id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 25 april 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.047 Arrest- Rolnummer: 47/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-05-06 Raadplegingen: 834 - laatst gezien 2026-06-18 21:24 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche - Schending (artikel 215 van het Wetboek van strafvordering, in die zin geïnterpreteerd dat het aan de rechtscolleges in hoger beroep die een vonnis tenietdoen waarbij vóór enig onderzoek van de zaak werd geweigerd om in te gaan op een verzoek tot verandering van de taal van de rechtspleging dat is ingediend op grond van artikel 23, vierde lid, van de wet van 15 juni 1935 « op het gebruik der talen in gerechtszaken », de verplichting oplegt om de zaak te verwijzen naar een rechtscollege in hoger beroep en niet naar een rechtscollege van eerste aanleg) - Geen schending (dezelfde bepaling, in die zin geïnterpreteerd dat zij niet van toepassing is wanneer het vernietigde vonnis een vonnis is waarbij vóór enig onderzoek van de zaak werd geweigerd om in te gaan op een verzoek tot verandering van de taal van de rechtspleging dat is ingediend op grond van artikel 23, vierde lid, van de wet van 15 juni 1935) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen betreffende artikel 215 van het Wetboek van strafvordering, gesteld door het Hof van Beroep te Bergen. Strafrechtspleging - Gebruik der talen in gerechtszaken - Beklaagde - Verzoek tot verandering van de taal van de rechtspleging - Weigeringsvonnis vóór enig onderzoek van de zaak - Vernietiging door een rechtscollege in hoger beroep - Evocatie - Verwijzing van de zaak naar een rechtscollege in hoger beroep - Recht op dubbele aanleg Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 47/2024 van 25 april 2024 Rolnummer : 7947 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 215 van het Wetboek van strafvordering, gesteld door het Hof van Beroep te Bergen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij arrest van 21 december 2022, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 13 maart 2023, heeft het Hof van Beroep te Bergen de volgende prejudiciële vragen gesteld : «
- Schendt artikel 215 van het Wetboek van strafvordering, in die zin geïnterpreteerd dat het aan de rechters in hoger beroep, die een vonnis tenietdoen waarbij werd geweigerd om in te gaan op een verzoekschrift tot verandering van de taal van de rechtspleging dat is ingediend op grond van artikel 23, vierde lid, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, de verplichting oplegt om de zaak te verwijzen naar het dichtstbijgelegen rechtscollege in hoger beroep dat uitspraak doet in de gevraagde taal, en niet naar de dichtstbijzijnde rechter in eerste aanleg die uitspraak doet in de gevraagde taal, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 2, lid 1, van het Zevende Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, met artikel 14, lid 5, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met de artikelen 6 en 17 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en/of met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in zoverre het zonder redelijke en objectieve verantwoording een verschil in behandeling zou doorvoeren tussen rechtzoekenden die in een vergelijkbare situatie zijn geplaatst, namelijk : 2 - de beklaagde die zich wil verdedigen en wil worden berecht in de taal die hij kent of waarin hij zich gemakkelijker uitdrukt, zo nodig door hoger beroep in te stellen tegen de beslissing van de eerste rechter waarbij dat recht hem wordt geweigerd, en de beklaagde die zich niet op dat recht beroept, in zoverre enkel de eerstgenoemde zich blootstelt aan het risico van het verlies van een aanleg, en/of; - de beklaagde die zich wil verdedigen en wil worden berecht in de taal die hij kent of waarin hij zich gemakkelijker uitdrukt, wiens verzoekschrift ten onrechte wordt verworpen door de eerste rechter, en de beklaagde die hetzelfde verzoekschrift indient dat terecht wordt ingewilligd door de eerste rechter, in zoverre enkel de eerstgenoemde wordt geconfronteerd met de keuze om de beslissing van de eerste rechter in hoger beroep te betwisten, ten koste van een aanleg, of zich erin te schikken, teneinde zijn recht op een dubbele aanleg te vrijwaren, en/of; - twee beklaagden die zich willen verdedigen en willen worden berecht in de taal die zij kennen of waarin zij zich gemakkelijker uitdrukken, wier verzoekschriften ten onrechte worden verworpen door de eerste rechter, waarbij de eerstgenoemde beslist om hoger beroep in te stellen tegen die beslissing, waardoor hem een aanleg wordt ontzegd, en de laatstgenoemde beslist om zich erin te schikken, waarbij hij dan zijn recht op een dubbele aanleg behoudt ?
- Schendt artikel 215 van het Wetboek van strafvordering, in die zin geïnterpreteerd dat het aan de rechters in hoger beroep, die een vonnis tenietdoen waarbij werd geweigerd om in te gaan op een verzoekschrift tot verandering van de taal van de rechtspleging dat is ingediend op grond van artikel 23, vierde lid, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, de verplichting oplegt om de zaak te verwijzen naar het dichtstbijgelegen rechtscollege in hoger beroep dat uitspraak doet in de gevraagde taal en niet naar de dichtstbijzijnde rechter in eerste aanleg die uitspraak doet in de gevraagde taal, artikel 13 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 2, lid 1, van het Zevende Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, door de rechtzoekende die noch een voorrecht van rechtsmacht geniet, noch door de wet voor het hoogste vonnisgerecht wordt gebracht wegens de aard van het misdrijf waarvoor hij wordt vervolgd, tegen zijn wil af te trekken van de rechter in eerste aanleg die de wet hem toekent ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - de nv « A », de nv « B », de bv « C », de bv « D », de bv « E », de bv « F », de bv « G », de bv « H », de bv « I », de bv « J », de bv « K », de bv « L », de bv « M », de bv « N », de bv « O », de bv « P », de bv « Q », de bv « R », de bv « S », de bv « T », de bv « U », de bv « V », J. R.M. en J. R.Y.M., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Bruno Lebrun, Mr. Dominique Blommaert en Mr. François Koning, advocaten bij de balie te Brussel, door Mr. Karim Itani, advocaat bij de balie te Bergen, en door Mr. Dirk Van Belle, advocaat bij de balie van Antwerpen; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Philippe Schaffner, advocaat bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 28 februari 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Thierry Giet en Sabine de Bethune te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na 3 ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Het bodemgeschil heeft betrekking op natuurlijke personen en rechtspersonen die worden vervolgd wegens verschillende gevallen van « niet-naleving van de doelstellingen van de Europese Unie, door een kunstmatige situatie in het leven te roepen met het oog op het verkrijgen van een groter quotum tegen een voorkeurstarief en waarvan de invoerrechten en de btw die wettelijk verschuldigd zijn op de aangegeven goederen, niet of onvoldoende werden geïnd en waarbij schade werd berokkend aan het concurrentievermogen op de Europese markt ». Die personen (hierna : de beklaagden) werden gedagvaard om voor de Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, te verschijnen en hebben er verzocht om de zaak te verwijzen naar de dichtstbijgelegen correctionele rechtbank waarvan de taal van rechtspleging het Frans is. Aangezien de Rechtbank van eerste aanleg dat verzoek ongegrond heeft verklaard, hebben de beklaagden tegen die beslissing hoger beroep ingesteld voor het Hof van Beroep te Gent, dat, bij arrest van 24 december 2020, het hoger beroep ontvankelijk en gegrond heeft verklaard, het beroepen vonnis heeft tenietgedaan en, overeenkomstig artikel 23 van de wet van 15 juni 1935 « op het gebruik der talen in gerechtszaken » (hierna : de wet van 15 juni 1935), « de verwijzing [heeft gelast] naar het [dichtstbijgelegen] gerecht van dezelfde rang, waarvan de taal van rechtspleging de taal is die door de beklaagde[n] is gevraagd », zijnde, te dezen, het Hof van Beroep te Bergen. De procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Gent heeft tegen dat arrest een cassatieberoep ingesteld, dat het Hof van Cassatie, bij arrest van 13 april 2021, onontvankelijk heeft verklaard omdat het voorbarig was, aangezien het bestreden arrest geen eindvonnis bevat. Het Hof van Beroep te Bergen heeft geoordeeld dat het, alvorens uitspraak te doen over de grond van de zaken, aangewezen was om vragen te stellen aan het Hof en het stelt dan ook ambtshalve de hiervoor weergegeven prejudiciële vragen. III. In rechte -A- A.
- De beklaagden voeren aan dat de twee prejudiciële vragen bevestigend dienen te worden beantwoord. Wat de eerste prejudiciële vraag betreft, voeren zij aan dat de in het geding zijnde bepaling, in de interpretatie die het voorwerp van de prejudiciële vragen uitmaakt, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt omdat zij een discriminatie met zich meebrengt tussen de beklaagden die om een verandering van taal verzoeken en aan wie hun recht op een tweede aanleg bijgevolg wordt ontzegd, en die welke niet erom verzoeken en aan wie het dus niet wordt ontzegd, tussen de beklaagden die een verandering van taal verkrijgen in eerste aanleg en die aan wie, aangezien zij die verandering pas in hoger beroep verkrijgen, hun recht op een tweede aanleg wordt ontzegd, tussen diegenen die hoger beroep instellen tegen een beslissing in eerste aanleg waarbij hun verzoek tot verandering van taal wordt verworpen en die welke dat niet doen, waarbij enkel aan de laatstgenoemden hun recht op een tweede aanleg wordt ontzegd, en tussen die welke de interpretatie van artikel 215 van het Wetboek van strafvordering 4 genieten volgens welke er moet worden verwezen naar een rechtscollege van eerste aanleg en die welke ze niet genieten en aan wie hun recht op een tweede aanleg wordt ontzegd. Zij voeren eveneens aan dat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zijn geschonden, aangezien de in het geding zijnde bepaling, zoals zij door het verwijzende rechtscollege wordt geïnterpreteerd, de identieke behandeling inhoudt van personen die zich in verschillende situaties bevinden. Aldus beklemtonen zij dat beklaagden die de rechtspleging tot dan hebben kunnen volgen in hun taal en beklaagden wier rechtspleging tot dan is verlopen in een taal die zij weinig of niet begrepen, op dezelfde wijze worden behandeld, door de evocatie van hun zaak in hoger beroep. A.
- De beklaagden doen eveneens gelden dat de in het geding zijnde bepaling, zoals zij door het verwijzende rechtscollege wordt geïnterpreteerd, een schending inhoudt van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 2, lid 1, van het Protocol nr. 7 bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 14, lid 5, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met de artikelen 6 en 17 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, omdat zij hun hun recht op een dubbele aanleg in strafzaken ontzegt, recht dat hun bij die internationale bepalingen wordt verleend. In dat verband beklemtonen de beklaagden dat de in lid 2 van artikel 2 van het Protocol nr. 7 bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bedoelde uitzondering te dezen niet van toepassing is, aangezien zij, daar het een uitzondering betreft, strikt moet worden geïnterpreteerd en in die zin moet worden begrepen dat zij enkel betrekking heeft op personen aan wie een dubbele aanleg wordt ontzegd wegens een voorrecht van rechtsmacht of wegens de aard van het misdrijf, hetgeen bij hen niet het geval is. Zij beklemtonen ook dat het voorbehoud dat door België is gemaakt bij zijn ratificatie van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, te dezen evenmin van toepassing is, aangezien het enkel betrekking heeft op personen « die […] rechtstreeks naar een hoger rechtscollege […] worden verwezen », hetgeen bij hen niet het geval is. De beklaagden zijn eveneens van mening dat het cassatieberoep niet kan worden beschouwd als een tweede aanleg omdat het niet beantwoordt aan de vereisten van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, wegens de gebruikelijke deelname van de advocaat-generaal aan de totstandkoming van de beslissing van het Hof. De beklaagden menen immers dat die praktijk het beginsel van de tegenspraak en de vereiste van wapengelijkheid schendt, afbreuk doet aan de vereiste van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechtbanken, het wettigheidsbeginsel inzake strafrechtspleging schendt en de schending, door de betrokken magistraten, van hun beroepsgeheim en van het geheim van de beraadslaging inhoudt. In dat verband verzoeken de beklaagden het Hof in ondergeschikte orde om aan het Hof van Justitie van de Europese Unie een prejudiciële vraag te stellen over de bestaanbaarheid van de voormelde praktijk van het Hof van Cassatie met de in artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie vastgelegde waarborgen en om aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens een adviesverzoek te richten over de bestaanbaarheid van dezelfde praktijk van het Hof van Cassatie met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. De beklaagden voeren eveneens aan dat het cassatieberoep niet kan worden beschouwd als een tweede aanleg, wegens het overdreven formalistische karakter van de cassatieprocedure en wegens het feit dat het Hof van Cassatie niet onderzoekt of de ten laste gelegde feiten juist zijn. A.
- De beklaagden voeren ten slotte aan dat de in het geding zijnde bepaling, zoals zij door het verwijzende rechtscollege wordt geïnterpreteerd, artikel 17 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens schendt omdat zij het verlies inhoudt van een door het Verdrag gewaarborgd recht (het recht op een dubbele aanleg, dat is vastgelegd in artikel 2, lid 1, van het Protocol nr. 7 bij het Verdrag) teneinde een ander recht te kunnen genieten (het recht van een beklaagde om zich te verdedigen in de landstaal die hij kent, dat is vastgelegd in artikel 6 van het Verdrag). A.
- Wat de tweede prejudiciële vraag betreft, zijn de beklaagden van mening dat de in het geding zijnde bepaling, zoals zij door het verwijzende rechtscollege wordt geïnterpreteerd, artikel 13 van de Grondwet schendt, aangezien zij hun het recht ontzegt om te worden berecht door de « natuurlijke rechter die de wet in eerste aanleg toekent aan personen die strafrechtelijk worden vervolgd wegens inbreuken op de douanereglementering », namelijk de correctionele rechtbank. A.5.
- De Ministerraad voert in de eerste plaats aan dat het antwoord op de gestelde prejudiciële vragen niet nuttig is voor de oplossing van het geschil, aangezien, krachtens artikel 660 van het Gerechtelijk Wetboek, iedere beslissing betreffende de bevoegdheid met verwijzing naar de bevoegde rechter de rechter naar wie de vordering 5 wordt verwezen, bindt. Aangezien het verwijzende rechtscollege, met toepassing van die bepaling, is gebonden door de verwijzingsbeslissing van het Hof van Beroep te Gent, dient het de grond van de zaak te onderzoeken. De Ministerraad beklemtoont dat noch de rechtspleging voor het Grondwettelijk Hof, noch de rechtspleging voor het Hof van Beroep te Bergen tot de verdwijning zouden kunnen leiden van het verwijzingsarrest van het Hof van Beroep te Gent, dat dus zal blijven bestaan. Hij voegt eraan toe dat de beklaagden, indien zij dat wensen, een cassatieberoep zullen kunnen instellen tegen het arrest van het Hof van Beroep te Bergen en tegen het arrest van het Hof van Beroep te Gent « als ‘ voorbereidende ’ beslissing » en dat het Hof van Cassatie dan, in voorkomend geval nadat het zelf een vraag aan het Grondwettelijk Hof heeft gesteld, het arrest van het Hof van Beroep te Gent zal kunnen verbreken indien het dat verantwoord acht. A.5.
- Op dat argument antwoorden de beklaagden dat artikel 660 van het Gerechtelijk Wetboek enkel betrekking heeft op de beslissingen betreffende de bevoegdheid, waarbij de verwijzing met toepassing van artikel 23, vierde lid, van de wet van 15 juni 1935 geen beslissing betreffende de bevoegdheid is. A.6.
- In ondergeschikte orde, wat de eerste prejudiciële vraag betreft, voert de Ministerraad aan dat de drie verschillen in behandeling waarop het verwijzende rechtscollege heeft gewezen, geen discriminaties zijn die voortvloeien uit de in het geding zijnde bepaling. Aldus bevindt de beklaagde die verzoekt om te worden berecht in de taal die hij kent, zich niet in een situatie die vergelijkbaar is met die van de beklaagde die zich niet op dat recht beroept, aangezien de keuze om zich op dat recht te beroepen tot de toepassing leidt van procedureregels die verschillend zijn. Evenzo worden de beklaagde wiens verzoekschrift tot verandering van taal ten onrechte wordt verworpen door de eerste rechter en de beklaagde wiens zelfde verzoekschrift terecht wordt ingewilligd, aan dezelfde procedure onderworpen, maar vloeit het verschil in behandeling tussen die personen voort uit de rechterlijke beslissing die door de eerste rechter is genomen en niet uit de in het geding zijnde bepaling. Ten slotte bevindt de beklaagde die beslist om hoger beroep in te stellen tegen een beslissing waarbij de verandering van taal waarom hij heeft verzocht, hem wordt geweigerd, zich in een andere situatie dan de beklaagde die beslist om zich te schikken in een dergelijke beslissing en die zodoende zijn tweede aanleg behoudt. De Ministerraad voegt eraan toe dat de andere discriminaties die zijn aangevoerd door de beklaagden, en niet door het verwijzende rechtscollege, niet kunnen worden onderzocht omdat zij niet het voorwerp van de aan het Hof voorgelegde prejudiciële vragen uitmaken. In verband met die andere aangevoerde discriminaties voegt de Ministerraad in ondergeschikte orde nog eraan toe dat de wisselende interpretatie van artikel 215 van het Wetboek van strafvordering niet haar oorsprong vindt in die bepaling, maar in rechterlijke beslissingen, en dat de beklaagde die hoger beroep instelt tegen een vonnis waarbij werd geweigerd om zijn verzoek tot verandering van taal in te willigen, zich in een situatie bevindt die vergelijkbaar is met die van een beklaagde die hoger beroep instelt tegen een ander soort van vonnis alvorens recht te doen. A.6.
- Op dat argument antwoorden de beklaagden dat de in de prejudiciële vraag bedoelde discriminaties wel degelijk betrekking hebben op beklaagden die in eerste aanleg, naar aanleiding van eenzelfde rechtspleging, voor eenzelfde strafgerecht worden vervolgd en dat hoe dan ook tot een ongrondwettigheid kan worden beslist met betrekking tot een verschil in behandeling tussen verschillende categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedureregels indien die toepassing tot een onevenredige inperking leidt van de rechten van de betrokken partijen, waarbij het verlies van een tweede aanleg, volgens de beklaagden, een dergelijke onevenredige inperking uitmaakt. A.
- De Ministerraad is eveneens van mening dat het recht op een dubbele aanleg geen algemeen rechtsbeginsel is en dat, aangezien artikel 14, lid 5, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten niet van toepassing is op personen die krachtens de Belgische wet rechtstreeks naar een hoger rechtscollege worden verwezen, het niet van toepassing is op beklaagden die, zoals te dezen, worden verwezen naar het rechtscollege in hoger beroep overeenkomstig de in het geding zijnde bepaling. De Ministerraad voegt eraan toe dat het cassatieberoep een tweede aanleg uitmaakt die beantwoordt aan de vereiste van artikel 2, lid 1, van het Protocol nr. 7 bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en dat dat recht kan worden ingeperkt, waarbij de in het geding zijnde bepaling een aanvaardbare beperking uitmaakt ten aanzien van het door de wetgever nagestreefde doel om een goede rechtsbedeling te waarborgen door tijdverlies en onnodige kosten die aan een verwijzing zijn verbonden, te vermijden. De Ministerraad voegt eraan toe dat de kritiek die door de beklaagden is geformuleerd tegen de procedure voor het Hof van Cassatie, naast het feit dat zij ongegrond is ten aanzien van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, is gebaseerd op een beweerde praktijk van het Hof van Cassatie, en niet op een wetgeving met betrekking tot dat Hof, zodat, enerzijds, het Grondwettelijk Hof niet bevoegd is om kennis ervan te nemen en, anderzijds, zelfs indien die kritiek gegrond zou zijn, daaruit niet zou voortvloeien dat het cassatieberoep, zoals wettelijk ingevoerd, niet zou beantwoorden aan de vereisten van wettigheid, van onafhankelijkheid, van onpartijdigheid en van een billijke procedure. 6 A.
- Ten slotte voert de Ministerraad aan dat de andere interpretatie van de in het geding zijnde bepaling, volgens welke de rechter in hoger beroep die het in eerste aanleg gewezen vonnis tenietdoet, de zaak zou moeten verwijzen naar een andere rechter in eerste aanleg, niet kan worden afgeleid uit de tekst van de in het geding zijnde bepaling en hoe dan ook een bron van discriminatie onder rechtzoekenden zou uitmaken naargelang van de grond voor het tenietdoen van het in eerste aanleg gewezen vonnis. A.
- Wat de tweede prejudiciële vraag betreft, voert de Ministerraad aan dat de beklaagden wel degelijk voor het krachtens artikel 281, § 1, van de algemene wet inzake douane en accijnzen, gecoördineerd op 18 juli 1977, bevoegde rechtscollege werden gebracht, namelijk de correctionele rechtbank in eerste aanleg en, in geval van hoger beroep, het hof van beroep. -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling en de context ervan B.
- Met zijn prejudiciële vragen wenst het verwijzende rechtscollege van het Hof te vernemen of artikel 215 van het Wetboek van strafvordering grondwettig is, in die zin geïnterpreteerd dat het aan de rechtscolleges in hoger beroep die een vonnis tenietdoen waarbij werd geweigerd om een verzoekschrift tot verandering van de taal van de rechtspleging dat is ingediend op grond van artikel 23, vierde lid, van de wet van 15 juni 1935 « op het gebruik der talen in gerechtszaken » (hierna : de wet van 15 juni 1935) in te willigen, de verplichting oplegt om de zaak te verwijzen naar een rechtscollege in hoger beroep en niet naar een rechtscollege van eerste aanleg. B.2.
- Artikel 215 van het Wetboek van strafvordering bepaalt : « Indien het vonnis wordt [tenietgedaan] wegens schending of niet hersteld verzuim van vormen, door de wet voorgeschreven op straffe van nietigheid, beslist het hof mede over de zaak zelf ». B.2.
- Krachtens die bepaling « moet de rechter bij wie het hoger beroep tegen een vonnis alvorens recht te doen aanhangig is gemaakt, van de zaak ambtshalve kennisnemen wanneer hij dat vonnis vernietigt of hervormt, zolang die vernietiging of hervorming niet gegrond is op de onbevoegdheid van de eerste rechter of op de omstandigheid dat laatstgenoemde niet wettig van de zaak had kennisgenomen. De evocatie vormt voor de appelrechter een wettelijke verplichting die volgt uit de beslissing tot nietigverklaring van het beroepen vonnis […] » (Cass., 14 april 2021, P.20.1060.F, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210414.2F.7). 7 Het vonnis alvorens recht te doen is het vonnis « waarbij de eerste rechter nog geen volledige uitspraak over de bij hem aanhangige zaak heeft gedaan » (Cass., 4 april 2006, P.05.1704.N, ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060404.7). B.2.
- Het doel van die bepaling bestaat erin meer snelheid en doeltreffendheid te waarborgen in de strafprocedure, vertragingsmanoeuvres te weren en te vermijden dat de zaak wordt verwezen naar een rechtscollege wiens beslissing werd tenietgedaan. B.3.
- Artikel 23 van de wet van 15 juni 1935 bepaalt : « De beklaagde die alleen Nederlands kent of zich gemakkelijker in die taal uitdrukt kan, wanneer hij terechtstaat voor een politierechtbank of een correctionele rechtbank waarvan de taal van rechtspleging het Frans of het Duits is, vragen dat de rechtspleging in het Nederlands geschiedt. De beklaagde die alleen Frans kent of zich gemakkelijker in die taal uitdrukt kan, wanneer hij terechtstaat voor een politierechtbank of een correctionele rechtbank waarvan de taal van rechtspleging het Nederlands is, vragen dat de rechtspleging in het Frans geschiedt. De beklaagde die alleen Duits kent of zich gemakkelijker in die taal uitdrukt kan, wanneer hij terechtstaat voor een politierechtbank of een correctionele rechtbank waarvan de taal van rechtspleging het Nederlands of het Frans is, vragen dat de rechtspleging in het Duits geschiedt. In de gevallen bedoeld in de leden 1 tot 3, gelast de rechtbank de verwijzing naar het [dichtstbijgelegen] gerecht van dezelfde rang, waarvan de taal van rechtspleging de taal is die door de beklaagde is gevraagd. De rechtbank kan evenwel beslissen wegens de omstandigheden van de zaak niet op de aanvraag van de beklaagde te kunnen ingaan. De beklaagde die alleen Frans kent of zich gemakkelijker in die taal uitdrukt, kan, wanneer hij terechtstaat voor een politierechtbank of een correctionele rechtbank waarvan de taal van rechtspleging het Duits is, vragen dat de rechtspleging in het Frans geschiedt. In dat geval wordt de rechtspleging voor datzelfde gerecht voortgezet in de taal die door de beklaagde is gevraagd. Ingeval in het rechtsgebied van het hof van beroep te Luik geen enkele rechter in strafuitvoeringszaken of substituut-procureur des Konings gespecialiseerd in strafuitvoeringszaken het bewijs levert van de kennis van de Duitse taal, wordt een beroep gedaan op een tolk. De verjaring van de strafvordering wordt geschorst voor een termijn van maximum één jaar vanaf het moment van de vraag tot verwijzing tot op de dag van de eerste terechtzitting waarop de behandeling van de zaak ten gronde, opnieuw door de rechtbank zal worden hervat ». 8 B.3.
- Artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 bepaalt : « Voor al de rechtscolleges in hooger beroep wordt, voor de rechtspleging, de taal gebruikt waarin de bestreden beslissing is gesteld ». B.4.
- De wet van 15 juni 1935 regelt niet uitdrukkelijk de kwestie van de verwijzing die moet geschieden door een hof van beroep dat een vonnis tenietdoet waarbij werd geweigerd om een verzoek tot verandering van taal op grond van het voormelde artikel 23 in te willigen en dat, krachtens artikel 215 van het Wetboek van strafvordering, ertoe zou kunnen zijn gehouden de zaak aan zich te trekken. B.4.
- Zoals het verwijzende rechtscollege uiteenzet, heeft het Hof van Beroep te Gent, in de voor dat rechtscollege hangende zaak, de zaak verwezen naar het verwijzende rechtscollege omdat het heeft geoordeeld dat de gecombineerde toepassing van artikel 23 van de wet van 15 juni 1935 en van artikel 215 van het Wetboek van strafvordering het de verplichting oplegde om de zaak te verwijzen naar een hof van beroep waar de rechtspleging in het Frans verloopt, en niet naar een correctionele rechtbank. Het Hof van Beroep te Gent lijkt te hebben geoordeeld dat die verwijzing de algemene economie van de wet van 15 juni 1935 in acht nam, krachtens welke verwijzingen om reden van een verandering van de taal van de rechtspleging geschiedden naar de rechtscolleges van hetzelfde niveau. Het is het verlies van een aanleg dat daaruit volgt voor de beklaagden dat het voorwerp van de prejudiciële vragen uitmaakt. Het verwijzende rechtscollege beklemtoont dat een andere interpretatie van de voormelde bepalingen mogelijk is en in aanmerking werd genomen in twee niet-verschenen arresten, die zijn gewezen door hoven van beroep. Het stelt het Hof evenwel vragen over de grondwettigheid van artikel 215 van het Wetboek van strafvordering in de interpretatie die het Hof van Beroep te Gent eraan heeft gegeven in de voor dat Hof hangende zaak. Het is dus in die interpretatie dat het Hof de grondwettigheid van de in het geding zijnde bepaling hierna onderzoekt. 9 Ten aanzien van de door de Ministerraad opgeworpen exceptie B.
- De Ministerraad voert aan dat het antwoord op de door het verwijzende rechtscollege gestelde prejudiciële vragen niet nuttig is voor de oplossing van het geschil, aangezien, krachtens artikel 660, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, iedere beslissing betreffende de bevoegdheid waarbij de vordering naar de bevoegde rechter wordt gewezen, die rechter bindt. In de regel komt het het verwijzende rechtscollege toe te oordelen of het antwoord op de prejudiciële vraag nuttig is voor het oplossen van het geschil. Alleen indien dat klaarblijkelijk niet het geval is, kan het Hof beslissen dat de vraag geen antwoord behoeft. Aangezien de verwijzing op grond van de wet van 15 juni 1935 geen beslissing betreffende de bevoegdheid uitmaakt en artikel 660, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek niet van toepassing is in strafzaken, is die bepaling te dezen niet van toepassing. De exceptie wordt verworpen. Ten gronde Wat betreft de eerste prejudiciële vraag B.6.
- Met zijn eerste prejudiciële vraag wenst het verwijzende rechtscollege van het Hof te vernemen of artikel 215 van het Wetboek van strafvordering, in die zin geïnterpreteerd dat het van toepassing is ingevolge een beslissing waarbij werd geweigerd om de taal van de rechtspleging te veranderen, bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 2, lid 1, van het Protocol nr. 7 bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 14, lid 5, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met de artikelen 6 en 17 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. 10 B.6.
- Het verwijzende rechtscollege zet niet uiteen, en uit de motieven van de verwijzingsbeslissing wordt niet afgeleid, in welk opzicht de in het geding zijnde bepaling onbestaanbaar zou zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 17 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Die laatste bepaling strekt ertoe, met betrekking tot de Staten die partij zijn bij het Verdrag, hen te verhinderen zich op een van de bepalingen van het Verdrag te baseren teneinde de door het Verdrag gewaarborgde rechten en vrijheden te vernietigen of meer te beperken dan in het Verdrag zelf is voorzien. Geen enkel element van de verwijzingsbeslissing strekt ertoe te stellen dat zulks het opzet zou zijn van de in het geding zijnde bepaling. De prejudiciële vraag is onontvankelijk in zoverre zij betrekking heeft op artikel 17 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.7.
- Het verwijzende rechtscollege stelt het Hof een vraag over de volgende verschillen in behandeling : 1) het verschil in behandeling tussen de beklaagde die een verzoek tot verandering van taal heeft ingediend en, zo nodig, hoger beroep instelt tegen de beslissing van de eerste rechter waarbij wordt geweigerd om in te gaan op zijn verzoek, en de beklaagde die zich niet op dat recht beroept, waarbij enkel de eerstgenoemde zich blootstelt aan het risico van het verlies van een dubbele aanleg; 2) het verschil in behandeling tussen de beklaagde die een taalwijziging in eerste aanleg heeft verkregen en de beklaagde die ze ten onrechte niet heeft verkregen, waarbij enkel de laatstgenoemde een keuze dient te maken tussen het betwisten van die beslissing van de eerste rechter en het vrijwaren van zijn recht op een dubbele aanleg; 3) het verschil in behandeling tussen twee beklaagden die de in eerste aanleg gevraagde taalwijziging ten onrechte niet hebben verkregen, waarbij de ene hoger beroep instelt tegen die beslissing en zodoende zijn recht op een dubbele aanleg verliest, en de andere ervan afziet ze te betwisten en zodoende zijn recht op een dubbele aanleg vrijwaart. B.7.
- De beklaagden voor het verwijzende rechtscollege klagen eveneens een onverantwoord verschil in behandeling aan tussen de beklaagden die de interpretatie van de in 11 het geding zijnde bepaling genieten volgens welke er moet worden verwezen naar een rechtscollege van eerste aanleg en die welke ze niet genieten en aan wie hun recht op een tweede aanleg wordt ontzegd. Zij voeren eveneens aan dat de beklaagden die de rechtspleging tot dan hebben kunnen volgen in hun taal en de beklaagden wier rechtspleging tot dan is verlopen in een taal die zij weinig of niet begrepen, worden gediscrimineerd in zoverre zij, door de evocatie van hun zaak in hoger beroep, op dezelfde wijze worden behandeld, terwijl zij zich in verschillende situaties bevinden. De partijen voor het Hof vermogen de draagwijdte van een prejudiciële vraag niet te wijzigen of uit te breiden. Het komt immers alleen aan het verwijzende rechtscollege toe te oordelen welke prejudiciële vragen het aan het Hof dient te stellen en daarbij de omvang van de saisine te bepalen. Het onderzoek van de vraag kan bijgevolg niet worden uitgebreid tot een vergelijking van andere categorieën van rechtzoekenden dan diegene die in B.7.1 worden vermeld. B.7.
- Aan het Hof wordt dus een vraag gesteld over het verschil in behandeling tussen de rechtzoekenden aan wie, aangezien zij hoger beroep instellen tegen een vonnis waarbij werd geweigerd om in te gaan op hun verzoek tot verandering van de taal van de rechtspleging op grond van artikel 23 van de wet van 15 juni 1935, een dubbele aanleg wordt ontzegd en diegenen aan wie, aangezien zij ervoor kiezen om af te zien van een dergelijk hoger beroep, of aangezien zij er geen hoeven in te stellen omdat werd ingegaan op hun verzoek, geen dubbele aanleg wordt ontzegd. B.7.
- Uit de motieven van de verwijzingsbeslissing blijkt dat de prejudiciële vragen betrekking hebben op de situatie waarin het rechtscollege van eerste aanleg een verzoek tot verandering van de taal van de rechtspleging verwerpt vóór enig onderzoek van de zaak. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die hypothese. B.
- Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende 12 beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.
- Het verschil in behandeling tussen de in B.7.3 uiteengezette categorieën van rechtzoekenden berust op een objectief criterium, namelijk het feit dat de betrokken beklaagden in hoger beroep een vonnis hebben betwist waarbij werd geweigerd om in te gaan op hun verzoek tot verandering van de taal van de rechtspleging. B.
- Het doel van de in het geding zijnde bepaling bestaat erin, zoals in B.2.3 is vermeld, meer snelheid en doeltreffendheid te waarborgen in de strafprocedure, vertragingsmanoeuvres te weren en te vermijden dat de zaak wordt verwezen naar een rechtscollege wiens beslissing werd tenietgedaan. Dat doel is legitiem. B.11.
- De evocatie die is bedoeld in de in het geding zijnde bepaling, in die zin geïnterpreteerd dat zij van toepassing is ingevolge het tenietdoen van een vonnis waarbij een verzoek tot verandering van taal op grond van artikel 23 van de wet van 15 juni 1935 werd verworpen, is in de meeste gevallen niet pertinent ten aanzien van het doel dat erin bestaat te vermijden dat de zaak wordt verwezen naar een rechtscollege wiens beslissing werd tenietgedaan. Wanneer een rechtscollege ingaat op een verzoek tot verandering van de taal van de rechtspleging op grond van de voormelde bepaling, dient het de zaak in de meeste gevallen immers te verwijzen naar « het dichtstbijgelegen gerecht van dezelfde rang, waarvan de taal van rechtspleging de taal is die door de beklaagde is gevraagd » (artikel 23, vierde lid, van de wet van 15 juni 1935). De verwijzing van de zaak naar een rechtscollege van eerste aanleg zou dus meestal niet inhouden dat de zaak ten gronde wordt beslecht door hetzelfde rechtscollege als dat wat het verzoek tot verandering van taal heeft verworpen. B.11.
- De evocatie die is bedoeld in de in het geding zijnde bepaling, in die zin geïnterpreteerd dat zij van toepassing is ingevolge een vonnis waarbij een verzoek tot verandering van taal op grond van artikel 23 van de wet van 15 juni 1935 werd verworpen, is evenmin pertinent ten aanzien van het doel dat erin bestaat vertragingsmanoeuvres te weren. Artikel 23, zevende lid, van die wet volstaat immers om het gebruik van het verzoek tot verandering van taal voor dilatoire doeleinden te voorkomen. Het bepaalt dat « de verjaring van de strafvordering wordt geschorst voor een termijn van maximum één jaar vanaf het moment 13 van de vraag tot verwijzing tot op de dag van de eerste terechtzitting waarop de behandeling van de zaak ten gronde, opnieuw door de rechtbank zal worden hervat ». Het is net om het gebruik van het verzoek tot verandering van de taal van de rechtspleging als vertragingsmanoeuvre te verhelpen dat de wetgever dat lid in artikel 23 van de wet van 15 juni 1935 heeft ingevoegd bij de wet van 6 maart 2018 « ter verbetering van de verkeersveiligheid » (Parl. St., Kamer, 2017-2018, DOC 54-2868/001, p. 18). B.11.
- De in de in het geding zijnde bepaling bedoelde evocatie is daarentegen pertinent ten aanzien van het doel dat erin bestaat meer snelheid en doeltreffendheid te waarborgen in de strafprocedure. B.
- Bijgevolg moet worden onderzocht of er een verband van evenredigheid tussen die maatregel en dat doel bestaat. In de rechtsplegingen, zoals die welke aanleiding heeft gegeven tot de prejudiciële vragen, waar het rechtscollege van eerste aanleg een verzoek tot verandering van de taal van de rechtspleging verwerpt vóór enig onderzoek van de zaak, heeft de evocatie tot gevolg dat de betrokken beklaagden hun zaak niet onderzocht zien in eerste aanleg. De beklaagden worden aldus in eerste en in laatste aanleg berecht door het rechtscollege in hoger beroep. Aangezien het cassatieberoep geen onderzoek van de feiten van de zaak mogelijk maakt, staat het niet gelijk met een nieuw onderzoek van de zaak zoals een hoger beroep dat mogelijk maakt. Dat verlies, voor de betrokken beklaagden, van het recht om hun zaak opnieuw onderzocht te zien in hoger beroep kan zware gevolgen hebben in geval van een veroordeling, aangezien zij niet de mogelijkheid hebben om de gegrondheid ervan te betwisten indien die betwisting is gebaseerd op feitelijke kwesties, die niets te maken hebben met de toetsing door het Hof van Cassatie. Dat volledige verlies, voor de betrokken beklaagden, van het recht om hun zaak opnieuw onderzocht te zien in hoger beroep is onevenredig ten opzichte van het doel dat erin bestaat meer snelheid en doeltreffendheid te waarborgen in de strafprocedure. Het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de in het geding zijnde bepaling, zoals zij door het verwijzende rechtscollege wordt geïnterpreteerd, is niet redelijk verantwoord. 14 B.
- De in het geding zijnde bepaling, in die zin geïnterpreteerd dat zij aan het rechtscollege in hoger beroep dat een vonnis heeft tenietgedaan waarbij wordt geweigerd om in te gaan op een verzoek tot verandering van de taal van de rechtspleging op grond van artikel 23 van de wet van 15 juni 1935, de verplichting oplegt om de zaak te verwijzen naar een rechtscollege van hetzelfde niveau in plaats van naar een rechtscollege van eerste aanleg, is niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.
- Zoals het verwijzende rechtscollege opmerkt, is een andere interpretatie van de in het geding zijnde bepaling evenwel mogelijk. Volgens die interpretatie is de in het geding zijnde bepaling niet van toepassing wanneer een rechtscollege in hoger beroep een vonnis tenietdoet waarbij een verzoek tot verandering van de taal van de rechtspleging wordt verworpen, aangezien artikel 23 van de wet van 15 juni 1935 ervan is afgeweken door aan het rechtscollege in hoger beroep de verplichting op te leggen om te doen wat het rechtscollege van eerste aanleg had moeten doen, namelijk de zaak verwijzen naar een rechtbank van dezelfde rang als die waarvan het vonnis wordt tenietgedaan. Aldus geïnterpreteerd is de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Wat betreft de tweede prejudiciële vraag B.
- Aangezien de tweede prejudiciële vraag niet leidt tot een ruimere vaststelling van schending, dient zij niet te worden onderzocht. 15 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 215 van het Wetboek van strafvordering, in die zin geïnterpreteerd dat het aan de rechtscolleges in hoger beroep die een vonnis tenietdoen waarbij vóór enig onderzoek van de zaak werd geweigerd om in te gaan op een verzoek tot verandering van de taal van de rechtspleging dat is ingediend op grond van artikel 23, vierde lid, van de wet van 15 juni 1935 « op het gebruik der talen in gerechtszaken », de verplichting oplegt om de zaak te verwijzen naar een rechtscollege in hoger beroep en niet naar een rechtscollege van eerste aanleg, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Dezelfde bepaling, in die zin geïnterpreteerd dat zij niet van toepassing is wanneer het vernietigde vonnis een vonnis is waarbij vóór enig onderzoek van de zaak werd geweigerd om in te gaan op een verzoek tot verandering van de taal van de rechtspleging dat is ingediend op grond van artikel 23, vierde lid, van de wet van 15 juni 1935 « op het gebruik der talen in gerechtszaken », schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 25 april
- De griffier, De voorzitter, Frank Meersschaut Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.047 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060404.7 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210414.2F.7 geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.042 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div