← België

ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.029

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 14 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.029 Arrest- Rolnummer: 29/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-03-25 Raadplegingen: 932 - laatst gezien 2026-06-19 02:42 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag over artikel 6, § 5, zesde lid, van de wet van 9 december 2004 « betreffende de internationale politiële verstrekking van gegevens van persoonlijke aard en informatie met gerechtelijke finaliteit, de wederzijdse internationale rechtshulp in strafzaken en tot wijziging van artikel 90ter van het Wetboek van strafvordering », gesteld door het Hof van Cassatie. Strafrecht - Wederzijdse rechtshulp - Inbeslagneming van antiquiteiten in België - Uitvoering van een verzoek om wederzijdse internationale hulp - Verzet tegen de overdracht van de in beslag genomen goederen - Uitsluiting van het cassatieberoep tegen het arrest Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 29/2024 van 14 maart 2024 Rolnummer : 7908 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 6, § 5, zesde lid, van de wet van 9 december 2004 « betreffende de internationale politiële verstrekking van gegevens van persoonlijke aard en informatie met gerechtelijke finaliteit, de wederzijdse internationale rechtshulp in strafzaken en tot wijziging van artikel 90ter van het Wetboek van strafvordering », gesteld door het Hof van Cassatie. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 21 december 2022, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 4 januari 2023, heeft het Hof van Cassatie de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 6, § 5, zesde lid, van de wet van 9 december 2004 betreffende de internationale politiële verstrekking van gegevens van persoonlijke aard en informatie met gerechtelijke finaliteit de artikelen 10 en 11 van de Grondwet ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - Jaume Bagot Peix, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Yves-Bernard Debie, Mr. Marc Matthys en Mr. Stéphane Rixhon, advocaten bij de balie te Brussel; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Evrard de Lophem, Mr. Maxime Chomé en Mr. Megi Bakiasi, advocaten bij de balie te Brussel. 2 Bij beschikking van 17 januari 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggeefsters Emmanuelle Bribosia en Joséphine Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op een niet nader genoemde datum kreeg Jaume Bagot Peix, kunsthandelaar gespecialiseerd in antieke kunst, gevestigd in Barcelona, een Egyptische sarcofaag in hout en een valse baard in bewaring voor verkoop. Hij draagt die werken over aan een galeriehouder van de Zavelwijk in Brussel, opdat die ze te koop aanbiedt. Op 14 oktober 2016 worden de goederen, ingevolge een Interpol-signalering, in beslag genomen. Op 5 april 2017 ontvangt de Belgische Staat een verzoek om wederzijdse rechtshulp uit Egypte met betrekking tot grafkunstvoorwerpen die volgens de buitenlandse gerechtelijke overheid illegaal werden verwijderd uit de archeologische site waar zij werden gevonden en frauduleus werden uitgevoerd naar Europa. De oorspronkelijke inbeslagneming wordt opgeheven en er wordt een nieuwe inbeslagneming ter uitvoering van het verzoek bevolen. Op 22 maart 2021 beslist de eerste substituut-procureur des Konings te Brussel om de werken over te dragen aan de Egyptische autoriteiten. Op 6 april 2021 dienen Jaume Bagot Peix en de vennootschap naar Spaans recht « J. Bagot Arqueología Sociedad Limitada », als belanghebbende derden, bij de raadkamer van de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel een verzoekschrift in tot verzet tegen de overdracht van de goederen aan de buitenlandse overheid, overeenkomstig artikel 6, § 5, van de wet van 9 december 2004 « betreffende de internationale politiële verstrekking van gegevens van persoonlijke aard en informatie met gerechtelijke finaliteit, de wederzijdse internationale rechtshulp in strafzaken en tot wijziging van artikel 90ter van het Wetboek van strafvordering » (hierna : de wet van 9 december 2004). Bij een beschikking van 3 juni 2021 willigt de raadkamer het verzoekschrift gedeeltelijk in. Op 16 maart 2022 oordeelt de kamer van inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep te Brussel, op hoger beroep van de procureur des Konings, dat Jaume Bagot Peix zijn hoedanigheid van belanghebbende derde niet aantoont, zodat zijn verzoekschrift onontvankelijk is. De kamer van inbeschuldigingstelling handhaaft de beslissing tot uitlevering van roerende zaken. Artikel 6, § 5, laatste lid, van de wet van 9 december 2004 bepaalt dat « het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling [...] niet vatbaar [is] voor voorziening in cassatie ». Op 20 mei 2022 stellen Jaume Bagot Peix en de vennootschap naar Spaans recht « J. Bagot Arqueología Sociedad Limitada » een cassatieberoep in tegen het arrest van 16 maart

  1. Op verzoek van de eisende partijen in cassatie houdt het Hof van Cassatie de uitspraak over de ontvankelijkheid van het cassatieberoep aan en stelt het de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. 3 III. In rechte -A- A.
  2. Vooraf brengen de eisende partijen in cassatie in herinnering dat de in het geding zijnde bepaling artikel 11 van de « uitleveringswet » van 15 maart 1874 vervangt, dat voor de belanghebbende derde voorzag in de mogelijkheid om, enerzijds, zich te verzetten tegen de overdracht van de in beslag genomen goederen en, anderzijds, te verzoeken om de opheffing van de inbeslagneming. Een in dat kader ingesteld beroep kon leiden tot een arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling, waartegen een cassatieberoep kon worden ingesteld. A.
  3. De eisende partijen in cassatie zijn van mening dat de in het geding zijnde bepaling niet redelijk verantwoord is. Zij merken op dat zij op twee gronden berust. Enerzijds, de inaanmerkingneming van de wet van 14 februari 2014 « met betrekking tot de rechtspleging voor het Hof van Cassatie in strafzaken ». Anderzijds, de omstandigheid dat, wanneer bij de Belgische Staat een verzoek om wederzijdse internationale hulp wordt ingediend, de Belgische overheden zich niet vermogen uit te spreken over de strafvervolging in de verzoekende Staat. Bovendien valt de procedure voor de kamer van inbeschuldigingstelling niet binnen het toepassingsgebied van het recht op een eerlijk proces dat is vastgelegd in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Wat de eerste grond betreft, doen zij gelden dat de in het geding zijnde bepaling niet kan worden gelijkgesteld met artikel 420 van het Wetboek van strafvordering. Dat artikel voorziet erin dat tegen de voorbereidende beslissingen en beslissingen van onderzoek slechts cassatieberoep kan worden ingesteld na het eindarrest of het eindvonnis, zodat zij het cassatieberoep uitstelt. De in het geding zijnde bepaling sluit daarentegen elke mogelijkheid van een cassatieberoep uit. Wat de tweede grond betreft, voeren zij aan dat artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens van toepassing is op de exequatur-procedures van een beschikking tot verbeurdverklaring die is uitgesproken door een buitenlands rechtscollege (EHRM, 5 juli 2007, Saccoccia t. Oostenrijk, ECLI:CE:ECHR:2007:0705DEC006991701), waarop de in de in het geding zijnde bepaling bedoelde procedure kan lijken. Zij zijn van mening dat de in het geding zijnde bepaling het recht op toegang tot de rechter schendt dat voortvloeit uit die verdragsbepaling en uit artikel 23 van de Grondwet. In ondergeschikte orde menen zij dat, zelfs indien artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens niet van toepassing zou zijn, dit niet de mogelijkheid zou bieden om de aangevoerde discriminatie te verantwoorden. Het betreft twee verschillende kwesties. A.
  4. De eisende partijen in cassatie erkennen dat artikel 22, § 3, van de wet van 22 mei 2017 « betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken » (hierna : de wet van 22 mei 2017) bepaalt dat er, bij een verzoek om overdracht van bewijsmateriaal dat uitgaat van een lidstaat van de Europese Unie, geen cassatieberoep openstaat tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling waarbij uitspraak wordt gedaan over het verzet van een belanghebbende derde. Zij zijn evenwel van mening dat die maatregel kan worden verantwoord door het feit dat de lidstaten van de Europese Unie aan democratische en procedurele standaarden beantwoorden die gelijkwaardig zijn aan die van België. Daaruit volgt dat de belanghebbende derden een daadwerkelijk rechtsmiddel kunnen uitoefenen in de lidstaat waarnaar het goed zou zijn teruggezonden. In geval van een overdracht van de in beslag genomen goederen aan de overheden van een Staat die geen lid is van de Europese Unie, zijn de waarborgen niet vergelijkbaar. De eisende partijen in cassatie zijn in het bijzonder van mening dat Egypte niet aan dezelfde standaarden beantwoordt als de lidstaten van de Europese Unie. Zij merken eveneens op dat artikel 21 van de wet van 22 mei 2017 in extra waarborgen voorziet voor de rechtzoekende, met name de principiële opschorting van de overdracht in geval van een beroep en de mogelijkheid voor de Belgische overheden om te eisen dat het bewijsmateriaal naar België wordt teruggezonden zodra de uitvaardigende staat het niet meer nodig heeft. Met andere woorden, zelfs indien de in de wet van 9 december 2004 bedoelde verzetsprocedure zou moeten worden vergeleken met die welke is bedoeld in de wet van 22 mei 2017, zou moeten worden vastgesteld dat de wetgever wezenlijk verschillende situaties op dezelfde wijze behandelt. Bovendien voorziet de rechtspraak van het Hof van Cassatie erin dat tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling waarbij uitspraak wordt gedaan over het verzoek om opheffing dat is ingediend door de persoon die is benadeeld door een onderzoekshandeling met betrekking tot zijn goederen, een cassatieberoep kan 4 worden ingesteld, zelfs wanneer dat arrest betrekking heeft op bewijsmateriaal dat in beslag werd genomen in het kader van een Europese onderzoeksprocedure (artikel 22, § 2, van de wet van 22 mei 2017) of wanneer het betrekking heeft op goederen die in beslag werden genomen in het kader van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie (artikel 15, § 1, van de wet van 5 augustus 2006 « inzake de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie »). Dat verschil in behandeling is niet redelijk verantwoord. A.
  5. De eisende partijen in cassatie zijn van mening dat de gevolgen van dat verschil in behandeling onevenredig zijn, aangezien de eenheid van rechtspraak niet meer wordt gewaarborgd door het Hof van Cassatie. Bovendien zullen de werken, bij gebrek aan een cassatieberoep, worden overgedragen aan het buitenland in een niet-democratische Staat en definitief verloren zijn voor de eigenaar ervan. Zulks geldt des te meer daar het verzoek van de Egyptische Staat te dezen geen betrekking heeft op de overdracht van bewijsmateriaal maar op de teruggave van de werken, met toepassing van de artikelen 7, b), ii), en 13, b), van het Verdrag van de Organisatie voor onderwijs, wetenschap en cultuur van de Verenigde Naties (UNESCO) van 14 november 1970 « met betrekking tot de maatregelen die moeten worden genomen om de ongeoorloofde invoer, uitvoer en overdracht van eigendom van cultuurgoederen te voorkomen ». Indien de Belgische Staat zou moeten afzien van de uitoefening van enige vorm van controle op het verzoek om wederzijdse hulp, zou hij, volgens de eisende partijen in cassatie, zijn uitvoerende macht overdragen aan een vreemde Staat, hetgeen op discriminerende wijze afbreuk zou doen aan de artikelen 33 en 34 van de Grondwet. A.
  6. De Ministerraad voert in hoofdorde aan dat de categorieën van personen die de eisende partijen in cassatie met elkaar wensen te vergelijken, niet vergelijkbaar zijn. Hij doet gelden dat de wet van 5 augustus 2006 betrekking heeft op inbeslagnemingen die worden uitgevoerd met het oog op verbeurdverklaring. Die inbeslagnemingen bieden de gerechtelijke overheden de mogelijkheid om de goederen aan te houden met het oog op een eventuele verbeurdverklaring. De wet van 22 mei 2017 heeft betrekking op de inbeslagnemingen van bewijsmateriaal. Daarenboven voorziet artikel 15, § 1, van de wet van 5 augustus 2006 in een procedure waarbij om de opheffing van de inbeslagneming wordt verzocht, die wordt ingesteld door iedere benadeelde persoon, terwijl de in het geding zijnde bepaling tegen de overdracht van het voorwerp van het misdrijf voorziet in een procedure van verzet, die wordt ingesteld door een belanghebbende derde. Bovendien is de gerechtelijke samenwerking binnen de Europese Unie, die wordt geregeld bij de wetten van 5 augustus 2006 en van 22 mei 2017, gebaseerd op de beginselen van wederzijdse erkenning en wederzijds vertrouwen, zodat die samenwerking wezenlijk verschilt van de samenwerking met Staten die geen lid zijn van de Europese Unie. A.
  7. In ondergeschikte orde doet de Ministerraad gelden dat er geen verschil in behandeling tussen de vergeleken categorieën van personen bestaat. Hij merkt op dat noch artikel 15, § 1, van de wet van 5 augustus 2006, noch artikel 61quater van het Wetboek van strafvordering, waarnaar het verwijst, voorzien in de mogelijkheid om een cassatieberoep in te stellen tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling. Vanuit die invalshoek is er dus geen verschil in behandeling. Hij brengt in herinnering dat die bepalingen van toepassing zijn op de verzoeken om opheffing van inbeslagnemingen met het oog op verbeurdverklaring. De in het geding zijnde bepaling heeft dan weer betrekking op het verzet van belanghebbende derden tegen de overdracht van bewijsmateriaal aan een Staat die geen lid is van de Europese Unie, zodat het artikel 22, § 3, van de wet van 22 mei 2017 met betrekking tot de overdracht van bewijsmateriaal aan een lidstaat van de Europese Unie is dat dient te worden vergeleken met de in het geding zijnde bepaling. Bij die twee procedures wordt het cassatieberoep tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling expliciet uitgesloten. Daaruit volgt dat er vanuit die invalshoek evenmin een verschil in behandeling is. A.
  8. De Ministerraad is van mening dat de gevolgen van de in het geding zijnde bepaling hoe dan ook niet onevenredig zijn, aangezien de beslissing tot overdracht kan worden betwist voor de raadkamer en, vervolgens, in voorkomend geval, voor de kamer van inbeschuldigingstelling. De wetgever heeft een evenwicht tot stand gebracht tussen de toegang tot de rechter en de inachtneming van de in het buitenland gewezen beslissingen. A.
  9. De eisende partijen in cassatie antwoorden dat de wet van 9 december 2004 betrekking heeft op elk verzoek om wederzijdse hulp, ongeacht het voorwerp ervan. Zij beperkt zich dus niet tot de inbeslagnemingen van bewijsmateriaal. Te dezen hebben de Egyptische autoriteiten verzocht om de werken in beslag te nemen met het oog op de teruggave ervan, en niet als bewijsmateriaal. Het gaat dus om een verbeurdverklaring van de goederen. De wet van 5 augustus 2006 heeft dan weer betrekking op verbeurdverklaringen maar ook, met name, op inbeslagnemingen van zaken die het voorwerp van het misdrijf uitmaken. 5 Volgens de eisende partijen in cassatie heeft het door de Egyptische autoriteiten ingediende verzoek om wederzijdse internationale hulp, in het kader van de regeling van de wet van 9 december 2004, betrekking op werken die het voorwerp van het misdrijf zouden uitmaken, zodat die regeling kan worden vergeleken met die van de wet van 5 augustus
  10. De wet van 22 mei 2017 heeft, in het Europese kader, de overeenstemmende bepalingen van de wet van 9 december 2004 en van de wet van 5 augustus 2006 vervangen. Volgens de eisende partijen in cassatie zijn de drie wetten dus nauw met elkaar verbonden en vergelijkbaar. De eisende partijen in cassatie doen eveneens gelden dat het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling in het kader van een procedure van verzet tegen de overdracht van de goederen aan een buitenlandse overheid een definitief karakter heeft, zodat het open zou moeten staan voor een cassatieberoep. A.
  11. De eisende partijen in cassatie zijn van mening dat het Grondwettelijk Hof, bij zijn arrest nr. 1/2022 van 13 januari 2022 (ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.001), heeft geoordeeld dat het verschil in behandeling tussen de procedure waarbij wordt verzocht om de opheffing van een inbeslagneming met het oog op de verbeurdverklaring - bedoeld in artikel 15, § 1, van de wet van 5 augustus 2006 en in artikel 61quater, § 5, van het Wetboek van strafvordering - en de procedure van verzet tegen de overdracht van het voorwerp van het misdrijf, ongrondwettig was. De eisende partijen in cassatie brengen eveneens in herinnering dat het Hof, in zijn voormelde arrest, heeft geoordeeld dat de beperkte territoriale bevoegdheid van de Belgische overheden niet belet dat zij controleren of in de Belgische wet van de bepaalde grondvoorwaarden in acht zijn genomen. Zij voeren ook aan dat het hebben van vertrouwen in de buitenlandse overheden niet wegneemt dat de wettigheid van de procedures moet worden nagegaan. A.
  12. De Ministerraad antwoordt dat de in het geding zijnde bepaling niet uitsluitend betrekking heeft op Egypte, maar alle Staten beoogt die geen lid zijn van de Europese Unie. De door de eisende partijen in cassatie beschreven situatie vindt dus niet haar oorsprong in de in het geding zijnde bepaling, maar in de bijzondere kenmerken van het Egyptische staatkundige stelsel. De wetgever kan niet uitgaan van het beginsel dat alle landen die geen lid zijn van de Europese Unie, geen toereikende jurisdictionele waarborgen bieden. De Ministerraad merkt op dat de in het geding zijnde bepaling, in tegenstelling tot wat de eisende partijen in cassatie aanvoeren, kan worden gelijkgesteld met artikel 420 van het Wetboek van strafvordering, aangezien de inbeslagneming in beide gevallen samen met het eindvonnis kan worden gecontroleerd. Het is in het kader van die procedure, in België of in het buitenland, dat de eiser over de mogelijkheid beschikt om zijn goederen terug te krijgen. De in het geding zijnde bepaling ligt in het verlengde van artikel 420 van het Wetboek van strafvordering dat met name tot doel had om de aanzienlijke toevloed van cassatieberoepen in strafzaken te verminderen. De Ministerraad doet gelden dat het Grondwettelijk Hof, bij zijn arrest nr. 148/2017 van 21 december 2017 (ECLI:BE:GHCC:2017:ARR.148), heeft geoordeeld dat de opheffing van het cassatieberoep in de gemeenrechtelijke procedure (artikelen 61quater en 420 van het Wetboek van strafvordering) bestaanbaar was met de Grondwet. Bovendien heeft het geoordeeld dat de opheffing van het cassatieberoep de rechten van de betrokkenen niet op onevenredige wijze inperkt. Ten slotte is de Ministerraad van mening dat de in het geding zijnde bepaling geen aanzienlijke achteruitgang van de bescherming van het recht op toegang tot de rechter met zich meebrengt, en dat zij hoe dan ook wordt verantwoord door redenen van algemeen belang. 6 -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling en de context ervan B.
  13. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 6, § 5, zesde lid, van de wet van 9 december 2004 « betreffende de internationale politiële verstrekking van gegevens van persoonlijke aard en informatie met gerechtelijke finaliteit, de wederzijdse internationale rechtshulp in strafzaken en tot wijziging van artikel 90ter van het Wetboek van strafvordering » (hierna : de wet van 9 december 2004). Zij beoogt in het bijzonder de uitsluiting van het cassatieberoep tegen het arrest dat door de kamer van inbeschuldigingstelling is gewezen in het kader van een verzet tegen de overdracht van goederen die in beslag werden genomen ter uitvoering van een verzoek om wederzijdse internationale hulp. B.2.
  14. De wet van 9 december 2004 heeft betrekking op de wederzijdse internationale rechtshulp in strafzaken. B.2.
  15. De Belgische gerechtelijke overheden verlenen de ruimst mogelijke wederzijdse rechtshulp in strafzaken met inachtneming van de wet van 9 december 2004 en van de internationale rechtsregels die van toepassing zijn (artikel 3). De verzoeken om wederzijdse rechtshulp in strafzaken die niet passen in het kader van een internationaal rechtsinstrument met betrekking tot wederzijdse rechtshulp tussen België en de verzoekende Staat worden enkel op voorwaarde dat een wederzijdse verbintenis van goede samenwerking is aangegaan, ten uitvoer gelegd (artikel 4, § 1). Artikel 4, § 2, van de wet van 9 december 2004 bepaalt de gevallen waarin de tenuitvoerlegging van een verzoek om wederzijdse rechtshulp in strafzaken wordt geweigerd. B.3.
  16. Zoals het is aangevuld bij artikel 218 van de wet van 6 juli 2017 « houdende vereenvoudiging, harmonisering, informatisering en modernisering van bepalingen van burgerlijke recht en van burgerlijk procesrecht alsook van het notariaat, en houdende diverse bepalingen inzake justitie » (hierna : de wet van 6 juli 2017), bepaalt artikel 6 van de wet van 9 december 2004 : 7 « §
  17. Verzoeken om wederzijdse rechtshulp in strafzaken vanwege de bevoegde buitenlandse overheden worden ten uitvoer gelegd overeenkomstig het Belgische recht en, in voorkomend geval, overeenkomstig de geldende internationale rechtsinstrumenten die de verzoekende Staat en België binden. [...] §
  18. Ingeval een verzoek om wederzijdse rechtshulp in strafzaken om juridische redenen niet ten uitvoer kan worden gelegd, stelt de hiermee belaste Belgische overheid onverwijld de bevoegde buitenlandse overheid bij een met redenen omklede beslissing hiervan in kennis en vermeldt ze in voorkomend geval de voorwaarden waaronder deze uitvoering toch zou kunnen plaatsvinden. [...] §
  19. Indien naar aanleiding van de uitvoering van een verzoek om wederzijdse rechtshulp goederen in beslag werden genomen die volgens het rechtshulpverzoek het voorwerp van het misdrijf zijn, kan een derde belanghebbende zich tegen de overdracht van deze in beslag genomen goederen aan de verzoekende overheid verzetten. De procureur des Konings deelt bij aangetekende brief, per fax of per e-mail zijn beslissing tot overdracht van de in beslag genomen voorwerpen mee aan de persoon bij wie de voorwerpen in beslag genomen werden alsook aan de derden die zich zouden gemanifesteerd hebben en, in voorkomend geval, hun advocaat. Het verzet tegen de overdracht wordt gedaan door middel van een gemotiveerd verzoekschrift waarin de derde belanghebbende blijk geeft van een gerechtvaardigd belang. Het verzoekschrift dient op straffe van verval binnen de 15 dagen na de kennisgeving van de beslissing van de procureur des Konings te worden ingediend bij de raadkamer van de plaats waar de procureur des Konings die deze beslissing van overdracht heeft genomen, zijn ambt uitoefent. Enkel de raadkamer is bevoegd om kennis te nemen van het verzet tegen de beslissing tot overdracht, dit met uitsluiting van de bevoegdheid van de kortgedingrechter. Tegen de beschikking van de raadkamer staat hoger beroep bij de kamer van inbeschuldigingstelling open. Het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling is niet vatbaar voor voorziening in cassatie ». B.3.
  20. Artikel 6, § 5, van de wet van 9 december 2004, zoals ingevoegd bij artikel 218 van de wet van 6 juli 2017, regelt aldus, ten behoeve van de belanghebbende derde, een procedure van verzet tegen de overdracht van in beslag genomen goederen die, ter uitvoering van een verzoek om wederzijdse rechtshulp, het voorwerp van het misdrijf uitmaken. 8 De in die bepaling bedoelde procedure betreft enkel het verzet tegen de overdracht van de in beslag genomen goederen. Zij leidt dus niet tot de opheffing van het beslag. Zij vervangt de procedure die was bedoeld in artikel 11 van de « uitleveringswet » van 15 maart 1874 (hierna : de wet van 15 maart 1874). B.3.
  21. In de parlementaire voorbereiding van artikel 218 van de wet van 6 juli 2017, waarbij een paragraaf 5 is ingevoegd in artikel 6 van de wet van 9 december 2004, wordt de draagwijdte van de bevoegdheid van de Belgische overheid als aangezochte Staat uitgelegd : « Naar aanleiding van de opheffing van artikel 11 van de uitleveringswet van 15 maart 1874 wordt dienovereenkomstig in de rechtshulpwet een procedure ingevoegd die derde belanghebbenden toelaat hun rechten te doen gelden ten aanzien van de voorwerpen die in beslag zijn genomen naar aanleiding van de uitvoering van een buitenlands rechtshulpverzoek waarin om de uitvoering van een huiszoeking in België werd verzocht. Rechtshulpverzoeken worden uitgevoerd binnen de perken van de gevraagde onderzoeksmaatregelen en voor zover in overeenstemming met het toepasselijke internationale rechtsinstrument en het Belgische recht. De Belgische overheid is als aangezochte Staat niet bevoegd om het in het buitenland gevoerde strafrechtelijk onderzoek op zijn merites te beoordelen. Het komt de Belgische gerechtelijke autoriteiten dan ook niet toe om een oordeel te vellen over wat wel of wat niet in het buitenland in het kader van het uitsluitend aldaar gevoerde strafrechtelijk vooronderzoek of de vervolging als bewijsmiddel in overeenstemming met het recht van de verzoekende [Staat] kan of mag worden aangewend. Dit brengt met zich dat een eventuele betwisting over de overdracht van in België, in uitvoering van een buitenlands rechtshulpverzoek, in beslag genomen bewijsmiddelen, geheel buiten de bevoegdheid van de Belgische rechterlijke autoriteiten valt. Om deze reden wordt de discussie over de overdracht van in beslag genomen bewijsmiddelen uitgesloten. Procedures over de (on)toelaatbaarheid van het in het buitenland verkregen bewijs dienen in de verzoekende Staat te worden gevoerd. Deze paragraaf viseert bijgevolg enkel de in beslag genomen goederen die als voorwerp van het misdrijf kunnen worden aangemerkt. [...] Derde belanghebbenden kunnen, mits een gemotiveerd verzoekschrift, zich verzetten tegen de beslissing van de procureur des Konings tot overdracht van de in beslag genomen voorwerpen. Hierbij kan worden verwezen naar de bestaande rechtspraak in deze materie, waaronder het arrest van 15 juni 2011 van het Hof van Cassatie (P.11 0927.F). 9 [...] In het kader van een verzet tegen de overdracht van inbeslaggenomen goederen is de bevoegde raadkamer deze van de plaats waar de procureur des Konings, die de beslissing van overdracht heeft genomen, zijn Ambt uitoefent. Het verzet is immers niet gericht tegen het beslag maar wel tegen de overdracht van de inbeslaggenomen goederen en dus gekoppeld aan de beslissing van overdracht. Dit brengt met zich mee dat als de federale procureur op zijn normale standplaats te Brussel een beslissing van overdracht neemt van, bijvoorbeeld, in Oostende, Gent, Antwerpen en Arlon in beslag genomen goederen, enkel de raadkamer van Brussel bevoegd zal zijn. Dit anticipeert tevens op de mogelijkheid om in het kader van zaakverdelingsreglementen specifieke afdelingen aan te duiden voor de afhandeling van buitenlandse rechtshulpverzoeken alsmede op de mogelijkheid dat een magistraat van een andere afdeling tijdelijk gedetacheerd wordt naar de afdeling aangewezen voor de afhandeling van een buitenlands rechtshulpverzoek. Tegen de beschikking van de raadkamer kan, conform het gemeen recht (artikel 135 Wetboek van strafvordering), hoger beroep worden aangetekend bij de Kamer van Inbeschuldigingstelling. Er wordt uitdrukkelijk voor gekozen om het arrest van de Kamer van Inbeschuldigingstelling niet open te stellen voor een voorziening in cassatie » (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2259/001, pp. 163-164). De minister van Justitie heeft eveneens gepreciseerd : « De minister legt uit [dat] de keuze om het arrest van de Kamer van Inbeschuldigingstelling niet open te stellen voor een voorziening in cassatie verantwoord is in het licht van de wet van 14 februari 2014 met betrekking tot de rechtspleging voor het Hof van Cassatie in strafzaken (zie in het bijzonder DOC 53-3065/001). Internationale rechtshulp in strafzaken wordt beheerst door internationale verdragen en overeenkomsten en interne wetgeving met een sui generis karakter. Het sleutelkenmerk van de internationale rechtshulp in strafzaken is dat de aangezochte Staat hulp verleent aan de verzoekende [S]taat door de door deze laatste gevraagde bewijsmiddelen te bezorgen. De aangezochte [S]taat is dus niet bevoegd [...] om uitspraak te doen over de inhoud van de buitenlandse strafvervolging of over de (straf)procedure die in de verzoekende [S]taat wordt gevoerd. De procedure die slechts tot doel heeft een buitenlands rechtshulpverzoek uit te voeren is zelf geen procedure in de zin van artikel 6 EVRM. Het gaat om de loutere uitvoering van een buitenlandse rechterlijke beslissing » (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2259/008, p. 71). B.3.
  22. Zoals in de voormelde parlementaire voorbereiding wordt vermeld, kan de lering uit de rechtspraak met betrekking tot artikel 11 van de wet van 15 maart 1874 mutatis mutandis worden overgenomen voor de toepassing van de in het geding zijnde bepaling. Uit die rechtspraak blijkt dat « de raadkamer en in hoger beroep de kamer van inbeschuldigingstelling binnen hun duidelijk afgebakende bevoegdheid alleen onderzoeken of 10 de rechten van derden kunnen worden benadeeld, doordat de in beslag genomen voorwerpen aan de verzoekende regering worden overgegeven; dat de rol van het onderzoeksgerecht een bewarend karakter heeft doordat het, als rechtscollege dat alleen gelast is om de overdracht van de in beslag genomen voorwerpen aan de vreemde autoriteit goed te keuren, deze overdracht alleen vermag te weigeren wanneer derden-houders of andere rechthebbenden er belang bij hebben dat deze voorwerpen binnen ’s lands grenzen zouden worden bewaard; dat vermelde personen dit belang moeten aantonen » (Cass., 1 juni 1999, P.99.0630.N, ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990601.11). Bovendien is het onderzoeksgerecht niet verplicht om de overdracht van de in beslag genomen voorwerpen te weigeren alleen omdat een derde bezitter belang erbij heeft dat zij de grens niet overschrijden. Met andere woorden, « het onderzoeksgerecht [kan] de overdracht weigeren, gelet op het belang van de derde. Dit belang dwingt daar niet toe » (Cass., 15 juni 2011, P.11.0927.F, ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110615.2). B.
  23. In hun memories vestigen de partijen de aandacht op vier rechtsregelingen, namelijk : - het verzoek om opheffing van een onderzoekshandeling die niet haar oorsprong vindt in een verzoek om wederzijdse internationale rechtshulp (artikel 61quater van het Wetboek van strafvordering, in samenhang gelezen met artikel 420 van hetzelfde Wetboek); - het verzoek om opheffing van een inbeslagneming die is uitgesproken ter uitvoering van een door een lidstaat van de Europese Unie genomen rechterlijke beslissing in strafzaken (artikel 15, § 1, van de wet van 5 augustus 2006 « inzake de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie » (hierna : de wet van 5 augustus 2006)); - het verzoek om opheffing van een inbeslagneming die is uitgesproken ter uitvoering van een Europees onderzoeksbevel (artikel 22, §§ 1 en 2, van de wet van 22 mei 2017 « betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken » (hierna : de wet van 22 mei 2017)), en - het verzet tegen de overdracht van goederen die in beslag werden genomen ter uitvoering van een Europees onderzoeksbevel (artikel 22, § 3, van de wet van 22 mei 2017). 11 B.5.
  24. De procedure waarbij wordt verzocht om de opheffing van een onderzoekshandeling die niet haar oorsprong vindt in een verzoek om wederzijdse internationale rechtshulp, ook wanneer daarbij een inbeslagneming wordt bevolen, is ingevoerd bij artikel 61quater van het Wetboek van strafvordering. Het beroep staat open voor eenieder die geschaad wordt door een onderzoekshandeling met betrekking tot zijn goederen (artikel 61quater, § 1). Artikel 61quater, § 3, van het Wetboek van strafvordering bepaalt dat de onderzoeksrechter « het verzoek [kan] afwijzen, indien hij van oordeel is dat de noodwendigheden van het onderzoek het vereisen, indien door de opheffing van de handeling de rechten van partijen of van derden in het gedrang komen, indien de opheffing van de handeling een gevaar zou opleveren voor personen of goederen, of wanneer de wet in de teruggave of de verbeurdverklaring van de betrokken goederen voorziet ». De procureur des Konings en de verzoeker kunnen bij de kamer van inbeschuldigingstelling hoger beroep instellen tegen de beschikking van de onderzoeksrechter. Het hoger beroep heeft opschortende werking, tenzij voorlopige tenuitvoerlegging is bevolen (artikel 61quater, § 5). B.5.
  25. Artikel 20 van de wet van 14 februari 2014 « met betrekking tot de rechtspleging voor het Hof van Cassatie in strafzaken », waarnaar de in B.3 aangehaalde parlementaire voorbereiding verwijst, vervangt artikel 420, eerste lid, van hetzelfde Wetboek. Die bepaling voorziet erin dat « tegen de voorbereidende beslissingen en beslissingen van onderzoek, zelfs al zijn die zonder voorbehoud ten uitvoer gelegd, [...] slechts cassatieberoep [kan] worden ingesteld na het eindarrest of het eindvonnis ». Uit het tweede lid van dat artikel blijkt dat tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling waarbij de wettigheid van een inbeslagneming wordt gecontroleerd, geen onmiddellijk cassatieberoep kan worden ingesteld. De mogelijkheid van een onmiddellijk cassatieberoep werd opgeheven bij artikel 115 van de wet van 5 februari 2016 « tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie », dat artikel 420, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering vervangt. 12 Zoals in B.3.3 is vermeld, wordt de in het geding zijnde bepaling verantwoord door de wil om een parallellisme in te voeren met de in artikel 420 van het Wetboek van strafvordering vervatte regel. B.5.
  26. In de memorie van toelichting is de opheffing van die mogelijkheid tot onmiddellijk cassatieberoep als volgt verantwoord : « De wildgroei van de uitzonderingen op dat grondbeginsel volgens hetwelk de ontvankelijkheid van cassatieberoep tegen de voorbereidende beslissingen en beslissingen van onderzoek pas mogelijk is na het eindarrest of het eindvonnis, is een van de oorzaken van de verzadiging van het Hof. De schrapping van het onmiddellijk cassatieberoep tegen beslissingen gewezen met toepassing van de artikelen 135, 235bis en 235ter van het Wetboek van Strafvordering strekt ertoe de afgeleiden die verband houden met de ontwikkeling van het proces tijdens het proces te voorkomen. Het gaat om een maatregel die met aandrang werd voorgesteld in het ‘ Overzicht van de wetten die voor de hoven en de rechtbanken moeilijkheden bij de toepassing of de interpretatie ervan hebben opgeleverd ’ voorgelegd op 17 oktober 2014 door de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie aan het Parlementair Comité belast met de wetsevaluatie (verslag 2013-2014 DOC 54-0435/001 blz. 31 tot 33[)], zoals in zijn verslag van het vorige jaar [...]. Zij strekt tevens ertoe een einde te maken aan de negatieve gevolgen van de verlenging van de rechtspleging betreffende de voorlopige hechtenis en de redelijke termijn. Dat resulteert niet in een verzwakking van de controle van de wettelijkheid van de rechtspleging, maar in de verdaging van die controle naar het einde van het proces, het enige tijdstip waarop een volledig overzicht bestaat en de echte impact van de aangevoerde onregelmatigheden op de rechtspleging kan worden vastgelegd. Een dergelijke oplossing zou het Hof een zware last ontnemen, waarvan het aantal verworpen cassatieberoepen de overbodigheid aantoont » (Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54-1418/001, pp. 104-105). In de parlementaire voorbereiding wordt eveneens eraan toegevoegd dat de mogelijkheid van een onmiddellijk cassatieberoep « [vaak] ontaardt [...] in een proces tijdens het proces, waardoor de rechtsplegingen, tijdens dewelke dezelfde vragen opnieuw worden gesteld in een andere vorm of door een andere partij, bovenmatig worden verlengd nog vóór het vonnis ten gronde wordt gewezen in de zaak » (Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54-1418/005, p. 19). B.5.
  27. Het Hof heeft geoordeeld dat die bepaling geen onevenredige beperking van de rechten van de betrokkenen inhoudt, aangezien tegen de arresten van de kamer van 13 inbeschuldigingstelling nog steeds cassatieberoep openstaat, zij het slechts na het eindarrest of het eindvonnis (arrest nr. 148/2017 van 21 december 2017, ECLI:BE:GHCC:2017:ARR.148, B.55.2). B.6.
  28. De procedure waarbij wordt verzocht om de opheffing van een inbeslagneming die is uitgesproken ter uitvoering van een door een lidstaat van de Europese Unie genomen rechterlijke beslissing in strafzaken, wordt geregeld bij artikel 15 van de wet van 5 augustus
  29. De wet van 5 augustus 2006 regelt, in de betrekkingen tussen België en de andere lidstaten van de Europese Unie, de voorwaarden inzake de tenuitvoerlegging van de beslissingen die worden genomen in het kader van een strafrechtspleging door een overheid die bevoegd is volgens het recht van de beslissingsstaat, en de voorwaarden die de Belgische overheden in acht moeten nemen voor het overzenden van dergelijke beslissingen. Zij zet onder meer het kaderbesluit 2003/577/JBZ van de Raad van 22 juli 2003 « inzake de tenuitvoerlegging in de Europese Unie van beslissingen tot bevriezing van voorwerpen of bewijsstukken » (hierna : het kaderbesluit 2003/577/JBZ) om in Belgisch recht (artikel 2). B.6.
  30. In de parlementaire voorbereiding van de wet van 26 november 2011 « tot wijziging van de wet van 5 augustus 2006 inzake de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie (II) » wordt uiteengezet : « De wederzijdse erkenning wordt beschouwd als de hoeksteen van de gerechtelijke samenwerking in strafzaken en moet de mechanismen voor ‘ traditionele ’ wederzijdse rechtshulp, gegrond op de dialoog tussen staten, vervangen. Het nieuwe stelsel is gegrond op het wederzijds vertrouwen van de lidstaten in de kwaliteit van hun respectieve strafrechtspleging. In een ruimte zonder grenzen zoals de Europese Unie is het normaal dat de rechterlijke beslissingen gemakkelijk kunnen circuleren en ten uitvoer kunnen worden gelegd » (Parl. St., Kamer, 2010-2011, DOC 53-1703/001, p. 7). B.6.
  31. De wet van 5 augustus 2006 heeft onder meer betrekking op de « voorafgaande inbeslagnemingen » - namelijk de inbeslagnemingen van goederen tot zekerheid van de tenuitvoerlegging van de verbeurdverklaring (artikel 2/1, 4/1°) - en op de 14 « bevriezingen » - hetgeen onder meer de inbeslagnemingen omvat van zaken die het voorwerp van het misdrijf uitmaken, van zaken die hebben gediend of waren bestemd om het misdrijf te plegen, wanneer zij eigendom van de veroordeelde zijn, en van zaken die voortkomen uit het misdrijf (artikel 2/1, 3°). B.6.
  32. Artikel 15, § 1, van de wet van 5 augustus 2006 voorziet erin dat elke benadeelde persoon om de opheffing van de inbeslagneming kan verzoeken. Het verzoek om opheffing van de inbeslagneming heeft een opschortend gevolg voor de tenuitvoerlegging van het verzoek om verbeurdverklaring of overgave van het goed als bewijsstuk. Artikel 15, § 1, van de wet van 5 augustus 2006 bepaalt dat de in artikel 61quater van het Wetboek van strafvordering bedoelde procedure van toepassing is. In tegenstelling tot de procedure die voortvloeit uit artikel 61quater van het Wetboek van strafvordering, beperkt de bevoegdheid van de onderzoeksrechter zich evenwel tot het nagaan van het bestaan van grondvoorwaarden (artikel 15, § 1). Daarentegen kunnen de redenen van de inbeslagneming enkel worden aangevochten door een vordering voor een rechtbank van de beslissingsstaat (artikel 15, § 2). Overeenkomstig artikel 61quater kan tegen de beschikking van de onderzoeksrechter hoger beroep worden ingesteld voor de kamer van inbeschuldigingstelling. B.6.
  33. Het Hof van Cassatie heeft geoordeeld dat tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling cassatieberoep kan worden ingesteld, aangezien de eventuele eindbeslissing in de zin van artikel 420 van het Wetboek van strafvordering niet in België wordt gewezen (Cass., 3 juni 2020, P.20.0314.F, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200603.2F.7). B.7.
  34. De procedure waarbij wordt verzocht om de opheffing van een inbeslagneming die is uitgesproken ter uitvoering van een Europees onderzoeksbevel, wordt beoogd in artikel 22, §§ 1 en 2, van de wet van 22 mei
  35. Bij die wet wordt de richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 « betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken » (hierna : de richtlijn 2014/41/EU) omgezet. 15 In de relaties van België met de andere lidstaten van de Europese Unie die door de richtlijn 2014/41/EU zijn gebonden, vervangt de wet van 22 mei 2017, enerzijds, de wet van 9 december 2004, wat betreft de tenuitvoerlegging van onderzoeksmaatregelen, en, anderzijds, de wet van 5 augustus 2006, wat betreft de inbeslagneming van bewijsmateriaal (artikel 3, § 2). B.7.
  36. De enige rechtsmiddelen die openstaan tegen de tenuitvoerlegging van een Europees onderzoeksbevel, zijn bepaald in artikel 22 (artikel 22, § 1). Bij artikel 22, § 2, wordt artikel 61quater van het Wetboek van strafvordering mutatis mutandis van toepassing gemaakt. Het bepaalt evenwel dat de materiële gronden voor het uitvaardigen van een Europees onderzoeksbevel enkel in de uitvaardigende Staat kunnen worden aangevochten. Daaruit volgt dat, overeenkomstig artikel 61quater van het Wetboek van strafvordering, tegen de beschikking van de onderzoeksrechter die zich uitspreekt over de opheffing van een inbeslagneming die ten uitvoer is gelegd met toepassing van een Europees onderzoeksbevel, hoger beroep kan worden ingesteld voor de kamer van inbeschuldigingstelling. B.7.
  37. Het Hof van Cassatie heeft geoordeeld dat tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling cassatieberoep kan worden ingesteld (Cass., 12 mei 2020, P.20.0342.N, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200512.2N.3; 5 januari 2022, P.21.1329.F, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220105.2F.2). B.8.
  38. Ten slotte regelt artikel 22, § 3, van de wet van 22 mei 2017 de procedure van verzet tegen de overdracht, aan de uitvaardigende autoriteit, van de goederen die het voorwerp van het misdrijf zijn en in beslag werden genomen ter uitvoering van een Europees onderzoeksbevel. Dat beroep kan worden ingesteld door iedere belanghebbende derde. Het verzoekschrift wordt ingediend bij de raadkamer van de plaats waar de uitvoerende Belgische autoriteit die de beslissing tot overdracht heeft genomen, haar ambt uitoefent. Enkel de raadkamer is bevoegd om uitspraak te doen over het verzet tegen de beslissing tot overdracht, met uitsluiting van de bevoegdheid van de rechter in kort geding. Tegen de beschikking van de raadkamer staat hoger beroep open bij de kamer van inbeschuldigingstelling (artikel 22, § 3, eerste tot vijfde lid). Naar het voorbeeld van datgene waarin de in het geding zijnde bepaling voorziet, bepaalt artikel 22, 16 § 3, zesde lid, van de wet van 22 mei 2017 daarentegen, uitdrukkelijk dat tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling geen cassatieberoep openstaat (artikel 22, § 3, zesde lid). Het verzet tegen de overdracht heeft geen gevolgen voor de inbeslagneming van het goed. Anders gezegd, indien het verzet tegen de overdracht wordt ingewilligd, wordt de inbeslagneming daarom niet opgeheven. B.8.
  39. Uit de parlementaire voorbereiding van die bepaling blijkt dat de wetgever een procedure heeft willen invoeren die soortgelijk is aan die welke is vastgesteld bij de toen ontworpen in het geding zijnde bepaling (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2437/001, p. 30). B.9.
  40. Uit de uiteenzettingen die voorafgaan, blijkt dat, inzake wederzijdse internationale hulp, een onmiddellijk cassatieberoep tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling dat zich uitspreekt over de opheffing van de inbeslagneming mogelijk is met toepassing van artikel 15, § 1, van de wet van 5 augustus 2006 en artikel 22, § 2, van de wet van 22 mei
  41. Tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling dat zich uitspreekt over de opheffing van een inbeslagneming waartoe niet is beslist ter uitvoering van een verzoek om wederzijdse internationale hulp, kan enkel samen met de voorziening die is gericht tegen de eindbeslissing ten gronde, een cassatieberoep worden ingesteld. Daarentegen kan noch tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling dat zich uitspreekt over het verzet tegen de overdracht van de in beslag genomen goederen aan de uitvaardigende Staat met toepassing van de wet van 22 mei 2017, noch tegen het arrest dat zich uitspreekt over het verzet tegen de overdracht van dergelijke goederen met toepassing van de wet van 9 december 2004, een onmiddellijk of uitgesteld cassatieberoep worden ingesteld. B.9.
  42. In tegenstelling tot de wet van 5 augustus 2006 en de wet van 22 mei 2017, die betrekking hebben op verzoeken om tenuitvoerlegging van inbeslagnemingen die afkomstig zijn van lidstaten van de Europese Unie die door het kaderbesluit 2003/577/JBZ of door de richtlijn 2014/41/EU zijn gebonden, voorziet de wet van 9 december 2004, die in de regel betrekking heeft op verzoeken om tenuitvoerlegging van inbeslagnemingen die afkomstig zijn van Staten die geen lid zijn van de Europese Unie, niet in de mogelijkheid voor de benadeelde persoon om te verzoeken dat de inbeslagneming van de goederen wordt opgeheven. 17 B.9.
  43. Het Hof, dat zich heeft uitgesproken over het verschil in behandeling tussen de regeling die is ingevoerd bij de wet van 9 december 2004 en de regeling die is ingevoerd bij de wet van 5 augustus 2006, heeft bij zijn arrest nr. 1/2022 van 13 januari 2022 (ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.001) geoordeeld : « B.13.
  44. [...] Dat verschil in behandeling beperkt op onevenredige wijze de rechten van de benadeelde personen, daar het hun een daadwerkelijk beroep ontneemt waardoor zij de naleving kunnen betwisten van de wettelijke voorwaarden inzake de tenuitvoerlegging van de inbeslagneming en een einde kunnen maken aan de inbeslagneming van hun goederen indien niet is voldaan aan de voorwaarden die in het Belgische recht zijn vastgelegd. Die aantasting is des te meer onevenredig daar de inbeslagneming van goederen een maatregel is die het eigendomsrecht in het bijzonder aantast en die een specifieke regeling geniet in de wet van 5 augustus 2006, daar de inbeslagneming ten uitvoer wordt gelegd op grond van een verzoek dat uitgaat van een buitenlandse overheid ten aanzien waarvan het beginsel van wederzijdse erkenning niet geldt, beginsel dat de hoeksteen vormt van de gerechtelijke samenwerking in de Europese Unie, en daar de procedure inzake de tenuitvoerlegging van een dergelijk verzoek, bepaald bij de wet van 9 december 2004, niet dezelfde waarborgen bevat als die waarin de wet van 5 augustus 2006 voorziet. B.13.
  45. Het staat aan de wetgever de lacunes van artikel 6, § 5, van de wet van 9 december 2004 op te vullen en de specifieke voorwaarden vast te stellen voor een dergelijk beroep tot opheffing van een inbeslagneming, door zich in voorkomend geval te inspireren - zoals bepaald in artikel 15, § 1, van de wet van 5 augustus 2006 - op de procedure bepaald in artikel 61quater van het Wetboek van strafvordering. B.13.
  46. Teneinde, in afwachting van dat wetgevend optreden, aan de betrokkenen het recht op toegang tot de rechter te waarborgen, dienen zij de mogelijkheid te hebben om bij de onderzoeksrechter de opheffing van de inbeslagneming te vorderen die ten uitvoer is gelegd op grond van een verzoek om wederzijdse rechtshulp dat uitgaat van een Staat die geen lid is van de Europese Unie, naar analogie met de procedure bepaald in artikel 15, § 1, van de wet van 5 augustus 2006 juncto artikel 61quater van het Wetboek van strafvordering, waarbij hoger beroep openstaat tegen de beslissing van de onderzoeksrechter bij de kamer van inbeschuldigingstelling. In het kader van die procedure kan de naleving worden gecontroleerd van de wet van 9 december 2004, en in het bijzonder van de voorwaarden bedoeld in artikel 4 van diezelfde wet ». Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de prejudiciële vraag B.10.
  47. Het onderzoek van de bestaanbaarheid van een wetsbepaling met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie veronderstelt onder meer de precieze identificatie van twee 18 categorieën van personen die het voorwerp uitmaken van een verschillende of een gelijke behandeling. De bewoordingen van de prejudiciële vraag waarin het Hof wordt verzocht een dergelijk onderzoek te verrichten en minstens de motieven van de verwijzingsbeslissing moeten dus de elementen bevatten die voor die identificatie nodig zijn. Het staat niet aan het Hof de grondwettigheid te onderzoeken van een verschil in behandeling of van een gelijke behandeling van twee categorieën van personen waarvan het zelf de contouren zou moeten bepalen. B.10.
  48. Te dezen vermeldt de prejudiciële vraag niet welke categorieën van personen met elkaar dienen te worden vergeleken. Uit het verwijzingsarrest kan evenwel worden afgeleid dat het verwijzende rechtscollege het Grondwettelijk Hof verzoekt om zich uit te spreken over het verschil in behandeling tussen, enerzijds, de belanghebbende derden die, overeenkomstig artikel 6, § 5, zesde lid, van de wet van 9 december 2004, geen cassatieberoep kunnen instellen tegen het arrest waarbij uitspraak wordt gedaan over het beroep dat is ingesteld tegen de beslissing tot overdracht van de in beslag genomen goederen die het voorwerp van het misdrijf uitmaken aan de uitvaardigende Staat en, anderzijds, de benadeelde personen die een cassatieberoep kunnen instellen tegen het arrest waarbij uitspraak wordt gedaan over het beroep dat is gericht tegen de beslagen die zijn gelegd ter uitvoering van een Europees onderzoeksbevel of een bevriezing van de goederen. De situatie van die laatste categorie van personen is geregeld in de wet van 22 mei 2017 « betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken » en in de wet van 5 augustus 2006 « inzake de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie » (hierna : de wet van 5 augustus 2006). Ten gronde B.11.
  49. De wet van 5 augustus 2006 heeft onder meer betrekking op de « voorafgaande inbeslagnemingen » - namelijk de inbeslagnemingen van goederen tot zekerheid van de tenuitvoerlegging van de verbeurdverklaring (artikel 2/1, 4/1°) - en op de 19 « bevriezingen » - hetgeen onder meer de inbeslagnemingen omvat van zaken die het voorwerp van het misdrijf uitmaken, van zaken die hebben gediend of waren bestemd om het misdrijf te plegen, wanneer zij eigendom van de veroordeelde zijn, en van zaken die voortkomen uit het misdrijf (artikel 2/1, 3°). B.11.
  50. De procedure waarbij wordt verzocht om de opheffing van een inbeslagneming die is uitgesproken ter uitvoering van een door een lidstaat van de Europese Unie genomen rechterlijke beslissing in strafzaken, wordt geregeld in artikel 15 van de wet van 5 augustus
  51. Krachtens artikel 15, § 1, kan elke benadeelde persoon om de opheffing van de inbeslagneming verzoeken en is de in artikel 61quater van het Wetboek van strafvordering bedoelde procedure daarop van toepassing. Artikel 61quater, § 1, bepaalt dat eenieder die geschaad wordt door een onderzoekshandeling met betrekking tot zijn goederen aan de onderzoeksrechter de opheffing ervan kan vragen. Overeenkomstig artikel 61quater, § 5, kan tegen de beschikking van de onderzoeksrechter hoger beroep worden ingesteld voor de kamer van inbeschuldigingstelling. B.11.
  52. Het Hof van Cassatie heeft geoordeeld dat tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling een onmiddellijk cassatieberoep kan worden ingesteld, aangezien de eventuele eindbeslissing in de zin van artikel 420 van het Wetboek van strafvordering niet in België wordt gewezen (Cass., 3 juni 2020, P.20.0314.F, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200603.2F.7). B.12.
  53. De procedure waarbij wordt verzocht om de opheffing van een inbeslagneming die is uitgesproken ter uitvoering van een Europees onderzoeksbevel, wordt geregeld in artikel 22, §§ 1 en 2, van de wet van 22 mei
  54. B.12.
  55. Ook krachtens dat artikel 22, § 2, is artikel 61quater van het Wetboek van strafvordering van overeenkomstige toepassing. Daaruit volgt dat, overeenkomstig artikel 61quater van het Wetboek van strafvordering, tegen de beschikking van de onderzoeksrechter die zich uitspreekt over de opheffing van een 20 inbeslagneming die ten uitvoer is gelegd met toepassing van een Europees onderzoeksbevel, hoger beroep kan worden ingesteld voor de kamer van inbeschuldigingstelling. B.12.
  56. Het Hof van Cassatie heeft geoordeeld dat tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling cassatieberoep kan worden ingesteld (Cass., 12 mei 2020, P.20.0342.N, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200512.2N.3; 5 januari 2022, P.21.1329.F, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220105.2F.2). B.
  57. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.
  58. Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedureregels in verschillende omstandigheden houdt op zich geen discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake zijn indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die procedureregels een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen. B.
  59. De in het geding zijnde bepaling maakt het onmogelijk om onmiddellijk een cassatieberoep in te stellen tegen de beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling waarbij uitspraak wordt gedaan over het beroep dat is ingesteld tegen de beslissing tot overdracht van de in beslag genomen goederen aan de uitvaardigende Staat. Aangezien in een dergelijke situatie de eindbeslissing met betrekking tot de strafrechtelijke procedure per definitie niet door een Belgisch rechtscollege wordt gewezen, staat er evenmin een uitgesteld cassatieberoep open tegen de beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling. Bijgevolg wordt elke mogelijkheid van controle door het Hof van Cassatie uitgesloten, en kunnen derde-belanghebbenden niet opkomen tegen een schending van de wet of tegen een verzuim 21 van een substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vorm in de beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling. B.
  60. Het recht op een eerlijk proces houdt niet op algemene wijze het recht op een cassatieberoep in. Wanneer de wetgever evenwel in het rechtsmiddel van cassatieberoep voorziet, moet hij daarbij een eerlijk verloop van de procedure waarborgen en kan hij dat rechtsmiddel niet aan bepaalde categorieën van rechtzoekenden ontzeggen zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. B.
  61. Het is voor een derde-belanghebbende aanzienlijk moeilijker om zijn rechten op het in beslag genomen goed te doen gelden, zodra dat goed is overgedragen aan een buitenlandse overheid. Dat geldt des te meer indien het een overheid betreft ten aanzien waarvan het beginsel van wederzijdse erkenning niet geldt, beginsel dat de hoeksteen vormt van de gerechtelijke samenwerking in de Europese Unie. De afwezigheid van een cassatieberoep wordt niet geldig verantwoord door de omstandigheden, aangehaald in de in B.3.3 vermelde parlementaire voorbereiding, dat de Belgische overheden in het kader van de uitvoering van een verzoek om wederzijdse internationale rechtshulp slechts meewerken aan een onderzoek gevoerd door een buitenlandse overheid en dat zij in beginsel niet de regelmatigheid van dat onderzoek kunnen controleren. De beperkte territoriale bevoegdheid van de Belgische overheden belet immers niet dat zij nagaan of de overdracht van de in beslag genomen goederen de rechten van derden benadeelt en in voorkomend geval de overdracht kunnen weigeren, zoals ook blijkt uit de in B.3.4 vermelde rechtspraak van het Hof van Cassatie. B.
  62. Het in B.3.3 aangehaalde doel dat erin bestaat een parallellisme in te voeren met artikel 420 van het Wetboek van strafvordering en aldus te vermijden dat het Hof van Cassatie wordt overstelpt met beroepen in strafzaken, maakt het evenmin mogelijk om een dergelijk verschil in behandeling redelijk te verantwoorden. Hoewel het Hof, bij zijn voormelde arrest nr. 148/2017, heeft geoordeeld dat de bij artikel 420 van het Wetboek van strafvordering ingevoerde bepalingen geen onevenredige beperking van de rechten van de rechtzoekenden inhielden, is dat immers omdat het de controle van het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling uitstelt tot het ogenblik van het 22 cassatieberoep tegen het eindarrest dat ten gronde is gewezen. Het schaft die controle dus niet af. Bovendien, hoewel het juist is dat de wet van 5 augustus 2006 en de wet van 22 mei 2017, zoals de Ministerraad opmerkt, niet expliciet voorzien in het cassatieberoep tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling waarbij uitspraak wordt gedaan over de opheffing van de inbeslagneming, heeft het Hof van Cassatie geoordeeld dat tegen dat arrest een onmiddellijk cassatieberoep kan worden ingesteld, aangezien de eventuele eindbeslissing in de zin van artikel 420 van het Wetboek van strafvordering niet in België wordt gewezen. De in het geding zijnde bepaling sluit het cassatieberoep daarentegen expliciet uit, terwijl de eindbeslissing niet in België wordt gewezen. Daaruit volgt dat elke mogelijkheid van controle door het Hof van Cassatie wordt uitgesloten. B.
  63. Uit het voorgaande vloeit voort dat de in het geding zijnde bepaling niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 23 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 6, § 5, zesde lid, van de wet van 9 december 2004 « betreffende de internationale politiële verstrekking van gegevens van persoonlijke aard en informatie met gerechtelijke finaliteit, de wederzijdse internationale rechtshulp in strafzaken en tot wijziging van artikel 90ter van het Wetboek van strafvordering » schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 14 maart
  64. De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.029 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990601.11 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110615.2 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200512.2N.3 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200603.2F.7 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220105.2F.2 ECLI:BE:GHCC:2017:ARR.148 ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.001 ECLI:CE:ECHR:2007:0705DEC006991701 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260128.2F.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.