oktober 1994, Kroon e.a. t. Nederland, § 31; grote kamer, 12 november 2013, Söderman t. Zweden, § 78; 3 april 2014, Konstantinidis t. Griekenland, § 42). B.4.
- De procedures met betrekking tot het vaststellen of betwisten van de vaderlijke afstamming raken het privéleven omdat de materie van de afstamming belangrijke aspecten van iemands persoonlijke identiteit omvat (EHRM, 28 november 1984, Rasmussen t. Denemarken, § 33; 24 november 2005, Shofman t. Rusland, § 30; 12 januari 2006, Mizzi t. Malta, § 102; 16 juni 2011, Pascaud t. Frankrijk, §§ 48-49; 21 juni 2011, Krušković t. Kroatië, § 20; 22 maart 2012, Ahrens t. Duitsland, § 60; 12 februari 2013, Krisztián Barnabás Tóth t. Hongarije, § 28). De in het geding zijnde regeling voor het betwisten van de erkenning van het vaderschap valt derhalve onder de toepassing van artikel 22 van de Grondwet en van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.
- De wetgever beschikt bij de uitwerking van een regeling die een overheidsinmenging in het privéleven inhoudt, over een appreciatiemarge om rekening te houden met een billijk evenwicht tussen de tegenstrijdige belangen van het individu en de samenleving in haar geheel (EHRM, 26 mei 1994, Keegan t. Ierland, § 49; 27 oktober 1994, Kroon e.a. t. Nederland, § 31; 2 juni 2005, Znamenskaya t. Rusland, § 28; 24 november 2005, Shofman t. Rusland, § 34; 20 december 2007, Phinikaridou t. Cyprus, §§ 51 tot 53; 25 februari 2014, Ostace t. Roemenië, § 33). Die appreciatiemarge van de wetgever is evenwel niet onbegrensd : om te oordelen of een wettelijke regeling verenigbaar is met het recht op de eerbiediging van het privéleven, moet worden nagegaan of de wetgever een billijk evenwicht heeft gevonden tussen alle rechten en belangen die in het geding zijn. Zulks vereist dat de wetgever niet alleen een afweging maakt tussen de belangen van het individu tegenover die van de samenleving in haar geheel, maar tevens tussen de tegenstrijdige belangen van de betrokken personen (EHRM, 6 juli 2010, Backlund t. Finland, § 46; 15 januari 2013, Laakso t. Finland, § 46; 29 januari 2013, Röman t. Finland, § 51). Bij het uitwerken van een wettelijke regeling inzake afstamming dient de wetgever de bevoegde overheden in beginsel de mogelijkheid te bieden om in concreto een afweging te maken tussen de belangen van de verschillende betrokken personen, op gevaar af anders een maatregel te nemen die niet evenredig zou zijn met de nagestreefde wettige doelstellingen. Zowel artikel 22bis, vierde lid, van de Grondwet als artikel 3, lid 1, van het Verdrag inzake de rechten van het kind verplichten de rechtscolleges om in de eerste plaats het belang van het kind in aanmerking te nemen in de procedures die op het kind betrekking hebben. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft verduidelijkt dat, bij het afwegen van de in het geding zijnde belangen, de belangen van het kind dienen te primeren (EHRM, 5 november 2002, Yousef t. Nederland, § 73; 26 juni 2003, Maire t. Portugal, §§ 71 en 77; 8 juli 2003, Sommerfeld t. Duitsland, §§ 64 en 66; 28 juni 2007, Wagner en J.M.W.L. t. Luxemburg, § 119; 10 6 juli 2010, Neulinger en Shuruk t. Zwitserland, § 135; 22 maart 2012, Ahrens t. Duitsland, § 63). B.
- De wetgever heeft bij het hervormen van het afstammingsrecht, en in het bijzonder betreffende het recht inzake erkenning, er steeds naar gestreefd de waarheid zoveel mogelijk te benaderen (Parl. St., Senaat, 1977-1978, nr. 305/1, p. 3) en het daarom mogelijk te maken de wettelijke afstamming te betwisten (Parl. St., Senaat, 1977-1978, nr. 305/1, p. 12). Tegelijkertijd heeft de wetgever echter ook getracht de ‘ rust der families ’ te respecteren, indien nodig ten koste van de waarheid (Parl. St., Senaat, 1977-1978, nr. 305/1, p. 15), en eenzelfde stabiliteit inzake erkenning als die welke bestaat ten aanzien van een kind dat binnen het huwelijk wordt geboren, te creëren (Parl. St., Senaat, 1984-1985, nr. 904/2, pp. 101 en 115). De wetgever heeft het belang van het kind daarom als een prioriteit beschouwd (Parl. St., Senaat, 1984-1985, nr. 904/2, p. 115). De hoofdbekommernis van de wetgever bij het invoeren van artikel 330 van het Burgerlijk Wetboek was bijgevolg het waarborgen van de rechtszekerheid voor het kind (Parl. St., Senaat, 1984-1985, nr. 904/2, p. 102). B.7.
- De termijn van een jaar binnen welke de vordering van de vader, de moeder of de persoon die het kind heeft erkend en van de persoon die de afstamming opeist, dient te worden ingesteld, werd ingevoerd bij de wet van 1 juli 2006 tot wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan, en werd door de wetgever verantwoord door het feit dat het onontbeerlijk zou zijn de mogelijkheid tot betwisting van het vaderschap te beperken in de tijd, teneinde de afstammingsband veilig te stellen. Op die manier streefde de wetgever ernaar rechtsonzekerheid en onrust in het gezin tegen te gaan (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-0597/014, p. 5) en de gezinscel van het kind zoveel mogelijk te beschermen (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-0597/032, p. 14, en DOC 51-0597/026, p. 6). B.7.
- De termijn van een jaar binnen welke de vordering van het kind na het ontdekken van het feit dat de persoon die het heeft erkend noch zijn vader, noch zijn moeder is, dient te worden ingesteld, werd ingevoerd bij artikel 370 van de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen (I). B.
- In het bijzonder voor wat de termijnen in het afstammingsrecht betreft, wordt door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens het invoeren van termijnen op zich niet strijdig geacht met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens; enkel de aard van een dergelijke termijn kan als strijdig worden beschouwd met het recht op eerbiediging van het privéleven (EHRM, 6 juli 2010, Backlund t. Finland, § 45; 15 januari 2013, Laakso t. Finland, § 45; 29 januari 2013, Röman t. Finland, § 50; 3 april 2014, Konstantinidis t. Griekenland, § 46). Bovendien wordt door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens aanvaard dat de appreciatiemarge van de nationale wetgever groter is wanneer er bij de lidstaten van de Raad van Europa geen consensus bestaat omtrent het belang dat in het geding is, noch omtrent de manier waarop dat belang dient te worden beschermd (EHRM, 22 maart 2012, Ahrens t. Duitsland, § 68). Daarnaast benadrukt het Europees Hof dat het niet zijn taak is om, in de plaats van de nationale overheden, beslissingen te nemen (EHRM, 15 januari 2013, Laakso t. Finland, § 41). 11 B.9.
- Het Hof heeft reeds meermaals de grondwettigheid onderzocht van de termijn van één jaar waarin artikel 330, § 1, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek voorziet. B.9.
- Bij zijn arrest nr. 139/2013 van 17 oktober 2013 heeft het Hof voor recht gezegd dat artikel 330, § 1, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek geen schending inhoudt van de artikelen 22 en 22bis van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het bepaalt dat de vordering tot betwisting van een vaderlijke erkenning ingesteld door de persoon die de afstamming opeist, moet worden ingesteld binnen één jaar na de ontdekking van het feit dat hij de vader van het kind is. B.9.
- Bij zijn arrest nr. 165/2013 van 5 december 2013 heeft het Hof voor recht gezegd dat artikel 330, § 1, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek geen schending inhoudt van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met het Verdrag inzake de rechten van het kind, in zoverre het bepaalt dat de vordering van de persoon die de afstamming opeist, moet worden ingesteld binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat hij de vader van het kind is. B.9.
- Bij zijn arrest nr. 139/2014 van 25 september 2014 heeft het Hof voor recht gezegd dat artikel 330, § 1, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek geen schending inhoudt van de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het bepaalt dat de vordering van de persoon die het kind heeft erkend, dient te worden ingesteld binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat hij niet de vader van het kind is. B.9.
- De voormelde arresten hebben betrekking op de termijn van één jaar wanneer de vordering tot betwisting van een vaderlijke erkenning wordt ingesteld door de persoon die de afstamming opeist of door de persoon die het kind heeft erkend, maar niet wanneer zulk een vordering door het kind wordt ingesteld. B.10.
- Over de termijn van één jaar waarover het kind beschikt om een vordering tot betwisting van het vaderschap in te stellen, waarin artikel 318, § 2, van het Burgerlijk Wetboek voorziet, heeft het Hof zich wel al uitgesproken. B.10.
- Bij zijn arrest nr. 96/2011 van 31 mei 2011 heeft het Hof, met betrekking tot een vordering tot betwisting van het vermoeden van vaderschap die door een meerderjarig kind tegen de echtgenoot van zijn moeder was ingesteld terwijl dat vermoeden noch met de biologische waarheid, noch, bij ontstentenis van een bezit van staat, met de socioaffectieve waarheid overeenstemde, geoordeeld : ‘ B.
- Uit de motivering van het vonnis van de verwijzende rechter blijkt dat, volgens de elementen van het dossier, het vermoeden van vaderschap van de echtgenoot van de moeder dat te dezen was vastgesteld ten aanzien van de eiser voor de verwijzende rechter, niet overeenstemt met de biologische waarheid, noch met de socio-affectieve waarheid. Het Hof zal het onderzoek van de bij artikel 318, § 2, van het Burgerlijk Wetboek voorgeschreven termijn betreffende de vordering tot betwisting van vaderschap tot die hypothese beperken. Het Hof moet dus nagaan of het voormelde artikel 318, § 2, niet op discriminerende wijze afbreuk doet aan het recht op de eerbiediging van het privéleven, zoals het is verankerd in artikel 22 van de Grondwet en in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de 12 mens, van het kind dat, bij ontstentenis van bezit van staat, het vermoeden van vaderschap wil betwisten dat is vastgesteld ten aanzien van de echtgenoot van zijn moeder, door de termijnen die dat artikel 318, § 2, daartoe voorschrijft. […] B.
- De rust der families en de rechtszekerheid van de familiale banden, enerzijds, en het belang van het kind, anderzijds, zijn legitieme doelstellingen waarvan de wetgever kan uitgaan om een onbeperkte mogelijkheid tot betwisting van het vaderschap te verhinderen. B.
- Door te bepalen dat een kind het vermoeden van vaderschap dat is vastgesteld ten aanzien van de echtgenoot van zijn moeder niet meer kan betwisten na de leeftijd van tweeëntwintig jaar of na het jaar te rekenen vanaf de ontdekking van het feit dat diegene die de echtgenoot van zijn moeder was, niet zijn vader is, terwijl dat vermoeden met geen enkele biologische, noch socio-affectieve realiteit overeenstemt, wordt evenwel op discriminerende wijze afbreuk gedaan aan het recht op de eerbiediging van het privéleven van dat kind. Door de korte verjaringstermijn zou het kunnen dat dat kind niet meer beschikt over de mogelijkheid om zich tot een rechter te wenden die rekening kan houden met de vaststaande feiten, alsook met het belang van alle betrokken partijen, zonder dat een en ander kan worden verantwoord door de zorg om de rust der families te bewaren terwijl de familiale banden te dezen onbestaande zijn ’. Bijgevolg heeft het Hof voor recht gezegd : ‘ In de in B.7 beschreven hypothese schendt artikel 318, § 2, van het Burgerlijk Wetboek de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens ’. B.10.
- Bij zijn arrest nr. 18/2016 van 3 februari 2016 heeft het Hof voor recht gezegd dat artikel 318, § 2, van het Burgerlijk Wetboek een schending inhoudt van artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre daarin aan het kind ouder dan 22 jaar een termijn wordt opgelegd van één jaar vanaf de ontdekking van het feit dat de echtgenoot van zijn moeder niet zijn vader is om een vordering tot betwisting van het vaderschap in te stellen. Bij dat arrest heeft het Hof geoordeeld : ‘ B.
- Wanneer een kind meerdere jaren vóór het de leeftijd van 22 jaar heeft bereikt, ontdekt dat de echtgenoot van zijn moeder niet zijn vader is, biedt artikel 318, § 2, van het Burgerlijk Wetboek het kind niet langer de mogelijkheid om het vermoeden van vaderschap te betwisten zodra het de leeftijd van 22 jaar heeft bereikt. Dat kind, dat wordt verhinderd om dat vermoeden van vaderschap te betwisten, wordt eveneens verhinderd om na die leeftijd nog een vordering tot onderzoek naar het vaderschap in te stellen. B.14.
- De procedures met betrekking tot het vaststellen of betwisten van de vaderlijke afstamming raken het privéleven, omdat de materie van de afstamming belangrijke aspecten van iemands persoonlijke identiteit omvat, waartoe ook de identiteit van zijn verwekkers behoort (EHRM, 7 februari 2002, Mikulic t. Kroatië, §§ 53 en 54; 13 juli 2006, Jäggi t. Zwitserland, § 25; 16 juni 2011, Pascaud t. Frankrijk, §§ 48-49). 13 B.14.
- Volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens moet de wetgever, wanneer hij de regels inzake afstamming vaststelt, niet alleen rekening houden met de rechten van de betrokkenen, maar ook met de aard van die rechten. Wanneer het gaat om het recht op een identiteit, waartoe het recht behoort om zijn afstamming te kennen, is een diepgaande belangenafweging noodzakelijk (EHRM, 13 juli 2006, Jäggi t. Zwitserland, § 37; 3 april 2014, Konstantinidis t. Griekenland, § 47). Zelfs indien een persoon zijn persoonlijkheid heeft kunnen uitbouwen zonder zekerheid te hebben over de identiteit van zijn biologische vader, moet worden aangenomen dat het belang dat een individu kan hebben om zijn afstamming te kennen niet afneemt met de jaren, wel integendeel (EHRM, 13 juli 2006, Jäggi t. Zwitserland, § 40; 16 juni 2011, Pascaud t. Frankrijk, § 65). Het Europees Hof stelt eveneens vast dat uit vergelijkend onderzoek blijkt dat in een belangrijk aantal Staten de vordering van het kind om het vaderschap te doen vaststellen niet aan een termijn is gebonden en dat een tendens waarneembaar is om een grotere bescherming toe te kennen aan het kind (EHRM, 20 december 2007, Phinikaridou t. Cyprus, § 58). B.
- In een gerechtelijke procedure tot vaststelling van de afstamming dient het recht van eenieder op vaststelling van zijn afstamming in beginsel dan ook de overhand te krijgen op het belang van de rust der families en de rechtszekerheid van de familiale banden. B.
- Ook al bestaan er familiale banden, geconcretiseerd door het bezit van staat, of ook al hebben ze bestaan, toch doet de in het geding zijnde bepaling op onevenredige wijze afbreuk aan het recht op eerbiediging van het privéleven van het kind, door de korte verjaringstermijn die aan het kind de mogelijkheid zou kunnen ontzeggen om zich tot een rechter te wenden die rekening kan houden met de vaststaande feiten, alsook met het belang van alle betrokken partijen. […] ’. B.
- Het feit dat de artikelen 318, § 2, en 330, § 1, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek verschillende aangelegenheden betreffen, neemt niet weg dat zij beide nauw verband houden met het recht op de identiteit van het kind. Wat de erkenning betreft, heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geoordeeld ‘ dat de erkenning net zoals de nietigverklaring van een afstammingsband rechtstreeks de identiteit raakt van de man of vrouw van wie de verwantschap in het geding is (zie, bijvoorbeeld, Rasmussen t. Denemarken, 28 november 1984, § 33, reeks A nr. 87, I.L.V. t. Roemenië (besl.), nr. 4901/04, § 33, 24 augustus 2010, Krušković, reeds aangehaald, § 18, en Canonne t. Frankrijk (besl.), nr. 22037/13, § 25, 2 juni 2015) ’ (EHRM, 14 januari 2016, Mandet t. Frankrijk, § 44). Bovendien heeft de wetgever, zoals het Hof in zijn voormeld arrest nr. 139/2013 in herinnering heeft gebracht, een zo groot mogelijk parallellisme willen verwezenlijken tussen de procedure van betwisting van het vaderschapsvermoeden en die van betwisting van de vaderlijke erkenning. Zo zijn beide procedures, in de betreffende bepalingen, in vergelijkbare bewoordingen geformuleerd en wordt, voor beide procedures, in een zelfde termijn van één jaar voorzien om de vordering in te stellen. 14 Om soortgelijke redenen als die welke in het voormelde arrest nr. 18/2016 met betrekking tot artikel 318, § 2, van het Burgerlijk Wetboek zijn vermeld, is artikel 330, § 1, vierde lid, van hetzelfde Wetboek, niet bestaanbaar met de aangevoerde referentienormen ». B.
- Bij zijn arrest nr. 161/2016 van 14 december 2016, heeft het Hof opnieuw geoordeeld dat artikel 330, § 1, vierde lid, van het oud Burgerlijk Wetboek de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, schendt, in zoverre daarin aan het kind dat ouder is dan 22 jaar een termijn wordt opgelegd van een jaar te rekenen vanaf de ontdekking van het feit dat de persoon die het heeft erkend niet zijn vader is, om een vordering tot betwisting van de vaderlijke erkenning in te stellen. B.
- Zoals in B.9 is vermeld, is de invoering van een termijn van een jaar om het moederschap te betwisten ingegeven door de wil om dezelfde voorwaarden toe te passen als voor de betwisting van het vaderschap. B.
- Rekening houdend met die doelstelling, en om dezelfde redenen als die welke zijn vermeld in de voormelde arresten, schendt artikel 312, § 2, van het oud Burgerlijk Wetboek de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het aan het kind een termijn oplegt van een jaar te rekenen vanaf de ontdekking van het leugenachtige karakter van de afstamming van moederszijde om een vordering tot betwisting van het moederschap in te stellen. 15 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 312, § 2, van het oud Burgerlijk Wetboek schendt de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het aan het kind een termijn van een jaar te rekenen vanaf de ontdekking van het leugenachtige karakter van de afstamming van moederszijde oplegt om een vordering tot betwisting van het moederschap in te stellen. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 15 februari
- De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut N. Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.022 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:GHCC:2011:ARR.096 ECLI:BE:GHCC:2016:ARR.018 ECLI:BE:GHCC:2016:ARR.072 ECLI:BE:GHCC:2016:ARR.077 ECLI:BE:GHCC:2016:ARR.161 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div