id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 21 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.033 Arrest- Rolnummer: 33/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-04-01 Raadplegingen: 360 - laatst gezien 2026-06-14 19:36 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: het beroep tot vernietiging van de artikelen 36, 38, § 3, en 43 van de wet van 30 oktober 2022 « houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de energiecrisis », ingesteld door de vzw « OKRA, trefpunt 55+ » en anderen. Energie - Energiecrisis - Prijsstijgingen - Elektriciteits- en gaspremie - Personen die een residentieel elektriciteitscontract hebben - Bewoners van woonzorgcentra Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 33/2024 van 21 maart 2024 Rolnummer : 7988 In zake : het beroep tot vernietiging van de artikelen 36, 38, § 3, en 43 van de wet van 30 oktober 2022 « houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de energiecrisis », ingesteld door de vzw « OKRA, trefpunt 55+ » en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Joséphine Moerman, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt en Kattrin Jadin, bijgestaan door de griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 2 mei 2023 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 3 mei 2023, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 36, 38, § 3, en 43 van de wet van 30 oktober 2022 « houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de energiecrisis » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 3 november 2022) door de vzw « OKRA, trefpunt 55+ », Delphine Van Dijck, Jerome Beck en Alfons Verwee, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Mieke Van Den Broeck en Mr. Pauline Delgrange, advocates bij de balie te Brussel. De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Valérie De Schepper en Mr. Jean-François De Bock, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 20 december 2023 heeft het Hof, na de rechters-verslaggeefsters Joséphine Moerman en Emmanuelle Bribosia te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou 2 hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Ingevolge het verzoek van de verzoekende partijen om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 9 januari 2024 de dag van de terechtzitting bepaald op 14 februari 2024. Op de openbare terechtzitting van 14 februari 2024 : - zijn verschenen : . Mr. Mieke Van Den Broeck, voor de verzoekende partijen; . Mr. Valérie De Schepper, tevens loco Mr. Jean-François De Bock, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggeefsters Joséphine Moerman en Emmanuelle Bribosia verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van het belang A.1. De eerste verzoekende partij, de vzw « OKRA, trefpunt 55+ », voert aan dat zij volgens haar statuten de belangen van 55-plussers behartigt. Zij zou aldus belang hebben bij het aanvechten van de uitsluiting van personen die in woonzorgcentra verblijven van de elektriciteitspremie en de gaspremie die werden ingevoerd bij de bestreden bepalingen van de wet van 30 oktober 2022 « houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de energiecrisis » (hierna : de wet van 30 oktober 2022). De tweede en de derde verzoekende partij, Delphine Van Dijck en Jerome Eduard Beck, wonen beiden in een woonzorgcentrum en hebben dienvolgens geen recht op de elektriciteits- en de gaspremie. De vierde verzoekende partij, Alfons Verwee, woont in een assistentiewoning verbonden aan een woonzorgcentrum en heeft geen eigen energiecontracten, waardoor hij geen recht heeft op de elektriciteits- en de gaspremie. Zij zouden allen aldus persoonlijk en direct worden geschaad door de bestreden bepalingen. A.2.1. Met betrekking tot het belang van de verzoekende partijen gedraagt de Ministerraad zich in beginsel naar de wijsheid van het Hof. Hij meent echter dat het belang van Alfons Verwee niet vaststaat, daar deze niet aantoont dat hij gas en elektriciteit voor zijn assistentiewoning afneemt via een woonzorgcentrum. Hij meent eveneens dat het beroep niet ontvankelijk is in zoverre het is gericht tegen artikel 38, § 3, van de wet van 30 oktober 2022, daar de verzoekende partijen geen grieven aanvoeren tegen die bepaling en geen belang hebben bij de vernietiging ervan. A.2.2. De verzoekende partijen antwoorden dat uit de woonovereenkomst voor de assistentiewoningen « Groote Broel » te Kortrijk blijkt dat de inwoners van de assistentiewoningen verplicht zijn om gas, water en elektriciteit af te nemen bij de desbetreffende vereniging zonder winstoogmerk. Ze leggen ter zake stukken ter 3 staving voor aan het Hof en menen dat het belang van Alfons Verwee aldus afdoende is aangetoond. Met betrekking tot artikel 38, § 3, van de wet van 30 oktober 2022 antwoorden zij dat, als het toepassingsgebied van de wet zou worden uitgebreid tot personen die niet over een residentieel energiecontract beschikken, dit zou kunnen gebeuren via het mechanisme waarin dat artikel voorziet. Ten aanzien van het middel A.3. De verzoekende partijen voeren een schending aan, door de artikelen 36, 38, § 3, en 43 van de wet van 30 oktober 2022, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 2 en 11 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten en met de artikelen 4, 5, 12, 19 en 28 van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. A.4.1. Het eerste onderdeel van het enige middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De bestreden bepalingen voeren een verschil in behandeling in tussen personen die een residentieel energiecontract hebben en personen die dat niet hebben, in zoverre de eerste groep een elektriciteitspremie van 122 euro en een gaspremie van 270 euro ontvangt, terwijl de tweede groep die premies niet ontvangt. Die bepalingen voeren eveneens een verschil in behandeling in tussen personen die in een collectieve woonvorm wonen, vaak een rust- en verzorgingstehuis, een assistentiewoning of een woonzorgcentrum, en anderen. Het onderscheid tussen beide categorieën is weliswaar objectief : de ene groep heeft een contract met een energieleverancier en de andere niet. Dat criterium is evenwel vreemd aan de doelstelling van de bestreden bepalingen, zijnde een financiële steun toekennen aan het grootst mogelijk aantal burgers voor de toegenomen energiekostprijs. De beide categorieën bevinden zich in een soortgelijke situatie ten aanzien van dat doel : zij hebben allebei te lijden onder de gestegen kosten, hetgeen de wetgever zelf ook toegeeft. Het kan objectief worden vastgesteld dat de dagprijzen, zijnde de prijs die een bewoner van een woonzorgcentrum betaalt, de voorbije maanden gestegen zijn vanwege de hogere energieprijzen. De dagprijs omvat immers de woonkosten, met de energiekosten als onderdeel. De stijging van de kostprijs van energie wordt bijgevolg doorgerekend aan de bewoners. Bovendien is ook de koppeling van de prijzen aan de consumptieprijsindex een koppeling aan de energieprijzen. In Vlaanderen werd bij omzendbrief beslist dat de dagprijzen vanaf 1 maart 2022 tweemaal per jaar konden worden verhoogd, in plaats van voordien slechts éénmaal per jaar, gelet op de stijging van de levensduurte en in het bijzonder van de energiefacturen. Tussen 1 maart 2022 en 28 april 2022 bedroeg de gemiddelde indexering voor de 367 voorzieningen die een indexatiedossier indienden 6,77 %, hetgeen een prijsstijging van gemiddeld 124 euro per maand voor die voorzieningen betekent. Sindsdien gaan de stijgingen gewoon door. In de loop van 2022 verhoogde de maandprijs van een gemiddelde eenpersoonskamer met 197,50 euro, of gemiddeld met 10,4 %. Ook de bewoners van de groep Orpea Belgique, één van de grootste private uitbaters van woonzorgcentra in Wallonië en Brussel, zagen de prijzen stijgen met 8,04 %, hetzij 150 euro per maand. De bewering dat de bewoners van collectieve woonvormen minder geconfronteerd worden met de stijgende prijzen, is dan ook onjuist. Het feit dat de energiekosten niet rechtstreeks maar via de dagprijs worden doorgerekend, is irrelevant. Aangezien de gestegen energiekosten mogen en zullen worden doorgerekend in de dagprijs, zorgt dit hoogstens voor een vertraagde doorrekening, maar niet voor een verminderde. Het armoederisico van bewoners van woonzorgcentra was vóór de prijsstijgingen al zeer hoog. Dat maakt het des te problematischer dat die groep personen wordt uitgesloten van een maatregel die de impact van de stijging van de energiefacturen moet verzachten. Het feit dat het omslachtiger zou zijn om de premie toe te kennen aan personen die geen residentieel energiecontract hebben, kan niet worden beschouwd als een redelijke verantwoording voor het verschil in behandeling. De wet voorziet in een mechanisme voor personen die de premie niet ontvangen via hun energieleverancier. Het is dus perfect mogelijk om in een apart mechanisme te voorzien voor personen die niet over een residentieel energiecontract beschikken. Het uitsluiten van een categorie van personen omdat de administratie dan gemakkelijker haar werk kan doen, is niet redelijk. Voorts kan niet worden aangevoerd dat de toekenning van de premies een gemeenschapsbevoegdheid is in zoverre zij moeten worden uitbetaald aan de bewoners van rusthuizen. Zoals ook de afdeling wetgeving van de 4 Raad van State heeft opgemerkt, is de toekenning van een dergelijke premie aan iedereen, met inbegrip van de bewoners van collectieve woonvormen, wel degelijk een federale bevoegdheid. Tot slot kan niet worden aangevoerd dat woonzorgcentra minder energiekosten zouden maken per hoofd dan gewone gezinnen. De wetgever koos er immers uitdrukkelijk voor de premies aan iedereen uit te betalen, ongeacht of de begunstigde effectief last heeft van de gestegen energieprijzen. Bovendien kan men zich vragen stellen bij de waarachtigheid van de stelling dat woonzorgcentra minder energiekosten zouden hebben. Rekening houdend met de kwetsbaarheid en de gevoeligheid van de bewoners moet de kamertemperatuur er immers minstens 22°C bedragen en moet er goed worden geventileerd. Men kan voorts bezwaarlijk argumenteren dat de verschillen in de prijs voor energie die particulieren en woonzorgcentra betalen, die in sommige gevallen onbestaande zijn of zelfs omgekeerd (goedkoper voor de residentiële gebruiker dan voor de professionele gebruiker), een redelijke verantwoording bieden voor de uitsluiting van de bewoners van de woonzorgcentra. Dat er andere accijnzenpercentages gelden voor zakelijke dan voor particuliere energieafnemers, laat niet toe om te oordelen dat de energieprijzen minder zouden stijgen voor bewoners van woonzorgcentra. Bovendien zijn de bedragen die de zakelijke afnemers minder aan accijnzen moeten betalen, niet in verhouding met de betaalde premies, die overigens worden toegekend ongeacht de feitelijke kostprijs die de afnemer betaalt per eenheid energie. De energienorm kan volgens de verzoekende partijen niet als een aparte milderende factor worden beschouwd, daar die norm eveneens betrekking heeft op de lagere accijnzen voor zakelijke afnemers. Zij menen ten slotte dat de gemeenschappen niet hebben voorzien in beperkingen voor de mate waarin zorginstellingen energiekosten kunnen doorrekenen aan hun bewoners. Daar het verschil in behandeling aldus steunt op argumenten die geen verband houden met de doelstelling van de premies, is het verschil in behandeling zonder redelijke verantwoording. De verzoekende partijen vermelden ook nog dat de bewoners van woonzorgcentra en rust- en verzorgingstehuizen ook uitgesloten worden van het sociaal tarief en aanvankelijk ook van de btw-verlaging op elektriciteit. Er is dan ook geen evenredigheid tussen de bestreden maatregel en het door de wetgever nagestreefde doel. A.4.2. Het tweede onderdeel van het enige middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 2 en 11 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten. Door personen die in een woonzorgcentrum wonen van de premies uit te sluiten, wordt een bevolkingsgroep uitgesloten die voornamelijk samengesteld is uit personen van hogere leeftijd. Het ogenschijnlijk neutrale criterium van het hebben van een residentieel energiecontract, leidt dus tot een indirecte discriminatie op grond van leeftijd. Zoals reeds aangetoond in het eerste onderdeel van het enige middel, is er voor dat onderscheid geen redelijke verantwoording. Daar de premies ertoe strekken de levensstandaard te beschermen, wordt aldus afbreuk gedaan aan de artikelen 2 en 11 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, op grond waarvan het recht op een behoorlijke levensstandaard zonder discriminatie dient te worden gewaarborgd. A.4.3. Het derde onderdeel van het enige middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 4, 5, 12, 19 en 28 van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. Aangezien mensen die in woonzorgcentra wonen een zodanige verminderde zelfredzaamheid hebben dat zij niet langer zelfstandig kunnen wonen, ressorteren zij in beginsel onder de definitie van personen met een handicap die is neergelegd in artikel 1, tweede alinea, van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. Personen die in collectieve woonvormen wonen en worden uitgesloten van de energiepremies, zijn vooral mensen in rusthuizen en woonzorgcentra die vanwege hun verminderde zelfredzaamheid niet (langer) zelfstandig kunnen wonen. Het gaat dan ook om een indirecte discriminatie op grond van handicap, waarvoor geen redelijke verantwoording bestaat. Bijgevolg is artikel 5 van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap geschonden, artikel dat bepaalt dat de lidstaten bij het Verdrag erkennen dat eenieder gelijk is voor de wet. Voorts schendt de wetgever aldus de algemene verplichtingen die op België rusten krachtens artikel 4 van het voormelde Verdrag. De bestreden bepalingen zijn tevens in strijd met artikel 12, lid 5, van hetzelfde Verdrag, dat bepaalt dat personen met een handicap op voet van gelijkheid met anderen recht hebben op eigendom, evenals met artikel 19 van het voormelde Verdrag, dat bepaalt dat de sociale diensten en faciliteiten voor het algemene publiek op voet van gelijkheid beschikbaar moeten zijn voor personen met een handicap. Daar de aangevoerde discriminatie op grond van handicap een invloed heeft op de leefkwaliteit van ouderen met een verhoogde zorgnood, is ook artikel 28 van het voormelde Verdrag geschonden. A.5.1. Met betrekking tot het eerste onderdeel van het middel is de Ministerraad van oordeel dat de erin beoogde categorieën van personen niet voldoende vergelijkbaar zijn, zodat de onderscheiden behandeling niet kan 5 leiden tot een schending van het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Bewoners van collectieve woonzorgcentra kunnen eveneens met hogere energieprijzen worden geconfronteerd, doch niet op dezelfde wijze als de huishoudelijke afnemers met een eigen residentieel energiecontract voor hun woonplaats. De bewoners van woonzorgcentra worden in de regel immers pas met de stijgende energieprijzen geconfronteerd na de milderende invloed van de gunstigere tarieven in de niet-residentiële energiecontracten waarover woonzorgcentra beschikken, van de energienorm waardoor de woonzorgcentra een korting op hun energiefactuur ontvangen en van het gegeven dat woonzorgcentra de elektriciteits- en gaskosten slechts kunnen doorrekenen aan hun bewoners via de dagprijs en in de mate waarin zulks toegelaten wordt door de betrokken regeling van de gemeenschappen. A.5.2. In ondergeschikte orde stelt de Ministerraad dat de bestreden maatregelen een legitiem doel nastreven, namelijk de impact op de energiefactuur van de energiecrisis dringend verlichten door in een goedkoper basispakket energie te voorzien voor gezinnen. In het licht van dat doel werd een regeling uitgewerkt die voor de toekenning van de premies in beginsel focust op het criterium van het beschikken over een leveringscontract voor elektriciteit en gas voor de eigen woonplaats. Het betreft een objectief en pertinent criterium. Dat criterium laat een zo breed mogelijk bereik toe van de beoogde doelgroep binnen de federale bevoegdheid inzake energieprijzen. In de regel zullen gezinnen of huishoudens immers elektriciteit en gas afnemen via het door een EAN-code identificeerbaar toegangspunt op het betrokken distributienet per wooneenheid, ook wanneer het gaat om meerdere wooneenheden binnen eenzelfde gebouw. Door het verbod op privédistributienetten is het in beginsel uitgesloten dat meerdere wooneenheden elektriciteit of gas afnemen via een collectief aansluitingspunt. Het gekozen criterium komt ook tegemoet aan de wil om de premies zo snel mogelijk en met redelijke inspanningen te kunnen uitkeren. Voor de toekenning van die premies kan immers in belangrijke mate worden teruggevallen op de gegevensstromen en de automatisering in het kader van de toekenning van het sociaal tarief voor elektriciteit en gas. Het is tot slot niet disproportioneel dat de bewoners van woonzorgcentra uitgesloten zijn van de premies door het criterium te hanteren van het beschikken over een energieleveringscontract voor de eigen woonplaats. Personen die niet beschikken over een dergelijk residentieel energiecontract voor de eigen woonplaats, en in het bijzonder de bewoners van woonzorgcentra, zullen in de regel immers minstens op een minder acute of directe wijze worden geconfronteerd met de hogere energieprijzen. De Ministerraad wijst ter zake erop dat de toekenning van de premies aan individuele bewoners van Vlaamse woonzorgcentra zou inhouden dat die federale premies in ieder geval worden toegekend, terwijl enkel de Vlaamse Gemeenschap kan beslissen of en in welke mate zij via de dagprijs daadwerkelijk geconfronteerd worden met de stijgende energiekosten. De Ministerraad beklemtoont dat de verantwoording voor het verschil in behandeling geenszins terug te voeren is op een onbevoegdheid van de federale overheid, evenals dat de federale wetgever zich loyaal heeft willen opstellen ten aanzien van de regelingen die de gemeenschappen hebben uitgewerkt in verband met de mate waarin zorginstellingen energiekosten kunnen doorrekenen aan hun bewoners. Voorts dient rekening te worden gehouden met het feit dat de wetgever ernaar streefde de premies zo snel mogelijk toe te kennen, met oog voor de betrokken administratieve inspanningen. Ideeën inzake een eventuele verdere verfijning van de toekenningscriteria lijken haaks te staan op het streven naar een snelle en eenvoudige toekenning van de premies. Tot slot merkt de Ministerraad op dat de regeling inzake de premies verder kan evolueren en te analyseren is binnen een ruimer pakket aan maatregelen die de wetgever reeds genomen heeft en nog zal nemen. Indien de situatie dat vereist en de mogelijkheden zich voordoen, zal de wetgever dus niet nalaten bijkomende steun te bieden. De Ministerraad besluit dat de bestreden bepalingen het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet- discriminatie niet schenden. A.5.3. Inzake het tweede onderdeel van het enige middel voert de Ministerraad aan dat er geen sprake is van een indirecte discriminatie op grond van leeftijd. De bestreden maatregel heeft immers niet tot gevolg dat « ouderen » in vergelijking met andere personen bijzonder worden benadeeld, daar alle « ouderen » die huishoudelijk afnemer zijn met een energiecontract voor hun woonplaats in beginsel in aanmerking komen voor de premies. Het staat in ieder geval vast dat een onderscheiden behandeling gerechtvaardigd is door objectieve factoren die losstaan van enige discriminatie op grond van leeftijd. De Ministerraad verwijst ter zake naar zijn uiteenzetting inzake het eerste onderdeel van het enige middel. A.5.4. Inzake het derde onderdeel van het enige middel, voert de Ministerraad aan dat de verzoekende partijen bij dat onderdeel geen belang hebben. 6 Ten gronde stelt de Ministerraad dat er geen sprake is van een indirecte discriminatie van personen met een handicap. De bestreden maatregel heeft immers niet tot gevolg dat personen met een handicap in vergelijking met andere personen bijzonder worden benadeeld, daar alle personen met een handicap die huishoudelijk afnemer zijn met een energiecontract voor hun woonplaats in beginsel in aanmerking komen voor de premies. Aangezien de bestreden bepalingen geen directe of indirecte discriminatie inhouden, kan België niet ertoe gehouden zijn de bestreden bepalingen af te schaffen op grond van artikel 4 van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. Voorts maakt het feit dat bewoners van woonzorgcentra uitgesloten zijn van de premies, geen schending uit van het recht op een behoorlijke levensstandaard, aangezien de bestreden premies niet beogen de levensstandaard van de Belgische bevolking te beschermen. A.6.1. In ondergeschikte orde verzoekt de Ministerraad het Hof om, indien het beslist de bestreden bepalingen te vernietigen, de gevolgen van de vernietigde bepalingen te handhaven. De verzoekende partijen verzetten zich immers niet tegen de toekenning van de premies als dusdanig, doch enkel tegen het feit dat de bewoners van woonzorgcentra geen recht hebben op die premies. Een vernietiging van de bestreden bepalingen zorgt niet rechtstreeks ervoor dat ze die premies krijgen. De premies zijn ondertussen grotendeels uitbetaald aan de rechthebbenden. Een vernietiging van de rechtsgrond op basis waarvan de premies zijn uitbetaald, zou rechtsonzekerheid met zich meebrengen en zou geen toegevoegde waarde hebben voor de verzoekende partijen. A.6.2. De verzoekende partijen verzetten zich niet tegen de handhaving van de gevolgen van de bestreden bepalingen. -B– Ten aanzien van de bestreden bepalingen en de situering ervan B.1. Het economische herstel na COVID-19 en de invasie van Oekraïne door Rusland hebben aanleiding gegeven tot een aanzienlijke stijging van de energieprijzen. In die context heeft de wetgever verschillende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen genomen om de gezinnen te helpen. Tot die maatregelen behoren een verwarmingspremie van 100 euro; een toelage van 300 euro voor het aanschaffen van huisbrandolie of propaan in bulk bestemd voor de verwarming van een privéwoning; een toelage van 250 euro voor gezinnen die met pellets verwarmen; een goedkoper basispakket energie voor de gezinnen, dat bestaat in het toekennen van een premie voor elektriciteit en gas; een tijdelijke verlaging van de accijnzen op diesel en op benzine; een tijdelijke btw-verlaging op elektriciteit en op gas; een uitbreiding van het sociaal tarief. B.2.1. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van de artikelen 36, 38, § 3, en 43 van de wet van 30 oktober 2022 « houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van 7 de energiecrisis » (hierna : de wet van 30 oktober 2022). Die artikelen hebben betrekking hebben op het voormelde « goedkoper basispakket energie voor de gezinnen » en bepalen : « Art. 36. § 1. Aan elke huishoudelijke afnemer die op 30 september 2022 een leveringsovereenkomst voor elektriciteit voor diens woonplaats heeft : 1° ofwel met een vaste prijs, die afgesloten of hernieuwd werd na 30 september 2021; 2° ofwel met een variabele prijs wordt een federale elektriciteitspremie toegekend van 122 euro. Aan huishoudelijke afnemers in de zin van het eerste lid, die op 30 september 2022 deel uitmaakten van hetzelfde gezin of huishouden, en op hetzelfde adres woonden, wordt de federale elektriciteitspremie slechts één keer toegekend. § 2. De federale elektriciteitspremie is niet van toepassing op: 1° de tweede verblijfplaatsen; 2° de occasionele klanten, de tijdelijke aansluitingen; 3° de huishoudelijke afnemer die een toegangspunt verlaat zonder dit te laten afsluiten en wanneer de opvolger de nodige stappen niet onderneemt om zijn verhuistoestand op dit toegangspunt te regelen of wanneer er geen opvolger is; 4° de personen binnen een gezin of huishouden waarvan een lid kwalificeerde als beschermde residentiële afnemer in de zin van artikel 20, § 2/1, van de Elektriciteitswet op 30 september 2022 ». « Art. 38. [...] § 3. De rechthebbenden aan wie geen federale elektriciteitspremie werd toegekend overeenkomstig paragraaf 1, kunnen vanaf 23 januari 2023 tot en met 30 april 2023 een schriftelijke of elektronische aanvraag indienen bij de FOD Economie. Over de aanvraag wordt beslist binnen de maand na ontvangst ervan. De beslissing wordt ter kennis gebracht aan de leverancier, via de lijsten opgemaakt krachtens artikel 53, § 1, of § 2, die over een termijn beschikt van een maand voor het overmaken van de federale elektriciteitspremie: 1° via overschrijving; 2° via verrekening met een voorschot- of afrekeningsfactuur; 3° via verrekening met openstaande schulden. De Koning kan aanvullende gegevens bepalen die te vermelden zijn op de aanvraag bedoeld in het eerste lid ». 8 « Art. 43. § 1. Aan elke huishoudelijke afnemer die op 30 september 2022 een leveringsovereenkomst voor gas voor diens woonplaats heeft : 1° ofwel met een vaste prijs, die afgesloten of hernieuwd werd na 30 september 2021; 2° ofwel met een variabele prijs, wordt een federale gaspremie toegekend van 270 euro. Kwalificeren eveneens als rechthebbenden in de zin van het eerste lid, de eindafnemers achter een collectief aansluitpunt met een gezamenlijke stookinstallatie op gas die een recht op levering genieten in het kader van een overeenkomst bedoeld in het eerste lid, die in hun naam en voor hun rekening gesloten werd door een andere huishoudelijke afnemer van dezelfde gezamenlijke stookinstallatie op gas of door een vereniging van mede-eigenaars. Aan huishoudelijke afnemers in de zin van het eerste en het tweede lid die op 30 september 2022 deel uitmaakten van hetzelfde gezin of huishouden en op hetzelfde adres woonden, wordt de federale gaspremie slechts één keer toegekend. § 2. De federale gaspremie is niet van toepassing op : 1° de tweede verblijfplaatsen; 2° de occasionele klanten, de tijdelijke aansluitingen; 3° de huishoudelijke afnemer die een toegangspunt verlaat zonder dit te laten afsluiten en wanneer de opvolger de nodige stappen niet onderneemt om zijn verhuistoestand op dit toegangspunt te regelen, of wanneer er geen opvolger is; 4° de personen binnen een gezin of huishouden waarvan een lid op 30 september 2022 kwalificeerde als beschermde residentiële afnemer in de zin van artikel 15/10, § 2/2, van de Gaswet ». B.2.2. Bij de voormelde wet van 30 oktober 2022 kent de wetgever een eenmalige forfaitaire premie van 122 euro toe aan elke huishoudelijke afnemer die op 30 september 2022 een leveringsovereenkomst voor elektriciteit voor diens woonplaats heeft, ofwel met een vaste prijs, die afgesloten of hernieuwd werd na 30 september 2021, ofwel met een variabele prijs (artikel 36, § 1, van de wet). Bovendien wordt een eenmalige forfaitaire premie van 270 euro toegekend aan elke huishoudelijke afnemer die op 30 september 2022 een leveringsovereenkomst voor gas voor diens woonplaats heeft, ofwel met een vaste prijs, die afgesloten of hernieuwd werd na 30 september 2021, ofwel met een variabele prijs (artikel 43, § 1, van de wet). Die premies zijn geldig voor de maanden november en december 2022. 9 Wat de federale gaspremie betreft, hebben de eindafnemers die zijn verbonden met een collectief aansluitpunt met een gezamenlijke stookinstallatie op gas die een recht op levering genieten in het kader van een overeenkomst die voor de premie in aanmerking komt, die in hun naam en voor hun rekening werd gesloten door een andere huishoudelijke afnemer van dezelfde gezamenlijke stookinstallatie op gas of door een vereniging van mede-eigenaars, eveneens recht op de premie (artikel 43, § 1, tweede lid, van de voormelde wet). Er wordt gepreciseerd dat « de begunstigden […] ook de gas eindafnemers via een gezamenlijke stookinstallatie [omvatten] » (Parl. St., Kamer, 2021-2022, DOC 55-2915/001, p. 19). In beginsel worden de premies automatisch toegekend door de leverancier aan de rechthebbenden (artikelen 37, 38, § 1, en 44 van de wet van 30 oktober 2022). De rechthebbenden aan wie geen federale elektriciteitspremie werd toegekend, kunnen vanaf 23 januari 2023 tot en met 30 april 2023 een schriftelijke of elektronische aanvraag indienen bij de FOD Economie (artikel 38, § 3, van de wet van 30 oktober 2022). Artikel 45, § 3, van de wet van 30 oktober 2022 bevat een gelijksoortige bepaling voor het toekennen van de gaspremie. Een rechthebbende die met meerdere gezinnen of huishoudens gas aankoopt via hetzelfde EAN-aansluitingspunt op het aardgasdistributienet, moet eveneens een aanvraag in die zin indienen bij de FOD Economie (artikel 45, § 1, van dezelfde wet). B.2.3. De federale elektriciteits- en gaspremie beoogt « de impact op de energiefactuur van de energiecrisis te verlichten [...] voor gezinnen. Met de keuze om een federale elektriciteits- en gaspremie toe te kennen via de huishoudelijke elektriciteits- en gascontracten [wenst de wetgever] [...] de breedst mogelijke groep [te bereiken] binnen de federale bevoegdheden (energieprijzen) » (Parl. St., Kamer, 2021-2022, DOC 55-2915/001, p. 19). Met betrekking tot de rechthebbenden van de premies vermeldt de parlementaire voorbereiding : « Personen die verblijven in een woongelegenheid waar de inwoners verblijfkosten betalen of waarvoor werkingstoelagen worden toegekend, kwalificeren niet als rechthebbenden aangezien zij geen leveringsovereenkomst gesloten hebben. Zo behoren rusthuizen en hun bewoners dus niet tot de rechthebbenden wegens vallende onder de bevoegdheden van de Gemeenschappen. Immers, de toekenning van een premie aan mensen in rusthuizen is 10 gekoppeld aan de gemeenschapsbevoegdheid inzake zorg en bijstand aan personen. Echter, de gas eindafnemers achter een collectief aansluitpunt die via een gezamenlijke stookinstallatie op gas een recht op levering genieten in het kader van een overeenkomst bedoeld in het eerste lid onder deze titel 1 die in diens naam en voor diens rekening gesloten werd door een andere huishoudelijke afnemer van dezelfde gezamenlijke stookinstallatie of door een vereniging van mede-eigenaars, hebben wel recht op de premie. Zo behoren bewoners van appartementsgebouwen en andere mede-eigendom met een gezamenlijke stookinstallatie op gas wel tot de rechthebbenden » (ibid., p. 20). Wat het bedrag van de premie betreft, wordt in de parlementaire voorbereiding vermeld : « De beoogde premie bedraagt 270 euro voor gas en 122 euro voor elektriciteit. Wat de premie voor gas betreft, komt de hoogte van de premie overeen met de gemiddelde korting op jaarbasis die een huishouden zou genieten mocht deze 5 MWh aan een gereguleerd tarief (0,13 euro/kWh all-
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.