← België

ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.046

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 25 april 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.046 Arrest- Rolnummer: 46/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-05-06 Raadplegingen: 888 - laatst gezien 2026-06-19 03:28 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche - Prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (alvorens ten gronde uitspraak te doen over het eerste en het derde tot het negende middel in de zaak nr. 7942, over de middelen in de zaken nrs. 8030 en 8036 en over het eerste, het tweede en het vierde tot het zesde middel in de zaak nr. 8040) - Uitspraak aangehouden over het tiende middel in de zaak nr. 7942 en over het vijfde en het zevende middel in de zaak nr. 8040 - Verwerping van het tweede middel in de zaak nr. 7942 en van het derde middel in de zaak nr. 8040 Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de beroepen tot vernietiging van de wet van 16 december 2022 « tot vaststelling van een tijdelijke solidariteitsbijdrage van de oliesector », ingesteld door de nv « Varo Energy Belgium », door de bv « EG Retail (Belgium) », door de nv « Gilops Group » en de nv « Van Raak Trading » en door de nv « Kuwait Petroleum (Belgium) ». Energie - Energiecrisis - Prijsstijgingen - Verplichte tijdelijke solidariteitsbijdrage - Oliesector - Bevoegdheidverdelende regels - Personele toepassingsgebied van de wet - Berekening van de bijdrage - Geregistreerde aardoliemaatschappijen die voor het jaar 2022 als primaire deelnemers zijn aangewezen voor diesel, gasolie en benzineproducten - Uitsluiting van de sectoren aardgas en kolen - Retroactieve heffing - Gelijkwaardige nationale maatregel - Staatssteun - Rechtsgrond van de verordening (EU) 2022/1854 Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 46/2024 van 25 april 2024 Rolnummers : 7942, 8030, 8036 en 8040 In zake : de beroepen tot vernietiging van de wet van 16 december 2022 « tot vaststelling van een tijdelijke solidariteitsbijdrage van de oliesector », ingesteld door de nv « Varo Energy Belgium », door de bv « EG Retail (Belgium) », door de nv « Gilops Group » en de nv « Van Raak Trading » en door de nv « Kuwait Petroleum (Belgium) ». Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt en Kattrin Jadin, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 1 maart 2023 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 2 maart 2023, heeft de nv « Varo Energy Belgium », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Mark Delanote, advocaat bij de balie te Brussel, beroep tot vernietiging ingesteld van de wet van 16 december 2022 « tot vaststelling van een tijdelijke solidariteitsbijdrage van de oliesector » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 22 december 2022). Bij hetzelfde verzoekschrift vorderde de verzoekende partij eveneens de schorsing van dezelfde wet. Bij het arrest nr. 97/2023 van 15 juni 2023 (ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.097), bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 10 oktober 2023, heeft het Hof de vordering tot schorsing verworpen. b. Bij verzoekschriften die aan het Hof zijn toegezonden bij op 20, 21 en 22 juni 2023 ter post aangetekende brieven en ter griffie zijn ingekomen op 21, 22 en 23 juni 2023, zijn beroepen tot vernietiging ingesteld van dezelfde wet door de bv « EG Retail (Belgium) », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Frederik Vandendriessche, Mr. Pauline Van Bogaert en Mr. Lieselotte Schellekens, advocaten bij de balie te Brussel, door de nv « Gilops Group » en de nv « Van Raak Trading », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. François Tulkens en 2 Mr. Mathilde Victor, advocaten bij de balie te Brussel, en door de nv « Kuwait Petroleum (Belgium) », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Bob Martens, Mr. Philippe Hinnekens, Mr. Alec Van Vaerenbergh en Mr. Cédric Martens, advocaten bij de balie te Brussel. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 7942, 8030, 8036 en 8040 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Memories en memories van wederantwoord zijn ingediend door : - de nv « Varo Energy Belgium », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Mark Delanote (tussenkomende partij in de zaken nrs. 8030, 8036 en 8040); - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Bart Martel, Mr. Korneel Decroix en Mr. Kristof Caluwaert, advocaten bij de balie te Brussel. De verzoekende partijen hebben memories van antwoord ingediend. Bij beschikking van 31 januari 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Sabine de Bethune en Thierry Giet te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen waren, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaken in beraad zouden worden genomen. Ingevolge het verzoek van de Ministerraad om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 14 februari 2024 de dag van de terechtzitting bepaald op 13 maart

  1. Op de openbare terechtzitting van 13 maart 2024 : - zijn verschenen : . Mr. Mark Delanote, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 7942 (tussenkomende partij in de zaken nrs. 8030, 8036 en 8040); . Mr. Lieselotte Schellekens, tevens loco Mr. Frederik Vandendriessche en Mr. Pauline Van Bogaert, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 8030; . Mr. Damien Verhoeven, advocaat bij de balie te Brussel, tevens loco Mr. François Tulkens, en Mr. Mathilde Victor, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 8036; . Mr. Alec Van Vaerenbergh en Mr. Cédric Martens, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 8040; . Mr. Bart Martel en Mr. Kristof Caluwaert, tevens loco Mr. Korneel Decroix, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers Sabine de Bethune en Thierry Giet verslag uitgebracht; 3 - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.
  2. De Ministerraad is van oordeel dat de beroepen in de zaken nrs. 7942, 8030, 8036 en 8040 minstens gedeeltelijk niet ontvankelijk zijn. De verzoekende partijen, die aan de bestreden belasting zijn onderworpen omdat zij in het jaar 2022 als primaire deelnemer zijn aangewezen voor diesel, gasolie en benzineproducten, hebben slechts een belang bij de vernietiging van de bestreden wet van 16 december 2022 « tot vaststelling van een tijdelijke solidariteitsbijdrage van de oliesector » (hierna : de wet van 16 december 2022) in zoverre die een tijdelijke solidariteitsbijdrage invoert voor de primaire deelnemers. De verzoekende partijen hebben daarentegen geen belang bij de vernietiging van de wet van 16 december 2022 in zoverre daarbij een tijdelijke solidariteitsbijdrage voor raffinaderijen wordt ingevoerd, daar die bepalingen niet op hen van toepassing zijn. Het blijkt overigens niet dat de verzoekende partijen grieven aanvoeren tegen de wet van 16 december 2022 in zoverre daarbij een tijdelijke solidariteitsbijdrage voor raffinaderijen wordt ingevoerd. De beroepen zijn dus ook gedeeltelijk onontvankelijk bij gebrek aan grieven. Voorts stelt de Ministerraad dat de beroepen in de zaken nrs. 7942, 8036 en 8040 gedeeltelijk niet ontvankelijk zijn bij gebrek aan uiteenzetting van de middelen. Aldus zou het beroep in de zaak nr. 8036 niet ontvankelijk zijn bij gebrek aan uiteenzetting van het middel, in zoverre daarin de schending wordt aangevoerd van artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna : het VWEU) en van de beginselen van de primauteit en de effectiviteit van het Unierecht. A.
  3. De verzoekende partij in de zaak nr. 7942 stelt dat op basis van het aangevoerde middel moet worden nagegaan in welke mate de beweerde schending kan leiden tot de vernietiging van de bestreden bepaling. Het feit dat de wet van 16 december 2022 van toepassing is op zowel de verzoekende partij in haar hoedanigheid van primaire deelnemer als de raffinaderijen, kan geen afbreuk doen aan de mogelijkheid voor het Hof om vast te stellen dat de wet van 16 december 2022 in strijd is met hogere rechtsnormen. De gebeurlijke vernietiging van de wet van 16 december 2022 geldt erga omnes. A.
  4. De verzoekende partij in de zaak nr. 8030 voert aan dat zij in haar tweede middel wel degelijk uitdrukkelijk grieven heeft geformuleerd tegen de wet van 16 december 2022, in zoverre die betrekking heeft op de raffinaderijen. A.
  5. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8036 verwijzen naar de wijsheid van het Hof wat betreft het belang van de verzoekende partijen bij de vernietiging van de wet van 16 december 2022 in zoverre daarbij de raffinaderijen aan een solidariteitsbijdrage worden onderworpen. De exceptie van niet-ontvankelijkheid bij gebrek aan uiteenzetting van de middelen is daarentegen niet ernstig. Enkel de aangevoerde schending van artikel 288 van het VWEU en van de beginselen van de primauteit en de effectiviteit van het Unierecht, is volgens de Ministerraad niet uitdrukkelijk uiteengezet. Het spreekt evenwel voor zich dat die schending samenhangt met de aangevoerde schending van de verordening (EU) 2022/1854 van de Raad van 6 oktober 2022 « betreffende een noodinterventie in verband met de hoge energieprijzen » (hierna : de verordening (EU) 2022/1854). Krachtens artikel 288 van het VWEU is een verordening verbindend in al haar onderdelen en rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat. De niet-naleving van de verordening (EU) 2022/1854, die 4 in elk middel wordt aangevoerd, is dus eveneens een schending van die verdragsbepaling. Voorts is het evident dat de wetgever, door een norm aan te nemen die in strijd is met het Unierecht, afbreuk doet aan de beginselen van de primauteit en de effectiviteit van het Unierecht. A.
  6. De verzoekende partij in de zaak nr. 8040 erkent dat zij geen raffinageactiviteiten in België ontplooit. Zij wijst er evenwel op dat de twee categorieën van ondernemingen die onderworpen zijn aan de wet van 16 december 2022, worden geconfronteerd met een zeer gelijkaardig regime, dat bovendien niet is ontwikkeld in van elkaar te onderscheiden bepalingen. Het Hof dient de wet van 16 december 2022 bijgevolg in haar integraliteit te onderzoeken, op basis van de door de verzoekende partij uiteengezette middelen tot vernietiging, en desgevallend over te gaan tot een integrale vernietiging wanneer een ongrondwettigheid zou worden vastgesteld met betrekking tot een of meer essentiële elementen van de belasting, waardoor ook onlosmakelijk verbonden bepalingen worden geraakt. Wat betreft de vermeende niet-ontvankelijkheid bij gebrek aan uiteenzetting van de middelen, stelt de verzoekende partij in de zaak nr. 8040 dat zulks de Ministerraad niet ervan weerhouden heeft om de opgeworpen middelen samen te vatten en van een omvangrijke repliek te voorzien. Daaruit blijkt dat de Ministerraad de middelen wel degelijk goed heeft begrepen. Ten gronde Zaak nr. 7942 Wat betreft het eerste middel A.
  7. In het eerste middel voert de verzoekende partij een schending aan, door de wet van 16 december 2022, van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 122, lid 1, van het VWEU en met de verordening (EU) 2022/
  8. De verzoekende partij voert aan dat de verordening (EU) 2022/1854 de rechtsgrond vormt van de wet van 16 december
  9. Indien die rechtsgrond wegvalt, valt de bestaansreden van de wet van 16 december 2022 weg. De verordening (EU) 2022/1854 heeft evenwel geen geldige rechtsgrondslag. Die verordening werd aangenomen op grond van artikel 122, lid 1, van het VWEU, dat de Raad machtigt om, op voorstel van de Commissie, « voor de economische situatie passende maatregelen » vast te stellen. De invoering van een tijdelijke solidariteitsbijdrage zou er evenwel toe strekken het zogenaamde « surplus aan winsten » binnen de oliesector af te romen, met als doel deze te herverdelen. Een dergelijke belasting op de winst gerealiseerd door een onderneming wordt beschouwd als een directe belasting, en kon enkel op grond van artikel 113 van het VWEU worden ingevoerd. Die bepaling biedt de enige rechtsgrondslag in het primair EU-recht om maatregelen uit te vaardigen over de directe belastingen, en vereist eenparigheid van stemmen binnen de Raad en een raadpleging van het Europees Parlement en het Economisch Sociaal Comité. De verzoekende partij meent dan ook dat het Hof een prejudiciële vraag dient te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de geldigheid van de tijdelijke solidariteitsbijdrage die werd ingevoerd bij de verordening (EU) 2022/
  10. A.7.
  11. Volgens de Ministerraad is de discussie over de geldigheid van de verordening (EU) 2022/1854 vreemd aan de beoordeling van de grondwettigheid van de wet van 16 december
  12. Zelfs indien zou worden vastgesteld dat de verordening (EU) 2022/1854 ongeldig is, dan nog impliceert dat niet dat de wet van 16 december 2022 geen rechtsgrond meer heeft in de interne rechtsorde. De tijdelijke solidariteitsbijdrage die bij de wet van 16 december 2022 wordt ingevoerd, is immers een belasting. Het behoort tot de fiscale bevoegdheid van de federale Staat om al dan niet een bijdrage ten laste van bepaalde ondernemingen in te voeren. Een dergelijke maatregel vindt zijn rechtsgrond in artikel 170, § 1, van de Grondwet. Het feit dat de wet van 16 december 2022 tegelijkertijd deels uitvoering geeft aan de verordening (EU) 2022/1854 doet hieraan geen afbreuk. Bijgevolg kan het middel, zelfs indien het gegrond zou zijn, niet tot de vernietiging van de wet van 16 december 2022 leiden. Daaruit volgt ook dat de door de verzoekende partij gesuggereerde prejudiciële vraag niet aan het Hof van Justitie moet worden voorgelegd. A.7.
  13. In ondergeschikte orde stelt de Ministerraad dat het eerste middel van de verzoekende partij onduidelijk is, in zoverre niet wordt vermeld waarom artikel 122, lid 1, van het VWEU een onrechtmatige 5 rechtsgrondslag zou zijn. Bovendien is het door de verzoekende partij aangevoerde artikel 113 van het VWEU niet relevant voor directe belastingen, doch wel artikel 115 van het VWEU. In ieder geval volgt uit de relevante juridische toets van het Hof van Justitie dat artikel 122, lid 1, van het VWEU zonder twijfel de geldige rechtsgrondslag voor de verordening (EU) 2022/1854 is, zodat het niet nodig is een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie te stellen. Die bepaling is een meer specifieke grondslag dan de artikelen 113 en 115 van het VWEU, die een algemene grondslag bieden voor harmonisatie op het gebied van indirecte en directe belastingen, zodat de verordening op artikel 122, lid 1, van het VWEU moest worden gebaseerd. Bovendien, zelfs in de veronderstelling dat de verordening een tweeledig doel nastreeft, kan de doelstelling van artikel 122, lid 1, van het VWEU als hoofddoelstelling worden aangewezen, en is de beweerde doelstelling van fiscale harmonisatie ondergeschikt. In ieder geval kan de verordening geen dubbele grondslag hebben, aangezien de procedures bepaald in artikel 122, lid 1, van het VWEU, enerzijds, en in de artikelen 113 en 115 van het VWEU, anderzijds, onverenigbaar zijn. A.
  14. De verzoekende partij benadrukt in haar memorie van antwoord dat in het verzoekschrift verkeerdelijk werd verwezen naar artikel 113 van het VWEU. Er werd wel degelijk gedoeld op artikel 115 van het VWEU, dat de enige grondslag vormt in het primair EU-recht om maatregelen uit te vaardigen over directe belastingen. Wat betreft het tweede middel A.9.
  15. In het tweede middel voert de verzoekende partij een schending aan van de artikelen 38, 39, 128 en 143, § 1, van de Grondwet en van artikel 5, § 1, II, artikel 6, § 1, VI, VII en IX, en § 3, 2° en 3°, en artikel 92bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (hierna : de bijzondere wet van 8 augustus 1980), in samenhang gelezen met de verordening (EU) 2022/
  16. A.9.
  17. De verzoekende partij benadrukt dat de lidstaten overeenkomstig artikel 17 van de verordening (EU) 2022/1854 de opbrengsten van de tijdelijke solidariteitsbijdrage met voldoende snel effect moeten gebruiken voor welbepaalde doeleinden. Die doeleinden vallen in zeer belangrijke mate onder aangelegenheden die aan de gemeenschappen en de gewesten zijn toegewezen. Het gaat immers om maatregelen die betrekking hebben op bijstand aan personen, op het economisch beleid, op het energiebeleid (waaronder de nieuwe energiebronnen en het rationeel energieverbruik) en op het tewerkstellingsbeleid. De federale overheid heeft artikel 17 van de verordening niet (correct) uitgevoerd, in zoverre de wet van 16 december 2022 in het algemeen bepaalt dat de bijdrage bestemd is « voor de ondersteuning van huishoudens en ondernemingen die lijden onder de gevolgen van de energetische crisis en het hoofd moeten bieden aan de uitzonderlijke hoge prijzen », terwijl de opbrengsten moeten worden aangewend voor alle in artikel 17, lid 1, van de verordening bepaalde doeleinden. De integrale opbrengst van de solidariteitsbijdrage wordt aan de staatsbegroting toegewezen, zulks met schending van de bevoegdheden van de gemeenschappen en de gewesten en met schending van de federale loyauteit. De verzoekende partij merkt op dat, voor zover enige twijfel kan bestaan omtrent de interpretatie van artikel 17 van de verordening (EU) 2022/1854, het Hof van Justitie van de Europese Unie daarover prejudicieel moet worden bevraagd. A.9.
  18. De verzoekende partij voert voorts aan dat, aangezien de verordening (EU) 2022/1854 zeer duidelijk betrekking heeft op bevoegdheden die zowel aan de federale overheid als aan de gemeenschappen en de gewesten toekomen, er overeenkomstig artikel 92bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 een dwingende noodzaak bestaat om samenwerkingsakkoorden te sluiten. Bovendien dient op grond van artikel 6, § 3, 2° en 3°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 een overleg plaats te vinden « voor iedere maatregel op het gebied van het energiebeleid, buiten de bevoegdheden opgesomd in § 1, VII », alsook « over de grote lijnen van het nationaal energiebeleid ». Bij gebrek aan een samenwerkingsakkoord en overleg wordt de gemeenschappen en de gewesten de kans ontnomen om de opbrengst van de solidariteitsbijdrage aan te wenden voor de aan hen toegewezen aangelegenheden. Bijgevolg zijn de in het middel aangevoerde bepalingen geschonden. A.10.
  19. De Ministerraad voert aan dat het tweede middel niet ontvankelijk is in zoverre daarin een schending van de verordening (EU) 2022/1854 wordt ingeroepen, daar niet wordt uiteengezet waarom die verordening geschonden zou zijn. In zoverre de verzoekende partij in haar memorie van antwoord een schending aanvoert van het beginsel van de federale loyauteit, zou zij bovendien een nieuw middel aanvoeren dat bijgevolg niet ontvankelijk is. 6 A.10.
  20. Volgens de Ministerraad doet de wet van 16 december 2022 geen afbreuk aan de bevoegdheden van de gemeenschappen en de gewesten. De tijdelijke solidariteitsbijdrage is een belasting en kan bijgevolg door de federale wetgever worden vastgesteld op grond van de fiscale bevoegdheid die hem is toegewezen bij artikel 170, § 1, van de Grondwet. De Ministerraad herinnert eraan dat de fiscale bevoegdheid losstaat van de materiële bevoegdheidsverdeling. Een federale belasting blijft dus een federale belasting, ook al houdt zij verband met een materie die tot de deelstatelijke bevoegdheden behoort. Bovendien is de eigenlijke fiscale bevoegdheid integraal concurrerend, in het voordeel van de federale wetgever. Artikel 17 van de verordening (EU) 2022/1854 kan niet bepalend worden aangevoerd ter afbakening van de bevoegdheden die door of krachtens de Grondwet aan de federale Staat, de gemeenschappen en de gewesten zijn toebedeeld. De Ministerraad benadrukt voorts dat de wet van 16 december 2022 de opbrengst van de ingevoerde belasting niet ten goede heeft doen komen aan elk van de doeleinden die in artikel 17, lid 1, van de verordening (EU) 2022/1854 worden opgesomd, hetgeen ook niet verplicht is. Overeenkomstig artikel 4, § 4, van de wet van 16 december 2022 is de bijdrage bestemd « voor de ondersteuning van huishoudens en ondernemingen die lijden onder de gevolgen van de energetische crisis en het hoofd moeten bieden aan de uitzonderlijke hoge prijzen ». Het spreekt voor zich dat de maatregelen die op grond van die bepaling door de federale overheid worden aangenomen, zich binnen de bevoegdheden van de federale overheid zullen moeten situeren. De federale overheid zal in elk geval het evenredigheidsbeginsel in acht moeten nemen. De verzoekende partij toont niet aan dat de wet van 16 december 2022 afbreuk zou doen aan dat beginsel. Gelet op wat voorafgaat, is er geen sprake van een « dwingende noodzakelijkheid » om een samenwerkingsakkoord te sluiten overeenkomstig artikel 92bis van de bijzondere wet van 8 augustus
  21. Het betreft te dezen geen aangelegenheid waarvoor de bijzondere wetgever in een verplichting daartoe heeft voorzien, en er is evenmin sprake van een dermate verwevenheid van bevoegdheden dat die laatste enkel in onderlinge samenwerking kunnen worden uitgevoerd. Evenmin is de overlegverplichting van artikel 6, § 3, 2° en 3°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 van toepassing. De wet van 16 december 2022 betreft immers een zuiver fiscale maatregel en geen maatregel op het gebied van het energiebeleid, noch een maatregel die aan « de grote lijnen van het nationaal energiebeleid » raakt. Wat betreft het derde middel A.11.
  22. In het derde middel voert de verzoekende partij een schending aan van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de verordening (EU) 2022/1854, doordat de wet van 16 december 2022 de erin geviseerde ondernemingen belast op basis van de hoeveelheid olieproducten die wordt verwerkt of tot verbruik wordt uitgeslagen. A.11.
  23. In een eerste onderdeel stelt de verzoekende partij dat op die manier de geviseerde ondernemingen de waarborg wordt ontnomen dat de solidariteitsbijdrage overeenkomstig de verordening wordt berekend op de belastbare winst. Bepaalde bedrijven, zoals ondernemingen actief in de raffinagesector en de zogenaamde « primaire deelnemers », worden door de wet van 16 december 2022 onweerlegbaar vermoed overwinsten te hebben gerealiseerd. Die stelling is verkeerd en wordt door de feiten tegengesproken. Door de toepassing van de wet van 16 december 2022 ontstaat een manifeste wanverhouding tussen het door de verzoekende partij gerealiseerde « surplus aan winsten » (nihil) en het bedrag van de solidariteitsbijdrage (19 600 000 euro). De door de wetgever aangevoerde verantwoording dat de balansen pas later bekend zijn, zou niet kunnen worden aangenomen. Niets verhindert immers dat de ondernemingen, desnoods op basis van voorlopige cijfers, hun winsten rapporteren. Bovendien kon de wetgever voorzien in een regularisatie- of compensatiemechanisme op basis van de definitieve jaarrekeningen, hetgeen hij bovendien ook gedaan heeft, zij het enkel om de verschuldigde bijdrage te verhogen. Evenmin kan worden aangenomen dat een forfaitaire berekeningswijze, zonder een negatieve regularisatie, nodig was omdat binnen bedrijven die deel uitmaken van een internationale groep winsten makkelijk zouden kunnen worden verschoven. Ondernemingen hebben immers de wettelijke verplichting om in hun betrekkingen met verbonden ondernemingen correcte verrekenprijzen toe te passen. In ieder geval is het niet proportioneel dat de betrokken onderneming niet wordt toegestaan het werkelijke bedrag van de overwinsten aan te tonen. In haar memorie van antwoord benadrukt de verzoekende partij dat de bestreden tijdelijke solidariteitsbijdrage niet kan worden beschouwd als een « gelijkwaardige nationale maatregel » overeenkomstig artikel 14, lid 2, van de verordening (EU) 2022/1854, aangezien daarvoor vereist is dat de grondslag van de 7 bijdrage samenvalt met de effectief gerealiseerde overwinsten. Dat is te dezen niet het geval, daar de wet van 16 december 2022 een winst belast die niet effectief gerealiseerd werd. Voor zover enige twijfel zou bestaan omtrent de voormelde interpretatie van artikel 14, lid 2, van de verordening (EU) 2022/1854, moet het Hof van Justitie van de Europese Unie daarover prejudicieel worden bevraagd. A.11.
  24. In een tweede onderdeel voert de verzoekende partij aan dat de wet van 16 december 2022, door de overwinsten gelijk te stellen aan een bepaald bedrag per verwerkt of tot verbruik uitgeslagen volume, zonder rekening te houden met de aard van de activiteiten van de geviseerde onderneming, vermeende overwinsten treft die elders in de keten werden gerealiseerd. Door vermeende overwinsten toe te rekenen aan ondernemingen die – gelet op de aard van hun activiteiten en/of rekening houdend met de door hen uitgeoefende functies – onmogelijk die overwinsten kunnen realiseren, terwijl die overwinsten in werkelijkheid door andere groepsleden werden gerealiseerd, eigent de Belgische Staat zich een heffingsbevoegdheid toe die hem niet toekomt, doch op grond van de verordening (EU) 2022/1854 of van de door België gesloten dubbelbelastingverdragen mogelijkerwijze toekomt aan andere Staten. In ieder geval is de wet van 16 december 2022 ook op dat vlak disproportioneel : indien de wetgever bevreesd zou zijn voor winstverschuivingen, zou het gepast zijn hiertoe gerichte maatregelen te nemen. A.12.
  25. De Ministerraad voert aan dat het derde middel niet-ontvankelijk is, omdat het onduidelijk is welke categorieën van personen met elkaar moeten worden vergeleken. Er wordt evenmin een schending aangevoerd van een fundamentele waarborg die zou voortvloeien uit een grondwetsbepaling, een internationale rechtsregel of een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. De verzoekende partij toont in ieder geval niet aan welke fundamentele waarborgen uit de verordening (EU) 2022/1854 voortvloeien, laat staan dat daar op discriminatoire wijze afbreuk aan zou worden gedaan. Er bestaat geen « waarborg » voor de verzoekende partij om « uitsluitend op de haar toerekenbare winsten te worden belast ». In zoverre de verzoekende partij in haar memorie van antwoord betwist dat de bestreden solidariteitsbijdrage een gelijkwaardige nationale maatregel uitmaakt en dus impliciet maar zeker beweert dat er een schending van artikel 14 van de verordening (EU) 2022/1854 voorligt, dient volgens de Ministerraad te worden vastgesteld dat het om een nieuw middel gaat dat, daar het niet tijdig is aangevoerd, onontvankelijk moet worden verklaard. A.12.
  26. In ondergeschikte orde stelt de Ministerraad dat het derde middel niet gegrond is. Daar het middel steunt op het uitgangspunt dat de solidariteitsbijdrage overeenkomstig de verordening (EU) 2022/1854 moet worden berekend, hetgeen een berekening op de belastbare winst zou impliceren, mist het middel feitelijke grondslag. De verordening laat immers ruimte voor gelijkwaardige nationale regelingen die « een grondslag » vaststellen en aldus een andere grondslag dan de belastbare winst kunnen hebben. De verzoekende partij tracht de doelstelling en de belastbare grondslag van de tijdelijke solidariteitsbijdrage ten onrechte te vereenzelvigen. Het is echter niet omdat de tijdelijke solidariteitsbijdrage ertoe strekt de uitzonderlijke winsten die in de aardoliesector zijn gerealiseerd, te herverdelen, dat de wetgever de solidariteitsbijdrage noodzakelijkerwijs moet vaststellen op basis van het « surplus aan winsten ». Hier anders over oordelen zou afbreuk doen aan de beleidsvrijheid die de wetgever onmiskenbaar heeft gelaten aan de lidstaten om een eigen nationale regeling in te voeren. Daar het duidelijk is dat de bestreden solidariteitsbijdrage voldoet aan de voorwaarden die voortvloeien uit de verordening (EU) 2022/1854 om « gelijkwaardige nationale maatregelen » aan te nemen, dient het Hof van Justitie van de Europese Unie daarover niet te worden ondervraagd. In ieder geval is de berekeningsmethode die in de wet van 16 december 2022 wordt gehanteerd, niet in strijd met het fiscaal gelijkheidsbeginsel. Het nagestreefde doel, zijnde het financieren van (sociaaleconomische) maatregelen die verband houden met de betaalbaarheid van energie, is legitiem. Het is een volstrekt legitieme beleidskeuze van de wetgever, die daarbij over een zeer ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt, om het bedrag van de solidariteitsbijdrage vast te stellen op basis van de hoeveelheid ruwe olie die in België wordt verwerkt, dan wel de hoeveelheid aardolieproducten die in België tot verbruik worden uitgeslagen. De wetgever heeft aldus een objectief en pertinent criterium van onderscheid gebruikt, dat toelaat om de nagestreefde financiële doelstellingen te bereiken. De bestreden regeling is bovendien niet disproportioneel. Het achterliggende idee van de wetgever was om de uitzonderlijke winsten die in de aardoliesector zijn gerealiseerd, te herverdelen. Een dergelijke herverdeling kan worden bewerkstelligd aan de hand van verschillende instrumenten. De verzoekende partij toont niet aan dat het door de wetgever gehanteerde systeem kennelijk onredelijk is. Het fiscaal wettigheidsbeginsel vereist niet dat de wetgever de solidariteitsbijdrage vaststelt op basis van de belastbare winst en dus voorziet in een compensatiemechanisme wanneer het bedrag van de tijdelijke solidariteitsbijdrage dat wordt vastgesteld overeenkomstig de wet van 16 december 2022 hoger zou zijn dan het bedrag dat verkregen wordt wanneer de berekeningswijze van de verordening (EU) 2022/1854 wordt gehanteerd. 8 Uit de eerdere rechtspraak van het Hof inzake tijdelijke solidariteitsmaatregelen vloeit voort dat het niet kennelijk onredelijk is dat de wetgever aan de betrokken sector een algemene solidariteitsbijdrage oplegt, voor zover het bedrag van die bijdrage niet willekeurig is. Aan die voorwaarde is voldaan, aangezien de bestreden solidariteitsbijdrage in verhouding staat tot de concrete financiële doelstellingen die ermee worden nagestreefd. De totale kostprijs van de maatregelen die met de solidariteitsbijdrage worden gefinancierd, bedraagt 5 miljard euro, wat vele malen meer is dan de opbrengst van die bijdrage. De verzoekende partij toont ook niet aan dat er een wanverhouding zou bestaan tussen de bestreden solidariteitsbijdrage en de uitzonderlijke winsten die in de aardoliesector zijn gerealiseerd. Bij het vaststellen van het tarief van de bijdrage werd rekening gehouden met de ernst van de crisis, de gevraagde bijdrage en de productprijs. Tijdens de periode januari 2022 tot januari 2023 bedroeg de gevraagde bijdrage minimum 0,70 % en maximum 1,39 % van de productprijs, wat bezwaarlijk als onredelijk kan worden beschouwd. Het blijkt dat de handelaars eind 2022, en dus zelfs bij sterk stijgende markten met zeer volatiele prijswijzigingen, nog steeds een veelvoud van dat bedrag als korting op de maximumprijzen konden geven. Dit toont aan dat het bedrag van de solidariteitsbijdrage billijk is en in verhouding staat tot de capaciteit van de onderneming. Wat tot slot de specifieke situatie van de verzoekende partij betreft, kan de wetgever niet worden verweten dat hij bij de formulering van een wettelijke norm gebruikmaakt van een grondslag voor de berekening van de tijdelijke solidariteitsbijdrage die van toepassing is op algemene categorieën van personen. Het feit dat de verzoekende partij de voorbije jaren een beperkte nettowinst zou hebben gerealiseerd, ondanks de zeer grote omzet die zij realiseert en de zeer grote hoeveelheid aardolieproducten die zij verhandelt, is louter het gevolg van de wijze waarop de verzoekende partij haar handelsrelatie met de verbonden groepsvennootschappen heeft vormgegeven en dus van de keuzes die de verzoekende partij en de verbonden groepsvennootschappen hebben gemaakt. Een dergelijke kwestie is vreemd aan de grondwettigheid van de bestreden regeling. De Ministerraad merkt tot slot op dat het criterium dat door de wetgever wordt gehanteerd voor de berekening van de solidariteitsbijdrage ontegensprekelijk toelaat om de belasting binnen het grondgebied van België te situeren. De Belgische Staat eigent zich op basis van de wet van 16 december 2022 dus geen heffingsbevoegdheid toe die zou toekomen aan een andere lidstaat. Wat betreft het vierde middel A.13.
  27. In het vierde middel voert de verzoekende partij een schending aan van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de verordening (EU) 2022/
  28. Doordat artikel 4, § 1, van de wet van 16 december 2022 het toepassingsgebied van de tijdelijke solidariteitsbijdrage beperkt tot, enerzijds, de geregistreerde aardoliemaatschappijen die actief zijn in de raffinagesector en die over raffinagecapaciteit in België beschikken en, anderzijds, geregistreerde oliemaatschappijen die in het jaar 2022 als « primaire deelnemers » zijn aangewezen voor diesel, gasolie en benzineproducten, zou de wetgever verscheidene discriminaties in het leven hebben geroepen. A.13.
  29. In een eerste onderdeel viseert de verzoekende partij het onderscheid tussen de in artikel 4, § 1, van de wet van 16 december 2022 bedoelde ondernemingen en de andere ondernemingen die actief zijn in de sectoren ruwe aardolie, aardgas, kolen en raffinage. Het feit dat een sector – wat de relatieve omvang ervan betreft – kleiner zou zijn dan de oliesector, zou niet kunnen verantwoorden dat de ondernemingen die actief zijn in die sector, van de heffing worden vrijgesteld. In zoverre de wetgever voorts aanvoert dat de gassector niet wordt geviseerd « aangezien er in België geen aardgas wordt geproduceerd », stelt de verzoekende partij dat de geviseerde aardoliemaatschappijen evenmin aardolie produceren in België. In haar memorie van antwoord benadrukt de verzoekende partij dat zij in het eerste onderdeel van het eerste middel het zeer selectieve toepassingsgebied van de wet van 16 december 2022 viseert. Er is geen enkele reden om bedrijven die aardgas distribueren anders te behandelen dan bedrijven die geraffineerde olieproducten distribueren. Voorts worden de primaire deelnemers voor andere in aanmerking komende producten dan diesel, gasolie of benzineproducten niet geviseerd door de wet van 16 december 2022, en worden zij bijgevolg bevoordeeld. Daarenboven leidt de beperking tot primaire deelnemers die producten tot verbruik uitslaan ertoe dat geen rekening wordt gehouden met de vraag voor wiens rekening die producten tot verbruik worden uitgeslagen. Het feit dat de verzoekende partij voor rekening van andere maatschappijen de accijnsformaliteit op zich neemt en dus geen olie met een winstmarge verhandelt, wordt buiten beschouwing gelaten. Die voorbeelden tonen aan dat de wijze waarop de wetgever het toepassingsgebied heeft afgebakend niet verzoenbaar is met het gelijkheidsbeginsel. 9 A.13.
  30. In een tweede onderdeel viseert de verzoekende partij het onderscheid tussen de geregistreerde aardoliemaatschappijen die in het jaar 2022 als primaire deelnemers zijn aangewezen en de aardoliemaatschappijen die in het jaar 2022 niet als primaire deelnemers zijn aangewezen. De acht bedrijven die als primaire deelnemers werden aangewezen, werden immers enkel aangewezen om, in geval van een bevoorradingscrisis, de voorraden die door APETRA worden beheerd, op te kopen teneinde vervolgens de eindconsument te kunnen beleveren via hun traditionele distributiestromen en logistieke middelen. Van een dergelijke bevoorradingscrisis was er geen sprake. A fortiori heeft dit evenmin geleid tot de realisatie van de vermeende overwinsten. In ieder geval wordt een « primaire deelnemer » niet « bevoordeeld », in tegenstelling tot wat de wetgever ten onrechte laat doorschemeren. De opname op de lijst van de primaire deelnemers berust immers niet op enige aanvraag of toekenning met het oog op het verkrijgen van een voordeel, maar is uitsluitend het gevolg van de selectie door de FOD Economie naargelang van de vraag hoe hoog de onderneming staat in de distributieketen. De primaire deelnemers zijn heel vaak niet de distributeurs die producten verkopen aan de eindconsument, maar wel de tussenhandelaars die uitsluitend een logistieke vergoeding ontvangen. A.13.
  31. In een derde onderdeel viseert de verzoekende partij de gelijke behandeling van de geregistreerde aardoliemaatschappen die olieproducten verhandelen en de ondernemingen die actief zijn in de « winning, ontginning, raffinage van aardolie en/of de vervaardiging van cokesovenproducten ». De verordening (EU) 2022/1854 viseert nochtans uitsluitend die laatste categorie. Dit kan worden verklaard door het feit dat de zogenaamde « overwinsten » die ontstaan ingevolge de stijging van olieprijzen, in eerste instantie aan het begin van de keten (winning en ontginning) zijn gesitueerd. Dat raffinaderijen mogelijkerwijze ook overwinsten realiseren, valt ook nog te begrijpen, daar zij een noodzakelijke tussenschakel zijn in de omzetting van het ruwe product naar een afgewerkt product. Een handelaar in brandstoffen zal die overwinsten daarentegen niet genieten, net omdat hij de producten ook veel duurder moet aankopen. De hoge volatiliteit van de prijzen van de olieproducten is overigens een belangrijke factor die ertoe kan leiden dat verliezen worden geleden op een moment dat de prijzen hoog staan. In zoverre de wet van 16 december 2022 zonder meer alle aardoliemaatschappijen viseert, met inbegrip van de ondernemingen die louter aardolieproducten verhandelen, wordt een ongeoorloofde gelijkheid van behandeling ingevoerd tussen de voormelde ondernemingen die nochtans geheel andere activiteiten uitoefenen. De wet van 16 december 2022 wijkt aldus fundamenteel af van het duidelijk omschreven toepassingsgebied van de verordening (EU) 2022/1854, zodat er geen sprake is van een « gelijkwaardige nationale maatregel ». A.14.
  32. De Ministerraad is van oordeel dat het eerste onderdeel van het vierde middel ongegrond is. Wat de kolensector betreft, viseert de verordening (EU) 2022/1854 ondernemingen die de meerderheid van hun omzet realiseren uit, hetzij, de winning of ontginning van steenkool of bruinkool, hetzij, de vervaardiging van cokesovenproducten. De uitsluiting van de kolensector in de wet van 16 december 2022 is verantwoord door het feit dat er in België geen steenkool- of bruinkoolmijnen meer actief zijn, en er evenmin sprake is van ondernemingen die zich, qua economische activiteit, hoofdzakelijk toeleggen op de vervaardiging van cokesovenproducten. De enige onderneming die in België cokesovenproducten vervaardigt, doet dit enkel voor eigen verbruik. Wat de aardgassector betreft, viseert de verordening (EU) 2022/1854 enkel ondernemingen die actief zijn op het vlak van de winning van aardgas. In België wordt evenwel geen aardgas gewonnen. De verzoekende partij toont niet aan dat bedrijven die aardgas distribueren in België zeer grote winsten hebben kunnen realiseren als gevolg van de energiecrisis en de daarmee gepaard gaande stijging van de elektriciteits- en gasprijzen. Het blijkt bijgevolg niet dat de wetgever zijn beleidsvrijheid zou hebben overschreden door de solidariteitsbijdrage niet op te leggen aan bedrijven die aardgas distribueren. De wetgever heeft overigens, op basis van zijn autonome fiscale bevoegdheid, een uitzonderlijke solidariteitsbijdrage ingevoerd ten laste van de beheerder van het aardgasvervoersnet. Wat de aardoliesector betreft, viseert de verordening (EU) 2022/1854 niet enkel de winning van aardolie, maar ook de raffinage ervan. In België is er wel degelijk sprake van aardoliemaatschappijen die actief zijn in de raffinagesector en over raffinagecapaciteit in België beschikken. In zoverre de verzoekende partij laat uitschijnen dat « andere ondernemingen » die actief zijn in de sectoren ruwe aardolie en raffinage niet door de bestreden solidariteitsbijdrage worden geviseerd, laat zij na te verduidelijken welke andere ondernemingen zij voor ogen heeft. In die mate dient het middelonderdeel onontvankelijk te worden verklaard. 10 In zoverre de verzoekende partij in haar memorie van antwoord bij wijze van voorbeeld verschillen in behandeling aanvoert die niet werden aangevoerd in het verzoekschrift, betreft het volgens de Ministerraad nieuwe middelen die om die reden niet ontvankelijk zijn. A.14.
  33. Wat het tweede onderdeel van het vierde middel betreft, stelt de Ministerraad dat de keuze van de wetgever om enkel aardoliemaatschappijen die voor het jaar 2022 als primaire deelnemer zijn aangewezen aan een tijdelijke solidariteitsbijdrage te onderwerpen, redelijk verantwoord is. Die aanwijzing als primaire deelnemer houdt een belangrijke indicatie in van de omvang van de economische activiteiten van de betrokken onderneming, en dus ook van de bijdragecapaciteit. Die aangewezen aardoliemaatschappijen zijn samen immers verantwoordelijk voor ten minste 90 % van het totaal in België tot verbruik uitgeslagen volume dan aardolieproducten. Door het gehanteerde criterium van aanwijzing als primaire deelnemer heeft de wetgever er dus voor gezorgd dat de last van de bij de wet van 16 december 2022 opgelegde solidariteitsbijdrage enkel weegt op aardoliemaatschappijen die een aanzienlijk marktaandeel hebben op het vlak van de handel in brandstoffen. Het is niet kennelijk onredelijk om die ondernemingen aan de bestreden bijdrage te onderwerpen. De bewering van de verzoekende partij dat de primaire deelnemers heel vaak geen distributeurs zijn, wordt niet gestaafd. Die bewering staat in ieder geval op gespannen voet met de bestaande praktijk die erin bestaat dat de meeste primaire deelnemers, hetzij zelf, hetzij via een dochteronderneming, leveringen aan de eindconsument uitvoeren. Bovendien is het niet omdat een primaire deelnemer niet rechtstreeks zou leveren aan eindconsumenten dat hij geen omvangrijke economische activiteit zou hebben en geen aanzienlijke winsten zou kunnen realiseren, hetzij in eigen naam en voor eigen rekening, hetzij voor rekening van een groepsonderneming waarvan hij deel uitmaakt. Voor de afbakening van het personeel toepassingsgebied van de wet van 16 december 2022 is het wel degelijk relevant dat de verzoekende partij deel uitmaakt van een geïntegreerde internationale vennootschapsgroep die zowel actief is op het niveau van de raffinage van ruwe aardolie als op het niveau van de opslag en de distributie van aardolieproducten, en dat de verzoekende partij als primaire deelnemer jaarlijks een zeer grote omzet realiseert en een zeer grote hoeveelheid aan aardolieproducten verhandelt op het Belgisch grondgebied. De aanwijzing als primaire deelnemer heeft bovendien tot gevolg dat de betrokkenen als « begunstigd » moeten worden beschouwd, daar zij bij een bevoorradingscrisis van de betrokken producten een aanbod tot aankoop zullen ontvangen in geval van een vrijgave van verplichte voorraden die door APETRA worden aangehouden. Gelet op hun geprivilegieerde rol binnen de aardoliebevoorradingsketen is het niet onredelijk dat van de primaire deelnemers een zekere financiële inspanning wordt gevraagd in de vorm van de bestreden solidariteitsbijdrage. Het blijkt niet dat die bijdrage disproportionele gevolgen heeft voor de betrokken ondernemingen. A.14.
  34. Het derde onderdeel van het vierde middel is volgens de Ministerraad onontvankelijk, daar de verzoekende partij niet voldoende duidelijk uiteenzet welke categorieën van personen het voorwerp uitmaken van een verschil in behandeling dat discriminerend zou zijn. In zoverre het middel zo moet worden begrepen dat een schending wordt aangevoerd van het gelijkheidsbeginsel, in samenhang gelezen met de verordening (EU) 2022/1854, doordat de verordening de verzoekende partij de garantie zou bieden dat zij niet aan een solidariteitsbijdrage zou worden onderworpen, steunt het middelonderdeel op een fout uitgangspunt. De verordening (EU) 2022/1854 laat voor de lidstaten immers de mogelijkheid onverlet om gelijkwaardige nationale maatregelen vast te stellen, hetgeen de wetgever heeft gedaan op grond van zijn autonome fiscale bevoegdheid in de zin van artikel 170, § 1, van de Grondwet. Niets belet de wetgever bijgevolg om een solidariteitsbijdrage in te voeren die ook van toepassing is op primaire deelnemers. Wat betreft het vijfde middel A.
  35. In het vijfde middel voert de verzoekende partij een schending aan van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 30 van het VWEU en met de verordening (EU) 2022/
  36. Door te voorzien in een forfaitaire heffing die wordt berekend op het volume aan ingevoerde olieproducten, stelt de wet van 16 december 2022 een heffing van gelijke werking als douanerechten bij invoer in, hetgeen krachtens artikel 30 van het VWEU verboden is. De in de wet van 16 december 2022 bepaalde tijdelijke solidariteitsbijdrage is immers een eenzijdig door België opgelegde geldelijke last op aardolie, zijnde een goed in de zin van het Unierecht, die wordt opgelegd wegens het overschrijden van een grens. Het loutere feit dat de wetgever heeft voorzien in een zogenaamd regularisatie- of compensatiemechanisme, doet hieraan geen afbreuk, 11 in zoverre bij de wet van 16 december 2022 een solidariteitsbijdrage is vastgelegd die minstens gelijk is aan het bedrag van de verschuldigde invoerheffingen. Ook het feit dat de wetgever – na een opmerking van de afdeling wetgeving van de Raad van State – de terminologie heeft gewijzigd en thans verwijst naar de hoeveelheid olie die wordt « verwerkt » of tot verbruik wordt uitgeslagen, wijzigt niets aan de vaststelling dat het wel degelijk een heffing op de invoer betreft. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat de toetsing aan artikel 30 van het VWEU een feitelijke toetsing vergt, waaruit te dezen blijkt dat de heffing de ingevoerde olieproducten treft. Voor zover het Hof zou twijfelen of de bestreden solidariteitsbijdrage al dan niet een schending van artikel 30 van het VWEU uitmaakt, lijkt het volgens de verzoekende partij gepast om het Hof van Justitie van de Europese Unie hierover prejudicieel te ondervragen. A.16.
  37. De Ministerraad is van oordeel dat de bij de wet van 16 december 2022 ingevoerde tijdelijke solidariteitsbijdrage niet in strijd is met artikel 30 van het VWEU. Het belastbare feit is immers niet de grensoverschrijding of de invoer, doch wel de hoeveelheid ruwe olie die wordt verwerkt, dan wel de hoeveelheid verwerkte aardolieproducten die tot verbruik worden uitgeslagen. Bovendien is de betrokken belasting duidelijk een interne belasting die zowel op ingevoerde als op binnenlandse producten drukt en volgens dezelfde criteria en in hetzelfde productiestadium wordt toegepast, en die systematisch van toepassing is op categorieën van producten, ongeacht de oorsprong of bestemming van de producten. Bijgevolg moet die interne belasting niet worden getoetst aan artikel 30 van het VWEU, doch wel aan artikel 110 van het VWEU, dat evenwel niet door de verzoekende partij wordt aangevoerd. Het voorgaande geldt ook wanneer lokale producten zijn vrijgesteld van belasting of wanneer de belasting in de praktijk vrijwel uitsluitend geldt voor ingevoerde producten omdat de binnenlandse productie uiterst gering of onbestaande is. Zoals ook wordt bevestigd in de rechtspraak van het Hof van Justitie, doet het feit dat er in België geen olie wordt ontgonnen dan ook geen afbreuk aan het voorgaande. A.16.
  38. Ten overvloede voert de Ministerraad aan dat er evenmin een schending is van artikel 110 van het VWEU. De maatregel is immers gebaseerd op objectieve criteria die niet voorzien in een verschillende behandeling naargelang de betrokken producten in België of in het buitenland zijn vervaardigd. De toepassingscriteria houden immers verband met de hoeveelheden ruwe olie of producten die worden verwerkt of die tot verbruik worden uitgeslagen, en niet met de Belgische of buitenlandse oorsprong van het product. De wet van 16 december 2022 heeft geenszins tot doel of tot gevolg enige lokale productie van het betrokken product te beschermen, daar een dergelijke lokale productie eenvoudigweg niet bestaat. Zelfs indien zou worden aangenomen dat de betrokken belastingmaatregel niet gebaseerd is op objectieve criteria die geen verband houden met de oorsprong van de producten, dient te worden vastgesteld dat er in België geen productie van een soortgelijk product als olie bestaat, noch van een concurrerend product dat qua productie en samenstelling vergelijkbaar is en dat de kruiselasticiteit van de vraag zou kunnen beïnvloeden. Bij een globale beoordeling van artikel 110 van het VWEU is het dus duidelijk dat de aan de oliesector opgelegde solidariteitsbijdrage, gelet op de inherente kenmerken ervan, geen discriminerend of beschermend effect kan hebben. A.16.
  39. Gelet op het voorgaande is er volgens de Ministerraad geen noodzaak voor het Hof om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie. Wat betreft het zesde middel A.
  40. In het zesde middel voert de verzoekende partij een schending aan van artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met de verordening (EU) 2022/
  41. De solidariteitsbijdrage kan volgens de verzoekende partij leiden tot een daadwerkelijke eigendomsontneming, in zoverre de wetgever geen rekening houdt met de werkelijk gerealiseerde winsten per individuele onderneming doch uitgaat van een vast bedrag aan onweerlegbaar vermoede overwinsten die worden bepaald naargelang van de volumes aan verwerkte of tot verbruik uitgeslagen olieproducten. De door de wetgever aangevoerde verantwoording dat het in de praktijk zeer moeilijk zou zijn om de belastbare winst van dergelijke ondernemingen te kennen, kan niet worden aangenomen. Het bedrag van de werkelijk gerealiseerde winsten blijkt immers uit de door de betrokken ondernemingen opgestelde financiële verslaggeving en fiscale aangiften. De voormelde verantwoording wordt overigens in de wet van 16 december 2022 zelf tegengesproken, in zoverre 12 daarin een zogenaamd « regularisatiemechanisme » wordt opgenomen. Zelfs indien het Hof zou oordelen dat er een verantwoording bestaat om het bedrag van de overwinsten forfaitair vast te stellen, dan nog is de maatregel minstens onevenredig ten aanzien van het nagestreefde doel. De verzoekende partij, die een aanzienlijke hoeveelheid olieproducten uitslaat tot verbruik, zou immers een solidariteitsbijdrage van jaarlijks ongeveer 19 600 000 euro dienen te betalen, ofschoon haar winst gering is, net omdat die winst niet door de uitgeslagen volumes wordt bepaald. De verzoekende partij neemt ter zake de argumentatie over die zij heeft uiteengezet in het derde middel. A.
  42. De Ministerraad voert aan dat de bestreden solidariteitsbijdrage niet op onevenredige wijze afbreuk doet aan het ongestoord genot van eigendom, daar de bijdrage een legitiem doel nastreeft en redelijk kan worden verantwoord. De bij de wet van 16 december 2022 ingevoerde solidariteitsbijdrage legt geen overdreven last op aan belastingplichtigen en doet niet fundamenteel afbreuk aan hun financiële situatie. Door de bestreden solidariteitsbijdrage vast te stellen op basis van de hoeveelheid verwerkte ruwe aardolie, dan wel op basis van de hoeveelheid tot verbruik uitgeslagen aardolieproducten, heeft de wetgever een billijk evenwicht tot stand gebracht tussen, enerzijds, de rechten van de betrokken belastingplichtigen en, anderzijds, de noodzaak om de grondslag voor de berekening van de solidariteitsbijdrage te bepalen en de verschuldigde bijdrage te kunnen vaststellen. De Ministerraad verwijst ter zake naar zijn argumentatie inzake het derde middel, waaruit blijkt dat het bedrag van de bestreden solidariteitsbijdrage niet op willekeurige wijze werd vastgesteld en geen onevenredige last oplegt aan de betrokken ondernemingen. Wat betreft het zevende middel A.19.
  43. In het zevende middel voert de verzoekende partij een schending aan van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de vrijheid van ondernemen zoals bedoeld in artikel II.3 van het Wetboek van economisch recht, met de artikelen 15 en 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met de artikelen 49 en 56 van het VWEU en met de verordening (EU) 2022/
  44. In zoverre de wet van 16 december 2022 ertoe leidt dat de geviseerde ondernemingen een solidariteitsbijdrage verschuldigd zijn die vele malen het bedrag overschrijdt van de reële winst die zij kunnen maken, zou zij een beperking van de vrijheid van handel en nijverheid uitmaken die niet noodzakelijk en minstens onevenredig is met het nagestreefde doel. De wet van 16 december 2022 leidt immers ertoe dat het nettoactief van de verzoekende partij dermate wordt beïnvloed dat het voortbestaan van de onderneming in het gedrang komt en zij ertoe gedwongen wordt een verlieslatende activiteit te voeren. Door de invoering van de solidariteitsbijdrage wordt de verzoekende partij het vrije beschikkingsrecht over haar bedrijfsmiddelen ontnomen, hetgeen overigens ook haar concurrentiepositie raakt. Weliswaar diende de wetgever, krachtens de verordening (EU) 2022/1854, een bijdrage te heffen op het « reële surplus aan winsten ». Er bestond evenwel geen enkele noodzaak om de verordening aldus uit te voeren dat de financiële gezondheid van solide ondernemingen onderuit zou worden gehaald. Zelfs indien de wetgever voorziet in een forfaitaire winstbasis, verzet niets zich ertegen dat nadien een correcte afrekening volgt. A.19.
  45. In haar memorie van antwoord benadrukt de verzoekende partij, wat de ontvankelijkheid van het middel betreft, dat zowel het Hof als het Hof van Justitie van de Europese Unie in hun rechtspraak de nauwe verwantschap erkennen tussen de vrijheid van ondernemen en de vrijheid van beroep, het recht om te werken en de vrijheid van ondernemerschap, die door de artikelen 15 en 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie worden gewaarborgd, evenals de nauwe verwantschap met de fundamentele vrijheden gewaarborgd bij het VWEU, zoals het vrij verrichten van diensten en de vrijheid van vestiging. A.20.
  46. De Ministerraad voert aan dat het middel, bij gebrek aan voldoende duidelijke uiteenzetting, niet ontvankelijk is in de mate dat daarin de schending van de artikelen 15 en 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en van de artikelen 49 en 56 van het VWEU wordt aangevoerd. A.20.
  47. Het middel is volgens de Ministerraad ongegrond. Rekening houdend met de ruime beoordelingsmarge van de wetgever in fiscale aangelegenheden, is het immers duidelijk dat er wel degelijk een concrete noodzaak bestaat voor het optreden van de wetgever die een eventuele inmenging in de vrijheid van ondernemen kan rechtvaardigen. Die noodzaak blijkt uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 16 december 2022, evenals uit het feit dat de wet van 16 december 2022 ertoe strekt uitvoering te geven aan een initiatief van de Europese wetgever, die het klaarblijkelijk noodzakelijk achtte om een solidariteitsbijdrage in te voeren. 13 Wat de beoordeling van de evenredigheid van de beperking van de vrijheid van ondernemen betreft, stelt de Ministerraad dat die beoordeling in abstracto moet gebeuren en niet enkel in functie van de subjectieve situatie van de verzoekende partij. De Ministerraad verwijst verder naar zijn verweer bij het derde en het zesde middel, waaruit blijkt dat de bestreden solidariteitsbijdrage geen onevenredige last oplegt aan de bijdrageplichtige ondernemingen. Wat betreft het achtste middel A.21.
  48. In het achtste middel voert de verzoekende partij een schending aan van de artikelen 10, 11, 16 en 172 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 1 van het Burgerlijk Wetboek, met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met het algemeen beginsel van de niet-retroactiviteit van de wetten en met het wettigheids- en voorzienbaarheidsbeginsel. In zoverre artikel 5, § 2, van de wet van 16 december 2022 een solidariteitsbijdrage invoert die verschuldigd is op producten die reeds vanaf 1 januari 2022 worden ingevoerd of uitgeslagen, heeft de wet van 16 december 2022 een retroactieve werking. Het betreft volgens de verzoekende partij geen belasting op een uit haar aard duurzame toestand, doch wel een belasting waarbij het louter uitslaan tot verbruik, invoeren of verwerken van olieproducten leidt tot de onmiddellijke verschuldigdheid van een heffing. Die kwalificatie wordt bevestigd door het feit dat de solidariteitsbijdrage niet jaarlijks wordt afgerekend, doch wel semestrieel. Zulks heeft niets te maken met enig voorschot, daar het gefactureerde bedrag, na de definitieve vaststelling van het effectieve surplus aan winsten, niet verrekenbaar en terugbetaalbaar is. In de memorie van toelichting wordt op geen enkele wijze uitgelegd waarom die retroactieve heffing onontbeerlijk zou zijn voor het algemeen belang. De nagestreefde doelstelling van herverdeling is louter een beleidskeuze die op zich onmogelijk als onontbeerlijk kan worden bestempeld voor het algemeen belang. Voorts kan niet worden verwezen naar de doelstelling van de verordening (EU) 2022/1854, daar de wet van 16 december 2022 geen surplus aan winsten belast en het bedrag van de solidariteitsbijdrage niet wordt aangewend om toekomstige doelgerichte en concrete maatregelen te nemen, doch wel om het gat in de begroting kleiner te maken. Tot slot kan niet worden verwezen naar het vermeende risico dat de bijdrageplichtige ondernemingen die geïntegreerd zijn in moeder- of dochterbedrijven hun winsten zouden verschuiven. Een dergelijk argument miskent de internationale fiscale principes, alsook de vereiste dat verbonden ondernemingen onder marktconforme voorwaarden moeten werken. Wanneer de spelregels worden geschonden, zullen de nationale fiscale administraties kunnen optreden. Bovendien is dat argument slechts relevant voor zover de effectieve en reële winsten worden belast, hetgeen te dezen niet het geval is. A.21.
  49. Wat de ontvankelijkheid van het middel betreft, benadrukt de verzoekende partij in haar memorie van antwoord dat het Hof, bij de beoordeling van het al dan niet verantwoorde karakter van de retroactiviteit, rekening zal kunnen houden met de ernstige impact van de heffing op het vermogen van de verzoekende partij. Dit verklaart het verband met het eigendomsrecht. Voorts is het duidelijk dat de voorzienbaarheid in het gedrang komt door de retroactieve werking van de wet van 16 december
  50. Die voorzienbaarheid is een kwalitatieve vereiste waaraan wetgeving moet voldoen, zodat ook het wettigheidsbeginsel in het gedrang komt. A.22.
  51. De Ministerraad voert aan dat het middel niet-ontvankelijk is in zoverre daarin de schending wordt aangevoerd van het eigendomsrecht, zoals gewaarborgd bij artikel 16 van de Grondwet en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, evenals van het wettigheidsbeginsel. De verzoekende partij zet niet uiteen waarom die bepalingen en dat beginsel geschonden zouden zijn. A.22.
  52. Ten gronde stelt de Ministerraad dat de wet van 16 december 2022 geen retroactieve werking heeft. De bestreden solidariteitsbijdrage is een directe belasting, die een uit haar aard duurzame toestand of een reeks van verrichtingen belast die in hun geheel genomen aanleiding geven tot een periodieke heffing. Het bedrag van die belastingschuld staat pas finaal vast op het einde van de belastbare periode, namelijk op 31 december 2022 voor de eerste belastbare periode (het jaar 2022) en op 31 december 2023 voor de tweede belastbare periode (het jaar 2023). Het is pas op dat ogenblik dat kan worden vastgesteld welk volume aan ruwe olie werd verwerkt of welk volume aan aardolieproducten tot verbruik werd uitgeslagen door de bijdrageplichtige ondernemingen. Dit wordt bevestigd door artikel 4, § 2, derde lid, van de wet van 16 december 2022, dat bepaalt dat de bedragen van de solidariteitsbijdrage afzonderlijk berekend worden en verschuldigd zijn voor het jaar 2022 en voor het jaar
  53. Aangezien de wet van 16 december 2022 op 22 december 2022 in werking trad, zijnde vóór het afsluiten van het eerste belastbare tijdperk op 31 december 2022, heeft zij geen retroactieve werking. 14 Het feit dat de solidariteitsbijdrage elk semester van het lopende jaar wordt gefactureerd door de FOD Economie, doet geen afbreuk aan het voorgaande. Die factuur betreft immers slechts een voorlopige afrekening op basis van een raming van een heffing die per jaar berekend wordt en verschuldigd is. Die voorlopige afrekening laat de wetgever toe om de opbrengsten van de tijdelijke solidariteitsbijdrage met voldoende snel effect te realiseren, zoals artikel 17, lid 1, van de verordening (EU) 2022/1854 vereist. Dat het daarbij niet gaat om de definitieve vaststelling van de belastingschuld, blijkt ook uit het feit dat de wetgever heeft voorzien in een compensatie- en regularisatiemechanisme waarmee, wanneer de winst van het jaar bekend is, het bedrag van de bijdrage kan worden geregulariseerd. In ondergeschikte orde, voor zover de tijdelijke solidariteitsbijdrage voor het jaar 2022 toch als retroactief moet worden beschouwd, stelt de Ministerraad dat die retroactiviteit kan worden verantwoord door een doelstelling van algemeen belang, zijnde de betaalbaarheid van energie waarborgen. De door de wet van 16 december 2022 ingevoerde solidariteitsbijdrage sluit, qua temporele werking, overigens volledig aan bij het in de verordening (EU) 2022/1854 uitgewerkte systeem. Die verordening, die zelf pas dateert van 6 oktober 2022 en in het Publicatieblad werd bekendgemaakt op 7 oktober 2022, laat de lidstaten expliciet toe om een tijdelijke solidariteitsbijdrage voor het jaar 2022 in te voeren. Zulks bevestigt dat de terugwerkende kracht van de wet van 16 december 2022 kan worden verantwoord. Bovendien vermocht de wetgever de fiscale maatregel met terugwerkende kracht in te voeren, teneinde te vermijden dat de bijdrageplichtige ondernemingen, waarvan vele geïntegreerd zijn in moeder- of dochterondernemingen, winsten verschuiven of intern anders alloceren. A.22.
  54. In uiterst ondergeschikte orde stelt de Ministerraad dat een vernietiging enkel kan gelden in de mate dat de wet van 16 december 2022 van toepassing is op het jaar
  55. Wat betreft het negende middel A.23.
  56. In het negende middel voert de verzoekende partij een schending aan van de artikelen 10, 11, 16 en 172 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 107 van het VWEU, doordat de wet van 16 december 2022 uitsluitend voor de oliesector een tijdelijke solidariteitsbijdrage invoert. Artikel 107, lid 1, van het VWEU zou zich verzetten tegen een dergelijke belastingmaatregel die niet van toepassing is op de sectoren aardgas en kolen en evenmin op de volledige oliesector. A.23.
  57. Wat de ontvankelijkheid van het middel betreft, voert de verzoekende partij aan dat het Hof van Justitie van de Europese Unie bij het arrest van 26 april 2018 inzake Asociación Nacional de Grandes Empresas de Distribución (ANGED) tegen Generalitat de Catalunya (HvJ, C-é/16; ECLI:EU:C:2018:280) heeft geoordeeld dat, wanneer het geschil de rechtmatigheid betreft van de op een belasting betrekking hebbende regels vanuit het oogpunt van het Unierecht, zoals in onderhavige zaak het geval is, de schuldenaar van een belasting kan aanvoeren dat die regels in strijd zijn met de regels inzake staatssteun. A.23.
  58. Ten gronde voert de verzoekende partij aan dat de referentieregeling die is welke wordt opgelegd bij de verordening (EU) 2022/1854, die de sectoren ruwe aardolie, aardgas, kolen en raffinage aan de tijdelijke solidariteitsbijdrage onderwerpt. De wet van 16 december 2022 wijkt af van die normale regeling, doordat daarbij geen solidariteitsbijdrage wordt ingevoerd voor de sectoren aardgas, kolen en raffinage. Aldus heeft de wetgever differentiaties ingevoerd tussen marktdeelnemers die zich in een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie bevinden. Alle bestanddelen van staatssteun zijn volgens de verzoekende partij aanwezig. Meer in het bijzonder kwalificeren de vrijgestelde ondernemingen die actief zijn in de sectoren aardgas, kolen en raffinage als ondernemingen. Het betreft een maatregel die toerekenbaar is aan de Belgische Staat. De vrijstelling wordt bekostigd door staatsmiddelen : de wet van 16 december 2022 leidt immers tot een vermindering van overheidsinkomsten, daar de vrijgestelde ondernemingen geen solidariteitsbijdrage dienen te betalen. De wet van 16 december 2022 verleent een voordeel aan de vrijgestelde ondernemingen, aangezien zij bepaalde economische lasten die waren bepaald bij de verordening (EU) 2022/1854 en dus normaal op het budget van de onderneming drukken, niet moeten dragen. Tot slot verleent de wet van 16 december 2022 een selectief voordeel en heeft zij gevolgen voor de mededinging en het handelsverkeer tussen de lidstaten. Ondernemingen in de sectoren aardgas, kolen en raffinage genieten immers het voordeel om geen solidariteitsbijdragen te moeten betalen. Daar het geliberaliseerde sectoren zijn die bij uitstek worden gekenmerkt door internationale handel, is er sprake van een (risico tot) vervalsing van de mededinging en een beïnvloeding van het handelsverkeer tussen de lidstaten. 15 Daar de wet van 16 december 2022 aldus een steunmaatregel invoert die niet is aangemeld bij de Europese Commissie, is artikel 108, lid 3, van het VWEU geschonden. A.24.
  59. De Ministerraad voert aan dat het middel onontvankelijk is, omdat de verzoekende partij geen enkel voordeel aan dat middel kan ontlenen wanneer het gegrond zou worden bevonden. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 3 maart 2020 inzake Vodafone Magyarország Mobil Távközlési Zrt. tegen Nemzeti Adó- és Vámhivatal Fellebbviteli Igazgatósága (HvJ, grote kamer, C-75/18, ECLI:EU:C:2020:139) en de mededeling van de Europese Commissie over de handhaving van de staatssteunregels volgt immers dat de verzoekende partij geen onrechtmatigheid van een steunmaatregel kan aanvoeren om zich aan de betaling van een belasting te onttrekken. Volgens de Ministerraad moet een onderscheid worden gemaakt tussen de ontvankelijkheid van de vordering bij een nationale rechter waarbij de rechtmatigheid van een nationale maatregel in het licht van het Unierecht wordt betwist en de ontvankelijkheid van een door een nationale rechterlijke instantie aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gestelde vraag over de uitlegging of de geldigheid van een regel van het Unierecht. Het is de eerste vorm van niet-ontvankelijkheid die in onderhavig geval aan de orde is, waarbij de voormelde rechtspraak zonder meer van toepassing is. De door de verzoekende partij aangehaalde rechtspraak betreft de tweede vorm van niet- ontvankelijkheid en is te dezen niet van toepassing. A.24.
  60. Ten gronde merkt de Ministerraad vooreerst op dat de verzoekende partij niet aanvoert dat de bestreden bepaling de verplichting tot voorafgaande kennisgeving aan de Europese Commissie krachtens artikel 108, lid 3, van VWEU schendt. Zij betwist enkel de verenigbaarheid van de vermeende staatssteun met de interne markt, hetgeen niet tot de bevoegdheid van het Hof behoort. In ieder geval verleent de wet van 16 december 2022 geen voordeel van selectieve steun. In specifieke gevallen zoals de tijdelijke solidariteitsbijdrage is het referentiekader voor de analyse van een eventueel selectief voordeel in beginsel de heffing zelf. Bijgevolg moet worden nagegaan of de wet van 16 december 2022 een afwijking van het relevante referentiekader vormt doordat zij een verschil in behandeling invoert onder marktdeelnemers die zich in een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie bevinden, namelijk tussen de ondernemingen van de aardoliesector die onder het toepassingsgebied van de wet van 16 december 2022 ressorteren en andere ondernemingen van diezelfde sector die aan dat toepassingsgebied zouden ontsnappen. De verzoekende partij toont evenwel niet aan dat andere ondernemingen in de oliesector zijn vrijgesteld van de door de wet van 16 december 2022 opgelegde solidariteitsbijdrage. Zij hanteert een onjuist referentiekader, dat ook de kolen- en gassector zou omvatten. Nochtans bevindt de oliesector zich niet in een juridische en feitelijke situatie die vergelijkbaar is met die van de kolen- en aardgassector. Voorts toont de verzoekende partij niet aan waarom de maatregel de mededinging vervalst of dreigt te vervalsen en hoe die het handelsverkeer tussen de lidstaten kan beïnvloeden op grond van de voorzienbare effecten van de maatregel. In ieder geval is de voorwaarde van (dreiging tot) vervalsing van de mededinging niet vervuld, daar de concurrentiepositie van de begunstigde onderneming ten opzichte van andere, concurrerende ondernemingen daarmee niet kan worden versterkt. Zoals ook blijkt uit de beschikkingspraktijk van de Europese Commissie, vinden de activiteiten van de oliesector immers plaats op een productmarkt die niet dezelfde is als die van de aardgas- of steenkoolmarkt. Bovendien is er in België geen concurrerende onderneming in de aardgas- en steenkoolsector die in het licht van de criteria van de verordening (EU) 2022/1854 aan de solidariteitsbijdrage zou moeten worden onderworpen. Om dezelfde redenen kan het handelsverkeer tussen de lidstaten niet worden beïnvloed. Wat betreft het tiende middel A.
  61. In het tiende middel voert de verzoekende partij een schending aan van de artikelen 10, 11, 16 en 172 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. In het eerste onderdeel betwist de verzoekende partij dat artikel 7 van de wet van 16 december 2022 de gehele of gedeeltelijke niet-betaling van de tijdelijke solidariteitsbijdrage bestraft met een geldboete van ten minste tienmaal het ontdoken bedrag, zonder een onderscheid te maken naargelang de niet-betaling het gevolg is van enige onwil, dan wel te wijten is aan de onmogelijkheid om de bijdrage te betalen. Het zou nochtans duidelijk verschillende situaties betreffen. De aangevoerde discriminatie zou zich evenwel niet voordoen indien de bestreden 16 bepaling aldus wordt geïnterpreteerd dat de sanctie uitsluitend wordt opgelegd in zoverre er sprake is van een bijzonder opzet, zoals een bedrieglijk oogmerk of een oogmerk om te schaden. In het tweede onderdeel betwist de verzoekende partij dat de wetgever de hoogte van de sanctie heeft geplafonneerd door te bepalen dat de sanctie niet meer mag bedragen dan 20 % van de omzet van de betrokken geregistreerde oliemaatschappij, terwijl de omzet geen pertinent criterium is dat toelaat om de sanctie tot redelijke proporties te herleiden, te meer gelet op de doelstelling van de wetgever om overwinsten te treffen. A.26.
  62. De Ministerraad is van oordeel dat het eerste onderdeel van het middel grondslag mist. Uit de verwijzing in artikel 7, tweede lid, van de wet van 16 december 2022 naar het « ontdoken » bedrag blijkt dat het wel degelijk mogelijk is om die bepaling aldus te interpreteren dat de sanctie uitsluitend wordt opgelegd in zoverre er sprake is van een bijzonder opzet, zoals een bedrieglijk oogmerk of een oogmerk om te schaden. Volgens de normale betekenis van het woord « ontduiken » verwijst dit naar een bewuste en actieve handeling van de belastingplichtige en niet naar enige vergissing. Bovendien kan het woord « passible » in de Franstalige tekst worden geïnterpreteerd als de mogelijkheid of het risico om te worden bestraft, hetgeen een aanvullende aanwijzing is dat artikel 7, tweede lid, van de wet van 16 december 2022 aldus kan worden geïnterpreteerd dat de daarin vervatte sanctie geen automatisme is. A.26.
  63. Het tweede onderdeel van het tiende middel is volgens de Ministerraad ongegrond. Aangezien de wetgever ervoor wilde zorgen dat minstens de in de verordening (EU) 2022/1854 bedoelde overwinsten aan een solidariteitsbijdrage worden onderworpen, was het niet onredelijk om de omzet (die noodzakelijkerwijze hoger is dan de winst) te kiezen als plafond bij de vaststelling van de hoogte van de sanctie. Gelet op het feit dat de sanctie gericht is op belastingplichtigen die de betaling van de belasting opzettelijk hebben ontweken, moet de potentiële boete, met inbegrip van het gehanteerde plafond, voldoende hoog zijn om te verzekeren dat belastingplichtigen hun verplichtingen nakomen en niet in de verleiding komen om de solidariteitsbijdrage te ontduiken. A.26.
  64. In ondergeschikte orde voert de Minsterraad aan dat, indien het Hof zou oordelen dat de grieven van de verzoekende partij gegrond zijn, de vernietiging in elk geval beperkt dient te blijven tot artikel 7, tweede lid, van de wet van 16 december 2022, daar dat de enige bepaling is waartegen grieven worden uiteengezet in het kader van het tiende middel. Zaak nr. 8030 Wat betreft het eerste middel A.
  65. In het eerste middel voert de verzoekende partij een schending aan van artikel 16 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de verordening (EU) 2022/
  66. De verzoekende partij benadrukt dat de wet van 16 december 2022 afwijkt van de in de verordening (EU) 2022/1854 bepaalde regels inzake de grondslag en het percentage van de berekening van de solidariteitsbijdrage. Door die afwijkende berekeningswijze, waarbij de bijdrage niet wordt berekend op het surplus aan winsten maar de geviseerde ondernemingen onweerlegbaar worden vermoed overwinsten te hebben genoten voor een vast bedrag van 6,9 euro per ton ruwe olie dan wel van 7,8 euro per kubieke meter tot verbruik uitgeslagen producten, kan de Belgische solidariteitsbijdrage niet worden beschouwd als een « gelijkwaardige nationale maatregel » in de zin van artikel 14, lid 2, van de verordening (EU) 2022/
  67. Die afwijkende berekeningswijze heeft bovendien tot gevolg dat de Belgische solidariteitsbijdrage niet onderworpen is aan « gelijkaardige regels » en de nationale maatregelen niet effectief zijn om de beoogde inkomsten te genereren, evenals dat de betrokken aardoliemaatschappijen een excessieve last wordt opgelegd. Dergelijk forfaitair bedrag is immers geen weerspiegeling van de effectieve winsten van de geviseerde ondernemingen en is bijgevolg disproportioneel in het licht van de doelstelling om (enkel) de zogenaamde overwinsten aan te pakken. Dat wordt bevestigd door de financiële situatie van de verzoekende partij, die in het jaar 2022 geen voordeel heeft gehaald uit de gestegen grondstofprijzen. Dat is het gevolg van het feit dat de verzoekende partij de tot verbruik uitgeslagen volumes aan olieproducten aan een hogere prijs heeft moeten inkopen, maar niet aan dezelfde prijs heeft kunnen verkopen wegens de wettelijk bepaalde verkoopprijzen. Het feit dat de bijdrageplichtigen nog kortingen konden geven op het maximumtarief, toont volgens de verzoekende partij niet aan dat er sprake is van overwinsten, doch louter dat er een sterke concurrentie tussen de spelers is. 17 Het feit dat de wetgever heeft voorzien in een regularisatiemechanisme, doet geen afbreuk aan het disproportionele karakter van de solidariteitsbijdrage, daar dat mechanisme niet toelaat dat het teveel aan betaalde bijdragen ten opzichte van het bedrag berekend overeenkomstig de verordening (EU) 2022/1854 wordt terugbetaald. Voorts volstaat een loutere verwijzing naar de kostprijs van de steunmaatregelen niet om aan te tonen dat de opgelegde solidariteitsbijdrage redelijk verantwoord is. In voorkomend geval verzoekt de verzoekende partij het Hof een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie inzake de verenigbaarheid van de in de wet van 16 december 2022 bepaalde solidariteitsbijdrage met de verordening (EU) 2022/1854, rekening houdende met de aantasting van het eigendomsrecht. A.
  68. De Ministerraad neemt in essentie zijn argumentatie over zoals uiteengezet in zijn antwoord op het zesde middel in de zaak nr. 7942 (A.18). De Ministerraad voegt daaraan toe dat uit het loutere feit dat de wetgever niet ervoor heeft gekozen om dezelfde belastinggrondslag en hetzelfde belastingtarief als de verordening (EU) 2022/1854 te hanteren, geen schending van het eigendomsrecht kan worden afgeleid. Het betreft een opportuniteitskeuze van de wetgever, die volledig in overeenstemming is met artikel 14, lid 2, van de verordening. Evenmin kan worden bekritiseerd dat het regularisatiemechanisme slechts in één richting werkt. De wet van 16 december 2022 geeft aldus slechts uitvoering aan de vereiste uit de verordening (EU) 2022/1854 dat de gelijkwaardige nationale maatregelen even hoge of hogere opbrengsten genereren dan de geschatte opbrengsten uit de solidariteitsbijdrage. Wat betreft het tweede middel A.29.
  69. In het tweede middel voert de verzoekende partij een schending aan, door de wet van 16 december 2022, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 172 van de Grondwet en de verordening (EU) 2022/
  70. De verzoekende partij betwist de beperking van het toepassingsgebied van de wet van 16 december 2022 tot de twee categorieën van ondernemingen die in artikel 4, § 1, van de wet van 16 december 2022 worden vermeld. Het onderscheidend criterium is niet pertinent ten aanzien van de nagestreefde doelstelling om overwinsten af te romen. Dat criterium brengt drie discriminaties met zich mee. A.29.
  71. Ten eerste viseert de verzoekende partij het onderscheid dat wordt gemaakt tussen de bijdrageplichtige ondernemingen en de andere ondernemingen die actief zijn in de sectoren ruwe aardolie, aardgas, kolen en raffinage. Het kan niet worden verantwoord dat de kolen- en aardgassector niet wordt onderworpen aan de tijdelijke solidariteitsbijdrage. Het betreft nochtans vergelijkbare sectoren, daar kan worden aangenomen dat ook de kolen- en aardgassector overwinsten heeft behaald tijdens de energiecrisis. Op Europees niveau wordt die sector dan ook wel geviseerd. Het feit dat er slechts sprake is van één producent die cokes produceert voor eigen gebruik, doet geen afbreuk aan het feit dat die cokesproducent mogelijk ook aanzienlijke overwinsten heeft behaald. Het onderscheid tussen de raffinaderijen en de overige energiesectoren heeft disproportionele gevolgen voor de geviseerde ondernemingen, die hierdoor een buitengewone last dragen die wordt berekend op basis van een forfaitair bedrag dat de gerealiseerde winsten niet weerspiegelt en zonder dat er sprake is van een regularisatiemechanisme in geval van verlies. A.29.
  72. Ten tweede viseert de verzoekende partij het onderscheid dat wordt gemaakt tussen de beoogde ondernemingen die als primaire deelnemers zijn aangewezen in het jaar 2022 en de aardoliemaatschappijen die niet als primaire deelnemers zijn aangewezen in het jaar
  73. Het betreft nochtans vergelijkbare ondernemingen, aangezien die ondernemingen actief zijn in dezelfde sector als die van de geregistreerde aardoliemaatschappijen. In de parlementaire voorbereiding van de wet van 16 december 2022 wordt nergens toegelicht waarom de primaire deelnemers wel worden geviseerd en de overige bedrijven niet. Het gegeven dat een geregistreerde aardoliemaatschappij als « primaire deelnemer » wordt aangewezen, heeft niets te maken met de huidige energiecrisis en bewijst niet dat die onderneming overwinsten heeft behaald. Het onderscheid tussen de geregistreerde aardoliemaatschappijen naargelang zij al dan niet als primaire deelnemer zijn aangewezen, heeft bovendien disproportionele gevolgen, in zoverre de geviseerde ondernemingen daardoor een buitengewone last dragen. 18 Ten overvloede merkt de verzoekende partij op dat de wet van 16 december 2022 in strijd is met de verordening (EU) 2022/1854, doordat de Belgische ondernemingen die onder de toepassing van de verordening vallen op ongelijke wijze worden behandeld in vergelijking met de niet-Belgische ondernemingen die niet onder de verordening vallen. A.29.
  74. Ten derde viseert de verzoekende partij de gelijke behandeling van de beoogde aardoliemaatschappijen die actief zijn in de raffinagesector met overwinsten en de beoogde aardoliemaatschappijen die actief zijn in de raffinagesector zonder overwinsten. Door geen onderscheid te maken naargelang de betrokken aardoliemaatschappij wel of geen overwinsten heeft behaald tijdens de energiecrisis in 2022, is de solidariteitsbijdrage niet in overeenstemming met het beoogde doel, zijnde het afromen van overwinsten. A.29.
  75. In ondergeschikte orde vraagt de verzoekende partij het Hof om een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te stellen omtrent de verenigbaarheid van de in de wet van 16 december 2022 bepaalde solidariteitsbijdrage met de verordening (EU) 2022/1854, rekening houdend met de voormelde discriminaties. A.
  76. De Ministerraad neemt in essentie zijn argumentatie over zoals uiteengezet in zijn antwoord op het derde en het vierde middel in de zaak nr. 7942 (A.12 en A.14). Wat betreft het derde middel A.
  77. In het derde middel voert de verzoekende partij een schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met het beginsel van de niet-retroactiviteit van de normen, met het legaliteitsbeginsel en met het rechtszekerheidsbeginsel, doordat de bij de wet van 16 december 2022 ingevoerde solidariteitsbijdrage van toepassing is op belastbare feiten die reeds voltrokken zijn op het ogenblik van de inwerkingtreding van die wet. De solidariteitsbijdrage die wordt opgelegd bij de wet van 16 december 2022 moet als een indirecte belasting worden gekwalificeerd, in zoverre zij betrekking heeft op een bedrag per verwerkte ton ruwe olie en per tot verbruik uitgeslagen kubieke meter producten. De belasting is aldus het gevolg van een individualiseerbare handeling, hetgeen het wezenskenmerk uitmaakt van een indirecte belasting. De belastingplicht ontstaat in dat geval wanneer het belastbare feit is voltooid. Rekening houdend met die kwalificatie als indirecte belasting, is de wet van 16 december 2022 retroactief. De wet van 16 december 2022 trad immers in werking op 22 december 2022, terwijl de solidariteitsbijdrage wordt berekend op basis van de reeds ingevoerde ruwe aardolie en tot verbruik uitgeslagen aardolieproducten en van toepassing is op het boekjaar 2022 en het boekjaar
  78. Het compensatie- of regularisatiemechanisme dat is neergelegd in artikel 4, § 3, van de wet van 16 december 2022 doet geen afbreuk aan het voorgaande. Dat mechanisme betreft immers louter een aanvullende heffing indien de reeds betaalde belasting onvoldoende blijkt te zijn. Aangezien de belasting achteraf niet kan worden verminderd, is zij wel degelijk definitief verschuldigd vanaf het ontvangen van de factuur. Zelfs indien het Hof zou oordelen dat de solidariteitsbijdrage moet worden gekwalificeerd als een directe belasting, dan nog moet worden besloten dat de wet van 16 december 2022 een retroactieve werking heeft. De bestreden solidariteitsbijdrage heeft immers betrekking op feiten, toestanden of verrichtingen die op zichzelf staan en waaraan nog geen later gevolg verbonden was op het ogenblik dat ze gesteld werden of voltrokken zijn. De wet van 16 december 2022 betreft immers de invoering van een nieuwe belasting, en niet louter de wijziging van een reeds bestaande belastingregeling. De door de wetgever nagestreefde doelstelling om middelen te herverdelen, betreft een louter politieke keuze om aanzienlijke overwinsten aan te pakken en kan allerminst als « onontbeerlijk voor het algemeen belang » worden beschouwd. Die verantwoording klemt des te meer daar de Belgische solidariteitsbijdrage niet wordt berekend op basis van de geviseerde overwinsten maar op basis van een forfaitair bedrag dat losstaat van die zogenaamde recordwinsten. Tot slot kan niet worden aangevoerd dat het in de verordening (EU) 2022/1854 uitgewerkte systeem de terugwerkende kracht van de heffing verantwoordt, daar de Belgische wetgever bewust ervoor heeft gekozen om een ander soort belasting in te voeren dan wat de voormelde verordening voorschrijft. A.
  79. De Ministerraad neemt in essentie zijn argumentatie over zoals uiteengezet in zijn antwoord op het achtste middel in de zaak nr. 7942 (A.22.2 en A.22.3). 19 De Ministerraad voegt daaraan toe dat de verzoekende partij geen grieven ontwikkelt tegen artikel 4, § 3, van de wet van 16 december 2022 en het daarin vervatte regularisatiemechanisme. Indien het Hof zou oordelen dat de wet van 16 december 2022 afbreuk doet aan het niet-retroactiviteitsbeginsel, kan die vernietiging enkel gelden voor het jaar 2022 en wel in de mate dat de wet van 16 december 2022 voorziet in een berekeningswijze van de solidariteitsbijdrage voor 2022 die afwijkt van die waarin de verordening (EU) 2022/1854 voorziet. De eventuele vaststelling dat het retroactieve karakter van artikel 4, § 2, van de wet van 16 december 2022 niet verantwoord kan worden, neemt immers niet weg dat de belastingschuld die het gevolg is van de toepassing van het regularisatiemechanisme dat is vervat in artikel 4, § 3, van de wet van 16 december 2022, slechts na 22 december 2022 ontstaat en dus per definitie niet met retroactieve werking werd ingevoerd. Wat betreft het vierde en het vijfde middel A.
  80. In het vierde middel voert de verzoekende partij een schending aan van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 28 en 30 van het VWEU en met de verordening (EU) 2022/
  81. Volgens de verzoekende partij maakt de solidariteitsbijdrage zoals uitgewerkt bij de wet van 16 december 2022 een verboden heffing van gelijke werking als een douanerecht uit. Het betreft immers een eenzijdig door België opgelegde geldelijke last op aardolieproducten die wordt toegepast vanwege de overschrijding van een grens, in zoverre de heffingsgrondslag wordt berekend op het volume aan olieproducten dat wordt ingevoerd. Het feit dat de wetgever na het kritische advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State het woord « ingevoerd » in artikel 4 van de wet van 16 december 2022 heeft vervangen door « verwerkt », doet geen afbreuk aan de kwalificatie van de solidariteitsbijdrage als een verboden heffing van gelijke werking. Artikel 5, § 2, van de wet van 16 december 2022 vermeldt dat het wel degelijk « ingevoerde » hoeveelheden betreft. Bovendien wordt in België alle verwerkte aardolie ingevoerd, bij gebrek aan ontginning van aardolie in België. Volgens de verzoekende partij behoort de solidariteitsbijdrage niet tot een algemeen stelsel van binnenlandse belastingen, doch betreft het een volstrekt alleenstaande belasting op de verwerking en het tot verbruik uitslaan van aardolieproducten, die niet past in bijvoorbeeld een algemene accijnsverhoging of de invoering van een algemene belasting op diverse producten. Bovendien heeft de opbrengst van de solidariteitsbijdrage een bijzondere bestemming en draagt zij niet op algemene wijze bij aan de overheidsfinanciering van de overheidsuitgaven in alle sectoren. In voorkomend geval verzoekt de verzoekende partij het Hof een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie te stellen inzake de kwalificatie van de in de wet van 16 december 2022 bepaalde solidariteitsbijdrage als een heffing van gelijke werking als een douanerecht bij invoer in de zin van de artikelen 28 en 30 van het VWEU. A.
  82. In ondergeschikte orde voert de verzoekende partij in een vijfde middel de schending aan van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 110 van het VWEU en met de verordening (EU) 2022/
  83. Voor zover het Hof oordeelt dat de solidariteitsbijdrage geen heffing van gelijke werking als een douanerecht is, maakt de solidariteitsbijdrage alleszins een discriminerende belasting uit die tot doel heeft binnenlandse producten te bevoordelen. De bijdrage wordt immers enkel geheven op aardolie, een product dat uitsluitend wordt ingevoerd en niet ontgonnen in België, en niet op andere energieproducten die wel in België worden ontgonnen. De solidariteitsbijdrage schendt aldus artikel 110, lid 1, van het VWEU, daar de belastingen (voor zover ze bestaan) op soortgelijke nationale producten op een verschillende wijze worden berekend, hetgeen leidt tot een lagere belasting op de desbetreffende producten. In ieder geval schendt de solidariteitsbijdrage artikel 110, lid 2, van het VWEU, aangezien ze de concurrentiepositie van de aardoliesector en het product aardolie verzwakt met het oog op de bescherming en het versterken van de concurrentiële positie van de concurrerende Belgische producten op de (Belgische) markt. A.
  84. De Ministerraad neemt in essentie zijn argumentatie over zoals uiteengezet in zijn antwoord op het vijfde middel in de zaak nr. 7942 (A.16). 20 Zaak nr. 8036 A.
  85. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8036 vorderen de vernietiging van de wet van 16 december 2022 in haar geheel. In ondergeschikte orde vorderen zij de vernietiging, in artikel 4, § 1, van de wet van 16 december 2022, van de woorden « en voor geregistreerde oliemaatschappijen die in het jaar 2022 als primaire deelnemers zijn aangeduid voor diesel, gasolie en benzineproducten, overeenkomstig het koninklijk besluit van 5 februari 2019 », evenals van artikel 4, § 2, tweede lid, van dezelfde wet in zijn geheel. Wat betreft het eerste middel A.37.
  86. In het eerste middel voeren de verzoekende partijen een schending aan, door artikel 4 van de wet van 16 december 2022, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de verordening (EU) 2022/1854, inzonderheid de artikelen 2, punt 17), 14 en 15 ervan, met artikel 288 van het VWEU en met de beginselen van de primauteit en de effectiviteit van het Unierecht. A.37.
  87. In het eerste onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat het criterium van de hoedanigheid van geregistreerde oliemaatschappij die in het jaar 2022 als primaire deelnemer is aangewezen voor diesel, gasolie en benzineproducten niet objectief en pertinent is, niet in overeenstemming is met artikel 14 van de verordening (EU) 2022/1854 en een ongerechtvaardigd verschil in behandeling instelt onder de geregistreerde oliemaatschappijen naargelang zij in het jaar 2022 al dan niet als primaire deelnemer zijn aangewezen voor de voormelde producten. De aanwijzing als primaire deelnemer levert de betrokken onderneming geen specifiek voordeel op. De vermeende « bevoordeelde situatie » hangt volledig af van een hypothetische gebeurtenis, zijnde een nationale bevoorradingscrisis en een ministeriële beslissing om tijdelijk verplichte voorraden te gebruiken. Zelfs in het onwaarschijnlijke geval dat er zich tegen december 2023 een dergelijke crisis voordoet, worden de primaire deelnemers niet in een bijzonder voordelige situatie geplaatst. APETRA bepaalt in dat geval eenzijdig de verkoopprijs van de verplichte voorraden. Inzake de vermelding van de wetgever dat de acht primaire deelnemers 90 % van het totale volume van in België tot verbruik uitgeslagen aardolieproducten vertegenwoordigen, hebben de verzoekende partijen drie bemerkingen. Ten eerste heeft de wetgever geen enkele verantwoording gegeven voor de uitsluiting van het toepassingsgebied van de wet van 16 december 2022 van de oliemaatschappijen die de overige 10 % vertegenwoordigen. Ten tweede heeft het begrip « uitslag tot verbruik » betrekking op de opeisbaarheid van accijnzen. Het zijn de erkende entrepothouders, zoals de verzoekende partijen, die accijnzen verschuldigd zijn wanneer zij olieproducten vanuit hun belastingentrepot verkopen aan de doorverkopers van brandstoffen en aldus producten uitslaan tot verbruik. Verscheidene van de belangrijkste distributeurs van olieproducten beschikken evenwel niet over een belastingentrepot. Hoewel die oliemaatschappijen gelijkaardige activiteiten uitoefenen als de verzoekende partijen en zelfs een groter marktaandeel hebben, ontsnappen zij volledig aan de tijdelijke solidariteitsbijdrage, enkel omdat zij geen accijnzen verschuldigd zijn. Hieruit blijkt dat het criterium van primaire deelnemer, dat afhangt van de uitslag tot verbruik en dus van de hoedanigheid van erkende entrepothouder, niet pertinent is. Ten derde merken de verzoekende partijen op dat de primaire deelnemers voor het jaar 2022 zijn aangewezen op basis van de hoeveelheid uitgeslagen producten in
  88. De verzoekende partijen voegen daaraan toe dat zij in 2022 slechts 4 % van het product « andere gasolies », respectievelijk 2,34 % van het product « andere gasolies » en 4,38 % van het product « gasolie-dieselmotor » tot verbruik hebben uitgeslagen. Voorts merken de verzoekende partijen op dat de primaire deelnemers, zoals de verzoekende partijen, geen overwinsten hebben gerealiseerd door de gestegen energieprijzen. Het zijn enkel de maatschappijen die actief zijn in de ontginning, de productie en de raffinage die extreme winsten hebben genoten door de energiecrisis. De distributeurs zijn daarentegen eveneens geraakt door de stijging van de aankoopprijzen en zijn bovendien gebonden door de maximale brutodistributiemarge die is vastgelegd bij programma-overeenkomst. Het feit dat alle primaire deelnemers voor olie, gasolie en benzineproducten een identieke bijdrage verschuldigd zijn per kubieke meter product dat tot verbruik wordt uitgeslagen, terwijl zij onderworpen zijn aan verschillende maximale brutodistributiemarges, bevestigt dat er geen verband is tussen de ingevoerde bijdrage en de vermeende overwinsten die de bijdrageplichtigen zouden hebben verwezenlijkt. Tot slot is het niet verantwoord dat enkel de primaire deelnemers voor olie, gasolie en benzineproducten onder het toepassingsgebied van de wet van 16 december 2022 ressorteren, met uitsluiting van de distributie van 21 kerosine en andere brandstoffen, waarvan de prijzen nochtans ook de lucht zijn ingeschoten door de energiecrisis. Het feit dat kerosine niet rechtstreeks verkocht zou worden aan « particulieren », kan die uitsluiting niet verantwoorden. A.37.
  89. In het tweede onderdeel van het eerste middel viseren de verzoekende partijen de gelijke behandeling, bij artikel 4 van de wet van 16 december 2022, van de erkende aardoliemaatschappijen die actief zijn in de sectoren ruwe aardolie en raffinage, enerzijds, en de erkende aardoliemaatschappijen die actief zijn in de sector van de distributie, anderzijds, terwijl de verordening (EU) 2022/1854 bepaalt dat de tijdelijke solidariteitsbijdrage en in voorkomend geval de gelijkwaardige nationale maatregelen, wat de aardolie-industrie betreft, enkel aan de eerstgenoemde categorie wordt opgelegd. Die keuze op Europees niveau houdt rechtstreeks verband met het nagestreefde doel om overwinsten te belasten die zijn gerealiseerd in de sectoren van de winningsindustrieën. Zoals verduidelijkt in overweging 50 van de verordening (EU) 2022/1854, hebben de ondernemingen die actief zijn in de ontginning en de raffinage tijdens de energiecrisis van 2022 en begin 2023 recordwinsten verwezenlijkt, doordat hun kosten niet aanzienlijk gewijzigd zijn terwijl de verkoopprijs van ruwe aardolie en van geraffineerde aardolieproducten sterk gestegen is. Daarentegen hebben de ondernemingen die enkel actief zijn in de distributie hun kosten sterk zien stijgen doordat de aankoopprijzen sinds het begin van de crisis geëxplodeerd zijn. Doordat die distributeurs gebonden zijn aan de maximale brutodistributiemarge, hebben zij via hun inkomsten geen voordeel kunnen halen uit de verhoging van de prijzen. In hun memorie van antwoord voegen de verzoekende partijen daaraan toe dat het verweer van de Ministerraad, waarbij wordt verwezen naar de autonome fiscale bevoegdheid van de wetgever, voorbijgaat aan artikel 34 van de Grondwet. De artikelen 170 en volgende van de Grondwet laten immers niet toe om af te wijken van hetgeen werd overgedragen aan de internationale instellingen. De wetgever mag zijn fiscale bevoegdheden dus niet op een dergelijke wijze uitoefenen dat afbreuk wordt gedaan aan het toepassingsgebied van de verordening (EU) 2022/
  90. Het is in strijd met de vereisten inzake de tenuitvoerlegging van het Unierecht om een nieuwe categorie bijdrageplichtigen toe te voegen aan de ondernemingen die de Europese solidariteitsbijdrage verschuldigd zijn. A.37.
  91. In het derde onderdeel van het eerste middel voeren de verzoekende partijen aan dat artikel 4 van de wet van 16 december 2022 een ongerechtvaardigd verschil in behandeling invoert tussen de ondernemingen die zijn onderworpen aan de tijdelijke solidariteitsbijdrage en de ondernemingen die actief zijn in de sectoren kool en aardgas, die daarvan zijn vrijgesteld. Nochtans bepaalt de verordening (EU) 2022/1854 dat de tijdelijke solidariteitsbijdrage en in voorkomend geval de gelijkwaardige nationale maatregelen worden opgelegd aan de ondernemingen die activiteiten uitoefenen in de sectoren ruwe aardolie, aardgas, kolen en raffinage. De wetgever vermocht dus niet enkel de sectoren ruwe aardolie en raffinage te selecteren, maar had ook een solidariteitsbijdrage moeten opleggen aan de ondernemingen die actief zijn in de productie, de levering en de opslag van kolen en aardgas. A.38.
  92. Wat het eerste onderdeel van het eerste middel betreft, neemt de Ministerraad zijn argumentatie over zoals uiteengezet in het kader van het tweede onderdeel van het vierde middel in de zaak nr. 7942 (A.14.2). De Ministerraad voegt daaraan toe dat op een objectieve wijze kan worden vastgesteld of een onderneming al dan niet is aangewezen als primaire deelnemer. De verzoekende partijen betwisten hun statuut van primaire deelnemer niet en erkennen aldus dat zij verantwoordelijk zijn voor een belangrijk deel van het totale volume aan olieproducten die in België tot verbruik worden uitgeslagen. Zij verwezenlijken allebei jaarlijks een aanzienlijke omzet. Het feit dat er mogelijk andere ondernemingen actief zijn in de oliesector die eveneens uitzonderlijke winsten hebben gerealiseerd maar die wegens hun economische activiteiten niet het statuut van primaire deelnemer hebben, impliceert niet dat de wet van 16 december 2022 niet pertinent is. In zoverre de verzoekende partijen de procedure tot aanwijzing van de primaire deelnemers bekritiseren, volstaat de vaststelling dat die procedure niet bij de wet van 16 december 2022 wordt geregeld. Voorts is het logisch dat de wetgever heeft verwezen naar de primaire deelnemers voor het jaar 2022, daar de lijst van primaire deelnemers voor het jaar 2023 nog niet was vastgesteld op het ogenblik dat de wet van 16 december 2022 is aangenomen. Volgens de Ministerraad kan wel degelijk worden verantwoord dat de bestreden bijdrage niet van toepassing is op de primaire deelnemers van andere productcategorieën, zoals lampolie en kerosine. De uitsluiting van de productcategorie lampolie kan worden verantwoord door het feit dat het gaat om aardoliemaatschappijen die een verwaarloosbare hoeveelheid aardolieproducten uitslaan. De uitsluiting van de productcategorie kerosine kan worden verantwoord door haar bijzondere aard. Kerosine wordt immers voornamelijk gebruikt als 22 vliegtuigbrandstof en is in principe geen aardolieproduct dat aan particulieren wordt verkocht. Bovendien zijn de primaire deelnemers voor kerosine de uitbaters van luchthavens, die geen toegang hebben tot de oliemarkt en dus niet – of in ieder geval niet op dezelfde wijze – voordeel hebben kunnen halen uit de hoge prijzen. Gelet op de doelstellingen van de tijdelijke solidariteitsbijdrage is het niet zonder redelijke verantwoording dat de wetgever zich enkel heeft gericht op aardoliemaatschappijen die uitzonderlijke winsten hebben gemaakt met de verkoop van aardolieproducten die rechtstreeks aan eindverbruikers worden geleverd. A.38.
  93. Wat het tweede onderdeel van het eerste middel betreft, herhaalt de Ministerraad dat de verordening (EU) 2022/1854 geen afbreuk doet aan de mogelijkheid voor de lidstaten om « gelijkwaardige nationale maatregelen » te nemen, hetgeen de Belgische wetgever heeft gedaan krachtens zijn autonome fiscale bevoegdheid in de zin van artikel 170, § 1, van de Grondwet. Weliswaar dient de Belgische wetgever de verordening (EU) 2022/1854 toe te passen door in een tijdelijke solidariteitsbijdrage te voorzien voor de categorieën van ondernemingen die zijn vermeld in artikel 14 van de verordening. De wetgever heeft dat gedaan, in zoverre hij heeft voorzien in een bijdrage voor geregistreerde aardoliemaatschappijen die actief zijn in de raffinagesector en die over raffinagecapaciteit in België beschikken. De verordening sluit geenszins uit dat de lidstaten, bij het nemen van een « gelijkwaardige nationale maatregel », ook andere categorieën van ondernemingen viseren, zoals de oliemaatschappijen die zijn aangewezen als primaire deelnemers. Het kan niet worden aangenomen dat een « gelijkwaardige nationale maatregel », teneinde in overeenstemming te zijn met de verordening (EU) 2022/1854, een identiek personeel toepassingsgebied moet hebben. Voorts stelt de Ministerraad dat uit het systeem van de maximumprijzen en de maximale brutodistributiemarge niet voortvloeit dat de oliemaatschappijen die enkel actief zijn in de distributiesector geen voordeel hebben kunnen halen uit de prijsstijgingen van de energie. Dit wordt bevestigd door de jaarrekening van de tweede verzoekende partij, waarin wordt vermeld dat de omzet is gestegen, voornamelijk door de verhoging van de olieprijzen. Voorts blijkt dat de handelaars eind 2022, en dus zelfs bij sterk stijgende markten met zeer volatiele prijswijzigingen, nog steeds een veelvoud van het bedrag van de solidariteitsbijdrage als korting op de maximumprijzen konden geven. Dit toont aan dat het bedrag van de solidariteitsbijdrage niet onevenredig is in verhouding tot de capaciteit van de onderneming. De Ministerraad benadrukt tot slot dat de wetgever wel degelijk rekening heeft gehouden met de draagkracht van de bijdrageplichtige ondernemingen door rekening te houden met het verschil op het vlak van het gerealiseerde surplus aan winsten tussen ondernemingen die downstream dan wel upstream actief zijn. De wetgever hanteert immers een andere berekeningsmethode voor de solidariteitsbijdrage naargelang het gaat om de aardoliemaatschappijen die als primaire deelnemer zijn aangewezen dan wel om de aardoliemaatschappijen die actief zijn in de raffinagesector. A.38.
  94. Wat tot slot het derde onderdeel van het eerste middel betreft, neemt de Ministerraad zijn argumentatie over zoals uiteengezet in het kader van het eerste onderdeel van het vierde middel in de zaak nr. 7942 (A.14.1). De Ministerraad voegt daaraan toe dat, in tegenstelling tot wat de verzoekende partijen beweren, de wetgever nooit heeft beweerd dat de kolensector wordt uitgesloten omdat de activiteiten of de gerealiseerde winst van die sector als verwaarloosbaar worden beschouwd. De wetgever heeft enkel vastgesteld dat het relatieve aandeel van steenkool in het Belgische energieverbruik verwaarloosbaar is. Het behoort tot de fiscale autonomie van de wetgever om het toepassingsgebied van de tijdelijke solidariteitsbijdrage uit te breiden tot de primaire deelnemers voor diesel, gasolie en benzineproducten, die een groot aandeel hebben in de Belgische oliemarkt, en niet tot de kolensector. In zoverre de verzoekende partijen die keuze betwisten, betreft het loutere opportuniteitskritiek. Wat betreft het tweede middel A.39.
  95. In het tweede middel voeren de verzoekende partijen een schending aan van de artikelen 10, 11, 16 en 172 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de verordening (EU) 2022/1854, in het bijzonder de artikelen 14, 15 en 16 ervan, met artikel 288 van het VWEU en de beginselen van de primauteit en de effectiviteit van het Unierecht en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. A.39.
  96. In het eerste onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat artikel 4, § 2, van de wet van 16 december 2022 afbreuk doet aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de verordening (EU) 2022/1854, in het bijzonder artikel 14, tweede lid, maar ook de artikelen 14, eerste lid, 15 en 16 23 ervan, in zoverre daarbij een vaste bijdrage wordt opgelegd van 6,9 euro per ton verwerkte ruwe aardolie en van 7,8 euro per kubieke meter product dat tot verbruik wordt uitgeslagen. Nochtans moet de solidariteitsbijdrage krachtens de verordening (EU) 2022/1854 betrekking hebben op het surplus aan winsten dat is gerealiseerd door de energiecrisis. Dat vloeit voort uit de artikelen 14, lid 1, en 15 van de voormelde verordening, evenals uit de algemene economie van die verordening en de nagestreefde doelstelling om te strijden tegen de verhoogde energieprijzen door het gerealiseerde surplus aan winsten te herverdelen. Uit de preambule van de verordening vloeit voort dat de belasting van de overwinsten die voortvloeien uit de prijzencrisis, de ondernemingen moet toelaten een deel van de winstmarge te behouden. Enkel die definitie van de belastbare grondslag laat toe om de proportionaliteit en dus de wettigheid van de belasting te waarborgen. De wet van 16 december 2022 voorziet evenwel niet in een belasting op de overwinsten of zelfs op het geheel aan belastbare winsten, maar voert een vaste bijdrage in per eenheid verwerkte ruwe aardolie en tot verbruik uitgeslagen product. In tegenstelling tot wat de wetgever aanvoert, is die maatregel geen « gelijkwaardige nationale maatregel » in de zin van artikel 14, lid 2, van de verordening (EU) 2022/
  97. De bestreden maatregel voldoet immers niet aan de daartoe gestelde voorwaarden. Hij streeft niet hetzelfde doel na als de verordening, in zoverre hij niet de overwinsten viseert. De bestreden maatregel is voorts niet onderworpen aan gelijkaardige regels als die welke van toepassing zijn op de Europese solidariteitsbijdrage, in zoverre de wet van 16 december 2022 voorziet in een ander personeel toepassingsgebied, een andere berekeningswijze en een ander toepasselijk tarief. Tot slot genereert de bestreden bijdrage geen gelijkaardige opbrengst als de bijdrage die is opgelegd bij de verordening (EU) 2022/1854, in zoverre de wetgever niet heeft voorzien in een correctiemechanisme voor een onderneming die geen overwinsten heeft gerealiseerd en overeenkomstig de artikelen 15 en 16 van de verordening dus niet diende te worden belast. In ieder geval toont de wetgever niet aan dat zijn heffingsmethode pertinent en evenredig is ten aanzien van het nagestreefde doel om de overwinsten in de energiesector te herverdelen. Aldus doet de bestreden bepaling op discriminerende wijze afbreuk aan de belangen van de ondernemingen die, zoals de verzoekende partijen, onderworpen zijn aan een belasting die wordt berekend overeenkomstig een berekeningsmethode die niet in overeenstemming is met het Europees recht. In zoverre de wetgever de afwijkende regeling in de wet van 16 december 2022 verantwoordt door de ondervonden moeilijkheden bij de toepassing van de verordening (EU) 2022/1854, verwijzen de verzoekende partijen naar overweging 66 van de verordening, die stelt dat een lidstaat in dat geval de Europese Commissie moet raadplegen overeenkomstig artikel 4 van het VWEU. Dat gebrek aan raadpleging van de Europese Commissie is in strijd met het beginsel van de loyale samenwerking waaraan de Belgische Staat onderworpen is. In ondergeschikte orde vragen de verzoekende partijen het Hof om het Hof van Justitie van de Europese Unie te vragen of de verordening (EU) 2022/1854 aldus geïnterpreteerd dient te worden dat zij de lidstaten toelaat een vaste bijdrage in te stellen op de hoeveelheid ruwe olie die wordt verwerkt door de geregistreerde aardoliemaatschappijen die actief zijn in de raffinagesector en die over raffinagecapaciteit in België beschikken, en op de olieproducten die door de geregistreerde aardoliemaatschappijen tot verbruik worden uitgeslagen. A.39.
  98. In een tweede onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de wet van 16 december 2022 afbreuk doet aan de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 16 van de Grondwet en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre bepaalde bijdrageplichtigen, zoals de verzoekende partijen, aan een onevenredige en discriminerende belasting worden onderworpen. Naast het feit dat de bestreden belasting niet de overwinsten viseert, houdt zij evenmin rekening met de reële winsten die door de belastingplichtigen behaald zijn. De verzoekende partijen merken ter zake op dat het in de wet van 16 december 2022 bepaalde regularisatiemechanisme niet toelaat dat de belastingplichtigen worden gecompenseerd indien zij een (veel) te hoge bijdrage hebben betaald in verhouding tot hun winsten. De bewering dat dat regularisatiemechanisme uitvoering geeft aan een verplichting uit de verordening (EU) 2022/1854, kan niet worden aangevoerd in zoverre dat mechanisme van toepassing is op maatschappijen die niet onder het toepassingsgebied van die verordening ressorteren en in zoverre de bijdrage berekend wordt op een wijze die niet in overeenstemming is met die verordening. Een bijdrage van 7,8 euro per kubieke meter product dat tot verbruik wordt uitgeslagen, komt neer op een bedrag dat gelijk is aan bijna 80 % van de brutomarge van de eerste verzoekende partij en 50 % van de brutomarge van de tweede verzoekende partij. De stelling van de wetgever dat de aldus berekende bijdrage slechts een klein percentage van de prijs van het product uitmaakt, is nietszeggend, gelet op het feit dat de winstmarges van de distributeurs bij programma-overeenkomst zijn vastgesteld ongeacht de evolutie van de olieprijzen. In zoverre de 24 wetgever stelt dat de bijdrage slechts een klein deel van de brutodistributiemarge uitmaakt, merken de verzoekende partijen op dat de in aanmerking genomen marge niet enkel betrekking heeft op het tot verbruik uitslaan van de producten waarvoor de verzoekende partijen als primaire deelnemer zijn aangewezen, doch ook op de andere activiteiten (zoals het verhuren van stockageruimte) die niet door de wet van 16 december 2022 geviseerd worden en niet onder het toepassingsgebied van de verordening (EU) 2022/1854 ressorteren. Die brutomarge houdt bovendien geen rekening met de kosten en lasten die de verzoekende partijen hebben. De verzoekende partijen besluiten dat de eigendomsberoving ten aanzien van een categorie van aardoliemaatschappijen niet redelijk verantwoord is, noch evenredig aan het door de wetgever nagestreefde doel, namelijk – in lijn met de verordening (EU) 2022/1854 – de herverdeling van de overwinsten ingevolge de energiecrisis. A.
  99. De Ministerraad neemt in essentie zijn argumentatie over zoals uiteengezet in het kader van het derde en het zesde middel in de zaak nr. 7942 (A.12.2 en A.18). Wat het eerste onderdeel van het tweede middel betreft, voegt de Ministerraad daaraan toe dat, aangezien de wet van 16 december 2022 de verordening (EU) 2022/1854 correct uitvoert, er geen enkele reden was om de Europese Commissie te raadplegen. Wat het tweede onderdeel van het tweede middel betreft, benadrukt de Ministerraad dat uit de laatste jaarrekeningen van de verzoekende partijen blijkt dat zij voor het jaar 2022 een aanzienlijke winstmarge behouden, zelfs na de inning van de bestreden belasting. De winst na belasting is voor beide verzoekende partijen bijna drie keer hoger dan het bedrag van de solidariteitsbijdrage dat verschuldigd is voor
  100. Zulks bevestigt dat er geen sprake is van een disproportionele last voor de bijdrageplichtigen die afbreuk zou doen aan hun eigendomsrecht. Wat betreft het derde middel A.
  101. In het derde middel voeren de verzoekende partijen een schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de verordening (EU) 2022/1854, in het bijzonder de artikelen 14 en 15 ervan, met de beginselen van niet-retroactiviteit en rechtszekerheid en met artikel 288 van het VWEU en de beginselen van de primauteit en de effectiviteit van het Unierecht. De wet van 16 december 2022 voert een indirecte belasting in, in zoverre de tijdelijke solidariteitsbijdrage ten laste van de oliesector van toepassing is op de invoer van ruwe olie en op het tot verbruik uitslaan van olieproducten. De invoer en het tot verbruik uitslaan zijn immers gerichte, geïsoleerde handelingen, die niet van permanente of voortdurende aard zijn. Het feit dat de belasting betrekking heeft op transacties die herhaald worden en het voorwerp moeten uitmaken van één facturatie voor een bepaalde periode, doet geen afbreuk aan het indirecte karakter van de belasting. Voor de olieproducten die reeds vóór de inwerkingtreding van de wet van 16 december 2022 op 22 december 2022 werden ingevoerd of tot verbruik uitgeslagen, voert de wet van 16 december 2022 aldus een heffing met retroactieve werking in op reeds afgesloten handelingen. De wetgever kan zich voor die retroactieve werking niet beroepen op de verordening (EU) 2022/1854, daar de bij de verordening ingevoerde bijdrage een directe belasting betreft die van toepassing is op de belastbare winsten van de belastingplichtigen voor de boekjaren 2022 en
  102. De verordening kent dus geen retroactieve werking toe aan die belasting. Door bij de wet van 16 december 2022 een indirecte belasting vast te stellen die op retroactieve wijze van toepassing is op de invoer en het tot verbruik uitslaan, heeft de Belgische wetgever afbreuk gedaan aan de artikelen 14 en 15 van de verordening (EU) 2022/
  103. De wetgever heeft geen enkel specifiek doel van algemeen belang aangevoerd dat de invoering van een belasting met retroactieve werking, in strijd met de artikelen 14 en 15 van de verordening (EU) 2022/1854, kan verantwoorden. In zoverre de Ministerraad ter verantwoording verwijst naar het doel van de verordening (EU) 2022/1854 om personen te ondersteunen die de prijsverhoging ingevolge de energiecrisis ondergaan, dient te worden opgemerkt dat de Europese wetgever, om dat doel te bereiken, een belasting op de inkomsten van de boekjaren 2022 en 2023 heeft ingevoerd, zonder retroactieve werking. Het blijkt dus niet welke reden van algemeen belang het noodzakelijk maakt om de solidariteitsbijdrage te denatureren tot een indirecte belasting met retroactieve werking. Het door de Ministerraad aangevoerde risico dat de winsten intern verschoven zouden worden, is een niet gefundeerd vermoeden van slechte trouw, dat in ieder geval niet geldt voor de bijdrageplichtige 25 maatschappijen, zoals de verzoekende partijen, die volledig Belgisch zijn. De retroactieve werking van de wet van 16 december 2022 is bijgevolg niet verantwoord. A.
  104. De Ministerraad neemt in essentie zijn argumentatie over zoals uiteengezet in zijn antwoord op het achtste middel in de zaak nr. 7942 (A.22.2 en A.22.3) en op het derde middel in de zaak nr. 8030 (A.32). Zaak nr. 8040 Wat betreft het eerste middel A.43.
  105. In het eerste middel voert de verzoekende partij een schending aan, door de wet van 16 december 2022, van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de verordening (EU) 2022/
  106. A.43.
  107. In het eerste onderdeel van het eerste middel viseert de verzoekende partij de toepassing van de wet van 16 december 2022 op de distributeurs van geraffineerde aardolieproducten. Nochtans beoogt de verordening (EU) 2022/1854 enkel de sectoren winning, ontginning en raffinage van aardolie. Aangezien die sectoren zich aan het begin van de waardeketen bevinden, halen zij volop voordeel uit de stijging van de aardolieprijzen. Dat is niet het geval voor de distributeurs van geraffineerde aardolieproducten, die hun producten aankopen bij de raffinaderijen tegen een marktconforme prijs (de zogenaamde « prijs ex-raffinaderij »). In zoverre de productprijzen van aardolie gestegen zijn, betalen de distributeurs van geraffineerde aardolieproducten die verhoogde prijs aan de raffinaderijen. Ingevolge de programma-overeenkomst die werd gesloten tussen de Belgische Staat en de Belgische federatie Energia, zijn de distributeurs van geraffineerde aardolieproducten vervolgens gebonden aan een maximale brutodistributiemarge. Die marge is een vast bedrag per liter olie. De winstmarge van de verzoekende partij is dan ook beperkt tot die maximale brutodistributiemarge op de reeds verhoogde « prijs ex-raffinaderij », zodat er geen sprake kan zijn van een surplus aan winsten ingevolge de stijging van de productprijs van aardolie. Dat geldt temeer daar de stijging van de « prijs ex-raffinaderij » niet wordt weerspiegeld in de maximale brutodistributiemarge en pas na enige tijd wordt weerspiegeld in de maximumprijs. Het feit dat de distributeurs de mogelijkheid hebben om kortingen toe te kennen op de maximumprijzen van aardolieproducten in België, doet geen afbreuk aan het voorgaande. De legitieme doelstelling van de verordening (EU) 2022/1854 bestaat nochtans erin het surplus aan winsten dat werd gerealiseerd in de sectoren winning, ontginning en raffinage ingevolge de uitzonderlijke omstandigheden en de daarmee gepaard gaande stijging van de productprijzen, aan te pakken met het oog op de herverdeling ervan. De uitbreiding bij de wet van 16 december 2022 van het toepassingsgebied van de tijdelijke solidariteitsbijdrage naar de distributiesector streeft aldus geen legitieme doelstelling na. In zoverre het Hof van oordeel zou zijn dat de wet van 16 december 2022 een legitiem doel nastreeft dat samenvalt met de doeleinden die worden vooropgesteld in artikel 17 van de verordening (EU) 2022/1854 en in artikel 4, § 4, van de wet van 16 december 2022, benadrukt de verzoekende partij ondergeschikt dat dat legitieme doel in ieder geval gebrekkig en niet nauwkeurig omschreven is. De wet van 16 december 2022 beoogt immers niet de gegenereerde opbrengsten aan te wenden voor alle doeleinden die verplicht worden opgelegd bij artikel 17 van de verordening. Bovendien is het in artikel 4, § 4, van de wet van 16 december 2022 omschreven doel niet « duidelijk omschreven, transparant en controleerbaar », zoals artikel 17, lid 2, van de verordening voorschrijft. Zo wordt in de memorie van toelichting gesteld dat de opbrengsten van de tijdelijke solidariteitsbijdrage zullen worden aangewend om stookoliecheques en pelletcheques te bekostigen, terwijl in de wetgeving waarbij die premies werden ingevoegd, expliciet wordt bepaald dat de financiering van die toelages door de staatsbegroting wordt gedragen. De uitbreiding van het toepassingsgebied van de tijdelijke solidariteitsbijdrage tot de distributiesector is bovendien niet pertinent, gelet op het feit dat de stijging van de prijs van de aardolie door de maximale brutodistributiemarge geen impact heeft op de winstmarges van de distributeurs van geraffineerde aardolieproducten. Doordat de wet van 16 december 2022 – ook voor de dist

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.