← België

ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.061

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 30 mei 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.061 Arrest- Rolnummer: 61/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-08-08 Raadplegingen: 290 - laatst gezien 2026-06-17 03:34 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag over artikel 20, § 7, van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 « betreffende het rijbewijs », gesteld door de Politierechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge. Voorafgaande rechtspleging - Prejudiciële vraag - Klaarblijkelijke onbevoegdheid van het Hof Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 61/2024 van 30 mei 2024 Rolnummer : 8182 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 20, § 7, van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 « betreffende het rijbewijs », gesteld door de Politierechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge. Het Grondwettelijk Hof, beperkte kamer, samengesteld uit voorzitter Luc Lavrysen en de rechters-verslaggevers Yasmine Kherbache en Michel Pâques, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 20 februari 2024, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 4 maart 2024, heeft de Politierechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 20, § 7 van het Koninklijk Besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs, de bepalingen over de fundamentele rechten en vrijheden gewaarborgd in titel II van de Grondwet, (met name de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet) en artikel 6.1 E.V.R.M. in de interpretatie dat deze bepaling enkel van toepassing is in geval van bouwplaatsen die op minder dan 5 kilometer van elkaar liggen ». Op 6 maart 2024 hebben de rechters-verslaggevers Yasmine Kherbache en Michel Pâques, met toepassing van artikel 71, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, de voorzitter ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht aan het Hof, zitting houdende in beperkte kamer, voor te stellen een arrest te wijzen waarin wordt vastgesteld dat de prejudiciële vraag klaarblijkelijk niet ontvankelijk is en dat ze klaarblijkelijk niet tot de bevoegdheid van het Hof behoort. Geen enkele memorie werd ingediend. 2 De bepalingen van voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en rechtspleging in het bodemgeschil Ralph Dobbelaere wordt voor de Politierechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, vervolgd voor het besturen van een voertuig zonder het vereiste rijbewijs CE. Artikel 20, § 7, van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 « betreffende het rijbewijs » voorziet in een uitzondering die in casu evenwel niet van toepassing is omdat het voertuig werd gebruikt voor een traject tussen twee loodsen. Dienvolgens stelt het verwijzende rechtscollege de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. III. In rechte -A- Er werden geen memories met verantwoording ingediend. -B- B.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 20, § 7, van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 « betreffende het rijbewijs ». B.2. Krachtens artikel 142, tweede lid, van de Grondwet en artikel 26, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof is het Hof bevoegd om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op vragen omtrent de schending, door een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel, van de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten, van de artikelen van titel II (« De Belgen en hun rechten ») en van de artikelen 143, § 1, 170, 172 en 191 van de Grondwet. 3 Het Hof is niet bevoegd om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de grondwettigheid van een koninklijk besluit dat, bij gebreke van bekrachtiging bij wet, geen wetskrachtige norm is. B.3. De prejudiciële vraag behoort dus klaarblijkelijk niet tot de bevoegdheid van het Hof. 4 Om die redenen, het Hof, beperkte kamer, met eenparigheid van stemmen uitspraak doende, stelt vast dat het Hof onbevoegd is om te antwoorden op de prejudiciële vraag. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 30 mei 2024. De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Luc Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.061 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.