id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 11 april 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.041 Arrest- Rolnummer: 41/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-04-22 Raadplegingen: 280 - laatst gezien 2026-06-17 14:59 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende artikel 2 van het koninklijk besluit van 27 juni 1974 « waarbij op 1 april 1972 worden vastgelegd de schalen verbonden aan de ambten van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel en van het paramedisch personeel bij de rijksonderwijsinrichtingen, van de leden van de Algemene Sturingsdienst van de Scholen en Psycho-medisch-sociale centra aan de ambten van de leden van de inspectiedienst, belast met het toezicht op deze inrichtingen en aan de ambten van de leden van de inspectiedienst van het schriftelijk onderwijs en van het gesubsidieerd lager onderwijs, en de schalen verbonden aan de graden van het personeel van de psycho-medisch-sociale centra van de Staat », geldig verklaard bij artikel 3 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 13 december 2012 « tot geldigverklaring van diverse bepalingen die van toepassing zijn op het personeel van het onderwijs ingericht of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap », gesteld door de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Onderwijs - Franse Gemeenschap - Inspecteur in het gewoon en/of gespecialiseerd basisonderwijs - Houder van een masterdiploma in de opvoedingswetenschappen of een daarmee gelijkwaardig diploma - Weddeschaal Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 41/2024 van 11 april 2024 Rolnummer : 7958 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 2 van het koninklijk besluit van 27 juni 1974 « tot vaststelling op 1 april 1972 van de schalen verbonden aan de ambten van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel van de rijksonderwijsinrichtingen, van de personeelsleden van de algemene sturingsdienst van de scholen en de psycho-medisch-sociale centra, van de personeelsleden van de Algemene Inspectiedienst belast met het toezicht op deze inrichtingen, van het personeel van de Algemene Inspectiedienst van het correspondentieonderwijs en van het gesubsidieerd lager onderwijs en van de gradenschalen van het personeel van de psycho-medisch-sociale centra van de Staat », geldig verklaard bij artikel 3 van het decreet van 13 december 2012 « tot geldigverklaring van diverse bepalingen die van toepassing zijn op het personeel van het onderwijs ingericht of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap », gesteld door de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit rechter Thierry Giet, waarnemend voorzitter, voorzitter Luc Lavrysen, en de rechters Joséphine Moerman, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt en Kattrin Jadin, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van rechter Thierry Giet, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 22 december 2022, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 24 maart 2023, heeft de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 2 van het koninklijk besluit van 27 juni 1974 waarbij op 1 april 1972 worden vastgelegd de schalen verbonden aan de ambten van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel en van het paramedisch personeel bij de rijksonderwijsinrichtingen, van de personeelsleden van de algemene sturingsdienst van de scholen en de psycho-medisch-sociale centra, aan de ambten van de leden van de inspectiedienst, belast met het toezicht op deze inrichtingen en aan de ambten van de leden van 2 de inspectiedienst van het correspondentieonderwijs en van het gesubsidieerd lager onderwijs, en de schalen verbonden aan de graden van het personeel van de psycho-medisch-sociale centra van de Staat, geldig verklaard bij artikel 3 van het decreet van 13 december 2012 tot geldigverklaring van diverse bepalingen die van toepassing zijn op het personeel van het onderwijs ingericht of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het voorziet in een hogere weddeschaal voor inspecteurs die benoemd of aangewezen zijn in de functie van inspecteur voor de algemene vakken in het secundair onderwijs van de hogere graad en in het niet-universitair hoger onderwijs die houder zijn van een universitair diploma, in vergelijking met de andere categorieën van inspecteurs die tijdelijk zijn aangewezen of definitief zijn benoemd in de functie van inspecteur in het gewone en/of gespecialiseerde basisonderwijs en houder zijn van ‘ een masterdiploma in de onderwijswetenschappen of een masterdiploma in de psychopedagogie, of een licentiaatsdiploma in de onderwijswetenschappen, of een licentiaatsdiploma in de voortgezette onderwijswetenschappen en -technieken, of een licentiaatsdiploma in de psychopedagogische wetenschappen, of een licentiaatsdiploma in de psychopedagogie, of een licentiaatsdiploma inzake opleidingsbeleid en psychopedagogie, of een licentiaatsdiploma inzake opleidingsbeleid en -praktijk ’ ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - Sophie Gracz, Isabelle Procureur en Mercedes Vercouter, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Nathalie Fortemps, advocate bij de balie te Brussel; - de Franse Gemeenschap, vertegenwoordigd door haar Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Marc Nihoul, advocaat bij de balie van Waals-Brabant. Bij beschikking van 14 februari 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggeefsters Emmanuelle Bribosia en Joséphine Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De aan het verwijzende rechtscollege voorgelegde zaak betreft de weddeschalen die van toepassing zijn op de inspecteurs die door de Franse Gemeenschap tijdelijk zijn aangesteld of vastbenoemd zijn in ambten van inspecteur in het gewoon en/of gespecialiseerd basisonderwijs en die houder zijn van een « een masterdiploma in de onderwijswetenschappen of een masterdiploma in de psychopedagogie, van een licentiaatsdiploma in de onderwijswetenschappen, van een licentiaatsdiploma in de voortgezette onderwijswetenschappen en -technieken, van een licentiaatsdiploma in de psychopedagogische wetenschappen, van een licentiaatsdiploma in de 3 psychopedagogie, van een licentiaatsdiploma inzake opleidingsbeleid en psychopedagogie, of van een licentiaatsdiploma inzake opleidingsbeleid en -praktijk » (hierna : het masterdiploma in de onderwijswetenschappen of het daarmee gelijkwaardige diploma). Negentien inspecteurs betwisten die schalen voor de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel en vorderen dat de Franse Gemeenschap ertoe wordt veroordeeld hun het verschil te betalen tussen de wedde die zij op die basis hebben ontvangen en de wedde die zij zouden hebben ontvangen op basis van schaal 475, die wordt toegekend aan de inspecteurs van algemene vakken in het secundair onderwijs van de hogere graad en in het niet-universitair hoger onderwijs die houder zijn van een universitair diploma, om reden dat het verschil in wedde ten gevolge van die schalen discriminerend zou zijn. Na de formulering van de door de partijen gesuggereerde prejudiciële vraag te hebben gewijzigd, stelt de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op verzoek van laatstgenoemden, aan het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.1.
- De Franse Gemeenschapsregering voert aan dat de in het geding zijnde bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt in zoverre de situatie van de inspecteurs die door de Franse Gemeenschap tijdelijk zijn aangesteld of vastbenoemd zijn in ambten van inspecteur in het gewoon en/of gespecialiseerd basisonderwijs, die houder zijn van een masterdiploma in de opvoedingswetenschappen of een daarmee gelijkwaardig diploma, niet vergelijkbaar is met de situatie van de inspecteurs van algemene vakken in het secundair onderwijs van de hogere graad en in het niet-universitair hoger onderwijs die houder zijn van een universitair diploma, noch op het vlak van het ambt, noch op het vlak van de diploma’s. A.1.
- Ten aanzien van de uitgeoefende ambten voert de Franse Gemeenschapsregering aan dat het decreet van 10 januari 2019 « betreffende de algemene inspectiedienst » (hierna : het decreet van 10 januari 2019) verschillende categorieën vaststelt onder het personeel van de Inspectiedienst, alsook erin voorziet dat de Regering het competentieprofiel vaststelt om toegang te kunnen hebben tot de stage als inspecteur; bijlage 1 van hetzelfde decreet stelt verschillende categorieën van ambten van inspecteur vast, alsook de initiële opleiding die vereist is om toegang te hebben tot die ambten. Die elementen tonen volgens de Franse Gemeenschapsregering aan dat de categorieën van inspecteurs die in de prejudiciële vraag worden beoogd, zich in wezenlijk verschillende situaties bevinden. A.1.
- Ten aanzien van de vereiste diploma’s zet de Franse Gemeenschapsregering uiteen dat alleen bepaalde specifieke diploma’s (het masterdiploma in de opleidingswetenschappen of een daarmee gelijkwaardig diploma) toelaten de schaal toe te kennen die de eisende partijen voor het verwijzende rechtscollege genieten, terwijl schaal 475 wordt toegekend op basis van ongeacht welk universitair diploma. Hieruit vloeit voort dat de in de prejudiciële vraag beoogde situaties niet vergelijkbaar zijn. A.2.
- De Franse Gemeenschapsregering is eveneens van mening dat, indien de situaties vergelijkbaar zouden worden geacht, er zou dienen te worden besloten dat het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de in het geding zijnde bepaling redelijk verantwoord is gelet op het minieme karakter ervan en de objectieve verschillen die tussen de vergeleken situaties bestaan. A.2.
- De Franse Gemeenschapsregering onderstreept dat, om toegang te hebben tot het ambt van inspecteur, ervaring in het desbetreffende onderwijs moet worden aangetoond. In zoverre de schalen niet identiek zijn in dat onderwijs, dienen zij dat evenmin te zijn in de ambten van inspecteur. Het tegendeel aanvoeren, komt erop neer de specifieke kenmerken van het ambt van onderwijzer en van dat van inspecteur op verschillende niveaus te ontkennen, hetgeen belet verschillende schalen inzake onderwijs vast te stellen. A.3.
- De eisende partijen voor het verwijzende rechtscollege voeren aan dat de in het geding zijnde bepaling een niet redelijk verantwoord verschil in behandeling doet ontstaan tussen de verschillende categorieën van inspecteurs. 4 A.3.
- De eisende partijen voor het verwijzende rechtscollege zetten uiteen dat, behalve wat de benoemingsvoorwaarden voor inspecteurs betreft, onder de gelding van het decreet van 8 maart 2007 « betreffende de algemene inspectiedienst, de dienst voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, de cellen voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde onderwijs en betreffende het statuut van de personeelsleden van de algemene inspectiedienst en van de pedagogische adviseurs » (hierna : het decreet van 8 maart 2007) alle inspecteurs belast waren met identieke opdrachten (hoewel die in verschillende diensten werden uitgevoerd), zij dezelfde proef moesten afleggen om toegang te hebben tot het ambt en zij een algemeen functieprofiel hadden. Hieruit vloeit voort dat de situaties van de in de prejudiciële vraag beoogde categorieën van inspecteurs vergelijkbaar zijn onder de gelding van het decreet van 8 maart
- A.4.
- Volgens de eisende partijen voor het verwijzende rechtscollege doen de aanneming van het decreet van 10 januari 2019 en de nagenoeg integrale opheffing van het decreet van 8 maart 2007 niets af aan die vaststelling. Zij voeren aan dat de aan de ambten van inspecteur toevertrouwde opdrachten alle identiek zijn, ongeacht de dienst waarin die worden gepresteerd, dat de functieprofielen van inspecteur vergelijkbaar blijven ongeacht de titel van het ambt en dat de selectieproef identiek is voor alle inspecteurs. A.4.
- De eisende partijen voor het verwijzende rechtscollege zijn van mening dat, aangezien zij houder zijn van een diploma van hetzelfde niveau in vergelijking met dat van de inspecteurs van algemene vakken in het secundair onderwijs van de hogere graad en in het niet-universitair hoger onderwijs die houder zijn van een universitair diploma, het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende schalen en waarvan zij het minieme karakter betwisten, niet redelijk verantwoord is. -B– Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling en de context ervan B.
- Artikel 2 van het koninklijk besluit van 27 juni 1974 « tot vaststelling op 1 april 1972 van de schalen verbonden aan de ambten van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel van de rijksonderwijsinrichtingen, van de personeelsleden van de algemene sturingsdienst van de scholen en de psycho-medisch-sociale centra, van de personeelsleden van de Algemene Inspectiedienst belast met het toezicht op deze inrichtingen, van het personeel van de Algemene Inspectiedienst van het correspondentieonderwijs en van het gesubsidieerd lager onderwijs en van de gradenschalen van het personeel van de psycho-medisch-sociale centra van de Staat » (hierna : het koninklijk besluit van 27 juni 1974), geldig verklaard bij artikel 3 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 13 december 2012 « tot geldigverklaring van diverse bepalingen die van toepassing zijn op het personeel van het onderwijs ingericht of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap » (hierna : het decreet van 13 december 2012), bepaalt de weddeschaal van alle ambten van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel van de rijksonderwijsinrichtingen, van de personeelsleden van de algemene sturingsdienst van de 5 scholen en psycho-medisch-sociale centra, van de personeelsleden van de inspectiedienst belast met het toezicht op die inrichtingen, van de personeelsleden van de inspectiedienst van het schriftelijk onderwijs en van het gesubsidieerd lager onderwijs en van alle graden van het personeel van de psycho-medisch-sociale centra van de Staat. Hoofdstuk I van het koninklijk besluit van 27 juni 1974, zoals geldig verklaard bij artikel 3 van het decreet van 13 december 2012, heeft betrekking op het personeel van de algemene inspectiedienst en legt de weddeschalen vast voor verschillende ambten van inspecteur. De inspecteurs van het kleuteronderwijs, de inspecteurs van het lager onderwijs, de inspecteurs godsdienst van het lager onderwijs, de inspecteurs zedenleer van het lager onderwijs en de inspecteurs burgerzin en filosofie van het lager onderwijs vallen in beginsel onder schaal 190/1, hetgeen, volgens de omzendbrief 8137 van 11 juni 2021, overgezonden door de eisende partijen voor het verwijzende rechtscollege, overeenstemt met een geïndexeerde brutomaandwedde van minimum 3 881,06 euro en maximum 6 006,15 euro. Indien zij houder zijn van een masterdiploma in de onderwijswetenschappen of een daarmee gelijkwaardig diploma, wordt aan diezelfde inspecteurs echter schaal 469 toegekend, die overeenstemt met een geïndexeerde brutomaandwedde van minimum 4 014,75 euro en maximum 6 469,84 euro. De inspecteurs van algemene vakken in het secundair onderwijs van de hogere graad en in het niet-universitair hoger onderwijs die houder zijn van een universitair diploma krijgen schaal 475 toegekend. Die weddeschaal stemt, volgens de voormelde omzendbrief 8137, overeen met een geïndexeerde brutomaandwedde van minimum 4 392,12 euro en maximum 6 847,20 euro. B.
- Krachtens artikel 1 van de wet van 22 juni 1964 « betreffende het statuut der personeelsleden van het Rijksonderwijs » stond het aan de Koning en staat het vandaag aan de Franse Gemeenschap om zowel het administratieve als het geldelijke statuut te bepalen van de leden van het onderwijspersoneel, met inbegrip van de leden van de Algemene Inspectiedienst. Ter uitvoering van die bepaling is het koninklijk besluit van 27 juni 1974 aangenomen. B.
- Vóór de herwaardering van de weddeschaal bij artikel 10 van het besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 14 mei 2009 « houdende revalorisatie van sommige leden van het onderwijspersoneel, houder van een master, met toepassing van het akkoordprotocol 6 van 20 juni 2008 » (hierna : het besluit van de Regering van 14 mei 2009) vielen de inspecteurs van het kleuteronderwijs en van het lager onderwijs allen onder schaal 190/1, ongeacht of zij al dan niet houder waren van een universitair diploma. De in B.1 vermelde schaal 469 vloeit dus voort uit een valorisatie van de masterdiploma’s in de onderwijswetenschappen of een daarmee gelijkwaardig diploma, waartoe onder meer is beslist met toepassing van het akkoordprotocol van 20 juni 2008 dat voor de periode 2009-2010 is gesloten met de representatieve organisaties van de onderwijssector. B.
- Het koninklijk besluit van 27 juni 1974, alsook de opeenvolgende wijzigingen ervan (met inbegrip van de wijziging bij het besluit van de Regering van 14 mei 2009), zijn geldig verklaard bij artikel 3 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 13 december 2012, met de bedoeling een onwettigheid te verhelpen wegens de niet-raadpleging van de afdeling wetgeving van de Raad van State die werd vastgesteld door het Hof van Cassatie in zijn arrest van 23 maart 2012 (Parl. St, Parlement van de Franse Gemeenschap, 2012-2013, nr. 430/1, p. 4). Ten aanzien van de prejudiciële vraag B.
- Aan het Hof wordt een vraag gesteld over de bestaanbaarheid van artikel 2 van het koninklijk besluit van 27 juni 1974, geldig verklaard bij artikel 3 van het decreet van 13 december 2012, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het voor de inspecteurs die zijn benoemd of aangesteld in ambten van inspecteur van algemene vakken in het secundair onderwijs van de hogere graad en in het niet-universitair hoger onderwijs die houder zijn van een universitair diploma voorziet in een hogere weddeschaal, dan die voor de inspecteurs die tijdelijk zijn aangesteld of vastbenoemd zijn in ambten van inspecteur in het gewoon en/of gespecialiseerd basisonderwijs die houder zijn van een masterdiploma in de opvoedingswetenschappen of een daarmee gelijkwaardig diploma. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die situatie, die dus niet de inspecteurs betreft die zijn benoemd in ambten van inspecteur in het secundair onderwijs van de lagere graad, die houder zijn van een masterdiploma in de opvoedingswetenschappen of een daarmee gelijkwaardig diploma en die onder schaal 470 vallen. 7 B.6.
- De Franse Gemeenschapsregering voert aan dat de situaties van de in de prejudiciële vraag beoogde inspecteurs niet vergelijkbaar zijn, noch op het vlak van het vereiste diploma, noch op het vlak van het uitgeoefende ambt. B.6.
- Verschil en niet-vergelijkbaarheid mogen niet met elkaar worden verward. Hoewel het juist is dat de diploma’s die vereist zijn voor de toepassing van weddeschaal 475 (inspecteurs van algemene vakken in het secundair onderwijs van de hogere graad en in het niet-universitair hoger onderwijs) of van weddeschaal 469 (inspecteurs in het gewoon en/of gespecialiseerd basisonderwijs), verschillen, enerzijds, ongeacht welk universitair diploma en, anderzijds, een masterdiploma in de opvoedingswetenschappen of een daarmee gelijkwaardig diploma, kan een verschil in de titel van die diploma’s niet volstaan om elke vergelijking tussen de in de prejudiciële vraag beoogde situaties onmogelijk te maken, temeer daar de verschillende vereiste diploma’s alle overeenstemmen met eenzelfde niveau, namelijk de master. B.6.
- Evenzo maakt noch het decreet van 8 maart 2007 « betreffende de algemene inspectiedienst, de dienst voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, de cellen voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde onderwijs en betreffende het statuut van de personeelsleden van de algemene inspectiedienst en van de pedagogische adviseurs », noch het decreet van 10 januari 2019 « betreffende de algemene inspectiedienst » (hierna : het decreet van 10 januari 2019) het mogelijk om vast te stellen dat de ambten van de inspecteurs van algemene vakken in het hoger secundair onderwijs en in het niet-universitair hoger onderwijs dermate verschillen van die van de inspecteurs in het kleuteronderwijs en het lager onderwijs, dat zij niet met elkaar zouden kunnen worden vergeleken. B.6.
- Uit hetgeen voorafgaat, vloeit voort dat de situatie van de inspecteurs die zijn benoemd of aangesteld in ambten van inspecteur van algemene vakken in het secundair onderwijs van de hogere graad en in het niet-universitair hoger onderwijs die houder zijn van een universitair diploma, en de situatie van de inspecteurs die tijdelijk zijn aangesteld of vastbenoemd zijn in ambten van inspecteur in het gewoon en/of gespecialiseerd basisonderwijs en houder zijn van een masterdiploma in de opvoedingswetenschappen of een daarmee gelijkwaardig diploma, niet dermate verschillen dat zij niet met elkaar zouden kunnen worden vergeleken. Het gaat in beide gevallen immers om personen aan wie opdrachten zijn 8 toevertrouwd waarmee de algemene inspectiedienst belast is en die houder zijn van een masterdiploma. B.
- Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.
- Zoals de Franse Gemeenschapsregering en de eisende partijen voor het verwijzende rechtscollege opmerken, stelt de Franse Gemeenschap de schalen van haar personeelsleden vast naargelang van, enerzijds, de diploma’s of bekwaamheidsbewijzen waarvan zij houder zijn en, anderzijds, de ambten die zij uitoefenen. Het verschil in behandeling waarover het verwijzende rechtscollege een vraag stelt, steunt dus op een dubbel criterium : enerzijds de diploma’s waarvan de inspecteurs houder zijn en anderzijds de ambten die de inspecteurs uitoefenen. Die criteria zijn objectief. Het Hof moet nagaan of dat verschil in behandeling redelijk verantwoord is. B.9.
- In tegenstelling tot de ambten van inspecteur van algemene vakken in het hoger secundair onderwijs en in het niet-universitair hoger onderwijs hangt de toegang tot het ambt van inspecteur in het kleuteronderwijs en het lager onderwijs niet af van het bezit van een universitair diploma. Een dergelijk verschil op het vlak van het diploma dat vereist is om toegang te hebben tot het ambt, kan een verschil in behandeling verantwoorden ten aanzien van de schalen die van toepassing zijn op die twee categorieën van inspecteurs. B.9.
- Met de aanneming van het besluit van 14 mei 2009, na overleg met de representatieve organisaties van de onderwijssector, heeft de Franse Gemeenschapsregering beslist de op verschillende categorieën van haar personeelsleden toepasselijke weddeschalen te wijzigen teneinde het bezit van bepaalde diploma’s (de masterdiploma’s in de 9 opvoedingswetenschappen of de daarmee gelijkwaardige diploma’s) te valoriseren. Bij die gelegenheid heeft zij beslist dat de inspecteurs in het kleuteronderwijs en het lager onderwijs die houder zijn van een masterdiploma in de opvoedingswetenschappen of een daarmee gelijkwaardig diploma, voortaan zouden ressorteren onder schaal 469, en niet langer onder schaal 190/
- B.9.
- De beslissing om de weddeschaal die van toepassing is op de inspecteurs van het kleuteronderwijs en het lager onderwijs die houder zijn van een masterdiploma in de opvoedingswetenschappen of een daarmee gewaardig diploma te herwaarderen, verplichtte de Franse Gemeenschapsregering niet ertoe die schaal af te stemmen op die van de inspecteurs van het secundair onderwijs van de hogere graad en van het niet-universitair hoger onderwijs, gelet op inzonderheid het verschil in diploma dat vereist is om toegang te hebben tot het in B.9.1 vermelde ambt. B.
- Uit die valorisatie van de weddeschaal voor bepaalde diploma’s kan overigens niet worden afgeleid dat de ambten van inspecteur in het kleuteronderwijs en het lager onderwijs identiek zouden zijn aan die van de inspecteurs van algemene vakken in het hoger secundair onderwijs en in het niet-universitair hoger onderwijs, ongeacht het bezit van een diploma van een gelijkwaardig niveau. B.11.
- Bovendien verschillen de voorwaarden inzake de toegang tot de verschillende ambten van inspecteur naar gelang van het beschouwde vak en het onderwijsniveau waarin de inspecteur zijn ambt uitoefent. Om te kunnen deelnemen aan de toelatingsproef voor de initiële opleiding die toegang verleent tot de ambten van inspecteur, dient een kandidaat immers te voldoen aan de voorwaarden die zijn opgesomd in artikel 13, § 1, van het decreet van 10 januari
- Zo moet een kandidaat onder meer in vast verband benoemd of aangeworven zijn in een ambt met voor ten minste een halve opdracht in het onderwijs (artikel 13, § 1, 6°, van het decreet van 10 januari 2019) en houder zijn van een (of meer) specifieke ambten, naargelang het toe te wijzen ambt van inspecteur (artikel 13, § 1, 7°, van het decreet van 10 januari 2019), en een dienstanciënniteit en ambtsanciënniteit tellen zoals bepaald in artikel 13, § 1, 8°, van het decreet van 10 januari
- Voor die specifieke ambten die toegang verlenen tot de ambten van inspecteur geldt echter een geldelijke behandeling die verschilt naargelang van de onderwijsgraad waarin zij worden uitgeoefend. 10 Het is niet onredelijk dat verschil in schaal ook toe te passen op het vlak van de ambten van inspecteur. B.11.
- De eisende partijen voor het verwijzende rechtscollege voeren in dat verband aan dat artikel 13, § 3, van het decreet van 10 januari 2019 vanaf 2023 voorziet in een versoepeling van de voorwaarden inzake de toegang tot de ambten van inspecteur, waarbij aan een persoon die niet vastbenoemd is in het onderwijs, toegang wordt verleend tot die ambten, « dat hij houder is van de graad die vereist is voor het uitoefenen van een van de opgegeven ambten met betrekking tot het toe te kennen ambt van inspecteur zoals opgenomen in de tabel in bijlage I van onderhavig decreet of van een pedagogische graad zoals een getuigschrift van pedagogische bekwaamheid, het getuigschrift van pedagogische bekwaamheid voor hoger onderwijs, de graad van geaggregeerde voor het hoger middelbaar onderwijs, de graad van geaggregeerde voor het lager middelbaar onderwijs, de graad van onderwijzer voor het basisonderwijs, de graad van onderwijzer voor het kleuteronderwijs ». B.11.
- Hoewel een kandidaat-inspecteur vanaf 2023 daadwerkelijk niet langer vastbenoemd moet zijn in het onderwijs of definitief houder moet zijn van een specifiek ambt om deel te nemen aan de toelatingsproeven voor de initiële opleiding die toegang verleent tot een ambt van inspecteur, doet zulks niets af aan de vaststelling, in B.11.1, dat de toegang tot elk ambt van inspecteur afhankelijk is van het bezit van een specifiek bekwaamheidsbewijs of een specifieke ervaring in het onderwijs, ervaring die een eigen schaal impliceert die met name varieert volgens de onderwijsgraad waarin zij wordt opgedaan. B.12.
- Die vaststelling wordt versterkt door het feit dat, hoewel de toelatingsproef voor de initiële opleiding die toegang verleent tot een ambt van inspecteur gemeenschappelijk is voor alle ambten van inspecteur, artikel 27, tweede en derde lid, van het decreet van 10 januari 2019 bepaalt dat, na afloop daarvan, de kandidaten worden gerangschikt per ambt, en dat afzonderlijke wervingsreserves worden gevormd voor elk ambt. B.12.
- Het decreet van 10 januari 2019 verplicht de kandidaat-inspecteurs die geslaagd zijn voor de toelatingsproef voor de initiële opleiding en die toegang wensen te hebben tot het ambt van inspecteur, overigens ertoe gedurende twee jaar een stage voor arbeidsintegratie te lopen. Tijdens die stage moeten de inspecteurs-stagiairs een opleiding volgen van 160 uur, waarvan 40 uur specifiek zijn voor elk ambt van inspecteur, zoals bepaald in artikel 1.2 van de 11 bijlage bij het besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 7 september 2023 « tot vaststelling van een opleidingsplan voor arbeidsintegratie van inspecteurs-stagiairs en van de voorwaarden en de nadere regels voor de vrijstelling voor het hele of een deel van het opleidingsprogramma met toepassing van artikel 54, § 2, eerste lid, van het decreet van 10 januari 2019 betreffende de Algemene inspectiedienst ». Een kwart van die opleiding is dus eigen aan elk specifiek ambt van inspecteur. B.12.
- Uit hetgeen voorafgaat volgt dat, in tegenstelling tot wat de eisende partijen voor het verwijzende rechtscollege aanvoeren, de ambten van inspecteur verschillen naar gelang van het onderwijsniveau waarin zij worden uitgeoefend. B.
- Aangezien objectieve verschillen bestaan tussen de in de prejudiciële vraag beoogde ambten van inspecteur naargelang het niveau van het diploma dat vereist is om het ambt uit te oefenen, de eerder opgedane ervaring die vereist is om het ambt uit te oefenen of de opleiding die moet worden gevolgd tijdens de stage voor arbeidsintegratie, is het niet onredelijk een verschil in schaal te doen steunen op dergelijke verschillen, ongeacht het bezit van gelijkwaardige bekwaamheidsbewijzen of diploma’s. Hieruit vloeit voort dat het verschil in behandeling redelijk verantwoord is. B.
- Artikel 2 van het koninklijk besluit van 27 juni 1974 is bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het voor de inspecteurs die zijn benoemd of aangesteld in ambten van inspecteur van algemene vakken in het secundair onderwijs van de hogere graad en het niet-universitair hoger onderwijs en die houder zijn van een universitair diploma voorziet in een hogere weddeschaal dan die voor de inspecteurs die tijdelijk zijn aangesteld of vastbenoemd zijn in ambten van inspecteur in het gewoon of gespecialiseerd basisonderwijs en die houder zijn van een masterdiploma in de opvoedingswetenschappen of een daarmee gelijkwaardig diploma. 12 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 2 van het koninklijk besluit van 27 juni 1974 « tot vaststelling op 1 april 1972 van de schalen verbonden aan de ambten van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel van de rijksonderwijsinrichtingen, van de personeelsleden van de algemene sturingsdienst van de scholen en de psycho-medisch-sociale centra, van de personeelsleden van de Algemene Inspectiedienst belast met het toezicht op deze inrichtingen, van het personeel van de Algemene Inspectiedienst van het correspondentieonderwijs en van het gesubsidieerd lager onderwijs en van de gradenschalen van het personeel van de psycho-medisch-sociale centra van de Staat », gevalideerd bij artikel 3 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 13 december 2012 « tot geldigverklaring van diverse bepalingen die van toepassing zijn op het personeel van het onderwijs ingericht of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap », schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 11 april
- De griffier, De wnd. voorzitter, Frank Meersschaut Thierry Giet PDF document ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.041 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div