← België

ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 15 februari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.023 Arrest- Rolnummer: 23/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-02-26 Raadplegingen: 360 - laatst gezien 2026-06-18 16:15 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag over artikel 13, § 1, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen », gesteld door de Raad van State. Vreemdelingenrecht - Toegang en verblijf - Vreemdelingen die om medische redenen tot verblijf zijn gemachtigd - Machtiging tot verblijf van beperkte duur - Opeenvolgende hernieuwingen - Verblijfsrecht van onbeperkte duur Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 23/2024 van 15 februari 2024 Rolnummer : 7936 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 13, § 1, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen », gesteld door de Raad van State. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters T. Giet, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, D. Pieters, S. de Bethune, E. Bribosia, W. Verrijdt, K. Jadin en M. Plovie, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest nr. 255.755 van 10 februari 2023, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 20 februari 2023, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Is het in overeenstemming met de beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in samenhang gelezen met het grondrecht op privé-, familie- en gezinsleven, met name verankerd in artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, wanneer artikel 13, § 1, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen in die zin wordt geïnterpreteerd dat het alleen voorziet in de verkrijging van het onbeperkt verblijf door de vreemdeling die tot het verblijf is gemachtigd sinds vijf jaar vanaf de indiening van zijn aanvraag tot verblijf 9ter wanneer er verscheidene vernieuwingen zijn geweest, en niet alleen op grond van de vijf jaar wettig verblijf sinds de indiening van de aanvraag 9ter, die ontvankelijk en gegrond is verklaard ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : 2 - Lassaad Bellil, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Hardy, advocaat bij de balie te Brussel; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. E. Derriks, advocate bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 20 december 2023 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers K. Jadin en D. Pieters te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 31 oktober 2013 dient de verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege een aanvraag voor machtiging tot verblijf in op grond van artikel 9ter van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen » (hierna : de wet van 15 december 1980). Die bepaling is van toepassing op de vreemdeling die in België verblijft, die zijn identiteit aantoont en die dermate aan een ziekte lijdt dat die een reëel risico inhoudt voor zijn leven of fysieke integriteit of een reëel risico vormt op een onmenselijke of vernederende behandeling, wanneer er geen adequate behandeling is in zijn land van herkomst of het land waar hij verblijft. Op 1 juli 2014 wordt aan de verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege een machtiging tot verblijf verleend die één jaar geldig is. Op 29 september 2015 vraagt zij de verlenging ervan aan. Die aanvraag tot verlenging wordt op 18 november 2015 geweigerd en die weigering gaat vergezeld van een bevel om het grondgebied te verlaten. Bij het arrest nr. 222.810 van 18 juni 2019 vernietigt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen die twee beslissingen. Op 10 september 2019 wordt ten aanzien van de aanvraag tot verlenging een nieuwe weigeringsbeslissing genomen, die vergezeld gaat van een nieuw bevel om het grondgebied te verlaten. Bij het arrest nr. 237.015 van 16 juni 2020 verwerpt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het verzoekschrift tot schorsing en tot vernietiging tegen die twee beslissingen. De verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege tekent cassatieberoep aan tegen dat arrest. De verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege voert in essentie aan dat door de vernietiging van de weigeringsbeslissing van 18 november 2015 de aanvraag tot verlenging opnieuw hangende is. Volgens haar werd zij, in afwachting van de nieuwe beslissing over die aanvraag, tot verblijf gemachtigd op grond van artikel 33 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen » (hierna : het koninklijk besluit van 8 oktober 1981). Zij betoogt dat, aangezien zij tot verblijf werd gemachtigd gedurende een periode van vijf jaar sinds de indiening van de oorspronkelijke aanvraag in 2013, de machtiging tot verblijf die oorspronkelijk werd verstrekt voor beperkte duur, geldig is geworden voor onbeperkte duur op grond van artikel 13, § 1, tweede lid, van de wet van 15 december

  1. De verwerende partij voor het verwijzende rechtscollege betoogt in essentie dat een op grond van artikel 9ter van de wet van 15 december 1980 verleende machtiging tot verblijf slechts voor onbeperkte duur geldig wordt bij het verstrijken van een periode van vijf jaar waarin die machtiging op geldige wijze werd verlengd. Zij wijst erop dat de oorspronkelijk aan de verzoekende partij afgegeven verblijfskaart tot 3 november 2015 geldig was en dat de verzoekende partij na die datum niet de periodieke vernieuwing van haar machtiging tot verblijf heeft verkregen gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar. 3 Volgens het verwijzende rechtscollege moet artikel 13, § 1, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 in die zin worden geïnterpreteerd dat, opdat een vreemdeling tot een verblijf van onbeperkte duur wordt gemachtigd, hij gedurende vijf jaar tot verblijf moet zijn gemachtigd bij een of meer machtigingen van beperkte duur die werden verleend op grond van artikel 9ter van dezelfde wet. Het verwijzende rechtscollege merkt echter op dat, wanneer een vreemdeling een aanvraag tot hernieuwing van zijn machtiging tot verblijf indient en geen enkele beslissing wordt genomen vóór het verstrijken van de lopende machtiging, de betrokkene weliswaar voorlopig tot verblijf wordt gemachtigd op grond van artikel 33 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981, maar het verblijfsrecht waarop de vreemdeling dan aanspraak kan maken, niet berust op een machtiging die werd verleend op grond van artikel 9ter van de wet van 15 december
  2. Op vraag van de verzoekende partij stelt het verwijzende rechtscollege bijgevolg de bovenvermelde prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.1.
  3. De verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege verwijst naar de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgens welke het feit dat een vreemdeling in een onzekere situatie wordt gehouden, afbreuk doet aan het recht op eerbiediging van zijn privéleven en zijn gezinsleven. Zij merkt op dat tal van bepalingen voorzien in een consolidering van het verblijfsstatuut wanneer de vreemdeling gedurende een bepaalde tijd wettig op het grondgebied verblijft. Naast een omzendbrief van 15 december 1998 verwijst zij naar de bepalingen in de wet van 15 december 1980 die van toepassing zijn op de vluchtelingen (artikel 49, § 1), de personen die de subsidiaire beschermingsstatus genieten (artikel 49/2), de burgers van de Unie en hun familieleden (artikelen 42quater, 42quinquies en 44bis) en de onderdanen van derde landen (artikelen 21 en 22), alsook naar de bepalingen die betrekking hebben op de gezinshereniging met een onderdaan van een derde land (artikel 13) en op de status van langdurig ingezetene (artikel 15bis). Zij betoogt dat die bepalingen ertoe strekken een verblijf van onbeperkte duur te verlenen om reden van de tijd die wettig op het grondgebied is doorgebracht, opdat de vreemdeling niet langer het risico zou lopen zijn verblijfsrecht te verliezen wanneer een van de oorspronkelijke voorwaarden niet meer zou zijn vervuld. Zij voegt eraan toe dat het Hof bij zijn arrest nr. 112/2019 van 18 juli 2019 (ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.112) het verband tussen de verblijfsduur, de integratie en de noodzaak om het verblijf te consolideren, eveneens heeft onderstreept. A.1.
  4. Zij doet gelden dat de in het geding zijnde bepaling, in de interpretatie van het verwijzende rechtscollege, een verschil in behandeling doet ontstaan tussen twee categorieën van vreemdelingen die op grond van artikel 9ter van de wet van 15 december 1980 een aanvraag voor machtiging tot verblijf hebben ingediend die ontvankelijk en gegrond werd verklaard, en die de vernieuwing ervan hebben aangevraagd, wanneer meer dan vijf jaar zijn verstreken sinds de indiening van de oorspronkelijke aanvraag : enerzijds, degenen ten aanzien van wie vier beslissingen tot vernieuwing werden genomen en, anderzijds, degenen voor wie dat niet het geval is geweest om reden van procedurele toevalligheden. Volgens haar zijn die twee categorieën vergelijkbaar, aangezien het gaat om vreemdelingen die om medische redenen een machtiging tot verblijf hebben gekregen, die de vernieuwing ervan op geldige wijze hebben aangevraagd en ten aanzien van wie vijf jaar na de indiening van de oorspronkelijke aanvraag geen beslissing is genomen waarmee een einde wordt gemaakt aan hun verblijf. Zij voert aan dat artikel 9ter van de wet van 15 december 1980 en artikel 13, § 1, tweede lid, van dezelfde wet verschillende doelstellingen nastreven : terwijl artikel 9ter ertoe strekt bescherming te bieden tegen de erin bedoelde risico’s, beoogt artikel 13, § 1, tweede lid, het verblijf te consolideren en de vreemdeling aldus uit de administratieve onzekerheid te halen die inherent is aan een verblijfstitel van beperkte duur. In de in die laatste bepaling bedoelde situatie hangt het verblijf niet meer af van het bestaan van medische redenen, maar verantwoordt de duur van het verblijf op zich dat er niet langer een einde wordt gemaakt aan het verblijfsrecht. Het doel dat met het verkrijgen van een verblijf van onbeperkte duur wordt nagestreefd, is weliswaar legitiem, maar volgens de verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege is zulks niet het geval voor de doelstelling die met het in het geding zijnde verschil in behandeling wordt nagestreefd. Vervolgens doet zij gelden dat het feit dat er al dan niet vier beslissingen tot vernieuwing zijn, geen objectief en pertinent criterium van onderscheid is, daar

(1)dat criterium de consolidering van het verblijf afhankelijk maakt van het optreden of het gebrek daaraan van de administratie,
(2)niet het aantal beslissingen tot vernieuwing 4 pertinent is, maar wel het aantal jaren wettig verblijf,
(3)de behoefte aan bescherming losstaat van de beslissingen tot hernieuwing en
(4)het onbegrijpelijk is dat de periode die verstrijkt in afwachting van de hernieuwing van een machtiging tot verblijf waarvan de oorspronkelijke aanvraag ontvankelijk en gegrond werd verklaard, niet in aanmerking wordt genomen, terwijl de periode die verstrijkt tussen de indiening van de oorspronkelijke aanvraag en de dag waarop die ontvankelijk en gegrond wordt verklaard, wel in aanmerking wordt genomen. Volgens haar zou het feit dat een beslissing tot weigering van hernieuwing ontbreekt een pertinent criterium vormen. Tot slot voert zij aan dat het in het geding zijnde verschil in behandeling niet redelijk verantwoord is en dat het onevenredige gevolgen heeft. Zij merkt op dat de doelstelling van de wetgever erin bestond een soortgelijke regeling toe te passen als die waarin is voorzien voor de begunstigden van de subsidiaire bescherming. Laatstgenoemden moeten echter niet de hernieuwing van hun verblijfsrecht aanvragen, maar enkel de vernieuwing van hun verblijfskaart, hetgeen een loutere administratieve formaliteit is zonder dat daarbij hun situatie opnieuw wordt onderzocht. Wat hen betreft, wordt de behoefte aan bescherming geacht vast te staan zolang geen enkele definitieve beslissing van het tegendeel doet blijken. De verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege meent dat de begunstigden van de subsidiaire bescherming de categorie van vreemdelingen uitmaken die het meest vergelijkbaar is met die van de begunstigden van een machtiging tot verblijf die werd verleend op grond van artikel 9ter, zodat in beide gevallen dezelfde interpretatie is geboden wat betreft het verkrijgen van het recht op verblijf van onbeperkte duur en bovendien wijst zij erop dat in dat verband het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft geoordeeld dat het op grond van artikel 9ter van de wet van 15 december 1980 gemachtigde verblijf in de regel geen vorm van subsidiaire bescherming is. Bovendien onderstreept zij dat de vreemdeling die op grond van artikel 9ter tot verblijf wordt gemachtigd en die de hernieuwing van zijn machtiging tot verblijf aanvraagt, wettig op het grondgebied verblijft totdat een eventuele weigeringsbeslissing wordt genomen. Volgens haar verantwoordt niets dat die jaren van wettig verblijf niet meetellen. Tot slot, wat betreft de artikelen 9 en 9bis van de wet van 15 december 1980, waarnaar de Ministerraad verwijst, onderstreept de verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege dat die bepalingen niet voorzien in het verkrijgen van een verblijf van onbeperkte duur. Zij merkt eveneens op dat, volgens de administratieve praktijk en volgens de rechtspraak, noch een lang wettig verblijf, noch een goede integratie op zich volstaat om een beroep te doen op de procedure waarin artikel 9bis van de wet van 15 december 1980 voorziet. A.1.
  1. Zij besluit dat de in het geding zijnde bepaling, zoals die door het verwijzende rechtscollege wordt geïnterpreteerd, niet bestaanbaar is met de in de prejudiciële vraag vermelde referentienormen. In ondergeschikte orde doet zij gelden dat een verzoenende interpretatie evenwel mogelijk is. In de interpretatie volgens welke een vreemdeling het recht op verblijf van onbeperkte duur verkrijgt wanneer zijn aanvraag ingediend op grond van artikel 9ter van de wet van 15 december 1980 ontvankelijk en gegrond werd verklaard, en wanneer binnen vijf jaar na de indiening van die aanvraag geen enkele beslissing een einde heeft gemaakt aan het verblijfsrecht, is de in het geding zijnde bepaling grondwettig. A.2.
  2. De Ministerraad merkt op dat de prejudiciële vraag betrekking heeft op het verschil in behandeling tussen, enerzijds, de vreemdelingen die gedurende één jaar tot verblijf werden gemachtigd op grond van artikel 9ter van de wet van 15 december 1980 en wier machtiging tot verblijf op geldige wijze werd hernieuwd gedurende vijf jaar vanaf de indiening van de oorspronkelijke aanvraag, en, anderzijds, de vreemdelingen die tot verblijf werden gemachtigd op dezelfde grondslag, maar van wie de machtiging tot verblijf niet op geldige wijze werd hernieuwd en die enkel in afwachting van een hernieuwing sinds vijf jaar zijn gedekt. Alleen de vreemdelingen van de eerste categorie kunnen een machtiging tot verblijf van onbeperkte duur genieten met toepassing van de in het geding zijnde bepaling. Volgens de Ministerraad bevinden de twee vergeleken categorieën zich niet in vergelijkbare situaties. Terwijl de vreemdelingen van de eerste categorie opeenvolgende beslissingen tot hernieuwing hebben genoten die zijn genomen op grond van artikel 9ter van de wet van 15 december 1980 nadat de evolutie van hun medische situatie werd gecontroleerd, hebben degenen die deel uitmaken van de tweede categorie, geen hernieuwing van hun machtiging tot verblijf genoten, maar beschikken zij enkel over een attest (bijlage 15) dat beperkt is tot de vaststelling dat de administratie zich nog niet heeft kunnen uitspreken over hun aanvraag tot hernieuwing. A.2.
  3. De Ministerraad voert vervolgens aan dat, in de veronderstelling dat de vergeleken categorieën van vreemdelingen zich in vergelijkbare situaties bevinden, het in het geding zijnde verschil in behandeling alleszins redelijk verantwoord is. Hij onderstreept dat de wetgever een adequate bescherming beoogde te waarborgen aan de vreemdelingen die aan een ernstige ziekte lijden die een risico op een onmenselijke of vernederende behandeling kan inhouden, hetgeen een legitieme doelstelling is. Volgens hem is het criterium waarop het verlenen van het verblijf van onbeperkte duur berust, namelijk het feit dat er opeenvolgende hernieuwingen van de machtiging tot verblijf werden verkregen op grond van artikel 9ter van de wet van 15 december 1980, een objectief criterium. Hij merkt ook op dat dat criterium tegemoetkomt aan de noodzaak om naar aanleiding van de 5 hernieuwing na te gaan of het risico en dus de behoefte aan bescherming voortduren. Hij preciseert dat de machtiging tot verblijf van onbeperkte duur wordt verleend wanneer het verblijf van de vreemdeling gedurende vijf jaar werd gedekt door een machtiging tot verblijf op grond van artikel 9ter van de wet van 15 december 1980, en zulks ongeacht het aantal hernieuwingen die zijn verricht. Het kan zijn dat dat aantal lager is dan vier, omdat een beslissing tot hernieuwing terugwerkende kracht heeft en voor de toekomst de erin vastgestelde periode dekt. Volgens hem hangt de berekening van de termijn van vijf jaar geenszins af van de goede wil van de administratie of van het ogenblik waarop zij een besluit neemt. Hij zet uiteen dat, wanneer een beslissing tot weigering van hernieuwing wordt vernietigd, de betrokkene wordt teruggeplaatst in de vorige situatie, namelijk de situatie waarin hij in afwachting is van een beslissing. Indien de hernieuwing wordt toegekend, wordt het verblijf als ononderbroken beschouwd sedert de oorspronkelijke aanvraag en, indien meer dan vijf jaar zijn verstreken, wordt een verblijf van onbeperkte duur verleend. Indien de vernieuwing wordt geweigerd, kan de betrokkene zich niet beroepen op een wettig verblijf gedurende vijf jaar op grond van artikel 9ter van de wet van 15 december
  4. De Ministerraad voert aan dat de in het geding zijnde bepaling pertinent is, aangezien zij het de vreemdeling wiens medische situatie niet gunstig is geëvolueerd gedurende een periode van vijf jaar, mogelijk maakt om een definitieve bescherming te genieten tegen de in artikel 9ter van de wet van 15 december 1980 bedoelde risico’s. Tot slot betoogt hij dat de in het geding zijnde bepaling geen onevenredige gevolgen teweegbrengt. Hij herinnert eraan dat de wetgever de betrokken vreemdeling wilde wapenen tegen het risico op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, en niet diens privéleven en gezinsleven wilde beschermen. In de veronderstelling dat er een verschil in behandeling bestaat tussen de twee vergeleken categorieën van vreemdelingen ten aanzien van de bescherming van het privéleven en het gezinsleven, vloeit dat verschil in behandeling volgens hem niet voort uit de in het geding zijnde bepaling, maar uit de toepassing ervan en uit de duur die met de behandeling van de aanvragen tot hernieuwing en van de eventuele beroepen gepaard gaat. Hij voegt eraan toe dat de vreemdeling die de duur van zijn verblijf en de eventuele bevordering van zijn recht op bescherming van privéleven en gezinsleven tijdens zijn verblijf wil doen gelden, een aanvraag voor machtiging tot verblijf kan indienen op grond van de artikelen 9 en 9bis van de wet van 15 december
  5. A.2.
  6. Ten slotte is de Ministerraad van mening dat de situaties waarop de verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege de aandacht vestigt, niet vergelijkbaar zijn met die van een vreemdeling die tot verblijf is gemachtigd op grond van artikel 9ter van de wet van 15 december
  7. Bovendien merkt hij op dat de situatie van de verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege niet verschilt van die van de begunstigden van de subsidiaire bescherming, in zoverre artikel 55/5 van de wet van 15 december 1980 de verplichting oplegt om na te gaan of de omstandigheden die hebben verantwoord dat de subsidiaire beschermingsstatus werd verleend, voortduren. -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling en de context ervan B.
  8. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 13, § 1, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen » (hierna : de wet van 15 december 1980), dat betrekking heeft op de duur van de in artikel 9ter van dezelfde wet bedoelde machtiging tot verblijf om medische redenen. B.2.
  9. Artikel 9ter, § 1, van de wet van 15 december 1980 bepaalt : 6 « De in België verblijvende vreemdeling die zijn identiteit aantoont overeenkomstig § 2 en die op zodanige wijze lijdt aan een ziekte dat deze ziekte een reëel risico inhoudt voor zijn leven of fysieke integriteit of een reëel risico inhoudt op een onmenselijke of vernederende behandeling wanneer er geen adequate behandeling is in zijn land van herkomst of het land waar hij verblijft, kan een machtiging tot verblijf in het Rijk aanvragen bij de minister of zijn gemachtigde. De aanvraag moet per aangetekende brief worden ingediend bij de minister of zijn gemachtigde en bevat het adres van de effectieve verblijfplaats van de vreemdeling in België. De vreemdeling maakt samen met de aanvraag alle nuttige en recente inlichtingen over aangaande zijn ziekte en de mogelijkheden en de toegankelijkheid tot een adequate behandeling in zijn land van herkomst of in het land waar hij verblijft. Hij maakt een standaard medisch getuigschrift over zoals voorzien door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. Dit medisch getuigschrift dat niet ouder is dan drie maanden voorafgaand aan de indiening van de aanvraag vermeldt de ziekte, haar graad van ernst en de noodzakelijk geachte behandeling. De beoordeling van het in het eerste lid vermelde risico, van de mogelijkheden van en van de toegankelijkheid tot behandeling in zijn land van herkomst of het land waar hij verblijft, en van de in het medisch getuigschrift vermelde ziekte, haar graad van ernst en de noodzakelijk geachte behandeling, gebeurt door een ambtenaar-geneesheer of een geneesheer aangeduid door de minister of zijn gemachtigde die daaromtrent een advies verschaft. Deze geneesheer kan, indien hij dit nodig acht, de vreemdeling onderzoeken en een bijkomend advies inwinnen van deskundigen ». B.2.
  10. Artikel 13, § 1, eerste en tweede lid, van de wet van 15 december 1980 bepaalt : « Behalve indien dit uitdrukkelijk anders wordt voorzien, wordt de machtiging tot verblijf verleend voor een beperkte tijd, ingevolge deze wet of ingevolge specifieke omstandigheden die betrekking hebben op de betrokkene of ingevolge de aard of de duur van zijn activiteiten in België. De machtiging tot verblijf die verstrekt wordt voor beperkte duur op grond van artikel 9ter, wordt van onbeperkte duur bij het verstrijken van een periode van vijf jaar nadat de aanvraag tot machtiging werd aangevraagd ». B.3.
  11. In artikel 13, § 1, eerste lid, van de wet van 15 december 1980 wordt het beginsel van de beperkte duur van de machtiging tot verblijf vastgelegd. Volgens de parlementaire voorbereiding van de wet van 15 september 2006 « tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen » (hierna : de wet van 15 september 2006) is 7 dat beginsel een gevolg van de vaststelling dat de verlenging van het verblijf meestal aan bepaalde voorwaarden is onderworpen, met name het ziekteverloop voor een zieke : « Wat de machtiging tot verblijf betreft, zorgt artikel 13, § 1 voor een omkering van de huidige regel. In het huidige artikel 13 wordt immers bepaald dat de machtiging tot verblijf wordt verleend voor een onbepaalde duur, tenzij zij uitdrukkelijk een limiet stelt wegens bijzondere omstandigheden eigen aan de betrokkene of in verband met de aard en de duur van zijn werkzaamheden in België. In de praktijk kan men echter alleen maar vaststellen dat de machtiging tot verblijf zeer zelden voor een onbepaalde duur wordt afgegeven, aangezien de verlenging van het verblijf van de betrokkene meestal aan bepaalde voorwaarden is onderworpen (vernieuwing van de arbeidskaart of beroepskaart voor een werknemer, voortzetting van het samenwonen voor een samenwonende, ziekteverloop voor een zieke, werk vinden, wat een voorwaarde is voor een groot aantal vreemdelingen aan wie een machtiging tot voorlopig verblijf werd toegestaan …). Er werd dan ook beslist om de wet aan te passen zodat ze meer met de werkelijkheid overeenstemt. Desondanks kan nog steeds een machtiging tot verblijf van onbepaalde duur worden toegekend » (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2478/001, p. 70). B.3.
  12. Artikel 13, § 1, tweede lid, van de wet van 15 december 1980, zoals geïnterpreteerd door het verwijzende rechtscollege, bepaalt dat, wanneer een vreemdeling gedurende vijf jaar tot verblijf werd gemachtigd bij een of meer machtigingen van beperkte duur die werden toegekend op basis van artikel 9ter van dezelfde wet, de duur van het verblijf onbeperkt wordt. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 15 september 2006 blijkt dat die bepaling werd ingevoerd na een opmerking van de afdeling wetgeving van de Raad van State, volgens welke de vreemdelingen die op grond van artikel 9ter tot verblijf werden gemachtigd en die door de wetgever werden beschouwd als begunstigden van de subsidiaire bescherming, op dezelfde manier moesten worden behandeld als die laatstgenoemden : « Artikel 13, § 1, tweede lid, nieuw geeft gevolg aan een opmerking van de Raad van State met betrekking tot het feit dat de vreemdelingen die op basis van artikel 9ter gemachtigd worden tot een verblijf, eveneens begunstigden van het statuut van de subsidiaire bescherming zijn: het voorziet dat deze personen, net zoals de andere begunstigden van de subsidiaire bescherming, na het verstrijken van een periode van 5 jaar na hun aanvraag ook recht hebben op een machtiging tot verblijf voor onbepaalde duur » (ibid.). Later werd de gelijkstelling van de vreemdelingen die om medische redenen tot verblijf zijn gemachtigd met de begunstigden van het statuut van de subsidiaire bescherming evenwel ontkracht bij het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 18 december 2014 in zake M’Bodj (grote kamer, C-542/13, ECLI:EU:C:2014:2452), waarin werd geoordeeld dat 8 de personen die om medische redenen tot verblijf zijn gemachtigd op grond van artikel 9ter van de wet van 15 december 1980, niet onder de subsidiaire beschermingsstatus vallen, tenzij het opzettelijk weigeren van medische zorg aan die personen in hun land van herkomst of in het land waar zij voordien verbleven, in het geding is. Tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 15 september 2006 heeft de bevoegde minister, naast de verwijzing naar de subsidiaire bescherming, eveneens opgemerkt dat de in artikel 13, § 1, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 bepaalde periode van vijf jaar « een redelijke termijn [vormt] waarbinnen een situatie kan veranderen » (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2478/008, p. 377). Ten gronde B.
  13. Het Hof wordt ondervraagd over de bestaanbaarheid van artikel 13, § 1, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 met de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Uit de bewoordingen van de prejudiciële vraag en uit de motieven van de verwijzingsbeslissing blijkt dat het Hof wordt verzocht om twee categorieën van vreemdelingen te vergelijken aan wie een machtiging tot verblijf van beperkte duur werd verleend op grond van artikel 9ter van de wet van 15 december 1980 en die de hernieuwing ervan hebben aangevraagd. De eerste categorie bestaat uit degenen die ingevolge opeenvolgende hernieuwingen van hun machtiging reeds vijf jaar vanaf de oorspronkelijke aanvraag tot verblijf zijn gemachtigd op grond van artikel 9ter. De tweede categorie bestaat uit degenen die, in de interpretatie van het verwijzende rechtscollege, in afwachting van een beslissing over hun aanvraag tot hernieuwing voorlopig tot verblijf zijn gemachtigd krachtens artikel 33 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen » en die vijf jaar wettig verblijf hebben sinds de oorspronkelijke aanvraag. Alleen de vreemdelingen die tot de eerste categorie behoren, mogen op grond van de in het geding zijnde bepaling het verblijfsrecht van onbeperkte duur genieten. 9 B.5.
  14. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. B.5.
  15. Artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens waarborgt eveneens het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie wat betreft het genot van de rechten en vrijheden welke in dat Verdrag en zijn aanvullende protocollen zijn vermeld. B.5.
  16. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.6.
  17. De Grondwetgever heeft gestreefd naar een zo groot mogelijke concordantie tussen artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (Parl. St., Kamer, 1992-1993, nr. 997/5, p. 2). De draagwijdte van dat artikel 8 is analoog aan die van de voormelde grondwetsbepaling zodat de waarborgen die beide bepalingen bieden, een onlosmakelijk geheel vormen. B.6.
  18. De rechten die bij artikel 22 van de Grondwet en bij artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens worden gewaarborgd, zijn niet absoluut. Hoewel artikel 22 van de Grondwet aan eenieder het recht op eerbiediging van zijn privéleven en zijn gezinsleven toekent, voegt die bepaling daaraan immers onmiddellijk toe : « behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald ». De voormelde bepalingen vereisen dat elke overheidsinmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven en het gezinsleven wordt voorgeschreven door een voldoende precieze wettelijke bepaling, dat zij beantwoordt aan een dwingende maatschappelijke behoefte en evenredig is met de nagestreefde wettige doelstelling. 10 B.7.
  19. De Ministerraad doet gelden dat de in B.4 vermelde categorieën van vreemdelingen niet vergelijkbaar zijn, aangezien alleen de vreemdelingen die tot de eerste categorie behoren, ingevolge de controle van de evolutie van hun medische situatie de hernieuwing van hun machtiging tot verblijf op grond van artikel 9ter van de wet van 15 december 1980 hebben genoten . B.7.
  20. De in B.4 vermelde categorieën van vreemdelingen zijn voldoende vergelijkbaar ten aanzien van de in het geding zijnde maatregel, aangezien het gaat om vreemdelingen van wie de oorspronkelijke aanvraag voor machtiging tot verblijf op grond van artikel 9ter van de wet van 15 december 1980 ontvankelijk en gegrond werd verklaard, die de vernieuwing van hun machtiging tot verblijf hebben aangevraagd en die, weliswaar op verschillende gronden, gedurende een periode van vijf jaar sinds de oorspronkelijke aanvraag wettig op het grondgebied hebben verbleven. B.
  21. Het komt de wetgever toe een beleid betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen te voeren en daaromtrent, met inachtneming van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, in de nodige maatregelen te voorzien die met name betrekking kunnen hebben op het vaststellen van de voorwaarden volgens welke het verblijf van een vreemdeling in België al dan niet wettig is. Dat daaruit een verschil in behandeling voortvloeit tussen vreemdelingen is het logische gevolg van de inwerkingstelling van voormeld beleid. B.
  22. Het in het geding zijnde verschil in behandeling steunt op een objectief criterium van onderscheid, namelijk het feit dat de vreemdeling gedurende vijf jaar al dan niet tot verblijf werd gemachtigd op grond van artikel 9ter van de wet van 15 december
  23. B.
  24. De wetgever kon redelijkerwijs ervan uitgaan dat de machtiging tot verblijf op grond van artikel 9ter van de wet van 15 december 1980 in eerste instantie moet worden toegekend voor een beperkte duur teneinde periodiek na te gaan of de medische redenen die aan de basis liggen van de machtiging tot verblijf, voorhanden blijven. De aanvraagprocedure op grond van artikel 9ter onderscheidt zich immers van andere aanvraagprocedures door de aard van het onderzoek dat moet worden gevoerd en dat in de parlementaire voorbereiding van de wet van 15 september 2006 als « objectief » wordt omschreven omdat het is gebaseerd op medische 11 vaststellingen (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2478/001, p. 10). Uit hetgeen in B.3.2 is vermeld, blijkt dat de wetgever van oordeel was dat de duur van vijf jaar een redelijke termijn vormt waarbinnen de situatie van de vreemdeling kan veranderen. De wetgever vermocht bijgevolg redelijkerwijs te bepalen dat, indien de medische redenen die aan de grondslag liggen van de machtiging tot verblijf gedurende vijf jaar voorhanden zijn gebleven, een dergelijke periodieke controle niet meer wordt opgelegd na die termijn van vijf jaar en de duur van de machtiging tot verblijf onbeperkt wordt. Het feit dat de vreemdeling gedurende vijf jaar werd gemachtigd tot verblijf op grond van artikel 9ter van de wet van 15 december 1980, houdt noodzakelijkerwijs in dat de medische redenen die ten grondslag liggen aan de machtiging tot verblijf gedurende die periode voorhanden zijn gebleven. Een dergelijke vaststelling vloeit daarentegen niet voort uit de situatie waarbij de vreemdeling een machtiging tot verblijf van beperkte duur heeft verkregen op grond van artikel 9ter van de wet van 15 december 1980, maar waarbij hij nadien de hernieuwing ervan heeft aangevraagd en voorlopig tot verblijf is gemachtigd in afwachting van een beslissing over zijn aanvraag tot hernieuwing, en zulks zelfs indien de duur van het wettige verblijf dus vijf jaar bedraagt. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 15 september 2006 blijkt overigens dat artikel 9ter ook zo moet worden gezien dat het een beter kader biedt voor de procedure op grond van buitengewone omstandigheden van medische aard, zoals die voorheen was bepaald in artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980, en dat de wetgever tot doel had « het uitputten van diverse procedures of het indienen van opeenvolgende regularisatieaanvragen, waarbij telkens dezelfde elementen worden ingeroepen » te ontmoedigen (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2478/001, p. 12). Daaruit volgt dat het criterium van onderscheid waarop het in het geding zijnde verschil in behandeling berust pertinent is. B.
  25. Tot slot brengt de in het geding zijnde bepaling geen onevenredige gevolgen teweeg voor de vreemdelingen die een machtiging tot verblijf van beperkte duur hebben verkregen op grond van artikel 9ter van de wet van 15 december 1980, die de hernieuwing ervan hebben aangevraagd, die voorlopig zijn gemachtigd tot verblijf in afwachting van een beslissing over hun aanvraag tot hernieuwing en die sinds hun oorspronkelijke aanvraag vijf jaar wettig hebben verbleven. Ingeval de machtiging tot verblijf wordt hernieuwd, heeft die hernieuwing terugwerkende kracht, zodat de periode waarin het verblijf voorlopig was toegestaan in afwachting van een beslissing over de aanvraag tot hernieuwing, met terugwerkende kracht wordt geacht te zijn 12 toegestaan op grond van artikel 9ter van de wet van 15 december 1980, en bijgevolg in aanmerking wordt genomen om de termijn van vijf jaar te berekenen waarin de in het geding zijnde bepaling voorziet. Ingeval de hernieuwing van de machtiging tot verblijf wordt geweigerd en dezelfde periode dus niet in aanmerking wordt genomen om de termijn van vijf jaar te berekenen waarin de in het geding zijnde bepaling voorziet, dient te worden vastgesteld, specifiek ten aanzien van het recht op eerbiediging van het privéleven en het gezinsleven, dat er andere wettelijke gronden bestaan om tot verblijf te worden toegelaten op basis waarvan de bescherming van dat recht kan worden gewaarborgd. B.
  26. Artikel 13, § 1, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 is bestaanbaar met de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. 13 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 13, § 1, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen » schendt niet de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 15 februari
  27. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut P. Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.023 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.112 ECLI:EU:C:2014:2452 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.