← België

ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.038

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 27 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.038 Arrest- Rolnummer: 38/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-04-08 Raadplegingen: 300 - laatst gezien 2026-06-17 04:31 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: het beroep tot vernietiging van het decreet van het Vlaamse Gewest van 25 november 2022 « tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wat betreft de indeling in categorieën van automatische ontspanningstoestellen », ingesteld door de vzw « UBA-BNGO ». Fiscaal recht - Vlaams Gewest - Fiscale rangschikking van automatische ontspanningstoestellen - Hervorming - Toepasselijke tarieven Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 38/2024 van 27 maart 2024 Rolnummer : 7998 In zake : het beroep tot vernietiging van het decreet van het Vlaamse Gewest van 25 november 2022 « tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wat betreft de indeling in categorieën van automatische ontspanningstoestellen », ingesteld door de vzw « UBA-BNGO ». Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Joséphine Moerman, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt en Kattrin Jadin, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 26 mei 2023 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 30 mei 2023, heeft de vzw « UBA-BNGO », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Michel Maus, advocaat bij de balie van West-Vlaanderen, en door Mr. Pieterjan Smeyers, advocaat bij de balie te Brussel, beroep tot vernietiging ingesteld van het decreet van het Vlaamse Gewest van 25 november 2022 « tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wat betreft de indeling in categorieën van automatische ontspanningstoestellen » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 1 december 2022). Memories en memories van wederantwoord zijn ingediend door : - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Philippe Vlaemminck en Mr. Robbe Verbeke, advocaten bij de balie te Brussel; - de Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Bart Martel, Mr. Kristof Caluwaert en Mr. Quinten Jacobs, advocaten bij de balie te Brussel. 2 De verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 31 januari 2024 heeft het Hof, na de rechters Willem Verrijdt, verslaggever ter vervanging van rechter-verslaggeefster Joséphine Moerman, wettig verhinderd, en Emmanuelle Bribosia te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- A.1.

  1. De verzoekende partij leidt een eerste middel af uit een schending, door het decreet van het Vlaamse Gewest van 25 november 2022 « tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wat betreft de indeling in categorieën van automatische ontspanningstoestellen » (hierna : het decreet van 25 november 2022), van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 5 van de richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 « betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (codificatie) » (hierna : de richtlijn (EU) 2015/1535). Zij voert aan dat het decreet van 25 november 2022 een technisch voorschrift vaststelt en dus ten onrechte niet werd aangemeld bij de Europese Commissie. A.1.
  2. De Vlaamse Regering voert aan dat het eerste middel bij gebrek aan uiteenzetting niet ontvankelijk is. Het is immers niet duidelijk welke bepaling van het decreet van 25 november 2022, dat in zijn geheel wordt bestreden, een technisch voorschrift zou uitmaken. De loutere overname van het nagenoeg integrale advies van de Raad van State kan een uiteenzetting niet vervangen. Ten aanzien van de aangevoerde schending van artikel 5 van de richtlijn (EU) 2015/1535 is het middel dan ook niet ontvankelijk. In ondergeschikte orde antwoordt de Vlaamse Regering dat het eerste middel niet gegrond is. Het decreet van 25 november 2022 kan niet worden gekwalificeerd als « technische specificatie », « andere eis » of « regel betreffende diensten » in de zin van artikel 1, lid 1, f), iii), van de richtlijn (EU) 2015/1535, waartoe volgens haar het eerste middel beperkt is, indien het al ontvankelijk zou zijn. Het decreet van 25 november 2022 voorziet louter in een indeling van automatische ontspanningstoestellen, voor fiscale doeleinden. Er worden geen vereiste kenmerken omschreven, noch heeft de indeling betrekking op de « levenscyclus » van de betrokken toestellen. Het decreet regelt evenmin de toegang tot of de uitoefening van dienstenactiviteiten. De Vlaamse Regering verwijst daarbij naar de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie. De aangiftemodaliteiten strekken enkel ertoe de betaling van de belasting te vereenvoudigen, en niet andersom. Hoewel de belasting zelf bedoeld is om het gebruik van de automatische ontspanningstoestellen te ontmoedigen, zijn de aangiftemodaliteiten enkel bedoeld om de betaling van de belasting te vereenvoudigen en hebben zij op zich geen impact op het gebruik van de betrokken toestellen. A.1.
  3. De Ministerraad voert aan dat de verwijzing naar de artikelen 10 en 11 van de Grondwet op geen enkele wijze wordt verantwoord. Bijgevolg is het middel enkel gebaseerd op een vermeende schending van de richtlijn (EU) 2015/
  4. Het Hof is echter niet bevoegd om rechtstreeks aan die richtlijn te toetsen. Voor het overige sluiten de argumenten van de Ministerraad aan bij die van de Vlaamse Regering. 3 A.2.
  5. De verzoekende partij leidt een tweede middel af uit een schending, door het decreet van 25 november 2022, van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet. In het eerste onderdeel van het tweede middel klaagt de verzoekende partij aan dat er een onverantwoord verschil in behandeling zou ontstaan tussen de toestellen van categorie 2 en de toestellen van categorie
  6. Er is immers niet aangetoond dat de toestellen van categorie 2 een opstap kunnen vormen naar het spelen op toestellen van categorie
  7. Evenmin is aangetoond dat dit risico groter is dan bij toestellen van categorie
  8. A.2.
  9. De Vlaamse Regering antwoordt dat de wetgever over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt in fiscale zaken. De verschillen in behandeling worden verantwoord door de doelstellingen die de decreetgever nastreeft, namelijk de actualisering en vereenvoudiging van de bestaande regeling en de afstemming van de belasting op automatische ontspanningstoestellen op de wet van 7 mei 1999 « op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers » (hierna : de Kansspelwet). Het is daarbij evident dat automatische ontspanningstoestellen opgesteld in drankgelegenheden, net wegens de verkoop en het gebruik van alcoholische dranken, meer risico’s inhouden. De Vlaamse Regering verwijst daarbij naar recente rechtspraak van het Hof. A.2.
  10. De argumenten van de Ministerraad sluiten aan bij die van de Vlaamse Regering. A.3.
  11. In het tweede onderdeel van het tweede middel klaagt de verzoekende partij aan dat er een onverantwoord verschil in behandeling wordt ingevoerd tussen automatische ontspanningstoestellen in een kansspelinrichting klasse I, die onderworpen zijn aan de belasting op spelen en weddenschappen, en automatische ontspanningstoestellen die daarbuiten worden uitgebaat en die zijn onderworpen aan de belasting op automatische ontspanningstoestellen. Nochtans bestaat de doelstelling van de decreetgever net erin de betrokken toestellen identiek te belasten, ongeacht de plaats van opstelling. A.3.
  12. De Vlaamse Regering voert aan dat noch het toepassingsgebied van de belasting op automatische ontspanningstoestellen, noch het toepassingsgebied van de belasting op spelen en weddenschappen door het decreet van 25 november 2022 worden geregeld. Het aangevoerde verschil in behandeling vindt niet zijn oorsprong in het decreet van 25 november
  13. A.3.
  14. De Ministerraad betwist het belang bij het middel, omdat de verzoekende partij een voordeliger belastingtarief geniet dan de categorie van belastingplichtigen waarmee zij haar situatie vergelijkt. In ondergeschikte orde wijst de Ministerraad erop dat het gaat om verschillende toestellen. A.4.
  15. In het derde onderdeel van het tweede middel voert de verzoekende partij aan dat er een onverantwoord verschil in behandeling wordt ingevoerd tussen automatische ontspanningstoestellen die online worden aangeboden door houders van een vergunning A+ of B+ en automatische ontspanningstoestellen die worden aangeboden in speelhallen, drankgelegenheden, wedkantoren of op kermissen. De ontspanningstoestellen die onder de nieuwe categorie A vallen, kunnen ook in een onlinevariant bestaan. Die onlinevarianten worden niet onderworpen aan de belasting op automatische ontspanningstoestellen, maar aan de belasting op de spelen en weddenschappen. A.4.
  16. De Vlaamse Regering voert opnieuw aan dat het middel betrekking heeft op elementen die niet het voorwerp uitmaken van het beroep. Het decreet van 25 november 2022 raakt op geen enkele wijze aan het bestaande onderscheid tussen online en offline aangeboden automatische ontspanningstoestellen. A.4.
  17. De Ministerraad betwist opnieuw het belang bij het middel, omdat de verzoekende partij zich net in een gunstige situatie bevindt. Een vernietiging zou dan ook niet in haar voordeel zijn. Ten gronde stelt de Ministerraad dat de aangehaalde categorieën van personen niet vergelijkbaar zijn. A.5.
  18. Het vierde onderdeel van het tweede middel heeft betrekking op het verschil in behandeling tussen automatische ontspanningstoestellen die online worden aangeboden door de Nationale Loterij, en automatische ontspanningstoestellen die worden aangeboden in speelhallen, drankgelegenheden, wedkantoren of op kermissen. Op grond van artikel 3bis van de Kansspelwet zijn loterijen immers volgens de verzoekende partij ten onrechte uitgesloten van de toepassing van de Kansspelwet. A.5.
  19. Volgens de Vlaamse Regering heeft ook dit onderdeel betrekking op bepalingen die niet het voorwerp uitmaken van het beroep. 4 A.5.
  20. De Ministerraad herhaalt zijn exceptie gebaseerd op het belang bij het middel. Ten gronde voert hij aan dat de verschillende categorieën niet vergelijkbaar zijn. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen B.1.
  21. De verzoekende partij vordert de vernietiging van het decreet van het Vlaamse Gewest van 25 november 2022 « tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wat betreft de indeling in categorieën van automatische ontspanningstoestellen » (hierna : het decreet van 25 november 2022). Met dat decreet wordt de fiscale rangschikking van automatische ontspanningstoestellen hervormd en worden de tarieven die van toepassing zijn op de nieuwe categorieën van ontspanningstoestellen bepaald. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de decreetgever de bedoeling had om de bestaande indeling te moderniseren : « Met dit ontwerp van decreet wordt de indeling van automatische ontspanningstoestellen, die de basis vormt voor het toe te passen tarief, op een andere leest geschoeid. De indeling wordt geactualiseerd, vereenvoudigd en meer afgestemd op de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers (de Kansspelwet). Ook de tarieven worden aangepast. Kansspelen worden zwaarder belast, voor zuivere amusementstoestellen wordt een nultarief toegepast » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2021-2022, nr. 1416/1, p. 3). B.1.
  22. De artikelen 2 tot 8 van het decreet van 25 november 2022 bepalen : « Art.
  23. In artikel 2.13.3.0.1 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, ingevoegd bij het decreet van 7 december 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in paragraaf 1 wordt de zinsnede ‘ ingedeeld in vijf categorieën, respectievelijk aangeduid door de letters A, B, C, D en E ’ vervangen door de zinsnede ‘ ingedeeld in vier categorieën, respectievelijk aangeduid door de cijfers 1, 2, 3 en 4 ’; 2° in paragraaf 2 wordt het eerste lid vervangen door wat volgt : ‘ De volgende automatische ontspanningstoestellen behoren respectievelijk tot de volgende categorieën : 1° categorie 1 : de automatische ontspanningstoestellen die kansspelen zijn als vermeld in artikel 2, eerste lid, 1°, van de Kansspelwet van 7 mei 1999, met uitzondering van de toestellen die behoren tot de categorie 2, vermeld in punt 2°; 5 2° categorie 2 : de automatische kansspelen met verminderde inzet, vermeld in artikel 2, eerste lid, 11°, van de Kansspelwet van 7 mei 1999; 3° categorie 3 : de automatische ontspanningstoestellen, met uitzondering van de toestellen die behoren tot de categorie 1 of 2, vermeld in punt 1° en 2°, die het toelaten, zelfs toevallig of bijkomstig, een prijs te winnen in geld, in natura, in de vorm van penningen of premiebons; 4° categorie 4 : de automatische ontspanningstoestellen die niet behoren tot de categorieën 1 tot en met 3, vermeld in punt 1° tot en met 3°. ’. Art.
  24. In artikel 2.13.4.0.1, eerste lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 7 december 2018, wordt de tabel vervangen door wat volgt : ‘ Categorie van het toestel Tarief in euro 1 4000 2 500 3 55 4 0 ’. Art.
  25. Artikel 2.13.5.0.2 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 7 december 2018, wordt opgeheven. Art.
  26. In artikel 3.3.1.0.16, vijfde lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 7 december 2018, wordt de zinsnede ‘ vermeld in artikel 2.13.3.0.1, § 2, eerste lid, 3° en 4° ’ vervangen door de zinsnede ‘ vermeld in artikel 2.13.3.0.1, § 2, eerste lid, 4° ’. Art.
  27. Artikel 3.12.4.0.1 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 20 november 2020, wordt vervangen door wat volgt : ‘ Art. 3.12.4.0.
  28. Een automatisch ontspanningstoestel dat een kansspel is als vermeld in artikel 2, eerste lid, 1°, van de Kansspelwet van 7 mei 1999, en niet beschikt over het goedkeuringsattest, vermeld in artikel 52 van voormelde wet, wordt ambtshalve beschouwd als een toestel van de categorie 1, vermeld in artikel 2.13.3.0.1, § 2, eerste lid, 1°. ’. Art.
  29. Aan titel 5 van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 2 april 2021, wordt een artikel 5.0.0.0.16 toegevoegd, dat luidt als volgt : ‘ Art. 5.0.0.0.
  30. In afwijking van artikel 3.3.1.0.16, eerste lid, kan de belastingplichtige voor een automatisch ontspanningstoestel dat in de eerste helft van januari 2023 wordt opgesteld, een aangifte indienen bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie uiterlijk op 15 januari
  31. In afwijking van artikel 3.3.1.0.16, vierde lid, wordt een aangifte die is ingediend, of automatisch verlengd, voor de opstelling van automatische ontspanningstoestellen in het vierde kwartaal van 2022 niet automatisch verlengd. ’. 6 Art.
  32. Dit decreet treedt in werking op 1 januari 2023 ». Ten aanzien van de ontvankelijkheid Wat betreft het eerste middel B.2.
  33. De Vlaamse Regering voert aan dat het eerste middel bij gebrek aan uiteenzetting niet ontvankelijk is. B.2.
  34. Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, moeten de middelen van het verzoekschrift te kennen geven welke van de regels waarvan het Hof de naleving waarborgt, zouden zijn geschonden, alsook welke de bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn geschonden. B.2.
  35. In haar verzoekschrift verwijst de verzoekende partij in het kader van het eerste middel uitdrukkelijk naar de artikelen 5, 6 en 7 van het decreet van 25 november 2022, zonder daarbij uiteen te zetten op welke wijze die bepalingen de aangehaalde referentienormen zouden schenden. In haar memorie stelt zij daarentegen dat het eerste middel in werkelijkheid betrekking heeft op de artikelen 2 en 3 van het decreet van 25 november
  36. In het licht van voormelde elementen is niet voldaan aan de in B.2.2 vermelde vereisten. B.2.
  37. De exceptie is gegrond. Het eerste middel is niet ontvankelijk. Wat betreft het tweede onderdeel van het tweede middel B.3.
  38. De Vlaamse Regering voert aan dat het tweede onderdeel van het tweede middel niet ontvankelijk is, omdat noch het toepassingsgebied van de belasting op automatische ontspanningstoestellen, noch het toepassingsgebied van de belasting op spelen en weddenschappen door het decreet van 25 november 2022 worden geregeld. 7 B.3.
  39. Een middel dat is gericht tegen een verschil in behandeling dat niet uit het decreet van 25 november 2022 voortvloeit, maar reeds is vervat in een vroeger decreet of een vroegere wet, is niet ontvankelijk. B.3.
  40. In het tweede onderdeel van het tweede middel klaagt de verzoekende partij aan dat er een onverantwoord verschil in behandeling wordt ingevoerd tussen automatische ontspanningstoestellen in een kansspelinrichting klasse I, die onderworpen zijn aan de belasting op spelen en weddenschappen, en automatische ontspanningstoestellen die daarbuiten worden uitgebaat en die zijn onderworpen aan de belasting op automatische ontspanningstoestellen. B.3.
  41. Het aangeklaagde verschil in behandeling vindt zijn oorsprong in artikel 2.13.6.0.1, 2°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, zoals ingevoerd bij artikel 34 van het decreet van 7 december 2018 « tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wat betreft de belasting op de spelen en weddenschappen en op de automatische ontspanningstoestellen ». Dat artikel 2.13.6.0.1, 2°, bepaalt : « Er wordt een vrijstelling van de belasting verleend voor de automatische ontspanningstoestellen : […] 2° die zich bevinden in een kansspelinrichting van klasse I als vermeld in artikel 6 van de Kansspelwet van 7 mei 1999, en onderworpen worden aan de belasting, vermeld in artikel 2.12.4.0.1, § 2, 3° ». B.3.
  42. Deze bepaling wordt niet gewijzigd door het decreet van 25 november
  43. De exceptie is gegrond. Het tweede onderdeel van het tweede middel is niet ontvankelijk. Wat betreft het derde onderdeel van het tweede middel B.4.
  44. De Vlaamse Regering voert aan dat het derde onderdeel van het tweede middel niet ontvankelijk is, omdat het decreet van 25 november 2022 op geen enkele wijze het bestaande onderscheid tussen online en offline aangeboden automatische ontspanningstoestellen wijzigt. 8 B.4.
  45. In het derde onderdeel van het tweede middel klaagt de verzoekende partij aan dat een onverantwoord verschil in behandeling wordt ingevoerd tussen automatische ontspanningstoestellen die online worden aangeboden door houders van een vergunning A+ of B+, en automatische ontspanningstoestellen die worden aangeboden in speelhallen, drankgelegenheden, wedkantoren of op kermissen. Het aangeklaagde verschil in behandeling vindt zijn oorsprong in artikel 2.12.3.0.1, § 1, eerste lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, zoals ingevoerd bij artikel 9 van het voormelde decreet van 7 december
  46. Dat artikel 2.12.3.0.1, § 1, eerste lid, bepaalt : « De belasting op de spelen en weddenschappen wordt geheven op de opbrengst van de spelen en de weddenschappen, met inbegrip van deze die ingezet worden via informatiemaatschappij-instrumenten als vermeld in artikel 2, 10°, van de Kansspelwet van 7 mei 1999 ». B.4.
  47. Deze bepaling wordt niet gewijzigd door het decreet van 25 november
  48. De exceptie is gegrond. Het derde onderdeel van het tweede middel is niet ontvankelijk. Wat betreft het vierde onderdeel van het tweede middel B.5.
  49. Volgens de Vlaamse Regering is ook het vierde onderdeel van het tweede middel niet ontvankelijk, omdat het betrekking heeft op een verschil in behandeling dat niet uit het decreet van 25 november 2022 voortvloeit. B.5.
  50. Uit de uiteenzetting van het vierde onderdeel van het tweede middel blijkt dat dit onderdeel in werkelijkheid is gericht tegen artikel 3bis van de wet van 7 mei 1999 « op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers » (hierna : de Kansspelwet), dat bepaalt : « Deze wet is niet van toepassing op de loterijen in de zin van de wet van 31 december 1851 op de loterijen en van de artikelen 301, 302, 303 en 304 van het Strafwetboek, noch op de openbare loterijen en wedstrijden bedoeld in artikel 3, § 1, eerste lid, van de wet van 19 april 2002 tot rationalisering van de werking en het beheer van de Nationale Loterij ». 9 B.5.
  51. Deze bepaling wordt niet gewijzigd door het decreet van 25 november
  52. De exceptie is gegrond. Het vierde onderdeel van het tweede middel is niet ontvankelijk. Ten gronde B.
  53. Het eerste onderdeel van het tweede middel is afgeleid uit een schending, door artikel 3 van het decreet van 25 november 2022, van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, doordat die bepaling een onverantwoord verschil in behandeling invoert tussen de eigenaars van toestellen van categorie 2 en de eigenaars van toestellen van categorie
  54. B.7.
  55. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Dat beginsel verzet er zich overigens tegen dat categorieën van personen, die zich ten aanzien van de betwiste maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.7.
  56. Artikel 172, eerste lid, van de Grondwet vormt, in fiscale aangelegenheden, een bijzondere toepassing van het in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet vervatte beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. B.7.
  57. Bij het bepalen van zijn beleid in fiscale zaken beschikt de decreetgever over een ruime beoordelingsbevoegdheid. Dat is met name het geval wanneer hij de belastingplichtigen, de belastbare materie, de heffingsgrondslag, de aanslagvoet en de eventuele belastingvrijstellingen bepaalt van de belastingen waarin hij voorziet. Het Hof vermag, in die 10 aangelegenheid, de beleidskeuzen van de decreetgever, alsook de motieven die daaraan ten grondslag liggen, slechts af te keuren indien zij op een manifeste vergissing zouden berusten of indien zij kennelijk onredelijk zouden zijn. B.8.
  58. Zoals is vermeld in B.1.2, zijn de toestellen die behoren tot categorie 2 de « automatische kansspelen met verminderde inzet », zoals vermeld in artikel 2, eerste lid, 11°, van de Kansspelwet, dat die toestellen als volgt definieert : « toestel waarop kansspelen worden geëxploiteerd waarbij met het kansspel minder kan gespeeld worden dan op andere toestellen in kansspelinrichtingen klasse III, waardoor het geheel van de inzetten resulteert in een gemiddeld uurverlies dat lager ligt dan het bedrag per uur bedoeld in artikel 8, derde lid, en de inzetten per spel de waarde van het hoogste muntstuk in omloop niet kan overstijgen ». De toestellen die behoren tot categorie 3 zijn « de automatische ontspanningstoestellen, met uitzondering van de toestellen die behoren tot de categorie 1 of 2, vermeld in punt 1° en 2°, die het toelaten, zelfs toevallig of bijkomstig, een prijs te winnen in geld, in natura, in de vorm van penningen of premiebons » (artikel 2.13.3.01, § 2, eerste lid, 3°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit, zoals gewijzigd bij artikel 2 van het decreet van 25 november 2022). In de parlementaire voorbereiding worden de tarieven als volgt toegelicht : « Het tarief voor de echte kansspelen (categorie A die categorie 1 wordt) blijft behouden op 4000 euro per jaar. Voor de kansspelen met verminderde inzet die categorie 2 vormen, maar die gelijkaardig zijn aan de kansspelen in categorie 1, wordt het tarief verhoogd van 150 naar 500 euro per toestel. De maatschappelijke kostprijs van gokverslavingen is een argument om deze toestellen zwaarder te belasten. Categorie 3 en 4 zijn eerder behendigheidstoestellen. Er wordt wel een onderscheid gemaakt naargelang met een toestel al dan niet een prijs kan gewonnen worden. Voor de toestellen in categorie 3 waar een prijs mee te winnen is, is enige vorm van belastbaarheid toch gewenst. Het voorgestelde tarief bedraagt 55 euro. Voor sommige toestellen en uitbaters (nu in categorie B, C en D) zal dat een verhoging betekenen, voor andere (nu in categorie E) is dat een verlaging. De echte behendigheidsspelen, die puur voor het amusement worden gespeeld en waaraan geen enkele financiële stimulans is verbonden, worden de facto niet meer belast (nultarief voor categorie 4) » (Parl. St. Vlaams Parlement, 2021-2022, nr. 1416/1, p. 15). 11 B.8.
  59. Uit de voormelde parlementaire voorbereiding blijkt dat de decreetgever de tarieven voor de verschillende categorieën van betrokken toestellen heeft vastgesteld, waarbij rekening wordt gehouden met de rendabiliteit ervan, de aard van het voorgestelde spel en de veelvuldigheid van de inzet. Daarnaast heeft de decreetgever, door de verhoging van de belasting op een bepaalde categorie van toestellen, op meer nauwkeurige wijze de strijd willen aanbinden tegen de gevaren die gepaard gaan met de kansspelen, en de spelers willen beschermen ten aanzien van een type toestellen dat specifieke kenmerken vertoont in verband met het risico van verslaving. In het licht van dat doel is het in het eerste onderdeel van het tweede middel bestreden verschil in behandeling niet zonder redelijke verantwoording. B.8.
  60. Het eerste onderdeel van het tweede middel is niet gegrond. 12 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus gewezen in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 27 maart
  61. De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Luc Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.038 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.