← België

ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.027

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 29 februari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.027 Arrest- Rolnummer: 27/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-03-11 Raadplegingen: 408 - laatst gezien 2026-06-18 12:21 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Verwerping van het beroep (onder voorbehoud van hetgeen is vermeld in B.9) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: het beroep tot vernietiging van artikel 129 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 31 maart 2022 « betreffende de aanpassing van het jaarritme van de scholen voor gewoon, gespecialiseerd basis- en secundair onderwijs, secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan en voor sociale promotie en betreffende de begeleidingsmaatregelen voor de vrijetijdsopvang », ingesteld door Benoît Buchau, en het beroep tot vernietiging van de artikelen 128, 129 en 131 van hetzelfde decreet, ingesteld door de vzw « Association des inspecteurs de l'enseignement de la Communauté française » en anderen. Onderwijs - Franse Gemeenschap - Basis- en secundair onderwijs - Aanpassing van het jaarritme van de scholen -

  1. Opvoedend hulppersoneel in een selectieambt - Directiesecretarissen - Zomervakantie van 5 weken -
  2. Leden van de Algemene Inspectiedienst - Allerheiligenvakantie en carnavalsvakantie Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 27/2024 van 29 februari 2024 Rolnummers : 7893 en 7900 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 129 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 31 maart 2022 « betreffende de aanpassing van het jaarritme van de scholen voor gewoon, gespecialiseerd basis- en secundair onderwijs, secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan en voor sociale promotie en betreffende de begeleidingsmaatregelen voor de vrijetijdsopvang », ingesteld door Benoît Buchau, en het beroep tot vernietiging van de artikelen 128, 129 en 131 van hetzelfde decreet, ingesteld door de vzw « Association des Inspecteurs de l’Enseignement de la Communauté française » en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters T. Giet, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, D. Pieters, S. de Bethune, E. Bribosia, W. Verrijdt, K. Jadin en M. Plovie, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 10 november 2022 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 16 november 2022, heeft Benoît Buchau, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Bourtembourg en Mr. M. de Mûelenaere, advocaten bij de balie te Brussel, beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 129 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 31 maart 2022 « betreffende de aanpassing van het jaarritme van de scholen voor gewoon, gespecialiseerd basis- en secundair onderwijs, secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan en voor sociale promotie en betreffende de begeleidingsmaatregelen voor de vrijetijdsopvang » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 7 juni 2022). b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 6 december 2022 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 7 december 2022, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 128, 129 en 131 van hetzelfde decreet door de vzw « Association des Inspecteurs de l’Enseignement de la Communauté française », Aline Debouny, Patrick Mareschal, Pierre Marichal, Véronique Thiels, Laurent Hannecart en 2 Richard Paulissen, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. N. Fortemps en Mr. A. Tiouririne, advocaten bij de balie te Brussel. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 7893 en 7900 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. De Franse Gemeenschapsregering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Sautois, advocate bij de balie te Brussel, heeft memories ingediend, de verzoekende partijen hebben memories van antwoord ingediend en de Franse Gemeenschapsregering heeft ook memories van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 20 december 2023 heeft het Hof, na de rechters-verslaggeefsters E. Bribosia en J. Moerman te hebben gehoord, beslist : - dat de zaken in staat van wijzen waren, - de verzoekende partijen in de zaak nr. 7900 uit te nodigen, in een aanvullende memorie, hun opmerkingen uiteen te zetten over het decreet van de Franse Gemeenschap van 16 maart 2023 « houdende diverse aanvullende bepalingen inzake de hervorming van het schoolritme » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 3 augustus 2023) en over de eventuele gevolgen ervan voor de in het verzoekschrift en de memories geformuleerde argumentatie, - die aanvullende memorie uiterlijk vóór 17 januari 2024 in te dienen en die binnen dezelfde termijn mee te delen aan de Franse Gemeenschapsregering, - dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en - dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaken in beraad zouden worden genomen. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7900 hebben een aanvullende memorie ingediend. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.1.
  3. In de zaak nr. 7893 is de verzoekende partij directiesecretaris in een inrichting van het gesubsidieerde vrije net. Zij behoort dus tot het opvoedend hulppersoneel, in een selectieambt. Tot op heden was zij onderworpen aan een verlofregeling die vergelijkbaar is met die van de andere ambten van die categorie en genoot zij bijgevolg een totaal van acht weken verlof in de zomer. De bestreden bepaling wijzigt de verlofregeling die op haar van toepassing is en heeft tot gevolg dat het aantal weken zomervakantie dat zij geniet wordt verminderd naar vijf en dat, niettegenstaande de toevoeging van een week herfstvakantie en van een week ontspanningsvakantie, daaruit een verlies van een week verlof over het volledige schooljaar voortvloeit. De verzoekende partij is dus van mening dat zij door de bestreden bepaling ongunstig wordt geraakt en dat zij een belang heeft bij het beroep. A.1.
  4. In de zaak nr. 7900 zijn de verzoekende partijen, enerzijds, de vzw « Association des Inspecteurs de l’Enseignement de la Communauté française » en, anderzijds, zes natuurlijke personen, die allen het beroep van inspecteur uitoefenen. Aangezien het bestreden decreet de verlofregeling wijzigt die op hen van toepassing is, zijn zij van mening een belang te hebben bij het beroep. De vzw is bovendien een vereniging die in 2002 is opgericht met als statutair doel de verdediging van de functie van inspecteur van het onderwijs van de Franse Gemeenschap en van de leden ervan, en in dat opzicht heeft zij ook een belang bij het beroep. A.1.
  5. De Franse Gemeenschapsregering betwist de ontvankelijkheid van de samengevoegde beroepen niet. Ten gronde Wat betreft de zaak nr. 7893 A.2.
  6. In de zaak nr. 7893, vordert de verzoekende partij de vernietiging van artikel 129 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 31 maart 2022 « betreffende de aanpassing van het jaarritme van de scholen voor gewoon, gespecialiseerd basis- en secundair onderwijs, secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan en voor sociale promotie en betreffende de begeleidingsmaatregelen voor de vrijetijdsopvang » (hierna : het decreet van 31 maart 2022). Dat voegt een artikel 1bis in in het koninklijk besluit van 15 januari 1974 « genomen ter toepassing van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen van kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen » (hierna : het koninklijk besluit van 15 januari 1974). A.2.
  7. De verzoekende partij leidt een eerste middel af uit de schending van de artikelen 10, 11 en 24, § 4, van de Grondwet door de bestreden bepaling, in zoverre zij een onverantwoord verschil in behandeling zou doen ontstaan. Zij voert aan dat, door de werking van de bestreden bepaling, het aantal weken zomervakantie is verminderd van acht naar vijf weken; rekening houdend met de toevoeging van een week verlof aan de herfstvakantie en van een andere week verlof aan de ontspanningsvakantie, volgt daaruit dat de directiesecretarissen een week verlof verliezen op het totaal van hun jaarlijks verlof. In vergelijking genieten de werkmeesters en werkleiders, die, volgens haar, tot een vergelijkbare categorie behoren, op hun beurt, door de werking van de bestreden bepaling, zes weken zomervakantie, alsook de mogelijkheid om gedurende het schooljaar vijf bijkomende dagen in te halen die tijdens de zomer werden gepresteerd. Die categorie ondergaat bijgevolg geen vermindering van het totaalaantal weken verlof. De verzoekende partij benadrukt dat de Raad van State in zijn advies had opgemerkt dat die toevoeging van vijf dagen prestaties tijdens de zomervakantie voor bepaalde personeelscategorieën grondiger moest worden verantwoord. De parlementaire voorbereiding toont aan dat het bestreden decreet tot doel heeft de verloven voor de bevorderings- en selectieambten te uniformiseren. Er wordt slechts één verantwoording gegeven voor het opgemerkte verschil in behandeling, namelijk het feit dat de schrapping van een week verlof wordt gecompenseerd door een herziening van de weddeschalen, bij een besluit van de Regering. Bijgevolg is de verzoekende partij van mening dat dat verschil behandeling noch objectief, noch redelijk verantwoord is. 4 A.2.
  8. De verzoekende partij leidt een tweede middel af uit de schending van dezelfde artikelen van de Grondwet door de bestreden bepaling, in zoverre zij twee categorieën van opvoedend hulppersoneel, namelijk de selectieambten, waaronder de verzoekende partij valt, en de wervingsambten, op verschillende wijze zou behandelen. De tweede categorie geniet immers nog steeds zomervakantie met een duur van zes weken en een dag. Die categorieën zijn nog meer vergelijkbaar dan de in het eerste middel geïdentificeerde categorieën, en zij werden vóór de inwerkingtreding van de bestreden bepaling op dezelfde wijze behandeld. De verzoekende partij merkt op dat voor dat verschil in behandeling geen verantwoording wordt gegeven. De bevoegde minister had haar intentie om de regelingen te uniformiseren, alsook om de verkregen rechten te vrijwaren, nochtans meermaals benadrukt. A.3.
  9. De Franse Gemeenschapsregering herinnert eraan dat de uitbreiding van de schooltijd tot gevolg heeft dat de duur van de prestaties van de personeelsleden wijzigt, in principe zonder het aantal effectieve prestatiedagen over het jaar te verhogen. Het onderwijzende personeel in de ruime zin van het woord geniet zeven weken verlof tijdens de zomer, en het personeel dat onder de andere categorieën valt minstens vijf weken. A.3.
  10. Wat het eerste middel betreft, herinnert de Franse Gemeenschapsregering eraan dat het doel van de decreetgever was om de oude logica te respecteren en enkel over te gaan tot de aanpassing aan de gevolgen van het nieuwe tijdschema, alsook om rekening te houden met de noden van de inrichtingen tijdens de zomer. Het betreft legitieme doelstellingen, die bovendien niet worden betwist. Volgens de Franse Gemeenschapsregering evolueert het opvoedend hulppersoneel in een selectieambt, waartoe de verzoekende partij behoort, van de logica van het opvoedend hulppersoneel in een wervingsambt naar die van het bestuurspersoneel. Er wordt immers het meest rechtstreeks met de directeurs samengewerkt. Het werd echter noodzakelijk geacht dat zij nog binnen de schoolinrichting aanwezig zijn een week na het einde van het schooljaar en een week voor het begin van het volgende schooljaar, om het beheer van de dossiers en de voorbereiding van het nieuwe jaar te waarborgen. De nieuwe verlofregeling werd opgesteld in overleg met de actoren van het onderwijs en houdt met name rekening met de vraag omtrent de zomertaken die ertoe strekken het jaar zo goed mogelijk voor te bereiden. De schrapping van de week verlof voor de verzoekende partij wordt gecompenseerd door een herziening van de weddeschalen. Bovendien werd de aanwezigheid van de werkmeesters en werkleiders niet essentieel geacht voor het beëindigen van het schooljaar. De specifieke regeling die op hen van toepassing is, met name de vijf dagen die kunnen worden ingehaald, houdt rekening met het feit dat het inhalen tijdens het jaar gemakkelijker is voor die categorie van werknemers. Ten slotte genieten zij niet de herziening van de weddeschalen. Bijgevolg is de Franse Gemeenschapsregering van mening dat het aangehaalde verschil in behandeling voldoende verantwoord is door de vereiste dat het betrokken personeel ter plaatse aanwezig moet zijn en dat het evenredig is met het beoogde doel, gelet op de geplande herziening van de weddeschalen ter compensatie. A.3.
  11. Wat betreft het tweede middel, herinnert de Franse Gemeenschapsregering eraan dat het opvoedend hulppersoneel in een selectieambt werd onderscheiden van de wervingsambten om dichter aan te sluiten bij de bestuursambten. Zij verwijst voor het overige naar de argumentatie van het eerste middel. A.
  12. In haar memorie van antwoord betwist de verzoekende partij niet het argument dat het een legitieme doelstelling is zich ervan te willen vergewissen dat het afsluiten en het heropenen van de onderwijsinrichtingen in goede omstandigheden verlopen. Toch is het verlies van een week verlof zonder inhaalmogelijkheid noch nodig, noch relevant, noch evenredig ten aanzien van die doelstelling. Vroeger waren de zomervakanties langer, genoot het opvoedend hulppersoneel in een selectieambt dat verlof, en verliep het afsluiten en het heropenen van de inrichtingen niettemin in goede omstandigheden. In werkelijkheid kan het gevraagde werk evenzeer gedaan worden met behoud van zes weken verlof. Het bewijs daarvan is dat het begin van het schooljaar 2022-2023, het eerste onder de nieuwe regeling, geen wijziging van de werklast heeft veroorzaakt. Wat betreft de werkmeesters en de werkleiders, is de verzoekende partij van mening dat de Franse Gemeenschapsregering niet duidelijk is. Het is immers paradoxaal aan te voeren dat de directiesecretarissen (opvoedend personeel in een selectieambt) « slecht in beperkte mate in rechtstreeks verband staan met de organisatie van de lessen en de pedagogische begeleiding, in tegenstelling tot de werkmeesters en de werkleiders », waarbij enkel de eerste categorie de mogelijkheid wordt ontzegd om in de zomer gepresteerde dagen in te halen. Dat is een onverantwoord verschil in behandeling. De aangehaalde motivering van de herziening van de weddeschalen kan, volgens de verzoekende partij, niet worden gevolgd. Die herziening blijkt immers helemaal niet uit het bestreden decreet. Zij wordt derhalve niet aan het Hof voorgelegd. Overigens is het goed mogelijk dat die weddeschalen los van de nieuwe verlofregeling worden gewijzigd. 5 A.
  13. In haar memorie van wederantwoord doet de Franse Gemeenschapsregering gelden dat de ervaring van de start van het schooljaar van 2022-2023 niet representatief is. Bovendien is de keuze om aan het opvoedend hulppersoneel in een selectieambt prestaties vroeger en later in het jaar op te leggen, een opportuniteitskeuze, waarover het Hof zich niet vermag uit te spreken. Wat betreft de herziening van de weddeschalen, dient daarmee rekening te worden gehouden te oordelen of de maatregel evenredig is, in voorkomend geval in de vorm van een voorbehoud van interpretatie door het Hof dat de Regering zou beletten daar later op terug te komen. Wat betreft zaak nr. 7900 A.6.
  14. In de zaak nr. 7900, vorderen de verzoekende partijen de vernietiging van de artikelen 128, 129 en 131 van het decreet van 31 maart
  15. Zij voeren aan dat vóór de hervorming van de schoolvakanties, de verlofregeling van het personeel van de Algemene Inspectiedienst (hierna : de AID), georganiseerd bij het decreet van de Franse Gemeenschap van 10 januari 2019 « betreffende de algemene inspectiedienst » (hierna : het decreet van 10 januari 2019), analoog was met die van de hoofden van de inrichtingen die zij inspecteerden, krachtens artikel 1 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974, jaarlijks aangepast aan de schoolkalender. Het bestreden decreet hervormt het schoolritme en de verlofregeling van de AID. Het decreet heeft als voornaamste gevolg de schrapping van de herfst- en ontspanningsvakanties voor de leden van de AID, maar niet voor de leden van de inspectie van de psycho-medisch-sociale centra. A.6.
  16. De verzoekende partijen leiden een eerste middel af uit de schending van de artikelen 10, 11, 23 en 24, § 4, van de Grondwet door de bestreden bepalingen, in zoverre zij een aanzienlijke achteruitgang en een onverantwoord verschil in behandeling zouden veroorzaken tussen de leden van de AID en de door hun geïnspecteerde directeurs van de inrichtingen. Die laatsten genieten immers verlof tijdens de herfst- en ontspanningsvakanties, in tegenstelling tot die eersten, terwijl hun regelingen vroeger identiek waren. De verzoekende partijen merken op dat dat verschil in behandeling geenszins wordt gemotiveerd, en dat het onbestaanbaar is met de doelstelling van de decreetgever om het bestaande evenwicht te behouden. Het decreet vermindert dus het verlof van de leden van het AID zonder compenserende maatregel, hetgeen neerkomt op een verhoging van de arbeidstijd en, dus, op een loonsvermindering, die, volgens de verzoekende partijen, 3 232,50 euro per jaar bedraagt. A.6.
  17. De verzoekende partijen leiden een tweede middel af uit de schending van dezelfde artikelen van de Grondwet door de bestreden bepalingen, in zoverre zij een onverantwoord verschil in behandeling zouden doen ontstaan tussen de leden van de AID en de inspecteurs van de psycho-medische-sociale centra, die herfst- en ontspanningsvakanties blijven genieten. Er wordt geen enkele verklaring voor dat verschil in behandeling gegeven en de verzoekende partijen benadrukken dat geen enkele specificiteit op gepaste wijze naar voren kan worden geschoven, aangezien de leden van de verschillende diensten regelmatig samenwerken. A.7.
  18. Wat betreft het eerste middel, voert de Franse Gemeenschapsregering allereerst aan dat, in tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partijen aanvoeren, geenszins uit het koninklijk besluit van 15 januari 1974 blijkt dat de verlofregeling van de leden van de AID vroeger was gebaseerd op die van de directeurs van de inrichtingen, zodat het middel op een verkeerd uitgangspunt steunt. Zelfs indien de overeenstemming van de regelingen op een gebruik zou zijn gebaseerd, is dat gebruik niet aangetoond. Het is mogelijk dat bepaalde inspecteurs individueel bijkomend verlof hebben genoten, maar dat kan geen algemene regeling verantwoorden. In ondergeschikte orde is het opgemerkte verschil in behandeling tussen de leden van de AID en de directeurs van de inrichtingen die zij inspecteren voldoende verantwoord, in zoverre die laatsten ontspannings- en herfstvakanties genieten. De opdrachten van de directeurs en van de inspecteurs zijn immers verschillend. De bij het decreet van 10 januari 2019 doorgevoerde hervorming geeft een grotere autonomie aan de inspecteurs in de inrichtingen die zij inspecteren, en hun opdrachten kunnen worden uitgevoerd gedurende het volledige kalenderjaar. De overeenstemming van de regelingen leek de decreetgever dus niet noodzakelijk te zijn. A.7.
  19. Wat betreft het tweede middel beklemtoont de Franse Gemeenschapsregering dat eraan wordt gewerkt de verlofregelingen van de leden van de AID en van de inspecteurs van de psycho-medisch-sociale centra te harmoniseren. De Regering verwijst voor het overige naar de argumentatie in het eerste middel. De decreetgever heeft geoordeeld dat het niet inopportuun was dat de inspecteurs operationeel blijven tijdens de herfst- en ontspanningsvakanties. A.8.
  20. In hun memorie van antwoord weerleggen de verzoekende partijen het argument dat zij nooit een verlofregeling zouden hebben genoten die overgenomen is van die van de directeurs van de inrichtingen. 6 Integendeel, die algemene regeling wordt vermeld in artikel 98, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 10 januari 2019, dat bepaalt : « De voorwaarden waarin het personeelslid van de algemene inspectiedienst recht heeft op een wedde en op bevordering tot een hogere wedde zijn dezelfde als die van de hoofden van de onderwijsinrichtingen van de Franse Gemeenschap die hij inspecteert ». Bovendien toont de parlementaire voorbereiding van het bestreden decreet niet aan dat de decreetgever de intentie zou hebben gehad een einde te stellen aan de overeenstemming. Ten slotte benadrukken de verzoekende partijen dat de jaarlijks genomen besluiten om de verloven van de inrichtingshoofden vast te leggen ook voor de inspecteurs geldig waren, zoals de bevoegde minister heeft erkend in een brief die aan hen gericht was. Bijgevolg is het onjuist aan te voeren dat er geen enkele vergelijkingsbasis bestaat voor het onderzoek van het standstill-effect van artikel 23 van de Grondwet. De bekrachtiging van het bestaan van de herfst- en ontspanningsvakanties was, minstens impliciet, reglementair. In ondergeschikte orde bestond op zijn minst een praktijk in die zin, die door de minister erkend was en die niet gewoon een zaak van individuele gunsten was. Welnu, het Hof heeft reeds geoordeeld dat een praktijk praeter legem toelaatbaar is in het kader van zijn toetsing van de standstill-verplichting. De achteruitgang is, te dezen, aanzienlijk. De verzoekende partijen leggen de nadruk op de schrapping van verlofdagen, hetgeen overeenstemt met een verhoging van de arbeidstijd en dus met een vermindering van het loon. Die gevolgen zijn des te belangrijker omdat zij inbreuk maken op het privé- en gezinsleven van de verzoekende partijen. A.8.
  21. Wat betreft het tweede middel antwoorden de verzoekende partijen dat de inspecteurs van de psycho- medisch-sociale centra onderworpen zijn aan het koninklijk besluit van 19 mei 1981 « betreffende de vakantie- en verlofregeling van het stagedoend en vastbenoemd technisch personeel van de rijks-psycho-medisch-sociale centra, de rijksvormingscentra en de inspectiediensten », zoals gewijzigd bij artikel 30 van het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 14 juli 2022 « tot bepaling van de verlofdagen van het personeel van de rijks-psycho-medisch-sociale centra, de rijksvormingscentra en de inspectiediensten van de PMS-centra voor de schooljaren 2022-2023 en 2023-2024 ». Het eventuele bestaan van een lopende discussie, zoals die werd aangehaald door de Franse Gemeenschapsregering, verantwoordt het verschil in behandeling niet, net zo min als een eventuele toekomstige hervorming de opgemerkte ongrondwettigheid zal wegnemen. A.
  22. In haar memorie van wederantwoord merkt de Franse Gemeenschapsregering het bestaan op van een nieuw element, namelijk het decreet van de Franse Gemeenschap van 16 maart 2023 « houdende diverse aanvullende bepalingen inzake de hervorming van het schoolritme » (hierna : het decreet van 16 maart 2023). Het doel daarvan is om een gemeenschappelijke verlofregeling voor alle inspectiediensten te creëren. Artikel 28 van dat decreet vermeldt uitdrukkelijk een week voor de herfstvakantie en een week voor de ontspanningsvakantie. Het decreet is met terugwerkende kracht in werking getreden op 29 augustus 2022, dat wil zeggen op de datum van inwerkingtreding van de bestreden bepalingen. Wat betreft het schooljaar 2022-2023, hadden de leden van de AID in ieder geval « in feite » die weken genoten. Bijgevolg is de opgeworpen grief irrelevant geworden. In ondergeschikte orde weerlegt de Franse Gemeenschapsregering het argument van een gebruik praeter legem zoals dat door de verzoekende partijen wordt aangevoerd. Indien bepaalde inspecteurs sporadisch bijkomend verlof hebben kunnen genieten, kan daar geen constante praktijk uit worden afgeleid. In ieder geval kan de wetgever zeker een einde stellen aan een praktijk zonder dat zulks evenwel een aanzienlijke achteruitgang in de zin van artikel 23 van de Grondwet veroorzaken. A.
  23. Nadat zij door het Hof werden verzocht te reageren op het nieuwe element dat de Franse Gemeenschapsregering heeft opgeworpen, erkennen de verzoekende partijen dat het decreet van 16 maart 2023 hun wel degelijk voldoening kan schenken. Zij zijn evenwel van mening dat zulks pas zeker het geval zal zijn op de dag dat de termijn verstrijkt om een beroep tot vernietiging daartegen in te stellen en zij verzoeken het Hof derhalve de uitspraak tot die datum aan te houden. 7 -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen en de context ervan B.1.
  24. De samengevoegde beroepen hebben betrekking op het decreet van de Franse Gemeenschap van 31 maart 2022 « betreffende de aanpassing van het jaarritme van de scholen voor gewoon, gespecialiseerd basis- en secundair onderwijs, secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan en voor sociale promotie en betreffende de begeleidingsmaatregelen voor de vrijetijdsopvang » (hierna : het decreet van 31 maart 2022). Dat hervormt het schoolritme, zoals werd aanbevolen bij advies nr. 3 van het « Pacte pour un Enseignement d’excellence » (Pact voor uitmuntend onderwijs). De hervorming heeft betrekking op het basis- en secundair onderwijs, en voert een afwisseling in van zeven weken les met twee weken vakantie, gedurende het volledige jaar. Het totaal van 14 weken schoolvakantie over het jaar wordt behouden. B.1.
  25. De bestreden bepalingen hebben betrekking op de verloven die van toepassing zijn op de verschillende personeelsleden in het onderwijs, aangepast aan de nieuwe ritmes. Zij bepalen : « Art.
  26. Artikel 1 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974 genomen ter toepassing van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen van kleuter-, lager, gespecialiseerd, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen, wordt vervangen als volgt : ‘ Artikel
  27. Dit hoofdstuk is van toepassing op de personeelsleden die vast benoemd zijn en die in dienstactiviteit zijn en die onderworpen zijn aan het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen van kleuter-, lager, gespecialiseerd, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen. Het is eveneens van toepassing op de vast benoemde en tijdelijke personeelsleden van de Algemene Inspectiedienst die onder het decreet van 10 januari 2019 betreffende de Algemene Inspectiedienst vallen, met uitzondering van de inspecteurs-generaal, de coördinerend inspecteurs-generaal en de leden van de Inspectie van de psycho-medisch-sociale centra ’. 8 Art.
  28. In hetzelfde koninklijk besluit wordt een artikel 1bis ingevoegd, luidend als volgt : ‘ Artikel 1bis. In het basisonderwijs, secundair onderwijs met volledig leerplan en alternerend onderwijs, in het kunstsecundair onderwijs met beperkt leerplan en in het onderwijs voor sociale promotie komen de personeelsleden bedoeld in artikel 1, eerste lid, in aanmerking voor de hieronder bepaalde jaarlijkse vakantieregeling. §
  29. Voor de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, in functie van de aanwerving [lees : in een wervingsambt] : Kerstvakantie (wintervakantie): deze begint op de maandag van de week waarin 25 december valt, en duurt twee weken. Wanneer 25 december nochtans op een zaterdag of zondag valt, begint de vakantie op de daaropvolgende maandag; a) Paasvakantie (voorjaarsvakantie), Allerheiligen (herfstvakantie) en Krokusvakantie (ontspanningsvakantie): twee weken; b) Zomervakantie: van de dag na de laatste dag van het schooljaar tot en met de dag vóór de eerste dag van het volgende schooljaar. §
  30. Voor de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel, in functie van de bevordering en de selectie [lees : in een bevorderings- of selectieambt] : a) Kerstvakantie (wintervakantie): deze begint op de maandag van de week waarin 25 december valt, en duurt twee weken. Wanneer 25 december nochtans op een zaterdag of zondag valt, begint deze vakantie op de daaropvolgende maandag; b) Paasvakantie (voorjaarsvakantie), Allerheiligen (herfstvakantie) en Krokusvakantie (ontspanningsvakantie) : twee weken; c) zomervakantie : vijf opeenvolgende weken vakantie vastgesteld door een besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap uiterlijk in april van het schooljaar X-2 voor het schooljaar X. In afwijking van de bepalingen die vooraf gaan, begint de zomervakantie van de werkmeesters en werkleiders op de dag na de laatste dag van het schooljaar en duurt zij zes weken. De vijf dagen prestaties die in de week voorafgaand aan het begin van het schooljaar zijn verricht, worden in de loop van het schooljaar ingehaald, in overleg met het hoofd van de inrichting. In afwijking van de bepalingen die vooraf gaan hebben de coördinatoren van de centra voor gevorderde technologieën recht op een jaarlijkse vakantieregeling die als volgt wordt bepaald : a) Kerstvakantie (wintervakantie): Deze begint op de maandag van de week waarin 25 december valt, en duurt twee weken. Wanneer 25 december nochtans op een zaterdag of een zondag valt, begint deze vakantie op de daaropvolgende maandag; b) Zomervakantie: van 15 juli tot en met 15 augustus; 9 Tien andere werkdagen dan die bedoeld in a) en b), die genomen moeten worden in overleg met het hoofd van de secundaire inrichting waartoe het centrum voor gevorderde technologieën behoort waaraan zij verbonden zijn. §
  31. De leden van het opvoedend hulppersoneel, in functie van de aanwerving [lees : in een wervingsambt], hebben recht op jaarlijks vakantieverlof dat als volgt wordt bepaald : a) Kerstvakantie (wintervakantie) : deze begint op de maandag van de week waarin 25 december valt, en duurt twee weken. Wanneer 25 december nochtans op een zaterdag of een zondag valt, begint deze vakantie op de daaropvolgende maandag; b) Paasvakantie (voorjaarsvakantie), Allerheiligen (herfstvakantie) en Krokusvakantie (ontspanningsvakantie) : twee weken; c) Zomervakantie: van de dag na de laatste dag van het schooljaar tot en met de dag vóór de eerste dag van het volgende schooljaar. Bovendien moeten er vier dagen prestaties worden ingepland in de eerste week van de zomervakantie of in de week voor het begin van het schooljaar. In een inrichting met ten minste twee leden van het opvoedend hulppersoneel verrichten deze personeelsleden hun vier dagen prestaties, de helft in de eerste week van de zomervakantie en de andere helft in de week voor het begin van het schooljaar. §
  32. De leden van het paramedisch, psychologisch en sociaal personeel hebben recht op jaarlijks vakantieverlof dat als volgt wordt bepaald: a) Kerstvakantie (wintervakantie) : deze begint op de maandag van de week waarin 25 december valt, en duurt twee weken. Wanneer 25 december nochtans op een zaterdag of een zondag valt, begint deze vakantie op de volgende maandag; b) Paasvakantie (voorjaarsvakantie), Allerheiligen (herfstvakantie) en Krokusvakantie (ontspanningsvakantie) : twee weken; c) Zomervakantie: van de dag na de laatste dag van het schooljaar tot en met de dag vóór de eerste dag van het volgende schooljaar. Tijdens de zomervakantie worden vijf werkdagen gepresteerd, hetzij in de eerste week van de zomervakantie, hetzij in de week voor het begin van het schooljaar. §
  33. In de landbouw- en tuinbouwscholen, scholen voor verpleegkundigen, scholen voor hotelmanagement en internaten waar gerechtskinderen ondergebracht worden, kunnen in april bijzondere bepalingen worden vastgesteld door de inrichtingshoofden, na advies van de personeelsraad binnen hun inrichting en met instemming van de Minister van Nationaal Onderwijs ’ ». « Art.
  34. In hetzelfde koninklijk besluit wordt een artikel 1quater ingevoegd, luidend als volgt : 10 ‘ Artikel 1quater. De personeelsleden van de Algemene Inspectiedienst bedoeld in artikel 1, tweede lid komen in aanmerking voor het hieronder omschreven jaarlijks vakantieverlof : a) Kerstvakantie (wintervakantie) : deze begint op de maandag van de week waarin 25 december valt, en duurt twee weken. Wanneer 25 december nochtans op een zaterdag of een zondag valt, begint deze vakantie op de daaropvolgende maandag. b) Paasvakantie (voorjaarsvakantie) : twee weken; c) Zomervakantie: van 6 juli tot 15 augustus. ’ ». B.1.
  35. Krachtens artikel 234 van het decreet van 31 maart 2022 treden de bestreden bepalingen in werking op 29 augustus
  36. B.2.
  37. Na te hebben uiteengezet dat « de herziening van het schoolritme inhoudt dat het schooljaar wordt uitgebreid naar de maanden juli en augustus », benadrukt de parlementaire voorbereiding van het decreet van 31 maart 2022 dat « die uitbreiding van de schooltijd binnen het burgerlijk kalenderjaar tot onmiddellijk gevolg heeft dat de prestatieduur van de personeelsleden wordt gewijzigd wanneer het schooljaar als referentie wordt genomen zonder hun aantal effectief gepresteerde dagen over het jaar te verhogen », waarbij wordt gepreciseerd dat « niettemin in uitzonderingen wordt voorzien voor bepaalde bevorderings- en selectieambten, waarvoor in specifieke compenserende bepalingen zal worden voorzien door herziening van de besluiten van de regering in verband hiermee » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2021-2022, nr. 357/1, p. 21). In de parlementaire voorbereiding wordt vervolgens uiteengezet : « Het doel is om de kalenderperiodes en data in overeenstemming te brengen met de nieuwe schoolkalender. De bepalingen die daaruit volgen waarborgen de reeds uiteengezette aanpak, namelijk een behoud van de huidige evenwichten. In dat opzicht waarborgt het ontwerpdecreet ook aan alle personeelsleden in het onderwijs die momenteel in het oude model over een langere vakantieperiode beschikken, een minimum van 5 opeenvolgende weken verlof. [...] De regelingen van de vakanties en verloven van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel, in een bevorderings- of selectieambt, worden geharmoniseerd – waarbij de wintervakantie (Kerstmis), de verlenging van de herfstvakantie (Allerheiligen) en van de ontspanningsvakantie (Carnaval), de lentevakantie (Pasen) en vijf 11 opeenvolgende weken tijdens de zomervakantie worden geteld – waarvan de data jaarlijks door de Regering worden vastgesteld. Er wordt een uitzondering gemaakt voor de werkmeesters en werkleiders, die hun prestatie vijf dagen hernemen tijdens de week die voorafgaat aan de start van het schooljaar om deel te nemen aan de organisatie van het nieuwe schooljaar. Die gepresteerde dagen zullen tijdens het schooljaar worden ingehaald. [...] De verlofregeling van de personeelsleden van de Inspectiedienst wordt niet gewijzigd » (ibid., p. 22). Over de bestreden bepalingen staat in de parlementaire voorbereiding ook : « Die bepalingen beogen in de regelgeving omtrent de vakanties de wijzigingen te integreren die voortvloeien uit de aanneming van het nieuwe schoolritme in het basisonderwijs, het secundair onderwijs met volledig leerplan en het alternerend secundair onderwijs, in het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan en in het onderwijs voor sociale promotie. Overeenkomstig het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State, werden de artikelen volledig herschreven, in plaats van ze te wijzigen, om een betere leesbaarheid van de bepalingen toe te laten en het toepassingsgebied ervan te verduidelijken. Daartoe : 1° werd het toepassingsgebied van hoofdstuk 1 aangepast om de werkelijkheid van de bepalingen te weerspiegelen, na de hervorming van het schoolritme. Hoofdstuk 1 is van toepassing op de personeelsleden die onderworpen zijn aan het koninklijk besluit van 22 maart 1969, met inbegrip van de in artikel 71 van het decreet van 30 april 2009 houdende organisatie van de overdracht van het hoger architectuuronderwijs naar de universiteit beoogde personeelsleden. Het is ook van toepassing op de personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs op basis van de bepalingen waarin is voorzien in de decreten van 1 februari 1993 en 6 juni
  38. Ten slotte is hoofdstuk 1 ook van toepassing op de personeelsleden die zijn onderworpen aan het decreet van 10 januari 2019 betreffende de [algemene] inspectiedienst, met uitzondering van de leden van de inspectiedienst van de psycho-medisch-sociale centra die onderworpen zijn aan het koninklijk besluit van 19 mei 1981 betreffende de vakantie- en verlofregeling van het stagedoend en vast benoemd technisch personeel van de rijks-psycho- medisch-sociale centra, de rijksvormingscentra en de inspectiediensten, en met uitzondering van de inspecteurs-generaal en de coördinerende inspecteur-generaal die, tijdens hun mandaat, jaarlijks vakantieverlof genieten zoals de ambtenaren van de diensten van de Regering. Artikel 1bis beoogt de verloven van de personeelsleden in het basisonderwijs, het secundair onderwijs met volledig leerplan en het alternerend secundair onderwijs, het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan en het secundair en hoger onderwijs voor sociale promotie. Artikel 1ter betreffende het niet-universitair hoger onderwijs beoogt dus enkel de personeelsleden bedoeld in artikel 64 van het decreet van 30 april 2009 houdende organisatie van de overdracht van het hoger architectuuronderwijs naar de universiteit, over alle netten heen, alsook de personeelsleden van de internaten van het hoger onderwijs. Het jaarlijkse 12 vakantieverlof van de personeelsleden van de hogescholen en de hogere kunstscholen wordt niet bij het koninklijk besluit van 15 januari 1974 geregeld. Ten slotte beoogt artikel 1quater enkel het verlof van de personeelsleden van de Algemene Inspectiedienst, begrepen in het toepassingsgebied van artikel
  39. 2° wordt rekening gehouden met de nieuwe definitie van het schooljaar voor de personeelsleden op wie de hervorming van het schoolritme betrekking heeft. 3° wordt, op dezelfde wijze, de regeling van het jaarlijks verlof in de zomervakantie geüniformeerd voor de selectieambten en de bevorderingsambten (behoudens uitzonderingen) binnen de niveaus en types van onderwijs die tot het domein van de hervorming behoren. Die uniformisering is noodzakelijk geworden door het verkorten van de zomervakantie (gecompenseerd door de verlenging van de schoolvakanties in de loop van het schooljaar) waardoor de begeleidingsteams van de betrokken schoolinrichtingen voltallig aanwezig moeten zijn om de beëindiging van het schooljaar in goede omstandigheden te laten plaatsvinden en het nieuwe schooljaar tijdig voor te bereiden, vóór de heropening van de scholen (met name op administratief vlak). De beoogde selectie- en bevorderingsambten zijn met name de functie van directeur, adjunct-directeur, directiesecretaris, opvoeder-huismeester, coördinator van territoriale polen, enz. De verloven van de inspecteurs worden daarentegen niet gewijzigd. 4° is voorzien in een specifieke bepaling voor de werkmeesters en werkleiders. Zo wordt hen gevraagd aanwezig te zijn tijdens de vijf dagen voorafgaand aan het begin van het schooljaar, om te helpen bij de voorbereiding van het begin van het schooljaar. Die dagen zullen niettemin kunnen worden ingehaald, op een ander moment in het jaar. Het verlof van de coördinatoren van de centra voor gevorderde technologieën wordt, op zijn beurt, niet beïnvloed door de hervorming van het schoolritme en werd dus niet gewijzigd » (ibid., pp. 62-64). B.2.
  40. Tijdens de commissiebesprekingen heeft de bevoegde minister gepreciseerd : « Hier wordt dus, voor de directiesecretarissen van het secundair onderwijs en de opvoeders-huismeesters, een vermindering met een week van het zomerverlof doorgevoerd. Die vermindering zal worden gecompenseerd door een herziening van de weddeschalen, bij een besluit van de regering. De werkzaamheden daarvoor zijn gestart » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2021-2022, nr. 357/3, p. 9). B.2.
  41. Artikel 131 van het decreet van 31 maart 2022 werd als volgt besproken : « [Een lid] stelt vast dat bij dat artikel een artikel 1quater over het verlof van de inspecteurs van het gewoon onderwijs wordt ingevoegd. Hoewel zij, voor de zomervakantie (van 6 juli tot 15 augustus), hetzelfde verlof hebben als de directies, hebben zij, daarentegen, niet dezelfde allerheiligen- en carnavalsvakanties. Hoewel zij die in het koninklijk besluit van 15 januari 1974 niet genoten, wat het de gewoonte dat zij zowel met Allerheiligen als met carnaval over een week vakantie beschikken. 13 Bij de eerste lezing, voegde artikel 113, dat artikel 131 van het ontwerp is geworden, een artikel 1ter, § 1, b), toe dat voorzag in twee weken vakantie met Pasen, Allerheiligen en carnaval. Die twee keer twee weken zijn evenwel verdwenen. De spreekster stelt zich vragen over het verdwijnen van een verkregen recht, over een ongelijke behandeling in vergelijking met andere personeelsleden en ten slotte over een aanzienlijk loonverlies, en zelfs over een oproep tot kandidaatstelling die de werkelijkheid niet zou weerspiegelen. Zij vraagt aan de minister om het verschil uit te leggen tussen de initiële tekst voor overleg en de finale versie ervan, en zij wenst te weten voor welke verloven van de inspecteurs van de PMSC’s in een specifieke bepaling werd voorzien in het voorontwerp van decreet, waarom de coördinerende inspecteurs-generaal en de inspecteurs-generaal verschillende verloven hebben en waarom de verkregen rechten niet worden gewaarborgd voor de inspecteurs van het gewoon onderwijs. Mevr. de minister antwoordt haar dat hiermee de tekst in overeenstemming wordt gebracht waarbij niettemin een zekere soepelheid in de interne organisatie wordt gelaten. Zij erkent dat er een fout is geslopen in de verschillende versies van de tekst die een identieke verlofregeling vermelden voor de schooldirecties en de inspecteurs; de tekst werd bij de laatste lezing verbeterd om de toevoeging van twee tot drie bijkomende weken verlof zonder enige verantwoording te vermijden, en dat rekening houdend met de andere functies en de algemene opzet van de tekst. Op regelgevend vlak herinnert zij eraan dat de regeling niet is afgestemd op die van de directies, ook al lijkt dat de facto anders te zijn. De verlofregeling van de coördinatoren blijft behouden, omdat die specifieke regeling historisch gegroeid is » (ibid., pp. 57-58). Ten gronde Wat betreft de directiesecretarissen B.3.
  42. De verzoekende partij in de zaak nr.7893 leidt een eerste middel af uit de schending van de artikelen 10, 11 en 24, § 4, van de Grondwet door artikel 129 van het decreet van 31 maart 2022, dat, enerzijds, de selectieambten van de categorie van het opvoedend hulppersoneel, waaronder de directiesecretarissen, en, anderzijds, de werkmeesters en werkleiders verschillend behandelt, in zoverre die laatsten zes weken zomerverlof genieten, alsook de mogelijkheid om tijdens het schooljaar vijf bijkomende tijdens de zomer gepresteerde dagen in te halen, terwijl de personen die onder de eerste categorie vallen tijdens de zomer slechts vijf weken verlof genieten, en niet de mogelijkheid genieten om dagen in te halen. B.3.
  43. De verzoekende partij in de zaak nr. 7893 leidt een tweede middel af uit de schending van dezelfde artikelen van de Grondwet door de bestreden bepaling, in zoverre zij, enerzijds, het opvoedend hulppersoneel in een selectieambt, dat zomerverlof met een duur van 14 vijf weken geniet, en, anderzijds, het opvoedend hulppersoneel in een wervingsambt, dat zomerverlof met een duur van zes weken en één dag geniet, verschillend behandelt. B.3.
  44. Het Hof onderzoekt de beide middelen samen. B.
  45. Artikel 1bis van het koninklijk besluit van 15 januari 1974 « genomen ter toepassing van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen van kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen », zoals ingevoegd bij de bestreden bepaling, werd vervolgens gewijzigd bij artikel 3 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 16 maart 2023 « houdende diverse aanvullende bepalingen inzake de hervorming van het schoolritme » (hierna : het decreet van 16 maart 2023). Die bepaling, die uitwerking heeft met ingang van 29 augustus 2022 (artikel 33 van het decreet van 16 maart 2023), heeft, in artikel 1bis, § 2, tweede lid, van dat koninklijk besluit, de woorden « de werkmeesters en werkleiders » vervangen door de woorden « de werkmeesters en werkleiders van een technisch en pedagogisch centrum, werkleiders en coördinatoren van een centrum voor onderwijs en alternerende opleiding ». Die wijziging heeft geen invloed op het onderzoek van de twee middelen in de zaak nr.
  46. B.
  47. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.
  48. De bestreden bepaling gaat over tot de aanpassing van de verlofweken aan het nieuwe schoolritme voor de vergeleken personeelscategorieën. Zij heeft tot gevolg dat, tijdens de zomer, het opvoedend hulppersoneel in een selectieambt vijf weken verlof geniet, terwijl

(1)de 15 werkmeesters en werkleiders zes weken verlof genieten en, tijdens het schooljaar, de vijf dagen die werden gepresteerd tijdens de week voorafgaand aan het nieuwe schooljaar kunnen inhalen en
(2)het opvoedend hulppersoneel in een wervingsambt verlof geniet tijdens de volledige zomervakantie, waarbij evenwel is bepaald dat er vier dagen prestaties moeten worden ingepland ofwel in de eerste week van de zomervakantie, ofwel in de week vóór het begin van het nieuwe schooljaar. Bovendien is niet in een compenserende verlofweek voorzien op een ander moment in het jaar voor het opvoedend hulppersoneel in een selectieambt. B.
  1. Uit de in B.2.1 en B.2.2 vermelde parlementaire voorbereiding blijkt dat met de bestreden bepaling ernaar wordt gestreefd de vóór de hervorming bestaande evenwichten te behouden en de continuïteit tussen de oude en de nieuwe regeling te waarborgen, waarbij de verloven wel aan het nieuwe schoolritme worden aangepast. De vermindering van het aantal weken verlof tijdens de zomervakantie wordt verantwoord zowel door de aanpassing aan het nieuwe schoolritme, aangezien de zomervakantie met twee weken is verkort (van 9 naar 7 weken), als door de Franse Gemeenschapsregering, aangevoerde noodzaak, dat het opvoedend hulppersoneel in een selectieambt ter plaatse aanwezig moet zijn, om het goede verloop van het einde van het schooljaar te waarborgen en het nieuwe schooljaar op gepaste wijze voor te bereiden. Die doelstellingen zijn legitiem. B.
  2. De bekritiseerde verschillen in behandeling die zich vertalen in een korter zomerverlof voor het opvoedend hulppersoneel in een selectieambt in vergelijking met, enerzijds, de werkmeesters en werkleiders en, anderzijds, het opvoedend hulppersoneel in een wervingsambt, zijn relevant ten aanzien van de doelstelling dat het opvoedend hulppersoneel in een selectieambt ter plaatse aanwezig moet zijn. Rekening houdend met het specifieke karakter van de opdrachten van die personeelsleden, met name van de directiesecretarissen, heeft de decreetgever redelijkerwijs kunnen oordelen dat het nodig was dat die categorie tijdens de zomer langer in de inrichting blijft in tegenstelling tot de werkmeesters en werkleiders, wier rol minder te maken heeft met administratieve taken omtrent het beëindigen van het schooljaar. Het staat niet aan het Hof om die keuze in het geding te brengen. 16 B.
  3. Zoals werd aangekondigd in de in B.2.1 en in B.2.2 vermelde parlementaire voorbereiding van het decreet van 31 maart 2022 en zoals de Franse Gemeenschapsregering doet gelden, wordt dit verschil van een week verlof evenwel gecompenseerd door een herziening van de weddeschalen, die bij het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 14 juli 2022 « betreffende de aanpassing van de jaarlijkse schoolritmes » werd doorgevoerd. Daaruit volgt dat de bestreden bepaling geen onevenredige gevolgen voor het opvoedend hulppersoneel in een selectieambt veroorzaakt. B.
  4. Onder voorbehoud van wat is vermeld in B.9, zijn de twee middelen in de zaak nr. 7893 niet gegrond. Wat betreft de leden van de Algemene Inspectiedienst B.
  5. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7900 leiden een eerste middel af uit de schending van de artikelen 10, 11, 23 en 24, § 4, van de Grondwet door de artikelen 128, 129 en 131 van het decreet van 31 maart 2022, in zoverre zij een aanzienlijke achteruitgang en een onverantwoord verschil in behandeling zouden veroorzaken tussen de leden van de Algemene Inspectiedienst en de directeurs van de door hen geïnspecteerde inrichtingen. Die tweeden genieten immers verlof tijdens de allerheiligenvakantie (of herfstvakantie) en carnavalsvakantie (of ontspanningsvakantie), in tegenstelling tot die eersten, terwijl hun regelingen vroeger identiek waren. Zij leiden een tweede middel af uit de schending van dezelfde artikelen van de Grondwet door de bestreden bepalingen, in zoverre zij een onverantwoord verschil in behandeling creëren tussen de leden van de Algemene Inspectiedienst en de inspecteurs van de psycho-medisch-sociale centra, die verlof blijven genieten tijdens de allerheiligen- en carnavalsvakanties. In zoverre de twee middelen de ontstentenis van verlof tijdens de herfst- en ontspanningsvakanties beogen, onderzoekt het Hof ze gezamenlijk. 17 B.12.
  6. Het decreet van 16 maart 2023 bepaalt : « Art.
  7. Artikel 98 van het decreet van 10 januari 2019 betreffende de algemene inspectiedienst wordt vervangen als volgt : ‘ Art.
  8. §
  9. Het personeelslid, in vast of in tijdelijk verband, komt in aanmerking voor het hieronder omschreven jaarlijkse vakantieverlof : - herfstvakantie (Allerheiligen) : één week; - wintervakantie (Kerstmis) twee weken; - ontspanningsvakantie (Carnaval) : één week; - lentevakantie (Pasen) : twee weken; - zomervakantie : van 6 juli tot 15 augustus. Wanneer het schooljaar echter eindigt na 5 juli, begint de zomervakantie op de eerste dag na het einde van het schooljaar. In dit geval worden de gewerkte dagen na 5 juli onmiddellijk na 15 augustus overgedragen. De winter- (Kerstmis)- en de lentevakantie (Pasen) komen overeen met de vakantiedagen vastgelegd door de Regering overeenkomstig artikel 1.9.1-2, § 2, eerste lid, van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs of vastgelegd door artikel 223 van het decreet van 31 maart 2022 betreffende de aanpassing van het jaarritme van de scholen voor gewoon, gespecialiseerd basis- en secundair onderwijs, secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan en voor sociale promotie en betreffende de begeleidingsmaatregelen voor de vrijetijdsopvang. De herfstvakantie (Allerheiligen) komt overeen met de tweede week van de vakantie die vastgesteld of bepaald worden overeenkomstig het vorige lid. De ontspanningsvakantie (Carnaval) komt overeen met de eerste week van de vakantie die vastgesteld of bepaald wordt overeenkomstig het tweede lid. §
  10. Indien deze dagen niet op een zaterdag of zondag vallen of in een vakantieperiode bedoeld in § 1, komt het personeelslid, in vast of in tijdelijk verband, ook in aanmerking voor de volgende : 1° 27 september (Feest van de Franse Gemeenschap); 2° 1 november (Allerheiligen); 3° 11 november (Herdenking van 11 november); 4° Paasmaandag; 5° 1 mei (Feest van de Arbeid); 18 6° Hemelvaartsdag; 7° Pinkstermaandag. §
  11. In afwijking van §§ 1 en 2 genieten de inspecteurs-generaal en de coördinerend inspecteur-generaal tijdens hun mandaat het jaarlijks vakantieverlof en de feestdagen die de ambtenaren van de diensten van de Regering genieten ’. [...] Art.
  12. Dit decreet heeft uitwerking met ingang van 29 augustus
  13. ». B.12.
  14. De in het voormelde artikel 33 beoogde inwerkingtreding heeft uitwerking met terugwerkende kracht op de datum van inwerkingtreding van het decreet dat de bestreden bepalingen bevat. B.
  15. Met toepassing van het decreet van 16 maart 2023, dat niet het voorwerp is geweest van een beroep tot vernietiging, genieten de leden van de Algemene Inspectiedienst voortaan, met terugwerkende kracht op de datum van inwerkingtreding van het decreet van 31 maart 2022, verlof tijdens de herfst- en ontspanningsvakanties, in navolging van de directeurs van de door hen geïnspecteerde inrichtingen. Bijgevolg zijn de in het eerste middel aangevoerde verschillen in behandeling onbestaande. Voor het overige staat het niet aan het Hof maar aan de bevoegde rechtbanken om de manier te onderzoeken waarop de eventuele ontstentenis van verlof voor de leden van de Algemene Inspectiedienst tijdens de herfst- en ontspanningsvakanties, voor de schooljaren voorafgaand aan de aanneming van het decreet van 16 maart 2023, moet worden geanalyseerd ten aanzien van de terugwerkende kracht van dat decreet. B.
  16. De twee middelen in de zaak nr. 7900 zijn niet gegrond. 19 Om die redenen, het Hof, onder voorbehoud van hetgeen is vermeld in B.9, verwerpt de beroepen. Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 29 februari
  17. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut P. Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.027 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.