id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 14 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.030 Arrest- Rolnummer: 30/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-03-25 Raadplegingen: 337 - laatst gezien 2026-06-17 04:31 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Geen schending (artikel 55quater van het Wetboek der successierechten, zoals van toepassing in het Waalse Gewest) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende artikel 55quater van het Wetboek der successierechten, ingevoegd bij artikel 2 van het decreet van het Waalse Gewest van 10 juli 2013 « tot wijziging van het Wetboek der successierechten », gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Luik, afdeling Luik. Voorafgaande rechtspleging - Successierechten - Waalse Gewest - Vrijstellingen - Erfenis van een slachtoffer dat overleden is ten gevolge van een uitzonderlijke daad van geweld - Begrip « uitzonderlijke daad van geweld » Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 30/2024 van 14 maart 2024 Rolnummer : 8107 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 55quater van het Wetboek der successierechten, ingevoegd bij artikel 2 van het decreet van het Waalse Gewest van 10 juli 2013 « tot wijziging van het Wetboek der successierechten », gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Luik, afdeling Luik. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters en Magali Plovie, bijgestaan door de griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 9 november 2023, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 16 november 2023, heeft de Rechtbank van eerste aanleg Luik, afdeling Luik, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Is artikel 55quater van het Waalse Wetboek der successierechten in strijd met de grondwettelijke beginselen van wettigheid en gelijkheid die vervat zijn in artikel 170 van de Grondwet, in het bijzonder in paragraaf 1 van die grondwetsbepaling, die bepaalt dat geen belasting ten behoeve van de Staat kan worden ingevoerd dan door een wet, en artikel 172 ervan, in zoverre het voormelde artikel 55quater aan de uitvoerende macht - het Waalse Gewest - de discretionaire bevoegdheid toevertrouwt of laat om de situaties te bepalen die onder het begrip ‘ uitzonderlijke daad van geweld ’ vallen, de begunstigden aan te wijzen en het toepassingsgebied van de vrijstelling te bepalen, en een discriminatie in het leven roept tussen de erfgenamen van slachtoffers van terroristische daden en de erfgenamen van slachtoffers van andere uitzonderlijke omstandigheden die niet dat karakter zouden hebben ? ». Op 6 december 2023 hebben de rechters-verslaggevers Michel Pâques en Yasmine Kherbache, met toepassing van artikel 72, eerste lid, van de bijzondere wet van 2 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, het Hof ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht voor te stellen het onderzoek van de zaak af te doen met een arrest gewezen op voorafgaande rechtspleging. Geen enkele memorie werd ingediend. De bepalingen van voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil In het kader van een erfenis verzoeken de erfgenamen van twee slachtoffers die zijn overleden naar aanleiding van gewelddaden, om het voordeel van de vrijstelling waarin artikel 55quater van het Waalse Wetboek der successierechten voorziet. Die bepaling stelt de erfenis van de slachtoffers van een uitzonderlijke gewelddaad waaraan zij overleden zijn, gedeeltelijk vrij van de successierechten. Het Waalse Gewest weigert hun die vrijstelling toe te kennen omdat de overlijdens zich hebben voorgedaan in een louter privékader en omdat zij bij de bevolking geen gevoelens hebben teweeggebracht die vergelijkbaar zijn met de gevoelens van angst en onveiligheid na een aanslag. De twee erfgenamen betwisten die weigering voor de Rechtbank van eerste aanleg te Luik, afdeling Luik, die het verwijzende rechtscollege is. Het verwijzende rechtscollege merkt op dat artikel 55quater van het Wetboek der successierechten « geen gewag maakt van het terroristische karakter van de gewelddaad die aanleiding geeft tot de vrijstelling; het is in algemene bewoordingen opgesteld, vermeldt niet het vereiste aantal slachtoffers en maakt geen onderscheid tussen massamoorden die zonder onderscheid op de bevolking gericht zijn en passionele moorden die opzettelijk worden gepleegd in een privé- of gezinssfeer ». Volgens het verwijzende rechtscollege « is vereist dat de betrokken gewelddaad op het ogenblik dat zij wordt gepleegd gericht is op de bevolking die aanwezig is ˗ die een rechtstreeks slachtoffer ervan is -, en dat de daad een gevoel van angst en onveiligheid heeft veroorzaakt waardoor de bevolking in ruimere zin onder druk komt te staan ». Het leidt eruit af dat het begrip « uitzonderlijke daad van geweld » « onnauwkeurig, ruim en vaag » is. Het verwijzende rechtscollege is daarnaast van mening dat « de tekst van artikel 55quater […] aan een administratieve overheid de discretionaire bevoegdheid geeft om in concreto te beslissen dat een bepaalde situatie binnen het toepassingsgebied van de belastingwet valt zonder dat de wettelijke criteria duidelijk zijn bepaald/vastgesteld en omschreven, waardoor zij de mogelijkheid heeft om bijkomende voorwaarden, die zich niet in de wet zouden bevinden, op te leggen met schending van het wettigheidsbeginsel ». Het verwijzende rechtscollege verduidelijkt dat, door te eisen dat de uitzonderlijke daad van geweld het karakter van een aanslag heeft en terroristisch is, het Waalse Gewest en de Belgische Staat aan de wet een voorwaarde toevoegen waarin zij niet voorziet. Het verwijzende rechtscollege stelt de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.
- In hun conclusies genomen met toepassing van artikel 72 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof hebben de rechters-verslaggevers geoordeeld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht aan het Hof voor te stellen een arrest op voorafgaande rechtspleging te wijzen, waarbij ervan wordt uitgegaan dat 3 artikel 55quater van het Wetboek der successierechten, zoals van toepassing in het Waalse Gewest, de artikelen 170 en 172 van de Grondwet niet schendt, en dat de prejudiciële vraag voor het overige geen antwoord behoeft. A.
- Er is geen memorie met verantwoording ingediend. -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling en de context ervan B.1.
- Artikel 55quater van het Wetboek der successierechten, zoals van toepassing in het Waalse Gewest, bepaalt : « §
- Van successierechten of rechten van overgang bij overlijden kan worden vrijgesteld, tegen een bedrag van 250.000 euro, hetgeen verkregen wordt door een erfgenaam in rechte lijn of tussen echtgenoten of wettelijk samenwonenden bedoeld in artikel 48 of door een erfgenaam in de zijlijn tot de tweede graad, evenals door hun bloedverwanten in nederdalende lijn in de eerste graad die bij wet tot de erfenis worden geroepen, van een slachtoffer dat overleden is ten gevolge van een uitzonderlijke daad van geweld. Als uitzonderlijke daad van geweld wordt beschouwd, elke intentioneel gepleegde daad van geweld uitgaande van één enkele persoon of van een groep personen waarbij onder de bevolking een gevoel van vrees en onveiligheid ontstond wegens enerzijds de gewelddaad op zich en anderzijds de ernstige gevolgen ervan, zoals [het overlijden of] de aanslag op de fysieke en/of morele integriteit van de op het ogenblik van de daad aanwezige bevolking. §
- De vrijstelling bedoeld in het eerste lid heeft geen vrijstelling van indiening van de successieaangifte tot gevolg. Deze vrijstelling wordt de erfgenaam bedoeld in § 1, lid 1, enkel toegestaan indien laatstgenoemde de bevoegde ontvanger een attest overmaakt, afgegeven door de Waalse Overheidsdienst Financiën, waarbij bevestigd wordt dat de overledene wel degelijk overleden is aan de gevolgen van een buitengewone daad van geweld zoals omschreven in § 1, lid
- Wanneer het attest niet overgemaakt wordt aan de ontvanger uiterlijk terzelfder tijd als de successieaangifte, worden de rechten berekend tegen het tarief van de artikelen 48 tot 60 en 60ter onder voorbehoud van een teruggave onder de voorwaarden van artikel 135, 9°. §
- De aanvraag om afgifte van het attest bedoeld in § 2 wordt door de erfgenaam bedoeld in § 1, lid 1, of diens tussenpersoon aan de Waalse Overheidsdienst Financiën gericht bij elk middel waarbij de verzending wordt aangetoond. De aanvraag om afgifte van het attest vermeldt : 1° de naam, voornamen, geboortedatum, datum van overlijden van de overledene en diens laatste woonplaats; 2° het volledig adres van het inningskantoor van de successierechten waarbij de successieaangifte ingediend wordt krachtens artikel 38 van het Wetboek der successierechten; 4 3° de naam, voornamen en woonplaats van alle erfgenamen op wie de vrijstelling bedoeld in § 1 van toepassing zal zijn. Die aanvraag om afgifte van het attest wordt samen ingediend met een document van het gemeentebestuur of de vergelijkbare overheid in het buitenland waar de buitengewone daad van geweld gepleegd werd, waarbij de omstandigheden van deze daad, evenals het verband van deze daad met het overlijden van de overledene, vastgesteld worden. De Waalse Regering bepaalt de modaliteiten voor de aanvraag om en de afgifte van bedoeld attest ». B.1.
- Het decreet van het Waalse Gewest van 10 juli 2013 « tot wijziging van het Wetboek der successierechten », dat ten grondslag ligt aan de in het geding zijnde bepaling, werd aangenomen na de aanslag in Luik op 13 december
- Bij dat decreet wordt de erfenis van slachtoffers van een uitzonderlijke daad van geweld die hun overlijden heeft teweeggebracht, gedeeltelijk vrijgesteld van successierechten. Volgens de memorie van toelichting : « staat het buiten kijf dat elk overlijden een heftig moment is voor de familie en de naasten van de overledene, maar nog heftiger is wanneer het plaatsvindt in een uitzonderlijke context van zware geweldpleging, zoals, bijvoorbeeld, een moordpartij, een aanslag of een terroristische daad. […] […] In die omstandigheden wordt een in de vorm van successierechten geïnde belasting door de slachtoffers aangevoeld als een onrechtvaardige afhouding, die bovenop een moeilijk rouwproces komt » (Parl. St., Waals Parlement, 2012-2013, nr. 834/1, p. 2). De parlementaire voorbereiding vermeldt eveneens : « Wat het doel ervan betreft, kan [de vrijstelling] enkel aan de begunstigde erfgenaam worden verleend indien de erflater overleden is aan de gevolgen van een uitzonderlijke daad van geweld. Die laatste wordt gekenmerkt door twee essentiële elementen : enerzijds, het gevoel van angst en onveiligheid dat die bij de bevolking heeft veroorzaakt en, anderzijds, het aantal slachtoffers dat daarbij is overleden of in zijn fysieke of morele integriteit is aangetast. De betrokken daad vindt dus plaats in een uitzonderlijke context van zware geweldpleging, zoals bijvoorbeeld een moordpartij, een aanslag of een terroristische daad. Er wordt meer bepaald verwezen naar de omstandigheden van de moordpartij in Luik op 13 december 2011 » (ibid., p. 3). 5 Ten aanzien van de prejudiciële vraag B.
- Het verwijzende rechtscollege vraagt het Hof of de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar is met het fiscale wettigheidsbeginsel, in zoverre zij « aan de uitvoerende macht – het Waalse Gewest – de discretionaire bevoegdheid toevertrouwt of laat om de situaties te bepalen die onder het begrip ‘ uitzonderlijke daad van geweld ’ vallen, de begunstigden aan te wijzen en het toepassingsgebied van de vrijstelling te bepalen », en met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, in zoverre zij « een discriminatie in het leven roept tussen de erfgenamen van slachtoffers van terroristische daden en de erfgenamen van slachtoffers van andere uitzonderlijke omstandigheden die niet dat karakter zouden hebben ». B.3.
- De artikelen 170 en 172 van de Grondwet waarborgen het wettigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel in fiscale zaken. Uit die bepalingen blijkt dat de essentiële elementen van elke belasting die wordt ingevoerd ten behoeve van het Waalse Gewest, in beginsel door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering moeten worden vastgelegd en dat die elementen in de wetskrachtige norm moeten worden vermeld door middel van nauwkeurige, ondubbelzinnige en duidelijke bewoordingen. Tot de essentiële elementen van de belasting behoren de aanwijzing van de belastingplichtigen, de belastbare materie, de belastbare grondslag, de aanslagvoet en de eventuele belastingvrijstellingen en -verminderingen. B.3.
- Het fiscale wettigheidsbeginsel vereist daarnaast dat de fiscale wet of het fiscale decreet nauwkeurige, ondubbelzinnige en duidelijke criteria bevat aan de hand waarvan kan worden uitgemaakt wie belastingplichtig is en voor welk bedrag. Aan het vereiste dat belastingen en belastingvrijstellingen duidelijk moeten worden omschreven in de wet of in het decreet is voldaan wanneer de rechtzoekende, op basis van de bewoordingen van de relevante bepaling en, indien nodig, met behulp van de interpretatie daarvan door de rechtscolleges, kan weten of hij al dan niet belastingplichtig is en voor welk bedrag. 6 Het wettigheidsbeginsel staat niet eraan in de weg dat een beoordelingsbevoegdheid wordt toegekend aan de fiscale administratie onder toezicht van de rechtscolleges. Zulks betekent niet dat de in het geding zijnde bepaling die die beoordelingsbevoegdheid toekent, niet beantwoordt aan het vereiste van voorspelbaarheid. B.
- Artikel 55quater, § 1, tweede lid, van het Wetboek der successierechten omschrijft een uitzonderlijke daad van geweld als « elke intentioneel gepleegde daad van geweld uitgaande van één enkele persoon of van een groep personen waarbij onder de bevolking een gevoel van vrees en onveiligheid ontstond wegens enerzijds de gewelddaad op zich en anderzijds de ernstige gevolgen ervan, zoals [het overlijden of] de aanslag op de fysieke en/of morele integriteit van de op het ogenblik van de daad aanwezige bevolking ». Die omschrijving veronderstelt : - een intentionele daad van geweld; - gepleegd door één enkele persoon of een groep personen; - waarbij onder de bevolking een gevoel van vrees en onveiligheid ontstond wegens, enerzijds, de gewelddaad op zich en, anderzijds, de ernstige gevolgen ervan, zoals het overlijden of de aantasting van de fysieke en/of morele integriteit van de op het ogenblik van de daad aanwezige bevolking. Zoals het verwijzende rechtscollege opmerkt, hoeft een daad geen terroristische aanslag te zijn om een uitzonderlijke daad van geweld te kunnen zijn. De memorie van toelichting vermeldt als voorbeelden « een moordpartij, een aanslag of een terroristische daad » (Parl. St., Waals Parlement, 2012-2013, nr. 834/1, p. 3). Niettemin geeft niet elke gewelddaad recht op de vrijstelling. De daad moet immers een uitzonderlijk karakter hebben, wat moet worden beoordeeld in het licht van de door de decreetgever vastgestelde criteria. Een minimumaantal slachtoffers is niet opgenomen als criterium. Voor het overige bevat de in het geding zijnde bepaling geen enkele machtiging. 7 B.
- Uit de voorgaande vaststellingen volgt dat de decreetgever het begrip « uitzonderlijke daad van geweld » voldoende heeft omschreven. Het feit dat de administratie, onder het toezicht van de bevoegde rechter, vaststelt dat een concrete daad wel of niet zulk een uitzonderlijke daad van geweld vormt volgens de voormelde definitie, komt niet erop neer dat zij zelf, op discretionaire wijze, het toepassingsgebied van de vrijstelling bepaalt. De in het geding zijnde bepaling is bestaanbaar met het fiscale wettigheidsbeginsel. B.
- In zoverre zij ervan uitgaat dat de vrijstelling waarin artikel 55quater van het Wetboek der successierechten voorziet, is voorbehouden aan de erfgenamen van slachtoffers van terroristische daden, berust de prejudiciële vraag op een kennelijk onjuiste interpretatie, zoals in B.4 is vermeld. In zoverre zij betrekking heeft op een mogelijke discriminatie tussen de erfgenamen van slachtoffers van terroristische daden en de erfgenamen van slachtoffers van andere uitzonderlijke omstandigheden die niet dat karakter zouden hebben, behoeft de prejudiciële vraag derhalve geen antwoord. Er dient in dat verband te worden onderstreept dat het verwijzende rechtscollege niet gebonden is door de interpretatie die de administratie aan een wetskrachtige bepaling geeft. Te dezen staat het aan het verwijzende rechtscollege te controleren of de belastingadministratie de in het geding zijnde bepaling correct heeft toegepast, met andere woorden na te gaan of de belastingadministratie, door te beslissen dat de betrokken gewelddadige feiten geen « uitzonderlijke daad van geweld » vormen in de zin van artikel 55quater van het Wetboek der successierechten, de betrokken gewelddadige feiten correct heeft gekwalificeerd in het licht van die decreetsbepaling. B.
- Artikel 55quater van het Wetboek der successierechten, zoals van toepassing in het Waalse Gewest, is bestaanbaar met de artikelen 170 en 172 van de Grondwet. 8 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 55quater van het Wetboek der successierechten, zoals van toepassing in het Waalse Gewest, schendt de artikelen 170 en 172 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 14 maart
- De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.030 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div