← België

ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.039

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 27 maart 2024 ECLI nr:

ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 76, § 2, tweede lid, 78, vierde

vijfde lid, 101, § 1, tweede lid, 101, § 2, derde lid,

109bis, §§ 1

3, van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door het Hof van Beroep te Antwerpen. Gerechtelijk recht - Hof van beroep - Samenstelling - Hoger beroep tegen een vonnis van de correctionele rechtbank - Burgerlijke vorderingen - Aangelegenheid die tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten behoort Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 39/2024 van 27 maart 2024 Rolnummer : 8055 In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 76, § 2, tweede lid, 78, vierde

vijfde lid, 101, § 1, tweede lid, 101, § 2, derde lid,

109bis, §§ 1

3, van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door het Hof van Beroep te Antwerpen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen

Pierre Nihoul,

de rechters Yasmine Kherbache, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt

Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag

rechtspleging Bij arrest van 27 juni 2023, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 5 juli 2023, heeft het Hof van Beroep te Antwerpen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 76, § 2, tweede lid, 78, vierde

vijfde lid, 101, § 1, tweede lid, 101, § 2, derde lid

109bis, §§ 1

3 Gerechtelijk Wetboek, aldus uitgelegd dat een raadsheer in een alleenzetelende kamer van het hof van beroep die in hoger beroep tegen een vonnis van de correctionele rechtbank kennis neemt van een overtreding van de wetten

verordeningen over een van de aangelegenheden die behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten,

, in geval van samenloop of samenhang, van genoemde overtredingen samen met een of meer overtredingen die niet behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten, geen gespecialiseerde vorming moet ontvangen zoals bedoeld in artikel 78, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek, terwijl de correctionele kamer met drie raadsheren van het hof van beroep die kennis neemt van dezelfde aangelegenheden, is samengesteld onder meer uit één raadsheer in het arbeidshof, de artikelen 10

11 van de Grondwet ? ». De Ministerraad, bijgestaan

vertegenwoordigd door Mr. Jürgen Vanpraet, advocaat bij de balie van West-Vlaanderen, heeft een memorie ingediend. 2 Bij beschikking van 31 januari 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Willem Verrijdt

Magali Plovie te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij de Ministerraad binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend,

dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten

de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen

kel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging

het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten

de rechtspleging in het bodemgeschil Het bodemgeschil heeft betrekking op de instorting van een steiger op een bouwwerf te Antwerpen, op 24 oktober 2018. Daarbij is een arbeider overleden

werd een andere arbeider verwond met een tijdelijke arbeidsongeschiktheid tot gevolg. Bij vonnis van 1 december 2022 heeft de Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, de onderneming die instond voor het plaatsen van de steiger

twee personen die voor die onderneming werkzaam waren, veroordeeld tot het betalen van een geldboete. De Rechtbank achtte de beklaagden schuldig aan inbreuken op artikel IV.5-8, derde

vierde lid, van de Codex over het welzijn op het werk van 28 april 2017 (hierna : de Codex over het welzijn op het werk), zoals strafbaar gesteld door artikel 127 van het Sociaal Strafwetboek. Zij besloot tot een vrijspraak voor de overige tenlasteleggingen, die inbreuken betroffen op artikel 50

bijlage III van het koninklijk besluit van 25 januari 2001 « betreffende de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen », op artikel IV.5-11, § 2, tweede lid, van de Codex over het welzijn op het werk

op de artikelen 418 tot 420 van het Strafwetboek. Daarnaast oordeelde de Rechtbank dat de vorderingen van de burgerlijke partijen ontvankelijk, maar niet gegrond waren. Het vonnis werd uitgesproken door een kamer samengesteld uit twee rechters in de rechtbank van eerste aanleg

een rechter in de arbeidsrechtbank, overeenkomstig de artikelen 76, § 2, tweede lid,

78, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Verschillende van de burgerlijke partijen hebben tegen het vonnis van 1 december 2022 hoger beroep ingesteld bij het Hof van Beroep te Antwerpen, het verwijzende rechtscollege. Noch het openbaar ministerie, noch de beklaagden hebben hoger beroep ingesteld, zodat het hoger beroep uitsluitend op de burgerlijke vorderingen betrekking heeft. Volgens het verwijzende rechtscollege is de zaak om die reden toegewezen aan een kamer met één raadsheer in het hof van beroep, overeenkomstig artikel 109bis, §§ 1

3, van het Gerechtelijk Wetboek. Indien ook het openbaar ministerie hoger beroep had ingesteld, zou de zaak zijn toegewezen aan een gespecialiseerde kamer samengesteld uit twee raadsheren in het hof van beroep

één raadsheer in het arbeidshof, overeenkomstig artikel 101, § 1, tweede lid,

§ 2, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek.

Bovendien ontvangt de alleenrechtsprekende rechter van de correctionele kamer in de rechtbank van eerste aanleg die kennisneemt van de overtredingen van de wetten

verordeningen over een van de aangelegenheden die behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten, een gespecialiseerde vorming, overeenkomstig artikel 78, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, in tegenstelling tot de alleenrechtsprekende raadsheer in het hof van beroep. Het verwijzende rechtscollege heeft daarom de hierboven weergegeven prejudiciële vraag gesteld. 3 III. In rechte -A- A.1.

  1. In hoofdorde voert de Ministerraad aan dat de prejudiciële vraag berust op een verkeerde lezing van de in het geding zijnde bepalingen. Minstens zijn die bepalingen vatbaar voor een grondwetsconforme interpretatie. A.1.
  2. Krachtens artikel 76, § 2, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek neemt ten minste één correctionele kamer van de rechtbank van eerste aanleg kennis van de overtredingen van de wetten

verordeningen over een van de aangelegenheden die behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten. Krachtens artikel 101, § 1, tweede lid,

§ 2

, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek is de gespecialiseerde correctionele kamer van het hof van beroep die kennisneemt van het hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen gewezen in aangelegenheden bedoeld in artikel 76, § 2, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, steeds samengesteld uit twee raadsheren in het hof van beroep

uit één raadsheer in het arbeidshof. Daaruit volgt dat, zodra het vonnis in eerste aanleg is gewezen door een gespecialiseerde correctionele kamer, de zaak in hoger beroep eveneens dient te worden toegewezen aan een gespecialiseerde correctionele kamer, ongeacht of het hoger beroep uitsluitend betrekking heeft op de burgerlijke vorderingen. Niet de aard van de vordering in hoger beroep is bepalend, maar de vraag of het vonnis in eerste aanleg een aangelegenheid bedoeld in artikel 76, § 2, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek betreft, aldus de Ministerraad. De Ministerraad benadrukt dat het steeds de bedoeling van de wetgever is geweest dat zowel in eerste aanleg als in hoger beroep een gespecialiseerde magistraat kennis zou nemen van de zaken over de aangelegenheden die behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten. Zulks blijkt ook uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 3 december 2006 « tot wijziging [van] diverse wettelijke bepalingen met betrekking tot het sociaal strafrecht », waarin de artikelen 76, § 2, tweede lid,

101, § 1, tweede lid,

§ 2, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek hun oorsprong vinden.

De wet van 5 mei 2019 « houdende diverse bepalingen in strafzaken

inzake erediensten,

tot wijziging van de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie

van het Sociaal Strafwetboek », aangenomen naar aanleiding van het arrest van het Hof nr. 162/2018 van 22 november 2018 (ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.162), heeft die zienswijze bevestigd met betrekking tot het hoger beroep tegen een vonnis van de politierechtbank. A.1.3. Artikel 109bis, §§ 1

3, van het Gerechtelijk Wetboek leidt volgens de Ministerraad niet tot een andere conclusie. Die bepaling werd ingevoerd bij de wet van 19 oktober 2015 « houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht

houdende diverse bepalingen inzake justitie » (hierna : de wet van 19 oktober 2015). Zij verankert, met betrekking tot de burgerlijke zaken, het beginsel van de alleenrechtsprekende raadsheer in het hof van beroep. De wet van 19 oktober 2015 heeft artikel 101, § 1, tweede lid,

§ 2, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek echter niet gewijzigd.

Die bepaling dient als een lex specialis te worden beschouwd

vormt bijgevolg een uitzondering op het beginsel van de alleenrechtsprekende raadsheer, zoals ook blijkt uit de rechtspraak van het Hof van Cassatie (Cass., 11 september 2018, P.17.1311.N, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180911.2). A.2. In ondergeschikte orde merkt de Ministerraad op dat het, in tegenstelling tot wat het geval is voor de alleenrechtsprekende rechter van de gespecialiseerde correctionele kamer in de rechtbank van eerste aanleg, niet de bedoeling was van de wetgever dat de alleenrechtsprekende raadsheer in het hof van beroep een gespecialiseerde vorming zou ontvangen. Op het niveau van het hof van beroep heeft de wetgever de specialisatie inzake arbeidsrechtelijke aangelegenheden uitsluitend willen waarborgen door te voorzien in een gespecialiseerde correctionele kamer bestaande uit twee raadsheren in het hof van beroep

één raadsheer in het arbeidshof. In zoverre het Hof van oordeel zou zijn dat het verwijzende rechtscollege de in het geding zijnde bepalingen juist interpreteert, vraagt de Ministerraad daarom voor recht te zeggen dat de eerste voorzitter van het hof van beroep het door de burgerlijke partijen ingestelde hoger beroep tegen vonnissen gewezen in aangelegenheden bedoeld in artikel 76, § 2, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, dient toe te wijzen aan een gespecialiseerde correctionele kamer samengesteld uit twee raadsheren in het hof van beroep

één raadsheer in het arbeidshof. Artikel 109bis, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek biedt de eerste voorzitter de mogelijkheid zaken ambtshalve aan een kamer met drie raadsheren toe te wijzen « wanneer de complexiteit of het belang van de zaak of bijzondere, objectieve omstandigheden daartoe aanleiding geven ». A.

  1. Tot slot vraagt de Ministerraad dat het Hof de gevolgen van de in het geding zijnde bepalingen zou handhaven ten aanzien van alle arresten die vóór de bekendmaking van het arrest in het Belgisch Staatsblad zijn gewezen in dezelfde omstandigheden als die van het bodemgeschil, overeenkomstig artikel 28, tweede lid, van de 4 bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof. Het verzoek tot handhaving van de gevolgen geldt eveneens indien het Hof de argumentatie van de Ministerraad in hoofdorde volgt. Het is immers niet uitgesloten dat in het verleden ook andere alleenrechtsprekende raadsheren in het hof van beroep ten onrechte uitspraak hebben gedaan over hogere beroepen tegen vonnissen gewezen in aangelegenheden bedoeld in artikel 76, § 2, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Een handhaving laat toe rechtsonzekerheid te vermijden met betrekking tot dergelijke arresten. -B- B.
  2. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de samenstelling van het hof van beroep, wanneer het kennisneemt van een hoger beroep tegen een vonnis betreffende een overtreding van de wetten

verordeningen over een aangelegenheid die tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten behoort. B.2.1. Artikel 101, § 1, eerste

tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt : « Er zijn in het hof van beroep kamers voor burgerlijke zaken, kamers voor correctionele zaken, jeugdkamers

familiekamers, tot die laatste kamers behoren kamers voor minnelijke schikking. Ten minste één correctionele kamer neemt kennis van het hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen gewezen betreffende de in artikel 76, § 2, tweede lid, bedoelde aangelegenheden ». Artikel 101, § 2, tweede

derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt : « De kamers van het hof van beroep houden zitting, ofwel met drie raadsheren in het hof van beroep, de voorzitter daaronder begrepen, ofwel met één lid, kamervoorzitter of raadsheer in het hof. De in § 1, tweede lid, bedoelde gespecialiseerde correctionele kamer is samengesteld uit twee raadsheren in het hof van beroep, de voorzitter daaronder begrepen,

uit één raadsheer in het arbeidshof ». B.2.2. Krachtens artikel 76, § 2, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek neemt ten minste één correctionele kamer van de rechtbank van eerste aanleg in het bijzonder kennis van de overtredingen van de wetten

verordeningen over een van de aangelegenheden die behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten,

, in geval van samenloop of samenhang, van genoemde overtredingen samen met een of meer overtredingen die niet behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten. 5 Artikel 78, vierde

vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt : « De alleenrechtsprekende rechter van de in artikel 76, § 2, tweede lid, bedoelde gespecialiseerde correctionele kamer ontvangt een gespecialiseerde vorming georganiseerd door het Instituut voor gerechtelijke opleiding. Wanneer de in artikel 76, § 2, tweede lid, bedoelde gespecialiseerde correctionele kamer bestaat uit drie rechters zoals voorzien in artikel 92, § 1, eerste lid

§ 1

/1, is zij samengesteld uit twee rechters van de rechtbank van eerste aanleg

een rechter in de arbeidsrechtbank ». B.3. De regeling inzake de gespecialiseerde correctionele kamers voor de aangelegenheden die tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten behoren, vindt haar oorsprong in de wet van 3 december 2006 « tot wijziging [van] diverse wettelijke bepalingen met betrekking tot het sociaal strafrecht » (hierna : de wet van 3 december 2006). De memorie van toelichting van die wet vermeldt : « De specialisatie van de correctionele kamers gebeurt zowel in eerste als in tweede aanleg. Op het niveau van de correctionele kamers van de rechtbank van eerste aanleg verschilt zij naargelang het gaat om een kamer met een alleen zetelend rechter of om een kamer met drie rechters. [...] In de kamer met drie rechters gebeurt de specialisatie door de bijzondere samenstelling ervan. Aan de rechters die uit de correctionele rechtbank komen, wordt inderdaad een rechter uit de arbeidsrechtbank toegevoegd. [...] In de tweede aanleg van de rechtspraak wordt deze driepartijensamenstelling eveneens nageleefd. De continuïteit van het onderzoek van de zaak door specialisten ter zake wordt aldus verzekerd. Gelet op het feit dat de ‘ gewone ’ correctionele kamers van het hof van beroep zijn samengesteld uit drie raadsheren, is de specialisatie van de kamer gewaarborgd door de aanwezigheid van een raadsheer in het arbeidshof » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1610/001, pp. 5-6).

: « Dezelfde specialisatie moet inderdaad ingevoerd worden in de twee graden van de rechtspraak om de continuïteit

de gelijke behandeling van de dossiers te verzekeren. Het zou 6 onvoorstelbaar zijn mocht een kamer die weinig of niets weet van de aangelegenheden in sociaal strafrecht zich moeten uitspreken over de gegrondheid van een beslissing die door specialisten werd genomen » (ibid., pp. 13-14). B.4. De prejudiciële vraag heeft eveneens betrekking op artikel 109bis, §§ 1

3, van het Gerechtelijk Wetboek, dat bepaalt : « § 1. Tenzij het uitsluitend op burgerlijke vorderingen betrekking heeft of

kel nog op dergelijke vorderingen betrekking heeft, wordt het hoger beroep tegen beslissingen in strafzaken toegewezen aan een kamer met drie raadsheren, in voorkomend geval aan de kamer bedoeld in artikel 101, § 1, derde lid. [...] § 3. De andere zaken worden toegewezen aan kamers met één raadsheer in het hof. Wanneer de complexiteit of het belang van de zaak of bijzondere, objectieve omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan de eerste voorzitter zaken geval per geval ambtshalve aan een kamer met drie raadsheren toewijzen ». Die paragrafen werden ingevoerd bij de wet van 19 oktober 2015 « houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht

houdende diverse bepalingen inzake justitie » (hierna : de wet van 19 oktober 2015). Luidens de memorie van toelichting van die wet « [geldt] ook in de hoven van beroep [...] voortaan het principe dat de zaken worden toegewezen aan kamers met een alleenrechtsprekende raadsheer, tenzij de wet anders vermeldt » (Parl. St., Kamer, 2014-2015, DOC 54-1219/001, p. 46). B.5.1. Het bodemgeschil betreft een hoger beroep ingesteld tegen een vonnis gewezen in aangelegenheden bedoeld in artikel 76, § 2, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Aangezien uitsluitend de burgerlijke partijen hoger beroep hebben ingesteld, heeft dat hoger beroep

kel betrekking op de burgerlijke vorderingen. Krachtens artikel 202 van het Wetboek van strafvordering behoort immers het recht om hoger beroep in te stellen tegen de vonnissen gewezen door de correctionele rechtbanken onder meer aan de burgerlijke partij, doch « alleen wat haar burgerlijke belangen betreft ». Daaruit volgt dat « bij ontstentenis van hoger beroep van het openbaar ministerie, […] het hoger beroep van de burgerlijke partij, ook al is zij rechtstreeks dagende partij, tegen een beslissing waarbij de beklaagde wordt vrijgesproken, de strafvordering niet voor de appelrechter [brengt] » (Cass., 11 februari 2009, Arr. Cass., 2009, nr. 113, ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090211.6). 7 B.5.2. Het verwijzende rechtscollege is van oordeel dat de artikelen 101, § 1, tweede lid,

§ 2

, derde lid,

109bis, §§ 1

3, van het Gerechtelijk Wetboek zo dienen te worden geïnterpreteerd dat in een dergelijke situatie de zaak wordt toegewezen aan een kamer samengesteld uit één raadsheer in het hof van beroep. Daardoor zouden de partijen bij een hoger beroep dat

kel betrekking heeft op de burgerlijke vorderingen, in tegenstelling tot de partijen bij een hoger beroep dat eveneens betrekking heeft op de strafvordering, niet de waarborg genieten dat het beroep wordt behandeld door een gespecialiseerde correctionele kamer samengesteld uit twee raadsheren in het hof van beroep

uit één raadsheer in het arbeidshof. Evenmin heeft de alleenrechtsprekende raadsheer, naar analogie van artikel 78, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, een gespecialiseerde vorming gevolgd in de aangelegenheden die tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten behoren. B.6. De Ministerraad voert aan dat de prejudiciële vraag berust op een verkeerde lezing van de in het geding zijnde bepalingen. Ook wanneer het hoger beroep tegen een vonnis gewezen in aangelegenheden bedoeld in artikel 76, § 2, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek

kel betrekking heeft op de burgerlijke vorderingen, dient dat hoger beroep volgens de Ministerraad te worden toegewezen aan een gespecialiseerde correctionele kamer. B.

  1. Het staat in de regel aan het verwijzende rechtscollege om de bepalingen die het van toepassing acht te interpreteren, onder voorbehoud van een kennelijk verkeerde lezing van de in het geding zijnde bepalingen. B.
  2. Krachtens artikel 101, § 1, tweede lid,

§ 2

, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek neemt een gespecialiseerde correctionele kamer in het hof van beroep kennis van het hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen gewezen in aangelegenheden bedoeld in artikel 76, § 2, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek,

is die kamer samengesteld uit twee raadsheren in het hof van beroep

uit één raadsheer in het arbeidshof. Zoals de Ministerraad opmerkt, maakt die bepaling geen onderscheid naargelang het hoger beroep

kel betrekking heeft op de burgerlijke vorderingen, dan wel eveneens op de strafvordering. Het

ige criterium om te bepalen of de zaak dient te worden toegewezen aan de gespecialiseerde correctionele kamer, betreft de vraag of het vonnis in eerste aanleg betrekking had op de in artikel 76, § 2, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde aangelegenheden, te weten de overtredingen van de wetten

verordeningen over een van de 8 aangelegenheden die behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten. Uit de in B.3 vermelde parlementaire voorbereiding van de wet van 3 december 2006 blijkt overigens dat het de bedoeling was van de wetgever om, wat de specialisatie van de magistraten betreft inzake de arbeidsrechtelijke aangelegenheden, een continuïteit te waarborgen tussen de eerste aanleg

het hoger beroep. B.9.1. Volgens het verwijzende rechtscollege volgt evenwel uit artikel 109bis, §§ 1

3, van het Gerechtelijk Wetboek dat een hoger beroep dat

kel op de burgerlijke vorderingen betrekking heeft, dient te worden toegewezen aan een kamer met één raadsheer in het hof van beroep, ook al werd dat hoger beroep ingesteld tegen een vonnis gewezen in aangelegenheden bedoeld in artikel 76, § 2, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek. B.9.2. Artikel 109bis, §§ 1

3, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals weergegeven in B.4, werd ingevoegd bij de wet van 19 oktober 2015. Vóór de inwerkingtreding van die wet bepaalde artikel 109bis, § 2, eerste lid, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals ingevoegd bij de wet van 25 april 2014 « houdende diverse bepalingen betreffende Justitie » (hierna : de wet van 25 april 2014), reeds dat « het hoger beroep tegen beslissingen over burgerlijke rechtsvorderingen die tezelfdertijd

voor dezelfde rechters werden vervolgd als de strafvordering, voor zover dit hoger beroep niet gelijktijdig met het hoger beroep op strafgebied wordt behandeld » aan een kamer met één raadsheer werd toegewezen. Krachtens het toenmalige artikel 109bis, § 2, tweede lid, werd dat hoger beroep evenwel toegewezen « aan een kamer met drie raadsheren in het hof indien dit werd gevraagd door de beklaagde, de burgerrechtelijk aansprakelijke partij of de burgerlijke partij ». Noch de wet van 25 april 2014, noch de wet van 19 oktober 2015 hebben artikel 101, § 1, tweede lid,

§ 2, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek gewijzigd.

Daarenboven bevestigt de in B.4 vermelde parlementaire voorbereiding van de wet van 19 oktober 2015 dat de zaken in beginsel ook in de hoven van beroep worden toegewezen aan een alleenrechtsprekende raadsheer, « tenzij de wet anders vermeldt ». B.10. Uit het bovenstaande volgt dat artikel 101, § 1, tweede lid,

§ 2

, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek als een lex specialis dient te worden beschouwd ten aanzien van de in artikel 109bis, §§ 1

3, van het Gerechtelijk Wetboek vervatte regel dat het hoger beroep dat

kel op de burgerlijke vorderingen betrekking heeft, in beginsel aan een kamer met één 9 raadsheer in het hof van beroep wordt toegewezen. Bijgevolg dient de in artikel 101, § 1, tweede lid,

§ 2

, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde gespecialiseerde correctionele kamer kennis te nemen van het hoger beroep tegen een vonnis gewezen in aangelegenheden bedoeld in artikel 76, § 2, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, ook al heeft dat hoger beroep

kel betrekking op de burgerlijke vorderingen. B.

  1. Aangezien zij op een kennelijk verkeerde lezing van de in het geding zijnde bepalingen berust, behoeft de prejudiciële vraag geen antwoord. B.
  2. De Ministerraad verzoekt om de handhaving van de gevolgen van de in het geding zijnde bepalingen, zelfs indien het Hof zou oordelen dat de prejudiciële vraag op een verkeerde lezing van die bepalingen berust. Daarmee wenst de Ministerraad rechtsonzekerheid te vermijden met betrekking tot de eventuele arresten die reeds in andere zaken zouden zijn uitgesproken door een onjuist samengestelde kamer van het hof van beroep. Artikel 28, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof bepaalt : « Zo het Hof dit nodig oordeelt, wijst het, bij wege van algemene beschikking, die gevolgen van de ongrondwettig bevonden bepalingen aan welke als gehandhaafd moeten worden beschouwd of voorlopig gehandhaafd worden voor de termijn die het vaststelt ». Aangezien het Hof de in het geding zijnde bepalingen niet ongrondwettig heeft bevonden, is er geen aanleiding om in te gaan op het verzoek van de Ministerraad. In tegenstelling tot wat de Ministerraad lijkt te vrezen, opent het onderhavige arrest overigens geen mogelijkheid om, overeenkomstig de artikelen 10

volgende van de voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989, de intrekking te vorderen van reeds in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissingen. Een dergelijke mogelijkheid bestaat

kel in geval van een vernietigingsarrest. 10 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. Aldus gewezen in het Nederlands

het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 27 maart 2024. De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Luc Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.039 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090211.6 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180911.2 ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.162 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.