← België

ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.045

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 11 april 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.045 Arrest- Rolnummer: 45/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-04-22 Raadplegingen: 358 - laatst gezien 2026-06-18 13:36 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche 1. Vernietiging : - artikel 123, § 1, 24° tot 28°, van het decreet van het Waalse Gewest van 9 maart 2023; - artikelen 127, § 1, 128, § 2, 129, § 1, 132, § 1, 138, § 1, 6° en 7°, 140, 160, 9°, en 172 van hetzelfde decreet, in zoverre zij verwijzen naar het op de Belgische markt brengen; - artikel 160, eerste lid, 1°, van hetzelfde decreet 2. Verwerping van het beroep voor het overige Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: het beroep tot gedeeltelijke vernietiging van het decreet van het Waalse Gewest van 9 maart 2023 « betreffende de afvalstoffen, het circulair gebruik van de materialen en de openbare netheid », ingesteld door de vzw « Recupel » en anderen. Leefmilieu - Waals Gewest - Afvalpreventie en -valorisatie - Uitgebreide aansprakelijkheidsregeling voor producenten - Begrip producent - Erkenning van de instellingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid - Beperking van het statutaire doel van de instellingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid en verbod om operationele activiteiten te verrichten - Verplichtingen inzake goed bestuur die worden opgelegd aan de instellingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid - Draagwijdte van de aan de Waalse Regering verleende machtigingen - Inwerkingtreding van titel 2 van het decreet Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 45/2024 van 11 april 2024 Rolnummer : 8086 In zake : het beroep tot gedeeltelijke vernietiging van het decreet van het Waalse Gewest van 9 maart 2023 « betreffende de afvalstoffen, het circulair gebruik van de materialen en de openbare netheid », ingesteld door de vzw « Recupel » en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 5 oktober 2023 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 10 oktober 2023, is beroep tot gedeeltelijke vernietiging ingesteld van het decreet van het Waalse Gewest van 9 maart 2023 « betreffende de afvalstoffen, het circulair gebruik van de materialen en de openbare netheid » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 31 juli 2023; erratum in het Belgisch Staatsblad van 25 oktober 2023) door de vzw « Recupel », de vzw « Bebat », de vzw « Recytyre », de vzw « Techlink », de vzw « Agoria », de vzw « Traxio », de vzw « Belgische beroepsgroepering van invoerders en fabrieksagenten van gereedschap », de vzw « Belgische Federatie van de Toeleveranciers van Machines, Gebouwen en Uitrustingen en aanverwante diensten voor de Landbouw en voor de Groenvoorzieningen » en de nv « Sortbat », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Dominique Lagasse, advocaat bij de balie te Brussel. Bij hetzelfde verzoekschrift vorderden de verzoekende partijen eveneens de gedeeltelijke schorsing van hetzelfde decreet. Bij het arrest nr. 5/2024 van 11 januari 2024 (ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.005), bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 15 januari 2024, heeft het Hof het decreet gedeeltelijk geschorst. 2 Memories zijn ingediend door : - de nv « Signify Belgium », de nv « TP Vision Belgium », de nv « BSH Home Appliances », de nv « Miele » en de bv « Bebat PRO », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Dominique Lagasse (tussenkomende partijen); - de Waalse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Jean-François Cartuyvels, advocaat bij de balie van Luxemburg. De verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend. De Waalse Regering heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 21 februari 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Magali Plovie en Willem Verrijdt te hebben gehoord, beslist : - dat de zaak in staat van wijzen was en de dag van de terechtzitting bepaald op 13 maart 2024; - de partijen uit te nodigen om, uiterlijk op 1 maart 2024, het ontwerp van samenwerkingsakkoord betreffende het kader voor de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voor bepaalde afvalstromen en voor zwerfvuil mee te delen. De verzoekende partijen en de Waalse Regering hebben het ontwerp van samenwerkingsakkoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 13 maart 2024 : - zijn verschenen : . Mr. Dominique Lagasse en Mr. Séverine Perin, advocate bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen en voor de tussenkomende partijen; . Mr. Jean-François Cartuyvels, voor de Waalse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers Magali Plovie en Willem Verrijdt verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoekschrift tot vernietiging en van de tussenkomst A.1.1. De eerste drie verzoekende partijen zijn vzw’s die, voor rekening van de producenten die bij hen zijn aangesloten, instaan voor de uitvoering van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid inzake het beheer van afvalstoffen. Zij zetten uiteen dat zij actief zijn op het gehele Belgische grondgebied. De vierde tot en met de achtste verzoekende partij zijn vzw’s die de collectieve belangen verdedigen van de ondernemingen die producenten zijn die een uitgebreide verantwoordelijkheid inzake het beheer van afvalstoffen dragen. De negende verzoekende partij is een naamloze vennootschap die door de tweede verzoekende partij werd opgericht voor het beheer van een fabriek waar bepaalde afvalstoffen worden gesorteerd. A.1.2. De eerste vier tussenkomende partijen zijn naamloze vennootschappen, die producenten zijn van elektrische en elektronische apparatuur (hierna : EEA), onderworpen aan de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid inzake afvalstoffen. Zij hebben, door middel van het storten van bijdragen, de uitvoering van hun verplichtingen toevertrouwd aan de eerste verzoekende partij. De vijfde tussenkomende partij is een bv, dochteronderneming van de tweede verzoekende partij, via welke die laatste operationele activiteiten verricht. A.2.1. De Waalse Regering merkt op dat het beschikkend gedeelte van het verzoekschrift uit drie delen bestaat. De verzoekende partijen vorderen, in hoofdorde, de schorsing van artikel 123, § 1, 24° tot 28°, van het decreet van 9 maart 2023 « betreffende de afvalstoffen, het circulair gebruik van de materialen en de openbare netheid » (hierna : het decreet van 9 maart 2023), zij vorderen, in ondergeschikte orde, de schorsing van de artikelen 123, § 1, 24° tot 28°, 127, § 1, 128, § 2, 129, § 1, 132, § 1, 137, § 1, 138, § 1, 6° en 7°, 140, 159, 2°, 160, 1° en 9°, 172, 204, 39°, 269 en 271, § 1, van hetzelfde decreet en zij vorderen, ten slotte, de vernietiging van al die artikelen en, daarenboven, van de artikelen 49, § 1, 121, § 3, 144 tot 157, 161, § 1, 162 tot 171, 173, 175 en 178, § 1, van hetzelfde decreet. Zij is van mening dat het Hof, in het geval waarin het de in hoofdorde ingestelde vordering tot schorsing zou inwilligen en artikel 123, § 1, 24° tot 28°, van het decreet van 9 maart 2023 bijgevolg zou schorsen, die bepaling vervolgens zou vernietigen. Zij meent dat het ondergeschikte karakter van de vordering tot schorsing met betrekking tot de andere bepalingen afstraalt op het beroep tot vernietiging van die bepalingen, en leidt daaruit af dat, bij een vernietiging van artikel 123, § 1, 24° tot 28°, de andere bepalingen, die enkel in de ondergeschikte vordering tot schorsing worden beoogd, niet moeten worden onderzocht in het stadium van de vernietiging. Zij besluit daaruit dat het beroep tot vernietiging van de bepalingen die enkel in de ondergeschikte vordering tot schorsing worden beoogd, niet ontvankelijk zou zijn in het geval waarin het Hof de hoofdvordering tot schorsing zou inwilligen, en dat het eerste, het tweede, het derde, het vijfde en het zesde middel bijgevolg niet ontvankelijk zijn. A.2.2. De verzoekende partijen doen gelden dat de stelling van de Waalse Regering op een verkeerde lezing van het beschikkend gedeelte van het verzoekschrift tot schorsing en tot vernietiging berust. Zij voegen eraan toe dat een vordering tot schorsing steeds het accessorium is van een beroep tot vernietiging en dat het niet is omdat een vordering tot gedeeltelijke schorsing wordt ingesteld in dezelfde akte van rechtspleging als een beroep tot vernietiging, dat de aanhangigmaking bij het Hof in het vernietigingscontentieux zich zou beperken tot de bepalingen die het Hof zou schorsen. A.2.3. De Waalse Regering merkt bovendien op dat de verzoekende partijen van mening zijn dat de schorsing van artikel 123, § 1, 24° tot 28°, van het decreet van 9 maart 2023 het mogelijk zou maken om de volledige titel 2 van het decreet niet-toepasselijk te maken, aangezien het begrip « producent van producten » erin wordt gedefinieerd. De Waalse Regering leidt daaruit af dat, bij een schorsing en vervolgens een vernietiging van die bepaling door het Hof, de artikelen 121 tot 197 van het decreet niet-toepasselijk zouden worden gemaakt, zodat het belang van de verzoekende partijen om de vernietiging van die bepalingen te vorderen zijn actuele karakter zou verliezen. A.2.4. Volgens de verzoekende partijen gaat die stelling voorbij aan het feit dat de schorsing van een wetskrachtige norm de toepassing van de geschorste bepaling maar tijdelijk verhindert en die laatste niet doet verdwijnen uit de rechtsorde. Zij geven aan dat de vernietiging, door het Hof, van artikel 123, § 1, 24° tot 28°, van 4 het decreet van 9 maart 2023 de andere bepalingen van titel 2 van het decreet niet zou doen verdwijnen uit de rechtsorde, zodat die laatste bepalingen opnieuw toepasselijk zouden worden op de dag waarop een nieuwe definitie van het begrip « producenten van producten » van toepassing zou zijn, en hun situatie op dat ogenblik rechtstreeks en ongunstig zouden kunnen raken. In ondergeschikte orde vragen de verzoekende partijen het Hof om, in het geval waarin het enkel artikel 123, § 1, 24° tot 28°, van het decreet van 9 maart 2023 zou vernietigen, de uitspraak over het beroep tot vernietiging van de andere bepalingen aan te houden totdat de decreetgever een definitie van het begrip « aan de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid onderworpen producent » heeft aangenomen. A.2.5. De Waalse Regering neemt, in haar memorie van wederantwoord, akte van het arrest van het Hof nr. 5/2024 van 11 januari 2024 (ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.005). Zij bevestigt haar standpunt met betrekking tot de omvang van het beroep tot vernietiging en het actuele belang van de verzoekende partijen. Zij gedraagt zich naar de wijsheid van het Hof met betrekking tot het ondergeschikte verzoek om de uitspraak over het beroep tot vernietiging van de andere bepalingen van titel 2 van het decreet van 9 maart 2023 aan te houden. Ten aanzien van de middelen Eerste middel A.3.1. De verzoekende partijen leiden een eerste middel af uit de schending, door de artikelen 204, 39°, 269 en 271, § 1, van het decreet van 9 maart 2023, van de artikelen 10, 11, 12, 14, 23 en 27 van de Grondwet en van artikel 6, § 1, VI, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (hierna : de bijzondere wet van 8 augustus 1980). Zij klagen aan dat de bestreden bepalingen niet in enige overgangsregeling voorzien voor de beheersinstellingen die, zoals de eerste drie verzoekende partijen, niet meer door van kracht zijnde milieuovereenkomsten worden gedekt. Zij zetten uiteen dat het decreet van 9 maart 2023 twee onderscheiden rechtsregelingen toepast op de instellingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, aangezien de instellingen die zijn gebonden door een nog van kracht zijnde milieuovereenkomst, hun activiteiten kunnen voortzetten en over de nodige tijd beschikken om zich aan te passen aan het nieuwe erkenningsmechanisme dat bij het decreet is ingevoerd, terwijl de instellingen die niet meer zijn gebonden door een milieuovereenkomst, strafrechtelijk kunnen worden gesanctioneerd omdat zij de verplichtingen inzake uitgebreide verantwoordelijkheid van hun leden blijven uitvoeren, terwijl het voor hen onmogelijk is om de noodzakelijke erkenning snel te verkrijgen. Zij doen gelden dat dat verschil in behandeling niet verantwoord is, dat het risico van een strafsanctie waaraan de eerste drie verzoekende partijen worden blootgesteld, in strijd is met het wettigheidsbeginsel in strafzaken en dat, indien zij zouden worden gedwongen om hun activiteiten stop te zetten, zulks afbreuk zou doen aan het recht op een gezond leefmilieu, aan de vrijheid van vereniging en aan de vrijheid van handel en nijverheid. Zij voegen eraan toe dat de in artikel 269, § 5, van het decreet van 9 maart 2023 bedoelde overgangsregeling enkel betrekking heeft op de inzameling van huishoudelijk afval en niet op de inzameling van met huishoudelijk afval gelijkgesteld afval of op de inzameling van bedrijfsafval, van afvalstoffen van huishoudelijke oorsprong of van afvalstoffen van industriële oorsprong, die de eerste drie verzoekende partijen met name inzamelen. De tussenkomende partijen verwijzen integraal naar de uiteenzettingen van de verzoekende partijen. A.3.2. De Waalse Regering preciseert dat de producenten van producten en de instellingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid over negen maanden beschikken om hun strategisch plan te laten goedkeuren (artikelen 140 en 158 van het decreet van 9 maart 2023), en dat de aanvragen tot erkenning en tot goedkeuring van het strategisch plan de twee delen van eenzelfde procedure vormen, bedoeld in de artikelen 183 tot 188 van hetzelfde decreet, zodat de erkenningsprocedure maximaal 165 dagen in beslag neemt, terwijl de instellingen over negen maanden beschikken om in orde te zijn. Zij brengt in herinnering dat het nieuwe decreet niet is bestemd om situaties die niet in overeenstemming zijn met de vroegere wetgeving, te regulariseren en dat het enkel voor de krachtens die wetgeving toegestane situaties een overgangsregeling invoert. Zij is van mening dat de situatie van de instellingen die zijn gebonden door een van kracht zijnde milieuovereenkomst en die van de instellingen die niet zijn gebonden door een dergelijke overeenkomst, niet vergelijkbaar zijn. Wat het risico van een strafsanctie betreft, meent zij dat een dergelijke sanctie die wordt uitgesproken tegen een instelling die niet over de vereiste erkenning zou beschikken, onwettig zou zijn indien de bepalingen die in die erkenning voorzien, niet-toepasselijk zijn wegens de vernietiging van artikel 123, § 1, 24° tot 28°, van het decreet van 9 maart 2023. Ten slotte begrijpt zij de kritiek met betrekking tot artikel 269, § 5, van het decreet van 9 maart 2023 niet en beklemtoont zij dat die bepaling hoe dan ook geen betrekking heeft op een van de verzoekende partijen. 5 A.3.3. De verzoekende partijen leiden uit de bewoordingen van artikel 183 van het decreet van 9 maart 2023 af dat het strategisch plan dat de instellingen bij hun erkenningsaanvraag moeten voegen, een strenger strategisch plan in de zin van artikel 172 van hetzelfde decreet is en dat het door de administratie moet worden goedgekeurd binnen de termijn van negen maanden, bedoeld in artikel 140 van hetzelfde decreet. Zij zijn van mening dat het onduidelijke karakter van de mechanismen voor de goedkeuring van het strategisch plan en voor de afgifte van de erkenningen hoe dan ook niet in overeenstemming is met het wettigheidsbeginsel in strafzaken. Zij brengen in herinnering dat zij, wat de eerste drie van hen betreft, werden opgericht vóór het sluiten van milieuovereenkomsten en dat de terugnameplicht van de aan de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid onderworpen producenten bestond en blijft bestaan met toepassing van het beginsel « de vervuiler betaalt », van de richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 « betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen » (hierna : de richtlijn 2008/98/EG) en van de overeenkomsten die tussen de eerste drie verzoekende partijen en hun leden zijn gesloten, zelfs bij gebrek aan een milieuovereenkomst. Zij zijn van mening dat, aangezien zowel de instellingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid die nog door een milieuovereenkomst zijn gebonden als de instellingen die niet meer erdoor zijn gebonden, aan het beginsel « de vervuiler betaalt » en aan het mechanisme van de erkenning zijn onderworpen, die categorieën van instellingen vergelijkbaar zijn. Zij voegen eraan toe dat het voor hen onmogelijk is om het bestreden decreet onmiddellijk na te leven en dat de ontstentenis van een overgangsregeling ten gunste van de instellingen die niet meer door een milieuovereenkomst worden gedekt, niet lijkt te kunnen worden verantwoord ten aanzien van het beginsel « de vervuiler betaalt », afbreuk doet aan het beginsel van gewettigd vertrouwen en het rechtszekerheidsbeginsel en noodzakelijkerwijs een schending van het wettigheidsbeginsel in strafzaken inhoudt. Ten slotte, wat artikel 269, § 5, van het decreet van 9 maart 2023 betreft, zetten zij uiteen dat die bepaling niet op hen betrekking heeft, hetgeen bevestigt dat het decreet niet in enige overgangsregeling voorziet die is aangepast aan hun situatie. In zeer ondergeschikte orde verzoeken zij het Hof om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. A.3.4. De Waalse Regering merkt op dat de verzoekende partijen niet uiteenzetten in welk opzicht zij nog een actueel belang zouden hebben bij het bekritiseren van de regeling die op hun situatie van toepassing is, terwijl de bepalingen die zij volgens hen niet onmiddellijk kunnen naleven, niet-toepasselijk worden gemaakt door de schorsing en door de waarschijnlijke vernietiging van artikel 123, § 1, 24° tot 28°, van het decreet van 9 maart 2023. Voor het overige voegt zij eraan toe dat de verzoekende partijen niet aantonen dat het voor hen materieel onmogelijk zou zijn om de vereiste erkenning binnen de opgelegde termijnen te verkrijgen en zij geeft aan dat, inzake verpakkingsafval, de belangrijkste operatoren hun erkenningsaanvraag onverwijld hebben ingediend en dat het Waalse Gewest die erkenningen zonder bijzondere moeilijkheden heeft toegekend. Tweede middel A.4.1. De verzoekende partijen leiden een tweede middel af uit de schending, door de artikelen 123, § 1, 24° tot 28°, 127, § 1, 128, § 2, 129, § 1, 132, § 1, 137, § 1, 138, § 1, 6° en 7°, 140, 160, 9°, en 172 van het decreet van 9 maart 2023, van artikel 143, § 1, van de Grondwet, van de artikelen 5, 39 en 134 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 2 en 19, § 3, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 en met het door artikel 6, § 1, VI, derde lid, van dezelfde bijzondere wet gewaarborgde beginsel van het vrije verkeer van diensten. Zij klagen aan dat de bestreden bepalingen de producent van producten op wie de regeling van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid betrekking heeft, definiëren als de producent die elektrische en elektronische apparatuur (EEA), batterijen of accu’s of voertuigen of andere producten die aan de oorsprong liggen van afvalstoffen waarop de uitgebreide verantwoordelijkheid betrekking heeft, vervaardigt, weer verkoopt of op de Belgische markt brengt, zodat het, zonder voorafgaand samenwerkingsakkoord met de twee andere gewesten, onmogelijk is om het decreet uit te voeren zonder inbreuk te maken op de territoriale bevoegdheden van de twee andere gewesten en zonder het beginsel van de federale loyauteit te schenden. A.4.2. Zij zetten uiteen dat de bestreden bepalingen tot gevolg kunnen hebben dat de uitoefening, door de twee andere gewesten, van hun bevoegdheden inzake afvalstoffen in het kader van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid wordt verhinderd of op zijn minst zeer moeilijk wordt gemaakt. Zij merken aldus op dat het feit dat het Waalse Gewest de bijdragen die door de instellingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid moeten worden betaald, vaststelt op grond van de kosten om de betrokken producten op de Belgische markt te brengen, noodzakelijkerwijs inhoudt dat dezelfde bedragen van de bijdrage worden opgelegd aan de twee andere gewesten of dat de instellingen aan verschillende bijdragen worden onderworpen die elk dezelfde kosten dekken. Evenzo zijn zij van mening dat de bestuursregels die het Waalse Gewest oplegt aan de instellingen, noodzakelijkerwijs ook in de twee andere gewesten zullen moeten worden 6 opgelegd, teneinde tegenstrijdigheden te voorkomen. Zij leggen uit dat, gezien de beperkte omvang van de Belgische markt van de afvalstoffen en aangezien de producenten hun producten op de markt brengen zonder noodzakelijkerwijs te kunnen bepalen op welk gewestelijk grondgebied zij uiteindelijk zullen terechtkomen, de eerste drie verzoekende partijen hun activiteit waarbij de verplichtingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid worden uitgevoerd, uitoefenen op het gehele Belgische grondgebied. Zij doen gelden dat het feit dat het Waalse Gewest beheersregels oplegt aan de instelling zonder dat er een voorafgaand samenwerkingsakkoord met de twee andere gewesten bestaat, de uitoefening, door die gewesten, van hun eigen bevoegdheid zeer moeilijk kan maken en het de instelling eveneens zeer moeilijk kan maken om haar activiteit op het gehele grondgebied uit te oefenen. Zij voegen in dezelfde zin eraan toe dat het verbod om operationele activiteiten te ontwikkelen dat wordt opgelegd aan de instellingen die optreden inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, het verrichten van een operationele activiteit in een ander gewest kan verhinderen en aldus de uitoefening van die bevoegdheid door de andere gewesten moeilijker zou kunnen maken. Ten slotte merken zij op dat het voor de Waalse Regering onmogelijk is om aan de producenten van producten doelstellingen op te leggen die op het gehele Belgische grondgebied zouden moeten worden bereikt zonder inbreuk te maken op de territoriale bevoegdheden van de twee andere gewesten. A.4.3. De verzoekende partijen verwijzen naar het arrest van het Hof nr. 37/2018 van 22 maart 2018 (ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.037), naar het arrest van het Hof nr. 163/2020 van 17 december 2020 (ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.163) en naar het advies nr. 71.139/4 van de afdeling wetgeving van de Raad van State van 16 juni 2022. Zij geven aan dat, hoewel er wel degelijk over een samenwerkingsakkoord wordt onderhandeld, dat akkoord nog niet is gesloten, zodat het aannemen van het decreet van 9 maart 2023 voorbarig is. De tussenkomende partijen verwijzen integraal naar de uiteenzettingen van de verzoekende partijen. A.4.4. De Waalse Regering zet uiteen dat, aangezien er overeenkomstig de rechtspraak van het Hof geen gewestelijke submarkten bestaan, de decreetgever enkel kan verwijzen naar de Belgische markt met betrekking tot het op de markt brengen van de betrokken producten. Zij preciseert dat in de bedragen van de bijdragen wordt voorzien in het ontwerp van samenwerkingsakkoord dat tussen de drie gewesten moet worden gesloten en dat de bestuursregels, die enkel betrekking hebben op het grondgebied van het Waalse Gewest, in overeenstemming zijn met dat ontwerp. Zij is van mening dat de bestreden bepalingen niet indruisen tegen de beginselen die worden afgeleid uit het voormelde arrest van het Hof nr. 37/2018, aangezien zij niet enkel het Waalse grondgebied als uitgangspunt nemen. Zij meent dat het geen schending van het beginsel van de federale loyauteit uitmaakt om in het decreet te preciseren dat de bijdrage van de producent van producten en de criteria die het mogelijk maken ze vast te stellen, ten aanzien van het gehele Belgische grondgebied in ogenschouw moeten worden genomen. Zij doet gelden dat er dus een onderscheid moet worden gemaakt tussen, enerzijds, de verplichtingen die worden opgelegd aan de producenten van producten om te opereren op het Waalse grondgebied, en met name de verplichting om een erkenning te verkrijgen, en, anderzijds, de informatie over de op de markt gebrachte producten, de raming van de kosten en het vaststellen van de bijdragen, waarbij het gehele Belgische grondgebied in aanmerking moet worden genomen. Zij preciseert dat de eerstgenoemde verplichtingen kunnen worden geregeld bij het decreet, terwijl de laatstgenoemde informatie wordt vastgesteld bij een intergewestelijk samenwerkingsakkoord. A.4.5. Volgens de verzoekende partijen gaat de Waalse Regering voorbij aan het feit dat de producenten van producten en de instellingen inzake uitgebreide verantwoordelijkheid de verplichtingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid niet uitvoeren door zich enkel tot het Waalse grondgebied te beperken. Zij zijn van mening dat het decreet van 9 maart 2023, door aan personen die op het gehele nationale grondgebied aan hun verplichtingen voldoen, het verkrijgen van een erkenning voor het Waalse Gewest op te leggen, het beginsel van de federale loyauteit schendt. Zij geven aan dat de door de Waalse wetgever uitgevaardigde verboden noodzakelijkerwijs een impact zullen hebben op de keuzes die de twee andere gewesten zullen kunnen maken en dat zij de verwezenlijking, op nationaal niveau, van de Europese doelstellingen met betrekking tot de inzameling en de verwerking van de aan de uitgebreide verantwoordelijkheid onderworpen producten in de weg kunnen staan, hetgeen enkel kan worden vermeden door het voorafgaandelijk aannemen van een samenwerkingsakkoord tussen de drie gewesten. Zij merken ten slotte op dat het intergewestelijk samenwerkingsakkoord dat momenteel wordt uitgewerkt, nog niet is voltooid, hetgeen het voorbarige karakter van het aannemen van het bestreden decreet bevestigt. A.4.6. De Waalse Regering beklemtoont dat het decreet de in het ontwerp van samenwerkingsakkoord bedoelde bedragen van de bijdragen niet vaststelt. Zij geeft ook aan dat de bestuursregels in overeenstemming zijn met het ontwerp van samenwerkingsakkoord en enkel betrekking hebben op het grondgebied van het Waalse 7 Gewest. Zij voegt eraan toe dat het volkomen denkbaar is dat een instelling inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid enkel op het grondgebied van het Waalse Gewest actief is. Derde middel A.5.1. De verzoekende partijen leiden een derde middel af uit de schending, door artikel 123, § 1, 26°, van het decreet van 9 maart 2023, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikel 1, eerste alinea, punt 2, en tweede alinea, van de richtlijn 2006/66/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 september 2006 « inzake batterijen en accu’s, alsook afgedankte batterijen en accu’s en tot intrekking van Richtlijn 91/157/EEG » (hierna : de richtlijn 2006/66/EG) en met artikel 1, lid 2, van de verordening (EU) 2023/1542 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2023 « inzake batterijen en afgedankte batterijen, tot wijziging van Richtlijn 2008/98/EG en Verordening (EU) 2019/120 en tot intrekking van Richtlijn 2066/66/EG » (hierna : de verordening (EU) 2023/1542). Zij zetten uiteen dat de verwijzing, in de definitie van het begrip « producent van batterijen of accu’s » die is vervat in de bestreden bepaling, naar het begrip « voertuigen » een inperking van het werkgebied van de producenten van batterijen of accu’s en van de instellingen in het kader van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid met zich meebrengt, aangezien de voertuigen die in artikel 123, § 1, 7°, van het decreet van 9 maart 2023 worden gedefinieerd, voertuigen zijn die behoren tot de categorieën M1 en N1 zoals bedoeld in de verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 « betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 715/2007 en (EG) nr. 595/2009 en tot intrekking van Richtlijn 2007/46/EG ». Zij doen gelden dat de producenten van batterijen of accu’s die zijn ingebouwd in voertuigen die van die categorieën zijn uitgesloten, bijgevolg niet ertoe zijn gehouden om voor die batterijen en accu’s hun verplichtingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid uit te voeren, hetgeen een onverantwoord verschil in behandeling doet ontstaan onder de producenten van batterijen en accu’s die in voertuigen zijn ingebouwd. Zij zijn van mening dat die beperking van de verplichtingen inzake uitgebreide verantwoordelijkheid van bepaalde producenten van batterijen en accu’s in strijd is met artikel 1, eerste alinea, punt 2, en artikel 2, lid 1, van de richtlijn 2006/66/EG. Zij voegen eraan toe dat die beperking ook in strijd is met artikel 1, lid 3, van de verordening (EU) 2023/1542. Zij verwijzen naar het arrest van de Raad van State nr. 230.027 van 29 januari 2015, waarbij die laatste heeft geoordeeld dat een identieke beperking rechtsonzekerheid deed ontstaan. De tussenkomende partijen verwijzen integraal naar de uiteenzettingen van de verzoekende partijen. A.5.2. De Waalse Regering preciseert dat in artikel 123, § 1, 26°, van het decreet van 9 maart 2023 wordt verwezen naar het begrip « voertuig » in zijn gewone betekenis en niet in de betekenis van voertuig dat is onderworpen aan de terugnameplicht, zoals omschreven in artikel 123, § 1, 7°, van hetzelfde decreet. Zij voegt eraan toe dat het toepassingsgebied van de definitie van het begrip « batterij of accu » die is vervat in artikel 123, § 1, 6°, van hetzelfde decreet, niet wordt beperkt onder verwijzing naar het feit dat die batterij of accu zou zijn ingebouwd in een apparaat of in een voertuig. A.5.3. De verzoekende partijen zijn van mening dat, indien de decreetgever de term « voertuig » had willen gebruiken in zijn gewone betekenis in artikel 123, § 1, 26°, van het decreet van 9 maart 2023, hij zulks had moeten preciseren. Zij doen gelden dat de bestreden bepaling minstens een rechtsonzekerheid doet ontstaan die de omvang zou kunnen beperken van de verplichtingen inzake uitgebreide verantwoordelijkheid van de producenten van batterijen of accu’s die in voertuigen zijn ingebouwd, die op haar beurt kan verhinderen dat België de Europese doelstellingen ter zake bereikt. In zeer ondergeschikte orde verzoeken zij het Hof om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Vierde middel A.6.1. De verzoekende partijen leiden een vierde middel af uit de schending, door de artikelen 175, 178, § 1, en 161, § 1, van het decreet van 9 maart 2023, van de artikelen 10, 11, 23 en 27 van de Grondwet en van artikel 6, § 1, VI, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, in samenhang gelezen met de artikelen 9 tot 11 van de richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 « betreffende diensten op de interne markt » (hierna : de richtlijn 2006/123/EG), met artikel 23, lid 2, van de richtlijn 2008/98/EG, met de artikelen 5, 6, 7, 8 en 11 van de richtlijn 2012/19/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 « betreffende afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (AEEA) (herschikking) » (hierna : de richtlijn 2012/19/EU), met artikel 8, lid 4, van de richtlijn 2006/66/EG en met artikel 5 van de 8 richtlijn 2000/53/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 september 2000 « betreffende autowrakken » (hierna : de richtlijn 2000/53/EG). A.6.2. In het eerste onderdeel van dat middel doen zij gelden dat artikel 175 van het decreet van 9 maart 2023, dat bepaalt dat de erkenning van uitgebreide producentenverantwoordelijkheid wordt afgegeven voor een periode van maximaal vijf jaar en dat niet voorziet in een procedure van automatische verlenging of in een procedure die afhankelijk wordt gesteld van beperkte vereisten, in strijd is met artikel 11 van de richtlijn 2006/123/EG en met artikel 23, lid 2, van de richtlijn 2008/98/EG. Zij voegen eraan toe dat de beperking in de tijd van de duur van de erkenningen de instellingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid kan verhinderen om aanzienlijke investeringen te doen, hetgeen een achteruitgang van het door artikel 23 van de Grondwet gewaarborgde beschermingsniveau inzake leefmilieu met zich mee kan brengen. Zij zijn van mening dat er aldus een risico van discriminatie bestaat ten opzichte van vergelijkbare instellingen in de andere gewesten, die niet aan een even strikt stelsel van voorafgaande toelating worden onderworpen. A.6.3. De Waalse Regering geeft aan dat, in de parlementaire voorbereiding met betrekking tot artikel 175 van het decreet van 9 maart 2023, die bepaling wordt verantwoord door twee dwingende redenen van algemeen belang, namelijk, enerzijds, de noodzaak om het Europese afvalstoffenrecht om te zetten en, anderzijds, de noodzaak om het leefmilieu te beschermen door het conforme beheer en de traceerbaarheid van de afvalstoffen te verzekeren, waarbij de beperkte duur van de erkenningen en van de registraties het mogelijk moet maken om de capaciteit en de deskundigheid van de operatoren na te gaan. A.6.4. De verzoekende partijen antwoorden dat de omzetting van het Europese recht de decreetgever niet verplichtte om een regeling in te voeren met betrekking tot een erkenning van beperkte duur die niet kan worden verlengd via een vereenvoudigde procedure. In zeer ondergeschikte orde verzoeken zij het Hof om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. A.6.5. De Waalse Regering doet gelden dat de bestreden bepalingen, in tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partijen suggereren, het mogelijk maken om de toegekende erkenning te verlengen. Zij merkt op dat de verzoekende partijen niet uiteenzetten in welk opzicht de erkenningsprocedure dermate ingewikkeld zou zijn dat zij zou moeten worden vereenvoudigd bij het verlengen van de erkenning. Zij voegt eraan toe dat de beperkte geldigheidsduur van de erkenning moet worden begrepen ten aanzien van de beperkte geldigheidsduur van de milieuovereenkomsten die dateren van vóór het aannemen van het bestreden decreet. A.6.6. In het tweede onderdeel van dat middel doen de verzoekende partijen gelden dat artikel 178 van het decreet van 9 maart 2023, dat bepaalt dat de erkenning kan worden geschorst of ingetrokken, onder meer indien de instelling geheel of gedeeltelijk niet voldoet aan alle of sommige van de verplichtingen van de producent, het wettigheidsbeginsel schendt dat is verbonden aan artikel 23 van de Grondwet omdat het onvoldoende nauwkeurig is, met name ten aanzien van de complexiteit van de regeling van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid die is uitgewerkt bij het decreet. Zij voegen eraan toe dat die onnauwkeurigheid gevolgen heeft voor artikel 128, § 1, van het decreet van 9 maart 2023, dat bepaalt dat de verplichtingen van de producent, in geval van schorsing of intrekking van een erkenning, zullen worden uitgevoerd door een publiekrechtelijke rechtspersoon, hetgeen een uitzondering op het basisbeginsel vormt. Zij zijn van mening dat de combinatie van die twee bepalingen een al te grote beoordelingsmarge aan de Waalse Regering laat, hetgeen aanleiding kan geven tot een willekeurige toepassing van het decreet. A.6.7. De Waalse Regering is van mening dat de bestreden bepaling het de administratie zeker niet mogelijk maakt om de wettelijke criteria willekeurig te gebruiken en zij brengt in herinnering dat de beginselen van behoorlijk bestuur worden opgelegd aan de administratie. Zij geeft aan dat de houder van de erkenning over de mogelijkheid beschikt om zich vóór elke beslissing van de administratie te verantwoorden (artikel 178, § 2, van het decreet van 9 maart 2023) en dat in een administratief beroep wordt voorzien (artikel 190 van hetzelfde decreet). Zij voegt eveneens eraan toe dat de wet van 29 juli 1991 « betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen » van toepassing is op de beslissingen van de administratie die in die context worden genomen. A.6.8. De verzoekende partijen zijn van mening dat het feit dat de gewestelijke administratie is onderworpen aan de beginselen van behoorlijk bestuur en aan de verplichting tot uitdrukkelijke motivering van haar beslissingen, het gebrek aan een nauwkeurige omschrijving van de gevallen waarin die beslissingen kunnen worden genomen ten aanzien van de instellingen die de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid dragen, niet kan verhelpen. 9 A.6.9. De Waalse Regering brengt in herinnering dat hoe dan ook een jurisdictioneel beroep kan worden ingesteld, zodat een onevenredige en willekeurige administratieve beslissing zou kunnen worden afgekeurd. Zij voegt eraan toe dat artikel 128 van het bestreden decreet vreemd is aan de ingevoerde erkenningsregeling en aan de voorwaarden waaronder die erkenning zou kunnen worden ingetrokken of geschorst. A.6.10. In het derde onderdeel van dat middel doen de verzoekende partijen gelden dat artikel 161, § 1, van het decreet van 9 maart 2023, waarbij enkel ten laste van de instellingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid een verplichting tot het stellen van een financiële zekerheid wordt opgelegd, onbestaanbaar is met artikel 14, punt 7), van de richtlijn 2006/123/EG en dat het een onverantwoord verschil in behandeling doet ontstaan tussen de producenten van producten die hun verplichtingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid zelf uitvoeren en de instellingen die diezelfde verplichtingen uitvoeren voor rekening van die laatstgenoemden. A.6.11. De Waalse Regering geeft aan dat het verschil in behandeling voortvloeit uit de omvang van de activiteiten van de instellingen die optreden inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, ten opzichte van de beperktere activiteit van een producent die alleen optreedt op basis van een individueel plan. Zij voegt eraan toe dat de financiële verantwoordelijkheid van een producent die zich aansluit bij een erkende instelling, moeilijker in werking kan worden gesteld dan de financiële verantwoordelijkheid van een producent die alleen optreedt. A.6.12. De verzoekende partijen zijn van mening dat de Waalse Regering niet antwoordt op hun argumentatie. In zeer ondergeschikte orde verzoeken zij het Hof om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Vijfde middel A.7.1. De verzoekende partijen leiden een vijfde middel af uit de schending, door artikel 159, 2°, van het decreet van 9 maart 2023, van de artikelen 23 en 27 van de Grondwet, van artikel 6, § 1, VI, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 en van artikel 10 van dezelfde bijzondere wet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 49 en 56 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna : het VWEU), met de richtlijn 2012/19/EU, met name de artikelen 5, lid 2, d), en 8, lid 3, ervan, met de richtlijn 2006/66/EG, met name artikel 12 ervan, en met de richtlijn 2008/98/EG, met name artikel 27, lid 1 en lid 3, c), ervan. In het eerste onderdeel van dat middel doen zij gelden dat de decreetgever, door het maatschappelijk doel van de instellingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid te beperken tot de loutere tenlasteneming van de verplichtingen inzake uitgebreide verantwoordelijkheid voor rekening van hun leden, afbreuk doet aan de vrijheid van vereniging en aan de vrijheid van handel en nijverheid, aangezien die beperking niet noodzakelijk is voor de bescherming van het leefmilieu. In het tweede onderdeel van dat middel klagen zij aan dat de decreetgever de instellingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid de facto de mogelijkheid ontzegt om een collectief systeem voor de terugname van afvalstoffen te organiseren en om systemen in te voeren voor de nuttige toepassing van afvalstoffen aan de hand van de best mogelijke technieken, terwijl het een verplichting betreft die is opgelegd bij de in het middel aangevoerde richtlijnen. De tussenkomende partijen verwijzen integraal naar de uiteenzettingen van de verzoekende partijen. A.7.2. De Waalse Regering beklemtoont dat de bestreden bepalingen de producent te dezen niet de verplichting opleggen om zich te verenigen, hem niet verbieden om andere verenigingen op te richten voor het uitvoeren van operationele activiteiten en hem in die context niet verhinderen om gebruik te maken van de beste technieken die beschikbaar zijn. Zij verwijst naar het voormelde arrest nr. 37/2018 en is van mening dat daaruit moet worden afgeleid dat het middel niet gegrond is. A.7.3. De verzoekende partijen doen gelden dat de bepalingen die niet door het Hof werden afgekeurd in zijn arrest nr. 37/2018, verschilden van de bepalingen die worden aangevoerd in het vijfde en het zesde middel van het voorliggende beroep, zodat de lering van dat arrest niet kan worden overgenomen met betrekking tot de voorliggende zaak. In zeer ondergeschikte orde verzoeken zij het Hof om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. 10 Zesde middel A.8.1. De verzoekende partijen leiden een zesde middel af uit de schending, door artikel 160, 1°, van het decreet van 9 maart 2023, van de artikelen 23 en 27 van de Grondwet, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en van de artikelen 6, § 1, VI, derde lid, en 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 49 en 56 van het VWEU, alsook met de richtlijn 2006/123/EG, met name de artikelen 10 en 14 ervan. In het eerste onderdeel van dat middel doen de verzoekende partijen gelden dat de bestreden bepaling, door de instellingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid te verbieden om een operationele activiteit inzake afvalbeheer direct of indirect uit te oefenen, inbreuk maakt op het mededingingsrecht dat tot de exclusieve bevoegdheid van de federale overheid behoort. In het tweede onderdeel van dat middel klagen de verzoekende partijen aan dat die bepaling de vrijheid van vereniging en de vrijheid van handel en nijverheid schendt. Zij merken in dat verband op dat in het decreet geen enkele definitie van het begrip « operationele activiteiten » wordt gegeven, hetgeen een al te grote beoordelingsruimte laat aan de Waalse administratie en Regering. Zij voegen eraan toe dat de door de decreetgever aangevoerde reden die erin bestaat het hypothetische risico van een aantasting van de mededinging, van een abnormale druk op de prijzen of van een beperking van de ontwikkeling van bepaalde circuits te vermijden, berust op onwetendheid over de feitelijke situatie. Zij doen gelden dat het werkelijke probleem geen vermeende machtspositie van de instellingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid is, maar wel de moeilijkheid om operatoren te vinden die belangstelling hebben voor markten waar een uitermate lage omzet wordt gehaald. In het derde onderdeel van dat middel vragen de verzoekende partijen om de bestreden bepaling te vergelijken met artikel 63 van het decreet van 9 maart 2023, dat betrekking heeft op publiekrechtelijke rechtspersonen en dat niet dezelfde beperking met betrekking tot de uitoefening van andere operationele activiteiten bevat. De tussenkomende partijen verwijzen integraal naar de uiteenzettingen van de verzoekende partijen. A.8.2. De Waalse Regering verwijst naar de opmerkingen die zij heeft geformuleerd met betrekking tot het vijfde middel. A.8.3. Het antwoord van de verzoekende partijen is identiek aan het antwoord dat zij met betrekking tot het vijfde middel formuleren. Zevende middel A.9.1. De verzoekende partijen leiden een zevende middel af uit de schending, door de artikelen 49, § 1, 121, § 3, 144 tot 157 en 173 van het decreet van 9 maart 2023, van de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de richtlijn 2008/98/EG, in het bijzonder de artikelen 8 tot 14 ervan, met artikel 10 van de richtlijn 2006/66/EG, met artikel 7 van de richtlijn 2000/53/EG, met artikel 7 van de richtlijn 2012/19/EU en met artikel 12 van de verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 « betreffende de overbrenging van afvalstoffen » (hierna : de verordening (EG) nr. 1013/2006). A.9.2. In het eerste onderdeel van dat middel klagen de verzoekende partijen aan dat de artikelen 121, § 3, en 144 tot 157 van het decreet van 9 maart 2023 al te ruime machtigingen verlenen aan de Waalse Regering met betrekking tot de verplichtingen die door de Regering kunnen worden geactiveerd en meer in het bijzonder de verplichting om gerichte doelstellingen te bereiken, zonder te voorzien in de wijze waarop of in de criteria volgens welke de Regering die verplichtingen zal kunnen activeren. Zij merken op dat bij de verplichtingen die kunnen worden geactiveerd, met name de verplichting wordt vermeld om bepaalde doelstellingen inzake inzameling, hergebruik en nuttige toepassing te bereiken, die als hoofdverplichting zou moeten worden opgelegd om het decreet in overeenstemming te brengen met de in het middel aangehaalde Europese richtlijnen. A.9.3. De Waalse Regering brengt in herinnering dat titel 2 van het decreet van 9 maart 2023 onder meer artikel 8 van de richtlijn 2008/98/EG omzet en een algemeen kader vormt dat moet kunnen worden aangepast naargelang van de verschillende Europese vereisten die eigen zijn aan bepaalde afvalstromen. Zij leidt daaruit af dat het vanzelfsprekend is dat de machtiging aan de Waalse Regering om de verplichtingen die kunnen worden geactiveerd, van toepassing te maken, tot stand zal komen met inachtneming van het Europese recht en geeft aan dat de machtiging wordt verantwoord door de omstandigheid dat een aantal van de betrokken verplichtingen niet toepasbaar zijn op bepaalde afvalstromen. Zij voegt eraan toe dat het Hof niet bevoegd is om zich uit te spreken 11 over de vraag of de Waalse Regering, bij de uitoefening van de bevoegdheden die zij aan de bestreden bepaling ontleent, de in het middel bedoelde bepalingen en beginselen schendt. A.9.4. De verzoekende partijen antwoorden dat de noodzaak om de bescherming van het leefmilieu te verzekeren, die voortvloeit uit artikel 23 van de Grondwet, de decreetgever te dezen ertoe dwong zelf te voorzien in de verplichting om doelstellingen te bereiken en de in aanmerking te nemen drempels te preciseren. A.9.5. In het tweede onderdeel van dat middel doen de verzoekende partijen gelden dat de artikelen 145 en 150 van het decreet een onverantwoord verschil in behandeling doen ontstaan tussen, enerzijds, de instellingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid die zorgen voor de inzameling van huishoudelijk afval, die noodzakelijke verpakkingen voor de inzameling kosteloos ter beschikking stellen van hun leden en die zeggenschap hebben over het inzamelingsproces, en, anderzijds, de instellingen inzake uitgebreide verantwoordelijkheid en de producenten die tegelijk zorgen voor de inzameling van huishoudelijk afval en voor de inzameling van soortgelijk afval en van afvalstoffen van industriële oorsprong, die noodzakelijke verpakkingen voor de inzameling eveneens kosteloos ter beschikking stellen van hun leden en die geen zeggenschap hebben over het inzamelingsproces, zodat zij het risico lopen dat zij de Europese doelstellingen niet kunnen bereiken. A.9.6. De Waalse Regering begrijpt dat onderdeel van het middel niet, dat zij als onduidelijk aanmerkt. Zij doet gelden dat er een verschil bestaat tussen, enerzijds, het circuit van het huishoudelijk afval dat zeer grote volumes betreft en waarop de overheidsverplichtingen inzake gezondheid betrekking hebben en, anderzijds, het circuit van de industriële afvalstoffen dat specifieker is en een bijzondere technische deskundigheid ten aanzien van de operatoren met zich meebrengt. A.9.7. De eerste drie verzoekende partijen leggen uit dat zij zorgen voor het nakomen van de verplichtingen van hun leden, zowel voor huishoudelijk afval als voor soortgelijk afval en industriële afvalstoffen, en dat zij daartoe de recipiënten en containers die noodzakelijk zijn om alle afvalstoffen te kunnen inzamelen, ter beschikking stellen van hun leden. Zij zetten uiteen dat de instellingen, met toepassing van de bestreden bepalingen, zullen kunnen zorgen voor de terugname en de nuttige toepassing van huishoudelijk afval na de inzameling, terwijl dat niet noodzakelijkerwijs het geval zal zijn voor soortgelijk afval en industriële afvalstoffen, zodat zij geen zeggenschap meer hebben over het proces van inzameling, terugname en nuttige toepassing voor die afvalstoffen. Zij zijn van mening dat zulks hen kan verhinderen de Europese doelstellingen inzake inzameling te bereiken en de verplichtingen te vervullen die voortvloeien uit hun erkenning. Zij doen gelden dat dat verschil in behandeling niet verantwoord is in het licht van het beginsel « de vervuiler betaalt ». A.9.8. In het derde onderdeel van dat middel klagen de verzoekende partijen aan dat de artikelen 146 en 160, eerste lid, 1°, van het decreet van 9 maart 2023 een onverantwoord verschil in behandeling doen ontstaan tussen de producenten van producten die aan de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid zijn onderworpen en die zelf, in het kader van hun individueel beheersplan, de afvalstoffen zullen kunnen inzamelen die afkomstig zijn van de producten die zij op de markt brengen en de instellingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid die de afvalstoffen die door hun leden op de markt zijn gebracht, niet zelf zullen kunnen inzamelen. A.9.9. De Waalse Regering is van mening dat dat verschil in behandeling voortvloeit uit de vrije keuze van de operator, die kan beslissen om een individueel beheersplan uit te voeren dan wel om zich, integendeel, aan te sluiten bij een instelling die zijn verplichtingen voor zijn rekening zal kunnen uitvoeren. Zij voegt eraan toe dat het uiteindelijk erom gaat ervoor te zorgen dat de instellingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid geen misbruik maken van de positie die het bestreden decreet en de uitvoeringsmaatregelen ervan hun verlenen. A.9.10. De verzoekende partijen verwijzen naar de kritiek die zij uiteenzetten in het kader van het tweede onderdeel van het middel. Zij zijn van mening dat het niet verantwoord is dat, aangezien zowel de producenten van producten die zelf hun verplichtingen nakomen als de instellingen die die verplichtingen nakomen voor rekening van de producenten van producten, aan het beginsel « de vervuiler betaalt » worden onderworpen, enkel de producenten van producten zelf de afvalstoffen kunnen inzamelen die afkomstig zijn van hun producten, terwijl de instellingen worden verplicht om voor de inzameling een beroep te doen op derde operatoren. A.9.11. In het vierde onderdeel van dat middel klagen de verzoekende partijen aan dat de artikelen 155 en 157 van het decreet van 9 maart 2023 de Waalse Regering laat oordelen over de mogelijkheid om bindende regels voor de aanrekening, bij een individuele beslissing, van de geraamde kosten van inzamelingsdiensten op te leggen, aangezien die methode « per geval » van de regels voor de aanrekening van de kosten kan leiden tot het vaststellen van verschillende aanrekeningsregels voor producenten van producten en erkende instellingen die zich in vergelijkbare situaties zouden bevinden. 12 A.9.12. De Waalse Regering merkt op dat de bestreden bepalingen haar niet toestaan om af te wijken van het wettigheidsbeginsel. Zij merkt op dat de verzoekende partijen noch de draagwijdte, noch de omvang van het wettigheidsbeginsel dat is verbonden aan het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu, gewaarborgd door artikel 23 van de Grondwet, preciseren. A.9.13. De verzoekende partijen antwoorden dat de al te ruime delegatie van bevoegdheden aan de Waalse Regering een discriminerende uitvoering van de in artikel 155 van het decreet van 9 maart 2023 vervatte machtiging mogelijk maakt. A.9.14. De Waalse Regering brengt in herinnering dat het Hof niet bevoegd is om zich uit te spreken over de vraag of zij, bij de uitoefening van de bevoegdheden die zij aan de bestreden bepaling ontleent, de in het middel bedoelde bepalingen en beginselen schendt of dreigt te schenden. A.9.15. In het vijfde onderdeel van dat middel klagen de verzoekende partijen aan dat artikel 173 van het decreet van 9 maart 2023 een al te ruime en vage machtiging bevat door de Regering de mogelijkheid te bieden om alle passende maatregelen te nemen teneinde te verzekeren dat de instellingen coherent naast elkaar bestaan. A.9.16. De Waalse Regering merkt op dat de bestreden bepaling haar niet toestaat om het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie te schenden. Zij voegt eraan toe dat het Hof niet bevoegd is om zich uit te spreken over de vraag of zij, bij de uitoefening van de bevoegdheden die zij aan de bestreden bepaling ontleent, de in het middel bedoelde bepalingen en beginselen schendt of dreigt te schenden. A.9.17. In het zesde onderdeel van dat middel klagen de verzoekende partijen aan dat artikel 49, § 1, van het decreet van 9 maart 2023 de Regering ertoe machtigt het vervoer van de afvalstoffen te regelen in strijd met artikel 12 van de verordening (EG) nr. 1013/2006. A.9.18. De Waalse Regering doet gelden dat de verzoekende partijen het vervoer van afvalstoffen op het grondgebied van Wallonië, omschreven in artikel 5, § 1, 13°, van het decreet van 9 maart 2023, en de grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen, waarop de verordening (EG) nr. 1013/2006 betrekking heeft en die wordt beoogd in artikel 5, § 1, 74°, van het decreet van 9 maart 2023, met elkaar verwarren. Zij voegt eraan toe dat de bestreden bepaling haar niet toestaat om de in het middel bedoelde Europese bepalingen en doelstellingen te schenden. A.9.19. De verzoekende partijen antwoorden dat in de verordening (EG) nr. 1013/2006 zelf het begrip « overbrenging van afvalstoffen » wordt gedefinieerd als het vervoer van afvalstoffen, zodat zij, door de overeenstemming van artikel 49, § 1, 3°, van het decreet van 9 maart 2023 met artikel 12 van die verordening na te gaan, geen begrippen door elkaar halen die verschillend zouden zijn. Achtste middel A.10.1. De verzoekende partijen leiden een achtste middel af uit de schending, door de artikelen 162 tot 171 en 173 van het decreet van 9 maart 2023, van de artikelen 10, 11, 23, 27 en 143 van de Grondwet, van de artikelen 6, § 1, VI, vierde lid, 1°, en 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8bis, lid 5, tweede alinea, van de richtlijn 2008/98/EG. In het eerste onderdeel van dat middel klagen zij aan dat de artikelen 162 tot 171 van het decreet van 9 maart 2023 de instellingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid onderwerpen aan regels van goed bestuur die soortgelijk zijn aan de federale regels van behoorlijk bestuur inzake overheidsopdrachten. Zij zijn van mening dat de decreetgever zodoende optreedt in het overheidsopdrachtenrecht, in het mededingingsrecht, in het recht inzake de handelspraktijken en in het handelsrecht, die aan de federale overheid voorbehouden materies zijn, zonder dat een beroep op de impliciete bevoegdheden wordt verantwoord. In het tweede onderdeel van dat middel klagen de verzoekende partijen aan dat artikel 165 van het decreet van 9 maart 2023 het wettigheidsbeginsel dat is opgenomen in artikel 23 van de Grondwet, niet in acht neemt, in zoverre het nalaat te preciseren hoe de maatregelen die erin worden beoogd, zullen worden opgelegd aan de erkende instellingen. In het derde onderdeel van dat middel klagen zij aan dat artikel 171 van het decreet van 9 maart 2023, dat erin voorziet dat het beginsel van de vertrouwelijkheid van de documenten betreffende de plaatsingsprocedure niet van toepassing is ten aanzien van de administratie van het Waalse Gewest, artikel 13, § 1, van de wet van 17 juni 2016 « inzake overheidsopdrachten » en bijgevolg de bevoegdheid van de federale overheid in die aangelegenheid schendt. 13 A.10.2. De Waalse Regering verwijst naar de parlementaire voorbereiding van het decreet van 9 maart 2023 en leidt eruit af dat de bestreden bepalingen niet ertoe strekken in te werken op de federale regelgeving inzake overheidsopdrachten. Zij merkt op dat er geen norm of rechtspraak bestaat die het mogelijk maakt om de toepassing van die wetgeving op te leggen aan de beheersinstellingen. Zij erkent dat niet kan worden uitgesloten dat, in bepaalde gevallen, de personen en instellingen waarop de bestreden regels van toepassing moeten zijn voor de overeenkomsten en de opdrachten die zij sluiten, hoe dan ook worden onderworpen aan de federale wetgeving inzake overheidsopdrachten. Zij preciseert dat die wetgeving in dat geval moet worden toegepast, los van de voorwaarden die in acht moeten worden genomen in het kader van de erkenning. Wat de afwijking van het vertrouwelijkheidsbeginsel ten gunste van de administratie betreft, brengt zij in herinnering dat de invoering van een aantal regelingen inzake toelating en registratie de lidstaten verplicht om betrouwbare gegevens te verkrijgen die het mogelijk maken de capaciteit en de deskundigheid na te gaan van de operatoren die actief zijn in de keten van het afvalbeheer. A.10.3. De verzoekende partijen antwoorden dat de toepassing van de beginselen van behoorlijk bestuur die voortvloeien uit de federale wetgeving op de overheidsopdrachten, op privaatrechtelijke rechtspersonen op wie die beginselen niet van toepassing zijn, verwarring creëert. Zij zijn van mening dat zulks een inmenging van de decreetgever vormt in de federale bevoegdheden inzake overheidsopdrachten en, algemener, inzake mededingingsrecht. Bovendien zien zij niet in in welk opzicht het noodzakelijk zou zijn voor de gewestelijke administratie om in de precontractuele fase kennis te nemen van de documenten met betrekking tot de overeenkomst, de door de kandidaten ingediende documenten en zelfs de interne documenten van de instelling, teneinde over betrouwbare gegevens te beschikken en de traceerbaarheid van de afvalstoffen te verzekeren. -B- Ten aanzien van de omvang van het beroep tot vernietiging B.1.1. Het verzoekschrift omvat een vordering tot schorsing en een beroep tot vernietiging. De vordering tot schorsing betreft enkel een deel van de bepalingen waarvan de vernietiging wordt gevorderd. Bovendien bestaat de vordering tot schorsing uit twee delen. In hoofdorde vorderen de verzoekende partijen de schorsing van artikel 123, § 1, 24° tot 28°, van het decreet van het Waalse Gewest van 9 maart 2023 « betreffende de afvalstoffen, het circulair gebruik van de materialen en de openbare netheid » (hierna : het decreet van 9 maart 2023). Die vordering tot schorsing steunt op artikel 20, 2°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof (hierna : de bijzondere wet van 6 januari 1989). In ondergeschikte orde vorderen de verzoekende partijen de schorsing van de artikelen 123, § 1, 24° tot 28°, 127, § 1, 128, § 2, 129, § 1, 132, § 1, 137, § 1, 138, § 1, 6° en 7°, 140, 159, 2°, 160, 1° en 9°, 204, 39°, 269 en 271, § 1, van het decreet van 9 maart 2023. Die vordering tot schorsing steunt op artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989. B.1.2. Bij zijn arrest nr. 5/2024 van 11 januari 2024 (ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.005) heeft het Hof de in hoofdorde ingestelde vordering tot schorsing ingewilligd en artikel 123, § 1, 24° tot 28°, van het decreet van 9 maart 2023 geschorst. 14 B.1.3. In tegenstelling tot hetgeen de Waalse Regering aanvoert, dient te dezen niet te worden geoordeeld dat het ondergeschikte karakter van de vordering tot schorsing met betrekking tot de artikelen 127, § 1, 128, § 2, 129, § 1, 132, § 1, 137, § 1, 138, § 1, 6° en 7°, 140, 159, 2°, 160, 1° en 9°, 204, 39°, 269 en 271, § 1, van het decreet van 9 maart 2023 « afstraalt » op het verzoekschrift tot vernietiging van die bepalingen. Uit het verzoekschrift blijkt immers duidelijk dat de uiteenzetting van de vordering in « hoofdorde » en in « ondergeschikte orde » enkel betrekking heeft op de vordering tot schorsing, en niet op het verzoekschrift tot vernietiging. Bovendien heeft het verzoekschrift tot vernietiging ook betrekking op andere artikelen van hetzelfde decreet, die niet in de vordering tot schorsing werden beoogd, namelijk de artikelen 49, § 1, 121, § 3, 144 tot 157, 161, § 1, 162 tot 171, 173, 175 en 178, § 1, van het decreet van 9 maart 2023. Ten aanzien van titel 2 van het decreet van 9 maart 2023 B.2.1. Bij het decreet van 9 maart 2023 wordt het decreet van het Waalse Gewest van 27 juni 1996 « betreffende de afvalstoffen » (hierna : het decreet van 27 juni 1996) opgeheven en vervangen, teneinde de wetgeving van het Waalse Gewest met betrekking tot het afvalstoffenrecht te moderniseren en de talrijke Europeesrechtelijke bepalingen die in die materie zijn aangenomen, op te nemen (Parl. St., Waals Parlement, 2022-2023, nr. 1180/1, p. 4). Titel 2 van het decreet van 9 maart 2023 hervormt het systeem van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, dat zijn oorsprong vindt in de richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 « betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen » (hierna : de richtlijn 2008/98/EG), gewijzigd bij de richtlijn (EU) 2018/851 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 « tot wijziging van Richtlijn 2008/98/EG betreffende afvalstoffen » (hierna : de richtlijn (EU) 2018/851). B.2.2. De regeling van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid bestaat uit een « geheel van maatregelen om ervoor te zorgen dat de producenten van producten financiële of financiële en organisatorische verantwoordelijkheid nemen voor het beheer van de afvalfase 15 van de levenscyclus van een product » (artikel 123, § 1, 1°, van het decreet van 9 maart 2023). Die regeling is van toepassing ten aanzien van de in artikel 121, § 2, van het decreet van 9 maart 2023 opgesomde afvalstoffen, waaronder afval van elektrische en elektronische apparatuur (EEA), afval van batterijen en accu’s en afgedankte voertuigen. Die regeling houdt een aantal verplichtingen in voor de beoogde producenten van producten. Overeenkomstig artikel 127, § 2, van het decreet van 9 maart 2023 kan de producent hetzij zelf aan zijn verplichtingen voldoen, door middel van een individueel strategisch plan, hetzij zijn verplichtingen laten uitvoeren via « een organisatie die overeenkomstig hoofdstuk 2, afdeling 5, en hoofdstuk 5 van [titel 2] en de uitvoeringsbepalingen daarvan door de administratie of door de Regering in administratief beroep is erkend in het kader van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voor producten en waarbij hij zich heeft aangesloten, in welk geval hij wordt geacht aan zijn verplichtingen te hebben voldaan zodra en zolang hij aantoont dat hij rechtstreeks of via een tot vertegenwoordiging bevoegde persoon met deze erkende organisatie een overeenkomst heeft gesloten ». B.2.3. Krachtens artikel 121, § 3, van het decreet van 9 maart 2023 bestaan de verplichtingen die op de aan de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid onderworpen producenten rusten, in : « een verplichting om afvalstoffen te beheren; een verplichting om afvalbeheer en bepaalde afvalpreventiemaatregelen te financieren; een verplichting tot voorlichting en bewustmaking; een rapporteringsverplichting; een verplichting om een strategisch plan en bijbehorende jaarlijkse uitvoeringsplannen op te stellen », alsook, indien die verplichtingen door de Waalse Regering worden geactiveerd, in : « een verplichting tot terugname van afvalstoffen; een verplichting om afvalstoffen te voorkomen; 16 een verplichting om gekwantificeerde doelstellingen inzake inzameling of nuttige toepassing te bereiken, in het bijzonder voor recycling, of om te streven naar streefwaarden voor voorbereiding voor hergebruik of hergebruik; een verplichting om de openbare netheid te financieren ». Volgens artikel 6, § 1, van het decreet van 9 maart 2023 omvat de « preventie en het beheer » van afvalstoffen de volgende handelingen : « 1° preventie; 2° voorbereiding voor hergebruik; 3° recyclage; 4° andere nuttige toepassing, in het bijzonder energieterugwinning; en 5° verwijdering ». B.2.4. De bij het decreet van 9 maart 2023 doorgevoerde hervorming van het systeem van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid berust hoofdzakelijk op de invoering van het stelsel van de erkenning van de instellingen die de verplichtingen van de producenten van producten op zich nemen. In de commissie van het Waals Parlement heeft de minister de voordelen uiteengezet die zijn verbonden aan een dergelijk instrument ten opzichte van de milieuovereenkomsten : « Aldus biedt de erkenning de overheid de mogelijkheid om het kader vast te stellen dat zij wenst, met een sterkere positie dan bij een overeenkomst, minder administratieve last voor de ondernemingen en meer inhoud en kracht in termen van instrumenten » (Parl. St., Waals Parlement, 2022-2023, nr. 1180/14, p. 8). Met betrekking tot een aantal problemen die zijn vastgesteld binnen bepaalde beheersinstellingen voor de collectieve uitvoering van de verplichtingen van de producenten, heeft zij vervolgens opgemerkt : « Een plan ter verbetering werd thans reeds uitgevoerd maar […] de overstap naar een stelsel van erkenning is een veel sterker en doeltreffender instrument om in die richting te kunnen vooruitgaan » (ibid.). 17 Het blijkt dat er op het ogenblik van de werkzaamheden in de commissie van het Waals Parlement een intergewestelijk samenwerkingsakkoord met betrekking tot de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid werd voorbereid. De minister heeft dan ook vermeld : « [De] elementen van titel 2 zullen indien nodig worden gewijzigd via het decreet houdende instemming met het intergewestelijk samenwerkingsakkoord zodra dat zijn wetgevingstraject zal hebben beëindigd » (ibid., p. 14). Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep tot vernietiging B.3.1. De Waalse Regering voert aan dat de schorsing, bij het voormelde arrest van het Hof nr. 5/2024, van artikel 123, § 1, 24° tot 28°, van het decreet van 9 maart 2023 en de waarschijnlijke vernietiging van dezelfde bepaling bij het onderhavige arrest de gehele titel 2 van hetzelfde decreet onwerkzaam maken, zodat de verzoekende partijen geen actueel belang meer zouden hebben bij het vorderen van de vernietiging van bestreden bepalingen van titel 2 van het decreet, namelijk de artikelen 121, § 3, 127, § 1, 128, § 2, 129, § 1, 132, § 1, 137, § 1, 138, § 1, 6° en 7°, 140, 144 tot 157, 159, 2°, 160, 1° en 9°, 161, § 1, 162 tot 171, 172, 173, 175 en 178, § 1. B.3.2. De omstandigheid dat de schorsing van artikel 123, § 1, 24 tot 28°, van het decreet van 9 maart 2023, dat de definities bevat van de begrippen « producent van producten », « EEA-producent », « producent van batterijen of accu’s », « voertuigproducent » en « producent van andere producten » die specifiek zijn voor titel 2 van het decreet, alle bepalingen die op die producenten van toepassing zijn, tijdelijk onwerkzaam maakt, heeft niet automatisch tot gevolg dat de verzoekende partijen hun belang zouden verliezen om de vernietiging van die bepalingen te vorderen. Indien de Waalse decreetgever nieuwe definities van de « producenten » aanneemt, zouden de bepalingen van titel 2 die blijven bestaan, immers op hen van toepassing zijn. Voor het overige zal het belang van de verzoekende partijen om de vernietiging te vorderen van de bepalingen die zij beogen, indien nodig, samen met de middelen die op elk van die bepalingen betrekking hebben, worden onderzocht. 18 Ten aanzien van de middelen B.4. Het Hof onderzoekt de middelen door ze als volgt te groeperen : - de begrippen « producent » (tweede en derde middel); - de erkenning van de instellingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid (vierde middel); - de beperking van het statutaire doel van de instellingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid en het verbod om operationele activiteiten te verrichten (vijfde en zesde middel); - de verplichtingen inzake goed bestuur die worden opgelegd aan de instellingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid (achtste middel); - de draagwijdte van de aan de Waalse Regering verleende machtigingen (zevende middel); - de inwerkingtreding van titel 2 van het decreet van 9 maart 2023 (eerste middel). Wat betreft het begrip « producent » B.5.1. Het tweede en het derde middel hebben in de eerste plaats betrekking op artikel 123, § 1, 24° tot 28°, van het decreet van 9 maart 2023. Artikel 123 bevat de definities die specifiek zijn voor titel 2 van dat decreet. Paragraaf 1 van dat artikel bepaalt : « [...] 24° ‘ producent van producten ’ : elke persoon bedoeld in 25°, 26°, 27° of 28° afhankelijk van de betrokken regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid; 19 25° ‘ EEA-producent ’ : elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die ongeacht de verkooptechniek, met inbegrip van communicatie op afstand overeenkomstig de bepalingen van artikel I.8, 15°, van het Wetboek van economisch recht : is gevestigd op het Belgisch grondgebied en onder zijn eigen naam of merk EEA vervaardigt, of EEA laat ontwerpen of vervaardigen die hij onder zijn naam of merk op het Belgisch grondgebied verhandelt; is gevestigd op het Belgisch grondgebied en op het Belgisch grondgebied onder zijn eigen naam of handelsmerk apparatuur wederverkoopt die door andere leveranciers is geproduceerd; hierbij wordt de wederverkoper niet als ‘ producent ’ aangemerkt wanneer het merkteken van de producent overeenkomstig punt

  1. a)op het apparaat zichtbaar is; is gevestigd op het Belgisch grondgebied en brengt beroepsmatig EEA op de Belgische markt die afkomstig zijn van een derde land of; buiten het Belgische grondgebied is gevestigd en EEA op afstand verkoopt in de zin van artikel I.8, 15°, van het Wetboek van economisch recht, rechtstreeks of via een elektronische marktplaats, aan particuliere huishoudens of aan andere gebruikers dan particuliere huishoudens in België; 26° ‘ producent van batterijen of accu’s ’ : eenieder die, ongeacht de gebruikte verkooptechniek, met inbegrip van technieken voor verkoop op afstand overeenkomstig de bepalingen van artikel I.8, 15°, van het Wetboek van economisch recht, batterijen of accu’s, met inbegrip van die welke in apparaten of voertuigen zijn ingebouwd, beroepsmatig voor het [eerst] op het Belgische grondgebied op de markt brengt, al dan niet voor eigen gebruik; 27° ‘ voertuigproducent’ : de voertuigfabrikant of de beroepsimporteur van een voertuig op Belgisch grondgebied; 28° ‘ producent van andere producten ’ : elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die ongeacht de verkooptechniek, met inbegrip van communicatie op afstand in de zin van artikel I.8, 15°, van het Wetboek van economisch recht : is gevestigd op het Belgisch grondgebied en onder zijn eigen naam of merk een ander product dan bedoeld in 5° tot en met 7° vervaardigt, of laat ontwerpen of vervaardigen dat hij onder zijn naam of merk op het Belgisch grondgebied verhandelt; is gevestigd op het Belgisch grondgebied en op het Belgisch grondgebied onder zijn eigen naam of handelsmerk een ander product dan bedoeld in 5° tot en met 7° wederverkoopt dat door andere leveranciers is geproduceerd; hierbij wordt de wederverkoper niet als ‘ producent ’ aangemerkt wanneer het merkteken van de producent overeenkomstig punt
  2. a)op het product zichtbaar is; is gevestigd op het Belgisch grondgebied en brengt beroepsmatig een ander product dan bedoeld in 5° tot en met 7° op de Belgische markt dat afkomstig is van een derde land; gevestigd is op Belgisch grondgebied en een ander dan het in 5° tot en met 7° bedoelde product vervaardigt of invoert en voor eigen beroepsdoeleinden op Belgisch grondgebied gebruikt; of; 20 buiten het Belgische grondgebied is gevestigd en een ander product dan bedoeld in 5° tot en met 7° op afstand verkoopt in de zin van artikel I.8, 15°, van het Wetboek van economisch recht, rechtstreeks of via een elektronische marktplaats, aan particuliere huishoudens of aan andere gebruikers dan particuliere huishoudens in België ». B.5.2. Met hun tweede middel klagen de verzoekende partijen aan dat de decreetgever de producent van producten, die is onderworpen aan de verplichtingen die hij bepaalt, heeft gedefinieerd als zijnde de persoon die een van de betrokken producten op de Belgische markt brengt, zonder met de twee andere gewesten vooraf een samenwerkingsakkoord te hebben gesloten met betrekking tot de definitie van het begrip « producent van producten ». Zij zijn van mening dat, bij gebrek aan een samenwerkingsakkoord, de uitvoering van de regeling van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, op grond van die definities, noodzakelijkerwijs een inbreuk op de territoriale bevoegdheden van de twee andere gewesten en een schending van het beginsel van de federale loyauteit veroorzaakt. B.6.1. Bij zijn arrest nr. 37/2018 van 22 maart 2018 (ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.037) heeft het Hof artikel 79 van het decreet van het Waalse Gewest van 23 juni 2016 « houdende wijziging van het Milieuwetboek, van het Waterwetboek en van verscheidene decreten inzake afvalstoffen en milieuvergunning » vernietigd, in zoverre het artikel 8bis, § 1, eerste lid, invoegde in het decreet van het Waalse Gewest van 27 juni 1996. Het door het Hof vernietigde artikel 8bis, § 1, eerste lid, van het decreet van 27 juni 1996 bepaalde : « De Regering kan de in artikel 2, 20° [lees : 20°bis], bedoelde personen die goederen, producten of grondstoffen op de markt brengen in Wallonië, aan de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid onderwerpen ». B.6.2. Bij dat arrest heeft het Hof geoordeeld : « B.9.1. Uit de combinatie van de bestreden bepaling met artikel 2, 20°bis, van het decreet van 27 juni 1996 volgt dat de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid die bij het bestreden decreet is ingevoerd, geldt voor ‘ elke natuurlijke of rechtspersoon die een product al dan niet onder zijn eigen merk vervaardigt of invoert en het hetzij voor eigen gebruik binnen zijn industriële of handelsinrichtingen bestemt, hetzij op de Waalse markt brengt, ongeacht de aangewende techniek van verkoop, al dan niet op afstand ’ en voor elke ‘ natuurlijke of 21 rechtspersoon die producten doorverkoopt die door andere leveranciers onder zijn eigen merk zijn vervaardigd ’, vanaf het ogenblik dat zij goederen, producten of grondstoffen op de Waalse markt brengen. B.9.2. Handelend in het kader van de bevoegdheid inzake afvalstoffen die hem is toegewezen bij artikel 6, § 1, II, eerste lid, 2°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, is de decreetgever bevoegd om de omzetting te verzekeren van de voormelde Europese richtlijnen betreffende het beheer van bepaalde afvalstromen waarvoor een terugnameplicht bestaat die ten laste van de producenten moet worden gelegd. Het komt hem toe, in dat kader, nauwkeurig te bepalen welke aan de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid onderworpen personen moeten worden beschouwd als verantwoordelijk voor de terugname van de betrokken afvalstoffen. B.10.1. Artikel 10 van de voormelde richtlijn 2006/66/EG en artikel 7, lid 1, van de voormelde richtlijn 2012/19/EU stellen elk doelstellingen vast die jaarlijks door de lidstaten moeten worden bereikt in termen van percentage van, respectievelijk, afgedankte batterijen en accu’s en afgedankte elektrische en elektronische apparatuur die moeten worden ingezameld in verhouding tot het aantal overeenstemmende producten die in elke lidstaat op de markt zijn gebracht. B.10.2. Rekening houdend met het feit dat er voor de beoogde producten geen gewestelijke submarkten zijn, dat de door de Europese richtlijnen opgelegde inzamelingspercentages op het gehele Belgische grondgebied moeten worden bereikt en dat de terugnameplicht voor alle producenten moet gelden, lijkt het onvermijdelijk dat de gewesten in overleg definities aannemen van de als producent beschouwde persoon die verantwoordelijk is voor de inzameling en de verwerking van alle elektrische of elektronische apparatuur en van elke batterij of accu die hij op de Belgische markt brengt, zodat de verplichtingen inzake afval dat onderworpen is aan de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, ten laste worden genomen door één persoon die is aangewezen als de verantwoordelijke producent ervan. Dat geldt des te meer omdat de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid ook een financiële verplichting kan inhouden, in de vorm van bijdragen die worden betaald aan het eco-organisme waarbij de producent zich heeft aangesloten. Aangezien, onder voorbehoud van hetgeen hierna zal worden onderzocht, de gewesten bevoegd zijn om bepalingen aan te nemen voor onder meer de financiering van de plicht van de producenten en de berekening van de bijdragen die worden betaald aan de eco-organismen welke die verplichting moeten nakomen, is het aangewezen dat elke situatie die valt onder de decreetgeving op de afvalstoffen die aan een terugnameplicht onderworpen zijn, door één enkele gewestwetgever wordt geregeld, wat impliceert dat de criteria voor de afbakening van de territoriale bevoegdheid van ieder van hen onderling coherent moeten zijn. B.10.3. De aanneming door de decreetgever van het Waalse Gewest, zonder voorafgaand overleg met de wetgevers van de andere gewesten, van een definitie van het begrip ‘ producent die onderworpen is aan de uitgebreide verantwoordelijkheid ’, in zoverre zij de Belgische Staat mogelijkerwijs belemmert om de doelstellingen te bereiken die hem door de Europese Unie worden opgelegd, schendt het beginsel van federale loyauteit dat is gewaarborgd bij artikel 143, § 1, van de Grondwet, in samenhang gelezen met de in het middel aangevoerde bepalingen ». B.7.1. Bij zijn arrest nr. 163/2020 van 17 december 2020 (ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.163) heeft het Hof artikel 76, 1°, van het programmadecreet van 22 het Waalse Gewest van 17 juli 2018 « houdende verschillende maatregelen inzake tewerkstelling, vorming, economie, industrie, onderzoek, innovatie, digitale technologieën, leefmilieu, ecologische overgang, ruimtelijke ordening, openbare werken, mobiliteit en vervoer, energie, klimaat, luchthavenbeleid, toerisme, landbouw, natuur, bossen, plaatselijke besturen en huisvesting » vernietigd. Bij het door het Hof vernietigde artikel 76, 1°, van het programmadecreet van 17 juli 2018 werd in artikel 8bis, § 1, van het decreet van 27 juni 1996 een eerste lid ingevoegd, dat luidde als volgt : « De Regering kan uitgebreide aansprakelijkheidsregelingen voor producenten [lees : regelingen van uitgebreide producentenverantwoordelijkheid] vaststellen ». B.7.2. Bij dat arrest heeft het Hof, verwijzend naar het voormelde arrest nr. 37/2018, geoordeeld : « B.9. De bestreden bepaling machtigt de Waalse Regering ertoe een regeling van uitgebreide producentenverantwoordelijkheid vast te stellen wat afvalstoffen betreft die ook in de andere gewesten onderworpen zijn of kunnen worden onderworpen aan een regeling van uitgebreide producentenverantwoordelijkheid [...]. In die omstandigheden, los van elke specifieke Unierechtelijke norm waarbij per lidstaat doelstellingen worden opgelegd op het vlak van afvalinzamelingspercentages, is het geboden dat de gewesten in onderling overleg definities van het begrip ‘ producent ’ aannemen zodat elke situatie die valt onder de decreetgeving met betrekking tot de afvalstoffen die aan de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid zijn onderworpen, door één enkele gewestwetgever wordt geregeld en dat alle, inzonderheid financiële, verplichtingen met betrekking tot elke afvalstof die aan de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid is onderworpen, ten laste worden genomen door één enkele persoon die als verantwoordelijke producent is aangewezen. B.10. Om de voormelde redenen alsook om dezelfde redenen als die welke zijn vermeld in het in B.7 vermelde arrest, is het enige middel gegrond ». B.8.1. De bestreden bepaling strekt ertoe het begrip « aan de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid onderworpen producent van producten » inzake afvalbeheer te definiëren. Zoals het Hof bij de twee voormelde arresten heeft geoordeeld, houdt de bij artikel 143, § 1, van de Grondwet opgelegde inachtneming van de federale loyauteit in dat die definities in onderling overleg worden aangenomen door de gewesten, opdat elke situatie die valt onder de decreetgeving met betrekking tot de afvalstoffen die aan de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid zijn onderworpen, door één enkele gewestwetgever wordt 23 geregeld en opdat alle, inzonderheid financiële, verplichtingen met betrekking tot elke afvalstof die aan de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid is onderworpen, ten laste worden genomen door één enkele persoon die als verantwoordelijke producent is aangewezen. B.8.2. Het blijkt niet dat het ontwerp dat heeft geleid tot het decreet van 9 maart 2023, voor overleg werd voorgelegd aan de twee andere gewesten, noch dat die gewesten de mogelijkheid hebben gehad een standpunt in te nemen over de daarin vervatte definities. Hoewel uit het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State (Parl. St., Waals Parlement, 2022-2023, nr. 1180/1quater, p. 555) en uit de uitleg van de minister in de commissie van het Waals Parlement (Parl. St., Waals Parlement, 2022-2023, nr. 1180/14, pp. 7-8) blijkt dat op het ogenblik van de wetgevingsprocedure die tot het aannemen van het decreet van 9 maart 2023 heeft geleid, onderhandelingen met de twee andere gewesten aan de gang waren met als doel het sluiten van een samenwerkingsakkoord over, onder meer, de definitie van het begrip « aan de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid onderworpen producent van producten », was dat samenwerkingsakkoord, op het ogenblik van het aannemen van het decreet, nog niet ondertekend en had het, a fortiori, nog niet de parlementaire instemming verkregen. Daaruit vloeit voort dat niet kan worden geoordeeld dat de bestreden bepaling werd aangenomen nadat met de twee andere gewesten overleg heeft plaatsgevonden over de definitie van het begrip « aan de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid onderworpen producent van producten ». B.9. Het tweede middel is gegrond, om dezelfde redenen als die welke in de twee voormelde arresten van het Hof worden uiteengezet. Bijgevolg dient artikel 123, § 1, 24° tot 28°, van het decreet van 9 maart 2023 te worden vernietigd. B.10.1. Bij de artikelen 127, § 1, 128, § 2, 129, § 1, 132, § 1, 138, § 1, 6° en 7°, 140, 160, 9°, en 172 van het decreet van 9 maart 2023, die eveneens in het tweede middel worden beoogd, worden de aldus gedefinieerde producenten van producten aangewezen als de adressaten van de regeling van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid en worden de verplichtingen - ook de financiële - die eruit voortvloeien op het grondgebied van het Waalse Gewest, te hunnen laste gelegd. De verzoekende partijen klagen aan dat die bepalingen de uitoefening, door de twee andere gewesten, van hun bevoegdheden inzake afvalstoffen, in het kader van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, verhinderen of op zijn minst zeer moeilijk maken. 24 B.10.2. Al die bepalingen bevatten een verwijzing naar het op de Belgische markt brengen van producten waarop de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid betrekking heeft. In die mate zijn zij aangetast door hetzelfde gebrek als artikel 123, § 1, 24° tot 28°, van het decreet van 9 maart 2023 en dienen zij, om dezelfde redenen, eveneens te worden vernietigd. De artikelen 127, § 1, 128, § 2, 129, § 1, 132, § 1, 138, § 1, 6° en 7°, 140, 160, 9°, en 172 van het decreet van 9 maart 2023 dienen te worden vernietigd, in zoverre zij verwijzen naar het op de Belgische markt brengen. B.11. Het derde middel, dat enkel betrekking heeft op artikel 123, § 1, 26°, van het decreet van 9 maart 2023 en dat niet tot een ruimere vernietiging zou kunnen leiden dan die welke op grond van het tweede middel zal worden uitgesproken, dient niet te worden onderzocht. Wat betreft de erkenning van de instellingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid B.12. Het vierde middel wordt onderverdeeld in drie onderdelen, die betrekking hebben op respectievelijk de artikelen 175, 178 en 161, § 1, van het decreet van 9 maart 2023. De verzoekende partijen zetten niet uiteen in welk opzicht die bepalingen artikel 27 van de Grondwet, artikel 6, § 1, VI, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (hierna : de bijzondere wet van 8 augustus 1980), artikel 9 van de richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 « betreffende diensten op de interne markt » (hierna : de richtlijn 2006/123/EG), de artikelen 5, 6, 7, 8 en 11 van de richtlijn 2012/19/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 « betreffende afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (AEEA) (herschikking) » (hierna : de richtlijn 2012/19/EU), artikel 8, lid 4, van de richtlijn 2006/66/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 september 2006 « inzake batterijen en accu's, alsook afgedankte batterijen en accu's en tot intrekking van Richtlijn 91/157/EEG » (hierna : de richtlijn 2006/66/EG) en artikel 5 van de richtlijn 2000/53/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 september 2000 « betreffende autowrakken » (hierna : de 25 richtlijn 2000/53/EG) zouden schenden. In zoverre het is afgeleid uit de schending van die bepalingen, is het vierde middel niet ontvankelijk. Eerste onderdeel B.13.1. Het eerste onderdeel van het vierde middel heeft betrekking op artikel 175 van het decreet van 9 maart 2023 en is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 11, lid 1, van de richtlijn 2006/123/EG en met artikel 23, lid 2, van de richtlijn 2008/98/EG. Met toepassing van artikel 174 van het decreet van 9 maart 2023 dienen de instellingen die door de aan de regeling van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid onderworpen producenten van producten worden belast met het uitvoeren van de verplichtingen van die producenten in hun naam en voor hun rekening, vooraf houder te zijn van een daartoe afgegeven uitvoerbare erkenning. Artikel 175 van hetzelfde decreet bepaalt : « Elke erkenning van uitgebreide producentenverantwoordelijkheid of individueel strategisch plan, goedgekeurd bij en krachtens deze titel, wordt afgegeven voor een periode van maximaal vijf jaar ». De verzoekende partijen klagen aan dat artikel 175 van het decreet van 9 maart 2023 in een beperkte geldigheidsduur voor de erkenning voorziet en nalaat een bijzondere procedure te organiseren voor de verlenging, die automatisch plaatsvindt of afhankelijk wordt gesteld van het vervullen van een aantal beperkte vereisten. B.13.2. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Artikel 23, derde lid, 4°, van de Grondwet bevat een standstill-verplichting met betrekking tot het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu. Artikel 11, lid 1, van de richtlijn 2006/123/EG bepaalt : 26 « Een aan een dienstverrichter verleende vergunning heeft geen beperkte geldigheidsduur, tenzij in gevallen waar :
  3. a)de vergunning automatisch wordt verlengd of alleen afhankelijk is van de voortdurende vervulling van de voorwaarden;
  4. b)het aantal beschikbare vergunningen beperkt is door een dwingende reden van algemeen belang; of
  5. c)een beperkte duur gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen belang ». Artikel 23, leden 1 en 2, van de richtlijn 2008/98/EG bepaalt : « 1. De lidstaten bepalen dat inrichtingen en ondernemingen die voornemens zijn afval te verwerken, daarvoor van de bevoegde instantie een vergunning dienen te verkrijgen. [...] 2. Vergunningen kunnen worden verleend voor een gespecificeerde periode en kunnen eventueel hernieuwbaar zijn ». B.13.3. Zoals de afdeling wetgeving van de Raad van State heeft opgemerkt in haar advies over het voorontwerp van decreet, dient de regelgeving, aangezien zij de toegang tot een dienstenactiviteit of de uitoefening van een dergelijke activiteit raakt, te worden onderzocht ten aanzien van het Europees Unierecht, omdat de voorwaarden voor de erkenning ook worden opgelegd aan de natuurlijke personen of rechtspersonen die, afkomstig uit andere lidstaten van de Europese Unie, zouden gebruikmaken van hun recht op vrij verkeer en op vrije vestiging om de betrokken activiteiten uit te oefenen. Er dient dan ook rekening te worden gehouden met de richtlijn 2006/123/EG. Van die richtlijn kan evenwel worden afgeweken door een andere richtlijn, zodat eveneens rekening dient te worden gehouden met artikel 23, leden 1 en 2, van de richtlijn 2008/98/EG. Uit de gecombineerde lezing van die twee bepalingen blijkt dat de decreetgever erin kan voorzien dat de instellingen die de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid dragen, moeten zijn erkend en dat de erkenning kan worden toegekend voor een beperkte duur. Daaruit blijkt eveneens dat de erkenning kan worden verlengd. 27 B.14. In de memorie van toelichting met betrekking tot het decreet van 9 maart 2023 wordt, op algemene wijze in verband met het feit dat een aantal beroepsactiviteiten inzake afvalstoffen worden onderworpen aan het verkrijgen van een erkenning of een registratie met een beperkte geldigheidsduur, vermeld : « Met de beperkte duur van de erkenningen en registraties in het kader van het ontworpen decreet wordt het doel nagestreefd dat erin bestaat de middelen en de deskundigheid na te gaan van de operatoren die actief zijn in de keten van het afvalbeheer. Omgekeerd zou de controle a posteriori van de capaciteit en deskundigheid van de betrokken partijen, met name van alle operatoren die actief zijn in de keten van het afvalbeheer, de Waalse autoriteiten voor een voldongen feit kunnen plaatsen, en sluikstorten in de hand kunnen werken, met het risico dat dergelijke sluikstorters nooit worden geïdentificeerd. Bijgevolg zou die aanpak de toepassing van het beginsel ‘ de vervuiler betaalt ’ in het Waalse Gewest afzwakken » (Parl. St., Waals Parlement, 2022-2023, nr. 1180/1, p. 51). B.15.1. Uit het stilzwijgen van de tekst daarover kan niet worden afgeleid dat de decreetgever de bedoeling heeft gehad om de instellingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid te verhinderen om de verlenging van hun erkenning te verkrijgen. In dat verband blijkt uit de commentaar bij artikel 179, § 2, van het ontworpen decreet (artikel 180, § 2, van het aangenomen decreet) dat de decreetgever de mogelijkheid overwoog om een aanvraag tot verlenging van de erkenning in te voeren als aanvraag die verschilt van die van de oorspronkelijke erkenning : « In voorkomend geval zou de Regering formulieren kunnen vaststellen voor het indienen van de oorspronkelijke aanvraag, voor de aanvraag tot wijziging tijdens de geldigheid van de erkenning of het individuele strategische plan, voor de aanvraag tot verlenging, voor het instellen van administratieve beroepen, enz. » (Parl. St., Waals Parlement, 2022-2023, nr. 1180/1, p. 71). Voor het overige, rekening houdend met de mogelijkheid tot verlenging van de erkenning en met het feit dat een duur van vijf jaar niet buitensporig kort is, lijkt het risico dat de beperking van de duur van de erkenningen de instellingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid verhindert aanzienlijke investeringen te doen, hetgeen, volgens de verzoekende partijen, een achteruitgang van het beschermingsniveau van het recht op een gezond leefmilieu met zich mee zou kunnen brengen die onverenigbaar is met de door artikel 23, derde lid, 4°, van de Grondwet gewaarborgde standstill-verplichting, relatief hypothetisch. Een dergelijke maatregel wordt hoe dan ook redelijk verantwoord door de noodzaak voor de bevoegde overheid om met regelmatige tussenpozen na te gaan of de erkende 28 instelling wel degelijk voldoet aan de wettelijke voorwaarden voor de opdrachten die zij vervult, hetgeen kan bijdragen tot de bescherming van het recht op een gezond leefmilieu. B.15.2. Het feit dat de decreetgever niet voorziet in een specifieke procedure tot verlenging van de erkenning schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 23, lid 2, van de richtlijn 2008/98/EG, en met artikel 11, lid 1, a), van de richtlijn 2006/123/EG. Bij geen van die bepalingen wordt de verplichting opgelegd dat de procedure tot verlenging van de erkenning, indien niet automatisch, dan toch wel afhankelijk moet zijn van beperkte vereisten. B.15.3. Bijgevolg is het eerste onderdeel van het vierde middel niet gegrond. Tweede onderdeel B.16.1. Het tweede onderdeel van het vierde middel heeft betrekking op de artikelen 128, § 1, en 178, § 1, van het decreet van 9 maart 2023. Dat onderdeel van het middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 10 van de richtlijn 2006/123/EG. Artikel 178, § 1, van het decreet van 9 maart 2023 bepaalt : « Onverminderd artikel D.198 van boek I van het Milieuwetboek, kan de administratie op elk moment de goedkeuring voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voor producten die bij en krachtens deze titel is verleend, voor een periode van maximaal zes maanden schorsen of intrekken, in voorkomend geval door de Regering op administratief beroep, evenals het individuele strategische plan dat bij en krachtens deze titel is goedgekeurd, voor een periode van maximaal zes maanden schorsen of intrekken, in voorkomend geval door de bevoegde autoriteit op administratief beroep : 1° indien de houder van de uitgebreide erkenning van producentenverantwoordelijkheid [lees : de erkenning van uitgebreide producentenverantwoordelijkheid] geheel of gedeeltelijk niet voldoet aan alle of sommige van :
  6. a)de bij en krachtens deze titel vastgestelde verplichtingen van de producent van producten voor de betrokken regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid;
  7. b)de uitgebreide [producentenverantwoordelijkheidsverplichtingen] van de organisatie overeenkomstig dit hoofdstuk en de bijbehorende uitvoeringsmaatregelen; 29
  8. c)indien van toepassing, de aanvullende voorwaarde(
  9. n)die overeenkomstig artikel 187 in de erkenningsbeslissing betreffende de uitgebreide [producentenverantwoordelijkheid] van de producent is/zijn opgenomen;
  10. d)in voorkomend geval, de verplichtingen die op hem van toepassing zijn krachtens het fiscaal decreet van 22 maart 2007 tot bevordering van afvalpreventie en -valorisatie in het Waalse Gewest en tot wijziging van het decreet van 6 mei 1999 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillen inzake de directe gewestelijke belastingen en zijn uitvoeringsmaatregelen; [...] ». De verzoekende partijen klagen aan dat die bepaling op al te ruime wijze voorziet in de gevallen waarin een erkende instelling haar erkenning ingetrokken of geschorst kan zien, door te bepalen dat tot de schorsing of tot de intrekking van de erkenning kan worden besloten wanneer de houder ervan « geheel of gedeeltelijk niet voldoet aan alle of sommige van » de verplichtingen die rusten op de producent van producten en op de instelling inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, met schending van het wettigheidsbeginsel dat is vervat in artikel 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 10, lid 1 en lid 2, d), van de richtlijn 2006/123/EG. B.16.2. Artikel 128, § 1, van hetzelfde decreet bepaalt, met betrekking tot de regelingen van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voor huishoudelijk afval, dat de plaatselijke overheden en de openbare instanties voor afvalbeheer, wanneer het individuele strategische plan of de erkenning van een instelling die de uitgebreide verantwoordelijkheid draagt, wordt opgeschort of ingetrokken bij een administratief besluit, in voorkomend geval genomen na een administratief beroep, van rechtswege zelf kunnen voorzien in de gunning en uitvoering van contracten met betrekking tot de operationele verantwoordelijkheid voor dergelijke regelingen inzake huishoudelijk afval. De verzoekende partijen leiden daaruit af dat de Waalse Regering op onevenredige wijze zou kunnen afwijken van het beginsel van de responsabilisering van de producenten, dat voortvloeit uit de ter zake toepasselijke richtlijnen, aangezien haar beoordelingsmarge onvoldoende nauwkeurig wordt afgebakend. B.17.1. De bestreden bepalingen vloeien voort uit de regelgeving met betrekking tot het beheer van bepaalde afvalstromen. Zij streven een doel van algemeen belang na en dragen bij tot de bescherming van een gezond leefmilieu. 30 B.17.2. Artikel 23, tweede lid en derde lid, 4°, van de Grondwet verplicht de bevoegde wetgever om het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu te waarborgen en de voorwaarden voor de uitoefening van dat recht te bepalen. Die grondwetsbepaling verbiedt die wetgever echter niet machtigingen te verlenen aan de uitvoerende macht, voor zover die machtigingen betrekking hebben op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de wetgever het onderwerp heeft aangegeven. Die grondwetsbepaling verplicht de wetgever niet om alle essentiële elementen van het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu te regelen en verbiedt hem niet om de uitvoerende macht ertoe te machtigen die te regelen. B.17.3. Artikel 10, lid 1 en lid 2, d), van de richtlijn 2006/123/EG bepaalt : « 1. Vergunningstelsels zijn gebaseerd op criteria die beletten dat de bevoegde instanties hun beoordelingsbevoegdheid op willekeurige wijze uitoefenen. 2. De in lid 1 bedoelde criteria zijn : [...]
  11. d)duidelijk en ondubbelzinnig; [...] ». B.18.1. De tekst van de bestreden bepaling, zoals hij voorkwam in het voorontwerp van decreet dat voor advies is voorgelegd aan de afdeling wetgeving van de Raad van State, bepaalde dat de erkenning kon worden geschorst of ingetrokken in geval van een « onjuiste of ontoereikende nakoming » van de verplichtingen van de instelling die houder is van de erkenning. Het is de afdeling wetgeving van de Raad van State die heeft gesuggereerd om die uitdrukking te vervangen door de uitdrukking « gehele of gedeeltelijke niet-nakoming van de verplichting » : « Aangezien de bewoordingen ‘ onjuiste of ontoereikende nakoming ’ in de gangbare juridische terminologie geen specifieke betekenis hebben, is het beter om gebruik te maken van een formulering die geen aanleiding geeft tot verwarring, en enkel te verwijzen naar ‘ de gehele of gedeeltelijke niet-nakoming van de verplichting ’ » (Parl. St., Waals Parlement, 2022-2023, nr. 1180/1quater, p. 571). 31 B.18.2. Artikel 190 van het decreet van 9 maart 2023 bepaalt dat bij de Waalse Regering een administratief beroep openstaat tegen beslissingen die door de administratie inzake erkenning zijn genomen. Krachtens paragraaf 2 van dat artikel is het beroep tegen een beslissing tot schorsing van de erkenning niet opschortend. Het beroep tegen een beslissing tot intrekking van de erkenning schorst die beslissing daarentegen. B.18.3. Zoals de afdeling wetgeving van de Raad van de State heeft opgemerkt, geeft de uitdrukking « gehele of gedeeltelijke niet-nakoming van de verplichting » geen aanleiding tot verwarring en zijn de beroepsbeoefenaars van het administratief recht voldoende ermee vertrouwd. Bovendien, door het de administratie of, op administratief beroep, de Waalse Regering mogelijk te maken om te beslissen om de erkenning te schorsen of in te trekken in geval van een « gehele of gedeeltelijke niet-nakoming » van de verplichtingen die rusten op de houder van de erkenning, bepaalt de decreetgever zelf het onderwerp van de maatregel die door de overheid kan worden genomen. Daaruit vloeit voort dat het wettigheidsbeginsel dat wordt afgeleid uit artikel 23, tweede lid en derde lid, 4°, van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 10, lid 1 en lid 2, d), van de richtlijn 2006/123/EG, niet is geschonden. B.19. Het tweede onderdeel van het vierde middel is niet gegrond. Derde onderdeel B.20.1. Het derde onderdeel van het vierde middel heeft betrekking op artikel 161, § 1, van het decreet van 9 maart 2023 en is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 14, punt 7), van de richtlijn 2006/123/EG. Artikel 161, § 1, van het decreet van 9 maart 2023 bepaalt : « Wanneer de betrokken regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op huishoudelijk afval, stelt de regeling [lees : organisatie] voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid een financiële zekerheid om te waarborgen dat de verplichtingen die gelden voor de betrokken regeling voor uitgebreide [producentenverantwoordelijkheid] worden nagekomen, waarvan het bedrag, dat wordt vastgesteld in het besluit tot goedkeuring van de organisatie voor uitgebreide [producentenverantwoordelijkheid], gelijk is aan de geraamde kosten van de 32 overheidsinstanties die de volledige verantwoordelijkheid voor de genoemde verplichtingen op zich nemen een periode van negen maanden. De Regering kan procedures vaststellen voor de berekening van het bedrag van de financiële zekerheid en voor de herziening van dat bedrag tijdens de uitvoering van het besluit tot goedkeuring van de organisatie voor de uitgebreide verantwoordelijkheid van de producent [van] producten. Elke financiële zekerheid wordt ten gunste van de overheid gesteld binnen zestig dagen na de datum van kennisgeving van het besluit om de organisatie goedkeuring te verlenen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid ». B.20.2. De verzoekende partijen klagen aan dat die bepaling enkel aan de instellingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid een verplichting tot het stellen van een financiële zekerheid oplegt, en niet aan de producenten van producten die hun verplichtingen inzake uitgebreide verantwoordelijkheid uitvoeren door een individueel strategisch plan na te leven, hetgeen een onverantwoord verschil in behandeling zou creëren en bovendien in strijd zou zijn met artikel 14, punt 7), van de richtlijn 2006/123/EG. B.21.1. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.21.2. Artikel 14, punt 7), van de richtlijn 2006/123/EG bepaalt : « De lidstaten stellen de toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit op hun grondgebied niet afhankelijk van de volgende eisen : [...] 7) een verplichting tot het stellen van of deelnemen in een financiële waarborg of het afsluiten van een verzekering bij een op hun grondgebied gevestigde dienstverrichter of instelling. Dit belet niet dat de lidstaten een verzekering of financiële garanties als zodanig 33 kunnen verlangen noch dat eisen inzake de deelname in een collectief waarborgfonds worden gesteld, bijvoorbeeld voor leden van een beroepsorde of -organisatie; [...] ». In overweging 67 van de richtlijn wordt dienaangaande vermeld : « Met betrekking tot financiële waarborgen of verzekeringen is het alleen verboden te eisen dat de verlangde financiële waarborgen of verzekeringen worden geleverd door een in de betrokken lidstaat gevestigde financiële instelling ». B.22.1. In de memorie van toelichting wordt met betrekking tot de bestreden bepaling vermeld : « Enkel de instellingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid zijn ertoe gehouden een dergelijke zekerheid te stellen wegens het feit dat het hoofdzakelijk die laatstgenoemde zijn die a priori ertoe zullen worden gebracht een groter aantal afvalstoffen te beheren (ten opzichte van de producenten van producten die alleen handelen op grond van een individueel beheersplan dat is goedgekeurd in het Waalse Gewest). Indien een erkende instelling inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid met betrekking tot (ten minste) huishoudelijk afval in gebreke blijft, zou het de lokale overheden (en de publiekrechtelijke rechtspersonen die actief zijn inzake afvalstoffen) toekomen om haar plaats in te nemen, met name teneinde de algemene administratieve politie in haar dimensies van veiligheid, rust en openbare gezondheid te verzekeren. In dat geval zouden de aldus door het Waalse Gewest vrijgemaakte gelden (in het kader van de gestelde zekerheid) de overheid toelaten om de problematische situatie zelf te verhelpen (via publiekrechtelijke rechtspersonen of via een of meer overheidsopdrachten) » (Parl. St., Waals Parlement, 2022-2023, nr. 1180/1, p. 69). B.22.2. Het bestreden verschil in behandeling berust op het criterium van de aard van de persoon op wie de verplichting inzake afvalbeheer betrekking heeft : de verplichting om een zekerheid te stellen, wordt enkel opgelegd aan de instellingen die de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid dragen voor rekening van die producenten, en niet aan de producenten die zelf hun verplichtingen ter zake dragen. Dat criterium is objectief. Het is ook pertinent ten opzichte van het doel dat erin bestaat te waarborgen dat de lokale overheden, indien de instelling die de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid draagt, in gebreke blijft, de middelen hebben om in haar plaats te treden teneinde de taken van inzameling en verwerking van de betrokken afvalstoffen te vervullen. Het is immers redelijk dat wordt geoordeeld dat het in gebreke blijven van een instelling die de uitgebreide verantwoordelijkheid 34 van meerdere producenten van producten collectief draagt, grotere gevolgen zal hebben, in termen van kosten voor de overheid die ertoe is gehouden in haar plaats te treden, dan het in gebreke blijven van een enkele producent. B.22.3. Bovendien heeft de bestreden bepaling, die het bedrag van de te stellen zekerheid beperkt tot een som die gelijk is aan de geraamde kosten voor de tenlasteneming van de verplichtingen tijdens een periode van negen maanden, geen onevenredige gevolgen voor de beoogde instellingen. B.22.4. Ten slotte legt de bestreden bepaling niet de verplichting op dat de financiële zekerheid wordt gesteld bij een Belgische instelling. In paragraaf 2 ervan voorziet zij uitdrukkelijk erin dat zij kan bestaan uit, onder meer, een onafhankelijke bankgarantie of een inpandgeving op een of meer bankrekeningen. In die gevallen worden de zekerheden verstrekt door een kredietinstelling die is erkend door hetzij de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten, hetzij een andere autoriteit van een lidstaat van de Europese Unie die bevoegd is om toezicht te houden op de kredietinstellingen. Daaruit volgt dat de bestreden bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 14, punt 7), van de richtlijn 2006/123/EG niet schendt. B.23. Het derde onderdeel van het vierde middel is niet gegrond. Wat betreft de beperking van het statutaire doel en het verbod om operationele activiteiten te verrichten die worden opgelegd aan de instellingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid Vijfde middel B.24.1. Het vijfde middel heeft betrekking op artikel 159, 2°, van het decreet van 9 maart 2023, dat bepaalt : « De vergunning voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid van een instantie die door producenten van producten in het kader van deze titel en de uitvoeringsmaatregelen ervan kan worden belast, kan alleen worden verleend aan rechtspersonen die elk aan de volgende cumulatieve voorwaarden voldoen : 35 [...] 2° als enig statutair doel hebben om namens haar contractanten de verplichtingen inzake de uitgebreide verantwoordelijkheid van producenten van producten op zich te nemen; ». B.24.2. De twee onderdelen van het middel zijn afgeleid uit de schending van de artikelen 23 en 27 van de Grondwet en van de artikelen 6, § 1, VI, derde lid, en 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 49 en 56 van het VWEU, met de artikelen 5, lid 2, d), en 8, lid 3, van de richtlijn 2012/19/EU, met artikel 12 van de richtlijn 2006/66/EG en met artikel 27, lid 1 en lid 3, c), van de richtlijn 2008/98/EG. De verzoekende partijen klagen aan dat die bepaling het statutaire doel van de instellingen beperkt (eerste onderdeel van het middel) en, in zoverre zij de organisatie en het optreden van de instellingen beperkt, hen verhindert om een collectief systeem voor de terugname van afvalstoffen te organiseren en om systemen in te voeren voor de nuttige toepassing van afvalstoffen aan de hand van de beste beschikbare technieken (tweede onderdeel van het middel). Het Hof onderzoekt de twee onderdelen van het middel samen. B.24.3. De verzoekende partijen zetten niet uiteen in welk opzicht de bestreden bepaling in strijd zou zijn met artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. In zoverre het is afgeleid uit de schending van die bepaling, is het middel niet ontvankelijk. B.25.1. Artikel 27 van de Grondwet bepaalt : « De Belgen hebben het recht van vereniging; dit recht kan niet aan enige preventieve maatregel worden onderworpen ». De vrijheid van vereniging waarin die bepaling voorziet, heeft tot doel de oprichting van private verenigingen en de deelname aan hun activiteiten te waarborgen. Zij impliceert het recht om zich te verenigen en de interne organisatie van de vereniging vrij te bepalen, maar ook het recht om zich niet te verenigen. B.25.2. De vrijheid van ondernemen, bedoeld in artikel II.3 van het Wetboek van economisch recht, moet worden uitgeoefend « met inachtneming van de in België van kracht 36 zijnde internationale verdragen, van het algemeen normatief kader van de economische unie en de monetaire eenheid zoals vastgesteld door of krachtens de internationale verdragen en de wet » (artikel II.4 van hetzelfde Wetboek). De vrijheid van ondernemen dient derhalve in samenhang te worden gelezen met de toepasselijke bepalingen van het Unierecht, alsook met artikel 6, § 1, VI, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, waaraan het Hof, als bevoegdheidverdelende regel, rechtstreeks vermag te toetsen. De vrijheid van ondernemen kan niet als een absolute vrijheid worden opgevat. Zij belet niet dat de bevoegde wetgever de economische bedrijvigheid van personen en ondernemingen regelt. Deze zou pas onredelijk optreden indien hij de vrijheid van ondernemen zou beperken zonder dat daartoe enige noodzaak bestaat of indien die beperking onevenredig zou zijn met het nagestreefde doel. B.25.3. Artikel 12 van de richtlijn 2006/66/EG verplicht de lidstaten onder meer om ervoor te zorgen dat de producenten of derden die hun plicht op zich nemen, « met gebruikmaking van de beste beschikbare technieken voor de bescherming van de gezondheid en het milieu, systemen opzetten voor de verwerking en recycling van afgedankte batterijen en accu’s ». Krachtens artikel 5, lid 2, d), van de richtlijn 2012/19/EU dragen de lidstaten er zorg voor dat « het de producenten toegestaan is […] individuele en/of collectieve terugnamesystemen voor AEEA uit particuliere huishoudens in te voeren en te exploiteren ». Met toepassing van artikel 8, lid 3, van dezelfde richtlijn, dragen zij er zorg voor dat de producenten of in hun naam handelende derden « systemen invoeren voor de nuttige toepassing van AEEA met gebruikmaking van de beste beschikbare technieken ». Artikel 27, lid 1 en lid 3, c), van de richtlijn 2008/98/EG bepaalt dat de Commissie gedelegeerde handelingen vaststelt om de richtlijn aan te vullen door technische minimumnormen te bepalen die van toepassing zijn op verwerkingsactiviteiten, met name het sorteren en het recycleren van afvalstoffen, en dat die minimumnormen rekening houden met de beste beschikbare technieken. B.26.1. Volgens de memorie van toelichting bij de bestreden bepaling zijn de bekritiseerde verplichtingen « overgenomen uit de wetgeving en de regelgeving die aan het ontworpen 37 decreet voorafgaan » en werden zij « geldig verklaard door de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof (GwH, 22 maart 2018, nr. 37/2018, B.15.3 tot B.15.5) » (Parl. St., Waals Parlement, 2022-2023, nr. 1180/1, p. 69). B.26.2. Personen die aan de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid zijn onderworpen voor bepaalde afvalstromen, aanvaarden een verplichting om de afvalstoffen waarvoor zij verantwoordelijk zijn te beheren, krachtens de artikelen 130 en volgende van het decreet van 9 maart 2023. Die beheersverplichting maakt deel uit van de uitvoering van het door het Gewest gevoerde milieubeleid. B.26.3. Aangezien de beheersverplichting, krachtens artikel 127, § 2, van het decreet van 9 maart 2023, individueel of collectief kan worden vervuld, zijn de producenten van producten niet verplicht zich te verenigen om te voldoen aan de vereisten van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid. B.26.4. Rekening houdend met de door de producenten vervulde opdracht van algemeen belang wanneer zij de verplichting op zich nemen om afvalstoffen te beheren, is het niet zonder redelijke verantwoording dat de decreetgever een kader biedt voor hun werking, hetzij door te bepalen dat de Regering de individuele strategische beheersplannen voor het betrokken afval goedkeurt, hetzij door een erkenning in te voeren van de instellingen die, voor de producenten, hun beheersverplichting uitvoeren. B.27.1. Wanneer zij ervoor kiezen zich te verenigen om die verplichting te vervullen, moeten de producenten, opdat hun vereniging door de Regering kan worden erkend, daaraan de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk geven (artikel 159, 1°, van het decreet van 9 maart 2023). Krachtens de bestreden bepaling kunnen zij haar geen ander statutair doel toekennen dan de tenlasteneming, voor rekening van de contractanten, van de verplichtingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid. B.27.2. Aangezien de bestreden bepaling, enerzijds, geen verplichting inhoudt om zich te verenigen en, anderzijds, de producenten die dat zouden wensen niet verhindert om andere verenigingen op te richten waaraan zij andere statutaire doelen toekennen, doet zij geen afbreuk aan de vrijheid van vereniging die hun wordt gewaarborgd bij artikel 27 van de Grondwet. De bestreden bepaling beperkt evenmin de vrijheid van ondernemen van de aan de uitgebreide 38 producentenverantwoordelijkheid onderworpen producenten van producten, die vrij blijven om de activiteiten van hun keuze te ondernemen en, in voorkomend geval, zich daartoe te verenigen. Ten slotte ziet het Hof niet in in welk opzicht de bestreden bepaling de producenten die een instelling hebben belast met de uitvoering van hun verplichting om afvalstoffen te beheren, alsook die instellingen zelf, zou verhinderen om die beheersverplichting op zich te nemen aan de hand van de best mogelijke technieken. B.28. Het vijfde middel is niet gegrond. Zesde middel B.29.1. Het zesde middel heeft betrekking op artikel 160, eerste lid, 1°, van het decreet van 9 maart 2023, dat bepaalt : « De organisatie die verantwoordelijk is voor de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voor producten : 1° verricht geen operationele afvalbeheersactiviteiten die onder een regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid vallen, noch direct, noch indirect, met name via een dochteronderneming; ». B.29.2. In de memorie van toelichting wordt met betrekking tot die bepaling vermeld : « De gecombineerde uitoefening van operationele afvalbeheersactiviteiten en van de verplichtingen met betrekking tot de follow-up en de controle van de kanalen voor het beheer van afvalstoffen die door een regeling van uitgebreide producentenverantwoordelijkheid worden gedekt, zouden immers ertoe kunnen leiden dat de mededinging wordt beperkt, dat een abnormale druk wordt uitgeoefend op de prijzen of dat de ontwikkeling van een aantal kanalen wordt ingeperkt. Dat zou het geval kunnen zijn indien een aanzienlijk deel van een stroom noodzakelijkerwijs rechtstreeks, of via een dochteronderneming, door dergelijke instellingen zou moeten worden ingezameld, gesorteerd of verwerkt. Het Waalse Gewest is dus verantwoordelijk om ervoor te zorgen dat de instellingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid geen misbruik maken van de positie die hun bij het ontworpen decreet en de uitvoeringsmaatregelen ervan wordt verleend » (Parl. St., Waals Parlement, 2022-2023, nr. 1180/1, p. 69). 39 Eerste onderdeel B.30.1. Het eerste onderdeel van het zesde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 6, § 1, VI, vijfde lid, 4°, en 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. De verzoekende partijen doen gelden dat de decreetgever, door de instellingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid te verbieden om operationele activiteiten inzake het beheer van afvalstoffen die worden gedekt door de regeling van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, direct of indirect uit te oefenen, inbreuk maakt op de bevoegdheid van de federale overheid op het gebied van het mededingingsrecht en het recht inzake de handelspraktijken. B.30.2. Artikel 6, § 1, VI, vijfde lid, 4°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 bepaalt dat alleen de federale overheid bevoegd is voor « het mededingingsrecht en het recht inzake de handelspraktijken, met uitzondering van de toekenning van kwaliteitslabels en oorsprongbenamingen van regionale of lokale aard ». Artikel 10 van dezelfde bijzondere wet machtigt onder meer het Waalse Gewest om een decreet aan te nemen dat een federale aangelegenheid regelt, voor zover die bepaling noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn bevoegdheden, die aangelegenheid zich leent tot een gedifferentieerde regeling en de weerslag ervan op de federale aangelegenheid maar marginaal is. B.30.3. Volgens de parlementaire voorbereiding van de bijzondere wet van 8 augustus 1988 tot wijziging van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen omvat het mededingingsrecht alle wetten en reglementen die regels vaststellen met het oog op het waarborgen van een werkzame concurrentie tussen de marktdeelnemers. Als voorbeeld werd verwezen naar het koninklijk besluit nr. 62 van 13 januari 1935 « waarbij toelating wordt verleend tot het oprichten van een economische reglementeering van de voortbrenging en de verdeeling », de wet van 27 mei 1960 « tot bescherming tegen het misbruik van economische machtspositie » en het ontwerp dat de wet van 5 augustus 1

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.