id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 15 februari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.024 Arrest- Rolnummer: 24/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-02-26 Raadplegingen: 411 - laatst gezien 2026-06-17 05:32 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Schending (artikel 908 van het oud Burgerlijk Wetboek, zoals ingevoerd bij artikel 126 van de wet van 17 maart 2013 « tot hervorming van de regelingen inzake onbekwaamheid en tot instelling van een nieuwe beschermingsstatus die strookt met de menselijke waardigheid » en gewijzigd bij artikel 199 van de wet van 25 april 2014 « houdende diverse bepalingen betreffende Justitie », maar vóór de wijziging ervan bij artikel 41 van de wet van 21 december 2018 « houdende diverse bepalingen betreffende justitie », in zoverre die bepaling de absolute rechtsonbekwaamheid als gevolg heeft van de niet-professionele bewindvoerders die geen nauwe bloedverwant of partner zijn van de beschermde persoon, om schenkingen of legaten te ontvangen van die laatste) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen betreffende artikel 908 van het oud Burgerlijk Wetboek, zoals ingevoegd bij de wet van 17 maart 2013 en vóór de wijziging ervan bij de wet van 21 december 2018, gesteld door het Hof van Cassatie. Burgerlijk recht - Schenking onder levenden of bij testament - Beschermde persoon - Niet-professionele bewindvoerder - Absolute rechtsonbekwaamheid van de bewindvoerder om schenkingen of legaten te ontvangen Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 24/2024 van 15 februari 2024 Rolnummer : 7956 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 908 van het oud Burgerlijk Wetboek, zoals ingevoegd bij de wet van 17 maart 2013 en vóór de wijziging ervan bij de wet van 21 december 2018, gesteld door het Hof van Cassatie. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en P. Nihoul, en de rechters J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, D. Pieters, S. de Bethune, E. Bribosia, K. Jadin en M. Plovie, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij arrest van 6 februari 2023, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 20 maart 2023, heeft het Hof van Cassatie de volgende prejudiciële vragen gesteld :
- « Schendt artikel 908 Oud Burgerlijk Wetboek (zoals ingevoerd bij wet van 17 maart 2013 tot hervorming van de regelingen inzake onbekwaamheid en tot instelling van een nieuwe beschermingsstatus die strookt met de menselijke waardigheid en voor de wijziging ervan bij wet van 21 december 2018 houdende diverse bepalingen betreffende justitie), de artikelen 10, 11 en 16 Grondwet, al dan niet in samenhang met artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol bij het EVRM, in zoverre het de bewindvoerder die niet valt onder de in artikel 909, derde lid, 2° en 3°, Oud Burgerlijk Wetboek bepaalde uitzonderingen, absoluut rechtsonbekwaam acht om een schenking of een legaat van de beschermde persoon te ontvangen, terwijl de bewindvoerder krachtens artikel 499/10 Oud Burgerlijk Wetboek wel op een andere wijze dan bij schenking of legaat goederen van de beschermde persoon kan verkrijgen mits vrederechterlijke machtiging ? »;
- « Schendt artikel 908 Oud Burgerlijk Wetboek (zoals ingevoerd bij wet van 17 maart 2013 tot hervorming van de regelingen inzake onbekwaamheid en tot instelling van een nieuwe beschermingsstatus die strookt met de menselijke waardigheid en voor de wijziging ervan bij wet van 21 december 2018 houdende diverse bepalingen betreffende justitie), de artikelen 10 en 11 Grondwet, al dan niet in samenhang met artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol bij het 2 EVRM, in zoverre het de niet-professionele bewindvoerder die niet valt onder de in artikel 909, derde lid, 2° en 3°, Oud Burgerlijk Wetboek bepaalde uitzonderingen, maar die wel een nauwe of affectieve band heeft met de beschermde persoon, absoluut rechtsonbekwaam acht om een schenking of een legaat van de beschermde persoon te ontvangen, terwijl het de bewindvoerder die wel valt onder de in artikel 909, derde lid, 2° en 3°, Oud Burgerlijk Wetboek bepaalde uitzonderingen en zodoende een nauwe bloedverwant of partner is van de beschermde persoon, rechtsbekwaam acht om een schenking of een legaat van de beschermde persoon te ontvangen ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - K. D.W., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. C. De Baets, advocate bij het Hof van Cassatie; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. A. Wirtgen en Mr. S. Wils, advocaten bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 20 december 2023 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers D. Pieters en K. Jadin te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil K. D.W. was de bewindvoerder van S.V. Laatstgenoemde werd tijdens het bewind door de vrederechter gemachtigd om twee schenkingen aan de bewindvoerder te doen en een authentiek testament in zijn voordeel, of, in geval van vooroverlijden, ten voordele van zijn dochter, te verlijden. Na haar overlijden liet ze als enige wettige erfgenamen haar neef en nicht na. Zij gingen over tot dagvaarding van de bewindvoerder voor de Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Mechelen, tot nietigverklaring van de schenkingen en van het testament, op grond van onbekwaamheid, zoals vermeld in artikel 908 van het oud Burgerlijk Wetboek, en op grond van ongezondheid van geest, zoals vermeld in artikel 901 van het oud Burgerlijk Wetboek. De Rechtbank verwierp de vordering. Nadat het Hof van Beroep te Antwerpen hun hoger beroep verwierp, dienden de wettige erfgenamen een voorziening in bij het Hof van Cassatie. Het Hof van Cassatie stelt vast dat artikel 908 van het oud Burgerlijk Wetboek een absoluut verbod inhoudt voor de bewindvoerder die niet valt onder de in artikel 909, derde lid, 2° en 3°, van het oud Burgerlijk Wetboek bepaalde uitzonderingen, om een schenking of een legaat van de beschermde persoon te ontvangen. Volgens het verwijzend rechtscollege verhindert die verbodsbepaling de bewindvoerder de schenkingen en de erfenis te ontvangen. Het beslist dan ook de hiervoor weergegeven prejudiciële vragen te stellen. 3 III. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.1.
- De Ministerraad voert aan dat de eerste prejudiciële vraag minstens gedeeltelijk geen antwoord behoeft, omdat noch uit de prejudiciële vraag, noch uit het verwijzingsarrest kan worden afgeleid hoe artikel 16 van de Grondwet en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en het daarin vervatte recht op eigendom door de in het geding zijnde bepaling zouden kunnen worden geschonden. Om dezelfde reden behoeft ook de tweede prejudiciële vraag minstens gedeeltelijk geen antwoord. A.1.
- De bewindvoerder is het hiermee oneens en stelt dat artikel 908 van het oud Burgerlijk Wetboek tegelijk het recht van de bewindvoerder om eigendom te verwerven en het recht van de beschermde persoon om over zijn eigendom te beschikken beperkt. Hij vindt dat artikel 16 van de Grondwet en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol daarom onrechtstreeks nodig zijn bij de toetsing aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Ten gronde Wat betreft de eerste prejudiciële vraag A.2.
- Volgens de bewindvoerder moet de prejudiciële vraag bevestigend worden beantwoord. Hij stelt dat bepaalde vormen van overdracht van goederen aan de bewindvoerder die niet bij schenking of testament gebeuren even ingrijpende patrimoniale gevolgen hebben. Het feit dat een overdracht bij schenking of testament dan wel op een andere wijze gebeurt, maakt geen verschil wat betreft de oprechtheid van de wil van de beschermde persoon. Er is daarom geen redelijk verband van evenredigheid tussen het absoluut karakter van rechtsonbekwaamheid van de bewindvoerder en het nagestreefde doel om beïnvloeding door de bewindvoerder te vermijden. A.2.
- Volgens de Ministerraad moet de prejudiciële vraag ontkennend worden beantwoord. In hoofdorde is de Ministerraad van oordeel dat er geen sprake is van vergelijkbare categorieën van personen. In de eerste plaats verwijst de Ministerraad naar de parlementaire voorbereiding, die erop duidt dat er verschillende categorieën van personen door de wetgever werden beoogd. Ten tweede haalt de Ministerraad aan dat de beschikking van de schenking of het legaat uitdrukkelijk dient te worden onderscheiden van andere daden van verkrijging. In ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat indien de in de prejudiciële vraag aangehaalde categorieën van personen en beschikkingen zich toch in vergelijkbare situaties zouden bevinden, het aangevoerde verschil in behandeling op een objectief criterium berust, pertinent is en niet kennelijk onredelijk. De Ministerraad voert aan de hand van parlementaire voorbereiding aan dat de wetgever een onweerlegbaar vermoeden van captatie heeft ingevoerd dat geldt voor niet-familiale bewindvoerders. Er is immers een vertrouwensband tussen beide partijen en een bijzondere gezags- en machtspositie in het voordeel van de bewindvoerder ten opzichte van de beschermde persoon. Wat betreft de tweede prejudiciële vraag A.3.
- Volgens de bewindvoerder moet de prejudiciële vraag bevestigend worden beantwoord. Er is geen redelijk verband tussen de in artikel 908 van het oud Burgerlijk Wetboek bepaalde absolute onweerlegbare rechtsonbekwaamheid van de bewindvoerder om schenkingen en legaten van de beschermde persoon te ontvangen, enerzijds, en de doelstelling om te vermijden dat de bewindvoerder voordeel zou halen uit die positie van afhankelijkheid, anderzijds. Er is namelijk reeds een dubbele garantie om captatie te vermijden. Enerzijds is dit de machtiging door de vrederechter aan de beschermde persoon om goederen te legateren of te schenken op grond van de artikelen 499/7 en 905 van het oud Burgerlijk Wetboek. Anderzijds is er de in artikel 499/10 van het oud Burgerlijk Wetboek vereiste machtiging aan de bewindvoerder om goederen te kunnen ontvangen van de beschermde persoon. Volgens de bewindvoerder wou de wetgever enkel voor professionele bewindvoerders voorzien in een absolute rechtsonbekwaamheid, gebaseerd op een onweerlegbaar vermoeden van captatie. Daarom is het absoluut en onweerlegbaar karakter van de in artikel 908 van het oud Burgerlijk Wetboek bepaalde rechtsonbekwaamheid des te meer onredelijk en onevenredig voor de niet-professionele bewindvoerder die niet een van de in artikel 909, derde lid, 2° en 3°, van het oud Burgerlijk Wetboek bedoelde personen is. 4 A.3.
- Volgens de Ministerraad moet de prejudiciële vraag ontkennend worden beantwoord. Hij verwijst naar de argumentatie bij de eerste prejudiciële vraag. Volgens de Ministerraad was het de wil van de wetgever om niet-familiale bewindvoerders uit te sluiten van het ontvangen van giften of legaten, ongeacht of zij een opdracht van bijstand, dan wel vertegenwoordiging hebben. Hiervoor verwijst de Ministerraad naar de wetsgeschiedenis van artikel 908 van het oud Burgerlijk Wetboek, waaruit die wil blijkt. Het is niet onredelijk om personen die een bijzondere affectieve band hebben met de beschermde persoon uit te sluiten van de kring van personen voor wie het onweerlegbaar vermoeden van captatie niet geldt. Een affectieve band zou geveinsd kunnen worden, omdat het een feitenkwestie is. Daarom heeft de wetgever de uitzondering op het principe dat de bewindvoerder niet kan erven en geen schenkingen kan ontvangen beperkt tot de uitzonderingen uit de bepaling. -B– Ten aanzien van de ontvankelijkheid B.1.
- Volgens de Ministerraad is de eerste prejudiciële vraag minstens gedeeltelijk onontvankelijk, omdat noch uit de prejudiciële vraag, noch uit het verwijzingsarrest kan worden afgeleid hoe artikel 16 van de Grondwet en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (hierna : het Eerste Aanvullend Protocol) en het daarin vervatte recht op eigendom door de in het geding zijnde bepaling zouden kunnen worden geschonden. Ook de tweede prejudiciële vraag is volgens de Ministerraad om dezelfde reden onontvankelijk ten aanzien van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol. B.1.
- Noch uit de prejudiciële vragen, noch uit de verwijzingsbeslissing kan worden afgeleid op welke wijze de in het geding zijnde bepaling artikel 16 van de Grondwet en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol zou schenden. De bewindvoerder voert aan dat de prejudiciële vragen eveneens betrekking hebben op de mogelijkheid, voor de beschermde persoon, om over diens eigendom te beschikken. Het staat evenwel niet aan een partij voor het verwijzende rechtscollege om het onderwerp en de omvang van de prejudiciële vragen te bepalen. Het Hof beperkt zijn onderzoek van de prejudiciële vragen bijgevolg tot de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepaling met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 5 Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling B.2.
- De prejudiciële vragen hebben betrekking op artikel 908 van het oud Burgerlijk Wetboek, zoals hersteld bij artikel 126 van de wet van 17 maart 2013 « tot hervorming van de regelingen inzake onbekwaamheid en tot instelling van een nieuwe beschermingsstatus die strookt met de menselijke waardigheid » (hierna : de wet van 17 maart 2013) en gewijzigd bij artikel 199 van de wet van 25 april 2014 « houdende diverse bepalingen betreffende Justitie », maar vóór de wijziging ervan bij artikel 41 van de wet van 21 december 2018 « houdende diverse bepalingen betreffende justitie ». Op grond van die bepaling kan een bewindvoerder en eenieder die een gerechtelijk mandaat uitoefent, geen schenkingen of legaten ontvangen van de beschermde persoon of de persoon ten aanzien van wie het mandaat wordt uitgeoefend. Artikel 908 van het oud Burgerlijk Wetboek, zoals van toepassing in het geding voor het verwijzende rechtscollege, bepaalt : « De in boek 1, titel XI, hoofdstuk II/1, bedoelde bewindvoerder en eenieder die een gerechtelijk mandaat uitoefent, kunnen geen schenking of legaat ontvangen van de beschermde persoon of de persoon ten aanzien van wie hij dit mandaat uitoefent. De uitzonderingen bepaald in artikel 909, derde lid, 2° en 3° zijn van overeenkomstige toepassing ». B.2.
- Artikel 909 van het oud Burgerlijk Wetboek bepaalt onder meer dat artsen, die een persoon hebben behandeld gedurende de ziekte waaraan hij overleden is, geen voordeel kunnen genieten van beschikkingen onder de levenden of bij testament gemaakt in de loop van die ziekte. De uitzonderingen op dat verbod, die krachtens artikel 908 ook van toepassing zijn ten aanzien van de bewindvoerder, worden opgesomd in artikel 909, derde lid, 2° en 3°, van het oud Burgerlijk Wetboek, zoals van toepassing in het geding ten gronde, dat bepaalt : « Hiervan zijn uitgezonderd : [...] 2° de algemene beschikkingen ten voordele van bloedverwanten tot en met de vierde graad, mits de overledene geen erfgenamen in de rechte lijn achterlaat; tenzij degene ten voordele van wie de beschikking gemaakt is, zelf tot die erfgenamen behoort; 3° de beschikkingen ten voordele van de echtgenoot, de wettelijk samenwonende of de persoon met wie de beschikker een feitelijk gezin vormt ». 6 B.2.
- Artikel 908 van het oud Burgerlijk Wetboek werd ingevoerd bij de wet van 17 maart
- De parlementaire voorbereiding van die wet vermeldt : « Dit amendement komt tegemoet aan de opmerkingen van OVB. Het bepaalt dat de professionele bewindvoerder geen voordeel kan halen uit milddadigheden die hem door de beschermde persoon worden gedaan. De professionele bewindvoering is immers niet gediend door betwistingen die kunnen ontstaan op het vlak van milddadigheden door de beschermde persoon aan de professionele bewindvoerder, zodat een uitbreiding van de wettelijke onbekwaamheid tot ontvangen door professionele bewindvoerders aangewezen is. Verder bevindt de beschermde persoon zich gedurende het bewind in een afhankelijke positie t.a.v. de bewindvoerder die beslissingen moet treffen over zijn vermogen. De bewindvoerder zou deze positie kunnen bedienen om de persoon aan te zetten om giften te doen in zijn voordeel. [...] In dezelfde optiek werd ook bepaald in artikel 497-6 van het Burgerlijk Wetboek (zie ook art. 488bis, h), § 1, laatste lid BW) dat de bewindvoerder verboden is, om enige bezoldiging of voordeel, van welke aard ook of van wie ook, te ontvangen met betrekking tot de uitoefening van het gerechtelijk mandaat van bewindvoerder. Dit amendement verduidelijkt dat het ook handelt om voordelen verkregen door beschikkingen om niet van de beschermde persoon. De uitzondering bedoeld in artikel 909, 3e lid, 1° van het Burgerlijk Wetboek is uiteraard niet van toepassing. Voor de familiale bewindvoerders geldt deze beperking niet (art. 909, derde lid, 2° en 3° BW). Bloedverwanten tot en met de vierde graad, mits de overleden beschermde persoon geen erfgenamen in de rechte lijn achterlaat, tenzij degene ten voordele van wie de beschikking gemaakt is, zelf tot die erfgenamen behoort, kunnen wél nog giften ontvangen. Hetzelfde geldt voor de beschikkingen ten voordele van de echtgenoot, de wettelijk samenwonende of de persoon met wie de beschermde persoon een feitelijk gezin vormt » (Parl. St., Kamer, 2011-2012, DOC 53-1009/002, pp. 56 en 57). B.2.
- Artikel 499/10 van het oud Burgerlijk Wetboek, zoals van toepassing in het geding ten gronde, bepaalt : « Met uitzondering van de echtgenoot of echtgenote, kan de bewindvoerder geen goederen van de beschermde persoon verkrijgen, noch rechtstreeks, noch door een tussenpersoon, behalve na bijzondere machtiging verleend door de vrederechter overeenkomstig de procedure bepaald bij artikel 1250 van het Gerechtelijk Wetboek of krachtens de wet van 16 mei 1900 tot wijziging van het erfstelsel voor de kleine nalatenschappen, de wet van 29 augustus 1988 op de erfregeling inzake landbouwbedrijven met het oog op het bevorderen van de continuïteit, of in het kader van een gerechtelijke of minnelijke verdeling goedgekeurd overeenkomstig artikel 1206 van het Gerechtelijk Wetboek. Hij kan de goederen van de beschermde persoon slechts in huur nemen als de vrederechter daartoe op schriftelijk verzoek machtiging verleent. In dat geval bepaalt de vrederechter in zijn beschikking de huurvoorwaarden, alsook de bijzondere waarborgen verbonden aan de aldus toegestane huur ». 7 B.2.
- Het verwijzende rechtscollege interpreteert artikel 499/10 van het oud Burgerlijk Wetboek in die zin dat die bepaling geen bijkomende uitzondering is op de absolute rechtsonbekwaamheid van de bewindvoerder om, op de in artikel 909, derde lid, 2° en 3°, van het oud Burgerlijk Wetboek bedoelde uitzonderingen na, schenkingen of legaten van beschermde personen te ontvangen. Het Hof onderzoekt de in het geding zijnde bepaling in de interpretatie die de verwijzende rechter eraan geeft, tenzij die interpretatie kennelijk onjuist is, hetgeen hier niet het geval is. B.2.
- Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat het geding betrekking heeft op schenkingen die werden gedaan tijdens het bewind, alsook op een testament dat werd verleden tijdens dat bewind. Het Hof beperkt het onderzoek van beide prejudiciële vragen tot die hypothese. Ten gronde Wat betreft de tweede prejudiciële vraag B.
- In de tweede prejudiciële vraag wordt het Hof ondervraagd over het verschil in behandeling tussen, enerzijds, een niet-professionele bewindvoerder die niet onder de in artikel 909, derde lid, 2° en 3°, van het oud Burgerlijk Wetboek bedoelde uitzonderingen valt, maar wel een nauwe en affectieve band met de beschermde persoon heeft, en, anderzijds, een niet-professionele bewindvoerder die een nauwe bloedverwant of partner van de beschermde persoon is en die rechtsbekwaam is om een schenking of legaat van de beschermde persoon te ontvangen. B.
- Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende 8 beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.
- Het verschil in behandeling berust op de aard van de band die de niet-professionele bewindvoerder bezit ten aanzien van de beschermde persoon. Dat criterium van onderscheid is objectief. B.
- Zoals het verwijzende rechtscollege aangeeft, strekt de in het geding zijnde bepaling tot bescherming van de beschermde persoon tegen beïnvloeding door de bewindvoerder die als gerechtelijke opdrachthouder zichzelf voordeel zou verschaffen. Zulks blijkt ook uit de in B.2.3 vermelde parlementaire voorbereiding, die weliswaar in de eerste plaats verwijst naar de professionele bewindvoering. De wetgever was van oordeel dat de beschermde persoon zich in een afhankelijke positie bevindt ten aanzien van de bewindvoerder en dat die laatste zijn positie zou kunnen misbruiken om de beschermde persoon ertoe te beïnvloeden beschikkingen om niet te doen in zijn voordeel. Een dergelijke doelstelling is legitiem. B.
- Bij het kiezen van de bewindvoerder baseert de vrederechter zich op de voorkeur van de beschermde persoon of zijn naasten. Hij kan van die voorkeur afwijken in geval van ernstige redenen met betrekking tot het belang van de beschermde persoon. Bij gebrek aan een verklaring waarin een dergelijke voorkeur te kennen wordt gegeven of indien het onmogelijk is de gemaakte keuze te volgen, kiest de vrederechter een geschikte bewindvoerder. Het gaat bij voorkeur om de ouders, de echtgenoot, de wettelijk samenwonende, de persoon met wie de beschermde persoon een feitelijk gezin vormt, een lid van de naaste familie, een persoon die instaat voor de dagelijkse zorg van de te beschermen persoon of de te beschermen persoon en zijn omgeving begeleidt in die zorg, of bepaalde stichtingen. Daarbij houdt de vrederechter rekening met de belangen en de mening van de beschermde persoon, alsook met zijn persoonlijke omstandigheden, zijn leefomstandigheden en zijn gezinstoestand (zie de artikelen 496 tot 496/3 van het oud Burgerlijk Wetboek). De wetgever geeft er aldus de voorkeur aan dat de bewindvoerder behoort tot de naaste omgeving van de beschermde persoon, omgeving die niet noodzakelijk beperkt is tot het gezin of de familie. Het voorgaande impliceert bovendien dat de vrederechter, reeds op het ogenblik waarop de bewindvoerder wordt gekozen, de intenties van die laatste en de oprechtheid van zijn band 9 met de beschermde persoon nagaat. Nadien behoudt de vrederechter het toezicht op de wijze waarop de bewindvoerder zijn taak vervult, onder meer door de goedkeuring van het verslag dat de bewindvoerder minstens eenmaal per jaar dient uit te brengen (artikel 498/3 van het oud Burgerlijk Wetboek). De vrederechter kan daarnaast te allen tijde beslissen de bewindvoerder te vervangen (artikel 496/7 van het oud Burgerlijk Wetboek). B.
- In die omstandigheden kan in redelijkheid niet worden aangenomen dat een beschermd persoon, om de loutere reden dat er tussen hem en de bewindvoerder geen nauwe familiale verwantschap bestaat, niet bewust en vrij de bewindvoerder zou kunnen begiftigen, laat staan dat elke schenking of elk legaat in een dergelijke situatie tot stand zou komen onder invloed van vermogens- en erfenisbejaging. Dat geldt des te meer daar de in het geding zijnde rechtsonbekwaamheid van toepassing is ongeacht de omvang van de handelingsonbekwaamheid van de beschermde persoon, en in het bijzonder ook wanneer de beschermde persoon bekwaam is gebleven met betrekking tot het schenken onder levenden en/of het maken of herroepen van een uiterste wilsbeschikking (zie artikel 492/1, § 2, derde lid, 13° en 15°, van het oud Burgerlijk Wetboek). Overigens is het, omgekeerd, evenmin uitgesloten dat een niet-professionele bewindvoerder die een nauwe bloedverwant of partner van de beschermde persoon is, die persoon zou trachten te beïnvloeden om een schenking of legaat in zijn voordeel te doen. B.
- De door de wetgever nagestreefde doelstelling kan bijgevolg niet verantwoorden dat het voor niet-professionele bewindvoerders die geen nauwe bloedverwant of partner zijn van de beschermde persoon, absoluut onmogelijk is om een schenking of een legaat van die laatste te ontvangen, waarbij er zelfs geen mogelijkheid bestaat om voorafgaandelijk bij de vrederechter het vermoeden te weerleggen dat de beschermde persoon door de bewindvoerder werd beïnvloed om in zijn voordeel te beschikken, terwijl niet-professionele bewindvoerders die een nauwe bloedverwant of partner van de beschermde persoon zijn in beginsel wel een schenking of legaat van die laatste kunnen ontvangen. Het feit dat, zoals de Ministerraad aanvoert, het bestaan van een affectieve band een feitenkwestie betreft en kan worden geveinsd, belet niet dat de vrederechter zou nagaan of er voldoende elementen voorhanden zijn waaruit op ondubbelzinnige wijze blijkt dat de beschermde persoon bewust en vrij de bewindvoerder zou kunnen begiftigen. 10 B.
- De in het geding zijnde bepaling is onbestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre die bepaling de absolute rechtsonbekwaamheid van de niet-professionele bewindvoerders die geen nauwe bloedverwant of partner zijn van de beschermde persoon, om schenkingen of legaten te ontvangen van die laatste als gevolg heeft. Wat betreft de eerste prejudiciële vraag B.
- De eerste prejudiciële vraag betreft de bestaanbaarheid van artikel 908 van het oud Burgerlijk Wetboek met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Het Hof wordt ondervraagd over het verschil in behandeling tussen, enerzijds, een bewindvoerder die niet onder de in artikel 909, derde lid, 2° en 3°, van het oud Burgerlijk Wetboek bedoelde uitzonderingen valt, en die van de beschermde persoon door schenkingen of legaten goederen wenst te ontvangen en, anderzijds, een dergelijke bewindvoerder die op grond van artikel 499/10 van het oud Burgerlijk Wetboek en na machtiging door de vrederechter, op een andere wijze dan bij schenking of legaat goederen van de beschermde persoon wil verkrijgen. B.
- Rekening houdend met het antwoord dat is gegeven op de tweede prejudiciële vraag, behoeft de eerste prejudiciële vraag geen antwoord. 11 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 908 van het oud Burgerlijk Wetboek, zoals ingevoerd bij artikel 126 van de wet van 17 maart 2013 « tot hervorming van de regelingen inzake onbekwaamheid en tot instelling van een nieuwe beschermingsstatus die strookt met de menselijke waardigheid » en gewijzigd bij artikel 199 van de wet van 25 april 2014 « houdende diverse bepalingen betreffende Justitie », maar vóór de wijziging ervan bij artikel 41 van de wet van 21 december 2018 « houdende diverse bepalingen betreffende justitie », schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre die bepaling de absolute rechtsonbekwaamheid als gevolg heeft van de niet-professionele bewindvoerders die geen nauwe bloedverwant of partner zijn van de beschermde persoon, om schenkingen of legaten te ontvangen van die laatste. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 15 februari
- De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut L. Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.024 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div