id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 14 mei 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.051 Arrest- Rolnummer: 51/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-05-27 Raadplegingen: 603 - laatst gezien 2026-06-17 06:24 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: het beroep tot vernietiging van de artikelen 2, 3, 4 en 6 van de wet van 5 mei 2022 « betreffende de wijziging van de wet van 19 april 2002 tot rationalisering van de werking en het beheer van de Nationale Loterij », ingesteld door Astrid Portugaels. Kansspelen - Nationale Loterij - Afwijkende regeling - Gebrek aan belang Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 51/2024 van 14 mei 2024 Rolnummer : 7890 In zake : het beroep tot vernietiging van de artikelen 2, 3, 4 en 6 van de wet van 5 mei 2022 « betreffende de wijziging van de wet van 19 april 2002 tot rationalisering van de werking en het beheer van de Nationale Loterij », ingesteld door Astrid Portugaels. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Yasmine Kherbache, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 14 november 2022 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 16 november 2022, heeft Astrid Portugaels, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Pierre Joassart, advocaat bij de balie te Brussel, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 2, 3, 4 en 6 van de wet van 5 mei 2022 « betreffende de wijziging van de wet van 19 april 2002 tot rationalisering van de werking en het beheer van de Nationale Loterij » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 13 mei 2022). Memories en memories van wederantwoord zijn ingediend door : - de nv « Rocoluc », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. François Tulkens en Mr. Lola Malluquin, advocaten bij de balie te Brussel (tussenkomende partij); - de nv « Fremoluc », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. François Tulkens en Mr. Lola Malluquin (tussenkomende partij); - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Philippe Vlaemminck en Mr. Robbe Verbeke, advocaten bij de balie te Brussel. 2 De verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 20 december 2023 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Magali Plovie en Willem Verrijdt te hebben gehoord, beslist : - dat de zaak nog niet in gereedheid kon worden gebracht; - de verzoekende partij uit te nodigen, in een aanvullende memorie in te dienen bij ter post aangetekende brief uiterlijk binnen 30 dagen volgend op de ontvangst van de voormelde beschikking, aan het Hof de elementen voor te leggen waaruit haar actuele belang bij het beroep blijkt, zoals de vergunning F2 waarvan zij houder zou zijn, alsook het bewijs dat zij van die vergunning gebruikmaakt in het kader van haar huidige beroepsactiviteit, en binnen dezelfde termijn een kopie van die aanvullende memorie te laten toekomen aan de andere partijen; - de Ministerraad en de tussenkomende partijen uit te nodigen, in een aanvullende memorie van antwoord in te dienen bij ter post aangetekende brief uiterlijk binnen 30 dagen volgend op de ontvangst van de aanvullende memorie van de verzoekende partij, hun eventuele bijkomende opmerkingen wat betreft het belang van de verzoekende partij bij het beroep aan het Hof over te zenden, en binnen dezelfde termijn een kopie van die aanvullende memorie te laten toekomen aan de andere partijen. De verzoekende partij heeft een aanvullende memorie ingediend en de Ministerraad heeft een aanvullende memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 27 maart 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Magali Plovie en Willem Verrijdt te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- A.
- De verzoekende partij zet uiteen dat zij als onafhankelijke commissaris een wedkantoor beheert en dat zij houder is van een vergunning F
- De verzoekende partij voert aan dat de bestreden bepalingen haar rechtstreeks en ongunstig raken, aangezien zij een voorkeursregeling ten voordele van de Nationale Loterij invoeren, hetgeen een concurrentieverstoring doet ontstaan ten aanzien van de wedkantoren. Zij klaagt eveneens aan dat artikel 6 van de wet van 5 mei 2022 « betreffende de wijziging van de wet van 19 april 2002 tot rationalisering van de werking en het beheer van de Nationale Loterij » (hierna : de wet van 5 mei 2022) een uitsluitingsmechanisme voor spelers invoert dat niet van toepassing is op de spelen van de Nationale Loterij in de reële wereld. Zij voegt 3 eraan toe dat de bestreden bepalingen de Nationale Loterij een dominante positie toekennen in de verkoop van kansspelen bij dagbladhandelaars. Zij meent dat het belang bij het beroep verband houdt met de gegrondheid van de middelen. A.
- De Ministerraad betoogt dat het beroep niet ontvankelijk is bij gebrek aan belang. De omstandigheid dat geen uitsluitingsmechanisme bestaat voor de deelname aan de loterijspelen in de reële wereld, maakt het niet mogelijk het belang van de verzoekende partij aan te tonen. De verschillen in behandeling tussen de sportweddenschappen en de loterijproducten vloeien niet voort uit de bestreden wet. De grief van de verzoekende partij lijkt in werkelijkheid te zijn gericht tegen artikel 62 van de wet van 7 mei 1999 « op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers » (hierna : de wet van 7 mei 1999), zoals gewijzigd bij de wet van 7 mei
- Die bepaling heeft niets te maken met de bestreden bepalingen. Daarenboven, indien die bepaling spelers zou aanmoedigen om naar dagbladhandelaars te gaan, zou dat zijn om er deel te nemen aan weddenschappen en niet aan loterijproducten. De verzoekende partij toont niet aan hoe de door dagbladhandelaars verkochte loterijproducten een alternatief zouden kunnen vormen voor het aannemen van weddenschappen in een kansspelinrichting klasse IV. De Belgische Mededingingsautoriteit meent in dezelfde zin dat de markt van de sportweddenschappen verschilt van die van de loterijen. Die twee producten zijn niet onderling verwisselbaar. Bovendien heeft het Hof bij zijn arrest nr. 177/2021 van 9 december 2021 (ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.177) reeds geoordeeld dat het verschil in behandeling tussen de wedkantoren en de dagbladhandelaars niet discriminerend is. Tot slot raakt de wet van 5 mei 2022 de Nationale Loterij enkel in haar hoedanigheid van operator voor loterijproducten. A.
- De nv « Rocoluc », eerste tussenkomende partij, zet uiteen dat zij een kansspelinrichting klasse II uitbaat waarvoor zij over een vergunning B beschikt, en dat zij een aanvullende vergunning B+ bezit om kansspelen van klasse II online te exploiteren. De nv « Fremoluc », tweede tussenkomende partij, zet uiteen dat zij een kansspelinrichting klasse III exploiteert waarvoor zij een vergunning C heeft. De eerste tussenkomende partij wijst erop dat zij is onderworpen aan de verplichtingen inzake de EPIS- en toegangscontrole bedoeld in de artikelen 55 en 62 van de wet van 7 mei 1999, zoals gewijzigd bij de bestreden bepalingen. De tweede tussenkomende partij geeft aan dat zij niet aan die verplichtingen is onderworpen. De tussenkomende partijen doen gelden dat de gedeeltelijke vernietiging van de bestreden wet een weerslag zou kunnen hebben op andere procedures met betrekking tot dezelfde verplichtingen waarin zij partij zijn, en hun concurrentiepositie ten aanzien van de andere kansspelinrichtingen zou kunnen beïnvloeden. A.
- In haar aanvullende memorie geeft de verzoekende partij aan dat haar vergunning F2 is vervallen en niet werd verlengd. Zij gedraagt zich naar de beoordeling van het Hof wat betreft haar belang om in rechte op te treden. A.
- In zijn aanvullende memorie voert de Ministerraad aan dat de verzoekende partij geen actueel belang heeft bij de vernietiging van de bestreden bepalingen, aangezien die bepalingen geen voorkeursregeling creëren ten voordele van de Nationale Loterij, de verzoekende partij niet langer een vergunning F2 bezit en zij op geen enkele wijze aantoont dat zij deelneemt aan de loterijspelen van de Nationale Loterij. -B– Ten aanzien van de bestreden bepalingen B.1.
- De verzoekende partij vordert de vernietiging van de artikelen 2, 3, 4 en 6 van de wet van 5 mei 2022 « betreffende de wijziging van de wet van 19 april 2002 tot rationalisering van de werking en het beheer van de Nationale Loterij » (hierna : de wet van 5 mei 2022), die verschillende bepalingen wijzigen van de wet van 19 april 2002 « tot rationalisering van de werking en het beheer van de Nationale Loterij » (hierna : de wet van 19 april 2002). 4 B.1.
- Artikel 2 en artikel 3, 1), van de wet van 5 mei 2022 vervangen respectievelijk artikel 3, § 1, tweede lid, en artikel 6, § 1, 2°, van de wet van 19 april 2002 teneinde « uitdrukkelijk te bepalen dat de vormen en de algemene regels die van toepassing zijn op de kansspelen en weddenschappen van de Nationale Loterij vastgelegd zijn door de desbetreffende bepalingen van de wet van 7 mei 1999 » (Parl. St., Kamer, 2021-2022, DOC 55-2380/001, p. 5). Artikel 3, 2), van de wet van 5 mei 2022 vervangt artikel 6, § 1, 4°, van de wet van 19 april 2002 teneinde « een meer coherent en modern beleid te [...] voeren inzake de organisatie van tombola loterijen in het kader van artikel 7 van de wet van 31 december 1851 op de loterijen » (ibid.). Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat er in België twee mogelijkheden zijn om een loterij te organiseren : ofwel behoort de loterij tot het monopolie van de Nationale Loterij, ofwel werd zij toegelaten op basis van artikel 7 van de wet van 31 december 1851 « op de loterijen ». Dat laatste geval heeft enkel betrekking op de loterijen die door privaatrechtelijke rechtspersonen worden georganiseerd. Artikel 3, 2), van de wet van 5 mei 2022 beoogt aan de door de Nationale Loterij uitgevoerde taken van openbare dienst het administratieve beheer toe te voegen van de toelatingen die door de Regering worden gegeven krachtens artikel 7 van de voormelde wet van 31 december 1851 (ibid., pp. 7-8). Artikel 4 van de wet van 5 mei 2022 vervangt artikel 6, § 2, van de wet van 19 april 2002 om de wet van 21 maart 1991 « betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven » toe te passen op de dochterondernemingen van de Nationale Loterij (ibid., pp. 5 en 8-9). Artikel 6 van de wet van 5 mei 2022 voegt een artikel 37/2 in de wet van 19 april 2002 in teneinde, naar analogie van de kansspelwetgeving, in een procedure te voorzien waarbij een derde « zoals een partner of een familielid, of in rechte aangeduid, zoals bij bewindvoering, geesteszieken, ... » kan vragen om een speler uit te sluiten van het platform voor deelname aan spelen op afstand van de Nationale Loterij « e-lotto » (ibid., p. 10; zie ook p. 5). 5 Ten aanzien van het belang bij het beroep B.
- De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. Dat belang dient te bestaan op het ogenblik van de indiening van het verzoekschrift en dient te blijven bestaan tot de uitspraak van het arrest. B.
- De verzoekende partij voert ter staving van haar belang in haar verzoekschrift aan dat zij een kansspelinrichting klasse IV (wedkantoor) exploiteert waarvoor zij over een vergunning F2 zou beschikken. B.
- Uit de aanvullende memorie die de verzoekende partij heeft ingediend ingevolge de beschikking van het Hof van 20 december 2023 blijkt dat zij niet langer in het bezit is van een vergunning F
- Aangezien de verzoekende partij niet langer over de vergunning beschikt op grond waarvan zij een wedkantoor mag exploiteren, heeft zij geen belang meer bij de vernietiging van de bestreden bepalingen, die betrekking hebben op de regels die van toepassing zijn op de activiteiten van de Nationale Loterij. B.
- Het beroep is onontvankelijk bij gebrek aan belang. 6 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 14 mei
- De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.051 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.177 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div