id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 22 februari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.026 Arrest- Rolnummer: 26/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-03-04 Raadplegingen: 426 - laatst gezien 2026-06-18 21:50 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: het beroep tot gedeeltelijke vernietiging van artikel 103, 7°, van het decreet van het Waalse Gewest van 5 mei 2022 « tot wijziging van verscheidene bepalingen inzake energie in het kader van de gedeeltelijke omzetting van richtlijnen 2019/944/EU van 5 juni 2019 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en 2018/2001/EU van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en met het oog op de aanpassing van de beginselen betreffende de tariefmethodologie », ingesteld door de Waalse Commissie voor Energie. Energie - Waals Gewest - Elektriciteitsmarkt - Exclusieve bevoegdheden van de regulator - Onafhankelijkheid van de regulator - CWAPE - Tariefmethodologie die op de netbeheerder van toepassing is Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 26/2024 van 22 februari 2024 Rolnummer : 7966 In zake : het beroep tot gedeeltelijke vernietiging van artikel 103, 7°, van het decreet van het Waalse Gewest van 5 mei 2022 « tot wijziging van verscheidene bepalingen inzake energie in het kader van de gedeeltelijke omzetting van richtlijnen 2019/944/EU van 5 juni 2019 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en 2018/2001/EU van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en met het oog op de aanpassing van de beginselen betreffende de tariefmethodologie », ingesteld door de Waalse Commissie voor Energie. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters T. Giet, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, D. Pieters, S. de Bethune, E. Bribosia, W. Verrijdt, K. Jadin en M. Plovie, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 4 april 2023 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 5 april 2023, heeft de Waalse Commissie voor Energie, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. de Bandt, Mr. J. Dewispelaere en Mr. V. Heinen, advocaten bij de balie te Brussel, beroep tot gedeeltelijke vernietiging ingesteld van artikel 103, 7°, van het decreet van het Waalse Gewest van 5 mei 2022 « tot wijziging van verscheidene bepalingen inzake energie in het kader van de gedeeltelijke omzetting van richtlijnen 2019/944/EU van 5 juni 2019 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en 2018/2001/EU van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en met het oog op de aanpassing van de beginselen betreffende de tariefmethodologie » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 5 oktober 2022). 2 De Waalse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. I.-S. Brouhns en Mr. G. Possoz, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend, de verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de Waalse Regering heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 6 december 2023 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers K. Jadin en D. Pieters te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Ingevolge het verzoek van de verzoekende partij om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 20 december 2023 de dag van de terechtzitting bepaald op 17 januari 2024. Op de openbare terechtzitting van 17 januari 2024 : - zijn verschenen : . Mr. P. de Bandt en Mr. T. Ghysels, advocate bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partij; . Mr. I.-S. Brouhns, voor de Waalse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers K. Jadin en D. Pieters verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van het belang bij het vorderen van de vernietiging van artikel 4, § 2, 26° en 27°, van het decreet van het Waalse Gewest van 19 januari 2017 « betreffende de tariefmethodologie die van toepassing is op gas- en elektriciteitsdistributienetbeheerders », zoals toegevoegd bij artikel 103, 7°, van het decreet van 5 mei 2022 A.1. Om haar belang aan te tonen bij het vorderen van de vernietiging van artikel 4, § 2, 26° en 27°, van het decreet van het Waalse Gewest van 19 januari 2017 « betreffende de tariefmethodologie die van toepassing is op gas- en elektriciteitsdistributienetbeheerders » (hierna : het decreet van 19 januari 2017), toegevoegd bij artikel 103, 7°, van het decreet van 5 mei 2022 « tot wijziging van verscheidene bepalingen inzake energie in het kader van de gedeeltelijke omzetting van richtlijnen 2019/944/EU van 5 juni 2019 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en 2018/2001/EU van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en met het oog op de aanpassing van de beginselen betreffende de tariefmethodologie » (hierna : het decreet van 5 mei 2022), beroept de « Commission wallonne de régulation pour 3 l’énergie » (CWaPE) zich allereerst op haar hoedanigheid van Waalse overheid voor de regulering van de elektriciteitsmarkt en de gasmarkt. Zij voegt eraan toe dat haar beroep tot vernietiging ertoe strekt door het Hof te laten zeggen dat artikel 4, § 2, 26° en 27°, van het decreet van 19 januari 2017, toegevoegd bij artikel 103, 7°, van het decreet van 5 mei 2022 de richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 « betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot wijziging van Richtlijn 2012/27/EU (herschikking) » (hierna : de richtlijn (EU) 2019/944) niet correct omzetten. De CWaPE voert ook aan dat haar belang bij het vorderen van de vernietiging van het 26° en het 27° van artikel 4, § 2, van het decreet van 19 januari 2017 voortvloeit uit het feit dat, volgens haar, die decretale bepalingen afbreuk doen aan haar bevoegdheden en aan haar taken, alsook aan haar onafhankelijkheid, die door het Europees recht zijn beschermd. Ten slotte leidt zij uit het arrest van het Hof nr. 117/2013 van 7 augustus 2013 (ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.117), alsook uit het arrest van het Hof nr. 71/2016 van 25 mei 2016 (ECLI:BE:GHCC:2016:ARR.071) af dat de regulatoren van de energiemarkt doen blijken van het vereiste belang om de vernietiging te vorderen van wetten die het Europese reglementaire kader ter zake niet correct omzetten. Ten aanzien van de middelen A.2. De CWaPE zet uiteen dat artikel 4, § 2, 26° en 27°, van het decreet van 19 januari 2017, in zoverre het haar ertoe verplicht nieuwe « beginselen » in acht te nemen bij de totstandkoming van haar « tariefmethodologie », de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 57, lid 4, b), ii), en lid 5, a), en 59, lid 1, a), en lid 7, a), van de richtlijn 2019/944, schendt. De verzoekende partij voert aan dat, in elk geval, die nieuwe « beginselen » niet kunnen worden beschouwd als « algemene beleidsrichtsnoeren » die worden toegestaan door artikel 57, lid 4, b), ii), van de richtlijn (EU) 2019/944, daar zij betrekking hebben op de vaststelling van de methode voor de berekening van de elektriciteitsdistributietarieven, met andere woorden een taak die, volgens die richtlijn, is voorbehouden aan de regulerende instantie en derhalve niet het voorwerp kan uitmaken van « algemene beleidsrichtsnoeren van de overheid » in de zin van de voormelde Europese bepaling. In ondergeschikte orde verzoekt de CWaPE het Hof om aan het Hof van Justitie van de Europese Unie een prejudiciële vraag te stellen over de verenigbaarheid van artikel 4, § 2, 26°, van het decreet van 19 januari 2017 en van de laatste zin van artikel 4, § 2, 27°, van hetzelfde decreet met de artikelen 57, lid 4, b), ii), en lid 5, a), en 59, lid 1, a), en lid 7, a), van de richtlijn (EU) 2019/944, in zoverre die Europese bepalingen een exclusieve tarieftaak toekennen aan de regulerende instantie en de bescherming van de onafhankelijkheid van die instantie opleggen. A.3. De Waalse Regering merkt allereerst op dat artikel 33 van de Grondwet vereist dat de wetgevende macht de doelstellingen en de beginselen van het energiebeleid definieert, en verbiedt dat die definitie wordt overgelaten aan de administratieve overheden en aan de spelers op de energiemarkt. Zij voert aan dat de bestreden decretale bepalingen ertoe strekken niet alleen de economische en operationele doelstellingen van het door het Waalse Gewest aangenomen energiebeleid te bereiken, maar ook de sociale en milieugebonden doelstellingen van dat beleid, die niet onder de taken van de CWaPE vallen. De Waalse Regering voert ook aan dat het 26° en het 27° van artikel 4, § 2, van het decreet van 19 januari 2017 niet kunnen worden gekwalificeerd als een « directe instructie » in de zin van artikel 57, lid 4, b), ii), van de richtlijn (EU) 2019/944, daar zij niet tot doel hebben de beslissingen van de CWaPE op elkaar af te stemmen of ongepaste wijze te beïnvloeden. Zij is van mening dat die bepalingen de onafhankelijkheid van die regulerende instantie niet aantasten en dat zij niet tot gevolg hebben economische belangen te bevorderen die met de Regering zijn verbonden. Wat betreft artikel 4, § 2, 26°, van het decreet van 19 januari 2017 A.4. De CWaPE merkt op dat artikel 4, § 2, 26°, van het decreet van 19 januari 2017 de elektriciteitsdistributienetbeheerder toestaat om, in zijn distributietarief, rekening te houden met de kostprijs van een specifieke meetactiviteit. De verzoekende partij is van mening dat die kwestie nochtans een wezenlijk bestanddeel vormt van de « tariefmethodologie », zodat, volgens artikel 59 van de richtlijn (EU) 2019/944, alleen de regulerende instantie 4 van de elektriciteitsmarkt bevoegd is om te bepalen of de vergoeding van een netbeheerder rekening kan houden met sommige kosten. De verzoekende partij is ook van mening dat artikel 4, § 2, 26°, van het decreet van 19 januari 2017, door de bewegingsruimte van die regulerende instantie aanzienlijk te beperken, afbreuk doet aan diens onafhankelijkheid, in strijd met artikel 57 van de richtlijn (EU) 2019/944. De CWaPE onderstreept dat die onafhankelijkheid betekent dat zij vrij moet blijven om uit te sluiten dat in een distributietarief rekening wordt gehouden met de kostprijs van een specifieke meetactiviteit. De verzoekende partij merkt ook op dat het beginsel vervat in artikel 4, § 2, 26°, van het decreet van 19 januari 2017 deel uitmaakt van een geheel van dwingende regels. A.5. De Waalse Regering leidt uit de bewoordingen van artikel 4, § 2, 26°, van het decreet van 19 januari 2017 af dat die bepaling een recht instelt voor de CWaPE, en niet een verplichting ten laste van die regulerende instantie, zodat die bepaling geen afbreuk doet aan de onafhankelijkheid, noch aan de autonomie van de verzoekende partij. Zij merkt op dat artikel 4, § 2, 26°, van het decreet van 19 januari 2017 alleen ertoe strekt aan te geven dat de vergoeding die de CWaPE toekent, niet onverenigbaar zou zijn met het energiebeleid van het Waalse Gewest, zonder haar daarom te beletten de in die bepaling beoogde vergoeding uit te sluiten van haar tariefmethodologie. De Regering voegt eraan toe dat uit de bewoordingen van de bestreden bepaling veeleer volgt dat het om een algemene beleidsrichtsnoer gaat die de regulerende instantie ertoe moet aanzetten rekening te houden met de gewestelijke doelstellingen en belangen inzake energie. De Waalse Regering merkt ook op dat de kostprijs van de in artikel 4, § 2, 26°, van het decreet van 19 januari 2017 beoogde activiteiten geen aanzienlijk deel vormt van het geheel van de kosten die worden gedragen door een elektriciteitsdistributienetbeheerder, en dat de bestreden bepaling aangeeft dat de meetactiviteit die daarin wordt beoogd, kan worden beschouwd als een wettelijke verplichting waarvan de uitvoering kan worden gefinancierd door een compensatie vanwege de elektriciteitsdistributienetbeheerder, overeenkomstig het beginsel van de tariefmethodologie, opgenomen in artikel 4, § 2, 2°, van het decreet van 19 januari 2017. Wat betreft artikel 4, § 2, 27°, van het decreet van 19 januari 2017 A.6.1. De CWaPE voert aan dat de laatste zin van artikel 4, § 2, 27°, van het decreet van 19 januari 2017 inbreuk maakt op de exclusieve tariefbevoegdheid van de regulerende instantie, alsook afbreuk doet aan haar onafhankelijkheid, in zoverre die zin de bewegingsruimte beperkt welke die instantie moet genieten wanneer zij de tariefmethodologie aanneemt. De verzoekende partij merkt op dat, volgens de laatste zin van artikel 4, § 2, 27°, van het decreet van 19 januari 2017, elke tariefcomponent een stimulans moet vormen voor netgebruikers die dat wensen om elektriciteit te verbruiken op het moment dat er elektriciteit in overvloed op het net beschikbaar is of om individuele nettoegangscapaciteit te gebruiken die verenigbaar is met de capaciteit die op datzelfde moment op het net beschikbaar is. Zij herhaalt in dat verband hetgeen zij reeds heeft vermeld in haar advies van 18 juni 2021 over het voorontwerp van decreet dat ten grondslag ligt aan de bestreden bepaling, namelijk dat de voormelde regel de CWaPE ertoe lijkt te verplichten elk vast tarief af te schaffen en haar lijkt te beletten rekening te houden met tariefcomponenten die verband houden met elementen die niet zijn gemeten bij de netgebruiker. A.6.2. De verzoekende partij herhaalt vervolgens dat de Waalse wetgevende macht, met artikel 4, § 2, 27°, van het decreet van 19 januari 2017, inbreuk maakt op het werkingsgebied dat exclusief aan de nationale regulerende instantie is toegewezen bij artikel 59, lid 1, a), van de richtlijn (EU) 2019/944. Zij voegt eraan toe dat, zoals het Hof van Justitie van de Europese Unie dat reeds heeft opgemerkt (2 september 2021, C-718/18, Commissie t. Duitsland, ECLI:EU:C:2021:662), artikel 57, lid 4, b), ii), van dezelfde richtlijn de wetgevende macht niet toestaat « algemene beleidsrichtsnoeren » in dat verband uit te vaardigen. De verzoekende partij merkt ook op dat het, volgens artikel 58 van dezelfde richtlijn en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, aan de regulerende instantie toekomt om, volledig autonoom en in het openbaar belang, beslissingen te nemen op het werkingsgebied dat aan haar is voorbehouden teneinde de naleving van de met de richtlijn (EU) 2019/944 nagestreefde doelstellingen te waarborgen, zonder dat zij onderworpen is aan externe instructies vanwege andere organen van de Staat (3 december 2020, C-767/19, Commissie t. België, ECLI:EU:C:2020:984). De verzoekende partij is van mening dat derhalve niet dient te worden nagegaan of de met artikel 4, § 2, 27°, nagestreefde doelstellingen in lijn zijn met een andere Europese richtlijn. A.6.3. In ondergeschikte orde voert de CWaPE aan dat artikel 4, § 2, 27°, van het decreet van 19 januari 2017 niet kan worden beschouwd als een « algemeen beleidsrichtsnoer » die beantwoordt aan de voorwaarden 5 vastgelegd in het arrest van het Hof nr. 105/2023 van 29 juni 2023 (ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.105), omdat het « beginsel » dat is gedefinieerd door de voormelde wetgevende bepaling geen gewone stimulans vormt, maar een echte instructie, die dermate nauwkeurig is dat die afbreuk doet aan de exclusieve taak van de CWaPE alsook aan haar onafhankelijkheid. A.6.4. In nog meer ondergeschikte orde voert de CWaPE aan dat, in de veronderstelling dat artikel 4, § 2, 27°, van het decreet van 19 januari 2017 losstaat van de tarieftaak die exclusief is voorbehouden aan de regulerende instantie bij artikel 59, leden 1 en 7, van de richtlijn (EU) 2019/944, de voormelde wetgevende bepaling niet kan worden gekwalificeerd als een « algemene beleidsrichtsnoer ». De verzoekende partij legt uit dat de bestreden bepaling geen algemene beleidsrichting aangeeft, maar een nauwkeurige technische instructie vormt die inbreuk maakt op de onafhankelijkheid van de regulerende instantie bij de uitoefening van haar bevoegdheden. A.7.1. De Waalse Regering voert aan dat de twee doelstellingen die worden gedefinieerd in artikel 4, § 2, 27°, van het decreet van 19 januari 2017, namelijk, enerzijds, de toegang voor iedereen tot energie en, anderzijds, de energietransitie, aanwijzingen geven in verband met het door het Waalse Gewest gevolgde energiebeleid en « algemene beleidsrichtsnoeren » vormen in de zin van artikel 57, lid 4, b), ii), van de richtlijn (EU) 2019/944 die geen betrekking hebben op de regulerende taken die aan de CWaPE zijn voorbehouden bij artikel 59 van dezelfde richtlijn. De Regering preciseert dat geen enkele van die laatste taken betrekking heeft op de toegang tot energie of de financiering van de energietransitie. De Regering voegt eraan toe dat het nastreven van de twee voormelde doelstellingen een inspiratie vormt voor andere decretale bepalingen en dat die doelstellingen in overeenstemming zijn met die welke de richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 « ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (herschikking) » nastreeft. Bovendien voorziet de richtlijn (EU) 2019/944, volgens de Waalse Regering, in geen enkele maatregel betreffende de toegang tot energie en de energietransitie, zodat de arresten die het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft gewezen op 3 december 2020 en 2 september 2021 in verband met de onjuiste omzetting, door België en Duitsland, van de richtlijn 2009/72/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 « betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot intrekking van de Richtlijn 2003/54/EG », te dezen niet relevant zijn. De Waalse Regering onderstreept ook dat het niet aan een regulerende instantie zoals de CWaPE staat om te definiëren wat ressorteert onder het algemeen belang of het openbaar belang, en dat er andere doelstellingen van algemeen belang bestaan dan die waarop artikel 59 van de richtlijn (EU) 2019/944 is geïnspireerd. A.7.2. De Waalse Regering zet voorts uiteen dat artikel 4, § 2, 27°, van het decreet van 19 januari 2017 niet in grotere mate afbreuk doet aan de onafhankelijkheid of aan de exclusieve bevoegdheid van een regulerende instantie dan het « richtsnoer » van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest waaraan de regulerende instantie van de Brusselse elektriciteitsmarkt is onderworpen, die het Hof conform de voormelde bepalingen van de richtlijn (EU) 2019/944 heeft bevonden bij het voormelde arrest nr. 105/2023 van 29 juni 2023. De Waalse Regering is van mening dat artikel 4, § 2, 27°, van het decreet van 19 januari 2017 de CWaPE geenszins ertoe verplicht elk vast tarief af te schaffen en haar evenmin belet rekening te houden met tariefcomponenten die zijn verbonden met elementen die niet zijn gemeten bij de netgebruiker. Zij voegt eraan toe dat de CWaPE zelf, in haar advies van 18 juni 2021 over het voorontwerp van decreet, erop heeft gewezen dat die wetgevende bepaling, alsook de wijze waarop de talrijke andere beginselen vervat in artikel 4, § 2, van dat decreet zijn geformuleerd, haar een aanzienlijke interpretatiemarge lieten en haar ertoe dwongen een afweging te maken tussen soms tegenstrijdige beginselen. De Waalse Regering leidt hieruit af dat de laatste zin van artikel 4, § 2, 27°, van het decreet van 19 januari 2017 niet kan worden beschouwd als een technische en nauwkeurige instructie. A.7.3. In ondergeschikte orde merkt de Waalse Regering op dat, indien het Hof twijfels heeft over de draagwijdte van de aan een regering gegeven toelating om algemene beleidsrichtsnoeren in de zin van artikel 57, lid 4, b), ii), van de richtlijn (EU) 2019/944 uit te vaardigen, het het Hof van Justitie van de Europese Unie een vraag moet stellen over de verenigbaarheid van die laatste zin van artikel 4, § 2, 27°, van het decreet van 19 januari 2017 met artikel 57, lid 4 en lid 5, a), van de richtlijn (EU) 2019/944 en met artikel 59, lid 1, a), en lid 7, a), van dezelfde richtlijn. 6 -B- Ten aanzien van het 26° en het 27° van artikel 4, § 2, van het decreet van 19 januari 2017 en de context ervan B.1. De « Commission wallonne de régulation pour l’énergie » (CWaPE), die een autonome instelling met rechtspersoonlijkheid is, is ermee belast de elektriciteitsdistributietarieven goed te keuren op basis van de begrotingen en de tarieven die haar worden voorgesteld door de elektriciteitsdistributienetbeheerders. Die tariefvoorstellen worden opgesteld « met inachtneming van een tariefmethodologie ». Die laatste wordt aangenomen door de CWaPE na overleg met de voormelde beheerders (artikel 2, § 2, van het decreet van het Waalse Gewest van 19 januari 2017 « betreffende de tariefmethodologie die van toepassing is op gas- en elektriciteitsdistributienetbeheerders » (hierna : het decreet van 19 januari 2017)). De tariefmethodologie preciseert de « kostencategorieën die door de tarieven worden gedekt en hun definitie », de « regels van de evolutie in de tijd van de kostencategorieën […], met inbegrip van de methode voor de bepaling van de parameters die zijn opgenomen in de evolutieformules », de « regels voor de toewijzing van de kosten aan de categorieën van netgebruikers met inachtneming, in voorkomend, geval van [de beginselen] die overeenkomstig artikel 5 door de Regering worden bepaald », de « algemene tariefstructuur en de tariefcomponenten met inachtneming, in voorkomend, geval van [de beginselen] die overeenkomstig artikel 5 door de Regering worden bepaald » en de « parameters die nuttig zijn voor de bepaling van de tarieven en hun definitie » (artikel 3, § 1, van het decreet van 19 januari 2017). B.2. De tariefmethodologie moet een aantal beginselen in acht nemen die zijn opgesomd in artikel 4, § 2, van het decreet van 19 januari 2017. Artikel 103, 7°, van het decreet van het Waalse Gewest van 5 mei 2022 « tot wijziging van verscheidene bepalingen inzake energie in het kader van de gedeeltelijke omzetting van richtlijnen 2019/944/EU van 5 juni 2019 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en 2018/2001/EU van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en met het oog op de aanpassing van de beginselen 7 betreffende de tariefmethodologie » (hierna : het decreet van 5 mei 2022) voegt aan die lijst drie beginselen toe. Het beroep tot vernietiging is gericht tegen twee van die drie nieuwe beginselen, namelijk die welke voortaan zijn opgenomen in artikel 4, § 2, 26° en 27°, van het decreet van 19 januari 2017 : « 26° de tariefmethodologie kan voorzien in een vergoeding in verband met de specifieke meetactiviteit in de context van een activiteit van energiedeling of peer-to-peer uitwisseling; 27° de tariefmethodologie heeft als hoofddoel, naast de billijkheid en de efficiënte werking van de distributienetbeheerders, de toegang tot energie voor iedereen en de energietransitie tegen de laagste kosten voor de afnemers te bevorderen, zowel op het niveau van de netten als op dat van de elektriciteitsmarkt; in dit verband omvat de energietransitie het rationeel gebruik van energie, de integratie van een toenemend aandeel elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen en nieuwe vormen van elektrisch gebruik die een efficiënter energiegebruik mogelijk maken, waarbij het rationeel gebruik van de netten wordt bevorderd; Deze beginselen zorgen ervoor dat iedereen tegen een betaalbare prijs toegang heeft tot betrouwbare, duurzame en moderne energiediensten. Zij impliceren enerzijds dat verbruikers die geen flexibiliteit aan het energiesysteem wensen te bieden of die een laag verbruik hebben, niet financieel worden gestraft door de nieuwe tariefstructuur, en anderzijds dat elke tariefcomponent een stimulans vormt voor netgebruikers die dat wensen om te verbruiken op het moment dat er elektriciteit in overvloed op het net beschikbaar is of om individuele nettoegangscapaciteit te gebruiken die verenigbaar is met de capaciteit die op datzelfde moment op het net beschikbaar is ». De beginselen die zijn opgenomen in artikel 4, § 2, 26° en 27°, van het decreet van 19 januari 2017 zijn van toepassing op de tariefperiodes na 15 oktober 2022, datum van inwerkingtreding van het decreet van 5 mei 2022 (artikel 104 van het decreet van 5 mei 2022). Ten gronde B.3. Uit de uiteenzetting van de twee middelen blijkt dat het Hof wordt verzocht om na te gaan of artikel 4, § 2, 26° en 27°, van het decreet van 19 januari 2017, toegevoegd bij artikel 103, 7°, van het decreet van 5 mei 2022, bestaanbaar is met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, zoals gewaarborgd in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 57, lid 4 en lid 5, a), en 59, lid 1, a), en lid 7, a), van de richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 « betreffende 8 gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot wijziging van Richtlijn 2012/27/EU (herschikking) » (hierna : de richtlijn (EU) 2019/944). B.4.1. Artikel 57 van de richtlijn (EU) 2019/944 bepaalt : « [...] 4. De lidstaten waarborgen de onafhankelijkheid van de regulerende instantie […]. Te dien einde waken de lidstaten erover dat de regulerende instantie, bij de uitvoering van de reguleringstaken die haar bij deze richtlijn en de aanverwante wetgeving zijn opgelegd : [...]
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.