← België

ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.033

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 21 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.033 Arrest- Rolnummer: 33/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-04-01 Raadplegingen: 360 - laatst gezien 2026-06-14 19:36 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: het beroep tot vernietiging van de artikelen 36, 38, § 3, en 43 van de wet van 30 oktober 2022 « houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de energiecrisis », ingesteld door de vzw « OKRA, trefpunt 55+ » en anderen. Energie - Energiecrisis - Prijsstijgingen - Elektriciteits- en gaspremie - Personen die een residentieel elektriciteitscontract hebben - Bewoners van woonzorgcentra Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 33/2024 van 21 maart 2024 Rolnummer : 7988 In zake : het beroep tot vernietiging van de artikelen 36, 38, § 3, en 43 van de wet van 30 oktober 2022 « houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de energiecrisis », ingesteld door de vzw « OKRA, trefpunt 55+ » en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Joséphine Moerman, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt en Kattrin Jadin, bijgestaan door de griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 2 mei 2023 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 3 mei 2023, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 36, 38, § 3, en 43 van de wet van 30 oktober 2022 « houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de energiecrisis » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 3 november 2022) door de vzw « OKRA, trefpunt 55+ », Delphine Van Dijck, Jerome Beck en Alfons Verwee, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Mieke Van Den Broeck en Mr. Pauline Delgrange, advocates bij de balie te Brussel. De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Valérie De Schepper en Mr. Jean-François De Bock, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 20 december 2023 heeft het Hof, na de rechters-verslaggeefsters Joséphine Moerman en Emmanuelle Bribosia te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou 2 hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Ingevolge het verzoek van de verzoekende partijen om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 9 januari 2024 de dag van de terechtzitting bepaald op 14 februari 2024. Op de openbare terechtzitting van 14 februari 2024 : - zijn verschenen : . Mr. Mieke Van Den Broeck, voor de verzoekende partijen; . Mr. Valérie De Schepper, tevens loco Mr. Jean-François De Bock, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggeefsters Joséphine Moerman en Emmanuelle Bribosia verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van het belang A.1. De eerste verzoekende partij, de vzw « OKRA, trefpunt 55+ », voert aan dat zij volgens haar statuten de belangen van 55-plussers behartigt. Zij zou aldus belang hebben bij het aanvechten van de uitsluiting van personen die in woonzorgcentra verblijven van de elektriciteitspremie en de gaspremie die werden ingevoerd bij de bestreden bepalingen van de wet van 30 oktober 2022 « houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de energiecrisis » (hierna : de wet van 30 oktober 2022). De tweede en de derde verzoekende partij, Delphine Van Dijck en Jerome Eduard Beck, wonen beiden in een woonzorgcentrum en hebben dienvolgens geen recht op de elektriciteits- en de gaspremie. De vierde verzoekende partij, Alfons Verwee, woont in een assistentiewoning verbonden aan een woonzorgcentrum en heeft geen eigen energiecontracten, waardoor hij geen recht heeft op de elektriciteits- en de gaspremie. Zij zouden allen aldus persoonlijk en direct worden geschaad door de bestreden bepalingen. A.2.1. Met betrekking tot het belang van de verzoekende partijen gedraagt de Ministerraad zich in beginsel naar de wijsheid van het Hof. Hij meent echter dat het belang van Alfons Verwee niet vaststaat, daar deze niet aantoont dat hij gas en elektriciteit voor zijn assistentiewoning afneemt via een woonzorgcentrum. Hij meent eveneens dat het beroep niet ontvankelijk is in zoverre het is gericht tegen artikel 38, § 3, van de wet van 30 oktober 2022, daar de verzoekende partijen geen grieven aanvoeren tegen die bepaling en geen belang hebben bij de vernietiging ervan. A.2.2. De verzoekende partijen antwoorden dat uit de woonovereenkomst voor de assistentiewoningen « Groote Broel » te Kortrijk blijkt dat de inwoners van de assistentiewoningen verplicht zijn om gas, water en elektriciteit af te nemen bij de desbetreffende vereniging zonder winstoogmerk. Ze leggen ter zake stukken ter 3 staving voor aan het Hof en menen dat het belang van Alfons Verwee aldus afdoende is aangetoond. Met betrekking tot artikel 38, § 3, van de wet van 30 oktober 2022 antwoorden zij dat, als het toepassingsgebied van de wet zou worden uitgebreid tot personen die niet over een residentieel energiecontract beschikken, dit zou kunnen gebeuren via het mechanisme waarin dat artikel voorziet. Ten aanzien van het middel A.3. De verzoekende partijen voeren een schending aan, door de artikelen 36, 38, § 3, en 43 van de wet van 30 oktober 2022, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 2 en 11 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten en met de artikelen 4, 5, 12, 19 en 28 van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. A.4.1. Het eerste onderdeel van het enige middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De bestreden bepalingen voeren een verschil in behandeling in tussen personen die een residentieel energiecontract hebben en personen die dat niet hebben, in zoverre de eerste groep een elektriciteitspremie van 122 euro en een gaspremie van 270 euro ontvangt, terwijl de tweede groep die premies niet ontvangt. Die bepalingen voeren eveneens een verschil in behandeling in tussen personen die in een collectieve woonvorm wonen, vaak een rust- en verzorgingstehuis, een assistentiewoning of een woonzorgcentrum, en anderen. Het onderscheid tussen beide categorieën is weliswaar objectief : de ene groep heeft een contract met een energieleverancier en de andere niet. Dat criterium is evenwel vreemd aan de doelstelling van de bestreden bepalingen, zijnde een financiële steun toekennen aan het grootst mogelijk aantal burgers voor de toegenomen energiekostprijs. De beide categorieën bevinden zich in een soortgelijke situatie ten aanzien van dat doel : zij hebben allebei te lijden onder de gestegen kosten, hetgeen de wetgever zelf ook toegeeft. Het kan objectief worden vastgesteld dat de dagprijzen, zijnde de prijs die een bewoner van een woonzorgcentrum betaalt, de voorbije maanden gestegen zijn vanwege de hogere energieprijzen. De dagprijs omvat immers de woonkosten, met de energiekosten als onderdeel. De stijging van de kostprijs van energie wordt bijgevolg doorgerekend aan de bewoners. Bovendien is ook de koppeling van de prijzen aan de consumptieprijsindex een koppeling aan de energieprijzen. In Vlaanderen werd bij omzendbrief beslist dat de dagprijzen vanaf 1 maart 2022 tweemaal per jaar konden worden verhoogd, in plaats van voordien slechts éénmaal per jaar, gelet op de stijging van de levensduurte en in het bijzonder van de energiefacturen. Tussen 1 maart 2022 en 28 april 2022 bedroeg de gemiddelde indexering voor de 367 voorzieningen die een indexatiedossier indienden 6,77 %, hetgeen een prijsstijging van gemiddeld 124 euro per maand voor die voorzieningen betekent. Sindsdien gaan de stijgingen gewoon door. In de loop van 2022 verhoogde de maandprijs van een gemiddelde eenpersoonskamer met 197,50 euro, of gemiddeld met 10,4 %. Ook de bewoners van de groep Orpea Belgique, één van de grootste private uitbaters van woonzorgcentra in Wallonië en Brussel, zagen de prijzen stijgen met 8,04 %, hetzij 150 euro per maand. De bewering dat de bewoners van collectieve woonvormen minder geconfronteerd worden met de stijgende prijzen, is dan ook onjuist. Het feit dat de energiekosten niet rechtstreeks maar via de dagprijs worden doorgerekend, is irrelevant. Aangezien de gestegen energiekosten mogen en zullen worden doorgerekend in de dagprijs, zorgt dit hoogstens voor een vertraagde doorrekening, maar niet voor een verminderde. Het armoederisico van bewoners van woonzorgcentra was vóór de prijsstijgingen al zeer hoog. Dat maakt het des te problematischer dat die groep personen wordt uitgesloten van een maatregel die de impact van de stijging van de energiefacturen moet verzachten. Het feit dat het omslachtiger zou zijn om de premie toe te kennen aan personen die geen residentieel energiecontract hebben, kan niet worden beschouwd als een redelijke verantwoording voor het verschil in behandeling. De wet voorziet in een mechanisme voor personen die de premie niet ontvangen via hun energieleverancier. Het is dus perfect mogelijk om in een apart mechanisme te voorzien voor personen die niet over een residentieel energiecontract beschikken. Het uitsluiten van een categorie van personen omdat de administratie dan gemakkelijker haar werk kan doen, is niet redelijk. Voorts kan niet worden aangevoerd dat de toekenning van de premies een gemeenschapsbevoegdheid is in zoverre zij moeten worden uitbetaald aan de bewoners van rusthuizen. Zoals ook de afdeling wetgeving van de 4 Raad van State heeft opgemerkt, is de toekenning van een dergelijke premie aan iedereen, met inbegrip van de bewoners van collectieve woonvormen, wel degelijk een federale bevoegdheid. Tot slot kan niet worden aangevoerd dat woonzorgcentra minder energiekosten zouden maken per hoofd dan gewone gezinnen. De wetgever koos er immers uitdrukkelijk voor de premies aan iedereen uit te betalen, ongeacht of de begunstigde effectief last heeft van de gestegen energieprijzen. Bovendien kan men zich vragen stellen bij de waarachtigheid van de stelling dat woonzorgcentra minder energiekosten zouden hebben. Rekening houdend met de kwetsbaarheid en de gevoeligheid van de bewoners moet de kamertemperatuur er immers minstens 22°C bedragen en moet er goed worden geventileerd. Men kan voorts bezwaarlijk argumenteren dat de verschillen in de prijs voor energie die particulieren en woonzorgcentra betalen, die in sommige gevallen onbestaande zijn of zelfs omgekeerd (goedkoper voor de residentiële gebruiker dan voor de professionele gebruiker), een redelijke verantwoording bieden voor de uitsluiting van de bewoners van de woonzorgcentra. Dat er andere accijnzenpercentages gelden voor zakelijke dan voor particuliere energieafnemers, laat niet toe om te oordelen dat de energieprijzen minder zouden stijgen voor bewoners van woonzorgcentra. Bovendien zijn de bedragen die de zakelijke afnemers minder aan accijnzen moeten betalen, niet in verhouding met de betaalde premies, die overigens worden toegekend ongeacht de feitelijke kostprijs die de afnemer betaalt per eenheid energie. De energienorm kan volgens de verzoekende partijen niet als een aparte milderende factor worden beschouwd, daar die norm eveneens betrekking heeft op de lagere accijnzen voor zakelijke afnemers. Zij menen ten slotte dat de gemeenschappen niet hebben voorzien in beperkingen voor de mate waarin zorginstellingen energiekosten kunnen doorrekenen aan hun bewoners. Daar het verschil in behandeling aldus steunt op argumenten die geen verband houden met de doelstelling van de premies, is het verschil in behandeling zonder redelijke verantwoording. De verzoekende partijen vermelden ook nog dat de bewoners van woonzorgcentra en rust- en verzorgingstehuizen ook uitgesloten worden van het sociaal tarief en aanvankelijk ook van de btw-verlaging op elektriciteit. Er is dan ook geen evenredigheid tussen de bestreden maatregel en het door de wetgever nagestreefde doel. A.4.2. Het tweede onderdeel van het enige middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 2 en 11 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten. Door personen die in een woonzorgcentrum wonen van de premies uit te sluiten, wordt een bevolkingsgroep uitgesloten die voornamelijk samengesteld is uit personen van hogere leeftijd. Het ogenschijnlijk neutrale criterium van het hebben van een residentieel energiecontract, leidt dus tot een indirecte discriminatie op grond van leeftijd. Zoals reeds aangetoond in het eerste onderdeel van het enige middel, is er voor dat onderscheid geen redelijke verantwoording. Daar de premies ertoe strekken de levensstandaard te beschermen, wordt aldus afbreuk gedaan aan de artikelen 2 en 11 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, op grond waarvan het recht op een behoorlijke levensstandaard zonder discriminatie dient te worden gewaarborgd. A.4.3. Het derde onderdeel van het enige middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 4, 5, 12, 19 en 28 van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. Aangezien mensen die in woonzorgcentra wonen een zodanige verminderde zelfredzaamheid hebben dat zij niet langer zelfstandig kunnen wonen, ressorteren zij in beginsel onder de definitie van personen met een handicap die is neergelegd in artikel 1, tweede alinea, van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. Personen die in collectieve woonvormen wonen en worden uitgesloten van de energiepremies, zijn vooral mensen in rusthuizen en woonzorgcentra die vanwege hun verminderde zelfredzaamheid niet (langer) zelfstandig kunnen wonen. Het gaat dan ook om een indirecte discriminatie op grond van handicap, waarvoor geen redelijke verantwoording bestaat. Bijgevolg is artikel 5 van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap geschonden, artikel dat bepaalt dat de lidstaten bij het Verdrag erkennen dat eenieder gelijk is voor de wet. Voorts schendt de wetgever aldus de algemene verplichtingen die op België rusten krachtens artikel 4 van het voormelde Verdrag. De bestreden bepalingen zijn tevens in strijd met artikel 12, lid 5, van hetzelfde Verdrag, dat bepaalt dat personen met een handicap op voet van gelijkheid met anderen recht hebben op eigendom, evenals met artikel 19 van het voormelde Verdrag, dat bepaalt dat de sociale diensten en faciliteiten voor het algemene publiek op voet van gelijkheid beschikbaar moeten zijn voor personen met een handicap. Daar de aangevoerde discriminatie op grond van handicap een invloed heeft op de leefkwaliteit van ouderen met een verhoogde zorgnood, is ook artikel 28 van het voormelde Verdrag geschonden. A.5.1. Met betrekking tot het eerste onderdeel van het middel is de Ministerraad van oordeel dat de erin beoogde categorieën van personen niet voldoende vergelijkbaar zijn, zodat de onderscheiden behandeling niet kan 5 leiden tot een schending van het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Bewoners van collectieve woonzorgcentra kunnen eveneens met hogere energieprijzen worden geconfronteerd, doch niet op dezelfde wijze als de huishoudelijke afnemers met een eigen residentieel energiecontract voor hun woonplaats. De bewoners van woonzorgcentra worden in de regel immers pas met de stijgende energieprijzen geconfronteerd na de milderende invloed van de gunstigere tarieven in de niet-residentiële energiecontracten waarover woonzorgcentra beschikken, van de energienorm waardoor de woonzorgcentra een korting op hun energiefactuur ontvangen en van het gegeven dat woonzorgcentra de elektriciteits- en gaskosten slechts kunnen doorrekenen aan hun bewoners via de dagprijs en in de mate waarin zulks toegelaten wordt door de betrokken regeling van de gemeenschappen. A.5.2. In ondergeschikte orde stelt de Ministerraad dat de bestreden maatregelen een legitiem doel nastreven, namelijk de impact op de energiefactuur van de energiecrisis dringend verlichten door in een goedkoper basispakket energie te voorzien voor gezinnen. In het licht van dat doel werd een regeling uitgewerkt die voor de toekenning van de premies in beginsel focust op het criterium van het beschikken over een leveringscontract voor elektriciteit en gas voor de eigen woonplaats. Het betreft een objectief en pertinent criterium. Dat criterium laat een zo breed mogelijk bereik toe van de beoogde doelgroep binnen de federale bevoegdheid inzake energieprijzen. In de regel zullen gezinnen of huishoudens immers elektriciteit en gas afnemen via het door een EAN-code identificeerbaar toegangspunt op het betrokken distributienet per wooneenheid, ook wanneer het gaat om meerdere wooneenheden binnen eenzelfde gebouw. Door het verbod op privédistributienetten is het in beginsel uitgesloten dat meerdere wooneenheden elektriciteit of gas afnemen via een collectief aansluitingspunt. Het gekozen criterium komt ook tegemoet aan de wil om de premies zo snel mogelijk en met redelijke inspanningen te kunnen uitkeren. Voor de toekenning van die premies kan immers in belangrijke mate worden teruggevallen op de gegevensstromen en de automatisering in het kader van de toekenning van het sociaal tarief voor elektriciteit en gas. Het is tot slot niet disproportioneel dat de bewoners van woonzorgcentra uitgesloten zijn van de premies door het criterium te hanteren van het beschikken over een energieleveringscontract voor de eigen woonplaats. Personen die niet beschikken over een dergelijk residentieel energiecontract voor de eigen woonplaats, en in het bijzonder de bewoners van woonzorgcentra, zullen in de regel immers minstens op een minder acute of directe wijze worden geconfronteerd met de hogere energieprijzen. De Ministerraad wijst ter zake erop dat de toekenning van de premies aan individuele bewoners van Vlaamse woonzorgcentra zou inhouden dat die federale premies in ieder geval worden toegekend, terwijl enkel de Vlaamse Gemeenschap kan beslissen of en in welke mate zij via de dagprijs daadwerkelijk geconfronteerd worden met de stijgende energiekosten. De Ministerraad beklemtoont dat de verantwoording voor het verschil in behandeling geenszins terug te voeren is op een onbevoegdheid van de federale overheid, evenals dat de federale wetgever zich loyaal heeft willen opstellen ten aanzien van de regelingen die de gemeenschappen hebben uitgewerkt in verband met de mate waarin zorginstellingen energiekosten kunnen doorrekenen aan hun bewoners. Voorts dient rekening te worden gehouden met het feit dat de wetgever ernaar streefde de premies zo snel mogelijk toe te kennen, met oog voor de betrokken administratieve inspanningen. Ideeën inzake een eventuele verdere verfijning van de toekenningscriteria lijken haaks te staan op het streven naar een snelle en eenvoudige toekenning van de premies. Tot slot merkt de Ministerraad op dat de regeling inzake de premies verder kan evolueren en te analyseren is binnen een ruimer pakket aan maatregelen die de wetgever reeds genomen heeft en nog zal nemen. Indien de situatie dat vereist en de mogelijkheden zich voordoen, zal de wetgever dus niet nalaten bijkomende steun te bieden. De Ministerraad besluit dat de bestreden bepalingen het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet- discriminatie niet schenden. A.5.3. Inzake het tweede onderdeel van het enige middel voert de Ministerraad aan dat er geen sprake is van een indirecte discriminatie op grond van leeftijd. De bestreden maatregel heeft immers niet tot gevolg dat « ouderen » in vergelijking met andere personen bijzonder worden benadeeld, daar alle « ouderen » die huishoudelijk afnemer zijn met een energiecontract voor hun woonplaats in beginsel in aanmerking komen voor de premies. Het staat in ieder geval vast dat een onderscheiden behandeling gerechtvaardigd is door objectieve factoren die losstaan van enige discriminatie op grond van leeftijd. De Ministerraad verwijst ter zake naar zijn uiteenzetting inzake het eerste onderdeel van het enige middel. A.5.4. Inzake het derde onderdeel van het enige middel, voert de Ministerraad aan dat de verzoekende partijen bij dat onderdeel geen belang hebben. 6 Ten gronde stelt de Ministerraad dat er geen sprake is van een indirecte discriminatie van personen met een handicap. De bestreden maatregel heeft immers niet tot gevolg dat personen met een handicap in vergelijking met andere personen bijzonder worden benadeeld, daar alle personen met een handicap die huishoudelijk afnemer zijn met een energiecontract voor hun woonplaats in beginsel in aanmerking komen voor de premies. Aangezien de bestreden bepalingen geen directe of indirecte discriminatie inhouden, kan België niet ertoe gehouden zijn de bestreden bepalingen af te schaffen op grond van artikel 4 van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. Voorts maakt het feit dat bewoners van woonzorgcentra uitgesloten zijn van de premies, geen schending uit van het recht op een behoorlijke levensstandaard, aangezien de bestreden premies niet beogen de levensstandaard van de Belgische bevolking te beschermen. A.6.1. In ondergeschikte orde verzoekt de Ministerraad het Hof om, indien het beslist de bestreden bepalingen te vernietigen, de gevolgen van de vernietigde bepalingen te handhaven. De verzoekende partijen verzetten zich immers niet tegen de toekenning van de premies als dusdanig, doch enkel tegen het feit dat de bewoners van woonzorgcentra geen recht hebben op die premies. Een vernietiging van de bestreden bepalingen zorgt niet rechtstreeks ervoor dat ze die premies krijgen. De premies zijn ondertussen grotendeels uitbetaald aan de rechthebbenden. Een vernietiging van de rechtsgrond op basis waarvan de premies zijn uitbetaald, zou rechtsonzekerheid met zich meebrengen en zou geen toegevoegde waarde hebben voor de verzoekende partijen. A.6.2. De verzoekende partijen verzetten zich niet tegen de handhaving van de gevolgen van de bestreden bepalingen. -B– Ten aanzien van de bestreden bepalingen en de situering ervan B.1. Het economische herstel na COVID-19 en de invasie van Oekraïne door Rusland hebben aanleiding gegeven tot een aanzienlijke stijging van de energieprijzen. In die context heeft de wetgever verschillende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen genomen om de gezinnen te helpen. Tot die maatregelen behoren een verwarmingspremie van 100 euro; een toelage van 300 euro voor het aanschaffen van huisbrandolie of propaan in bulk bestemd voor de verwarming van een privéwoning; een toelage van 250 euro voor gezinnen die met pellets verwarmen; een goedkoper basispakket energie voor de gezinnen, dat bestaat in het toekennen van een premie voor elektriciteit en gas; een tijdelijke verlaging van de accijnzen op diesel en op benzine; een tijdelijke btw-verlaging op elektriciteit en op gas; een uitbreiding van het sociaal tarief. B.2.1. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van de artikelen 36, 38, § 3, en 43 van de wet van 30 oktober 2022 « houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van 7 de energiecrisis » (hierna : de wet van 30 oktober 2022). Die artikelen hebben betrekking hebben op het voormelde « goedkoper basispakket energie voor de gezinnen » en bepalen : « Art. 36. § 1. Aan elke huishoudelijke afnemer die op 30 september 2022 een leveringsovereenkomst voor elektriciteit voor diens woonplaats heeft : 1° ofwel met een vaste prijs, die afgesloten of hernieuwd werd na 30 september 2021; 2° ofwel met een variabele prijs wordt een federale elektriciteitspremie toegekend van 122 euro. Aan huishoudelijke afnemers in de zin van het eerste lid, die op 30 september 2022 deel uitmaakten van hetzelfde gezin of huishouden, en op hetzelfde adres woonden, wordt de federale elektriciteitspremie slechts één keer toegekend. § 2. De federale elektriciteitspremie is niet van toepassing op: 1° de tweede verblijfplaatsen; 2° de occasionele klanten, de tijdelijke aansluitingen; 3° de huishoudelijke afnemer die een toegangspunt verlaat zonder dit te laten afsluiten en wanneer de opvolger de nodige stappen niet onderneemt om zijn verhuistoestand op dit toegangspunt te regelen of wanneer er geen opvolger is; 4° de personen binnen een gezin of huishouden waarvan een lid kwalificeerde als beschermde residentiële afnemer in de zin van artikel 20, § 2/1, van de Elektriciteitswet op 30 september 2022 ». « Art. 38. [...] § 3. De rechthebbenden aan wie geen federale elektriciteitspremie werd toegekend overeenkomstig paragraaf 1, kunnen vanaf 23 januari 2023 tot en met 30 april 2023 een schriftelijke of elektronische aanvraag indienen bij de FOD Economie. Over de aanvraag wordt beslist binnen de maand na ontvangst ervan. De beslissing wordt ter kennis gebracht aan de leverancier, via de lijsten opgemaakt krachtens artikel 53, § 1, of § 2, die over een termijn beschikt van een maand voor het overmaken van de federale elektriciteitspremie: 1° via overschrijving; 2° via verrekening met een voorschot- of afrekeningsfactuur; 3° via verrekening met openstaande schulden. De Koning kan aanvullende gegevens bepalen die te vermelden zijn op de aanvraag bedoeld in het eerste lid ». 8 « Art. 43. § 1. Aan elke huishoudelijke afnemer die op 30 september 2022 een leveringsovereenkomst voor gas voor diens woonplaats heeft : 1° ofwel met een vaste prijs, die afgesloten of hernieuwd werd na 30 september 2021; 2° ofwel met een variabele prijs, wordt een federale gaspremie toegekend van 270 euro. Kwalificeren eveneens als rechthebbenden in de zin van het eerste lid, de eindafnemers achter een collectief aansluitpunt met een gezamenlijke stookinstallatie op gas die een recht op levering genieten in het kader van een overeenkomst bedoeld in het eerste lid, die in hun naam en voor hun rekening gesloten werd door een andere huishoudelijke afnemer van dezelfde gezamenlijke stookinstallatie op gas of door een vereniging van mede-eigenaars. Aan huishoudelijke afnemers in de zin van het eerste en het tweede lid die op 30 september 2022 deel uitmaakten van hetzelfde gezin of huishouden en op hetzelfde adres woonden, wordt de federale gaspremie slechts één keer toegekend. § 2. De federale gaspremie is niet van toepassing op : 1° de tweede verblijfplaatsen; 2° de occasionele klanten, de tijdelijke aansluitingen; 3° de huishoudelijke afnemer die een toegangspunt verlaat zonder dit te laten afsluiten en wanneer de opvolger de nodige stappen niet onderneemt om zijn verhuistoestand op dit toegangspunt te regelen, of wanneer er geen opvolger is; 4° de personen binnen een gezin of huishouden waarvan een lid op 30 september 2022 kwalificeerde als beschermde residentiële afnemer in de zin van artikel 15/10, § 2/2, van de Gaswet ». B.2.2. Bij de voormelde wet van 30 oktober 2022 kent de wetgever een eenmalige forfaitaire premie van 122 euro toe aan elke huishoudelijke afnemer die op 30 september 2022 een leveringsovereenkomst voor elektriciteit voor diens woonplaats heeft, ofwel met een vaste prijs, die afgesloten of hernieuwd werd na 30 september 2021, ofwel met een variabele prijs (artikel 36, § 1, van de wet). Bovendien wordt een eenmalige forfaitaire premie van 270 euro toegekend aan elke huishoudelijke afnemer die op 30 september 2022 een leveringsovereenkomst voor gas voor diens woonplaats heeft, ofwel met een vaste prijs, die afgesloten of hernieuwd werd na 30 september 2021, ofwel met een variabele prijs (artikel 43, § 1, van de wet). Die premies zijn geldig voor de maanden november en december 2022. 9 Wat de federale gaspremie betreft, hebben de eindafnemers die zijn verbonden met een collectief aansluitpunt met een gezamenlijke stookinstallatie op gas die een recht op levering genieten in het kader van een overeenkomst die voor de premie in aanmerking komt, die in hun naam en voor hun rekening werd gesloten door een andere huishoudelijke afnemer van dezelfde gezamenlijke stookinstallatie op gas of door een vereniging van mede-eigenaars, eveneens recht op de premie (artikel 43, § 1, tweede lid, van de voormelde wet). Er wordt gepreciseerd dat « de begunstigden […] ook de gas eindafnemers via een gezamenlijke stookinstallatie [omvatten] » (Parl. St., Kamer, 2021-2022, DOC 55-2915/001, p. 19). In beginsel worden de premies automatisch toegekend door de leverancier aan de rechthebbenden (artikelen 37, 38, § 1, en 44 van de wet van 30 oktober 2022). De rechthebbenden aan wie geen federale elektriciteitspremie werd toegekend, kunnen vanaf 23 januari 2023 tot en met 30 april 2023 een schriftelijke of elektronische aanvraag indienen bij de FOD Economie (artikel 38, § 3, van de wet van 30 oktober 2022). Artikel 45, § 3, van de wet van 30 oktober 2022 bevat een gelijksoortige bepaling voor het toekennen van de gaspremie. Een rechthebbende die met meerdere gezinnen of huishoudens gas aankoopt via hetzelfde EAN-aansluitingspunt op het aardgasdistributienet, moet eveneens een aanvraag in die zin indienen bij de FOD Economie (artikel 45, § 1, van dezelfde wet). B.2.3. De federale elektriciteits- en gaspremie beoogt « de impact op de energiefactuur van de energiecrisis te verlichten [...] voor gezinnen. Met de keuze om een federale elektriciteits- en gaspremie toe te kennen via de huishoudelijke elektriciteits- en gascontracten [wenst de wetgever] [...] de breedst mogelijke groep [te bereiken] binnen de federale bevoegdheden (energieprijzen) » (Parl. St., Kamer, 2021-2022, DOC 55-2915/001, p. 19). Met betrekking tot de rechthebbenden van de premies vermeldt de parlementaire voorbereiding : « Personen die verblijven in een woongelegenheid waar de inwoners verblijfkosten betalen of waarvoor werkingstoelagen worden toegekend, kwalificeren niet als rechthebbenden aangezien zij geen leveringsovereenkomst gesloten hebben. Zo behoren rusthuizen en hun bewoners dus niet tot de rechthebbenden wegens vallende onder de bevoegdheden van de Gemeenschappen. Immers, de toekenning van een premie aan mensen in rusthuizen is 10 gekoppeld aan de gemeenschapsbevoegdheid inzake zorg en bijstand aan personen. Echter, de gas eindafnemers achter een collectief aansluitpunt die via een gezamenlijke stookinstallatie op gas een recht op levering genieten in het kader van een overeenkomst bedoeld in het eerste lid onder deze titel 1 die in diens naam en voor diens rekening gesloten werd door een andere huishoudelijke afnemer van dezelfde gezamenlijke stookinstallatie of door een vereniging van mede-eigenaars, hebben wel recht op de premie. Zo behoren bewoners van appartementsgebouwen en andere mede-eigendom met een gezamenlijke stookinstallatie op gas wel tot de rechthebbenden » (ibid., p. 20). Wat het bedrag van de premie betreft, wordt in de parlementaire voorbereiding vermeld : « De beoogde premie bedraagt 270 euro voor gas en 122 euro voor elektriciteit. Wat de premie voor gas betreft, komt de hoogte van de premie overeen met de gemiddelde korting op jaarbasis die een huishouden zou genieten mocht deze 5 MWh aan een gereguleerd tarief (0,13 euro/kWh all-

  1. in)beleverd worden en voor 12 MWh aan een commercieel tarief (0,26 euro/kWh all-
  2. in)tegenover een volledige afname (17 MWh) aan datzelfde commercieel tarief. De korting die op jaarbasis is berekend wordt als een eenmalige premie toegekend en wordt niet aangepast op basis van [het] verbruik van het huishouden. Wat de premie voor elektriciteit betreft, komt de hoogte van de premie overeen met de gemiddelde korting op jaarbasis die een huishouden zou genieten mocht deze 1,5 MWh aan een gereguleerd tarief (0,24 euro/kWh all-
  3. in)beleverd worden en voor 2 MWh aan een commercieel tarief (0,44 euro/kWh all-
  4. in)tegenover een volledige afname (3,5 MWh) aan datzelfde commercieel tarief. De korting die op jaarbasis is berekend wordt als een eenmalige premie toegekend en wordt niet aangepast op basis van [het] verbruik van het huishouden. In geen enkel geval doet de premie afbreuk aan de btw die verschuldigd is als aandeel in de factuur of in de openstaande schuld. Vanuit btw-perspectief moet worden opgemerkt dat deze federale elektriciteits- en gaspremie noch [kan worden gekwalificeerd] als een prijssubsidie in de zin van artikel 26, § 1, eerste lid, van het btw-wetboek, noch als een prijsvermindering in de zin van artikel 28, 2°, van voormeld wetboek. Er is immers geen noodzakelijk verband tussen de toegekende premie en de elektriciteits- en gasfactuur waarop zij wordt verrekend. In de meeste gevallen houdt de premie immers verband met de elektriciteits- en gasfactuur van het gezin waaraan de premie via de elektriciteits- en gasfactuur wordt toegekend. De elektriciteitsfactuur wordt dus louter en alleen als technisch instrument gebruikt voor de toekenning van de premie. Het uitgespaarde bedrag kan vrij door het betrokken gezin [worden] gebruikt, al dan niet ter besteding aan consumentengoederen of -diensten. De termen ‘ factuur ’, ‘ creditnota ’, ‘ korting ’, etc., moeten dan ook in het kader van de specifieke voorliggende wetgeving worden geïnterpreteerd en staan los van de klassieke invulling ervan in het kader van de btw-wetgeving. De maatstaf van heffing die als heffingsbasis geldt voor de btw geheven over de levering van elektriciteit en gas, mag dus in geen enkel geval worden verminderd naar aanleiding van deze titel » (ibid., p. 21). 11 Ten aanzien van de ontvankelijkheid B.3.1. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. Wanneer een vereniging zonder winstoogmerk die niet haar persoonlijk belang aanvoert, voor het Hof optreedt, is vereist dat haar statutair doel van bijzondere aard is en, derhalve, onderscheiden van het algemeen belang; dat zij een collectief belang verdedigt; dat haar doel door de bestreden norm kan worden geraakt; dat ten slotte niet blijkt dat dit doel niet of niet meer werkelijk wordt nagestreefd. B.3.2. De Ministerraad betwist niet dat de vzw « OKRA, trefpunt 55+ », die volgens haar statuten de belangen van 55-plussers behartigt, en de tweede en de derde verzoekende partij, die in een woonzorgcentrum wonen, belang hebben bij de vernietiging van de bestreden artikelen 36 en 43 van de wet van 30 oktober 2022, in zoverre die de bewoners van woonzorgcentra van de elektriciteits- en de gaspremie uitsluiten. De Ministerraad voert evenwel aan dat het belang van de vierde verzoekende partij niet vaststaat omdat niet is aangetoond dat zij gas en/of elektriciteit voor haar assistentiewoning afneemt via een woonzorgcentrum, en dat de verzoekende partijen geen belang hebben bij het derde onderdeel van het door hen aangevoerde middel. B.3.3. Bij hun memorie van antwoord hebben de verzoekende partijen, door middel van de overlegging van de woonovereenkomst voor de desbetreffende assistentiewoning, aangetoond dat de vierde verzoekende partij geen eigen energiecontracten heeft en gas en elektriciteit afneemt via de desbetreffende vereniging zonder winstoogmerk. Daar de vierde verzoekende partij geen huishoudelijk afnemer van elektriciteit en gas is in de zin van de bestreden artikelen 36 en 43 van de wet van 30 oktober 2022, wordt zij van de elektriciteits- en de gaspremie uitgesloten en doet zij blijken van een belang bij het beroep in zoverre het is gericht tegen de voormelde bepalingen. 12 B.3.4. Zodra het belang van de verzoekende partijen bij het beroep tot vernietiging is aangetoond, dienen zij niet daarenboven te getuigen van een belang bij elk van de middelen of de onderdelen van de middelen die zij aanvoeren. De door de Ministerraad aangevoerde exceptie met betrekking tot de ontstentenis van een belang bij het derde onderdeel van het middel wordt verworpen. B.4.1. De Ministerraad voert eveneens aan dat het beroep niet ontvankelijk is in zoverre het is gericht tegen artikel 38, § 3, van de wet van 30 oktober 2022, onder meer omdat de verzoekende partijen geen grieven aanvoeren tegen die bepaling. B.4.2. Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, moeten de middelen van het verzoekschrift te kennen geven welke van de regels waarvan het Hof de naleving waarborgt, zouden zijn geschonden, alsook welke de bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn geschonden. B.4.3. Volgens het bestreden artikel 38, § 3, van de wet van 30 oktober 2022 kunnen de rechthebbenden aan wie geen federale elektriciteitspremie werd toegekend een schriftelijke of elektronische aanvraag daartoe indienen bij de FOD Economie. Met die bepaling beoogt de wetgever « de groep van huishoudelijke contracten binnen de niet-gematchte klanten te bereiken » : « Wanneer een uiterste betalingsdatum is verlopen, in casu 18 januari 2023, voor de gematchte groep zal het duidelijk zijn voor een gezin dat het niet was opgenomen in de automatische verwerking. Er wordt aan die gezinnen via de ex-postcontrole de mogelijkheid geboden om hun recht op [...] de federale elektriciteits- en gaspremie eenvoudig te melden » (Parl. St., Kamer, 2021-2022, DOC 55-2915/001, p. 23). Die bepaling is aldus ingegeven door de bedoeling de rechthebbenden te bereiken die aanvankelijk niet werden bereikt en beoogt aldus niet de categorie van rechthebbenden uit te breiden. B.4.4. De verzoekende partijen zetten in hun verzoekschrift niet uiteen in welk opzicht die bepaling de door hen in hun middel aangevoerde referentienormen zou schenden. 13 In zoverre het is gericht tegen artikel 38, § 3, van de wet van 30 oktober 2022, voldoet het beroep niet aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 en is het niet ontvankelijk. Ten gronde B.5. De verzoekende partijen voeren aan dat de bestreden artikelen 36, 38, § 3, en 43 van de wet van 30 oktober 2022 een onverantwoord verschil in behandeling invoeren tussen personen die een residentieel elektriciteits- en gascontract hebben en personen die in een collectieve woonvorm wonen, in zoverre enkel de eerstgenoemde categorie recht heeft op de elektriciteits- en gaspremie. Dat verschil in behandeling zou de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden (eerste onderdeel van het enige middel). In zoverre het een indirecte discriminatie op grond van leeftijd en handicap zou vormen, zou het de artikelen 2 en 11 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (tweede onderdeel van het enige middel) en de artikelen 4, 5, 12, 19 en 28 van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (derde onderdeel van het enige middel), in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, schenden. Het Hof onderzoekt de drie onderdelen van het enige middel samen. Uit de uiteenzetting van het middel blijkt dat de verzoekende partijen in het bijzonder de uitsluiting bekritiseren van de bewoners van woonzorgcentra, evenals van de bewoners van assistentiewoningen die voor hun energielevering afhankelijk zijn van een woonzorgcentrum. Het Hof beperkt dan ook zijn onderzoek van de grondwettigheid van de bestreden bepalingen tot die categorieën van personen. B.6.1. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. 14 Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.6.2. De artikelen 2 en 11 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten bepalen : « Artikel 2 1. Iedere Staat die partij is bij dit Verdrag verbindt zich maatregelen te nemen, zowel zelfstandig als binnen het kader van de internationale hulp en samenwerking, met name op economisch en technisch gebied, en met volledige gebruikmaking van de hem ter beschikking staande hulpbronnen, ten einde met alle passende middelen, inzonderheid de invoering van wettelijke maatregelen, tot een algehele verwezenlijking van de in dit Verdrag erkende rechten te komen. 2. De Staten die partij zijn bij dit Verdrag verbinden zich te waarborgen dat de in dit Verdrag opgesomde rechten zullen worden uitgeoefend zonder discriminatie van welke aard ook, wat betreft ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status. 3. De ontwikkelingslanden kunnen, daarbij behoorlijk rekening houdend met de rechten van de mens en hun nationale economie, bepalen in hoeverre zij de in dit Verdrag erkende economische rechten aan niet-onderdanen zullen waarborgen ». « Artikel 11 1. De Staten die partij zijn bij dit Verdrag erkennen het recht van een ieder op een behoorlijke levensstandaard voor zichzelf en zijn gezin, daarbij inbegrepen behoorlijke voeding, kleding en huisvesting, en op steeds betere levensomstandigheden. De Staten die partij zijn bij dit Verdrag nemen passende maatregelen om de verwezenlijking van dit recht te verzekeren, daarbij het essentieel belang erkennende van vrijwillige internationale samenwerking. 15 2. De Staten die partij zijn bij dit Verdrag, het fundamentele recht erkennende van een ieder gevrijwaard te zijn tegen honger, nemen zowel zelfstandig als door middel van internationale samenwerking de maatregelen, waaronder mede begrepen bijzondere programma's, die nodig zijn ten einde :
  5. a)De methoden voor de voortbrenging, verduurzaming en verdeling van voedsel te verbeteren door volledige gebruikmaking van de technische en wetenschappelijke kennis, door het geven van voorlichting omtrent de beginselen der voedingsleer en door het ontwikkelen of reorganiseren van agrarische stelsels op zodanige wijze dat de meest doelmatige ontwikkeling en benutting van natuurlijke hulpbronnen wordt verkregen;
  6. b)Een billijke verdeling van de wereldvoedselvoorraden in verhouding tot de behoefte te verzekeren, daarbij rekening houdende met de problemen van zowel de voedsel invoerende als de voedsel uitvoerende landen ». B.6.3. De artikelen 1, 4, 5, 12, 19 en 28 van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap bepalen : « Artikel 1 Doelstelling Doel van dit Verdrag is het volledige genot door alle personen met een handicap van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid te bevorderen, beschermen en waarborgen, en ook de eerbiediging van hun inherente waardigheid te bevorderen. Personen met een handicap omvat personen met langdurige fysieke, mentale, verstandelijke of zintuiglijke beperkingen die hen in wisselwerking met diverse drempels kunnen beletten volledig, daadwerkelijk en op voet van gelijkheid met anderen te participeren in de samenleving ». « Artikel 4 Algemene verplichtingen 1. De Staten die Partij zijn verplichten zich te waarborgen en bevorderen dat alle personen met een handicap zonder enige vorm van discriminatie op grond van hun handicap ten volle alle mensenrechten en fundamentele vrijheden kunnen uitoefenen. Hiertoe verplichten de Staten die Partij zijn zich :
  7. a)tot het aannemen van alle relevante wetgevende, administratieve en andere maatregelen voor de tenuitvoerlegging van de rechten die in dit Verdrag erkend worden;
  8. b)tot het nemen van alle relevante maatregelen, met inbegrip van wetgeving, teneinde bestaande wetten, voorschriften, gebruiken en praktijken aan te passen, of af te schaffen die discriminatie vormen van personen met een handicap; 16
  9. c)bij al hun beleid en programma's rekenschap te geven van de bescherming en bevordering van de mensenrechten van personen met een handicap;
  10. d)te onthouden van elke handeling of praktijk die onverenigbaar is met dit Verdrag en te waarborgen dat de overheid en de overheidsinstellingen handelen in overeenstemming met dit Verdrag;
  11. e)tot het nemen van alle passende maatregelen om discriminatie op grond van een handicap door personen, organisaties of particuliere ondernemingen uit te bannen;
  12. f)tot het uitvoeren of bevorderen van onderzoek naar en ontwikkeling van universeel ontworpen goederen, diensten, uitrusting en faciliteiten zoals omschreven in artikel 2 van dit Verdrag, die zo min mogelijk moeten worden aangepast en dit tegen de laagste kosten, om te beantwoorden aan de specifieke behoeften van personen met een handicap, het bevorderen van de beschikbaarheid en het gebruik ervan, en het bevorderen van universele ontwerpen bij de ontwikkeling van normen en richtlijnen;
  13. g)tot het uitvoeren of bevorderen van onderzoek naar en ontwikkeling van, en het bevorderen van de beschikbaarheid en het gebruik van nieuwe technologieën, met inbegrip van informatie- en communicatietechnologieën, mobiliteitshulpmiddelen, instrumenten en ondersteunende technologieën, die geschikt zijn voor personen met een handicap, waarbij de prioriteit uitgaat naar betaalbare technologieën;
  14. h)tot het verschaffen van toegankelijke informatie aan personen met een handicap over mobiliteitshulpmiddelen, apparaten en ondersteunende technologieën, met inbegrip van nieuwe technologieën, alsmede andere vormen van hulp, ondersteunende diensten en faciliteiten;
  15. i)de training te bevorderen van vakspecialisten en personeel die werken met personen met een handicap, op het gebied van de rechten die in dit Verdrag worden erkend, teneinde de door deze rechten gewaarborgde hulp en diensten beter te kunnen verlenen. 2. Wat betreft economische, sociale en culturele rechten, verplicht elke Staat die Partij is zich om maatregelen te nemen met volledige gebruikmaking van de hem ter beschikking staande hulpbronnen en, waar nodig, in het kader van internationale samenwerking, om steeds dichter bij een algehele verwezenlijking van de in dit Verdrag erkende rechten te komen, onverminderd de in dit Verdrag vervatte verplichtingen die volgens het internationale recht onverwijld van toepassing zijn. 3. Bij de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van wetgeving en beleid tot uitvoering van dit Verdrag en bij andere besluitvormingsprocessen betreffende aangelegenheden die betrekking hebben op personen met een handicap, plegen de Staten die Partij zijn nauw overleg met personen met een handicap, met inbegrip van kinderen met een handicap, en betrekken hen daar via hun representatieve organisaties actief bij. 4. Geen enkele bepaling van dit Verdrag tast bepalingen aan die in sterkere mate bijdragen aan de verwezenlijking van de rechten van personen met een handicap en die vervat kunnen zijn in het recht van een Staat die Partij is, of in het internationale recht dat voor die Staat van kracht is. Het is niet toegestaan enig mensenrecht dat, of fundamentele vrijheid die in een Staat die Partij is bij dit Verdrag, ingevolge wettelijke bepalingen, overeenkomsten, voorschriften of 17 gewoonten wordt erkend of bestaat, te beperken of ervan af te wijken, onder voorwendsel dat dit Verdrag die rechten of vrijheden niet of in mindere mate erkent. 5. De bepalingen van dit Verdrag strekken zich zonder beperking of uitzondering uit tot alle delen van federale Staten ». « Artikel 5 Gelijkheid en niet-discriminatie 1. De Staten die Partij zijn, erkennen dat eenieder gelijk is voor de wet en zonder onderscheid recht heeft op dezelfde bescherming door, en hetzelfde voordeel van de wet. 2. De Staten die Partij zijn, verbieden alle discriminatie op grond van handicap en garanderen personen met een handicap op voet van gelijkheid daadwerkelijke wettelijke bescherming tegen discriminatie op welke grond dan ook. 3. Teneinde gelijkheid te bevorderen en discriminatie uit te bannen, nemen de Staten die Partij zijn alle passende maatregelen om te waarborgen dat redelijke aanpassingen worden verricht. 4. Specifieke maatregelen die nodig zijn om de feitelijke gelijkheid van personen met een handicap te bespoedigen of verwezenlijken, worden niet aangemerkt als discriminatie in de zin van dit Verdrag ». « Artikel 12 Gelijkheid voor de wet 1. De Staten die Partij zijn bevestigen opnieuw dat personen met een handicap overal als persoon erkend worden voor de wet. 2. De Staten die Partij zijn erkennen dat personen met een handicap op voet van gelijkheid met anderen in alle aspecten van het leven rechtsbekwaam zijn. 3. De Staten die Partij zijn nemen passende maatregelen om personen met een handicap toegang te verschaffen tot de ondersteuning die zij mogelijk behoeven bij de uitoefening van hun rechtsbekwaamheid. 4. De Staten die Partij zijn waarborgen dat alle maatregelen die betrekking hebben op de uitoefening van rechtsbekwaamheid, voorzien in passende en doeltreffende waarborgen in overeenstemming met het internationale recht inzake de mensenrechten om misbruik te voorkomen. Deze waarborgen dienen te verzekeren dat maatregelen met betrekking tot de uitoefening van rechtsbekwaamheid de rechten, wil en voorkeuren van de desbetreffende persoon respecteren, vrij zijn van conflicterende belangen of onbehoorlijke beïnvloeding, proportioneel zijn en aangepast zijn aan de omstandigheden van de persoon in kwestie, van toepassing zijn gedurende een zo kort mogelijke periode en onderworpen zijn aan een regelmatige beoordeling door een bevoegde, onafhankelijke en onpartijdige autoriteit of 18 gerechtelijke instantie. De waarborgen dienen evenredig te zijn aan de mate waarin deze maatregelen van invloed zijn op de rechten en belangen van de persoon in kwestie. 5. Met inachtneming van de bepalingen van dit artikel nemen de Staten die Partij zijn alle passende en doeltreffende maatregelen om de rechten te garanderen van personen met een handicap, op voet van gelijkheid met anderen, op eigendom of het erven van vermogen en te waarborgen dat zij hun eigen financiële zaken kunnen behartigen en onder dezelfde voorwaarden als anderen toegang hebben tot bankleningen, hypotheken en andere vormen van financiële kredietverstrekking en verzekeren zij dat het vermogen van personen met een handicap hen niet willekeurig wordt ontnomen ». « Artikel 19 Zelfstandig wonen en deel uitmaken van de maatschappij De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag erkennen het recht van alle personen met een handicap om in de maatschappij te wonen met dezelfde keuzemogelijkheden als anderen en nemen doeltreffende en passende maatregelen om het personen met een handicap gemakkelijker te maken dit recht ten volle uit te oefenen en volledig deel uit te maken van, en te participeren in de maatschappij, onder meer door te waarborgen dat :
  16. a)personen met een handicap de kans hebben, op voet van gelijkheid met anderen, vrij hun verblijfplaats te kiezen, alsmede waar en met wie zij leven, en niet verplicht zijn te leven in een bepaalde leefstructuur;
  17. b)personen met een handicap toegang hebben tot een reeks van thuis[-], residentiële en andere maatschappijondersteunende diensten, waaronder persoonlijke assistentie, noodzakelijk om het wonen en de opname in de maatschappij te ondersteunen en isolatie of uitsluiting uit de maatschappij te voorkomen;
  18. c)de sociale diensten en faciliteiten voor het algemene publiek op voet van gelijkheid beschikbaar zijn voor personen met een handicap en beantwoorden aan hun behoeften ». « Artikel 28 Behoorlijke levensstandaard en sociale bescherming 1. De Staten die Partij zijn erkennen het recht van personen met een handicap op een behoorlijke levensstandaard voor henzelf en voor hun gezinnen, met inbegrip van voldoende voeding, kleding en huisvesting en op de voortdurende verbetering van hun levensomstandigheden, en nemen passende maatregelen om de uitoefening van dit recht zonder discriminatie op grond van handicap te beschermen en te bevorderen. 2. De Staten die Partij zijn erkennen het recht van personen met een handicap op sociale bescherming en op het genot van dat recht zonder discriminatie op grond van handicap, en nemen passende maatregelen om de verwezenlijking van dat recht te waarborgen en te stimuleren, met inbegrip van maatregelen om : 19
  19. a)de gelijke toegang voor personen met een handicap tot voorzieningen op het gebied van zuiver water te waarborgen, alsmede toegang te waarborgen tot passende en betaalbare diensten, instrumenten en andere vormen van ondersteuning voor aan de handicap gerelateerde behoeften;
  20. b)de toegang voor personen met een handicap, in het bijzonder voor vrouwen, meisjes en ouderen, tot programma's voor sociale bescherming en het terugdringen van de armoede te waarborgen;
  21. c)voor personen met een handicap en hun gezinnen die in armoede leven de toegang tot hulp van de overheid te waarborgen, voor aan de handicap gerelateerde kosten, met inbegrip van adequate training, advisering, financiële hulp en mantelzorgondersteunende zorg;
  22. d)de toegang voor personen met een handicap te waarborgen tot sociale huisvestingsprogramma's;
  23. e)de toegang voor personen met een handicap te waarborgen tot pensioenuitkeringen en - programma's ». B.7. In sociaaleconomische aangelegenheden beschikt de wetgever over een ruime beoordelingsbevoegdheid. Het Hof vermag, in die aangelegenheid, de beleidskeuzen van de wetgever, alsook de motieven die daaraan ten grondslag liggen, slechts af te keuren indien zij op een manifeste vergissing zouden berusten of indien zij zonder redelijke verantwoording zouden zijn. B.8. Het bestreden verschil in behandeling heeft betrekking op personen die een residentieel elektriciteits- en gascontract hebben en op bewoners van woonzorgcentra en van assistentiewoningen die voor hun energielevering afhankelijk zijn van een woonzorgcentrum. Die bewoners zijn in de overgrote meerderheid van de gevallen ouderen of personen die, wegens een vermindering van zelfredzaamheid, niet (meer) in staat zijn om alleen te wonen of zonder hulp alleen te wonen. Er kan van worden uitgegaan dat een groot aantal van die personen beantwoordt aan de definitie van een persoon met een handicap, zoals die is vastgelegd bij artikel 1, tweede alinea, van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. Daaruit volgt dat de bestreden bepalingen een indirect verschil in behandeling op grond van leeftijd en handicap teweegbrengen. B.9.1. Volgens de Ministerraad zijn personen die een residentieel elektriciteits- en gascontract hebben en bewoners van woonzorgcentra en van assistentiewoningen die voor hun energielevering afhankelijk zijn van een woonzorgcentrum niet voldoende vergelijkbaar. De laatstgenoemden zouden in de regel pas met de stijgende energieprijzen worden geconfronteerd 20 na de milderende invloed van de gunstigere tarieven in de niet-residentiële energiecontracten van woonzorgcentra, van de energienorm waardoor de woonzorgcentra een korting op hun energiefactuur ontvangen en van het gegeven dat woonzorgcentra hun bewoners de elektriciteits- en verwarmingskosten slechts kunnen doorrekenen via de dagprijs en in de mate waarin dit toegelaten wordt door de betrokken regeling van de gemeenschappen. B.9.2. Verschil en niet-vergelijkbaarheid mogen niet worden verward. Het verschil waarnaar de Ministerraad verwijst, kan weliswaar een element zijn in de beoordeling van een verschil in behandeling, maar het kan niet volstaan om tot de niet-vergelijkbaarheid te besluiten, anders zou de toetsing aan het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie van elke inhoud worden ontdaan. B.10.1. Volgens artikel 36, § 1, van de wet van 30 oktober 2022 wordt de elektriciteitspremie toegekend aan « elke huishoudelijke afnemer die op 30 september 2022 een leveringsovereenkomst voor elektriciteit voor diens woonplaats heeft ». Volgens artikel 43, § 1, eerste lid, van die wet wordt de gaspremie toekend aan « elke huishoudelijke afnemer die op 30 september 2022 een leveringsovereenkomst voor gas voor diens woonplaats heeft ». Volgens artikel 43, § 1, tweede lid, van die wet kwalificeren eveneens als rechthebbenden in de zin van het eerste lid, de eindafnemers achter een collectief aansluitpunt met een gezamenlijke stookinstallatie op gas die een recht op levering genieten in het kader van een overeenkomst bedoeld in het eerste lid, die in hun naam en voor hun rekening gesloten werd door een andere huishoudelijke afnemer van dezelfde gezamenlijke stookinstallatie op gas of door een vereniging van mede-eigenaars (hierna: de eindafnemers in de zin van artikel 43, § 1, tweede lid, van de wet van 30 oktober 2022). De artikelen 36, § 1, tweede lid, en 43, § 1, derde lid, bepalen dat aan de huishoudelijke afnemers die op 30 september 2022 deel uitmaakten van hetzelfde gezin of huishouden en op hetzelfde adres woonden, de premies slechts één keer worden toegekend. De elektriciteitspremie en de gaspremie worden bijgevolg per huishouden slechts één keer toegekend. Zoals blijkt uit de in B.2.3 aangehaalde parlementaire voorbereiding, zijn « personen die verblijven in een woongelegenheid waar de inwoners verblijfkosten betalen of waarvoor werkingstoelagen worden toegekend » geen rechthebbenden van de elektriciteits- en de 21 gaspremie, « aangezien zij geen leveringsovereenkomst gesloten hebben ». Bovendien zijn zij in beginsel geen eindafnemer in de zin van artikel 43, § 1, tweede lid, van de wet van 30 oktober 2022. B.10.2. Het bestreden verschil in behandeling berust op objectieve criteria, namelijk, voor de betrokken persoon, het al dan niet beschikken over een residentiële leveringsovereenkomst voor elektriciteit en gas, dan wel het al dan niet eindafnemer zijn in de zin van artikel 43, § 1, tweede lid, van de wet van 30 oktober 2022. B.11. Zoals is vermeld in B.2.3, heeft de wetgever met de federale elektriciteits- en gaspremie beoogd om de impact op de energiefactuur van de energiecrisis te verlichten voor de gezinnen en heeft hij met de keuze om die premies toe te kennen via de huishoudelijke elektriciteits- en gascontracten beoogd « de breedst mogelijke groep » te bereiken binnen de federale bevoegdheden. Personen met een residentiële leveringsovereenkomst voor elektriciteit en gas en eindafnemers in de zin van artikel 43, § 1, tweede lid, van de wet van 30 oktober 2022, enerzijds, en bewoners van woonzorgcentra en van assistentiewoningen die voor hun energielevering afhankelijk zijn van een woonzorgcentrum, anderzijds, bevinden zich objectief in verschillende situaties. Immers, ook al dekt de dagprijs die verschuldigd is door bewoners van woonzorgcentra de uitgaven verbonden aan het energieverbruik en stijgt die dagprijs gedeeltelijk door de stijgende energieprijzen, betalen die bewoners, doordat zij een globaal dienstenpakket genieten, niet zelf rechtstreeks de energie die zij verbruiken, zodat zij op een minder directe wijze worden geconfronteerd met de hogere energieprijzen. Bewoners van assistentiewoningen die voor hun energielevering afhankelijk zijn van een woonzorgcentrum betalen de energie die ze verbruiken evenmin rechtstreeks aan een energieleverancier. De wetgever kon aldus redelijkerwijs ervan uitgaan dat die bewoners niet in dezelfde mate door de hogere energieprijzen worden geraakt als de personen met een residentiële leveringsovereenkomst voor elektriciteit en gas. B.12.1. Er wordt niet aangetoond dat het bestreden verschil in behandeling onevenredige gevolgen heeft voor de bewoners van de woonzorgcentra en van assistentiewoningen die voor hun energielevering afhankelijk zijn van een woonzorgcentrum. 22 Zoals immers blijkt uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 19 december 2022 die de tweede federale gas- en elektriciteitspremie in de rechtsorde heeft geïntroduceerd – en die dateert van na de bestreden bepalingen -, worden die bewoners slechts met de hogere energieprijzen geconfronteerd « na de gecombineerde, milderende invloed van : 1.) de gunstigere tarieven in het kader van de niet-residentiële energiecontracten waarover zorginstellingen beschikken, 2.) de energienorm die geïntroduceerd werd door de wet van 28 februari 2022 houdende diverse bepalingen inzake energie en 3.) de regelingen voorzien door de gemeenschappen die beperkingen inhouden rond de mate waarin zorginstellingen energiekosten kunnen doorrekenen aan hun bewoners en waarmee [de federale wetgever] niet wenst te interfereren » (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3016/001, p. 7). Er dient overigens rekening te worden gehouden met de steunmaatregelen van de federale overheid en van de deelentiteiten die worden toegekend aan de ondernemingen en, in voorkomend geval, aan de woonzorgcentra, om hen te helpen het hoofd te bieden aan de stijgende energiekosten. B.12.2. Het Hof moet, in zijn onderzoek van de evenredigheid van de maatregel, ook rekening ermee houden dat, zoals in B.8 is vermeld, de bestreden bepalingen tot gevolg hebben sommige ouderen of personen met een handicap ongunstig te behandelen. De betrokken personen lijden dus een specifiek nadeel dat indirect berust op hun leeftijd of op hun handicap. Daar het indirecte verschil in behandeling berust op de handicap, moet het steunen op bijzonder dwingende redenen (EHRM, 30 april 2009, Glor t. Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2009:0430JUD001344404, § 84; 10 maart 2011, Kiyutin t. Rusland, ECLI:CE:ECHR:2011:0310JUD000270010, § 63). Gelet op het gegeven dat de bestreden maatregel deel uitmaakt van een geheel van maatregelen waarbij de wetgever snel een eerste antwoord heeft willen bieden op de impact van de buitengewone stijging van de energieprijzen, kan worden aangenomen dat die maatregel op bijzonder dwingende redenen van sociaaleconomische aard berust. B.13. Gelet op het voorgaande zijn de bestreden artikelen 36 en 43 van de wet van 30 oktober 2022 bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de in B.6.2 en B.6.3 vermelde normen, in zoverre zij de bewoners van de woonzorgcentra en van de assistentiewoningen die voor hun energielevering afhankelijk zijn van een woonzorgcentrum uitsluiten van de elektriciteits- en gaspremie. 23 Het enige middel is niet gegrond. 24 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus gewezen in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 21 maart 2024. De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Luc Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.033 Gerelateerde publicatie(
  24. s)citeert: ECLI:CE:ECHR:2009:0430JUD001344404 ECLI:CE:ECHR:2011:0310JUD000270010 geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.065 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.