id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 25 april 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.050 Arrest- Rolnummer: 50/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-05-06 Raadplegingen: 855 - laatst gezien 2026-06-19 03:49 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende artikel 3 van de wet van 11 december 1998 « tot oprichting van een beroepsorgaan inzake veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen », gesteld door het beroepsorgaan. Veiligheid van de Staat - Veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen - Beroepsorgaan - Samenstelling - Onpartijdigheid Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 50/2024 van 25 april 2024 Rolnummer : 8084 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 3 van de wet van 11 december 1998 « tot oprichting van een beroepsorgaan inzake veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen », gesteld door het beroepsorgaan. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Yasmine Kherbache, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij beslissing van 28 september 2023, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 4 oktober 2023, heeft het beroepsorgaan inzake veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 3 van de wet van 11 december 1998 tot oprichting van een beroepsorgaan inzake veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955, in zoverre de in het geding zijnde bepaling impliceert dat over het geding van een personeelslid of een lasthebber die behoort tot een instituut waaruit het college ‘ beroepsorgaan ’ is samengesteld, geding dat met name het behoud van zijn functie tot inzet heeft, zelfs indien toepassing is gemaakt van het wrakingsmechanisme, wordt beslist door een college dat gedeeltelijk is samengesteld uit personen met wie hij regelmatige en nauwe professionele betrekkingen onderhoudt en waarvan een lid van het beroepsorgaan mogelijk (indirect) betrokken zou kunnen zijn bij een incident dat ten grondslag ligt aan de weigeringsbeslissing en waarin de indruk zou kunnen bestaan dat die persoon belang heeft bij de beslissing van dat orgaan, terwijl nochtans het recht is erkend dat over zijn geding wordt beslist door een college dat is samengesteld uit leden wier onpartijdigheid is gewaarborgd, bijvoorbeeld wanneer geen professionele band met de verzoekende partij bestaat ? ». 2 Memories zijn ingediend door : - T.V., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Jean-François De Bock, advocaat bij de balie te Brussel; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Nicolas Bonbled en Mr. Lotfi Bouhyaoui, advocaten bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 28 februari 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Thierry Giet en Sabine de Bethune te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil T.V. is raadslid bij het Vast Comité van Toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (hierna : het Comité I). Hij stelt beroep in bij het beroepsorgaan inzake veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen (hierna : het beroepsorgaan) teneinde de beslissing van de Nationale Veiligheidsoverheid van 5 juli 2023 waarbij hem een veiligheidsmachtiging van het niveau « zeer geheim » werd geweigerd, te laten herzien. De Nationale Veiligheidsoverheid verantwoordt de weigering wegens de uiterst strenge vereisten inzake integriteit en discretie bij de uitoefening van het ambt van T.V. bij het Comité I. Uit het veiligheidsonderzoek dat de Veiligheid van de Staat heeft uitgevoerd in het kader van de machtigingsaanvraag blijkt immers tegen T.V. een klacht is ingediend wegens laster, eerroof en belaging bij het parket, voor feiten die zouden zijn gepleegd in het kader van zijn ambten van magistraat en raadslid bij het Comité I. Bovendien zou de betrokkene zich begeven hebben naar een politiezone teneinde inlichtingen te verkrijgen over het bestaan van die klacht, waarbij hij zijn hoedanigheden van magistraat en van raadslid bij het Comité I heeft doen gelden. Het beroepsorgaan merkt op dat het wordt voorgezeten door de voorzitter van het Comité I, die verantwoordelijk is voor het dagelijks beheer van dat Comité. Bij beslissing van 28 september 2023 beslist het beroepsorgaan, alvorens recht te doen, de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag te stellen, aangezien T.V. raadslid is bij het Comité I en zijn veiligheidsmachtiging is geweigerd naar aanleiding van een incident op zijn plaats van tewerkstelling. III. In rechte -A– A.1.
- In hoofdorde voert de verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege aan dat de prejudiciële vraag zonder voorwerp is, geen antwoord behoeft en/of niet nuttig is voor de oplossing van het geschil, in de zin 3 van artikel 26 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof. De prejudiciële vraag zou betrekking hebben op een probleem van onpartijdigheid in zoverre het beroep van de verzoekende partij zelf zou worden behandeld door personen met wie zij regelmatige en nauwe professionele betrekkingen onderhoudt, of zelfs door personen die betrokken zouden zijn bij een incident dat ten grondslag ligt aan de in het geding zijnde weigeringsbeslissing. De verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege voert echter aan dat te dezen geen enkel risico bestaat dat de subjectieve of objectieve onpartijdigheid van het beroepsorgaan wordt aangetast. Zij heeft overigens geen probleem van onpartijdigheid opgeworpen in het kader van de procedure voor het verwijzende rechtscollege. Te dezen heeft overigens geen enkel lid van het beroepsorgaan het nodig geacht zichzelf te wraken of zich te onthouden wegens enige professionele betrokkenheid of een ander risico. Bovendien heeft de vraag hoofdzakelijk betrekking op de beleving van de verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege. A.1.
- In ondergeschikte orde beweert de verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege dat de prejudiciële vraag niet ertoe mag leiden het beroepsorgaan te beletten om uitspraak te doen, noch de rechten van verweer of het recht op een daadwerkelijk beroep te verhinderen. Zij merkt op dat, volgens de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de aanwending van het beginsel van onpartijdigheid en de eventuele wraking die daaruit voortvloeit, niet tot gevolg kan hebben de werking van een wettelijk samengesteld orgaan te blokkeren. De verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege heeft zich te dezen echter niet ertegen verzet dat het beroep wordt behandeld door de werkende leden van het beroepsorgaan. Zij heeft overigens geen enkele vordering tot wraking ingediend. De verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege preciseert dat het primordiaal is dat haar beroep snel wordt beslecht, zo niet zou zij haar ambten niet meer kunnen uitoefenen, noch laten hernieuwen. Volgens haar is de prejudiciële vraag een « procedurele verwikkeling » die het nuttig effect van haar beroep riskeert teniet te doen. Zij preciseert dat het orgaan haar niet heeft gevraagd of de prejudiciële vraag opportuun is en, mocht dat wel gebeurd zijn, zij zich daartegen stellig zou hebben verzet. Er dient derhalve geen gevolg te worden gegeven aan het verzoek om een prejudiciële vraag te stellen. A.1.
- In uiterst ondergeschikte orde gedraagt de verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege zich naar de wijsheid van het Hof ten aanzien van het antwoord dat op de prejudiciële vraag moet worden gegeven. A.2.
- De Ministerraad voert aan dat de prejudiciële vraag ontkennend dient te worden beantwoord. Hij merkt op dat, volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van een rechtscollege worden beoordeeld rekening houdend met onder meer de wijze waarop de leden worden aangesteld, de duur van het mandaat, het bestaan van een bescherming tegen externe druk en de schijn van onafhankelijkheid. Ten aanzien van het recht op een daadwerkelijk beroep preciseert de Ministerraad dat dat recht het bestaan van een beroep in het intern recht waarborgt waardoor aanspraak kan worden gemaakt op de rechten en vrijheden die verankerd zijn in het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Indien de instantie waarbij de zaak aanhangig wordt gemaakt, geen jurisdictionele instelling is, dienen haar bevoegdheden en de door haar geboden waarborgen te worden onderzocht teneinde het daadwerkelijke karakter van het beroep te beoordelen. De Ministerraad voegt eraan toe dat, wanneer de zaak de nationale veiligheid aanbelangt, zoals dat te dezen het geval is, de beroepsmogelijkheden op evenredige wijze kunnen worden beperkt, met dien verstande dat ter zake de Staten over een ruime beoordelingsmarge beschikken. A.2.
- De Ministerraad stelt vast dat de in het geding zijnde bepaling aanvankelijk voorzag in de bevoegdheid van het Comité I om kennis te nemen van de beslissingen waarbij de toekenning van een veiligheidsmachtiging werd geweigerd. Die keuze van de wetgever werd verantwoord door de zorg om geen specifiek jurisdictioneel orgaan op te richten en gebruik te maken van een orgaan dat vertrouwd is met de verwerking van geclassificeerde gegevens. In verband met dat systeem had het Hof geoordeeld dat het Comité I, in zijn hoedanigheid van beroepsorgaan, kon worden beschouwd als een onafhankelijke en onpartijdige rechter, met dien verstande dat, indien een van zijn leden niet zou voldoen aan de vereisten van onpartijdigheid, dat lid zich onbevoegd had moeten verklaren teneinde te worden vervangen. Vervolgens heeft de wetgever een college ad hoc willen oprichten, samengesteld uit de voorzitter van het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten (hierna : het Comité P), de voorzitter van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer – intussen vervangen door de Gegevensbeschermingsautoriteit – en de voorzitter van het Comité I. Het doel bestond met name erin het daadwerkelijke karakter van het beroep, alsook de onafhankelijkheid van dat nieuwe orgaan te waarborgen. Bij die gelegenheid heeft de wetgever het contentieux van de veiligheidsmachtigingen niet willen toevertrouwen aan een bestaand gewoon of administratief rechtscollege, noch de samenstelling van het beroepsorgaan willen uitbreiden tot de voorzitters van het Hof van Cassatie en van de Raad van State, ondanks een amendement dat in die zin werd ingediend. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat het beroepsorgaan een 4 administratief en onpartijdig rechtscollege was. Die redenering kan te dezen worden overgenomen. De Ministerraad verwijst daarnaast naar een advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State, waarbij zij de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van het beroepsorgaan in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens heeft bevestigd. De Ministerraad merkt op dat uit de parlementaire voorbereiding van de in het geding zijnde bepaling blijkt dat het doel van de wetgever erin bestond de bevoegdheden inzake beroepen met betrekking tot veiligheidsmachtigingen toe te vertrouwen aan een orgaan dat, niet alleen gespecialiseerd en vertrouwd is met de verwerking van geclassificeerde gegevens, maar ook beschikt over de onafhankelijkheid en onpartijdigheid die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van een jurisdictionele functie. De aanwezigheid, binnen dat orgaan, van de voorzitter van het Comité P is verantwoord door het feit dat gegevens van politiediensten kunnen worden verwerkt in het kader van onderzoeken en veiligheidscontroles. Wat betreft de voorzitter van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, daarna vervangen door de voorzitter van de geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, bestond het doel erin te voorzien in een extra waarborg voor de bescherming van de individuele rechten en het afwijkende stelsel inzake de verwerking van persoonsgegevens evenwichtig te maken. Volgens de Ministerraad vertoont het beroepsorgaan bijgevolg meer waarborgen inzake onafhankelijkheid en onpartijdigheid dan die welke het Hof reeds heeft erkend ten aanzien van het Comité I wanneer het optrad als beroepsorgaan, zoals de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft kunnen vaststellen. A.2.
- Volgens de Ministerraad was de wetgever zich volkomen bewust van de mogelijkheid dat de in de prejudiciële vraag beoogde situatie zich kon voordoen. De waarborgen die zijn ingevoerd bij de oprichting van het beroepsorgaan in 1998 en, vervolgens, bij de wijziging van de samenstelling ervan in 2005, laten evenwel toe de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid ervan te waarborgen. Te dezen is immers voldaan aan de voormelde vereisten van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. De leden van het beroepsorgaan zijn immers benoemd door een democratisch verkozen wetgevende vergadering en kunnen alleen worden afgezet in geval van een ernstige fout of wanneer zij niet langer voldoen aan de benoemingsvoorwaarden. Bovendien hebben de voorzitter van het Comité P en de voorzitter van het Comité I de hoedanigheid van magistraat, terwijl de voorzitter van de geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit binnen de perken van zijn bevoegdheden geen vragen mag krijgen, noch directe of indirecte instructies. Ten slotte zijn alle leden van het beroepsorgaan benoemd voor een hernieuwbare termijn van zes jaar, duur die door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens wordt beschouwd als een extra garantie voor de onafhankelijkheid van een rechtscollege. De Ministerraad merkt ten slotte op dat, indien de in de prejudiciële vraag beoogde situatie zich voordoet, het zou volstaan dat het lid van het beroepsorgaan dat klaarblijkelijk onvoldoende waarborgen inzake onpartijdigheid biedt, zich onbevoegd verklaart teneinde te worden vervangen. In dat kader belet niets de persoon die het beroep heeft ingesteld, zelf om de vervanging te verzoeken. Te dezen stelt de Ministerraad vast dat de verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege de samenstelling van het orgaan geenszins heeft betwist, hoewel aan haar uitdrukkelijk hierover een vraag is gesteld in het kader van haar beroep. Ten slotte merkt de Ministerraad op dat de organieke reglementeringen van het Comité P, van het Comité I en van de Gegevensbeschermingsautoriteit erin voorzien dat de regels inzake de benoeming, de onverenigbaarheden en de afzetting van de voorzitters van die organen van toepassing zijn op hun eventuele plaatsvervangers. A.2.
- Voor het overige ziet de Ministerraad niet in hoe, te dezen, de mechanismen inzake de plaatsvervanging en de wraking niet zouden volstaan om een eventueel schijnbaar gebrek aan onpartijdigheid van het beroepsorgaan dat toe te schrijven is aan het feit dat een enkel lid van dat orgaan betrokken zou zijn bij een incident dat ten grondslag ligt aan de weigeringsbeslissing, weg te nemen. De Ministerraad stelt vast dat noch de prejudiciële vraag, noch de verwijzingsbeslissing aanwijzingen in dat verband geven. -B- B.
- De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 3 van de wet van 11 december 1998 « tot oprichting van een beroepsorgaan inzake veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen » (hierna : de wet van 11 december 1998), dat, zoals gewijzigd bij de wet van 13 september 2018 « houdende wijziging van de wet van 11 december 1998 tot oprichting 5 van een beroepsorgaan inzake veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen » (hierna : de wet van 13 september 2018), bepaalt : « Het college samengesteld uit de voorzitter van het Vast Comité van Toezicht op de inlichtingendiensten, de voorzitter van het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten en de voorzitter van de geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit of hun plaatsvervanger, lid van hetzelfde instituut, hierna het ‘ beroepsorgaan ’ genoemd, neemt kennis van de met toepassing van deze wet ingestelde beroepen. Het beroepsorgaan wordt voorgezeten door de voorzitter van het Vast Comité I of zijn plaatsvervanger. Wanneer bij het beroepsorgaan een beroep aanhangig is gemaakt, doen het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten, het Vast Comité van Toezicht op de inlichtingendiensten en de Commissie tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer voor de duur van de procedure geen onderzoek naar respectievelijk klachten en aangiften in de zin van voornoemde wet van 18 juli 1991 en klachten in de zin van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens die betrekking hebben op elk veiligheidsonderzoek of elke veiligheidsverificatie die uitgevoerd wordt ter gelegenheid van procedures in het kader van veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten of veiligheidsadviezen die het voorwerp uitmaken van dat beroep ». B.2.
- Artikel 142, derde lid, van de Grondwet bepaalt dat « de zaak […] bij het Hof aanhangig [kan] worden gemaakt […], prejudicieel, door ieder rechtscollege ». Het Hof is dus slechts bevoegd om een antwoord te geven op de prejudiciële vraag voor zover het beroepsorgaan een rechtscollege is. B.2.
- Vóór de wijziging ervan bij de wet van 3 mei 2005 « houdende wijziging van de wet van 11 december 1998 tot oprichting van een beroepsorgaan inzake veiligheidsmachtigingen » (hierna : de wet van 3 mei 2005) voorzag artikel 3 van de wet van 11 december 1998 in de bevoegdheid van het Vast Comité van Toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (hierna : het Comité I) als beroepsorgaan. Bij zijn arrest nr. 14/2006 van 25 januari 2006 (ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.014) heeft het Hof geoordeeld dat, wanneer het Comité I handelt als beroepsorgaan inzake veiligheidsmachtigingen krachtens de wet van 11 december 1998, het optreedt als een jurisdictioneel orgaan. 6 B.2.
- De wet van 3 mei 2005 heeft het Comité I vervangen door een nieuw beroepsorgaan voor wat betreft de jurisdictionele taak die aan dat Comité was toevertrouwd krachtens de wet van 11 december
- Zoals het Hof heeft opgemerkt bij zijn arrest nr. 151/2006 van 18 oktober 2006 (ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.151), treedt dat orgaan op als administratief rechtscollege. Aanvankelijk was het samengesteld uit drie magistraten die gespecialiseerd zijn in veiligheidsmachtigingen, namelijk de voorzitter van het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten (hierna : het Comité P), de voorzitter van het Comité I en de voorzitter van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. B.2.
- De wet van 13 september 2018 heeft die samenstelling gewijzigd door de voorzitter van de Commissie voor bescherming van de persoonlijke levenssfeer te vervangen door de voorzitter van de geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, die niet noodzakelijk een magistraat is (Parl. St., Kamer, 2017-2018, DOC 54-3107/005, pp. 8-9). Uit de parlementaire voorbereiding van die wet blijkt dat het doel van de wetgever erin bestond de samenstelling van het beroepsorgaan aan te passen aan de vervanging van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer door de Gegevensbeschermingsautoriteit naar aanleiding van de aanneming van de wet van 3 december 2017 « tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit » (hierna : de wet van 3 december 2017) (Parl. St., Kamer, 2017-2018, DOC 54-3107/003, pp. 9-10). De wetgever had niet het voornemen de jurisdictionele aard van het beroepsorgaan te wijzigen, waarin de aanwezigheid van twee magistraten – namelijk de voorzitter van het Comité P en de voorzitter van het Comité I – overigens behouden blijft, met dien verstande dat niets evenmin belet dat ook de voorzitter van de geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit een magistraat is (Parl. St., Kamer, 2017-2018, DOC 54-3107/005, p. 9). B.2.
- Het Hof is derhalve bevoegd om de prejudiciële vraag te beantwoorden. B.
- De vraag heeft betrekking op de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepaling met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het beroep dat is ingesteld voor het orgaan bedoeld in artikel 3 van de wet van 11 december 1998 met het oog op, onder meer, het behoud in functie van de verzoeker gedeeltelijk wordt behandeld door 7 personen met wie de verzoeker regelmatige en nauwe professionele betrekkingen onderhoudt, zelfs indien toepassing is gemaakt van het wrakingsmechanisme, en die mogelijk betrokken zijn, in voorkomend geval indirect, bij een incident dat ten grondslag ligt aan het beroep, hetgeen in strijd zou zijn met het beginsel van onpartijdigheid. B.4.
- De verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege voert aan dat de prejudiciële vraag zonder voorwerp is of op zijn minst niet nuttig is voor de oplossing van het geschil, aangezien te dezen geen probleem van onpartijdigheid zou bestaan in het kader van de procedure die ten grondslag ligt aan de verwijzingsbeslissing. B.4.
- In de regel komt het het verwijzende rechtscollege toe te oordelen of het antwoord op de prejudiciële vraag nuttig is voor het oplossen van het geschil. Alleen indien dat klaarblijkelijk niet het geval is, kan het Hof beslissen dat de vraag geen antwoord behoeft. B.4.
- Het is van fundamenteel belang in een democratische rechtsstaat dat de hoven en rechtbanken het vertrouwen genieten van het publiek en van de procespartijen (EHRM, 26 februari 1993, Padovani t. Italië, ECLI:CE:ECHR:1993:0226JUD001339687, § 27). Daartoe vereist artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens dat de rechtscolleges waarop die bepaling van toepassing is, onpartijdig zijn (EHRM, grote kamer, 29 maart 2001, D.N. t. Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2001:0329JUD002715495, § 42). Aangezien het antwoord op de prejudiciële vraag bepalend is om te weten of het verwijzende rechtscollege, in het licht van zijn samenstelling, kan worden beschouwd als onpartijdig in de gegeven omstandigheden - vraag die van fundamenteel belang is - is dat antwoord niet kennelijk zonder nut voor de oplossing van het geschil. B.4.
- De exceptie van niet-ontvankelijkheid wordt verworpen. B.5.
- De wetgever heeft, met de wet van 3 mei 2005, zowel inzake veiligheidsmachtigingen als inzake veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen een specifiek orgaan opgericht, dat aanvankelijk was samengesteld uit de voorzitter van het Comité I, de voorzitter van het Comité P en de voorzitter van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, die alle drie magistraat waren. 8 Die samenstelling biedt, volgens de parlementaire voorbereiding van de wet van 3 juni 2005, meerdere voordelen : « - het beroepsorgaan zal voortaan nog enkel uit magistraten samengesteld zijn (art. 4, vijfde lid, en 28, vijfde lid, van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten; art. 24, § 1, van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens); - de aanwezigheid van de voorzitter van het Vast Comité P is eveneens gerechtvaardigd daar de gegevens van de politiediensten een beslissend beoordelingselement kunnen uitmaken in het kader van veiligheidsonderzoeken en veiligheidsverificaties; - de aanwezigheid van de voorzitter van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer is een bijkomende garantie ter bescherming van de individuele rechten waardoor opnieuw evenwicht gebracht wordt in het afwijkend regime wat betreft de verwerking van persoonsgegevens (art. 3, § 4, van de voornoemde wet van 8 december 1992) » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1598/001 en 1599/001, p. 15). B.5.
- Zoals is vermeld in B.2.4, heeft de wet van 13 september 2018 die samenstelling later gewijzigd door de voorzitter van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer te vervangen door de voorzitter van de geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, die niet noodzakelijk een magistraat moet zijn, teneinde zich aan te passen aan de oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit. B.6.
- Een behoorlijke rechtsbedeling waarborgt de rechtsonderhorigen de behandeling van hun zaak door een onafhankelijke en onpartijdige rechter. Die eisen houden niet alleen in dat een rechter niet afhankelijk of partijdig mag zijn, maar ook dat er voldoende waarborgen aanwezig moeten zijn om elke gewettigde twijfel omtrent de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter uit te sluiten. Bij de beoordeling van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid moet onder meer rekening worden gehouden met de samenstelling en de organisatie van het rechtscollege en het samengaan van het rechterlijk ambt met andere functies of activiteiten. B.6.
- Zowel de voorzitter van het Comité P (artikel 4 van de wet van 18 juli 1991 « tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten en op het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse » (hierna : de wet van 18 juli 1991)) als de voorzitter van het Comité I 9 (artikel 28 van de wet van 18 juli 1991) zijn benoemd door de Kamer van volksvertegenwoordigers, die hen kan afzetten wegens onverenigbaarheden of om ernstige redenen. Zij zijn beiden magistraat. De voorzitter van de geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit wordt benoemd door de Kamer van volksvertegenwoordigers, met dien verstande dat van hem niet wordt geëist dat hij magistraat is (artikel 39 van de wet van 3 december 2017). De wetgever heeft evenwel bepaald dat de voorzitter wordt benoemd op grond van, met name, zijn onafhankelijkheid (artikel 36, § 1, van de wet van 3 december 2017) en dat hij onderworpen is aan een stelsel van onverenigbaarheden (artikelen 38 en 44, § 1, van de wet van 3 december 2017). Bovendien kan de voorzitter van de geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit geen vragen krijgen binnen de perken van zijn bevoegdheden, noch op directe of indirecte wijze instructies (artikel 43, eerste lid, van de wet van 3 december 2017). Hij kan daarnaast uit zijn functie worden ontheven door de Kamer van volksvertegenwoordigers indien hij op ernstige wijze is tekortgeschoten of niet langer voldoet aan de vereisten voor de uitvoering van zijn taken (artikel 45, § 1, eerste lid, van de wet van 3 december 2017). Die nadere regels kunnen de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de voorzitter van de geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit waarborgen. B.6.
- In elk geval spreekt het vanzelf dat, wanneer in een zaak zou blijken dat een van de leden van het beroepsorgaan niet voldoet aan de vereisten inzake onpartijdigheid, hij zich onbevoegd zou moeten verklaren, teneinde te worden vervangen. B.7.
- Wanneer het beroepsorgaan zich uitspreekt over een beroep inzake veiligheidsmachtigingen dat is ingesteld door een lid van het Comité I, kan het samengesteld zijn uit personen die in voorkomend geval regelmatige en nauwe professionele betrekkingen kunnen onderhouden met de verzoeker. Die omstandigheid is op zich niet van dien aard dat zij de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van het rechtscollege in het geding brengt. B.7.
- In de hypothese dat de in de prejudiciële vraag beoogde situatie zich voordoet - namelijk de omstandigheid dat een van de leden van het beroepsorgaan mogelijk, in voorkomend geval indirect, betrokken zou zijn bij een incident dat ten grondslag ligt aan de 10 weigeringsbeslissing -, staat het aan het betrokken lid na te gaan of het zich onbevoegd moet verklaren; de verzoekende partij kan overigens diens wraking vorderen. B.7.
- Wanneer een lid van het beroepsorgaan zich onbevoegd verklaart of wordt gewraakt, wordt voorzien in diens vervanging door zijn plaatsvervanger, die aan dezelfde regels inzake benoeming, onverenigbaarheden en afzetting is onderworpen als de werkende leden van het orgaan. Ten aanzien van de voorzitter van het Comité P en de voorzitter van het Comité I voorzien de artikelen 4, eerste lid, en 28, eerste lid, van de wet van 18 juli 1991 respectievelijk erin dat twee plaatsvervangers worden benoemd door de Kamer van volksvertegenwoordigers en dat die laatsten kunnen worden afgezet indien zij de regels inzake de onverenigbaarheden schenden of wegens ernstige redenen. Wat betreft de voorzitter van de geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit wordt in het reglement van interne orde van die autoriteit vermeld dat « in geval van afwezigheid of verhindering […] de voorzitter van de geschillenkamer, wanneer hij moet zetelen, [wordt] vervangen door een ander lid, daartoe door hem aangewezen » (artikel 44) met dien verstande dat alle leden van de geschillenkamer zijn onderworpen aan dezelfde regels inzake benoeming, onverenigbaarheden en afzetting (artikelen 36 tot 45 van de wet van 3 december 2017). B.
- Het Hof ziet niet in, en de motivering van de verwijzingsbeslissing preciseert evenmin, in welke zin de mechanismen waarin de wetgever heeft voorzien inzake vervanging, niet toelaten de in B.7.2 beoogde situatie te voorkomen. Het spreekt vanzelf dat, in die hypothese, erover moet worden gewaakt dat het lid van het orgaan wordt vervangen door een persoon die de waarborgen inzake onafhankelijkheid en onpartijdigheid biedt in het licht van de feiten die ten grondslag liggen aan het beroep. B.
- Artikel 3 van de wet van 11 december 1998 is bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. 11 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 3 van de wet van 11 december 1998 « tot oprichting van een beroepsorgaan inzake veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen » schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 25 april
- De griffier, De voorzitter, Frank Meersschaut Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.050 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.014 ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.151 ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.050 ECLI:CE:ECHR:1993:0226JUD001339687 ECLI:CE:ECHR:2001:0329JUD002715495 geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.157 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div