← België

ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.031

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 14 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.031 Arrest- Rolnummer: 31/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-03-25 Raadplegingen: 307 - laatst gezien 2026-06-18 18:25 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag over artikel 62 van de wet van 8 april 1965 « betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade » en artikel 420 van het Wetboek van strafvordering, gesteld door het Hof van Cassatie. Voorafgaande rechtspleging - Jeugdbescherming - Franse Gemeenschap - Maatregelen t.a.v. minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd - Maatregel van huisvesting in een overheidsinstelling - Cassatieberoep Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 31/2024 van 14 maart 2024 Rolnummer : 8120 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 62 van de wet van 8 april 1965 « betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade » en artikel 420 van het Wetboek van strafvordering, gesteld door het Hof van Cassatie. Het Grondwettelijk Hof, beperkte kamer, samengesteld uit voorzitter Pierre Nihoul en de rechters-verslaggevers Kattrin Jadin en Danny Pieters, bijgestaan door de griffier Nicolas Dupont, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 6 december 2023, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 13 december 2023, heeft het Hof van Cassatie de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 62 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade, en 420 van het Wetboek van strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre die bepalingen niet in de mogelijkheid voorzien, voor een persoon die wordt vervolgd wegens een als misdrijf omschreven feit, gepleegd vóór de leeftijd van achttien jaar, en ten aanzien van wie, bij wijze van voorlopige maatregel, een maatregel is genomen tot huisvesting in een openbare instelling voor jeugdbescherming, binnen de open opvoedingsafdeling intra-muros, om tegen die beslissing een onmiddellijk cassatieberoep in te stellen, terwijl een inverdenkinggestelde of een beklaagde een dergelijk beroep kan instellen tegen een arrest waarbij de voorlopige hechtenis wordt gehandhaafd of de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt bevolen ? ». Op 9 januari 2024 hebben de rechters-verslaggevers Kattrin Jadin en Danny Pieters, met toepassing van artikel 71, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het 2 Grondwettelijk Hof, de voorzitter ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht aan het Hof, zitting houdende in beperkte kamer, voor te stellen het onderzoek van de zaak af te doen met een arrest gewezen op voorafgaande rechtspleging. E.D., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Émilie Romain, advocate bij de balie te Luxemburg, heeft een memorie met verantwoording ingediend. De bepalingen van voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 7 juni 2023 maakt de procureur des Konings van Luxemburg het geval van E.D., geboren op 3 april 2006, die wordt vervolgd wegens feiten gepleegd tussen 1 september 2021 en 19 december 2022, aanhangig bij de jeugdrechtbank Luxemburg, afdeling Aarlen (hierna : de rechtbank). Bij beschikking van 6 september 2023, genomen met toepassing van artikel 101, § 1, 6°, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 18 januari 2018 « houdende het wetboek van preventie, hulpverlening aan de jeugd en jeugdbescherming » (hierna : het decreet van 18 januari 2018), beslist de rechtbank om ten aanzien van E.D. een « huisvestingsmaatregel in een overheidsinstelling met gesloten stelsel » te nemen voor een duur van dertig dagen. Het Hof van Beroep te Luik (hierna : het Hof van Beroep), dat uitspraak doet over het door E.D. ingestelde hoger beroep, beslist bij een arrest van 21 september 2023 om de voormelde maatregel te vervangen door een « huisvestingsmaatregel in een overheidsinstelling met open stelsel » voor « een duur van drie maanden te rekenen vanaf de dag » van dat arrest. Het Hof van Beroep beveelt de voorlopige tenuitvoerlegging van dat arrest. Op 21 september 2023 stelt E.D. tegen het arrest van het Hof van Beroep een cassatieberoep in. In essentie verwijt zij het Hof van Beroep haar situatie in hoger beroep te hebben verergerd, door de periode van de huisvestingsmaatregel in een overheidsinstelling te verlengen, en die beslissing niet te hebben gemotiveerd conform artikel 124, § 2, eerste lid, 4°, van het decreet van 18 januari

  1. Bij een arrest van 15 november 2023, stelt het Hof van Cassatie de zaak voor verdere behandeling uit tot de hoorzitting van 6 december 2023, zodat E.D. zich nader kan verklaren over de vraag of tegen het arrest van het Hof van Beroep « onmiddellijk cassatieberoep kan worden ingesteld, dan wel of tegen die beslissing slechts cassatieberoep kan worden ingesteld nadat het rechtscollege in hoger beroep uitspraak ten gronde heeft gedaan ». Bij het voormelde arrest van 6 december 2023 leidt het Hof van Cassatie uit artikel 62 van de wet van 8 april 1965 « betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade » af dat artikel 420, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering van toepassing is op het cassatieberoep gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep dat uitspraak doet over het hoger beroep tegen een beschikking die door de jeugdrechtbank werd genomen op het vlak van jeugdbescherming. Het Hof van Cassatie merkt op dat luidens artikel 420, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering, « tegen de voorbereidende beslissingen […] slechts cassatieberoep [kan] worden ingesteld na het eindarrest of het eindvonnis ». Het merkt ook op dat de door het Hof van Beroep genomen maatregel, die bij het cassatieberoep wordt betwist, in de « voorbereidingsfase » van de procedure werd genomen, die bij artikel 101 van het decreet van 18 januari 2018 wordt gedefinieerd als zijnde de periode die begint met het ogenblik waarop de zaak bij de jeugdrechtbank aanhangig wordt gemaakt en eindigt met de « beslissing ten gronde ». Het Hof van Cassatie leidt uit het voorgaande af dat de maatregel van het Hof van Beroep die bij het cassatieberoep wordt betwist, een « voorbereidende beslissing » in de zin van artikel 420 van het Wetboek van strafvordering is en dat tegen die beslissing dus geen cassatieberoep openstaat zolang het Hof van Beroep zich niet ten gronde heeft uitgesproken over de gegrondheid van de strafvervolging van E.D. Het Hof van Cassatie vergelijkt de regeling van het cassatieberoep die van toepassing is op de minderjarige aan wie de voormelde huisvestingsmaatregel is opgelegd met de regels die van toepassing zijn op het cassatieberoep dat is gericht tegen beslissingen genomen met toepassing van de wet van 20 juli 1990 « betreffende de voorlopige hechtenis » en beslist, op voorstel van de advocaat-generaal, om aan het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag te stellen. 3 III. In rechte -A- E.D. bevestigt het door de verslaggevers in hun conclusies gemaakte verslag van de feiten en van de rechtspleging die aan de basis van de prejudiciële vraag liggen. Zij voert niettemin aan dat het Hof, te dezen, geen arrest kan wijzen met toepassing van artikel 71 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof en dat het op de prejudiciële vraag dient te antwoorden. Zij is van mening dat het Hof niet zeker ervan kan zijn dat het Hof van Cassatie, na de partijen te hebben gehoord, zal beslissen dat het cassatieberoep van 21 september 2023 zonder voorwerp is geworden. -B- B.
  2. Uit het door het Hof van Cassatie aan het Hof overgezonden dossier blijkt dat het Hof van Beroep te Luik heeft beslist om E.D. toe te vertrouwen aan een overheidsinstelling voor een periode van drie maanden, die op 21 september 2023 is begonnen. Die « huisvestingsmaatregel in een overheidsinstelling met open stelsel », die wordt betwist bij het cassatieberoep dat op dezelfde dag is ingesteld en waarvan het Hof van Beroep de voorlopige uitvoering heeft bevolen, had dus niet langer uitwerking op 21 december
  3. Uit de motivering van datzelfde arrest van het Hof van Beroep van 21 september 2023 blijkt dat die maatregel werd genomen met toepassing van artikel 124, § 2, eerste lid, 4°, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 18 januari 2018 « houdende het wetboek van preventie, hulpverlening aan de jeugd en jeugdbescherming ». Luidens artikel 124, § 2, tweede lid, van dat decreet, zoals geformuleerd vóór 1 januari 2024, kan « de duur van de maatregel opgelegd ten gevolge van het eerste lid, 4°, […] niet verlengd worden ». B.
  4. In de memorie met verantwoording worden die vaststellingen niet ter discussie gesteld. B.
  5. In de veronderstelling dat het Hof, in antwoord op de prejudiciële vraag, vaststelt dat de in het geding zijnde wetsbepalingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden en dat het Hof van Cassatie daardoor moet oordelen dat het op 21 september 2023 door E.D. ingestelde cassatieberoep niet voorbarig is, zal het Hof van Cassatie derhalve toch moeten vaststellen dat 4 de door het Hof van Beroep te Luik genomen huisvestingsmaatregel intussen heeft opgehouden uitwerking te hebben en dat het tegen die maatregel gerichte cassatieberoep bijgevolg zonder voorwerp is geworden. B.
  6. Uit het voorgaande volgt dat het antwoord op de prejudiciële vraag niet nuttig is voor de oplossing van het bodemgeschil. 5 Om die redenen, het Hof, beperkte kamer, met eenparigheid van stemmen uitspraak doende, zegt voor recht : De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 14 maart
  7. De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.031 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.