id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 21 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.032 Arrest- Rolnummer: 32/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-04-01 Raadplegingen: 461 - laatst gezien 2026-06-18 23:25 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche
(2020)zorgden wereldwijd voor inflatie. De productie en het aanbod konden de toenemende vraag niet volgen, wat resulteerde in globaal toenemende prijzen. Het oorlogsconflict in Oekraïne jaagde vervolgens de prijzen van de goederen omhoog en wakkerde de inflatie verder aan. Statbel stelt dat de Belgische inflatie op jaarbasis volgens de Europees geharmoniseerde consumptieprijsindex (HICP) in juli 2022 10,4 % bedraagt. Een dergelijk aanhoudend hoog inflatiepeil is niet meer voorgevallen sedert de jaren 80 van de vorige eeuw. De kerninflatie, onder meer zonder de energieprijzen, bedraagt volgens Statbel 5,2 %. De energiekosten zijn dan ook voor een belangrijk deel medebepalend voor de inflatiekosten. Het stijgende prijspeil leidt ertoe dat geïndexeerde huurprijzen gevoelig hoger liggen dan de huurprijzen van het jaar voordien. Bovendien leiden de hoge energieprijzen ook nog eens tot hogere energiekosten voor diezelfde huurders. Tegelijkertijd toont onderzoek aan dat huurders gemiddeld minder vermogend zijn dan eigenaar-bewoners en dat zwakkere (inkomens)profielen op de huurmarkt sterk zijn vertegenwoordigd. Voor die huishoudens zijn de oplopende prijzen en duurder wordende woonkosten dan ook extra belastend. Dat fenomeen blijft niet beperkt tot de inkomenszwakke huishoudens, maar treft evenzeer huishoudens uit de lagere middenklasse. Zoals al is aangehaald, stijgen de energieprijzen voor elk huishouden, maar ook op dat vlak wegen de financiële lasten voor de huurders gemiddeld meer door. Onderzoek toont aan dat huurders meer gehuisvest zijn in kwalitatief minder goede woningen, waarvoor de energiekosten hoger oplopen (onder meer doordat die woningen een minder gunstig energetisch peil hebben). Dat grotere energieverbruik komt boven op de oplopende prijzen, wat doorweegt in het budget van de huurder. Bovendien zijn het vaak (financieel) kwetsbaardere huurders die in minder energiezuinige woningen terechtkomen » (ibid., p. 2). En : « De oplopende inflatie en energiekosten hebben een drastische impact op de totale woonkosten, die voor veel huurders van energetisch niet-performante woningen de stabiliteit van hun woonsituatie kan aantasten. Een dergelijke uitzonderlijke en cumulerende situatie noodzaakt tot een onmiddellijk en adequaat optreden » (ibid., p. 4). 22 Ten gronde Wat betreft het eerste middel B.5. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van artikel 6, § 1, IV, en VII, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (hierna : de bijzondere wet van 8 augustus 1980) en van de residuaire bevoegdheid van de federale overheid. Volgens de verzoekende partijen was niet het Vlaamse Gewest, maar de federale overheid bevoegd om de bestreden bepalingen aan te nemen. B.6.1. Krachtens artikel 6, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 zijn de gewesten onder meer bevoegd voor : « II. Wat het leefmilieu en het waterbeleid betreft : 1° De bescherming van het leefmilieu, onder meer die van de bodem, de ondergrond, het water en de lucht tegen verontreiniging en aantasting, alsmede de strijd tegen de geluidshinder; […] ». « IV. Wat de huisvesting betreft : 1° de huisvesting en de politie van woongelegenheden die gevaar opleveren voor de openbare reinheid en de gezondheid; 2° de specifieke regels betreffende de huur van voor bewoning bestemde goederen of delen ervan ». « VII. Wat het energiebeleid betreft : De gewestelijke aspecten van de energie, en in ieder geval : […]
- h)Het rationeel energieverbruik ». B.6.2. Krachtens artikel 6, § 1, VI, vijfde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 « is alleen de federale overheid bevoegd voor : […] 3° het prijs- en inkomensbeleid, met 23 uitzondering van de regeling van de prijzen in de aangelegenheden die tot de bevoegdheid van de gewesten en de gemeenschappen behoren, onder voorbehoud van hetgeen bepaald is in artikel 6, § 1, VII, tweede lid,
- d)». Artikel 6, § 1, VII, tweede lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 bepaalt dat de federale overheid, wat het energiebeleid betreft, bevoegd is « voor de aangelegenheden die wegens hun technische en economische ondeelbaarheid een gelijke behandeling op nationaal vlak behoeven, te weten : […]
- d)de tarieven, met inbegrip van het prijsbeleid, onverminderd de gewestelijke bevoegdheid inzake de tarieven bedoeld in het eerste lid,
- a)en
- b)». B.7. Voor zover zij er niet anders over hebben beschikt, hebben de Grondwetgever en de bijzondere wetgever aan de gemeenschappen en de gewesten de volledige bevoegdheid toegekend tot het uitvaardigen van regels die eigen zijn aan de hun toegewezen aangelegenheden. B.8. De bevoegdheid inzake woninghuur, bedoeld in artikel 6, § 1, IV, 2°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, werd aan de gewesten overgedragen bij de bijzondere wet van 6 januari 2014 met betrekking tot de Zesde Staatshervorming (hierna : de bijzondere wet van 6 januari 2014). Luidens de parlementaire voorbereiding van de bijzondere wet van 6 januari 2014 zijn de gewesten bevoegd « voor de specifieke regels betreffende de verhuring van voor bewoning bestemde goederen of delen ervan », met inbegrip van de « specifieke regels voor huurcontracten […] die kunnen afwijken van het federaal vastgestelde gemeen recht ». De bijzondere wetgever had de bedoeling om « de totaliteit van de specifieke regelen van de huur van voor bewoning bestemde goederen of delen van goederen » over te dragen aan de gewesten, waarbij het onder meer gaat om de regels inzake « de verplichtingen en rechten van de verhuurder », « de verplichtingen en rechten van de huurder », « de staat van het verhuurde goed », « de renovatie », « de herstellingen en de uitvoering van bepaalde werken », « de vaststelling van de huurprijs, met inbegrip van de vaststelling van indicatieve prijzen, en de aanpassing van de huurprijs aan de kosten van levensonderhoud », « de vaststelling van kosten en lasten opgelegd aan de huurder » en « de herziening van de huurprijs, van de kosten en van de lasten » (Parl. St., Senaat, 2012-2013, nr. 5-2232/1, pp. 82 tot 84). 24 B.9. Het indexcijfer van de consumptieprijzen is een economische basisindicator. Indexeringen gebeuren teneinde in de diverse beleidsdomeinen de evolutie van de consumptieprijzen te volgen. Een indexeringsmechanisme kan bijgevolg niet worden beschouwd als een aangelegenheid op zich maar wel als een instrument dat de wetgever en de decreetgever, elk wat hem betreft, kunnen hanteren, voor zover zij handelen binnen hun respectieve bevoegdheden. In dat opzicht bevestigt het voormelde artikel 6, § 1, VI, vijfde lid, 3°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 dat de gewesten en de gemeenschappen bevoegd zijn voor de regeling van de prijzen in de aangelegenheden die tot hun bevoegdheid behoren (zie ook ibid., p. 99). B.10. Het bestreden decreet voorziet, met betrekking tot huurovereenkomsten voor hoofdverblijfplaatsen, in een beperking van de mogelijkheid om de huurprijs te indexeren, afhankelijk van de energieprestatie van de woning. Een dergelijke regeling past in het kader van de gewestelijke bevoegdheid inzake woninghuur, bedoeld in artikel 6, § 1, IV, 2°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. Zoals blijkt uit de in B.8 vermelde parlementaire voorbereiding, kunnen de gewesten op grond van die bevoegdheid specifieke regels aannemen betreffende de vaststelling van de huurprijs van voor bewoning bestemde goederen, in het bijzonder betreffende de aanpassing van de huurprijs aan de kosten van levensonderhoud. De gewesten mogen daarbij afwijken van de gemeenrechtelijke regeling inzake de indexering van de huurprijzen, zoals vastgesteld in artikel 1728bis van het oud Burgerlijk Wetboek. B.11. In de uitoefening van hun bevoegdheden dienen de gewesten evenwel het evenredigheidsbeginsel, dat inherent is aan elke bevoegdheidsuitoefening, in acht te nemen. Zij moeten derhalve erover waken dat zij de uitoefening van de federale bevoegdheden niet onmogelijk of overdreven moeilijk maken. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen voorhouden, maken de bestreden bepalingen de uitoefening van de residuaire bevoegdheid van de federale overheid inzake burgerlijk recht niet onmogelijk of overdreven moeilijk. De bestreden bepalingen doen geen afbreuk aan de mogelijkheid voor de federale overheid om de gemeenrechtelijke regeling inzake huur vast te stellen. Die regeling blijft van toepassing op, enerzijds, de huurovereenkomsten die niet aan de gewesten zijn overgedragen en, anderzijds, de aspecten van de huurovereenkomsten die aan de gewesten zijn overgedragen, maar waarvoor de gewesten geen specifieke regels hebben aangenomen. 25 B.12. De verzoekende partijen zijn eveneens van mening dat de bestreden bepalingen inbreuk maken op de bevoegdheid van de federale overheid om, inzake energiebeleid, « de tarieven, met inbegrip van het prijsbeleid » te regelen (artikel 6, § 1, VII, tweede lid, d), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980). De omstandigheid dat de beperking van de mogelijkheid tot indexering van de huurprijs uitsluitend geldt ten aanzien van woningen die weinig energiezuinig zijn, heeft echter niet tot gevolg dat er wordt ingegrepen in de vaststelling van de tarieven inzake energie of van de prijzen die de afnemers betalen voor de levering van energie. B.13. Het eerste middel is niet gegrond. Wat betreft het tweede middel B.14. Het tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De verzoekende partijen voeren aan dat de bestreden bepalingen in strijd zijn met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, doordat zij meerdere verschillen in behandeling en identieke behandelingen in het leven roepen ten aanzien van verschillende categorieën van huurders en verhuurders. B.15. In tegenstelling tot hetgeen de Waalse Regering aanvoert, kan wel degelijk uit het verzoekschrift worden afgeleid welke categorieën van personen, in het kader van de door de verzoekende partijen aangevoerde discriminaties, met elkaar dienen te worden vergeleken. Uit de memories van zowel de Vlaamse als de Waalse Regering blijkt overigens dat zij het tweede middel goed hebben begrepen en dus een dienstig verweer hebben kunnen voeren. Het tweede middel is bijgevolg ontvankelijk. B.16. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Dat beginsel verzet er zich overigens tegen dat categorieën van personen, die zich ten aanzien van de betwiste maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. 26 Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.17. Het komt de decreetgever toe te oordelen in hoeverre het aangewezen is om, in het kader van zijn sociaaleconomisch beleid, maatregelen te nemen om het aanbod van betaalbare woningen te bevorderen en van de energie-efficiëntie van het woningpatrimonium. Hij beschikt ter zake over een ruime beoordelingsbevoegdheid. Wanneer de decreetgever voorziet in een beperking van de mogelijkheid tot huurindexering voor weinig energiezuinige woningen, valt het onder zijn beoordelingsbevoegdheid om te bepalen welke categorieën van huurders en verhuurders onder die maatregel ressorteren. Het Hof mag de daarbij gemaakte beleidskeuzes en de motieven die daaraan ten grondslag liggen, slechts afkeuren indien zij op een manifeste vergissing zouden berusten of indien zij onredelijk zouden zijn. B.18. Ten eerste voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen een verschil in behandeling in het leven roepen tussen, enerzijds, verhuurders van een woning met een energieprestatiecertificaat met een energielabel A+, A, B of C en, anderzijds, verhuurders van een woning zonder energieprestatiecertificaat of met een energieprestatiecertificaat met een energielabel D, E of F. De beperking van de mogelijkheid tot huurindexering geldt enkel ten aanzien van de laatste categorie van verhuurders. Volgens de verzoekende partijen steunt dat verschil in behandeling niet op een objectief criterium van onderscheid, en is het in elk geval niet redelijk verantwoord (eerste en tweede onderdeel van het tweede middel). B.19.1. Krachtens artikel 73, eerste lid, van het ministerieel besluit van 28 december 2018 bevat het energieprestatiecertificaat voor residentiële gebouwen onder meer « de uitdrukking van de energieprestatie van het gebouw aan de hand van het kengetal en een label van A+ tot F, met aanduiding van referentiewaarden ». De energielabels worden aangeduid met kleurcodes (artikel 73, tweede lid), en worden bepaald op basis van het kengetal van de energieprestatie van de woning, door middel van een tabel met grenswaarden (artikel 73, derde lid). Het energielabel wordt dus bepaald op basis van het cijfermatige resultaat van de berekening van de energieprestatie van de woning, door een daartoe erkende energiedeskundige en op basis van een door de Vlaamse Regering en de bevoegde minister vastgestelde methode. 27 B.19.2. De verzoekende partijen bekritiseren in het bijzonder dat het energieprestatiecertificaat pas sinds de inwerkingtreding van het ministerieel besluit van 28 december 2018, op 1 januari 2019, het energielabel van de woning dient te vermelden. Daaruit zou volgen dat sommige verhuurders nog steeds over een energieprestatiecertificaat beschikken dat geen energielabel vermeldt, aangezien een energieprestatiecertificaat een geldigheidsduur heeft van tien jaar. Oudere energieprestatiecertificaten die niet uitdrukkelijk een energielabel vermelden, bevatten echter in elk geval het kengetal van de energieprestatie van de woning (zie artikel 2, § 1, 4°, van het inmiddels opgeheven ministerieel besluit van 13 juni 2008 « betreffende de vastlegging van de vorm en de inhoud van het model van het energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen bij verkoop en verhuur en de verklaring op erewoord »). Voor zulke energieprestatiecertificaten kan het energielabel dus eenvoudig worden bepaald op basis van de tabel met grenswaarden die is opgenomen in artikel 73, derde lid, van het ministerieel besluit van 28 december 2018. Overigens beschikt een verhuurder steeds over de mogelijkheid om een nieuw energieprestatiecertificaat te laten opstellen. B.19.3. Uit het bovenstaande volgt dat het in B.18 vermelde verschil in behandeling steunt op een objectief criterium van onderscheid, namelijk de vraag of de woning een energieprestatiecertificaat heeft, en zo ja, het label van dat certificaat. Voor het overige houden de kritieken van de verzoekende partijen geen verband met het objectief karakter van het energieprestatiecertificaat als criterium van onderscheid. B.20. De verzoekende partijen betwisten eveneens dat een dergelijk criterium van onderscheid pertinent is ten aanzien van de door de decreetgever nagestreefde doelstellingen. Zoals blijkt uit de parlementaire voorbereiding vermeld in B.4.2, beoogt de decreetgever met de bestreden regeling het aanbod van betaalbare woningen te waarborgen. Hij verwijst naar de hoge inflatie en naar de stijging van de energieprijzen, die zich na de eerste golven van de coronapandemie en naar aanleiding van de oorlog in Oekraïne hebben voorgedaan. Daarnaast wenst de decreetgever eigenaars ertoe aan te moedigen de energetische prestaties van de huurwoningen te verbeteren. 28 B.21.1. Wat de doelstelling betreft om het aanbod van betaalbare woningen te waarborgen, mocht de decreetgever ervan uitgaan dat de energiekosten in het algemeen hoger liggen in een woning waarvan het energielabel niet gekend is of met een energielabel D, E of F, dan in een woning met een energielabel A+, A, B of C. Het energielabel is een maatstaf voor de energiezuinigheid van de woning. Er kan worden aangenomen dat de gevolgen van de stijging van de energieprijzen het grootst zijn voor de huurders van woningen zonder een energieprestatiecertificaat of met een energielabel D, E of F, en dat bijgevolg uitsluitend die huurders een beperking van de mogelijkheid tot huurindexering dienen te genieten. B.21.2. De omstandigheid dat, zoals de verzoekende partijen voorhouden, inmiddels zou zijn gebleken dat de stijging van de inflatie en van de energieprijzen in werkelijkheid beperkter was dan aanvankelijk ingeschat, leidt niet tot een andere conclusie. De parlementaire voorbereiding van het bestreden decreet vermeldt dat volgens het Belgische statistiekbureau « de Belgische inflatie op jaarbasis volgens de Europees geharmoniseerde consumptieprijsindex (HICP) in juli 2022 10,4 % bedraagt ». Nog volgens de parlementaire voorbereiding is « een dergelijk aanhoudend hoog inflatiepeil […] niet meer voorgevallen sedert de jaren 80 van de vorige eeuw » en bedraagt « de kerninflatie, onder meer zonder de energieprijzen, […] volgens Statbel 5,2 %. De energiekosten zijn dan ook voor een belangrijk deel medebepalend voor de inflatiekosten » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2022-2023, nr. 1427/1, p. 2). De decreetgever heeft zich aldus gebaseerd op statistische gegevens die voorhanden waren op het ogenblik van de aanneming van de bestreden regeling. Op dat ogenblik was het, zoals de Vlaamse Regering opmerkt, onzeker hoe de energieprijzen verder zouden evolueren en moest de winterperiode nog aanbreken. De verzoekende partijen tonen niet aan dat de door de decreetgever gemaakte beoordeling op een manifeste vergissing zou berusten. In haar memorie verwijst de Vlaamse Regering overigens naar cijfers van de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas. Daaruit blijkt onder meer dat, wat de prijzen voor elektriciteit en gas betreft, « het 3de kwartaal van 2022 [zich] kenmerkt […] door een verdere sterke tot zeer sterke stijging, die ook in het 4de kwartaal 2022 in meer of mindere mate doorzet » (Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas, Semestriële analyse van de evolutie van de energieprijzen, 2de semester 2022, p. 5). 29 B.21.3. De verzoekende partijen stellen de betrouwbaarheid van het energieprestatiecertificaat en het feit dat enkel het theoretische energieverbruik van de woning in aanmerking wordt genomen, aan de kaak. Die grieven beogen de imperfecties en de berekeningsmethode van het energieprestatiecertificaat. Zij kunnen het voorgaande niet opnieuw in het geding brengen. Gelet op het technische karakter van de aangelegenheid, kan de decreetgever immers niet worden verweten geen rekening te hebben gehouden met de bijzonderheden van elk gegeven geval. Bovendien heeft de decreetgever met de bestreden regeling snel een antwoord willen bieden op de impact van de buitengewone stijging van de energieprijzen. Hij mocht dus gebruikmaken van categorieën die, noodzakelijkerwijs, de verscheidenheid van toestanden slechts met een zekere graad van benadering opvangen, door zich te baseren op het reeds bestaande systeem van de energieprestatiecertificaten, dat voor de toepassing van de bestreden bepalingen objectieve onderscheidingscriteria aanreikt. Dat systeem laat immers toe om op eenvoudige wijze en zonder de individuele situatie van elke huurder te onderzoeken, het te verwachten energieverbruik van de huurwoningen met elkaar te vergelijken. B.22.1. De verzoekende partijen betwisten eveneens dat de bestreden bepalingen pertinent zijn ten aanzien van de doelstelling om eigenaars ertoe aan te zetten de energetische prestaties van de huurwoningen te verbeteren. Zij voeren aan dat er voor verschillende van de daarvoor noodzakelijke werkzaamheden een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of, in geval van een gebouw in mede-eigendom, een beslissing van de algemene vergadering van de vereniging van mede-eigenaars vereist is. Daardoor zou het in veel gevallen onmogelijk zijn zulke werkzaamheden uit te voeren. Minstens zouden de werkzaamheden om die reden niet op korte termijn kunnen plaatsvinden, terwijl de bij artikel 3 van het bestreden decreet voorziene beperking van de mogelijkheid tot huurindexering slechts geldt voor een periode van een jaar, namelijk tussen 1 oktober 2022 en 30 september 2023. B.22.2. Zoals de Vlaamse Regering opmerkt, is voor een aanzienlijk aantal energetische ingrepen geen omgevingsvergunning of toelating van de overige mede-eigenaars noodzakelijk. Zo is er, krachtens artikel 2.1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010 « tot bepaling van stedenbouwkundige handelingen waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is », geen omgevingsvergunning vereist voor onder meer « handelingen zonder stabiliteitswerken en zonder wijziging van het fysiek bouwvolume aan zijgevels, achtergevels 30 en daken » (2°), « zonnepanelen of zonneboilers op een plat dak, tot maximaal 1 meter boven de dakrand, en zonnepanelen of zonneboilers die geïntegreerd zijn in het hellende dakvlak » (3°), en « binnenverbouwingen zonder stabiliteitswerken » (4°). Krachtens artikel 4.2.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening is er evenmin een omgevingsvergunning vereist voor onderhoudswerken, waartoe in beginsel ook de vervanging van ramen kan behoren (zie bijvoorbeeld Raad voor Vergunningsbetwistingen, 8 april 2014, nr. A/2014/0270, p. 12). Overigens wordt het aanbrengen van isolatie aan de buitenzijde van een woning met een dikte van ten hoogste 26 centimeter niet beschouwd als afwijkend van stedenbouwkundige voorschriften en verkavelingsvoorschriften, tenzij die voorschriften die handelingen uitdrukkelijk verbieden (artikel 4.4.1, § 2, 3°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, zie ook de artikelen 4.1.1, 12°, en 4.3.8, § 1, van dezelfde Codex). Wat gebouwen in mede-eigendom betreft, is krachtens artikel 3.88, § 1, 1°, b), van het Burgerlijk Wetboek weliswaar een tweederdemeerderheid vereist voor « alle werken betreffende de gemeenschappelijke gedeelten, met uitzondering van de wettelijk opgelegde werken en de werken tot behoud van het goed en daden van voorlopig beheer », maar dat vereiste belet de individuele eigenaars niet om energiebesparende werkzaamheden uit te voeren aan de privatieve delen. Bovendien moedigt de bestreden maatregel de verhuurders die dat nog niet hebben gedaan aan om een energieprestatiecertificaat te laten opmaken voor hun eigendom. Die stap, zelfs al wordt die niet gevolgd door werken die voor 1 oktober 2023 worden uitgevoerd, is een eerste stap naar een latere verbetering van de energetische prestaties van de betrokken eigendommen, en draagt op zich dus reeds ertoe bij de door de decreetgever nagestreefde doelstellingen te bereiken. B.22.3. Daarenboven voorziet artikel 4 van het bestreden decreet vanaf 1 oktober 2023 in de toepassing van een correctiefactor op de geïndexeerde huurprijs. Daardoor houdt de huurindexering die vanaf die datum kan worden doorgevoerd, zolang de woning geen gunstig energielabel heeft, geen rekening met de stijging van het indexcijfer in de periode tussen 1 oktober 2022 en 30 september 2023. Zodra de verhuurder de nodige renovatiewerken uitvoert en daardoor een gunstig energielabel behaalt, kan hij voor de toekomst alsnog de huurprijs integraal aanpassen aan het indexcijfer, met inbegrip van de stijging ervan tussen 1 oktober 2022 en 30 september 2023. Ook wanneer de energetische renovatie pas een aanvang kan 31 nemen na het verstrijken van de in artikel 3 van het bestreden decreet bedoelde periode, zullen de betrokken verhuurders er bijgevolg baat bij hebben een dergelijke renovatie uit te voeren. B.23. Het in B.18 vermelde verschil in behandeling is bijgevolg pertinent ten aanzien van de door de decreetgever nagestreefde doelstellingen. B.24.1. Het Hof dient nog na te gaan of de bestreden bepalingen onevenredige gevolgen hebben voor de verhuurders van een woning zonder energieprestatiecertificaat of met een energieprestatiecertificaat met een energielabel D, E of F. B.24.2. De bestreden bepalingen hebben uitsluitend betrekking op de mogelijkheid voor de betrokken verhuurders om de huurprijs te indexeren. Zij raken niet aan de nominale waarde van de huurprijs, al dan niet reeds aangepast aan eerdere indexeringen, die integraal verschuldigd blijft door de huurder. Daarenboven is het verbod op huurindexering, zoals bepaald in artikel 3 van het bestreden decreet, slechts van toepassing in de periode van 1 oktober 2022 tot en met 30 september 2023. Dat verbod is evenredig met de mate van energiezuinigheid van de woning, aangezien in die periode uitsluitend verhuurders van een woning met een energielabel E of F zijn uitgesloten van de mogelijkheid tot huurindexering, en verhuurders van een woning met een energielabel D de huurprijs nog steeds voor de helft hebben mogen indexeren. Vanaf 1 oktober 2023 kunnen, krachtens artikel 4 van het bestreden decreet, alle verhuurders opnieuw de huurprijs indexeren, zij het met toepassing van een correctiefactor, die eveneens evenredig is met de mate van energiezuinigheid van de woning. Verhuurders van de meest energiezuinige woningen, namelijk de woningen met een energielabel A+, A, B of C, zijn aan geen enkele beperking onderworpen wat de mogelijkheid tot huurindexering betreft. B.24.3. De verhuurders die energiebesparende werkzaamheden uitvoeren aan de huurwoning, doen daarmee bovendien de waarde van hun eigendom toenemen. Krachtens artikel 35, § 1, derde lid, van het Vlaams Woninghuurdecreet kan de rechter een verhoging van de huurprijs toestaan « aan de verhuurder die bewijst dat de normale huurwaarde van het gehuurde goed met ten minste 10 % van de eisbare huurprijs op het tijdstip van de indiening van het verzoek is gestegen ten gevolge van werkzaamheden die op zijn kosten in het gehuurde goed zijn uitgevoerd ». Daarnaast is het mogelijk dat de verhuurder de kostprijs van de energiebesparende maatregelen deels kan compenseren door een beroep te doen op de 32 steunmaatregelen waarin het Vlaamse Gewest heeft voorzien, waaronder verschillende premies (artikelen 5.186 tot 5.194 van het besluit van de Vlaamse Regering van 11 september 2020 « tot uitvoering van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 », hierna : het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, en artikelen 6.4.1 tot 6.4.1/6/2 van het Energiebesluit) en een verbouwlening (artikelen 5.162/1 en 5.162/2 van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, en artikelen 7.9.2/0/7 tot 7.9.2/0/18 van het Energiebesluit). De in het Vlaamse Gewest toepasselijke veiligheids-, gezondheids- en woningkwaliteitsnormen voorzien overigens reeds in elementaire vereisten met betrekking tot dakisolatie en dubbele beglazing, waaraan ook huurwoningen dienen te voldoen (zie artikel 3.2 en bijlage 4 van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021). B.24.4. De verhuurders die bij de inwerkingtreding van de bestreden bepalingen nog niet over een energieprestatiecertificaat beschikten, kunnen ten slotte steeds een energieprestatiecertificaat laten opmaken door een erkende energiedeskundige. Het blijkt niet dat de gemiddelde prijs voor de opmaak van een energieprestatiecertificaat buitensporig zou zijn, of dat het onmogelijk zou zijn om op korte termijn een dergelijk certificaat te verkrijgen. Een energieprestatiecertificaat is tien jaar geldig (artikel 9.2.1, § 5, van het Energiebesluit) en bevat aanbevelingen voor een kosteneffectieve verbetering van de energieprestatie van het gebouw (artikel 73, eerste lid, van het ministerieel besluit van 28 december 2018), zodat dat certificaat ook nog voor andere doeleinden nuttig kan zijn voor de verhuurder. De omstandigheid dat, zoals de verzoekende partijen aanvoeren, sommige verhuurders bij de inwerkingtreding van de bestreden bepalingen niet verplicht waren over een energieprestatiecertificaat te beschikken, omdat de verplichting om een energieprestatiecertificaat voor te leggen bij het aangaan van een nieuwe huurovereenkomst pas geldt sinds 1 januari 2009, doet daaraan geen afbreuk. B.24.5. Rekening houdend met de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover de decreetgever te dezen beschikt en met het feit dat de bestreden bepalingen zijn aangenomen in het kader van een onvoorziene en buitengewone stijging van de energieprijzen, hebben die bepalingen bijgevolg geen onevenredige gevolgen voor de betrokken verhuurders. B.25. Het verschil in behandeling tussen, enerzijds, de verhuurders van een woning met een energieprestatiecertificaat met een energielabel label A+, A, B of C, en, anderzijds, de verhuurders van een woning zonder energieprestatiecertificaat of met een 33 energieprestatiecertificaat met een energielabel D, E of F, is niet in strijd met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Het eerste en het tweede onderdeel van het tweede middel zijn niet gegrond. B.26. Ten tweede voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen een discriminatie in het leven roepen tussen verschillende categorieën van huurders. Volgens hen behandelen de bestreden bepalingen alle huurders gelijk, zonder ermee rekening te houden in welke mate zij daadwerkelijk door de stijging van de energieprijzen worden getroffen. In het bijzonder maken de bestreden bepalingen geen onderscheid naargelang de huurder werkelijke of forfaitaire lasten verschuldigd is, dan wel naargelang de omvang van de bestaansmiddelen van de huurder. Daarnaast roepen de bestreden bepalingen een verschil in behandeling tussen huurders in het leven naargelang de aard van de huurovereenkomst. De bestreden regeling zou uitsluitend van toepassing zijn op huurovereenkomsten voor een hoofdverblijfplaats, en niet op huurovereenkomsten voor de huisvesting van studenten en medehuurovereenkomsten (derde onderdeel van het tweede middel). B.27. Het is redelijk verantwoord dat de bestreden regeling geen uitzondering bevat voor het geval dat de stijging van de energieprijzen slechts een beperkte impact heeft op de financiële situatie van de huurder, meer bepaald omdat de huurder forfaitaire lasten verschuldigd is voor zijn energieverbruik, een relatief hoog inkomen heeft of een automatische indexering van het inkomen geniet. Zoals is vermeld in B.21.3, kan het de decreetgever te dezen niet worden verweten dat hij geen rekening heeft gehouden met de bijzonderheden van elk gegeven geval, des te meer gelet op het gegeven dat hij met de bestreden regeling snel een antwoord heeft willen bieden op de impact van de buitengewone stijging van de energieprijzen. De decreetgever mocht daarom opteren voor een regeling waarbij het niet noodzakelijk is de individuele financiële situatie van elke huurder te onderzoeken. Het staat de verhuurder trouwens vrij om, in geval van forfaitaire kosten en lasten, een herziening of omzetting in werkelijke kosten en lasten te vragen aan de rechter, die « inzonderheid uitspraak [doet] op grond van de ontwikkeling van de werkelijke uitgaven » (artikel 36, § 3, van het Vlaams Woninghuurdecreet). Daarenboven is de financiële situatie van de huurder in elk geval niet relevant ten aanzien van de doelstelling om eigenaars aan te moedigen de energetische prestaties van de huurwoningen te verbeteren. 34 B.28. In zoverre de verzoekende partijen aanvoeren dat de bestreden bepalingen niet van toepassing zijn op de huurders met een medehuurovereenkomst, steunt hun grief op een onjuist uitgangspunt. Krachtens artikel 2 van het bestreden decreet is dat decreet immers van toepassing op de huurovereenkomsten die vallen onder de toepassing van titel II van het Vlaams Woninghuurdecreet. Die titel heeft als opschrift « huurovereenkomsten voor hoofdverblijfplaatsen » en « is van toepassing op huurovereenkomsten voor een woning die de huurder, met uitdrukkelijke of stilzwijgende toestemming van de verhuurder, vanaf de ingenottreding tot zijn hoofdverblijfplaats bestemt » (artikel 5 van het Vlaams Woninghuurdecreet). Medehuurovereenkomsten vallen eveneens onder het toepassingsgebied van titel II, zoals ook blijkt uit het feit dat hoofdstuk VI van die titel voorziet in « specifieke bepalingen voor de medehuur » (zie de artikelen 51 en 52 van het Vlaams Woninghuurdecreet). B.29.1. De huurovereenkomsten voor de huisvesting van studenten worden eveneens geregeld door het Vlaams Woninghuurdecreet, en meer bepaald door titel III van dat decreet, die bestaat uit de artikelen 53 tot 68. In geval van een dergelijke overeenkomst bestemt de student « het gehuurde goed niet met uitdrukkelijke of stilzwijgende toestemming tot zijn hoofdverblijfplaats » (artikel 53 van het Vlaams Woninghuurdecreet). De Vlaamse Regering is van mening dat zulks verantwoordt dat de bestreden bepalingen niet van toepassing zijn op de huurovereenkomsten voor de huisvesting van studenten. De omstandigheid dat de student elders zijn hoofdverblijfplaats heeft, neemt echter niet weg dat hij eveneens in het gehuurde goed is gehuisvest, dat hij voor een bepaalde periode gebonden is door een huurovereenkomst en dat hij lasten verschuldigd is voor het energieverbruik in dat goed. Die lasten komen in beginsel bovenop de lasten die verschuldigd zijn voor het energieverbruik in de hoofdverblijfplaats. Voorts is het niet van belang dat, zoals de Vlaamse Regering aanvoert, de meeste huurovereenkomsten voor de huisvesting van studenten voor een korte periode worden gesloten, waardoor er meestal geen sprake is van een huurindexering. Artikel 61, § 2, van het Vlaams Woninghuurdecreet regelt de indexering van de huurprijs voor de huurovereenkomsten voor de huisvesting van studenten. Het bepaalt dat « als de duur van de huurovereenkomst langer dan een jaar bedraagt, […] de huurprijs eenmaal per jaar aan de kosten van levensonderhoud [wordt] aangepast op de verjaardag van de inwerkingtreding van de huurovereenkomst, tenzij die aanpassing uitdrukkelijk uitgesloten is » (artikel 61, § 2, eerste lid). Die aanpassing gebeurt volgens de regels die van toepassing zijn op de 35 huurovereenkomsten voor hoofdverblijfplaatsen en die opgenomen zijn in artikel 34 van hetzelfde decreet (artikel 61, § 2, tweede lid). Daaruit volgt dat de huurprijs van een huurovereenkomst voor de huisvesting van studenten waarvan de duur één jaar overschrijdt, wordt geïndexeerd. Een indexering van de huurprijs is ook mogelijk voor de opeenvolgende huurovereenkomsten voor de huisvesting van studenten die met dezelfde huurder worden gesloten, onder de in artikel 61, § 3, eerste lid, bedoelde voorwaarden. De Vlaamse Regering voert eveneens aan dat studentenkamers een beperkte oppervlakte hebben, waardoor de gevolgen van de stijging van de energieprijzen minder ingrijpend zijn voor de huurders, en dat in de huurovereenkomsten voor de huisvesting van studenten meestal een forfaitaire vergoeding wordt vastgelegd voor het energieverbruik. Die elementen kunnen het bekritiseerde verschil in behandeling evenmin verantwoorden. Zoals hiervoor reeds is vermeld, heeft de decreetgever wat de huurovereenkomsten voor hoofdverblijfplaatsen betreft immers ervoor gekozen geen rekening te houden met het werkelijke energieverbruik of met de individuele financiële situatie van de huurder. Krachtens artikel 60 van het Vlaamse Woninghuurdecreet dient de in de huurovereenkomst voor de huisvesting van een student vastgelegde huurprijs overigens enkel een vergoeding te omvatten « voor zowel het gebruik van het gehuurde goed door de huurder als alle kosten en lasten, uitgezonderd het verbruik van energie, water en telecommunicatie en de belasting op tweede verblijven ». Dat decreet staat bijgevolg niet eraan in de weg dat de student, wat het energieverbruik betreft, de werkelijke lasten verschuldigd kan zijn. Tot slot kan een huurovereenkomst voor de huisvesting van een student betrekking hebben op een zelfstandige gebouweenheid, terwijl de student die louter een kamer betrekt in een collectief gebouw in beginsel mee instaat voor het energieverbruik in de gemeenschappelijke ruimtes. B.29.2. De door de Vlaamse Regering aangehaalde elementen staan bovendien los van de in B.4.2 vermelde door de decreetgever nagestreefde doelstelling om eigenaars aan te moedigen de energetische prestaties van de huurwoningen te verbeteren. In dat opzicht zijn de verhuurders van goederen bestemd voor de huisvesting van studenten eveneens onderworpen aan de in het Energiebesluit opgenomen verplichtingen inzake energieprestatiecertificaten. Artikel 1.1.1, 103°, a), van dat besluit definieert immers als « verhuur », « de gewone huur, als het gaat over een verhuur over een periode van meer dan twee maanden, de onroerende leasing en de woninghuur van residentiële gebouwen of residentiële gebouweenheden ». Die definitie maakt geen onderscheid naargelang het verhuurde goed de hoofdverblijfplaats vormt van de huurder 36 dan wel strekt tot de huisvesting van studenten. De verhuurders van een onroerend goed voor de huisvesting van studenten dienen bijgevolg, krachtens artikel 9.2.4 van het Energiebesluit, over een energieprestatiecertificaat voor residentiële gebouwen te beschikken (eerste lid) en aan de huurder een kopie daarvan te verstrekken bij het aangaan van een nieuwe huurovereenkomst (derde lid). B.30. Artikel 2 van het bestreden decreet is bijgevolg in strijd met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, uitsluitend in zoverre die bepaling niet erin voorziet dat het bestreden decreet van toepassing is op huurovereenkomsten met een langere duur dan één jaar of die achtereenvolgens met dezelfde huurder worden gesloten, die vallen onder de toepassing van titel III « Huurovereenkomsten voor de huisvesting van studenten » van het Vlaams Woninghuurdecreet en die in werking zijn getreden vóór 1 oktober 2022. In die mate is het derde onderdeel van het tweede middel gegrond. B.31. Ten derde voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen een verschil in behandeling in het leven roepen zowel tussen verhuurders op de private huurmarkt en verhuurders van sociale woningen, als tussen huurders op de private huurmarkt en huurders van sociale woningen (vierde onderdeel van het tweede middel). De artikelen 3 en 4 van het bestreden decreet verwijzen naar de regelingen inzake indexering opgenomen in artikel 1728bis van het oud Burgerlijk Wetboek en artikel 34 van het Vlaams Woninghuurdecreet. Daaruit volgt dat de bestreden beperking van de mogelijkheid tot huurindexering niet geldt voor sociale huurovereenkomsten. Wat die huurovereenkomsten betreft, wordt de indexering immers geregeld door artikel 6.55 van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021. B.32.1. Voor de berekening van de reële huurprijs van een sociale huurwoning wordt de marktwaarde van de woning verminderd afhankelijk van onder meer het inkomen en de gezinssituatie van de huurder, en dit specifiek « om de betaalbaarheid te garanderen » (artikel 6.46 van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021, zie ook de artikelen 6.51 tot 6.53 van hetzelfde besluit). De reële huurprijs wordt jaarlijks opnieuw berekend en kan in specifieke gevallen worden aangepast, onder meer in geval van een daling van het inkomen met minstens 20 % (artikel 6.54 van hetzelfde besluit). 37 B.32.2. Voorts behoort het, zoals de Vlaamse Regering opmerkt, tot de decretale opdrachten van de woonmaatschappijen bij te dragen tot de herwaardering van het woningbestand en worden die maatschappijen onder meer beoordeeld op de kwaliteit van het sociaal woningpatrimonium (zie de artikelen 4.40, 2°, en 4.46/10 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 en artikel 4.104, § 1/1, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021). Er zijn daarnaast verschillende van het gemeenrecht afwijkende maatregelen van kracht om de energie-efficiëntie van het sociaal woningpatrimonium te bevorderen, zoals een energiecorrectie op de huurprijs indien het verwachte energieverbruik inzake ruimteverwarming en sanitair warm water lager ligt dan het referentie-energieverbruik (artikel 6.50 van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021), een mogelijkheid voor de verhuurder om het financiële voordeel dat voortvloeit uit het gebruik door de huurder van hernieuwbare energiebronnen gedeeltelijk te recupereren (artikel 6.25 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021), en de toekenning van specifieke premies voor energetische renovaties en/of energiebesparende maatregelen (artikel 5.21 van dezelfde Codex en artikelen 5.48 tot 5.54 van het Besluit Vlaams Codex Wonen van 2021). Meer in het algemeen wordt de sector van de sociale huisvesting in zeer ruime mate gefinancierd via overheidsmiddelen. B.33. Rekening houdend met de eigen kenmerken van de sociale woninghuur, zowel met betrekking tot de vaststelling van de huurprijs als op het vlak van organisatie en financiering, mocht de decreetgever van oordeel zijn dat het niet aangewezen is om voor de sociale huurovereenkomsten in een soortgelijke beperking van de mogelijkheid tot huurindexering te voorzien als voor de private huurovereenkomsten. Het vierde onderdeel van het tweede middel is niet gegrond. B.34. Ten vierde voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen een verschil in behandeling in het leven roepen tussen verhuurders, naargelang het energieprestatiecertificaat werd opgesteld vóór of vanaf 1 januari 2019. Het energieprestatiecertificaat dient immers pas vanaf de inwerkingtreding van het ministerieel besluit van 28 december 2018, op 1 januari 2019, het energielabel van de woning te vermelden. Aangezien een energieprestatiecertificaat tien jaar geldig blijft, zou een groot aantal verhuurders daardoor nog over een certificaat zonder energielabel beschikken. Volgens de verzoekende partijen kunnen zulke verhuurders de huurprijs niet indexeren, behalve indien zij een nieuw energieprestatiecertificaat laten opstellen (vijfde onderdeel van het tweede middel). 38 B.35. Zoals is vermeld in B.19.2, dienden oudere energieprestatiecertificaten die niet uitdrukkelijk een energielabel vermelden, in elk geval het kengetal van de energieprestatie van de woning te bevatten. Aldus kan het energielabel voor zulke energieprestatiecertificaten eenvoudig worden bepaald op basis van de tabel met grenswaarden opgenomen in artikel 73, derde lid, van het ministerieel besluit van 28 december 2018. B.36. Het door de verzoekende partijen aangevoerde verschil in behandeling is bijgevolg onbestaande. Het vijfde onderdeel van het tweede middel is niet gegrond. B.37. Ten vijfde voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen een verschil in behandeling in het leven roepen tussen huurders en verhuurders. De verzoekende partijen zijn van mening dat niet alleen de huurders, maar ook de verhuurders worden getroffen door de stijging van de inflatie en van de energieprijzen, en dat de steunmaatregelen die de verhuurders kunnen genieten niet toereikend zijn (zesde onderdeel van het tweede middel). B.38. Ten aanzien van de door de decreetgever nagestreefde doelstelling om de eigenaars ertoe aan te moedigen de energetische prestaties van de huurwoningen te verbeteren, is het onderscheid tussen de huurders en de verhuurders pertinent, aangezien die laatsten beter in staat zijn om de nodige werken ter verbetering van de energetische prestaties van hun eigendommen uit te voeren. Bovendien hebben de bestreden maatregelen, om de in B.