← België

ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.058

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 30 mei 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.058 Arrest- Rolnummer: 58/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-08-08 Raadplegingen: 941 - laatst gezien 2026-06-17 04:29 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende artikel 3, tweede lid, van de wet van 22 december 2de prejudiciële vraag betreffende artikel 3, tweede lid, van de wet van 22 december 2009 « houdende fiscale bepalingen », gesteld door het Hof van Beroep te Bergen.009 « houdende fiscale bepalingen », gesteld door het Hof van Beroep te Bergen. Fiscaal recht - Inkomstenbelastingen - Vestiging en invordering - Aanslag - Onregelmatige aanslag - Nietigverklaring door de rechter om een andere reden dan verjaring - Vestiging van een subsidiaire aanslag - Verzoekschrift tot geldigverklaring van de aanslag - Betekening - Termijn Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 58/2024 van 30 mei 2024 Rolnummer : 7993 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 3, tweede lid, van de wet van 22 december 2009 « houdende fiscale bepalingen », gesteld door het Hof van Beroep te Bergen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Joséphine Moerman, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt en Kattrin Jadin, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 21 april 2023, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 9 mei 2023, heeft het Hof van Beroep te Bergen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 3, tweede lid, van de wet van 22 december 2009 [houdende fiscale bepalingen] de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, geïnterpreteerd in die zin dat het vereist, voor de toepassing ervan, dat het verzoekschrift tot geldigverklaring van een subsidiaire aanslag, dat een nieuw geding inleidt, is betekend vóór 10 januari 2010 ? ». Memories zijn ingediend door : - de nv « Entreprises Degauque », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Thierry Litannie, advocaat bij de balie Waals-Brabant; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. David Heurion, advocaat bij de balie te Charleroi. Bij beschikking van 27 maart 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggeefsters Emmanuelle Bribosia en Joséphine Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven 2 dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Na een fiscale controle bij de nv « Entreprises Degauque » in de loop van 1999, verwerpt de fiscale administratie de aftrek, door de vennootschap, van bepaalde bijdragen voor de financiering van een aanvullend pensioen ten gunste van twee bestuurders en vestigt zij ter zake subsidiaire aanslagen. Na de verwerping van haar bezwaar tegen die subsidiaire aanslagen door de gewestelijke directeur van de belastingen, dient de nv « Entreprises Degauque » een verzoekschrift in bij de Rechtbank van eerste aanleg Henegouwen, afdeling Bergen, die bij vonnis van 16 september 2009 onder meer de subsidiaire aanslag voor het aanslagjaar 1999 nietig verklaart wegens het niet verzenden van een bericht van wijziging. Het vonnis van 16 september 2009 wordt niet betekend. Op 25 september 2013 betekent de Belgische Staat aan de nv « Entreprises Degauque » een verzoekschrift tot geldigverklaring van een subsidiaire aanslag voor het aanslagjaar 1999, overeenkomstig artikel 356 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna : het WIB 1992), zoals van toepassing vóór de wijziging ervan bij de wet van 22 december 2009 « houdende fiscale bepalingen » (hierna : de wet van 22 december 2009). Het verzoekschrift wordt op 7 oktober 2013 neergelegd ter griffie van de Rechtbank van eerste aanleg Henegouwen, afdeling Bergen. Bij vonnis van 20 februari 2020 verklaart die Rechtbank het verzoekschrift tot geldigverklaring van de subsidiaire aanslag niet ontvankelijk wegens de niet tijdige indiening ervan. Tegen dat vonnis stelt de Belgische Staat hoger beroep in bij het Hof van Beroep te Bergen. Het Hof van Beroep stelt vast dat artikel 356 van het WIB 1992 werd gewijzigd bij de wet van 22 december 2009, dat die laatste wet in werking is getreden op 10 januari 2010, dat die wet volgens artikel 3, eerste lid, ervan, van onmiddellijke toepassing is ongeacht het aanslagjaar, en dat artikel 3, tweede lid, ervan voorziet in een overgangsregeling voor de aanslagen die de rechter vóór de inwerkingtreding van de wet geheel of ten dele nietig heeft verklaard om een andere reden dan verjaring. Uit artikel 3, tweede lid, van de wet van 22 december 2009 leidt het Hof van Beroep af dat voor de toepassing van de overgangsregeling voldaan moet zijn aan ten minste twee voorwaarden : de rechterlijke beslissing tot nietigverklaring van de initiële aanslag moet vóór 10 januari 2010 zijn gewezen en het verzoekschrift tot geldigverklaring van de subsidiaire aanslag moet zijn ingediend binnen zes maanden na de datum waarop de rechterlijke beslissing tot nietigverklaring van de initiële aanslag in kracht van gewijsde is gegaan. Aan beide voorwaarden is volgens het Hof van Beroep in casu voldaan. Met verwijzing naar een artikel uit de rechtsleer voert de nv « Entreprises Degauque » echter aan dat voor de toepassing van de overgangsregeling ook is vereist dat het verzoekschrift tot geldigverklaring van een subsidiaire aanslag waarmee een nieuwe procedure wordt ingeleid, aan de belastingschuldige wordt betekend vóór 10 januari

  1. Het Hof van Beroep stelt vast dat andere rechtsleer evenals de rechtspraak dat standpunt niet volgen en dat de door de nv « Entreprises Degauque » aangevoerde voorwaarde aanleiding kan geven tot verschillen in behandeling onder belastingplichtigen, naargelang het verzoekschrift tot geldigverklaring van een subsidiaire aanslag aan de belastingplichtige wordt betekend vóór dan wel op of na 10 januari 2010, en naargelang van de datum van het vonnis waarbij de initiële aanslag nietig wordt verklaard. Het Hof van Beroep acht het vervolgens aangewezen de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag te stellen aan het Hof. 3 III. In rechte -A- A.1.
  2. De Ministerraad is in hoofdorde van oordeel dat de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft, daar het antwoord op die vraag niet nuttig is voor de oplossing van het geschil dat hangende is voor het verwijzende rechtscollege en daar die vraag steunt op een verkeerde interpretatie van de in het geding zijnde bepaling. A.1.
  3. De Ministerraad zet uiteen dat het verwijzende rechtscollege, na het hebben geoordeeld dat de in het geding zijnde bepaling op twee manieren kan worden geïnterpreteerd, heeft opgemerkt dat slechts een bepaalde rechtsleer steun biedt aan de interpretatie vervat in de prejudiciële vraag. Hij vervolgt dat uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat het verwijzende rechtscollege op zich niet instemt met die interpretatie, en de andere interpretatie, die de fiscale administratie voorstaat, evenmin afwijst. Hij meent overigens dat de grondwettigheid van de interpretatie die de fiscale administratie voorstaat, niet in twijfel kan worden getrokken, gelet op de arresten van het Hof nrs. 82/2011 van 18 mei 2011 (ECLI:BE:GHCC:2011:ARR.082) en 38/2014 van 27 februari 2014 (ECLI:BE:GHCC:2014:ARR.038). Het staat volgens de Ministerraad niet aan het Hof om een vraag te beantwoorden die, gelet op de motivering van de verwijzingsbeslissing, zuiver theoretisch is. A.1.
  4. De Ministerraad doet vervolgens gelden dat de prejudiciële vraag berust op het foute uitgangspunt dat de in het geding zijnde bepaling geen twee, maar drie voorwaarden stelt voor de toepassing van de erin vervatte overgangsregeling. Hij meent dat die bepaling volstrekt duidelijk is en slechts twee voorwaarden bevat : de rechterlijke beslissing tot nietigverklaring van de initiële aanslag moet vóór 10 januari 2010 zijn gewezen en het verzoekschrift tot geldigverklaring van de subsidiaire aanslag moet zijn ingediend binnen zes maanden na de datum waarop de rechterlijke beslissing tot nietigverklaring van de initiële aanslag in kracht van gewijsde is gegaan. Hij beklemtoont dat de rechtsleer die een andere interpretatie van de in het geding zijnde bepaling voorstaat, geïsoleerde rechtsleer is en dat andere rechtsleer en rechtspraak van oordeel is dat de in het geding zijnde bepaling slechts twee voorwaarden stelt. Hij wijst in dit kader erop dat de overgangsregeling vervat in de in het geding zijnde bepaling uitdrukkelijk toestaat dat wordt afgeweken van de regeling vervat in artikel 356 van het WIB 1992, zoals vervangen door artikel 2 van de wet van 22 december 2009, en dat die overgangsregeling beantwoordt aan de wensen van de wetgever die het, blijkens de parlementaire voorbereiding, van essentieel belang heeft geacht om een overgangsmaatregel te nemen ter bescherming van de rechten van de Schatkist. Hij meent dat het verwijzende rechtscollege aldus aan het Hof een wettelijke bepaling voorlegt in een interpretatie die kennelijk onjuist is. A.2.
  5. In ondergeschikte orde is de Ministerraad van oordeel dat de prejudiciële vraag bevestigend moet worden beantwoord. A.2.
  6. De Ministerraad wijst erop dat, hoewel de prejudiciële vraag geen melding maakt van de categorieën van personen die moeten worden vergeleken, uit de verwijzingsbeslissing kan worden afgeleid dat de in het geding zijnde bepaling, in de interpretatie vermeld in de prejudiciële vraag, verschillen in behandeling in het leven roept onder belastingplichtigen, naargelang het verzoekschrift tot geldigverklaring van een subsidiaire aanslag aan de belastingplichtige wordt betekend vóór dan wel op of na 10 januari 2010, en naargelang van de datum van het vonnis waarbij de initiële aanslag nietig wordt verklaard. De Ministerraad merkt op dat hij de desbetreffende overwegingen van het verwijzende rechtscollege onderschrijft. Hij wijst erop dat op grond van artikel 172 van de Grondwet noch de administratie, noch de rechterlijke macht een belastingvrijstelling of -vermindering kan toekennen, waardoor de vestiging van een aanslag en de vervanging van een aanslag die nietig werd verklaard om een andere reden dan verjaring, een verplichting vormen voor de fiscale administratie, die, overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Cassatie, niet ervoor kan kiezen om af te zien van de inning van de verschuldigde belastingen. A.2.
  7. De Ministerraad herinnert eraan dat artikel 356 van het WIB 1992 werd gewijzigd naar aanleiding van het arrest van het Hof nr. 158/2009 van 20 oktober 2009 (ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.158), waarbij werd geoordeeld dat het ontbreken van een aanslagtermijn tot gevolg heeft dat het rechtszekerheidsbeginsel wordt geschonden, aangezien de belastingplichtige voor onbepaalde tijd in het ongewisse blijft betreffende het betrokken aanslagjaar, zonder dat hij over een mogelijkheid beschikt om de procedure te bespoedigen. Hij wijst erop dat artikel 356 van het WIB 1992, zoals vervangen bij artikel 2 van de wet van 22 december 2009, voortaan bepaalt dat de administratie, in geval van een nietigverklaring van de aanslag, verplicht is om binnen zes maanden na de rechterlijke beslissing van nietigverklaring, een subsidiaire aanslag aan de rechter voor te leggen. Hij wijst eveneens erop dat de in het geding zijnde bepaling voorziet in een overgangsregeling op grond waarvan, voor de 4 aanslagen die de rechter vóór de inwerkingtreding van de wet van 22 december 2009 nietig heeft verklaard, de subsidiaire aanslagen die voorgelegd worden na de sluiting van de debatten, geldig aan het oordeel van de rechter onderworpen zijn op voorwaarde dat de procedure is ingeleid binnen zes maanden vanaf de rechterlijke uitspraak die in kracht van gewijsde is gegaan. Hij meent dat die overgangsbepaling beantwoordt aan het door de wetgever nagestreefde doel betreffende het vrijwaren van de rechten van de Schatkist. Hij wijst erop dat het Hof bij zijn arresten nrs. 81/2011 van 18 mei 2011 (ECLI:BE:GHCC:2011:ARR.081) en 38/2014 heeft geoordeeld dat de overgangsbepaling niet in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel en met het beginsel van gelijkheid en niet- discriminatie. A.2.
  8. Volgens de Ministerraad leidt de interpretatie van de in het geding zijnde bepaling die aan het Hof wordt voorgelegd - interpretatie die inhoudt dat aan de voorwaarden die die bepaling voor haar toepassing stelt, een voorwaarde wordt toegevoegd - tot een schending van de artikelen 170 en 172 van de Grondwet. Bovendien zou een dergelijke interpretatie volgens hem met zich meebrengen dat de in het geding zijnde bepaling niet kan worden toegepast ten aanzien van bepaalde belastingplichtigen, die daardoor aan de desbetreffende belasting ontsnappen - meer bepaald wanneer het verzoekschrift tot geldigverklaring van een subsidiaire aanslag wordt betekend op of na 10 januari 2010 of wanneer de administratie, gelet op de datum van het vonnis betreffende de nietigverklaring van de initiële aanslag en de datum van de inwerkingtreding van de wet van 22 december 2009, over onvoldoende tijd beschikt om een verzoekschrift tot geldigverklaring te laten betekenen -, terwijl die bepaling ten aanzien van andere belastingplichtigen wel van toepassing zou zijn. A.3.
  9. De nv « Entreprises Degauque » leidt uit de woorden van de in het geding zijnde bepaling af dat de erin vervatte overgangsregeling van toepassing is op de subsidiaire aanslagen die overeenkomstig het vroegere artikel 356 van het WIB 1992 aan de rechter worden voorgelegd tussen het sluiten van de debatten over de wettigheid van de initiële aanslag en de inwerkingtreding van de wet van 22 december 2009 op 10 januari
  10. Het is dus volgens haar niet de bedoeling dat de overgangsregeling van toepassing is op alle rechterlijke beslissingen die nog niet definitief zijn geworden, maar enkel op de beslissingen die vóór 10 januari 2010 zijn genomen en naar aanleiding waarvan de administratie een verzoekschrift tot geldigverklaring van een subsidiaire aanslag heeft neergelegd overeenkomstig het vroegere artikel 356 van het WIB
  11. Zij is van mening dat er anders over oordelen een terugkeer zou inhouden naar de vroegere regeling, die door het Hof ongrondwettig werd verklaard op grond van het feit dat er geen termijn was vastgesteld waarbinnen de subsidiaire aanslag aan de rechter diende te worden voorgelegd. A.3.
  12. De nv « Entreprises Degauque » is van oordeel dat uit de rechtsleer en de parlementaire voorbereiding blijkt dat de in het geding zijnde bepaling de administratie niet toelaat om na 10 januari 2010 nog een verzoekschrift tot geldigverklaring van een subsidiaire aanslag aan de belastingplichtige te betekenen overeenkomstig het vroegere artikel 356 van het WIB
  13. Volgens haar heeft de in het geding zijnde bepaling enkel tot doel om de verzoekschriften tot geldigverklaring van subsidiaire aanslagen die vóór 10 januari 2010 werden betekend, wettig te verklaren. Zij meent dat de in het geding zijnde bepaling dus drie voorwaarden stelt voor de toepassing van de erin vervatte overgangsregeling : de rechterlijke beslissing tot nietigverklaring van de initiële aanslag moet vóór 10 januari 2010 zijn gewezen, het verzoekschrift tot geldigverklaring van de subsidiaire aanslag moet aan de belastingschuldige zijn betekend vóór 10 januari 2010 en het verzoekschrift tot geldigverklaring moet zijn ingediend binnen zes maanden na de datum waarop de rechterlijke beslissing tot nietigverklaring van de initiële aanslag in kracht van gewijsde is gegaan. A.
  14. Volgens de nv « Entreprises Degauque » roept de in het geding zijnde bepaling, in de voormelde interpretatie, geen enkel verschil in behandeling in het leven onder belastingplichtigen. Zij meent dat geen enkele belastingplichtige aan belastingheffing ontsnapt, daar de overgangsregeling logischerwijze van toepassing is op rechterlijke uitspraken en aanslagen die dateren van vóór de inwerkingtreding van de wet van 22 december 2009, terwijl het nieuwe artikel 356 van het WIB 1992 van toepassing is op de aanslagen die dateren van na de inwerkingtreding van de wet van 22 december
  15. Er zou volgens haar een verschil in behandeling onder belastingplichtigen in het leven zijn geroepen indien er geen overgangsregeling had bestaan. 5 -B- B.
  16. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de overgangsbepaling van artikel 3, tweede lid, van de wet van 22 december 2009 « houdende fiscale bepalingen » (hierna : de wet van 22 december 2009), die luidt : « In afwijking van artikel 2 en voor de aanslagen die de rechter vóór de inwerkingtreding van deze wet geheel of ten dele nietig heeft verklaard, om een andere reden dan verjaring, worden de subsidiaire aanslagen die voorgelegd worden na de sluiting van de debatten door een aan de belastingschuldige betekend verzoekschrift overeenkomstig artikel 356 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 zoals het bestond voor het is gewijzigd door artikel 2 van deze wet of artikel 261 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1964, geldig aan het oordeel van de rechter onderworpen op voorwaarde dat de procedures zijn ingeleid binnen zes maanden vanaf de rechterlijke uitspraak die in kracht van gewijsde is gegaan. Deze bepaling is onmiddellijk van toepassing ». B.2.
  17. Artikel 356 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna : het WIB 1992), zoals vervangen bij artikel 2 van de wet van 22 december 2009, bepaalt : « Wanneer tegen een beslissing van de directeur van de belastingen of van de door hem gedelegeerde ambtenaar een vordering in rechte is ingesteld en de rechter de aanslag geheel of ten dele nietig verklaart, om een andere reden dan verjaring, blijft de zaak gedurende een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de rechterlijke beslissing ingeschreven op de rol. Gedurende die termijn van zes maanden die de termijnen om verzet of hoger beroep aan te tekenen of om een voorziening in cassatie in te dienen schorst, kan de administratie een subsidiaire aanslag door middel van conclusies aan het oordeel van de rechter onderwerpen op naam van dezelfde belastingschuldige en op grond van alle of een deel van dezelfde belastingelementen als de initiële aanslag. […] ». B.2.
  18. Artikel 356 van het WIB 1992 vindt zijn oorsprong in artikel 32 van de wet van 20 augustus 1947 « waarbij wijzigingen worden gebracht : a) aan de wetten en besluiten betreffende de inkomstenbelastingen en de nationale crisisbelasting; b) aan de wetten en besluiten betreffende de met de directe belastingen gelijkgestelde taxes » (hierna : de wet van 20 augustus 1947). Die bepaling werd later overgenomen in de artikelen 260 en 261 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1964 (hierna : het WIB 1964), thans de artikelen 355 en 356 van het WIB
  19. 6 Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 20 augustus 1947 blijkt dat de wetgever de bedoeling had « te voorkomen dat de Staat verstoken blijft van rechtmatig verschuldigde belastingen waarvan de vestigingstitel ingevolge reclamatiën en beroepen gansch of gedeeltelijk te niet werd gedaan door beslissingen welke slechts definitief werden getroffen na het verstrijken van den voor het vestigen van deze belastingen gestelden wettelijken termijn » (Parl. St., Kamer, 1946-1947, nr. 59, p. 24). Bijgevolg, « wanneer de Administratie in de toepassing der wetten een vergissing heeft begaan, moet de billijke verdeeling van de fiscale lasten daardoor niet worden beïnvloed, behalve wanneer de belastingplichtige het voordeel van het rechtsverval heeft verkregen » (ibid., pp. 24-25). Het zou immers onrechtvaardig zijn geweest tegenover de gemeenschap indien de Staat zou worden beroofd van de aanslagen die hem rechtmatig verschuldigd zijn, « ten gevolge van de verkeerde, hoewel begrijpelijke, interpretatie van de ambtenaar-aanslager », met andere woorden « dat een belastingplichtige, dankzij een verkeerde beoordeling, de door hem rechtmatig verschuldigde belasting zou kunnen ontduiken » (Parl. St., Kamer, 1946-1947, nr. 407, p. 58). B.
  20. Uit artikel 356 van het WIB 1992, zoals vervangen bij artikel 2 van de wet van 22 december 2009, blijkt dat de wetgever een termijn van zes maanden heeft ingevoerd binnen welke de fiscale administratie een subsidiaire aanslag kan indienen na een rechterlijke beslissing tot vernietiging van een aanslag om een andere reden dan verjaring. Aldus is de wetgever tegemoetgekomen aan het arrest van het Hof nr. 158/2009 van 20 oktober 2009 (ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.158), waarin het heeft geoordeeld dat het ontbreken van enige termijn, in het voorheen geldende artikel 356 van het WIB 1992, voor de fiscale administratie om een subsidiaire aanslag in te dienen na een vernietiging van de bestreden aanslag door de rechter, afbreuk deed aan het rechtszekerheidsbeginsel, terwijl artikel 355 van dat Wetboek de fiscale administratie toestaat een nieuwe aanslag te vestigen binnen een termijn van drie maanden nadat de beslissing tot vernietiging van een aanslag, genomen door de directeur van de belastingen of door de door hem gedelegeerde ambtenaar, niet meer voor de rechter kan worden gebracht. Krachtens artikel 3, eerste lid, van de wet van 22 december 2009 is het nieuwe artikel 356 van het WIB 1992 onmiddellijk van toepassing ongeacht het aanslagjaar. 7 Artikel 3, tweede lid, van de wet van 22 december 2009 houdt een overgangsregeling in voor de aanslagen die de rechter vóór de inwerkingtreding van de wet van 22 december 2009 geheel of ten dele nietig heeft verklaard, om een andere reden dan verjaring. De wet van 22 december 2009 is in werking getreden op 10 januari
  21. B.4.
  22. Het Hof wordt gevraagd of artikel 3, tweede lid, van de wet van 22 december 2009, in de interpretatie dat het voor de toepassing ervan vereist dat het verzoekschrift tot geldigverklaring van een subsidiaire aanslag dat een nieuw geding inleidt, is betekend vóór 10 januari 2010, bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.4.
  23. Het onderzoek van de bestaanbaarheid van een wetsbepaling met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, gewaarborgd door de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, veronderstelt onder meer de precieze identificatie van twee categorieën van personen die het voorwerp uitmaken van een verschillende of een gelijke behandeling. De bewoordingen van de prejudiciële vraag waarin het Hof wordt verzocht een dergelijk onderzoek te verrichten, en minstens de motieven van de verwijzingsbeslissing, moeten dus de elementen bevatten die voor die identificatie nodig zijn. Het staat niet aan het Hof de grondwettigheid te onderzoeken van een verschil in behandeling of van een gelijke behandeling van twee categorieën van personen waarvan het zelf de contouren zou moeten bepalen. B.4.
  24. Te dezen vermeldt de prejudiciële vraag niet welke categorieën van personen met elkaar dienen te worden vergeleken. Uit de verwijzingsbeslissing kan evenwel worden afgeleid dat het verwijzende rechtscollege het Hof verzoekt zich uit te spreken over verschillen in behandeling die de in het geding zijnde bepaling, in de voormelde interpretatie, in het leven roept onder belastingplichtigen, naargelang het verzoekschrift tot geldigverklaring van een subsidiaire aanslag aan de belastingplichtige wordt betekend vóór dan wel op of na 10 januari 2010 en naargelang de rechterlijke beslissing waarbij de initiële aanslag nietig wordt verklaard al dan niet kort vóór 10 januari 2010 wordt gewezen. 8 B.
  25. De Ministerraad voert aan dat de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft, daar het verwijzende rechtscollege de in het geding zijnde bepaling niet zelf interpreteert en zich de in de prejudiciële vraag vervatte interpretatie van die bepaling niet eigen maakt. Hij meent dat het antwoord op die vraag aldus niet nuttig is voor de oplossing van het geschil dat hangende is voor dat rechtscollege. Hij voert eveneens aan dat de prejudiciële vraag steunt op een interpretatie van de in het geding zijnde bepaling die kennelijk verkeerd is en dat die vraag ook om die reden geen antwoord behoeft. B.
  26. In de regel komt het het verwijzende rechtscollege toe te oordelen of het antwoord op de prejudiciële vraag nuttig is voor het oplossen van het geschil. Alleen indien dat klaarblijkelijk niet het geval is, kan het Hof beslissen dat de vraag geen antwoord behoeft. Zoals het Hof heeft geoordeeld bij zijn arrest nr. 164/2011 van 20 oktober 2011 (ECLI:BE:GHCC:2011:ARR.164), is het niet vereist dat het verwijzende rechtscollege ter gelegenheid van de beoordeling van de nuttigheid van het antwoord op de prejudiciële vraag voor het oplossen van het geschil, reeds een beslissende keuze maakt voor een bepaalde interpretatie van de in het geding zijnde bepaling. De omstandigheid dat het verwijzende rechtscollege zich de in de prejudiciële vraag vervatte interpretatie van de in het geding zijnde bepaling niet eigen heeft gemaakt, brengt aldus niet met zich mee dat die vraag geen antwoord behoeft. B.7.
  27. Het staat in de regel aan het verwijzende rechtscollege om de bepalingen die het toepast, te interpreteren, onder voorbehoud van een kennelijk verkeerde lezing van de in het geding zijnde bepaling. B.7.
  28. Volgens de bewoordingen van de in het geding zijnde bepaling vormt de erin vervatte regeling een « afwijking van artikel 2 » van de wet van 22 december 2009, dat artikel 356 van het WIB 1992 heeft vervangen. De in het geding zijnde bepaling kan, volgens de bewoordingen ervan, enkel toepassing vinden naar aanleiding van « aanslagen die de rechter vóór de inwerkingtreding van deze wet geheel of ten dele nietig heeft verklaard, om een andere reden dan verjaring ». Daar de wet 9 van 22 december 2009 in werking is getreden op 10 januari 2010 gaat het aldus om aanslagen die de rechter vóór die datum geheel of ten dele nietig heeft verklaard om een andere reden dan verjaring. De van artikel 356 van het WIB 1992 afwijkende regeling houdt in dat de subsidiaire aanslagen die aan de rechter voorgelegd worden « na de sluiting van de debatten door een aan de belastingschuldige betekend verzoekschrift overeenkomstig artikel 356 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 zoals het bestond voor het is gewijzigd door artikel 2 van deze wet of artikel 261 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1964 » geldig aan het oordeel van de rechter zijn onderworpen op voorwaarde dat de procedures zijn ingeleid « binnen zes maanden vanaf de rechterlijke uitspraak die in kracht van gewijsde is gegaan ». Volgens artikel 356, vierde lid, van het WIB 1992, in de versie ervan vóór de wijziging door artikel 2 van de wet van 22 december 2009, wordt de « subsidiaire aanslag […] aan het gerecht onderworpen door een aan de belastingschuldige betekend verzoekschrift ». Artikel 261, derde lid, van het WIB 1964 voorzag in een gelijksoortige regeling. B.7.
  29. Uit het voorgaande blijkt dat het voor de toepassing van de in het geding zijnde bepaling is vereist, ten eerste, dat de subsidiaire aanslag wordt gevestigd naar aanleiding van een initiële aanslag die de rechter vóór 10 januari 2010 geheel of ten dele nietig heeft verklaard om een andere reden dan verjaring, en, ten tweede, dat het verzoekschrift tot geldigverklaring van de subsidiaire aanslag aan de belastingschuldige wordt betekend binnen zes maanden vanaf het in kracht van gewijsde gaan van de rechterlijke uitspraak waarbij de initiële aanslag nietig is verklaard. B.7.
  30. Uit de in het geding zijnde bepaling blijkt niet dat voor de toepassing ervan is vereist dat het verzoekschrift tot geldigverklaring van een subsidiaire aanslag wordt betekend vóór 10 januari
  31. B.7.
  32. Bij zijn arrest nr. 81/2011 van 18 mei 2011 (ECLI:BE:GHCC:2011:ARR.081), dat werd gewezen naar aanleiding van een beroep tot vernietiging van de in het geding zijnde bepaling, heeft het Hof geoordeeld : 10 « B.4.
  33. De verzoekende partij betwist inzonderheid het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de termijn van ‘ zes maanden vanaf de rechterlijke uitspraak die in kracht van gewijsde is gegaan ’, waarin de bestreden bepaling voorziet. Het verschil in behandeling bestaat erin dat, voor de ene categorie van belastingplichtigen, de termijn van zes maanden vanaf de in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak reeds is verstreken op het ogenblik dat de wet van 22 december 2009 in werking treedt, terwijl dat voor de andere categorie van belastingplichtigen niet het geval is. Die laatste categorie kan, in tegenstelling tot de eerste categorie, nog het voorwerp zijn van een subsidiaire aanslag die de administratie aan het oordeel van de rechter onderwerpt. Door het invoeren van de betwiste termijn heeft de wetgever een billijk evenwicht tot stand gebracht tussen het belang dat elke belastingaanslag die strijdig is met het recht moet kunnen worden hersteld en de bekommernis om de belastingplichtige niet voor onbepaalde tijd over die aanslag in het ongewisse te laten. Het verschil in behandeling dat uit die termijn voortvloeit is niet kennelijk onredelijk ». B.7.
  34. Daaruit volgt dat het Hof heeft geoordeeld dat de categorie van belastingplichtigen voor wie de termijn van zes maanden vanaf de in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak nog niet is verstreken op het ogenblik van de inwerkingtreding van de wet van 22 december 2009, zijnde 10 januari 2010, volgens de in het geding zijnde bepaling nog het voorwerp kan uitmaken « van een subsidiaire aanslag die de administratie aan het oordeel van de rechter onderwerpt ». Daar volgens artikel 356, vierde lid, van het WIB 1992, in de versie vóór de wijziging ervan door artikel 2 van de wet van 22 december 2009, de subsidiaire aanslag aan het gerecht wordt onderworpen door een aan de belastingschuldige betekend verzoekschrift, is het Hof aldus ervan uitgegaan dat het voor de toepassing van de in het geding zijnde bepaling niet is vereist dat het verzoekschrift tot geldigverklaring van een subsidiaire aanslag wordt betekend vóór 10 januari
  35. B.7.
  36. Bij zijn arrest nr. 81/2011, waarmee het beroep tegen de in het geding zijnde bepaling werd verworpen, heeft het Hof impliciet maar zeker geoordeeld dat die bepaling niet de draagwijdte heeft die in de te dezen gestelde prejudiciële vraag eraan wordt gegeven. B.
  37. Daar de prejudiciële vraag steunt op een lezing van de in het geding zijnde bepaling die kennelijk verkeerd is, behoeft die vraag geen antwoord. 11 Om die redenen, Het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 30 mei
  38. De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.058 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.158 ECLI:BE:GHCC:2011:ARR.081 ECLI:BE:GHCC:2011:ARR.082 ECLI:BE:GHCC:2011:ARR.164 ECLI:BE:GHCC:2014:ARR.038 geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.054 ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.006 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.