← België

ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.036

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 27 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.036 Arrest- Rolnummer: 36/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-04-08 Raadplegingen: 289 - laatst gezien 2026-06-17 04:31 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche - Vernietiging (artikel 3 van de wet van 23 oktober 2022, behoudens in zoverre het betrekking heeft op installaties in de mariene gebieden die buiten het territoriaal bevoegdheidsgebied van de gewesten gelegen zijn) - Verwerping van het beroep voor het overige (onder voorbehoud van de in B.28.3 en B.29.3 vermelde interpretaties) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: het beroep tot vernietiging van de artikelen 2, 6° en 9°, 3, 11, 2°, 14, 2°, 21 en 22 van de wet van 23 oktober 2022 « tot wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt en tot omzetting van de Richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot wijziging van Richtlijn 2012/27/EU », ingesteld door de Vlaamse Regering. Energie - Bevoegdheidsverdeling - Uitoefening van de federale bevoegdheid - Regelen van de technische flexibiliteit met betrekking tot de distributienetten - Verbod op onevenredige vereisten met betrekking tot vergunningen - Tarifaire waarborg - Definitie van actieve afnemer - Positie van de afnemer op distributieniveau - Bevordering van de hernieuwbare energiebronnen - Definitie van ondersteunende dienst Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 36/2024 van 27 maart 2024 Rolnummer : 7962 In zake : het beroep tot vernietiging van de artikelen 2, 6° en 9°, 3, 11, 2°, 14, 2°, 21 en 22 van de wet van 23 oktober 2022 « tot wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt en tot omzetting van de Richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot wijziging van Richtlijn 2012/27/EU », ingesteld door de Vlaamse Regering. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 28 maart 2023 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 29 maart 2023, heeft de Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Frederik Vandendriessche, Mr. Pieterjan Claeys en Mr. Natan Vermeersch, advocaten bij de balie te Brussel, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 2, 6° en 9°, 3, 11, 2°, 14, 2°, 21 en 22 van de wet van 23 oktober 2022 « tot wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt en tot omzetting van de Richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot wijziging van Richtlijn 2012/27/EU » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 26 oktober 2022). Memories en memories van wederantwoord zijn ingediend door : 2 - de nv « Elia Transmission Belgium », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Pierre-Marie Louis en Mr. Sara Melis, advocaten bij de balie te Brussel (tussenkomende partij); - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Barteld Schutyser, advocaat bij de balie te Brussel. De verzoekende partij, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Thomas Chellingsworth en Mr. Laura Pellens, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 31 januari 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Sabine de Bethune en Thierry Giet te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte –A– Ten aanzien van de omvang van het beroep A.1. De Ministerraad werpt op dat het beroep gedeeltelijk onontvankelijk is wegens gebrek aan grieven. Volgens de Ministerraad richt de Vlaamse Regering geen grieven tegen het bij artikel 2, 9°, van de wet van 23 oktober 2022 « tot wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt en tot omzetting van de Richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot wijziging van Richtlijn 2012/27/EU » (hierna : de wet van 23 oktober 2022) in de wet van 29 april 1999 « betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt » (hierna : de Elektriciteitswet) ingevoegde artikel 2, 103°, 105° tot en met 113°, 115° en 116°, tegen het bij artikel 21 van de wet van 23 oktober 2022 in de Elektriciteitswet ingevoegde artikel 19quater, § 1, eerste lid, tweede lid, 1°, derde lid en vierde lid, en tegen het bij artikel 22 van de wet van 23 oktober 2022 in de Elektriciteitswet ingevoegde artikel 19quinquies, § 1, tweede en derde lid, en § 2. Voorts richt de Vlaamse Regering volgens de Ministerraad evenmin grieven tegen het door artikel 19quinquies, § 3, van de Elektriciteitswet, zoals ingevoegd door artikel 22 van de wet van 23 oktober 2022, gevrijwaarde recht van de energiegemeenschappen van burgers om elektriciteitsdiensten, anders dan levering, te kopen of te verkopen. 3 Ten aanzien van de middelen Wat betreft het eerste middel A.2. De Vlaamse Regering leidt een eerste middel af uit de schending, door de artikelen 11, 2°, en 22 van de wet van 23 oktober 2022, van artikel 6, § 1, VII, eerste lid, a), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (hierna : de bijzondere wet van 8 augustus 1980). Het middel bestaat uit drie onderdelen. Eerste onderdeel van het eerste middel A.3. In het eerste onderdeel van het eerste middel betoogt de Vlaamse Regering dat de federale overheid haar bevoegdheden heeft overschreden door in het bij artikel 22 van de wet van 23 oktober 2022 ingevoegde artikel 19quinquies, § 3, van de Elektriciteitswet zonder bevoegdheidsvoorbehoud te voorzien in de automatische nietigheid van clausules in contracten tussen elektriciteitsbedrijven en energiegemeenschappen van burgers die de laatstgenoemde verhinderen om flexibiliteitsdiensten of elektriciteitsdiensten, anders dan de levering, te kopen of te verkopen en om een contract aan te gaan met een aanbieder van flexibiliteit. De Vlaamse Regering wijst erop dat het regelen van flexibiliteit geen exclusief federale bevoegdheid is. De gewesten zijn minstens exclusief bevoegd voor de technische flexibiliteit met betrekking tot de distributienetten en het plaatselijke vervoersnet. Bijgevolg komt het alleen hen toe om contractuele clausules die het recht op deelname aan technische flexibiliteitsregelingen op distributieniveau beperken, te beteugelen. Aangezien energiegemeenschappen van burgers aangesloten kunnen zijn op een distributienet of een plaatselijk vervoernet en het toepassingsgebied van de bestreden bepaling niet beperkt is tot flexibiliteit waarvoor de federale overheid bevoegd is, schendt de bestreden bepaling de gewestelijke bevoegdheid inzake de gewestelijke aspecten van de energie waaronder in het bijzonder de distributie en het plaatselijk vervoer van elektriciteit door middel van netten waarvan de nominale spanning lager is dan of gelijk is aan 70 000 volt. De bepaling kan volgens de Vlaamse Regering ook niet bevoegdheidsconform worden geïnterpreteerd daar de tekst duidelijk is. A.4. De Ministerraad voert aan dat de bestreden bepaling de gewestelijke bevoegdheid inzake distributie en plaatselijk vervoer van elektriciteit niet schendt. In tegenstelling tot wat de Vlaamse Regering voorhoudt, raakt de bestreden bepaling in geen geval aan de vermeende gewestelijke bevoegdheid voor technische flexibiliteit met betrekking tot de distributienetten. De bestreden bepaling bevat immers geen inhoudelijke regeling met betrekking tot technische flexibiliteit, maar vrijwaart het recht voor energiegemeenschappen van burgers om flexibiliteitsdiensten, anders dan de levering, te kopen of te verkopen. Daarnaast moet de bestreden bepaling volgens de Ministerraad zo worden geïnterpreteerd dat zij uitsluitend betrekking heeft op energiegemeenschappen van burgers die aangesloten zijn op het transmissienet, en op flexibiliteitsdiensten waarvoor de federale overheid bevoegd is. Dat volgt uit de samenlezing van de eerste paragraaf van de door de bestreden bepaling in de Elektriciteitswet ingevoegde bepaling die een bevoegdheidsvoorbehoud bevat, met de derde paragraaf van diezelfde bepaling, alsook uit de parlementaire voorbereiding. Tweede onderdeel van het eerste middel A.5. In het tweede onderdeel van het eerste middel bekritiseert de Vlaamse Regering het bij artikel 22 van de wet van 23 oktober 2022 in de Elektriciteitswet ingevoegde artikel 19quinquies, § 1. Zij voert aan dat die bepaling de gewestelijke bevoegdheden inzake ruimtelijke ordening en leefmilieu schendt doordat zij voorschrijft dat een energiegemeenschap van burgers die eigenaar is van een opslagfaciliteit, wat die opslagfaciliteit betreft, niet mag worden onderworpen aan onevenredige vereisten met betrekking tot vergunningen, zoals bedoeld in artikel 4. Volgens de Vlaamse Regering viseert die bepaling alle vergunningen, met inbegrip van de vergunningen die tot de voormelde gewestelijke bevoegdheden behoren. A.6. De Ministerraad voert in hoofdorde aan dat de federale overheid dat verbod, dat tevens gewestelijke vergunningsvereisten betreft, mocht aannemen op grond van haar bevoegdheden inzake het transmissienet en grote opslagfaciliteiten van energie. Artikel 19quinquies, § 1, van de Elektriciteitswet, zoals ingevoegd door de bestreden bepaling, heeft immers uitsluitend betrekking op opslagfaciliteiten van energiegemeenschappen van burgers die aangesloten zijn op het transmissienet. Bovendien expliciteert die bepaling louter hetgeen reeds voortvloeit uit het bevoegdheidsrechtelijke evenredigheidsbeginsel. In ondergeschikte orde werpt de Ministerraad 4 op dat het bestreden verbod op onevenredige vergunningsvereisten hoe dan ook tot de bevoegdheid van de federale overheid behoort indien het uitsluitend van toepassing is op federale vergunningen. Artikel 19quinquies, § 1, van de Elektriciteitswet, zoals ingevoegd door de bestreden bepaling, bevat het nodige voorbehoud met betrekking tot de bevoegdheden van de gewesten. Derde onderdeel van het eerste middel A.7. In het derde onderdeel van het eerste middel voert de Vlaamse Regering aan dat artikel 11, 2°, van de wet van 23 oktober 2022 afbreuk doet aan de bevoegdheid van de gewesten inzake de distributie en het plaatselijk vervoer van elektriciteit, doordat die bepaling een tariefrichtsnoer invoert voor alle energiegemeenschappen van burgers, waaronder zij die aangesloten zijn op het distributienet, dat betrekking heeft op alle nettarieven, met inbegrip van de distributienettarieven. De gewesten zijn op grond van de voormelde bevoegdheid exclusief bevoegd om de distributienettarieven te regelen en om de transmissienetkosten te verdelen over de distributienetgebruikers. De federale overheid is niet bevoegd om die laatste te onderwerpen aan enig nettarief. A.8. De Ministerraad is van mening dat de bestreden bepaling de bevoegdheidverdelende regels niet schendt. Volgens hem kan artikel 12, § 5, 29°, van de Elektriciteitswet, zoals ingevoegd door de bestreden bepaling, gelet op de parlementaire voorbereiding en de wettelijke context ervan, alleen maar zo worden geïnterpreteerd dat het uitsluitend betrekking heeft op transmissienettarieven. De federale overheid is exclusief bevoegd voor het bepalen van de transmissienettarieven, niettegenstaande het feit dat de transmissienettarieven via de tariefcascade een impact hebben op de prijs die de distributienetgebruiker betaalt. Wat betreft het tweede middel A.9. De Vlaamse Regering leidt een tweede middel af uit de schending, door de artikelen 2, 9°, 11, 2°, en 21 van de wet van 23 oktober 2022, van artikel 6, § 1, VII, eerste lid, a), en tweede lid, d), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. In een eerste onderdeel voert de Vlaamse Regering aan dat artikel 2, 9°, van de wet van 23 oktober 2022 in strijd met de gewestelijke bevoegdheid inzake distributie en het plaatselijk vervoer van elektriciteit door middel van netten waarvan de nominale spanning lager is dan of gelijk is aan 70 000 volt, een definitie van actieve afnemer invoegt die ook actieve afnemers omvat die aangesloten zijn op het distributienet of het plaatselijk vervoernet. Die bevoegdheidsoverschrijding kan volgens de Vlaamse Regering niet verholpen worden door een bevoegdheidsconforme interpretatie. In een tweede onderdeel werpt de Vlaamse Regering op dat die te ruime definitie van actieve afnemer leidt tot een andere bevoegdheidsoverschrijding, namelijk in artikel 11, 2°, van de wet van 23 oktober 2022. Die bepaling voert, net zoals voor de energiegemeenschappen van burgers, een tariefrichtsnoer in voor alle actieve afnemers, onder wie zij die aangesloten zijn op het distributienet, met betrekking tot alle nettarieven, terwijl de federale overheid niet bevoegd is voor het distributienet en de distributienettarieven. In een derde onderdeel voert de Vlaamse Regering aan dat ook artikel 19quater, § 1, tweede lid, 2°, 3° en 4°, van de Elektriciteitswet, zoals ingevoegd door artikel 21 van de wet van 23 oktober 2022, niet in overeenstemming is met de bevoegdheidverdelende regels. Zij wijst erop dat door de gekozen definitie van actieve afnemer die bepaling eveneens actieve afnemers die aangesloten zijn op het distributienet of het plaatselijk vervoernet, het recht geeft om meerdere elektriciteitsdiensten tegelijk te leveren, om geen dubbele tarieven aangerekend te krijgen en om niet te worden onderworpen aan onevenredige vergunningsvereisten of onevenredige vergoedingen. Die bepaling heeft aldus betrekking op het distributienet en de distributienettarieven, waarvoor de federale overheid niet bevoegd is. In zoverre de bepaling verbiedt om actieve afnemers te onderwerpen aan onevenredige vergunningsvereisten, zonder dit tot federale vergunningen te beperken, is de bepaling bovendien in strijd met de gewestelijke bevoegdheden inzake ruimtelijke ordening en leefmilieu. De Vlaamse Regering merkt daarbij op dat de federale overheid hoe dan ook slechts bevoegd is om grote energieopslagfaciliteiten te onderwerpen aan een federale vergunning. Een bevoegdheidsconforme interpretatie is volgens de Vlaamse Regering opnieuw niet mogelijk. 5 A.10. De Ministerraad doet allereerst gelden dat uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de door artikel 2, 9°, van de wet van 23 oktober 2022 ingevoegde definitie van actieve afnemer geen betrekking heeft op actieve afnemers die aangesloten zijn op het distributienet. Minstens volgt dat volgens hem uit een bevoegdheidsconforme interpretatie van die bepaling. Zij schendt aldus de gewestelijke bevoegdheden inzake het distributienet niet. Vervolgens voert de Ministerraad aan dat artikel 11, 2°, van de wet van 23 oktober 2022 niet raakt aan de gewestelijke bevoegdheid inzake distributienettarieven aangezien het uitsluitend een tariefrichtsnoer invoert dat betrekking heeft op transmissienettarieven. Tot slot merkt de Ministerraad op dat het bij artikel 21 van de wet van 23 oktober 2022 in de Elektriciteitswet ingevoegde artikel 19quater, § 1, tweede lid, 2°, 3° en 4°, evenmin de gewestelijke bevoegdheden schendt. Artikel 19quater, § 1, tweede lid, 2°, 3° en 4°, heeft immers uitsluitend betrekking op actieve afnemers die aangesloten zijn op het transmissienet en op tarieven die onder de federale bevoegdheden vallen. Het raakt bijgevolg niet aan de gewestelijke bevoegdheden inzake het distributienet en de distributienettarieven. Om dezelfde redenen als aangehaald bij de energiegemeenschappen van burgers, schendt het verbod op onevenredige vergunningsvereisten volgens de Ministerraad ook niet de gewestelijke bevoegdheden inzake ruimtelijke ordening en milieubeleid. Het bezwaar tegen het verbod op onevenredige vergoedingen is voor het overige niet alleen ongegrond maar ook onontvankelijk aangezien het voor het eerst voorkomt in de memorie van antwoord. Wat betreft het derde middel A.11. De Vlaamse Regering leidt een derde middel af uit de schending, door artikel 14, 2°, van de wet van 23 oktober 2022, van artikel 6, § 1, VII, eerste lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. Zij doet gelden dat de bestreden bepaling leveranciers het recht geeft om onder bepaalde voorwaarden opzeggingsvergoedingen op te leggen aan afnemers die geen huishoudelijke afnemer of kmo zijn, ook indien zij aangesloten zijn op distributieniveau, terwijl het regelen van de positie van de afnemer die aangesloten is op distributieniveau voorbehouden is aan de gewesten. Het feit dat de federale overheid op grond van artikel 6, § 1, VI, vierde lid, 2°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 bevoegd is voor de bescherming van de verbruikers, doet volgens de Vlaamse Regering niet anders besluiten. De bestreden bepaling valt niet onder die bevoegdheid die de consumentenbescherming betreft, aangezien zij de rechtspositie regelt van niet-consumenten. Daarenboven doet de bestreden bepaling net afbreuk aan de bescherming van afnemers aangezien zij de leverancier het recht geeft om opzeggingsvergoedingen aan te rekenen, terwijl artikel 4.4.1, eerste lid, 2°, van het Vlaamse decreet van 8 mei 2009 « houdende algemene bepalingen betreffende het energiebeleid » alle afnemers het recht geeft om kosteloos van leverancier te veranderen. Ten slotte betreft de bescherming van verbruikers slechts een kaderbevoegdheid op grond waarvan de federale overheid slechts kan voorzien in algemene regels die de gewesten kunnen aanvullen met bijkomende kwalitatieve voorwaarden. De bestreden bepaling voert evenwel geen algemene regel in, maar een zeer gedetailleerd voorschrift dat op grond van de richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 « betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot wijziging van Richtlijn 2012/27/EU (herschikking) » ook niet als een absoluut minimum moet worden beschouwd. De federale bevoegdheid voor het recht inzake de handelspraktijken vastgelegd in artikel 6, § 1, VI, vijfde lid, 4°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 kan volgens de Vlaamse Regering evenmin als grondslag dienen voor de bestreden bepaling, daar het niet aanrekenen van opzeggingsvergoedingen niet als oneerlijke handelspraktijk kan worden beschouwd. In ieder geval laat die bevoegdheidsgrond de federale overheid niet toe om op distributieniveau aangesloten afnemers te onderwerpen aan opzeggingsvergoedingen. In ondergeschikte orde wijst de Vlaamse Regering nog erop dat, indien de bestreden bepaling toch gestoeld zou kunnen worden op de federale bevoegdheid inzake de bescherming van de verbruikers of voor het recht inzake de handelspraktijken, zij alsnog moet worden vernietigd wegens schending van het evenredigheidsbeginsel. Die bepaling maakt het de gewesten immers onmogelijk of overdreven moeilijk om hun bevoegdheden inzake energie uit te oefenen. A.12.1. De Ministerraad betoogt dat het derde middel onontvankelijk is in zoverre het is afgeleid uit de schending van het bevoegdheidsrechtelijk evenredigheidsbeginsel, daar de Vlaamse Regering de schending van het evenredigheidsbeginsel voor het eerst heeft opgeworpen in haar memorie van antwoord. 6 A.12.2. Ten gronde is de Ministerraad van mening dat er geen sprake is van een bevoegdheidsoverschrijding. In zoverre zij betrekking heeft op afnemers die aangesloten zijn op het distributienet, past de bestreden bepaling binnen de federale kaderbevoegdheid inzake de bescherming van de verbruikers. Ten eerste betreft de bestreden bepaling verbruikers, namelijk afnemers die geen huishoudelijke afnemer of kmo zijn. Het feit dat die afnemers geen consumenten zijn, doet daaraan geen afbreuk. Consumenten zijn slechts een categorie van verbruikers. Ten tweede beschermt de bestreden bepaling de geviseerde afnemers door voorwaarden te bepalen waaronder leveranciers hun een opzeggingsvergoeding kunnen aanrekenen. Ten derde biedt de bestreden bepaling een kader dat de gewesten binnen hun bevoegdheid kunnen aanvullen of aanscherpen. Niets belet de gewesten om opzeggingsvergoedingen te verbieden. Daarnaast past de bestreden bepaling volgens hem ook binnen de federale bevoegdheid voor het recht inzake de handelspraktijken. Met de bestreden bepaling wil de federale overheid immers vermijden dat disproportionele opzeggingsvergoedingen worden aangerekend. Wat betreft het vierde middel A.13. De Vlaamse Regering leidt een vierde middel af uit de schending, door artikel 3 van de wet van 23 oktober 2022, van artikel 6, § 1, VII, eerste lid, f), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. De gewestelijke bevoegdheid inzake de nieuwe energiebronnen wordt volgens de Vlaamse Regering geschonden doordat artikel 3 van de wet van 23 oktober 2022 de Koning ertoe machtigt om, voor de toekenning van een federale vergunning voor de bouw en exploitatie van een elektriciteitsproductie-installatie of energieopslaginstallatie, vergunningscriteria in te voeren met betrekking tot de bijdrage die de installatie moet leveren aan het klimaatbeleid. Dergelijke vergunningscriteria raken, zelfs wanneer ze geen harde grenzen stellen, aan de kern van beleidskeuzes die de gewesten moeten maken in het kader van hun beleid inzake hernieuwbare energie. De federale overheid mag dergelijke vergunningscriteria dan ook niet opleggen, ook niet op grond van haar bevoegdheden inzake de grote infrastructuren voor stockering van energie en energieproductie. Die bevoegdheden omvatten immers niet de hernieuwbare energiebronnen. A.14. De Ministerraad is van oordeel dat de federale overheid de bestreden bepaling, die louter een criterium (en geen noodzakelijke voorwaarde) invoert voor de beoordeling van federale vergunningen voor de bouw en exploitatie van installaties voor elektriciteitsproductie en energieopslagfaciliteiten, mocht aannemen op grond van haar bevoegdheden inzake de grote infrastructuren voor de stockering van energie en de productie van energie. Die bevoegdheden omvatten immers de bevoegdheid om vergunningscriteria vast te leggen voor de bouw en exploitatie van die infrastructuren. Die vergunningscriteria mogen verband houden met gewestelijke bevoegdheden. Anders besluiten, leidt tot een uitholling van bevoegdheden en tot een onwerkzame situatie in de praktijk. Een overheid zou dan immers slechts vergunningen kunnen toekennen op grond van voorwaarden die tot haar bevoegdheden behoren. Het voorgaande geldt in dit geval des te meer daar de bestreden bepaling rekening houdt met Unierechtelijke doelstellingen en het gewestelijke beleid ter zake versterkt. In tegenstelling tot wat de Vlaamse Regering aanvoert, is de federale bevoegdheid inzake de productie van energie ook niet beperkt tot aangelegenheden die wegens hun technische en economische ondeelbaarheid een gelijke behandeling op nationaal vlak behoeven. Wat betreft het vijfde middel A.15.1. De Vlaamse Regering leidt een vijfde middel af uit de schending, door artikel 2, 6° en 9°, van de wet van 23 oktober 2022, van artikel 6, § 1, VII, eerste lid, a), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. Zij voert aan dat de bestreden bepalingen een definitie invoeren van ondersteunende dienst en niet- frequentiegerelateerde ondersteunende dienst die ook diensten omvat ten behoeve van de distributienetten en de distributienetbeheerders, terwijl de gewesten op grond van hun bevoegdheid inzake de distributie en het plaatselijk vervoer van elektriciteit door middel van netten waarvan de nominale spanning lager is dan of gelijk is aan 70 000 volt, exclusief bevoegd zijn om diensten op distributieniveau te regelen. A.15.2. Het voorgaande is volgens de Vlaamse Regering in het bijzonder problematisch omdat door die nieuwe definities de draagwijdte van enkele andere bepalingen van de Elektriciteitswet in strijd met de voormelde gewestelijke bevoegdheid wordt verruimd. Zij verwijst in dat verband in de eerste plaats naar artikel 8, § 1/1, derde lid, van de Elektriciteitswet. Krachtens die bepaling moeten netbeheerders niet-frequentiegerelateerde ondersteunende diensten in principe aankopen op basis van transparante, niet-discriminerende en marktgebaseerde 7 procedures. Door de bestreden definitie van niet-frequentiegerelateerde ondersteunende dienst is die bepaling eveneens van toepassing geworden op aankopen van niet-frequentiegerelateerde ondersteunende diensten ten behoeve van de distributienetten en de distributienetbeheerders. Daarenboven volgt uit het gebruik van de term « netbeheerders » dat de bepaling ook van toepassing is op distributienetbeheerders aangezien er maar één transmissienetbeheerder is en mag zijn. De Vlaamse Regering verwijst vervolgens naar artikel 18, § 1, eerste en derde lid, van de Elektriciteitswet. Krachtens die bepaling wordt de Koning ertoe gemachtigd gedragsregels vast te stellen die de destabilisering van de elektriciteitsmarkt tegengaan. Aangezien de elektriciteitsmarkt op grond van artikel 2, 105°, van de Elektriciteitswet ook de markt voor de ondersteunende diensten omvat, en die ondersteunende diensten door de nieuwe definitie diensten ten behoeve van de distributienetten en de distributienetbeheerders omvatten, wordt de Koning ingevolge de bestreden bepalingen ertoe gemachtigd gedragsregels uit te vaardigen met betrekking tot ondersteunende diensten gekocht door en verleend aan de distributienetbeheerders. Voorts haalt de Vlaamse Regering ook nog artikel 8, § 1, van de Elektriciteitswet aan. Die bepaling verplicht de transmissienetbeheerder om erop toe te zien dat de nodige ondersteunende diensten beschikbaar zijn en geïmplementeerd worden, en belast hem met de verantwoordelijkheid om ondersteunende diensten aan te kopen. Ingevolge de bestreden bepalingen machtigt die bepaling de transmissienetbeheerder ertoe ondersteunende diensten aan te kopen ten behoeve van de distributienetbeheerder. A.15.3. De federale bevoegdheid inzake het netevenwicht vormt volgens de Vlaamse Regering hoe dan ook geen voldoende grondslag voor de verruimde bepalingen. Ondersteunende diensten omvatten niet alleen balanceringsdiensten die inderdaad van belang zijn voor het netevenwicht, maar ook niet-frequentiegerelateerde ondersteunende diensten die niet beogen het netevenwicht te handhaven. A.15.4. Tot slot merkt de Vlaamse Regering nog op dat sinds de indiening van het beroep de bij artikel 2, 6°, van de wet van 23 oktober 2022 ingevoegde definitie van ondersteunende dienst is opgeheven door artikel 3, 3°, van de wet van 21 mei 2023 « houdende diverse bepalingen inzake energie ». De Vlaamse Regering handhaaft evenwel integraal het vijfde middel, temeer daar de opheffing niet met terugwerkende kracht is gebeurd. A.16.1. De Ministerraad voert vooreerst in het algemeen aan dat de federale overheid exclusief bevoegd is voor ondersteunende diensten voor het net, aangezien zij een aangelegenheid vormen die wegens haar technische en economische ondeelbaarheid een gelijke behandeling op nationaal niveau behoeft. Dat geldt niet alleen voor de balanceringsdiensten maar ook voor de niet-frequentiegerelateerde ondersteunende diensten aangezien zij een onlosmakelijk geheel vormen met de andere ondersteunende diensten. De technische eigenschappen van de ondersteunende diensten vereisen dat alleen de transmissienetbeheerder optreedt, aangezien alleen hij het centrale overzicht heeft. De transmissienetbeheerder verzorgt immers de centrale coördinatie en het toezicht op de status van de verschillende netten. A.16.2. Vervolgens betwist de Ministerraad de kritieken die voortvloeien uit het samenlezen van de bestreden bepalingen met artikel 8, § 1/1, derde lid, artikel 18, § 1, eerste en derde lid, en artikel 8, § 1, van de Elektriciteitswet. Het middelonderdeel dat betrekking heeft op de bestreden bepalingen in samenhang gelezen met artikel 8, § 1/1, derde lid, van de Elektriciteitswet is onontvankelijk. De vermeende bevoegdheidsoverschrijding vloeit niet voort uit de definitie van niet-frequentiegerelateerde ondersteunende dienst, maar uit het gebruik van de term netbeheerders in artikel 8, § 1/1, derde lid, van de Elektriciteitswet. Aangezien het beroep niet gericht is tegen die laatste bepaling, is het middel onontvankelijk. In ondergeschikte orde doet de Ministerraad gelden dat de term « netbeheerders » moet worden begrepen als transmissienetbeheerders waarvoor de federale overheid zonder twijfel bevoegd is. Het feit dat er vooralsnog slechts één transmissienetbeheerder is, doet daaraan geen afbreuk. De federale overheid mag binnen haar bevoegdheden anticiperen op het eventuele bestaan van meerdere transmissienetbeheerders. Het middelonderdeel dat betrekking heeft op de bestreden bepalingen in samenhang gelezen met artikel 18, § 1, eerste en derde lid, van de Elektriciteitswet is volgens de Ministerraad, bij gebreke aan voldoende uiteenzetting, eveneens onontvankelijk. In ondergeschikte orde meent hij dat de federale overheid de Koning ertoe mag machtigen om gedragsregels vast te stellen die de destabilisering van de elektriciteitsmarkt tegengaan, daar de federale overheid exclusief bevoegd is voor de ondersteunende diensten, ook ten behoeve van de distributienetten, in functie van de bevoorradingszekerheid en de stabiliteit van het net. Daarenboven past die 8 maatregel ook binnen de federale bevoegdheid voor de organisatie van de elektriciteitsmarkt, die de ondersteunende diensten omvat. Het middelonderdeel dat betrekking heeft op de bestreden bepalingen in samenhang gelezen met artikel 8, § 1, van de Elektriciteitswet is volgens de Ministerraad ongegrond, daar de mogelijkheid van de transmissienetbeheerder om ondersteunende diensten aan te kopen ten behoeve van het distributienet onder de federale bevoegdheid voor het netevenwicht valt. Vanuit het oogpunt van het netevenwicht is het niet relevant of de ondersteunende dienst ten behoeve van het distributienet of het transmissienet wordt gebruikt. Het gehele net moet in evenwicht zijn. Ten aanzien van de tussenkomst A.17. De nv « Elia Transmission Belgium » wenst tussen te komen in het geding. Zij meent te beschikken over het rechtens vereiste belang om tussen te komen aangezien zij de Belgische transmissienetbeheerder is. A.18. De tussenkomende partij is van mening dat het vernietigingsberoep moet worden verworpen. Zij wijst in het algemeen erop dat de federale overheid exclusief bevoegd is om maatregelen te nemen die het evenwicht van de Belgische regelzone betreffen. Die maatregelen kunnen eveneens betrekking hebben op afnemers die aangesloten zijn op een net waarvoor de gewesten bevoegd zijn, voor zover dat net aangesloten is op het transmissienet. Wat het vierde middel betreft, voert de tussenkomende partij in het bijzonder aan dat de machtiging niet verder gaat dan nodig om de technische en economische ondeelbaarheid niet in het gedrang te brengen. De Belgische regelzone is immers technisch en economisch ondeelbaar waardoor de transmissienetbeheerder nood heeft aan eenduidige normen die vanwege de technische en economische ondeelbaarheid moeten worden uitgevaardigd op federaal niveau. Wat het vijfde middel betreft, merkt de tussenkomende partij op dat de distributienetbeheerders niet instaan voor het evenwicht op het net. Het is uitsluitend de transmissienetbeheerder die waakt over dat evenwicht. Hij doet daarvoor onder meer in laatste instantie een beroep op ondersteunende diensten. –B– B.1. De Vlaamse Regering vordert de vernietiging van de artikelen 2, 6° en 9°, 3, 11, 2°, 14, 2°, 21 en 22 van de wet van 23 oktober 2022 « tot wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt en tot omzetting van de Richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot wijziging van Richtlijn 2012/27/EU » (hierna : de wet van 23 oktober 2022). B.2.1. De wet van 23 oktober 2022 wijzigt de wet van 29 april 1999 « betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt » (hierna : de Elektriciteitswet) teneinde : - richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 « betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot 9 wijziging van Richtlijn 2012/27/EU (herschikking) » (hierna : de richtlijn (EU) 2019/944) gedeeltelijk om te zetten; - richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 « ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (herschikking) » (hierna : de richtlijn (EU) 2018/2001) gedeeltelijk om te zetten; - te remediëren aan een mogelijke onduidelijkheid die kan voortkomen uit de wet van 13 juli 2017 « tot wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, met het oog op de verbetering van de vraagflexibiliteit en van de opslag van elektriciteit ». B.2.2. Luidens de memorie van toelichting bij de wet van 23 oktober 2022 is de omzetting van de richtlijn (EU) 2019/944 het hoofddoel van de wet (Parl. St., Kamer, 2021-2022, DOC 55-2831/001, p. 3). Die omzetting beslaat volgens diezelfde memorie van toelichting vier domeinen, namelijk consumentenrechten en –bescherming, de verplichtingen van de transmissienetbeheerder, de versoepeling van de elektriciteitsmarkt en de internationale en regionale samenwerking (ibid., p. 6). Ten aanzien van de omvang van het beroep B.3. De Ministerraad voert aan dat het beroep gedeeltelijk onontvankelijk is aangezien de Vlaamse Regering niet tegen alle onderdelen van de door de bestreden bepalingen ingevoegde bepalingen grieven uiteenzet. B.4.1. Het Hof bepaalt het onderwerp van het beroep tot vernietiging op basis van de inhoud van het verzoekschrift en inzonderheid rekening houdend met de uiteenzetting van de middelen. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot de bepalingen waartegen daadwerkelijk grieven zijn aangevoerd. B.4.2. Uit het verzoekschrift blijkt dat de grieven van de Vlaamse Regering gericht zijn tegen : 10 - het bij artikel 2, 6°, van de wet van 23 oktober 2022 vervangen artikel 2, 45°, van de Elektriciteitswet; - het bij artikel 2, 9°, van de wet van 23 oktober 2022 ingevoegde artikel 2, 104° en 114°, van de Elektriciteitswet; - de bij artikel 3 van de wet van 23 oktober 2022 vervangen woorden in artikel 4, § 2, 3°, van de Elektriciteitswet; - de bij artikel 11, 2°, van de wet van 23 oktober 2022 ingevoegde bepalingen in artikel 12, § 5, van de Elektriciteitswet; - het eerste bij artikel 14, 2°, van de wet van 23 oktober 2022 ingevoegde lid in artikel 18, § 2/3 van de Elektriciteitswet; - het bij artikel 21 van de wet van 23 oktober 2022 ingevoegde artikel 19quater, § 1, tweede lid, 2°, 3° en 4°, van de Elektriciteitswet; - het bij artikel 22 van de wet van 23 oktober 2022 ingevoegde artikel 19quinquies, § 1, eerste lid, en § 3, van de Elektriciteitswet. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die bepalingen. Ten aanzien van de middelen Wat betreft het eerste middel Eerste onderdeel van het eerste middel B.5. In het eerste onderdeel van het eerste middel voert de Vlaamse Regering aan dat artikel 22 van de wet van 23 oktober 2022 artikel 6, § 1, VII, eerste lid, a), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (hierna : de bijzondere wet van 8 augustus 1980) schendt, doordat die bepaling een artikel 19quinquies, § 3, invoegt in de 11 Elektriciteitswet dat zonder bevoegdheidsvoorbehoud voorziet in de automatische nietigheid van clausules in contracten tussen elektriciteitsbedrijven en energiegemeenschappen van burgers die de laatstgenoemde verhinderen om flexibiliteitsdiensten of elektriciteitsdiensten anders dan de levering te kopen of te verkopen en om een contract aan te gaan met een aanbieder van flexibiliteit, terwijl het regelen van technische flexibiliteit met betrekking tot de distributienetten een voorbehouden gewestelijke bevoegdheid is. B.6.1. Artikel 19quinquies van de Elektriciteitswet, zoals ingevoegd bij artikel 22 van de wet van 23 oktober 2022, bepaalt : « § 1. Onverminderd de technische vereisten opgelegd door de bevoegde autoriteiten, en onverminderd de bevoegdheid van de Gewesten, bedoeld in artikel 6, § 1, VII, eerste lid, a), en tweede lid, d), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, heeft een energiegemeenschap van burgers die eigenaar is van energieopslagfaciliteiten die rechtstreeks aangesloten is of zijn op het transmissienet [in de Franse tekst is ‘ die rechtstreeks aangesloten is of zijn op het transmissienet ’ niet opgenomen] het recht om, wat deze opslagfaciliteiten betreft geen dubbele tarieven aangerekend te krijgen, waaronder transmissienettarieven, voor opgeslagen elektriciteit op zijn eigen terrein of als het flexibiliteitsdiensten levert aan de netbeheerder, en wordt, wat deze opslagfaciliteiten betreft, niet onderworpen aan onevenredige [in de Franse tekst is ‘ onevenredige ’ niet opgenomen] vereisten met betrekking tot vergunningen, zoals bedoeld in artikel 4, of onevenredige vergoedingen die tot de bevoegdheid van de federale overheid behoren. Elke energiegemeenschap van burgers is financieel verantwoordelijk voor het onevenwicht dat hij veroorzaakt op het transmissienet. De verantwoordelijkheid wordt verzekerd voor het evenwicht van zijn activiteiten of door deze verantwoordelijkheid te delegeren aan een persoon die verantwoordelijk is voor het evenwicht. De Koning kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de uitvoering van deze paragraaf. § 2. Onverminderd de technische vereisten opgelegd door de bevoegde autoriteiten, wordt aan elke hernieuwbare energiegemeenschap het recht toegekend om een of meer van de volgende activiteiten uit te voeren : 1° energie produceren uit een installatie, waarbij de energiegemeenschap één van de eigenaars is van de productie-installatie of over de gebruiksrechten beschikt; 2° het zelfverbruik van de energie, vermeld in punt 1°; 3° energie opslaan door middel van een opslagfaciliteit; 4° energiediensten aanbieden of eraan deelnemen; 12 5° optreden als dienstverlener van flexibiliteit of aggregatie of deelnemer aan flexibiliteit of aggregatie; 6° de energie, vermeld in punt 1°, verkopen, ook met een stroomafnameovereenkomst op het transmissienet; De Koning kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de voorwaarden voor erkenning en deelname aan hernieuwbare-energiegemeenschappen. Een hernieuwbare-energiegemeenschap heeft het recht om de in [het] eerste lid bedoelde activiteiten uit te oefenen, zonder onderworpen te zijn aan onevenredige of discriminerende technische vereisten, of aan administratieve vereisten, procedures en heffingen die geen kosten weerspiegelen. § 3. Elke contractuele clausule in een leveringscontract of ander contract tussen een energiegemeenschap van burgers en een elektriciteitsbedrijf, of elke onrechtmatige betaling of sanctie in het kader van een dergelijk contract die van invloed is op [in het Frans staat er ‘ die inbreuk maakt op ’] het recht van de energiegemeenschap van burgers om flexibiliteitsdiensten of elektriciteitsdiensten anders dan de levering te kopen of verkopen en om een contract aan te gaan met een aanbieder van flexibiliteit, of die inbreuk maken op de rechten van de energiegemeenschap van burgers zoals vermeld in § 1, is nietig ». B.6.2. Artikel 19quinquies van de Elektriciteitswet maakt samen met artikel 19quater van de Elektriciteitswet, dat ingevoegd is bij artikel 21 van de wet van 23 oktober 2022, deel uit van hoofdstuk IVter (« Rechten en plichten van actieve afnemers ») van de Elektriciteitswet, dat op zijn beurt is ingevoegd door artikel 20 van de wet van 23 oktober 2022. Artikel 19quinquies van de Elektriciteitswet kent verschillende rechten en plichten toe aan « energiegemeenschappen van burgers » en aan « hernieuwbare-energiegemeenschappen », welke een subcategorie vormen binnen de « energiegemeenschappen van burgers ». B.6.3. Een « energiegemeenschap van burgers » is krachtens artikel 2, 106°, van de Elektriciteitswet, dat ingevoegd is door artikel 2, 9°, van de wet van 23 oktober 2022 : « een rechtspersoon die :

  1. a)gebaseerd is op vrijwillige en open deelname en waarover leden of aandeelhouders, die natuurlijke personen, lokale autoriteiten, waaronder gemeenten, onderwijsinstellingen, verenigingen, andere energiegemeenschappen of kleine en middelgrote ondernemingen zijn, feitelijke zeggenschap hebben,
  2. b)waarvan het hoofddoel veeleer bestaat uit het bieden van milieu-, economische of sociale gemeenschapsvoordelen aan haar leden of aandeelhouders of aan de plaatselijke gebieden waar ze werkzaam is dan uit winst maken, en 13
  3. c)zich bezig kan houden met de productie, waaronder uit hernieuwbare bronnen, de distributie, de levering, het verbruik, de aggregatie, de energieopslag, de energie- efficiëntiediensten, de oplaaddiensten voor elektrische voertuigen of andere energiediensten aan haar leden of aandeelhouders kan aanbieden ». Een « hernieuwbare-energiegemeenschap » is krachtens artikel 2, 107°, van de Elektriciteitswet, dat eveneens ingevoegd is door artikel 2, 9°, van de wet van 23 oktober 2022 : « een energiegemeenschap van burgers :
  4. a)die gebaseerd is op open en vrijwillige deelname, autonoom is en zijn activiteiten binnen België uitoefent,
  5. b)waarvan de aandeelhouders of leden natuurlijke personen, lokale autoriteiten, waaronder gemeenten, onderwijsinstellingen, verenigingen, andere energiegemeenschappen van burgers of kmo's zijn op voorwaarde dat hun deelname niet hun belangrijkste commerciële of professionele activiteit vormt,
  6. c)waarvan het hoofddoel is het verschaffen van voordelen op milieugebied of op economisch of sociaal gebied aan haar aandeelhouders of leden, en niet het realiseren van winst,
  7. d)waarbij de energiegemeenschap van burgers aandelen houdt in een rechtspersonen die eigenaar is van hernieuwbare energieprojecten, die ontwikkeld zijn voor deze rechtspersoon,
  8. e)waarbij inzake productie van energie, zelfverbruik, opslag, verkoop en delen van energie, deze enkel betrekking hebben op energie uit hernieuwbare energiebronnen,
  9. f)die uitsluitend zijn activiteiten uitvoert in de territoriale zee en de exclusieve economische zone ». B.6.4. Het eerste onderdeel van het eerste middel van de Vlaamse Regering heeft uitsluitend betrekking op paragraaf 3 van artikel 19quinquies van de Elektriciteitswet en dat slechts in zoverre die bepaling voorziet in de nietigheid van clausules in contracten tussen een energiegemeenschap van burgers en een elektriciteitsbedrijf die, volgens de Nederlandse versie van de tekst, van invloed zijn op, en volgens de Franse versie van de tekst, inbreuk maken op het recht van de energiegemeenschap van burgers om flexibiliteitsdiensten te kopen of te verkopen en om een contract aan te gaan met een aanbieder van flexibiliteit. B.7.1. Krachtens artikel 6, § 1, VII, eerste lid, a), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 zijn de gewesten bevoegd voor : 14 « Wat het energiebeleid betreft : De gewestelijke aspecten van de energie, en in ieder geval :
  10. a)De distributie en het plaatselijk vervoer van elektriciteit door middel van netten waarvan de nominale spanning lager is dan of gelijk is aan 70 000 volt, met inbegrip van de distributienettarieven voor elektriciteit, met uitzondering van de tarieven van de netten die een transmissiefunctie hebben en die uitgebaat worden door dezelfde beheerder als het transmissienet ». B.7.2. Artikel 6, § 1, VII, tweede lid, c), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 behoudt evenwel aan de federale overheid de bevoegdheden voor met betrekking tot de aangelegenheden « die wegens hun technische en economische ondeelbaarheid een gelijke behandeling op nationaal vlak behoeven, te weten : [...] de grote infrastructuren voor de stockering; het vervoer en de produktie van energie ». B.7.3. Wat betreft de samenhang tussen de aan de gewesten toegekende bevoegdheden en die welke aan de federale overheid zijn voorbehouden, wordt in de parlementaire voorbereiding van de bijzondere wet van 8 augustus 1988 tot wijziging van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen uiteengezet : « Wat het energiebeleid betreft zijn de Gewesten bevoegd voor de gewestelijke aspecten van het energiebeleid en in ieder geval voor de opgesomde aangelegenheden van het eerste lid van artikel 6, § 1, VII, behalve voor de aangelegenheden waarvan de technische en economische ondeelbaarheid een gelijke behandeling op nationaal vlak behoeven en die limitatief en volledig worden opgesomd na de woorden : ‘ te weten ’. De nationale overheid is bevoegd voor de voormelde uitzonderingen evenals voor de niet-gewestelijke aspecten van het energiebeleid » (Parl. St., Senaat, B.Z. 1988, nr. 405/2, p. 111). Aldus heeft de bijzondere wetgever het energiebeleid opgevat als een gedeelde exclusieve bevoegdheid, waarbij de distributie en het plaatselijk vervoer van elektriciteit (door middel van netten waarvan de nominale spanning lager is dan of gelijk is aan 70 000 volt) aan de gewesten is toevertrouwd, terwijl het (niet-plaatselijk) vervoer van elektriciteit tot de bevoegdheid van de federale wetgever is blijven behoren. B.8. De federale overheid is daarnaast krachtens artikel 6, § 1, VI, vijfde lid, 4°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 alleen bevoegd voor : 15 « het mededingingsrecht en het recht inzake de handelspraktijken, met uitzondering van de toekenning van kwaliteitslabels en oorsprongbenamingen van regionale of lokale aard ». B.9. De bestreden bepaling heeft niet de regeling van flexibiliteitsdiensten als voorwerp, maar wel de sanctionering van contractuele clausules die de federale wetgever onwenselijk acht omdat zij, volgens de Nederlandse versie, een invloed hebben op en, volgens de Franse versie, inbreuk maken op het recht van de energiegemeenschap van burgers om flexibiliteitsdiensten te kopen of te verkopen en om een contract aan te gaan met een aanbieder van flexibiliteit. De gesanctioneerde clausules worden met andere woorden tot de oneerlijke handelspraktijken gerekend. De bestreden bepaling behoort bijgevolg tot het recht inzake de handelspraktijken waarvoor de federale overheid exclusief bevoegd is. Het feit dat de bestreden bepaling een specifiek toepassingsgebied heeft en betrekking heeft op een sector die gedeeltelijk tot de bevoegdheid van de gewesten behoort, doet daaraan geen afbreuk. B.10. Het eerste onderdeel van het eerste middel is niet gegrond. Tweede onderdeel van het eerste middel B.11. In het tweede onderdeel van het eerste middel voert de Vlaamse Regering aan dat artikel 22 van de wet van 23 oktober 2022 artikel 6, § 1, I en II, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 schendt, doordat die bepaling een artikel 19quinquies, § 1, invoegt in de Elektriciteitswet dat in het algemeen onevenredige vergunningsvereisten verbiedt, terwijl de federale overheid een dergelijk verbod niet kan opleggen ten aanzien van vergunningen waarvoor de gewesten bevoegd zijn. B.12.1. Krachtens artikel 6, § 1, I en II, eerste lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 zijn de gewesten bevoegd voor : « I. Wat de ruimtelijke ordening betreft : 1° De stedebouw en de ruimtelijke ordening; 2° De rooiplannen van de gemeentewegen; 16 3° De verkrijging, aanleg en uitrusting van gronden voor industrie, ambachtswezen en diensten of van andere onthaalinfrastructuren voor investeerders, met inbegrip van de investeringen voor de uitrusting van industriezones bij de havens en de beschikbaarstelling daarvan voor de gebruikers; 4° De stadsvernieuwing; 5° De vernieuwing van afgedankte bedrijfsruimte; 6° Het grondbeleid; 7° De monumenten en de landschappen. II. Wat het leefmilieu en het waterbeleid betreft : 1° De bescherming van het leefmilieu, onder meer die van de bodem, de ondergrond, het water en de lucht tegen verontreiniging en aantasting, alsmede de strijd tegen de geluidshinder; 2° Het afvalstoffenbeleid; 3° De politie van de gevaarlijke, ongezonde en hinderlijke bedrijven onder voorbehoud van de maatregelen van interne politie die betrekking hebben op de arbeidsbescherming; 4° De waterproduktie en watervoorziening, met inbegrip van de technische reglementering inzake de kwaliteit van het drinkwater, de zuivering van het afvalwater en de riolering; 5° De financiële tegemoetkoming naar aanleiding van schade veroorzaakt door algemene rampen ». Krachtens artikel 6, § 1, I en II, tweede lid, van diezelfde bijzondere wet is de federale overheid echter bevoegd voor : « 1° het vaststellen van de produktnormen; 2° de bescherming tegen ioniserende stralingen, met inbegrip van het radioactief afval ». B.12.2. De gewesten hebben op grond van hun bevoegdheden inzake ruimtelijke ordening, het leefmilieu en het waterbeleid vergunningssystemen gecreëerd. B.13.1. Artikel 19quinquies, § 1, van de Elektriciteitswet bepaalt dat het verboden is om energieopslagfaciliteiten van energiegemeenschappen van burgers die rechtstreeks aangesloten zijn op het transmissienet, te onderwerpen aan « onevenredige vereisten met betrekking tot vergunningen, zoals bedoeld in artikel 4 ». Uit de tekst van die bepaling blijkt dat het verbod 17 op onevenredige vergunningvereisten uitsluitend betrekking heeft op de vergunningen bedoeld in artikel 4 van de Elektriciteitswet. B.13.2. Artikel 4 van de Elektriciteitswet maakt « de bouw en de exploitatie van nieuwe installaties voor elektriciteitsproductie, alsook de bouw en exploitatie van nieuwe grote energieopslagfaciliteiten, de herziening, de vernieuwing, de verzaking, de overdracht en elke andere wijziging van een individuele vergunning afgeleverd op basis van dit artikel » afhankelijk van een voorafgaande vergunning die wordt uitgereikt door de minister. De minister waarvan sprake is in artikel 4 van de Elektriciteitswet, is krachtens artikel 2, 25°, van diezelfde wet de federale minister bevoegd voor Energie. B.13.3. Het verbod op onevenredige vergunningsvereisten in artikel 19quinquies, § 1, van de Elektriciteitswet heeft bijgevolg, in tegenstelling tot wat de Vlaamse Regering voorhoudt, geen betrekking op enige vergunning die wordt uitgereikt door de gewesten. Het gaat uitsluitend om vergunningen die, net zoals de vergunningen bedoeld in artikel 4 van de Elektriciteitswet, worden uitgereikt door de federale overheid op grond van federale wetgeving. B.14 Het tweede onderdeel van het eerste middel is niet gegrond. Derde onderdeel van het eerste middel B.15. In het derde onderdeel van het eerste middel voert de Vlaamse Regering aan dat artikel 11, 2°, van de wet van 23 oktober 2022 artikel 6, § 1, VII, eerste lid, a), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 schendt, doordat die bepaling, die artikel 12, § 5, van de Elektriciteitswet wijzigt, een tarifaire waarborg invoegt die betrekking heeft op alle energiegemeenschappen van burgers en alle nettarieven, terwijl het regelen van de distributie en de distributienettarieven voorbehouden is aan de gewesten. B.16.1. Krachtens artikel 12, § 1, van de Elektriciteitswet maken de aansluiting, het gebruik van de infrastructuren, elektrische systemen en desgevallend de ondersteunende diensten van de netbeheerder, die in artikel 2, 8°, van diezelfde wet wordt gedefinieerd als « de 18 beheerder van het transmissienet, aangewezen overeenkomstig artikel 10 », het voorwerp uit van tarieven voor het beheer van het transmissienet en de netten die een transmissiefunctie hebben. Krachtens artikel 12, § 2, van de Elektriciteitswet werkt de Commissie, zijnde de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas (hierna : de CREG), opgericht door artikel 23 van de Elektriciteitswet (artikel 2, 26°, van de Elektriciteitswet), de tariefmethodologie uit die deze netbeheerder moet gebruiken voor het opstellen van zijn tariefvoorstel. Zij doet dat na gestructureerd, gedocumenteerd en transparant overleg met de netbeheerder of volgens een vastgestelde procedure van gemeenschappelijk akkoord met de netbeheerder op basis van een uitdrukkelijk transparant en niet-discriminerend akkoord. Bij het opstellen van de tariefmethodologie moet de CREG rekening houden met de richtsnoeren die opgenomen zijn in artikel 12, § 5, van de Elektriciteitswet. B.16.2. De bestreden bepaling vult artikel 12, § 5, van de Elektriciteitswet aan met twee bijkomende richtsnoeren die luiden : « 28° de actieve afnemers worden onderworpen aan transparante en niet-discriminerende nettarieven die de kosten weerspiegelen, waarbij de elektriciteit die in het net wordt geïnjecteerd en de elektriciteit die uit het net wordt verbruikt apart worden verrekend overeenkomstig artikel 18 van de Verordening (EU) 2019/943, waarbij ervoor wordt gezorgd dat zij op een passende en evenwichtige wijze bijdragen aan het delen van de totale kosten van het systeem; 29° de energiegemeenschappen van burgers worden onderworpen aan transparante en niet-discriminerende nettarieven die de kosten weerspiegelen [in de Franse tekst is ‘ die de kosten weerspiegelen ’ niet opgenomen], waarbij wordt gewaarborgd dat zij op voldoende en evenwichtige wijze bijdragen aan het delen van de totale kosten van het transmissienet ». Het derde onderdeel van het eerste middel van de Vlaamse Regering heeft uitsluitend betrekking op het door de bestreden bepaling ingevoegde artikel 12, § 5, 29°, van de Elektriciteitswet. B.17.1. De federale overheid is krachtens artikel 6, § 1, VII, tweede lid, d), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 bevoegd voor : « de tarieven, met inbegrip van het prijsbeleid, onverminderd de gewestelijke bevoegdheid inzake de tarieven bedoeld in het eerste lid,
  11. a)en
  12. b)». 19 De gewestelijke bevoegdheid inzake de tarieven bedoeld in het eerste lid, a), betreft de distributienettarieven voor elektriciteit, met uitzondering van de tarieven van de netten die een transmissiefunctie hebben en die uitgebaat worden door dezelfde beheerder als die van het transmissienet. De gewestelijke bevoegdheid inzake de tarieven bedoeld in het eerste lid,
  13. b)betreft nettarieven voor de openbare distributie van gas, met uitzondering van de tarieven van de netwerken die ook een aardgasvervoersfunctie hebben en die worden uitgebaat door dezelfde beheerder als die van het aardgasvervoersnet. B.17.2. De federale overheid is, wat de tarieven voor elektriciteit betreft, bijgevolg bevoegd voor de transmissienettarieven en de tarieven van de netten die een transmissiefunctie hebben en die uitgebaat worden door dezelfde beheerder als die van het transmissienet. B.18. De bestreden bepaling voorziet in een richtsnoer waarmee de CREG rekening moet houden bij het opstellen van de tariefmethodologie die de transmissienetbeheerder moet gebruiken bij het opstellen van zijn tariefvoorstel met betrekking tot de transmissienettarieven en de tarieven van de netten die een transmissiefunctie hebben. Gelet op die context kan de term « nettarieven » in de bestreden bepaling alleen maar zo worden begrepen dat hij uitsluitend verwijst naar het transmissienet en de netten die een transmissiefunctie hebben. In ieder geval heeft de bestreden bepaling slechts een weerslag op de vaststelling van de tarieven die de transmissienetbeheerder aanrekent voor het beheer van het transmissienet en de netten die een transmissiefunctie hebben. Zoals in B.17.2 is vermeld, is de federale overheid exclusief bevoegd voor die tarieven. Het feit dat die tarieven worden aangerekend aan gewestelijke distributienetbeheerders die ze op hun beurt doorrekenen aan gebruikers van het distributienet, doet daaraan geen afbreuk. B.19. Het derde onderdeel van het eerste middel is niet gegrond. 20 Wat betreft het tweede middel Eerste onderdeel van het tweede middel B.20. In het eerste onderdeel van het tweede middel voert de Vlaamse Regering aan dat artikel 2, 9°, van de wet van 23 oktober 2022 artikel 6, § 1, VII, eerste lid, a), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 schendt, doordat die bepaling een definitie van « actieve afnemer » invoegt die niet beperkt is tot actieve afnemers aangesloten op het transmissienet, terwijl de federale overheid alleen bevoegd is voor de actieve afnemers aangesloten op het transmissienet. B.21.1. Artikel 2, 104°, van de Elektriciteitswet, zoals ingevoegd door artikel 2, 9°, van de wet van 23 oktober 2022, definieert een « actieve afnemer » als : « een eindafnemer, of een groep gezamenlijk optredende eindafnemers, die op eigen terrein binnen afgebakende grenzen, of op andere terreinen binnen afgebakende grenzen opgewekte elektriciteit verbruiken of opslaan, die door henzelf opgewekte elektriciteit verkopen, of die deelnemen aan flexibiliteits- of energie-efficiëntieregelingen, mits die activiteiten niet hun belangrijkste commerciële of professionele activiteit vormen ». Artikel 2, 14°, van de Elektriciteitswet definieert een « eindafnemer » als : « elke natuurlijke of rechtspersoon die elektriciteit koopt voor eigen gebruik ». B.21.2. De definitie van actieve afnemer sluit niet uit dat eindafnemers of een groep gezamenlijk optredende eindafnemers die aangesloten zijn op een net waarvan de nominale spanning lager is dan of gelijk is aan 70 000 volt, kwalificeren als actieve afnemer. B.22.1. In tegenstelling tot wat de Vlaamse Regering voorhoudt, volgt daaruit niet dat de bestreden bepaling niet in overeenstemming is met de bevoegdheidverdelende regels. Hoewel het juist is dat de federale overheid alleen ten aanzien van actieve afnemers die aangesloten zijn op een net waarvan de nominale spanning hoger is dan 70 000 volt, bevoegd is om hun gehele statuut te regelen, kan zij in beperktere mate ook normerend optreden ten aanzien van actieve afnemers die aangesloten zijn op een net waarvan de nominale spanning lager is dan of gelijk is aan 70 000 volt. 21 Het vervoer van elektriciteit over netten waarvan de nominale spanning hoger is dan 70 000 volt is immers niet de enige bevoegdheid inzake energiebeleid die aan de federale overheid is voorbehouden. Zij is onder meer ook bevoegd voor de grote infrastructuren voor de stockering van energie en de productie van energie, met uitzondering van de nieuwe energiebronnen anders dan kernenergie (artikel 6, § 1, VII, tweede lid, c), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980). Daarnaast is de federale overheid ook exclusief bevoegd voor het energiebeleid in de mariene gebieden die buiten het territoriaal bevoegdheidsgebied van de gewesten gelegen zijn. Tot slot kan een regeling die betrekking heeft op actieve afnemers die aangesloten zijn op een net waarvan de nominale spanning lager is dan of gelijk is aan 70 000 volt, vallen onder een federale bevoegdheid buiten het energiebeleid zoals de federale bevoegdheid inzake de bescherming van de verbruiker (artikel 6, § 1, VI, vierde lid, 2°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980). B.22.2. Aangezien de federale overheid in die mate normerend kan optreden ten aanzien van alle actieve afnemers, mag zij een definitie van actieve afnemer invoegen die geen rekening houdt met het net waarop de eindafnemer of een groep gezamenlijk optredende eindafnemers is aangesloten. Het eerste onderdeel van het tweede middel is niet gegrond. Tweede onderdeel van het tweede middel B.23. In het tweede onderdeel van het tweede middel voert de Vlaamse Regering aan dat artikel 11, 2°, van de wet van 23 oktober 2022 artikel 6, § 1, VII, eerste lid, a), en tweede lid, d), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 schendt, doordat die bepaling, die artikel 12, § 5, van de Elektriciteitswet wijzigt, ten aanzien van actieve afnemers een tarifaire waarborg oplegt die betrekking heeft op alle nettarieven, terwijl het regelen van de distributie en de distributienettarieven voorbehouden is aan de gewesten. B.24. Om dezelfde redenen als die welke hiervoor in B.18 werden vermeld, moet de term « nettarieven » in artikel 12, § 5, 28°, van de Elektriciteitswet, zoals ingevoegd door artikel 11, 2°, van de wet van 23 oktober 2022, zo worden begrepen dat hij uitsluitend verwijst naar het transmissienet en de netten die een transmissiefunctie hebben, en dient te worden vastgesteld 22 dat die bepaling slechts een weerslag heeft op de vaststelling van de tarieven die de transmissienetbeheerder aanrekent voor het beheer van het transmissienet en de netten die een transmissiefunctie hebben waarvoor de federale overheid exclusief bevoegd is. Artikel 12, § 5, 28°, van de Elektriciteitswet, zoals ingevoegd door artikel 11, 2°, van de wet van 23 oktober 2022, past bijgevolg binnen de federale bevoegdheid voor de transmissienettarieven en de tarieven van de netten die een transmissiefunctie hebben en die uitgebaat worden door dezelfde beheerder als die van het transmissienet. Ook hier doet het feit dat die tarieven worden aangerekend aan gewestelijke distributienetbeheerders die ze op hun beurt doorrekenen aan gebruikers van het distributienet, daaraan geen afbreuk. B.25. Het tweede onderdeel van het tweede middel is niet gegrond. Derde onderdeel van het tweede middel B.26. In het derde onderdeel van het tweede middel voert de Vlaamse Regering aan dat artikel 21 van de wet van 23 oktober 2022, dat artikel 19quater invoegt in de Elektriciteitswet, artikel 6, § 1, I, II en VII, eerste lid, a), en tweede lid, d), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 schendt, doordat die bepaling alle actieve afnemers die eigenaar zijn van een energieopslagfaciliteit het recht geeft om meerdere elektriciteitsdiensten tegelijk te leveren (artikel 19quater, § 1, tweede lid, 2°, van de Elektriciteitswet), om geen dubbele tarieven aangerekend te krijgen voor opgeslagen elektriciteit op hun eigen terrein (artikel 19quater, § 1, tweede lid, 3°, van de Elektriciteitswet) en om niet onderworpen te worden aan onevenredige vereisten met betrekking tot vergunningen (artikel 19quater, § 1, tweede lid, 4°, van de Elektriciteitswet), terwijl de aangelegenheden inzake distributie, distributienettarieven, ruimtelijke ordening en leefmilieu voorbehouden zijn aan de gewesten. B.27.1. Artikel 19quater van de Elektriciteitswet, zoals ingevoegd bij artikel 21 van de wet van 23 oktober 2022, bepaalt : « § 1. Onverminderd de technische vereisten opgelegd door de bevoegde autoriteiten, heeft elke actieve afnemer aangesloten op het transmissienet de volgende rechten : 23 1° het recht om deel te nemen aan elektriciteitsdiensten; 2° het recht om een aggregatiecontract af te sluiten, zonder dat hij daartoe toestemming moet krijgen van andere marktdeelnemers; 3° het recht om zelf opgewekte elektriciteit te verkopen, onder meer door middel van stroomafname-overeenkomsten; 4° het recht om zijn flexibiliteit te valoriseren, in overeenstemming met artikel 19bis; 5° het recht om het beheer van de faciliteiten die nodig zijn voor zijn activiteiten, inclusief installatie, bediening, gegevensverwerking en onderhoud, aan een derde te delegeren, zonder dat die derde als een actieve afnemer wordt beschouwd; 6° het recht om zelfopgewekte elektriciteit te verbruiken; 7° het recht om elektriciteit op te slaan door middel van een energieopslagfaciliteit, ongeacht of deze elektriciteit zelf is opgewekt of van het net is afgenomen. Een actieve afnemer die eigenaar is van een energieopslagfaciliteit : 1° heeft het recht om die installatie binnen een redelijke termijn en indien van toepassing op het transmissienet aan te sluiten; 2° heeft het recht om meerdere elektriciteitsdiensten tegelijk te leveren, indien technisch mogelijk; 3° krijgt geen dubbele tarieven aangerekend, waaronder transmissienettarieven, voor opgeslagen elektriciteit op zijn eigen terrein of als hij flexibiliteitsdiensten levert aan de netbeheerder; 4° en wordt niet onderworpen aan onevenredige [in de Franse tekst is ‘ onevenredige ’ niet opgenomen] vereisten met betrekking tot vergunningen, zoals bedoeld in artikel 4, of aan onevenredige vergoedingen. De actieve afnemer heeft het recht om de in [het] eerste lid bedoelde activiteiten uit te oefenen, zonder onderworpen te zijn aan onevenredige of discriminerende technische vereisten, of aan administratieve vereisten, procedures en heffingen die de kosten niet weerspiegelen. Elke actieve afnemer is financieel verantwoordelijk voor het onevenwicht dat hij veroorzaakt op het transmissienet. De verantwoordelijkheid wordt verzekerd voor het evenwicht van zijn activiteiten of door deze verantwoordelijkheid te delegeren aan een persoon die verantwoordelijk is voor het evenwicht. De Koning kan in het in artikel 11, § 1 bedoelde Technisch Reglement, de nadere regels bepalen inzake de financiële verantwoordelijkheid van de actieve afnemer voor het onevenwicht dat hij veroorzaakt op het transmissienet. 24 § 2. Elke contractuele clausule in een leveringscontract of ander contract tussen een afnemer of een onderneming aangesloten op het transmissienet en een elektriciteitsbedrijf, of elke onrechtmatige betaling of sanctie in het kader van een dergelijk contract die van invloed is op het recht van de afnemer of onderneming die aangesloten is op het transmissienet om flexibiliteitsdiensten of elektriciteitsdiensten anders dan de levering te kopen of verkopen of om een contract aan te gaan met een aanbieder van flexibiliteit, of die inbreuk maken op de rechten van de actieve afnemer zoals vermeld in paragraaf 1, is nietig ». B.27.2. Het derde onderdeel van het tweede middel van de Vlaamse Regering heeft uitsluitend betrekking op artikel 19quater, § 1, tweede lid, 2°, van de Elektriciteitswet, op artikel 19quater, § 1, tweede lid, 3°, van de Elektriciteitswet in zoverre het dubbele tarieven voor opgeslagen elektriciteit op eigen terrein verbiedt, en op artikel 19quater, § 1, tweede lid, 4°, van de Elektriciteitswet in zoverre het onevenredige vergunningsvereisten verbiedt. In zoverre de Vlaamse Regering in haar memorie van antwoord voor het eerst een grief uiteenzet ten aanzien van het recht om niet te worden onderworpen aan onevenredige vergoedingen dat eveneens opgenomen is in artikel 19quater, tweede lid, 4°, van de Elektriciteitswet, betreft het een nieuw middel dat krachtens artikel 85 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof niet ontvankelijk is. B.28.1. Artikel 19quater, § 1, tweede lid, 2°, van de Elektriciteitswet geeft een actieve afnemer die eigenaar is van een energieopslagfaciliteit het recht om meerdere elektriciteitsdiensten tegelijk te leveren, indien technisch mogelijk. B.28.2. De Vlaamse Regering houdt voor dat die bepaling van toepassing is op alle actieve afnemers met inbegrip van zij die aangesloten zijn op een net waarvoor de gewesten bevoegd zijn. B.28.3. Zoals de Ministerraad aanvoert, dient artikel 19quater, § 1, tweede lid, 2°, van de Elektriciteitswet zo te worden geïnterpreteerd dat het enkel het recht om meerdere elektriciteitsdiensten tegelijk te leveren, indien technisch mogelijk, toekent aan actieve afnemers voor zover zij zijn aangesloten op het transmissienet. Die interpretatie houdt rekening met het eerste lid van artikel 19quater, § 1, van de Elektriciteitswet, waarvan het toepassingsgebied wel uitdrukkelijk beperkt is tot actieve afnemers aangesloten op het transmissienet, en met de parlementaire voorbereiding die vermeldt : 25 « [Artikel 21 van de wet van 23 oktober 2022] beoogt de invoeging van een artikel 19quater waarin de rechten en verplichtingen van actieve afnemers aangesloten op het transmissienet nader bepaald worden » (Parl. St., Kamer, 2021-2022, DOC 55-2831/001, p. 30). In die interpretatie is artikel 19quater, § 1, tweede lid, 2°, van de Elektriciteitswet in overeenstemming met de in artikel 6, § 1, VII, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 opgenomen bevoegdheidverdelende regels. B.29.1. Artikel 19quater, § 1, tweede lid, 3°, van de Elektriciteitswet geeft een actieve afnemer die eigenaar is van een energieopslagfaciliteit, het recht om geen dubbele tarieven aangerekend te krijgen, waaronder transmissienettarieven, voor opgeslagen elektriciteit op zijn eigen terrein. B.29.2. De Vlaamse Regering houdt voor dat die bepaling alle nettarieven viseert, met inbegrip van de distributienettarieven waarvoor de gewesten bevoegd zijn. B.29.3. Zoals de Ministerraad aanvoert, dient artikel 19quater, § 1, tweede lid, 3°, van de Elektriciteitswet zo te worden geïnterpreteerd dat het uitsluitend betrekking heeft op tarieven andere dan de distributienettarieven en andere dan de tarieven van de netten die een transmissiefunctie hebben en die niet uitgebaat worden door de beheerder van het transmissienet. In die interpretatie is artikel 19quater, § 1, tweede lid, 3°, van de Elektriciteitswet in overeenstemming met de in artikel 6, § 1, VII, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 opgenomen bevoegdheidverdelende regels. B.30.1. Artikel 19quater, § 1, tweede lid, 4°, van de Elektriciteitswet geeft een actieve afnemer die eigenaar is van een energieopslagfaciliteit, het recht om niet te worden onderworpen aan onevenredige vereisten met betrekking tot vergunningen, zoals bedoeld in artikel 4. B.30.2. Om dezelfde redenen als die welke zijn vermeld in B.13.1 tot en met B.13.3. heeft die bepaling uitsluitend betrekking op vergunningen die, net zoals de vergunningen bedoeld in 26 artikel 4 van de Elektriciteitswet, worden uitgereikt door de federale overheid op grond van federale wetgeving. Die bepaling doet bijgevolg geen afbreuk aan een aan de gewesten voorbehouden bevoegdheid. B.31. Onder voorbehoud van de interpretaties vermeld in B.28.3 en B.29.3, is het derde onderdeel van het tweede middel niet gegrond. Wat betreft het derde middel B.32. In het derde middel voert de Vlaamse Regering aan dat artikel 14, 2°, van de wet van 23 oktober 2022, dat artikel 18, § 2/3, van de Elektriciteitswet aanvult, artikel 6, § 1, VII, eerste lid, a), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 schendt, doordat die bepaling leveranciers toelaat om onder bepaalde voorwaarden opzeggingsvergoedingen aan te rekenen aan afnemers die geen huishoudelijke afnemer of kmo zijn, terwijl het de gewesten toekomt om de positie van de afnemer te regelen op distributieniveau. B.33. In haar memorie van antwoord werpt de Vlaamse Regering bovendien in ondergeschikte orde op dat diezelfde bepaling het bevoegdheidsrechtelijk evenredigheidsbeginsel schendt. Aangezien die grief voor het eerst in die memorie wordt aangevoerd, dient zij te worden aangemerkt als een nieuw middel, dat krachtens artikel 85 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 niet ontvankelijk is. B.34.1. Artikel 18, § 2/3, van de Elektriciteitswet, zoals van toepassing vóór de wijziging ervan door artikel 14 van de wet van 23 oktober 2022, bepaalde : « De huishoudelijke afnemer of de K.M.O. heeft het recht een overeenkomst, zowel van bepaalde duur als van onbepaalde duur, voor de continue levering van elektriciteit op elk ogenblik te beëindigen mits een opzegtermijn van één maand wordt nageleefd. Elk contractueel beding dat afbreuk doet aan dit recht, is van rechtswege nietig. 27 De leverancier waarmee de huishoudelijke afnemer of de K.M.O. een overeenkomst tot continue levering van elektriciteit sluit, wordt verondersteld gemandateerd te zijn om het recht bedoeld in het eerste lid uit te oefenen, tenzij uitdrukkelijke, andersluidende overeenkomst. Wanneer de huishoudelijke afnemer of de K.M.O. gebruik maakt van het recht dat hem wordt toegekend krachtens het eerste lid, mag hem hiervoor geen enkele vergoeding in rekening worden gebracht ». B.34.2. Artikel 14, 2°, van de wet van 23 oktober 2022 heeft twee leden toegevoegd aan die bepaling, die luiden : « Onverminderd hetgeen voorafgaat in het vierde lid, mogen leveranciers opzegvergoedingen in rekening brengen aan afnemers die geen huishoudelijke afnemer of KMO zijn die vrijwillig een elektriciteitsleveringscontract met een vaste looptijd en een vaste prijs vóór het einde van de looptijd opzeggen, voor zover zulke vergoedingen deel uitmaken van een contract dat de afnemer vrijwillig is aangegaan en zulke vergoedingen duidelijk aan de afnemer worden meegedeeld voordat het contract wordt aangegaan. Dergelijke vergoedingen zijn evenredig en mogen bovendien niet meer bedragen dan het rechtstreekse economische verlies dat de leverancier, lijdt als gevolg van de afnemer die zijn contract opzegt, met inbegrip van de kosten voor gebundelde investeringen of diensten die de afnemer reeds heeft ontvangen als onderdeel van het contract. De bewijslast voor het rechtstreekse economische verlies ligt bij de leverancier en de toelaatbaarheid van de opzegvergoedingen wordt gemonitord door de commissie. De maximale opzegtermijn, bedoeld in het eerste lid, en het verbod op een opzegvergoeding, bedoeld in het vierde lid, zijn eveneens van toepassing op huishoudelijke afnemers die deelnemen aan collectieve overstapregelingen ». Het derde middel is uitsluitend gericht tegen het eerste van die twee leden die bij artikel 14, 2°, van de wet van 23 oktober 2022 zijn ingevoegd. B.35.1. De bestreden bepaling erkent het recht van leveranciers om opzeggingsvergoedingen in rekening te brengen aan afnemers die geen huishoudelijke afnemer of kmo zijn die vrijwillig een elektriciteitsleveringscontract met een vaste looptijd en een vaste prijs vóór het einde van de looptijd opzeggen, maar koppelt daaraan wel verschillende voorwaarden. Die voorwaarden beogen de afnemers die geen huishoudelijke afnemer of kmo zijn, te beschermen tegen oneerlijke handelspraktijken, namelijk tegen niet vrijwillig overeengekomen, onverwachte en onevenredige opzeggingsvergoedingen. B.35.2. De bestreden bepaling past bijgevolg binnen de exclusieve federale bevoegdheid voor het recht inzake de handelspraktijken (artikel 6, § 1, VI, vijfde lid, 4°, van de bijzondere 28 wet van 8 augustus 1980). De omstandigheid dat zij ook van toepassing is op afnemers die aangesloten zijn op een net waarvoor de gewesten bevoegd zijn, doet daaraan geen afbreuk. Het behoort op grond van artikel 6, § 1, VI, vijfde lid, 4°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 immers ook tot de bevoegdheid van de federale overheid om de toepassing van het in die bepaling vermelde « recht inzake de handelspraktijken » op een specifieke activiteitensector te regelen, zelfs wanneer die sector geheel of gedeeltelijk tot de bevoegdheid van de gemeenschappen of gewesten behoort. B.36. Het derde middel is niet gegrond. Wat betreft het vierde middel B.37. In het vierde middel voert de Vlaamse Regering aan dat artikel 3 van de wet van 23 oktober 2022, dat artikel 4, § 2, 3°, van de Elektriciteitswet wijzigt, artikel 6, § 1, VII, eerste lid, f), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 schendt, doordat die bepaling voorziet in een toekenningscriterium voor vergunningen op grond waarvan dient te worden nagegaan in hoeverre de betrokken productie- of opslaginstallatie bijdraagt aan de verwezenlijking van hernieuwbare-energiedoelstellingen van de Europese Unie, terwijl aangelegenheden inzake hernieuwbare energie voorbehouden zijn aan de gewesten. B.38.1. Artikel 4, §§ 1 en 2, van de Elektriciteitswet, zoals van toepassing vóór de wijziging ervan door artikel 3 van de wet van 23 oktober 2022, bepaalde : « § 1. Met uitzondering van de installaties voor de industriële elektriciteitsproductie door splijting van kernbrandstoffen die, overeenkomstig artikelen 3 en 4 van de wet van 31 januari 2003 houdende de geleidelijke uitstap uit kernenergie voor industriële elektriciteitsproductie, niet meer het voorwerp van vergunningen kunnen uitmaken, worden de bouw en de exploitatie van nieuwe installaties voor elektriciteitsproductie, alsook de bouw en exploitatie van nieuwe energieopslagfaciliteiten, de herziening, de vernieuwing, de verzaking, de overdracht en elke andere wijziging van een individuele vergunning afgeleverd op basis van dit artikel onderworpen aan de voorafgaande toekenning van een individuele vergunning afgeleverd door de minister na advies van de commissie. De in het eerste lid bedoelde vergunningen gelden voor onbepaalde duur. In afwijking daarvan, kan de Koning, na advies van de commissie, de duur bepalen waarvoor de vergunningen of bepaalde categorieën van vergunningen gelden. 29 Na advies van de commissie kan de Koning, tegen de door Hem bepaalde voorwaarden : 1° het toepassingsgebied van het eerste lid uitbreiden tot verbouwingen of andere aanpassingen van bestaande installaties; 2° de bouw van installaties met een laag vermogen, tijdelijke installaties, en noodstroomgroepen die in eilandbedrijf kunnen werken, vrijstellen van vergunning en onderwerpen aan een procedure van voorafgaande melding aan de Algemene Directie Energie en de commissie. § 2. Na advies van de commissie bepaalt de Koning de criteria voor de toekenning van de vergunningen bedoeld in § 1, eerste lid. Deze criteria kunnen inzonderheid betrekking hebben op : 1° de veiligheid en de bedrijfszekerheid van de elektriciteitsnetten, de installaties en de bijbehorende uitrusting; 2° de energie-efficiëntie van de voorgestelde installatie, rekening houdend met de internationale verbintenissen van België inzonderheid inzake bescherming van het leefmilieu; 3° de aard van de primaire energiebronnen, de bijdrage van de installatie bedoeld in paragraaf 1 aan de verwezenlijking van de algemene doelstelling van de Europese Unie die bepaald is bij Richtlijn 2009/28/EG, evenals de bijdrage van de installatie bedoeld in paragraaf 1 aan de vermindering van de emissies; 4° de professionele betrouwbaarheid en ervaring van de aanvrager, zijn technische, economische en financiële capaciteit en de kwaliteit van zijn organisatie; 5° openbare dienstverplichtingen, onder andere inzake regelmaat en kwaliteit van elektriciteitsleveringen; 6° de bescherming van de volksgezondheid en de openbare veiligheid; 7° het vermogen van de installatie om deel te nemen aan de automatische ondersteunende diensten voor de primaire regeling van de frequentie en de secundaire automatische regeling van het evenwicht van de Belgische regelzone; 8° uitsluitend wat betreft vergunningen voor productie-installaties: alternatieven voor de bouw van nieuwe productiecapaciteiten, zoals oplossingen voor actieve deelname aan vraagresponsoplossingen en energieopslag ». B.38.2. Artikel 3 van de wet van 23 oktober 2022 heeft in artikel 4, § 2, 3°, van de Elektriciteitswet de woorden « de bijdrage van de installatie bedoeld in paragraaf 1 aan de verwezenlijking van de algemene doelstelling van de Europese Unie die bepaald is bij Richtlijn 2009/28/EG » vervangen door « de bijdrage van de installatie bedoeld in paragraaf 1 aan de verwezenlijking van de algemene doelstelling van de Unie, die streeft naar een aandeel van ten 30 minste 32 % van de energie uit hernieuwbare bronnen in het bruto eindverbruik van energie van de Unie in 2030, bedoeld in artikel 3, lid 1, van Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad ». B.38.3. Artikel 3, lid 1, van de richtlijn (EU) 2018/2001 bepaalt : « De lidstaten zorgen er samen voor dat het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in het bruto-eindverbruik van energie in de Unie in 2030 minstens 32 % bedraagt. De Commissie beoordeelt die doelstelling, teneinde uiterlijk in 2023 een wetgevingsvoorstel in te dienen voor een verhoging daarvan indien er verdere aanzienlijke kostenbesparingen zijn in de productie van hernieuwbare energie, wanneer dat nodig is om te voldoen aan de internationale verplichtingen van de Unie voor het koolstofvrij maken, of wanneer een aanzienlijke daling van het energieverbruik in de Unie een dergelijke verhoging rechtvaardigt ». Energie uit hernieuwbare bronnen en hernieuwbare energie worden in artikel 2, tweede alinea, 1), van de richtlijn (EU) 2018/2001 gedefinieerd als : « energie uit hernieuwbare niet-fossiele bronnen, namelijk windenergie, zonne-energie (thermische zonne-energie en fotovoltaïsche energie) en geothermische energie, omgevingsenergie, getijdenenergie, golfslagenergie en andere energie uit de oceanen, waterkracht, en energie uit biomassa, stortgas, gas van rioolzuiveringsinstallaties, en biogas ». Artikel 2, 4°, van de Elektriciteitswet definieert hernieuwbare energiebronnen op zijn beurt als : « de hernieuwbare niet-fossiele energiebronnen (wind, zon, geothermische warmte, golfslag, getij, waterkracht, biomassa, stortgas, gas van afvalwaterzuiveringsinstallaties en biogassen) ». B.39.1. Krachtens artikel 6, § 1, VII, eerste lid,
  14. f)en h), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 behoren tot de gewestelijke aspecten van de energie : «
  15. f)De nieuwe energiebronnen met uitzondering van deze die verband houden met de kernenergie; [...]
  16. h)het rationeel energieverbruik ». 31 B.39.2. Krachtens artikel 6, § 1, VII, tweede lid, c), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 is de federale overheid bevoegd voor « de grote infrastructuren voor de stockering; het vervoer en de produktie van energie ». Gelet op artikel 6, § 1, VII, eerste lid, f), van diezelfde bijzondere wet wordt onder « produktie » evenwel niet begrepen « ‘ de nieuwe energiebronnen met uitzondering van deze die verband houden met de kernenergie ’ voor zover tenminste de technische en economische ondeelbaarheid niet in het gedrang komt » (Parl. St., Kamer, B.Z. 1988, nr. 516/1, p. 12). B.40.1. Artikel 4, § 2, 3°, van de Elektriciteitswet, zoals gewijzigd door de bestreden bepaling, machtigt de Koning ertoe criteria voor de toekenningen van de vergunningen bedoeld in artikel 4, § 1, eerste lid, van dezelfde wet te bepalen die betrekking hebben op de bijdrage van de installatie aan de verwezenlijking van de algemene doelstelling van de Unie, die streeft naar een aandeel van ten minste 32 % van de energie uit hernieuwbare bronnen in het bruto-eindverbruik van energie van de Unie in 2030. De Koning wordt aldus ertoe gemachtigd vergunningscriteria te bepalen die verband houden met de bevordering van hernieuwbare energie. B.40.2. De bevordering van de hernieuwbare energiebronnen behoort, behalve in de mariene gebieden die buiten het territoriaal bevoegdheidsgebied van de gewesten gelegen zijn, op grond van artikel 6, § 1, VII, eerste lid,
  17. f)en h), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 evenwel tot de bevoegdheid van de gewesten. De bestreden bepaling doet bijgevolg afbreuk aan die bevoegdheid in zoverre ze betrekking heeft op installaties die gelegen zijn binnen het territoriaal bevoegdheidsgebied van de gewesten. In tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert, kan de bestreden bepaling voor installaties die gelegen zijn binnen het territoriaal bevoegdheidsgebied van de gewesten, ook niet worden ingepast in de federale voorbehouden bevoegdheid voor « de grote infrastructuren voor de stockering; het vervoer en de produktie van energie ». Zij is immers niet noodzakelijk om die bevoegdheid te kunnen uitoefenen. B.41. Het vierde middel is in die mate gegrond. Artikel 3 van de wet van 23 oktober 2022 moet worden vernietigd, behoudens in zoverre het betrekking heeft op installaties in de mariene gebieden die buiten het territoriaal bevoegdheidsgebied van de gewesten gelegen zijn. 32 Wat betreft het vijfde middel B.42. In het vijfde middel voert de Vlaamse Regering aan dat artikel 2, 6° en 9°, van de wet van 23 oktober 2022, artikel 6, § 1, VII, eerste lid, a), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 schendt, doordat die bepalingen respectievelijk een definitie van « ondersteunende dienst » en een definitie van « niet-frequentiegerelateerde ondersteunende dienst » invoegen die ook betrekking hebben op diensten op distributieniveau, terwijl het reguleren van die diensten op distributieniveau voorbehouden is aan de gewesten. Die bevoegdheidsoverschrijding komt volgens de Vlaamse Regering bovendien in het bijzonder tot uiting wanneer de bestreden bepalingen worden samengelezen met artikel 8, § 1 en § 1/1, derde lid, en artikel 18, § 1, eerste en derde lid, van de Elektriciteitswet. B.43. Artikel 2, 45°, van de Elektriciteitswet, zoals vervangen door artikel 2, 6°, van de wet van 23 oktober 2022, definieert « ondersteunende dienst » als : « een dienst die nodig is voor de exploitatie van een transmissie- of distributiesysteem, met inbegrip van balanceringsdiensten en niet-frequentiegerelateerde ondersteunende diensten, maar uitgezonderd congestiebeheer ». Artikel 2, 114°, van de Elektriciteitswet, zoals ingevoegd door artikel 2, 9°, van de wet van 23 oktober 2022, definieert « niet-frequentiegerelateerde ondersteunende dienst » als : « een dienst die wordt gebruikt door een transmissie- of distributiesysteembeheerder voor spanningsregeling in stationaire toestand, snelle blindstroominjecties, inertie voor plaatselijke netstabiliteit, kortsluitstroom, blackstartmogelijkheden en inzetbaarheid in eilandbedrijf ». B.44. Die definities sluiten niet uit dat diensten die worden gebruikt door een distributienetbeheerder ten behoeve van een net waarvan de nominale spanning lager is dan of gelijk is aan 70 000 volt, kwalificeren als een ondersteunende dienst of een niet-frequentiegerelateerde ondersteunende dienst. B.45. Krachtens artikel 6, § 1, VII, eerste lid, a), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 zijn de gewesten bevoegd voor de gewestelijke aspecten van de energie, en in ieder geval 33 « de distributie en het plaatselijk vervoer van elektriciteit door middel van netten waarvan de nominale spanning lager is dan of gelijk aan 70 000 volt ». Die gewestelijke bevoegdheid belet evenwel niet elk normerend optreden door de federale overheid ten aanzien van alle ondersteunende diensten, met in begrip van de niet-frequentiegerelateerde ondersteunende diensten, zoals gedefinieerd in de bestreden bepalingen. Een dergelijke federale regeling kan in overeenstemming zijn met de bevoegdheidverdelende regels indien zij bijvoorbeeld past binnen de federale bevoegdheid voor de organisatie van de elektriciteitsmarkt of voor het mededingingsrecht en het recht inzake de handelspraktijken (artikel 6, § 1, VI, vijfde lid, 4°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980). De federale overheid mag bijgevolg een definitie van ondersteunende dienst en niet-frequentiegerelateerde ondersteunende dienst invoegen die ook diensten omvat die worden gebruikt door een distributienetbeheerder ten behoeve van een net waarvan de nominale spanning lager is dan of gelijk is aan 70 000 volt. B.46. Het voorgaande neemt niet weg dat bepalingen die gebruikmaken van de bestreden definities in overeenstemming moeten zijn met de bevoegdheidverdelende regels. In zoverre het middel gericht is tegen de bestreden bepalingen in samenhang gelezen met de artikelen 8, § 1 en § 1/1, derde lid, en 18, § 1, eerste en derde lid, van de Elektriciteitswet, volstaat evenwel de vaststelling dat de draagwijdte van de laatstgenoemde bepalingen van de Elektriciteitswet niet is gewijzigd door de invoeging van de bestreden definities. De Elektriciteitswet bevat immers reeds sinds de invoeging van artikel 2, 101°, door artikel 2 van de wet van 21 juli 2021 « tot wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt en tot wijziging van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen » een definitie van ondersteunende dienst die identiek is aan de later door artikel 2, 6°, van de wet van 23 oktober 2022 in artikel 2, 45°, van de Elektriciteitswet ingevoegde definitie, die overigens opnieuw is opgeheven door artikel 3, 3°, van de wet van 21 mei 2023 « houdende diverse bepalingen inzake energie ». De Elektriciteitswet bevatte vóór de invoeging van artikel 2, 114°, door artikel 2, 9°, van de wet van 23 oktober 2022 weliswaar geen definitie van niet-frequentiegerelateerde ondersteunende dient, maar aangezien die diensten een subcategorie vormen van de ondersteunende diensten, doet dat aan het voorgaande geen afbreuk. B.47. Het vijfde middel is niet gegrond. 34 Om die redenen, het Hof - vernietigt artikel 3 van de wet van 23 oktober 2022 « tot wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt en tot omzetting van de Richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot wijziging van Richtlijn 2012/27/EU », behoudens in zoverre het betrekking heeft op installaties in de mariene gebieden die buiten het territoriaal bevoegdheidsgebied van de gewesten gelegen zijn; - onder voorbehoud van de in B.28.3 en B.29.3 vermelde interpretaties, verwerpt het beroep voor het overige. Aldus gewezen in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 27 maart 2024. De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Luc Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.036 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.