id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 30 mei 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.060 Arrest- Rolnummer: 60/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-08-08 Raadplegingen: 256 - laatst gezien 2026-06-14 19:36 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen betreffende artikel 339, derde lid, van de programmawet (I) van 24 december 2002, zoals dat artikel werd vervangen bij artikel 15 van het decreet van het Waalse Gewest van 2 februari 2017 « betreffende de steun voor tewerkstelling ten behoeve van de doelgroepen » en vóór de vervanging ervan bij artikel 261 van het decreet van het Waalse Gewest van 21 december 2022 « houdende de algemene uitgavenbegroting van het Waalse Gewest voor het begrotingsjaar 2023 », gesteld door het Arbeidshof te Luik, afdeling Luik. Sociaal recht - Sociale zekerheid - Werkgeversbijdragen - Doelgroepvermindering - Werknemers die ten minste 55 jaar oud zijn - Einde van de toekenning - Wettelijke pensioenleeftijd Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 60/2024 van 30 mei 2024 Rolnummer : 8077 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 339, derde lid, van de programmawet (I) van 24 december 2002, zoals dat artikel werd vervangen bij artikel 15 van het decreet van het Waalse Gewest van 2 februari 2017 « betreffende de steun voor tewerkstelling ten behoeve van de doelgroepen » en vóór de vervanging ervan bij artikel 261 van het decreet van het Waalse Gewest van 21 december 2022 « houdende de algemene uitgavenbegroting van het Waalse Gewest voor het begrotingsjaar 2023 », gesteld door het Arbeidshof te Luik, afdeling Luik. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij arrest van 4 september 2023, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 13 september 2023, heeft het Arbeidshof te Luik, afdeling Luik, de volgende prejudiciële vragen gesteld : «
- Schendt artikel 339, derde lid, van de programmawet (I) van 24 december 2002, zoals gewijzigd bij artikel 15 van het decreet van het Waalse Gewest van 2 februari 2017 ‘ betreffende de steun voor tewerkstelling ten behoeve van de doelgroepen ’ (Belgisch Staatsblad 16 maart 2017), in de versie die van toepassing is op het onderhavige geschil, artikel 23 van de Grondwet en de in die tekst opgelegde standstill-verplichting, geïnterpreteerd in het licht van artikel 12, punt 1, van het herziene Europees Sociaal Handvest, in zoverre die bepaling ertoe heeft geleid dat de toekenning van de doelgroepvermindering ‘ oudere werknemers ’ wordt geschrapt vanaf de eerste dag van het kwartaal volgend op het kwartaal waarin de werknemer de wettelijke pensioenleeftijd bereikt (met andere woorden, in zoverre dat artikel erin voorziet dat de vermindering van de sociale werkgeversbijdragen ten voordele van de werknemers die ouder zijn dan 55 jaar (‘ doelgroepvermindering voor oudere werknemers ’) niet meer van toepassing is vanaf de eerste dag van het kwartaal volgend op het 2 kwartaal waarin de werknemer de wettelijke pensioenleeftijd bereikt), terwijl in de oorspronkelijke versie van die bepaling geen leeftijdsgrens was bepaald voor de toekenning van die vermindering, ongeacht of de werknemer al dan niet reeds was aangeworven op het ogenblik dat die bepaling in werking trad ?
- Schendt artikel 339, derde lid, van de programmawet (I) van 24 december 2002, zoals gewijzigd bij artikel 15 van het decreet van het Waalse Gewest van 2 februari 2017 ‘ betreffende de steun voor tewerkstelling ten behoeve van de doelgroepen ’ (Belgisch Staatsblad 16 maart 2017), in de versie die van toepassing is op het onderhavige geschil, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, waarbij die bepalingen al dan niet in onderlinge samenhang worden gelezen, en eventueel in samenhang worden gelezen met het Europees Sociaal Handvest en met name de artikelen 1 en 23 ervan, in zoverre die bepaling : - de toekenning van de doelgroepvermindering ‘ oudere werknemers ’ schrapt vanaf de eerste dag van het kwartaal volgend op het kwartaal waarin de werknemer de wettelijke pensioenleeftijd bereikt (met andere woorden, in zoverre dat artikel erin voorziet dat de vermindering van de sociale werkgeversbijdragen ten voordele van de werknemers die ouder zijn dan 55 jaar (‘ doelgroepvermindering voor oudere werknemers ’) niet meer van toepassing is vanaf de eerste dag van het kwartaal volgend op het kwartaal waarin de werknemer de wettelijke pensioenleeftijd bereikt), terwijl de werknemer die de wettelijke pensioenleeftijd nog niet heeft bereikt het voordeel van die tegemoetkoming kan genieten; - en aldus, enerzijds, de werknemers ouder dan 55 jaar die de wettelijke pensioenleeftijd nog niet hebben bereikt, en, anderzijds, de werknemers ouder dan 55 jaar die de wettelijke pensioenleeftijd wel hebben bereikt op verschillende wijze behandelt, waardoor aldus een verschil in behandeling wordt ingevoerd dat uitsluitend op de leeftijd is gebaseerd ? ». Memories zijn ingediend door : - de bv « Tihon, Association d’Avocats » en Jocelyne Leclercq, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Fatima Omari, advocate bij de balie Luik-Hoei; - de Waalse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Sébastien Depré en Mr. Megi Bakiasi, advocaten bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 28 februari 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Michel Pâques en Yasmine Kherbache te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Een advocatenvennootschap werft een persoon aan met een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur op 1 augustus
- Van het derde kwartaal 2017 tot het derde kwartaal 2019 geniet de bediende doelgroepverminderingen voor de werknemers die ouder zijn dan 55 jaar op grond van artikel 339 van de programmawet (I) van 24 december
- De bediende bereikt de leeftijd van 65 jaar in augustus
- Zij verzoekt het voordeel van een rustpensioen, maar blijft werken voor de advocatenvennootschap. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ) beslist dat de bediende niet langer recht heeft op de bijdrageverminderingen om reden dat zij de wettelijke pensioenleeftijd heeft bereikt, en dat de advocatenvennootschap voortaan bijdragen moet betalen tegen het volle tarief. De advocatenvennootschap en haar bediende betwisten die beslissing voor de Arbeidsrechtbank te Luik. Bij een vonnis van 8 november 2021 oordeelt die Rechtbank dat het beroep ongegrond is. De advocatenvennootschap en haar bediende stellen voor het Arbeidshof te Luik hoger beroep in tegen dat vonnis. Het Arbeidshof is van oordeel dat het feit dat de doelgroepvermindering « oudere werknemers » door artikel 15 van het decreet van het Waalse Gewest van 2 februari 2017 « betreffende de steun voor tewerkstelling ten behoeve van de doelgroepen » (hierna : het decreet van 2 februari 2017) wordt opgeheven vanaf de eerste dag van het kwartaal volgend op het kwartaal waarin de werknemer de wettelijke pensioenleeftijd heeft bereikt, de in artikel 23 van de Grondwet vervatte standstill-verplichting zou kunnen schenden. Die opheffing zou een aanzienlijke achteruitgang kunnen vormen van het beschermingsniveau van de rechten, in zoverre zij het voor een persoon die de wettelijke pensioenleeftijd heeft bereikt moeilijker maakt om toegang te krijgen tot werk en om aan het werk te blijven. Het Arbeidshof oordeelt eveneens dat de in het geding zijnde bepaling discriminerend zou kunnen zijn ten opzichte van de werknemers die de wettelijke pensioenleeftijd hebben bereikt. Het Arbeidshof stelt aan het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vragen. III. In rechte -A- Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag A.
- De appellanten voor het verwijzende rechtscollege beklemtonen dat de wijziging van artikel 339 van de programmawet (I) van 24 december 2002 bij artikel 15 van het decreet van 2 februari 2017 het toepasselijke beschermingsniveau heeft verminderd, aangezien de werknemers die de wettelijke pensioenleeftijd hadden bereikt voorheen recht hadden op de doelgroepverminderingen voor oudere werknemers. Die achteruitgang is aanzienlijk, daar het bedrag van de bijdragevermindering 800 euro bedraagt voor een werknemer die ten minste 65 jaar oud is tijdens het laatste kwartaal, en wordt zowel door de bediende als door de werkgever ondergaan. Volgens de appellanten voor het verwijzende rechtscollege berust die achteruitgang niet op redenen van algemeen belang. Het doel van de decreetgever is om werkgevers ertoe aan te zetten werknemers in dienst te nemen of te houden teneinde het aantal werkzoekenden te doen dalen. De opheffing van de maatregel voor de werknemers die de wettelijke pensioenleeftijd hebben bereikt, is niet relevant met het oog op de verwezenlijking van dat doel. Integendeel, de werkgever die een werknemer die de wettelijke pensioenleeftijd heeft bereikt, niet in dienst houdt, zal in de plaats daarvan niet ipso facto een ongeschoolde jongere werknemer aanwerven, maar kan evengoed een oudere werknemer aanwerven die hij enkel in dienst zou houden totdat die laatste de wettelijke pensioenleeftijd bereikt. Dat maakt het niet mogelijk de tewerkstellingsgraad op te trekken. Bovendien kan het feit dat de bediende een rustpensioen kan genieten, de maatregel niet verantwoorden, aangezien die maatregel zijn bij artikel 23 van de Grondwet gewaarborgde recht om te kunnen blijven werken, schendt. Tot slot is de in het geding zijnde maatregel onevenredig met het nagestreefde doel. A.2.
- De Waalse Regering voert aan dat de in het geding zijnde maatregel geen bij artikel 23 van de Grondwet verboden aanzienlijke achteruitgang vormt van het beschermingsniveau, aangezien hij geen banenverlies of een derving van beroepsinkomsten met zich meebrengt voor de werknemers die de wettelijke 4 pensioenleeftijd hebben bereikt. Die werknemers kunnen hun beroepsinkomsten blijven cumuleren met hun rustpensioen. Een werkgever die tot een ontslag zou overgaan alleen om de reden dat de doelgroepvermindering niet langer van toepassing is op de werknemer die de wettelijke pensioenleeftijd heeft bereikt, zou overigens de wetgeving inzake niet-discriminatie schenden. Ten slotte wordt de vermindering van het beschermingsniveau op het gebied van de steun voor tewerkstelling gecompenseerd door de bescherming die door het pensioenstelsel wordt gewaarborgd. A.2.
- De Waalse Regering betoogt dat de in het geding zijnde bepaling in ieder geval wordt verantwoord door redenen van algemeen belang, namelijk het verhogen van de tewerkstellingsgraad rekening houdend met de bestaande begrotingsperken. Het gebeurt vaak dat de wetgever wat betreft het arbeids- en socialezekerheidsrecht een verschil in behandeling invoert onder de werknemers naargelang zij al dan niet de wettelijke pensioenleeftijd hebben bereikt (zie met betrekking tot werkloosheids- en arbeidsongeschiktheidsuitkeringen). Tot slot streeft de wetgever een legitiem doel na wanneer hij de voordelen inzake sociale zekerheid voorbehoudt aan de beroepsbevolking (zie arrest van het Hof nr. 100/2021 van 1 juli 2021, ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.100). De Waalse Regering voert vervolgens aan dat, wat betreft de doelstelling om de steun voor tewerkstelling te reorganiseren bij gelijkblijvende begrotingsperken, de beoordelingsmarge van de decreetgever ruimer is wanneer het een aangelegenheid betreft waarover sociaal overleg werd gepleegd, zoals te dezen. Die tweede doelstelling is legitiem. In het kader van een hervorming bij gelijkblijvende begrotingsperken is het feit dat de steun voor tewerkstelling wordt voorbehouden aan de oudere werknemers die de wettelijke pensioenleeftijd niet hebben bereikt, legitiem, aangezien zij, in tegenstelling tot de werknemers die de wettelijke pensioenleeftijd wel hebben bereikt, geen rustpensioen kunnen genieten. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag A.
- De appellanten voor het verwijzende rechtscollege zijn van mening dat de werknemers van de twee in de tweede prejudiciële vraag vermelde categorieën zich in vergelijkbare situaties bevinden, in zoverre het in beide gevallen gaat om oudere personen die willen blijven werken. De personen die de wettelijke pensioenleeftijd hebben bereikt, worden gediscrimineerd op grond van leeftijd. Er is geen enkele reden om verschillende regelingen in te stellen naargelang de werknemer 64 of 65 jaar oud is. Bovendien volstaat het loutere feit van de toegang tot het pensioen niet om de opheffing van de bijdragevermindering te verantwoorden. De appellanten voor het verwijzende rechtscollege zetten een argumentatie uiteen die analoog is aan die welke in antwoord op de eerste prejudiciële vraag werd uiteengezet. A.4.
- De Waalse Regering voert aan dat de twee door het verwijzende rechtscollege aangehaalde categorieën van personen niet voldoende vergelijkbaar zijn, aangezien de personen die de wettelijke pensioenleeftijd hebben bereikt, recht hebben op een rustpensioen, waardoor zij over een inkomen beschikken, terwijl de personen die de wettelijke pensioenleeftijd niet hebben bereikt, in beginsel geen ander inkomen hebben. A.4.
- De Waalse Regering betoogt dat het verschil in behandeling hoe dan ook redelijk verantwoord is door de voormelde legitieme doelen. Het brengt geen onevenredige gevolgen teweeg, aangezien de werknemers die de pensioenleeftijd hebben bereikt, niet automatisch hun werk verliezen, hun beroepsinkomsten niet worden aangetast en die werknemers bovendien een rustpensioen kunnen genieten. De Waalse Regering vermeldt tot slot artikel 42 van het decreet van 2 februari 2017, dat de gevolgen van de in het geding zijnde bepaling verzacht. 5 -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling B.1.
- Artikel 339 van de programmawet (I) van 24 december 2002, zoals het van toepassing is op de aan het verwijzende rechtscollege voorgelegde zaak, bepaalt : « De Regering bepaalt de voorwaarden en de regels volgens welke een doelgroepvermindering toegekend kan worden aan de werknemer van categorie 1 bedoeld in artikel 330 die aan de minimale volgende voorwaarden voldoet : 1° op de laatste dag van het kwartaal minimaal minstens 55 jaar zijn; 2° een refertekwartaalloon lager dan de door de Regering bepaalde loongrens hebben. De vermindering is gelijk per kwartaal aan de bedragen die door de Regering respectievelijk bepaald worden voor de werknemers die op de laatste dag van het kwartaal minstens de leeftijd van 55 tot 57 jaar hebben bereikt, voor de werknemers die op de laatste dag van het kwartaal minstens de leeftijd van 58 tot 61 jaar hebben bereikt en voor de werknemers die op de laatste dag van het kwartaal minstens 62 jaar zijn. De vermindering houdt op vanaf de eerste dag van het kwartaal volgend op het kwartaal waarin de werknemers de wettelijke pensioenleeftijd hebben bereikt. Met behoud van de toepassing van de voorwaarden, vermeld in het eerste en derde lid, wordt de doelgroepvermindering niet toegekend als de oudere werknemer in het volledige kwartaal geen effectieve arbeidsprestaties levert, behalve in geval van schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst als vermeld in de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, en bij de door de werkgever toegestane vrijstelling van prestaties tijdens de periode van opzegging, vermeld in artikel 37 van de voormelde wet. De Regering kan de minimale leeftijd van de in het eerste lid, 1°, bedoelde werknemers, de bedragen van de doelgroepvermindering en de leeftijdcategorieën wijzigen. Rekening houdende met de ontwikkeling van de arbeidsmarkt voor de betrokken werkzoekenden, met de economische groei en met de begroting kan de Regering ook het voordeel van de doelgroepvermindering uitbreiden tot werknemers van andere categorieën bedoeld in artikel 330 ». Het gaat om de bepaling die is ingevoerd bij artikel 15 van het decreet van het Waalse Gewest van 2 februari 2017 « betreffende de steun voor tewerkstelling ten behoeve van de doelgroepen » (hierna : het decreet van 2 februari 2017) en die is aangevuld bij artikel 9 van het programmadecreet van het Waalse Gewest van 17 juli 2018 « houdende verschillende maatregelen inzake tewerkstelling, vorming, economie, industrie, onderzoek, innovatie, digitale technologieën, leefmilieu, ecologische overgang, ruimtelijke ordening, openbare 6 werken, mobiliteit en vervoer, energie, klimaat, luchthavenbeleid, toerisme, landbouw, natuur, bossen, plaatselijke besturen en huisvesting », vóór de vervanging ervan bij artikel 261 van het decreet van het Waalse Gewest van 21 december 2022 « houdende de algemene uitgavenbegroting van het Waalse Gewest voor het begrotingsjaar 2023 ». De in het geding zijnde bepaling voorziet erin dat een « doelgroepvermindering » van werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid kan worden toegekend aan de werknemers die ten minste 55 jaar oud zijn. Het gaat om een stelsel van geleidelijk oplopende verminderingen. De Regering is ertoe gemachtigd het forfaitaire bedrag van de verminderingen vast te stellen op grond van drie leeftijdsgroepen : van 55 tot 57 jaar, van 58 tot 61 jaar en van 62 jaar tot de wettelijke pensioenleeftijd. De vermindering houdt op vanaf de eerste dag van het kwartaal volgend op dat kwartaal waarin de werknemers de wettelijke pensioenleeftijd hebben bereikt. B.1.
- Het decreet van 2 februari 2017 past binnen de hervorming van het Waalse Gewest inzake tewerkstellingssteun ten behoeve van de doelgroepen. Die hervorming komt neer op de invoering van drie soorten steun voor indienstneming, namelijk
(1)de werkuitkering voor laaggeschoolde of middelhoog geschoolde jonge werkzoekenden bij het begin van de uitvoering van een arbeidsovereenkomst,
(2)de werkuitkering voor langdurig werkzoekenden bij het begin van de uitvoering van een arbeidsovereenkomst en
(3)een vermindering van de werkgeversbijdragen om de aanwerving van oudere werknemers te bevorderen. B.1.3. Met de hervorming van de tewerkstellingssteun streeft de decreetgever ernaar « zich te richten op de werkzoekenden en werknemers die die steun het meest nodig hebben, en de ondernemingen die tewerkstellen en banen creëren te ondersteunen » (Parl. St., Waals Parlement, 2016-2017, nr. 698/10, p. 3). Over de in het geding zijnde bepaling wordt in de memorie van toelichting het volgende vermeld : « Hoofdstuk 3 bevat een belangrijke bepaling tot regeling van de vermindering van de socialezekerheidsbijdragen ten voordele van de werknemers die ouder zijn dan 55 jaar. Die bepaling vervangt het huidige artikel 339 van de programmawet van 24 december 2002 en wordt in die wet opgenomen om redenen van leesbaarheid en samenhang met de andere stelsels waarbij federale socialezekerheidsbijdragen worden verminderd. 7 Om de tewerkstellingsgraad te verhogen, lijkt het immers noodzakelijk te zijn in te zetten op het behoud van de oudere werknemers op de arbeidsmarkt, en de mogelijkheden tot aanwerving van oudere werkzoekenden te bevorderen. In 2014 bedroeg het aantal in Wallonië werkende werknemers van 55 jaar en ouder gemiddeld 94 241. De financiële stimulans bestaande in een vermindering van de werkgeversbijdragen is een belangrijke maatregel om de tewerkstellingsgraad voor die doelgroep te kunnen verhogen. De voorgestelde steun is erop gericht werknemers ouder dan 55 jaar aan het werk te krijgen en te houden in de particuliere profitsector en bestaat in een vermindering van de socialezekerheidsbijdragen ten belope van een door de Regering vast te stellen forfaitair en geleidelijk oplopend steunbedrag. Die vermindering wordt toegekend tot de wettelijke pensioenleeftijd van de werknemer. Het beginsel van een loongrens, dat thans een voorwaarde is voor de toegang tot die steun, wordt gehandhaafd, waarbij het idee is dat de vermindering eerst ten goede komt aan de laagste lonen » (Parl. St., Waals Parlement, 2016-2017, nr. 698/1, p. 5). In de commissie heeft de minister uiteengezet dat « op budgettair vlak, […] in overleg met de sociale partners, de steun voor tewerkstelling is gereorganiseerd bij gelijkblijvende begrotingsperken » en dat de hervorming « betreffende de steun voor tewerkstelling ten behoeve van de doelgroepen dus werd bepaald rekening houdend met de huidige begrotingsperken van de regelingen van tewerkstellingssteun », wat impliceert dat « de nieuwe steunmaatregelen zijn gekalibreerd rekening houdend met de begrotingsmiddelen die zijn vrijgekomen door het verdwijnen van de regelingen die zij thans vervangen of die zullen worden opgegeven, met inachtneming van de begrotingssituatie » (Parl. St., Waals Parlement, 2016-2017, nr. 698/10, p. 5). Wat betreft de steun aan de werknemers van 55 jaar of ouder « heeft de RSZ een simulatie van de nieuwe maatregel gemaakt door de nieuwe grenzen inzake leeftijd en bedrag, zoals bepaald in het ontwerp van hervorming van de tewerkstellingssteun, aan te passen, waarbij de andere parameters voor de configuratie van die steun (werkgevers die de steun genieten, loongrens) ongewijzigd bleven. Voor 2017 oordeelt de RSZ dat een bedrag van 88 750 518 euro nodig zou blijken om de evolutie van die maatregel, die meer dan 30 000 werknemers zou treffen, te dekken » (ibid.). De minister voegde eraan toe : « De Waalse Regering heeft deze hervorming uiteraard met een stabiele begrotingsmarge doorgevoerd, rekening houdend met alle enveloppen die voor de huidige steunmaatregelen worden gebruikt. Diezelfde marge zal opnieuw worden verdeeld over de nieuwe regelingen, die worden aangepast naargelang van de beschikbare middelen. Mevrouw de Minister bevestigt 8 dat de begrotingsenveloppe stabiel is, maar dat zij niet van plan is te besparen. Gelet op het huidige aantal werkzoekenden zou het ongelukkig zijn om, op dit ogenblik, de enveloppe ter ondersteuning van de creatie en het behoud van werkgelegenheid en van de activiteit van ondernemingen te reduceren » (ibid., p. 14). B.1.4. De prejudiciële vragen hebben betrekking op de regel volgens welke de werknemer die ten minste 55 jaar oud is, geen recht meer heeft op de vermindering wanneer hij de wettelijke pensioenleeftijd bereikt. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag B.2. Het verwijzende rechtscollege vraagt aan het Hof of de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 1 en 23 van het herziene Europees Sociaal Handvest, in zoverre zij erin voorziet dat de vermindering van de werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid ten voordele van de werknemers die ouder zijn dan 55 jaar, niet langer wordt toegekend vanaf de eerste dag van het kwartaal volgend op het kwartaal waarin de werknemers de wettelijke pensioenleeftijd hebben bereikt. Het verwijzende rechtscollege stelt aan het Hof in het bijzonder een vraag over het verschil in behandeling dat daaruit voortvloeit onder de werknemers die ouder zijn dan 55 jaar naargelang zij al dan niet de wettelijke pensioenleeftijd hebben bereikt, en dat enkel op de leeftijd is gebaseerd. B.3.1. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. 9 B.3.2. Artikel 1 van het herziene Europees Sociaal Handvest bepaalt : « Teneinde de onbelemmerde uitoefening van het recht op arbeid te waarborgen verbinden de Partijen zich : 1. de totstandbrenging en handhaving van een zo hoog en stabiel mogelijk werkgelegenheidspeil, met het oogmerk een volledige werkgelegenheid te verwezenlijken, als een hunner voornaamste doelstellingen en verantwoordelijkheden te beschouwen; 2. het recht van de werknemer om in zijn onderhoud te voorzien door vrijelijk gekozen werkzaamheden daadwerkelijk te beschermen; 3. kosteloze arbeidsbemiddelingsdiensten in te stellen of in stand te houden voor alle werknemers; 4. te zorgen voor doelmatige beroepskeuzevoorlichting, vakopleiding en revalidatie en deze te bevorderen ». Artikel 23 van hetzelfde Handvest bepaalt : « Teneinde de onbelemmerde uitoefening te waarborgen van het recht van ouderen op sociale bescherming, verbinden de Partijen zich ertoe, hetzij rechtstreeks, hetzij in samenwerking met openbare of particuliere instanties, passende maatregelen te nemen of te bevorderen die er met name op zijn gericht : - ouderen in staat te stellen zolang mogelijk volledig lid te blijven van de maatschappij door middel van :
- a)voldoende middelen om hen in staat te stellen een fatsoenlijk bestaan te leiden en actief deel te nemen aan het openbare, maatschappelijke en culturele leven;
- b)verschaffing van informatie over de diensten en voorzieningen beschikbaar voor ouderen en de mogelijkheden voor hen om hiervan gebruik te maken : - ouderen in staat te stellen vrijelijk hun levensstijl te kiezen en een onafhankelijk bestaan te leiden in hun gewone omgeving zolang zij dit wensen en kunnen, door middel van :
- a)het beschikbaar stellen van huisvesting aangepast aan hun behoeften en hun gezondheidstoestand, dan wel van passende bijstand bij de aanpassing van hun woning;
- b)de gezondheidszorg en diensten die in verband met hun toestand nodig zijn; - ouderen die in tehuizen wonen passende hulp, met respect voor het privé-leven, en deelname aan de vaststelling van de leefomstandigheden in het tehuis te verzekeren ». 10 B.4. In tegenstelling tot wat de Waalse Regering aanvoert, zijn de in de prejudiciële vraag vermelde categorieën van personen vergelijkbaar ten aanzien van de in het geding zijnde maatregel. In beide gevallen gaat het immers om oudere werknemers die blijven werken. B.5. Het verschil in behandeling berust op een objectief criterium, namelijk het feit of de betrokken werknemer al dan niet de wettelijke pensioenleeftijd heeft bereikt. B.6. Uit de in B.1.3 aangehaalde parlementaire voorbereiding blijkt dat de in het geding zijnde bepaling ertoe strekt « in te zetten op het behoud van de oudere werknemers op de arbeidsmarkt, en de mogelijkheden tot aanwerving van oudere werkzoekenden te bevorderen », teneinde de tewerkstellingsgraad bij die doelgroep te verhogen (Parl. St., Waals Parlement, 2016-2017, nr. 698/1, p. 5). Bovendien werd de hervorming met betrekking tot de steun voor tewerkstelling ten behoeve van de doelgroepen « bij gelijkblijvende begrotingsperken » vastgesteld (Parl. St., Waals Parlement, 2016-2017, nr. 698/10, pp. 5 en 14, en 17 januari 2017, C.R.I.C., nr. 81, p. 18). Het doel om werknemers die ouder zijn dan 55 jaar langer aan het werk te houden en om de tewerkstellingsgraad van die werknemers te verhogen bij gelijkblijvende begrotingsperken, is legitiem. B.7. Rekening houdend met de doelstelling om de tewerkstellingsgraad van oudere werknemers te verhogen bij een gelijkblijvende begroting, is de maatregel relevant in zoverre hij erop inzet werknemers die ten minste 55 jaar oud zijn aan het werk te houden en in zoverre hij alleen van toepassing is op de beroepsbevolking, namelijk op de werknemers die normaal gezien de leeftijd hebben om te gaan werken en die, aangezien zij de wettelijke pensioenleeftijd niet hebben bereikt, nog geen aanspraak kunnen maken op een pensioen. Voor het overige brengt de in het geding zijnde bepaling geenszins het bij artikel 1 van het herziene Europees Sociaal Handvest gewaarborgde recht in het geding dat de werknemer heeft om in zijn onderhoud te voorzien door vrijelijk gekozen werkzaamheden, noch het recht op sociale bescherming van de werknemers die de wettelijke pensioenleeftijd hebben bereikt, die kunnen blijven werken en wier recht op pensioen niet wordt aangetast. 11 B.8. De in het geding zijnde bepaling is bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 1 en 23 van het herziene Europees Sociaal Handvest. Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag B.9. Het verwijzende rechtscollege vraagt aan het Hof of de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar is met artikel 23 van de Grondwet, gelezen in het licht van artikel 12, punt 1, van het herziene Europees Sociaal Handvest, in zoverre die bepaling erin voorziet dat de vermindering van de werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid ten voordele van de werknemers die ouder zijn dan 55 jaar, niet langer wordt toegekend vanaf de eerste dag van het kwartaal volgend op het kwartaal waarin de werknemers de wettelijke pensioenleeftijd hebben bereikt, terwijl, vóór de wijziging ervan bij artikel 15 van het decreet van 2 februari 2017, geen leeftijdsgrens was bepaald voor de toekenning van die vermindering, en zulks « ongeacht of de werknemer al dan niet reeds was aangeworven op het ogenblik dat die bepaling in werking trad ». Het verwijzende rechtscollege vraagt of die maatregel de in artikel 23 van de Grondwet vervatte standstill-verplichting schendt. B.10.1. Artikel 23 van de Grondwet bepaalt dat ieder het recht heeft om een menswaardig leven te leiden. Daartoe waarborgen de onderscheiden wetgevers, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale en culturele rechten, waarvan ze de voorwaarden voor de uitoefening bepalen. Die rechten omvatten met name het recht op arbeid en het recht op sociale zekerheid (artikel 23, derde lid, 1° en 2°). Artikel 23 van de Grondwet bepaalt niet wat die rechten, waarvan enkel het beginsel wordt uitgedrukt, impliceren, waarbij elke wetgever ermee is belast die rechten te waarborgen, overeenkomstig het tweede lid van dat artikel, rekening houdend met de overeenkomstige plichten. Artikel 23 van de Grondwet bevat een standstill-verplichting die eraan in de weg staat dat de bevoegde wetgever het beschermingsniveau dat wordt geboden door de van toepassing zijnde wetgeving, in aanzienlijke mate vermindert zonder redelijke verantwoording. 12 B.10.2. In sociaaleconomische aangelegenheden beschikt de bevoegde wetgever over een ruime beoordelingsbevoegdheid om de maatregelen te bepalen die moeten worden genomen om de door hem vastgestelde doelstellingen te bereiken. Bovendien houdt het Hof bij zijn onderzoek ermee rekening dat het decreet van 2 februari 2017 het resultaat is van een « diepgaande reflectie » waarbij « verschillende actoren » werden betrokken, alsook van « langdurig overleg met de sociale partners » over de reorganisatie van de tewerkstellingssteun in het Waalse Gewest (Parl. St., Waals Parlement, 2016-2017, nr. 698/1, p. 3). B.10.3. Artikel 12, punt 1, van het herziene Europees Sociaal Handvest bepaalt : « Teneinde de onbelemmerde uitoefening van het recht op sociale zekerheid te waarborgen, verplichten de Partijen zich : […] een stelsel van sociale zekerheid in te voeren of in stand te houden ». B.11.1. De in het geding zijnde bepaling kan een achteruitgang inhouden van de bescherming van het recht op arbeid voor de werknemers die in aanmerking komen voor de vermindering van de sociale bijdragen en die een tewerkstelling beogen of die willen blijven werken na de wettelijke pensioenleeftijd te hebben bereikt. Het wegvallen van de stimulans om die oudere werknemers in dienst te nemen en aan het werk te houden zou ertoe kunnen leiden dat werkgevers de voorkeur eraan geven personen in dienst te nemen die deel uitmaken van een doelgroep die wel een dergelijke stimulans geniet. B.11.2. Zoals is vermeld in B.1.3, vloeit de in het geding zijnde maatregel voort uit de noodzaak om de hervorming van de tewerkstellingssteun binnen gelijkblijvende begrotingsperken te houden. Rekening houdend met die beleidsoptie kon de wetgever oordelen dat voorrang moest worden gegeven aan het aanmoedigen van de tewerkstelling van kwetsbare werknemers die behoren tot wat gewoonlijk omschreven wordt als de beroepsbevolking. Gesteld dat de maatregel een aanzienlijke achteruitgang van het beschermingsniveau van de in B.11.1 bedoelde categorie van personen zou kunnen meebrengen, is de maatregel alleszins in redelijkheid verantwoord. B.12. Het onderzoek van de in het geding zijnde bepaling in het licht van artikel 12, punt 1, van het herziene Europees Sociaal Handvest leidt niet tot een ander resultaat, aangezien de in 13 het geding zijnde bepaling niet tot gevolg heeft dat het socialezekerheidsstelsel wordt opgeheven voor de betrokken werknemers. B.13. De in het geding zijnde bepaling is bestaanbaar met artikel 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 12, punt 1, van het herziene Europees Sociaal Handvest. 14 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 339, derde lid, van de programmawet (I) van 24 december 2002, zoals dat artikel werd vervangen bij artikel 15 van het decreet van het Waalse Gewest van 2 februari 2017 « betreffende de steun voor tewerkstelling ten behoeve van de doelgroepen » en vóór de vervanging ervan bij artikel 261 van het decreet van het Waalse Gewest van 21 december 2022 « houdende de algemene uitgavenbegroting van het Waalse Gewest voor het begrotingsjaar 2023 », schendt niet de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 1, 12, punt 1, en 23 van het herziene Europees Sociaal Handvest. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 30 mei 2024. De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.060 Gerelateerde publicatie(
- s)citeert: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.100 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div