← België

ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.062

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 20 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.062 Arrest- Rolnummer: 62/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-08-08 Raadplegingen: 548 - laatst gezien 2026-06-18 13:45 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche

  1. - Geen schending (artikel 2.3.14 van het Burgerlijk Wetboek, in zoverre het niet van toepassing is op de wettelijk samenwonenden) - Schending (ontstentenis van een wetsbepaling die erin voorziet dat wettelijk samenwonenden die een goed dat tot gezinswoning dient in onverdeeldheid hebben verworven, na de beëindiging van de wettelijke samenwoning kunnen verzoeken om de preferentiële toewijzing van dat goed)
  2. Schending (artikel 2.3.14, § 2, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, in zoverre het slachtoffer van een feit van partnergeweld niet het recht kan genieten om zich in principe de gezinswoning te laten toewijzen wanneer het openbaar ministerie gebruikmaakt van de procedure van artikel 216ter van het Wetboek van strafvordering en wanneer die procedure met succes is afgerond) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen betreffende artikel 2.3.14 van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de familierechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg Luik, afdeling Verviers. Burgerlijk recht - Wettelijke samenwoning - Beëindiging - Onroerend goed dat tot gezinswoning dient - Toewijzing bij voorrang - Slachtoffer van een feit van partnergeweld - Strafrechtelijke bemiddeling Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 62/2024 van 20 juni 2024 Rolnummer : 7955 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 2.3.14 van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de familierechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg Luik, afdeling Verviers. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 16 februari 2023, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 20 maart 2023, heeft de Rechtbank van eerste aanleg Luik, afdeling Verviers, de volgende prejudiciële vragen gesteld : « Is er geen sprake van een met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet strijdige discriminatie tussen de situatie van de echtgenoten die hebben gekozen voor een stelsel van scheiding van goederen en die van de personen die een verklaring van wettelijke samenwoning hebben afgelegd in zoverre de eerstgenoemden, rekening houdend met de bewoordingen van artikel 2.3.14 van het Burgerlijk Wetboek, kunnen verzoeken om de preferentiële toewijzing van het in onverdeeldheid verworven goed dat heeft gediend tot gezinswoning terwijl de laatstgenoemden dat niet kunnen, en dat terwijl tijdens het samenleven de bescherming van diezelfde woning in identieke bewoordingen is geformuleerd met betrekking tot die twee categorieën van personen (artikel 1477, § 2, van het oud Burgerlijk Wetboek, dat uitdrukkelijk verwijst naar artikel 215 van hetzelfde Wetboek) en terwijl die twee categorieën van personen, wanneer zij het slachtoffer zijn van een feit bedoeld in de artikelen 375, 398 tot 400, 402, 403 of 405 van het Strafwetboek, of van een poging om een feit te plegen als bedoeld in de artikelen 375, 393, 394 of 397 van hetzelfde Wetboek, of indien er ernstige aanwijzingen voor dergelijke gedragingen bestaan, bij de breuk dezelfde prerogatieven genieten in het kader van de voorlopige toewijzing van dezelfde woning (artikel 1253ter/5 van het Gerechtelijk Wetboek) ? 2 Indien die vraag bevestigend zou worden beantwoord, wenst de Rechtbank dat het Grondwettelijk Hof de volgende vraag onderzoekt : Schendt artikel 2.3.14, § 2, tweede zin, van het Burgerlijk Wetboek niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre, indien het openbaar ministerie voor een strafrechtelijke bemiddeling opteert, het slachtoffer van een feit bedoeld in de artikelen 375, 398 tot 400, 402, 405, 409, §§ 1 tot 3 en 5, en 422bis van het Strafwetboek of van een poging tot het plegen van een feit bedoeld in de artikelen 375, 393 tot 397, 401, 404 en 409, § 4, van hetzelfde Wetboek, niet de mogelijkheid heeft om zich te baseren op de tweede zin van de wetsbepaling, doordat het zich niet kan beroepen op een in kracht van gewijsde gegane beslissing ? ». Memories zijn ingediend door : - S.F., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Dominique Legrand, advocaat bij de balie te Verviers; - A.V., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Patrick Raxhon en Mr. Thierry Delobel, advocaten bij de balie te Verviers; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Sébastien Depré, Mr. Evrard de Lophem en Mr. Nissim Picard, advocaten bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 27 maart 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Magali Plovie en Willem Verrijdt te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De partijen voor het verwijzende rechtscollege, een man en een vrouw, hebben in 2010 een verklaring van wettelijke samenwoning ondertekend. Datzelfde jaar verwierven zij een goed dat als gezinswoning heeft gediend. Zij hebben drie kinderen. In 2019 en in 2021 diende de vrouwelijke partner, eisende partij voor het verwijzende rechtscollege, twee klachten in bij de politie wegens feiten van partnergeweld. Naar aanleiding van de eerste klacht heeft het openbaar ministerie de verwerende partij voor het verwijzende rechtscollege naar een strafrechtelijke bemiddeling verwezen. De partijen hebben elk een zaak aanhangig gemaakt bij de familierechtbank, om maatregelen te laten vaststellen. Die laatste heeft de procedures samengevoegd, heeft beslist over de maatregelen en heeft een notaris aangewezen om over te gaan tot de vereffening en de verdeling van het onverdeeld vermogen. 3 De notaris is van mening dat, in het huidige wetgevende kader, geen van de partijen de preferentiële toewijzing van de gezinswoning kan verkrijgen. Op verzoek van de eisende partij stelt de familierechtbank de bovenvermelde eerste prejudiciële vraag. Zij stelt op eigen initiatief de tweede prejudiciële vraag. Zij is van mening dat de eerste prejudiciële vraag onontbeerlijk is voor de oplossing van het geschil aangezien niet wordt aangetoond dat de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege zich niet zou kunnen beroepen op het mechanisme van de preferentiële toewijzing « los van de kwestie van het partnergeweld ». III. In rechte –A– A.1.
  3. De verwerende partij voor het verwijzende rechtscollege voert aan dat de in het geding zijnde bepalingen grondwettig zijn. Wat de eerste prejudiciële vraag betreft, is de verwerende partij voor het verwijzende rechtscollege van mening dat het met de intentie is de procedure te vertragen, dat de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege de toewijzing van de gezinswoning vraagt onder het voorwendsel van partnergeweld. De verwerende partij voor het verwijzende rechtscollege brengt in herinnering

(1)dat de artikelen 1447 tot 1469, en vervolgens artikel 1389/2, § 1, van het oud Burgerlijk Wetboek de wettelijk samenwonenden uitsloten van de preferentiële toewijzing,
(2)dat de wetgever een verschillend juridisch kader wilde vaststellen voor wettelijk samenwonenden en voor echtgenoten, en
(3)dat wettelijke samenwoning ook kan slaan op andere levenssituaties dan de situatie van een koppel. Bij zijn arrest nr. 28/2013 van 7 maart 2013 (ECLI:BE:GHCC:2013:ARR.028) heeft het Hof geoordeeld dat het verschil in behandeling tussen echtgenoten die onder het stelsel van gemeenschap van goederen zijn gehuwd en echtgenoten gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen, dat voortvloeit uit het feit dat de artikelen 1447 en 1469 van het oud Burgerlijk Wetboek de preferentiële toewijzing voorbehielden aan de eerste categorie van echtgenoten, niet discriminerend was. De wetgever heeft intussen de preferentiële toewijzing weliswaar uitgebreid tot de tweede categorie van echtgenoten, maar dat betekent niet dat zulks ook moet gebeuren voor de personen die gekozen hebben voor het stelsel van de wettelijke samenwoning. Volgens de verwerende partij voor het verwijzende rechtscollege is het verschil tussen personen die kiezen voor een huwelijk en die welke opteren voor wettelijke samenwoning groter dan het verschil dat bestond tussen echtgenoten gehuwd zonder huwelijksovereenkomst en die gehuwd met een huwelijksovereenkomst. De verwerende partij voor het verwijzende rechtscollege zet uiteen dat artikel 1253ter/5 van het Gerechtelijk Wetboek betrekking heeft op het genot van de echtelijke verblijfplaats als voorlopige maatregel, en niet op de preferentiële toewijzing ervan met overdracht van het eigendomsrecht. A.1.
  1. Wat de tweede prejudiciële vraag betreft, doet de verwerende partij voor het verwijzende rechtscollege gelden dat, ten eerste, de vereiste van een in kracht van gewijsde gegane beslissing voortvloeit uit de wet van 28 januari 2003 « tot toewijzing van de gezinswoning aan de echtgenoot of aan de wettelijk samenwonende die het slachtoffer is van fysieke gewelddaden vanwege zijn partner en tot aanvulling van artikel 410 van het Strafwetboek » (hierna : de wet van 28 januari 2003). Die keuze van de wetgever werd verantwoord in de parlementaire voorbereiding. Ten tweede merkt de verwerende partij voor het verwijzende rechtscollege op dat het feit dat er een strafrechtelijke bemiddeling is geweest, de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege niet belet om een rechtstreekse dagvaarding in te stellen voor de correctionele rechtbank of zich burgerlijke partij te stellen voor de onderzoeksrechter. Ten derde is geenszins een erkenning van de strafrechtelijke aansprakelijkheid vereist om de strafrechtelijke bemiddeling bedoeld in artikel 216ter van het Wetboek van strafvordering op te starten. Ten vierde herinnert de verwerende partij voor het verwijzende rechtscollege eraan dat in strafzaken het vermoeden van onschuld geldt en dat de beklaagde het voordeel van de twijfel geniet. Te dezen betwist zij de feiten van « technische verkrachting » alsook dat zij enig misdrijf zou hebben begaan. Zij voert aan dat « elk van de partijen aanleiding heeft gegeven tot een handgemeen » en dat zij de procedure van strafrechtelijke bemiddeling in acht heeft genomen. Zij besluit dat het criterium van het al dan niet voorhanden zijn van een in kracht van gewijsde gegane beslissing niet discriminerend is, en zeker niet in de omstandigheden van deze zaak. A.2.
  2. Voor de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege zijn de uitlatingen van de verwerende partij voor het verwijzende rechtscollege choquerend en tonen zij aan dat zij zich niet bewust is van de ernst van de 4 feiten. De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege betwist dat het geweld wederzijds was. Zij wijst in dat verband erop dat de verwerende partij voor het verwijzende rechtscollege geen klacht heeft ingediend tegen haar. Wat de eerste prejudiciële vraag betreft, betoogt de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege dat artikel 2.3.14 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is. Zij is van mening dat de omstandigheden en het Belgische burgerlijk recht sterk geëvolueerd zijn sinds het voormelde arrest van het Hof nr. 28/
  3. Zij doet gelden dat, sinds de hervorming van 2018, echtgenoten beter beschermd zijn dan wettelijk samenwonenden, wegens de keuze van de wetgever om de preferentiële toewijzing uit te breiden en niet wegens de keuze van echtgenoten voor een bepaald huwelijksvermogensstelsel. Volgens de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege is het niet verantwoord dat, tijdens het samenleven, de voornaamste gezinswoning van een wettelijk samenwonend koppel dezelfde bescherming geniet als die van een gehuwd koppel, en dat zulks niet meer het geval is wanneer zij scheiden. Het in het geding zijnde verschil in behandeling is bijgevolg niet redelijk verantwoord. Het is des te minder verantwoord omdat gehuwde koppels en wettelijk samenwonende koppels op dezelfde manier worden behandeld voor de toewijzing van het genot van de gemeenschappelijke verblijfplaats krachtens artikel 1253ter/5 van het Gerechtelijk Wetboek. De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege doet daarnaast gelden dat de strijd tegen partnergeweld een prioriteit is voor de wetgever en voor de gerechtelijke autoriteiten. Met verwijzing naar de rechtsleer en de rechtspraak voert zij aan dat de draagwijdte van de in het geding zijnde bepaling moet worden bepaald door het doel dat zij nastreeft, namelijk de bescherming van de slachtoffers van partnergeweld. A.2.
  4. Wat de tweede prejudiciële vraag betreft, betoogt de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege dat uit artikel 216ter van het Wetboek van strafvordering blijkt dat een strafrechtelijke bemiddeling enkel kan plaatsvinden als de verdachte bekent, « dat wil zeggen als hij de schuld van de hem ten laste gelegde feiten erkent ». Het onderliggende doel van artikel 2.3.14 van het Burgerlijk Wetboek om het beginsel van het vermoeden van onschuld in acht te nemen wordt bijgevolg evenzeer bereikt door de uitvoering van een strafrechtelijke bemiddeling als door het verkrijgen van een in kracht van gewijsde gegane beslissing. Aangezien strafrechtelijke bemiddeling een alternatieve wijze van geschillenbeslechting is die is ingevoerd om een snelle repressieve reactie te waarborgen en om het vertrouwen van de maatschappij en van het slachtoffer in justitie te versterken, zou het paradoxaal zijn dat een slachtoffer van partnergeweld, wegens de keuze voor strafrechtelijke bemiddeling, de bescherming zou worden ontzegd waarin de in het geding zijnde bepaling voorziet. De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege besluit dat artikel 2.3.14, § 2, tweede zin, van het Burgerlijk Wetboek, in de interpretatie dat een slachtoffer van partnergeweld niet de preferentiële toewijzing van de gezinswoning kan genieten wanneer het openbaar ministerie voor een strafrechtelijke bemiddeling opteert, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt. Zij is van mening dat diezelfde bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt indien zij zo wordt geïnterpreteerd dat het slachtoffer van partnergeweld de preferentiële toewijzing van de gezinswoning wel kan genieten wanneer het openbaar ministerie voor een strafrechtelijke bemiddeling opteert, « want die bemiddeling impliceert dat de dader de ten laste gelegde feiten heeft bekend, wat gelijkstaat met de uitspraak van een in kracht van gewijsde gegane veroordelingsbeslissing ». A.3.
  5. Wat de eerste prejudiciële vraag betreft, doet de Ministerraad gelden dat het huwelijk, de wettelijke samenwoning en de feitelijke samenwoning samenlevingsvormen zijn met verschillende rechtsgevolgen. Hij wijst erop dat uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat verschillen in behandeling tussen die verschillende samenlevingsvormen redelijk verantwoord kunnen zijn. De Ministerraad zet uiteen, enerzijds, dat de wet van 28 januari 2003 bij wijze van voorlopige maatregel, in een preferentiële toewijzing van het genot van de gezinswoning voorziet in geval van partnergeweld. Die regel is van toepassing op echtgenoten gehuwd onder het stelsel van gemeenschap van goederen, op echtgenoten gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen en op wettelijk samenwonenden. Anderzijds was, krachtens diezelfde wet, de preferentiële toewijzing van het onroerend goed na echtscheiding, aanvankelijk enkel van toepassing op echtgenoten gehuwd onder het stelsel van gemeenschap van goederen. De wetgever is bij die keuze gebleven, na op dat punt te zijn geïnterpelleerd door de afdeling wetgeving van de Raad van State. Bij zijn arrest nr. 28/2013 heeft het Hof geoordeeld dat het daaruit voortvloeiende verschil in behandeling tussen echtgenoten gehuwd onder het stelsel van gemeenschap van goederen en echtgenoten gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen, redelijk verantwoord was. Het feit dat echtgenoten gehuwd onder het stelsel van gemeenschap van goederen en echtgenoten gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen bescherming van hun woning genieten tijdens het samenleven (artikel 215 van het oud Burgerlijk Wetboek), heeft die beoordeling van het Hof niet verhinderd. Dat wettelijk samenwonenden dezelfde bescherming van de woning genieten tijdens de wettelijke samenwoning (artikel 1477, § 2, van het oud Burgerlijk Wetboek dat verwijst naar artikel 215 van hetzelfde Wetboek), kan volgens de Ministerraad het in de eerste prejudiciële vraag beoogde verschil in behandeling tussen wettelijk 5 samenwonenden en echtgenoten gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen evenmin onbestaanbaar maken met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Bij de wet van 22 juli 2018 « tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en diverse andere bepalingen wat het huwelijksvermogensrecht betreft en tot wijziging van de wet van 31 juli 2017 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de erfenissen en de giften betreft en tot wijziging van diverse bepalingen ter zake » werd de preferentiële toewijzing van de woning bij echtscheiding uitgebreid tot de echtgenoten gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen. Met verwijzing naar het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State is de Ministerraad van oordeel dat de niet-uitbreiding van de preferentiële toewijzing van de gezinswoning tot de wettelijk samenwonenden een opportuniteitskeuze van de wetgever is. Naar analogie van wat het Hof in zijn arrest nr. 69/2018 van 7 juni 2018 (ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.069) heeft geoordeeld, besluit de Ministerraad dat het daaruit voortvloeiende verschil in behandeling tussen wettelijk samenwonenden en echtgenoten gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen redelijk verantwoord is. A.3.
  6. Wat de tweede prejudiciële vraag betreft, voert de Ministerraad in hoofdorde aan dat zij niet hoeft te worden beantwoord gelet op het door hem voorgestelde ontkennende antwoord voor de eerste prejudiciële vraag. In ondergeschikte orde is hij van oordeel dat de tweede prejudiciële vraag niet ontvankelijk is omdat daarin niet wordt vermeld welke de vergeleken categorieën van personen zijn. Hij betoogt dat het verschil in behandeling hoe dan ook verantwoord is omdat, enerzijds, de voorwaarde volgens welke een strafrechtelijke bemiddeling mogelijk is wanneer het misdrijf niet van die aard lijkt te zijn dat het gestraft moet worden met een correctionele hoofdgevangenisstraf van meer dan twee jaar of met een zwaardere straf, het mogelijk maakt om een aantal gevallen van partnergeweld uit te sluiten van het toepassingsgebied van de strafrechtelijke bemiddeling en, bij uitbreiding, van de onmogelijkheid om de regel van de preferentiële toewijzing van de woning aan de echtgenoot die het slachtoffer is van dat partnergeweld toe te passen. Anderzijds blijkt uit de parlementaire voorbereiding dat de vereiste van een in kracht van gewijsde gegane beslissing ertoe strekt de woning enkel definitief aan het slachtoffer van partnergeweld toe te wijzen wanneer de schuld van de dader met zekerheid is vastgesteld. De schuld van de beklaagde is niet met zekerheid vastgesteld bij een strafrechtelijke bemiddeling, in het kader waarvan een beklaagde enkel zijn burgerlijke aansprakelijkheid erkent. De Ministerraad oordeelt dat de in het geding zijnde maatregel de enige is waarmee het doel van de wetgever kan worden bereikt, en dat hij evenredig is met dat doel. -B- B.1.
  7. Artikel 2.3.14 van het Burgerlijk Wetboek, met als opschrift « Preferentiële toewijzing bij echtscheiding », bepaalt : « §
  8. Wanneer het huwelijksvermogensstelsel eindigt door echtscheiding op grond van artikel 229 van het oud Burgerlijk Wetboek, door de scheiding van tafel en bed of door de gerechtelijke scheiding van goederen, kan elk van de echtgenoten binnen de vereffeningsprocedure aan de familierechtbank te zijnen voordele toepassing van artikel 2.3.13 vragen. §
  9. De rechtbank beslist met inachtneming van de belangen die ieder van de echtgenoten kan laten gelden en rekening houdend met de financiële mogelijkheden van degene die de opleg desgevallend zal moeten betalen. Behoudens uitzonderlijke omstandigheden, wordt het verzoek ingewilligd dat uitgaat van de echtgenoot die slachtoffer is van een feit bedoeld in de artikelen 375, 398 tot 400, 402, 403, 405, 409, §§ 1 tot 3 en 5 en 422bis van het Strafwetboek of van een poging tot het plegen van een feit bedoeld in de artikelen 375, 393 tot 397, 401, 404 en 409, § 4, van hetzelfde Wetboek, indien de andere echtgenoot door in kracht van gewijsde gegane beslissing uit dien hoofde als dader, mededader of medeplichtige schuldig werd bevonden ». 6 Artikel 2.3.13 van het Burgerlijk Wetboek, waarnaar artikel 2.3.14 verwijst, heeft als opschrift « Preferentiële toewijzing bij overlijden ». Het bepaalt : « Wanneer het huwelijksvermogensstelsel eindigt door het overlijden van een van de echtgenoten, kan de langstlevende, tegen opleg indien daartoe grond bestaat, zich bij voorrang doen toewijzen, voor zover deze behoren tot het gemeenschappelijk vermogen of tot het vermogen dat exclusief tussen de echtgenoten in onverdeeldheid is : 1° een van de onroerende goederen die tot gezinswoning dient; 2° het aldaar aanwezige huisraad; 3° de goederen die hij aanwendt voor de uitoefening van zijn beroep of de uitbating van zijn bedrijf ». B.1.
  10. Artikel 2.3.14, § 1, van het Burgerlijk Wetboek voorziet in de mogelijkheid, voor elk van de echtgenoten, om binnen de vereffeningsprocedure de preferentiële toewijzing te vragen van « een van de onroerende goederen die tot gezinswoning dient », wanneer het huwelijksvermogensstelsel eindigt door echtscheiding doordat het huwelijk onherstelbaar ontwricht is, door de scheiding van tafel en bed of door de scheiding van goederen. Indien een van beide echtgenoten of beide echtgenoten een dergelijk verzoek formuleren, doet de rechter hierover uitspraak met inachtneming van de belangen van elk van de echtgenoten en rekening houdend met de financiële mogelijkheden van degene die de opleg in voorkomend geval zal moeten betalen (artikel 2.3.14, § 2, eerste lid). Eén uitzondering op die ruime appreciatiemarge is de hypothese van partnergeweld : behoudens uitzonderlijke omstandigheden, wordt het verzoek tot preferentiële toewijzing ingewilligd indien het uitgaat van de echtgenoot die slachtoffer is van een van de gewelddadige feiten of de poging daartoe die zijn opgesomd in artikel 2.3.14, § 2, tweede lid, indien de andere echtgenoot door een kracht van gewijsde gegane beslissing uit dien hoofde als dader, mededader of medeplichtige schuldig werd bevonden. B.
  11. Met de eerste prejudiciële vraag vraagt het verwijzende rechtscollege aan het Hof of artikel 2.3.14 van het Burgerlijk Wetboek bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het bepaalt dat echtgenoten gehuwd met scheiding van goederen kunnen 7 verzoeken om de preferentiële toewijzing van het in onverdeeldheid verworven goed dat heeft gediend tot gezinswoning, terwijl de wettelijk samenwonenden niet over die mogelijkheid beschikken. Het verwijzende rechtscollege wijst in dat verband erop dat die twee categorieën van personen tijdens het samenleven nochtans eenzelfde bescherming van de gezinswoning genieten (artikelen 215 en 1477, § 2, van het oud Burgerlijk Wetboek) en ook op dezelfde manier worden behandeld in het kader van de voorlopige toewijzing van de gezinswoning in geval van partnergeweld (artikel 1253ter/5 van het Gerechtelijk Wetboek). In geval in antwoord op de eerste prejudiciële vraag een ongrondwettigheid wordt vastgesteld, vraagt het verwijzende rechtscollege het Hof of artikel 2.3.14, § 2, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre, wanneer het openbaar ministerie voor een strafrechtelijke bemiddeling opteert, het slachtoffer van een in die bepaling bedoeld gewelddadig feit niet het recht kan genieten om zich in principe de gezinswoning te laten toewijzen, doordat het zich niet kan beroepen op een in kracht van gewijsde gegane beslissing. Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag B.
  12. Uit de formulering van de eerste prejudiciële vraag blijkt dat het verwijzende rechtscollege het Hof ondervraagt over het verschil in behandeling tussen de echtgenoten gehuwd onder een stelsel van scheiding van goederen en de wettelijk samenwonenden, in zoverre de eerstgenoemden kunnen verzoeken om de preferentiële toewijzing van de gezinswoning na echtscheiding terwijl de laatstgenoemden van die mogelijkheid zijn uitgesloten na beëindiging van de wettelijke samenwoning. B.4.
  13. Artikel 2.3.14 van het Burgerlijk Wetboek vindt zijn oorsprong in artikel 1389/2 van het oud Burgerlijk Wetboek, dat zelf zijn oorsprong vindt in artikel 1447 van het oud Burgerlijk Wetboek. B.4.
  14. Bij artikel 1447 van het oud Burgerlijk Wetboek, zoals ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 14 juli 1976 « betreffende de wederzijdse rechten en verplichtingen van echtgenoten en de huwelijksvermogensstelsels » en zoals gewijzigd bij artikel 4 van de wet van 28 januari 2003 « tot toewijzing van de gezinswoning aan de echtgenoot of aan de wettelijk 8 samenwonende die het slachtoffer is van fysieke gewelddaden vanwege zijn partner en tot aanvulling van artikel 410 van het Strafwetboek » (hierna : de wet van 28 januari 2003) en bij artikel 17 van de wet van 27 april 2007 « betreffende de hervorming van de echtscheiding » (hierna : de wet van 27 april 2007), was de preferentiële toewijzing van de gezinswoning in geval van echtscheiding voorbehouden aan de echtgenoten gehuwd onder een stelsel dat voorzag in een gemeenschappelijk vermogen. B.4.
  15. Bij zijn arrest nr. 28/2013 van 7 maart 2013 (ECLI:BE:GHCC:2013:ARR.028) oordeelde het Hof dat het verschil in behandeling tussen echtgenoten gehuwd onder een stelsel met een gemeenschappelijk vermogen en echtgenoten gehuwd onder een stelsel met scheiding van goederen, dat voortvloeide uit het feit dat het voormelde artikel 1447 van het oud Burgerlijk Wetboek de preferentiële toewijzing aan de eerste categorie van echtgenoten voorbehield, redelijk verantwoord was (B.8, eerste alinea). Het oordeelde evenwel ook dat « het [...] de wetgever [...] evenmin [zou] kunnen worden verweten indien hij het toepassingsgebied van de in het geding zijnde bepaling zou uitbreiden tot een gezinswoning die in onverdeeldheid eigendom is van de echtgenoten ongeacht hun huwelijksvermogensstelsel » (B.8, tweede alinea). B.4.
  16. Bij de artikelen 9 en 26 van de wet van 22 juli 2018 « tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en diverse andere bepalingen wat het huwelijksvermogensrecht betreft en tot wijziging van de wet van 31 juli 2017 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de erfenissen en de giften betreft en tot wijziging van diverse bepalingen ter zake » (hierna : de wet van 22 juli 2018), heeft de wetgever de regels betreffende de preferentiële toewijzing van de gezinswoning bij echtscheiding in een licht gewijzigde versie verplaatst naar artikel 1389/2 van het oud Burgerlijk Wetboek, dat deel uitmaakt van de algemene bepalingen van titel V (« Huwelijksvermogensstelsels »), hoofdstuk I (« Algemene bepalingen »), van het oud Burgerlijk Wetboek, die gelden voor alle huwelijksvermogensstelsels, zodat die regels voortaan van toepassing zijn op alle echtgenoten, ongeacht hun huwelijksvermogensstelsel. Tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 22 juli 2018 werd het feit dat de mogelijkheid om de preferentiële toewijzing van de gezinswoning te vragen werd uitgebreid tot alle echtgenoten, met name verantwoord met verwijzing naar het voormelde arrest nr. 28/2013 : 9 « De regels inzake de preferentiële toewijzing van de gezinswoning, het huisraad en de beroepsgoederen worden overgeheveld naar het algemeen deel van het huwelijksvermogensrecht (titel V, hoofdstuk I), zodat zij voortaan van toepassing zijn op alle echtgenoten, ongeacht het gekozen huwelijksvermogensstelsel. Het voorgesteld artikel 1389/1 BW regelt de toewijzing na overlijden (het huidig artikel 1446 BW), het voorgesteld artikel 1389/2 BW de toewijzing na echtscheiding, scheiding van tafel en bed of scheiding van goederen (het huidig artikel 1447 BW; infra). Deze ruime toepassing werd reeds eerder bepleit door een deel van de rechtsleer, maar sterk gecontesteerd door andere auteurs, die wezen op het gebrek aan rechtsgrond. Het Grondwettelijk Hof oordeelde in een arrest van 7 maart 2013 nog dat het feit dat de preferentiële toewijzing niet open stond voor een gezinswoning die in onverdeeldheid eigendom was van echtgenoten gehuwd onder een scheiding van goederen, het gelijkheidsbeginsel niet schond (arrest nr. 28/2013). ‘ Het zou de wetgever echter evenmin kunnen worden verweten indien hij het toepassingsgebied van de in het geding zijnde bepaling zou uitbreiden tot een gezinswoning die in onverdeeldheid eigendom is van de echtgenoten ongeacht hun huwelijksvermogensstelsel ’, aldus het Hof. Die maatregel wordt nu getroffen. Bijgevolg kunnen echtgenoten bij de beëindiging van het huwelijksvermogensstel voortaan de preferentiële toewijzing vorderen van de gezinswoning en het huisraad waarop zij beiden eigendomsaanspraken kunnen laten gelden, hetzij in een ontbonden gemeenschap, hetzij in een onverdeeldheid » (Parl. St., Kamer, 2017-2018, DOC 54-2848/001, pp. 39-
  17. Zie ook pp. 66-67). En : « Het huidig recht maakt op vele vlakken een onderscheid tussen de regeling van toepassing op echtgenoten gehuwd onder een gemeenschapsstelsel enerzijds en onder een stelsel van scheiding van goederen anderzijds. Voor een aantal regels bepleit een deel van de rechtsleer de lege lata reeds een toepassing naar analogie op echtgenoten gehuwd onder een scheidingsstelsel, of stelt zij minstens de pertinentie van het onderscheid in vraag. In dit wetgevend initiatief wordt dan ook voorgesteld om sommige regels die volgens een legalistische interpretatie uitsluitend van toepassing zijn in gemeenschapsstelsels, ook toe te passen in scheidingsstelsels. Het is enkel de bedoeling om in een rechtsgrond te voorzien voor de toepassing van welbepaalde regels in scheidingsstelsels, en niet om een standpunt in te nemen over de toepassing naar analogie van nog andere regels, waarover in de rechtsleer discussie bestaat. Ten eerste worden enkele regels die nu zijn opgenomen in de artikelen over de verdeling in het wettelijk stelsel, verplaatst naar de algemene bepalingen die van toepassing zijn op alle huwelijksvermogensstelsels. Het betreft de artikelen over de preferentiële toewijzing van de gezinswoning en van de beroepsgoederen aan een van de echtgenoten (de huidige artikelen 1446 en 1447 BW) [...]. Het valt immers moeilijk te verantwoorden waarom de toepassing van bepalingen die de leefomgeving en de beroepsuitoefening van de echtgenoten beschermen [...] enkel mogelijk zou moeten zijn wanneer deze goederen tussen de echtgenoten in gemeenschap zijn, en niet wanneer beide echtgenoten op een andere wijze aanspraken op deze goederen kunnen laten gelden, namelijk doordat zij deze goederen in onverdeeldheid hebben » (ibid, pp. 21-22). 10 Met verwijzing naar de arresten van het Hof nrs. 28/2013 en 130/2015 (ECLI:BE:GHCC:2015:ARR.130) heeft de afdeling wetgeving van de Raad van State opgemerkt dat de toepassing van bepaalde regels van het stelsel van gemeenschap van goederen, zoals de regel van de preferentiële toewijzing, op het stelsel van scheiding van goederen « geen schending in[houdt] van hogere beginselen van grondwettelijk of internationaal recht en [...] overeen[komt] met een opportuniteitskeuze van de wetgever » (Parl. St., Kamer, 2017-2018, DOC 54-2848/002, p. 11). B.4.
  18. Artikel 1389/2 van het oud Burgerlijk Wetboek is opgeheven bij artikel 58, 7°, van de wet van 19 januari 2022 « houdende boek 2, titel 3, ‘ Relatievermogensrecht ’ en boek 4 ‘ Nalatenschappen, schenkingen en testamenten ’ van het Burgerlijk Wetboek » (hierna : de wet van 19 januari 2022). De inhoud ervan werd overgenomen in artikel 2.3.14 van het Burgerlijk Wetboek, « zonder andere wijziging dan deze van de kruisverwijzing naar een andere bepaling van dit boek, aangepast aan de nieuwe nummering ervan » (Parl. St., Kamer, 2019-2020, DOC 55-1272/001, p. 34). B.4.
  19. Artikel 2.3.14 van het Burgerlijk Wetboek maakt deel uit van hoofdstuk 2 (« Algemene bepalingen ») van ondertitel 1 (« Huwelijksvermogensrecht ») van titel 3 (« Relatievermogensrecht ») van boek 2 (« Personen, familie en relatievermogensrecht ») van het Burgerlijk Wetboek, ingevoerd bij artikel 2 van de wet van 19 januari
  20. Zoals artikel 1389/2 van het oud Burgerlijk Wetboek dat erbij wordt vervangen, is artikel 2.3.14 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing op alle echtgenoten, ongeacht hun huwelijksvermogensstelsel. Het is echter niet van toepassing op de wettelijk samenwonenden. B.5.
  21. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. B.5.
  22. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende 11 beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.
  23. Het in B.3 bedoelde verschil in behandeling berust op het door het koppel gekozen statuut. Dat criterium is objectief. B.
  24. De parlementaire voorbereiding van de wet van 22 juli 2018, die aan de basis ligt van de uitbreiding, tot alle categorieën van echtgenoten, van de mogelijkheid om de preferentiële toewijzing van de gezinswoning te vragen in geval van echtscheiding, preciseert niet de redenen waarom die mogelijkheid niet ook is toegekend aan de wettelijk samenwonenden. In de parlementaire voorbereiding van de wet van 19 januari 2022 wordt dat evenmin gepreciseerd. Volgens de Ministerraad is de keuze van de wetgever om de preferentiële toewijzing van de gezinswoning niet uit te breiden tot de wettelijk samenwonenden, een opportuniteitskeuze die redelijk verantwoord is. B.8.
  25. Het huwelijk en de wettelijke samenwoning onderscheiden zich van andere samenlevingsvormen omdat zij een publiek engagement inhouden (EHRM, grote kamer, 29 april 2008, Burden t. Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2008:0429JUD001337805, § 65; 10 februari 2011, Korosidou t. Griekenland, ECLI:CE:ECHR:2011:0210JUD000995708, § 70; grote kamer, 3 april 2012, Van der Heijden t. Nederland, ECLI:CE:ECHR:2012:0403JUD004285705, § 69). Die twee geïnstitutionaliseerde vormen van samenleven verschillen van elkaar zowel ten aanzien van de wederzijdse rechten en plichten van de echtgenoten of wettelijk samenwonenden als ten aanzien van hun respectieve vermogensrechtelijke situaties. De wettelijke samenwoning biedt de twee personen die zij bindt een beperkte vermogensrechtelijke bescherming, die gedeeltelijk is geïnspireerd op bepalingen die op de echtgenoten van toepassing zijn. 12 B.8.
  26. Het verschil tussen de staat van echtgenoot en die van wettelijk samenwonende kan in sommige gevallen een verschil in behandeling tussen die twee categorieën van personen verantwoorden wanneer dat verschil verband houdt met het doel van de in het geding zijnde maatregel. B.9.
  27. Artikel 2.3.14, § 1, van het Burgerlijk Wetboek voorziet in een recht ten gunste van de ex-echtgenoot om een overname naar schatting te vragen, op voorwaarde van een compensatie in voorkomend geval, van een van de onroerende goederen die tot gezinswoning heeft gediend en deel uitmaakt van het te verdelen onverdeeld vermogen. Die procedure van verdeling wijkt af van het beginsel van verdeling in natura. Zij wijkt daarentegen niet af van het beginsel van gelijkwaardigheid van de kavels : de waarde van het betrokken onroerend goed wordt aangerekend op het aandeel van de ex-echtgenoot in de onverdeelde boedel, waarbij die laatste een opleg moet betalen wanneer die waarde hoger is dan die van zijn aandeel. Een preferentiële toewijzing laat de ex-echtgenoot die ze geniet toe een openbare verkoop van het onroerend goed of een toewijzing ervan door loting te vermijden. Zij heeft niet het karakter van een vergoeding. De rechter beslist over het verzoek van de ex-echtgenoot met inachtneming « van de belangen die ieder van de echtgenoten kan laten gelden » en « rekening houdend met de financiële mogelijkheden van degene die de opleg desgevallend zal moeten betalen » (artikel 2.3.14, § 2, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek). Die criteria vervangen sinds de hervorming van 2018 de vroegere criteria van de « maatschappelijke en gezinsbelangen » van de echtgenoten en van de « vergoedings- of vorderingsrechten van de andere ». Zij moeten de rechter toelaten « tot een inclusieve afweging over te gaan, zonder zich tot vooraf omschreven belangen te moeten beperken » (Parl. St., Kamer, 2017-2018, DOC 54-2848/001, p. 42). B.9.
  28. De mogelijkheid om een preferentiële toewijzing van de gezinswoning te vragen strekt aldus ertoe na de echtscheiding het lot van de gezinswoning te regelen overeenkomstig de belangen – in de ruimste zin – van de ex-echtgenoten, die in feite door de rechter worden beoordeeld. Dankzij die mogelijkheid kan de ex-echtgenoot die dat wenst het aandeel van de andere echtgenoot in één van de onroerende goederen die tot gezinswoning dient, kopen en op die manier de plaats van de vroegere levensgemeenschap vrijwaren. 13 De mogelijkheid om de preferentiële toewijzing van de gezinswoning te vorderen, strekt eveneens ertoe een minimum aan solidariteit alsook goede trouw tussen de ex-echtgenoten te waarborgen, waaraan vooral bij de ontbinding van het huwelijksstelsel nood is. Die mogelijkheid is immers van aard om het misbruik tegen te gaan dat door een van beide ex- echtgenoten kan worden gemaakt van het recht om de openbare verkoop te eisen van de gezinswoning waarvan zij onverdeeld eigenaar zijn. B.9.
  29. De voormelde doelstellingen die ten grondslag liggen aan de preferentiële toewijzing van de gezinswoning gelden voor elke geïnstitutionaliseerde samenlevingsvorm. Zoals de echtgenoten gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen, worden wettelijk samenwonenden die samen een onroerend goed verwerven, onverdeeld eigenaar van dat goed. Wanneer dat onroerend goed « het gezin tot voornaamste woning » dient - dat wil zeggen wanneer het dient voor een effectieve bewoning door het gezin of een deel van het gezin (Cass., 29 april 2011, C.10.0132.N, ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110429.1) - wordt het tijdens het samenleven op analoge wijze beschermd in geval van huwelijk of wettelijke samenwoning (artikel 215, § 1, van het oud Burgerlijk Wetboek, dat naar analogie toepasselijk is gemaakt op de wettelijk samenwonenden krachtens artikel 1477, § 2, van het oud Burgerlijk Wetboek). Na de echtscheiding of na de beëindiging van de wettelijke samenwoning kunnen de ex-echtgenoten of de gewezen wettelijk samenwonenden op elk ogenblik een vordering instellen bij de familierechtbank tot vereffening en verdeling van die onverdeeldheid (artikel 572bis, 10°, van het Gerechtelijk Wetboek). Zowel na de beëindiging van een wettelijke samenwoning als na die van een huwelijk is het noodzakelijk een minimum aan solidariteit en goede trouw tussen de ex-partners te waarborgen door beide of een van beide ex-partners de mogelijkheid te bieden om de plaats van de vroegere levensgemeenschap te vrijwaren door te verzoeken om de preferentiële toewijzing van de gezinswoning, verzoek dat moet worden beoordeeld rekening houdend met de belangen van elk van de ex-partners. Tevens dient zowel na de beëindiging van een wettelijke samenwoning als na die van een huwelijk op dezelfde wijze te worden gewaakt over de belangen van de minderjarige kinderen, die worden beschermd door artikel 22bis, vierde lid, van de Grondwet. 14 De omstandigheid dat de wettelijke samenwoning een soepelere en meer onzekere samenlevingsvorm is dan het huwelijk, verantwoordt niet dat er geen preferentiële toewijzing van de gezinswoning kan worden gevraagd in geval van beëindiging van de wettelijke samenwoning indien de beide gewezen partners onverdeeld eigenaar waren van die gezinswoning. De aard van de geïnstitutionaliseerde samenlevingsvorm waarvoor het koppel heeft gekozen, is niet relevant ten opzichte van het onderwerp van de in het geding zijnde bepaling. B.9.
  30. Bovendien kan het ontbreken van een maatregel die analoog is aan die van artikel 2.3.14 van het Burgerlijk Wetboek, en voor de wettelijk samenwonenden geldt, onevenredige gevolgen hebben voor de gewezen wettelijk samenwonenden doordat zij of een van hen daardoor gedwongen worden om de gezinswoning te kopen na een opbod met derden en, in voorkomend geval, met de andere gewezen wettelijk samenwonende, in het kader van een openbare verkoop. Die lacune heeft bovendien onevenredige gevolgen voor een wettelijk samenwonende die slachtoffer is van partnergeweld waarvoor zijn of haar ex-partner schuldig werd bevonden bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing. Hij of zij kan immers niet het recht genieten om zich in principe de gezinswoning te laten toewijzen op grond van artikel 2.3.14, § 2, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek. B.
  31. Het in B.3 bedoelde verschil in behandeling is niet redelijk verantwoord. Die ongrondwettigheid vindt niet haar oorsprong in de in het geding zijnde bepaling, maar in de ontstentenis van een bepaling die erin voorziet dat wettelijk samenwonenden die een goed dat tot gezinswoning dient in onverdeeldheid hebben verworven, na de beëindiging van de wettelijke samenwoning kunnen verzoeken om de preferentiële toewijzing van dat goed. In afwachting van een optreden van de wetgever staat het aan het verwijzende rechtscollege om een einde te maken aan de vastgestelde ongrondwettigheid door de regeling van artikel 2.3.14 van het Burgerlijk Wetboek naar analogie toe te passen op de wettelijk samenwonenden. 15 Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag B.
  32. Volgens de Ministerraad is de tweede prejudiciële vraag niet ontvankelijk omdat het verwijzende rechtscollege niet aangeeft welke categorieën van personen moeten worden vergeleken. B.12.
  33. Uit de formulering van de tweede prejudiciële vraag en uit de motieven van de verwijzingsbeslissing blijkt dat het verwijzende rechtscollege aan het Hof vraagt of artikel 2.3.14, § 2, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, en meer bepaald de vereiste van een in kracht van gewijsde gegane beslissing waarin het voorziet, bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre, wanneer het openbaar ministerie voor een strafrechtelijke bemiddeling opteert, het slachtoffer van een in die bepaling vermeld feit van partnergeweld, niet het in die bepaling vastgelegde recht kan genieten om zich in principe bij voorrang de gezinswoning te laten toewijzen, omdat het zich niet kan beroepen op een in kracht van gewijsde gegane beslissing. B.12.
  34. Artikel 2.3.14, § 2, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de familierechtbank – behoudens uitzonderlijke omstandigheden – het verzoek om preferentiële toewijzing van de gezinswoning dat is geformuleerd door de ex-echtgenoot die het slachtoffer is van een feit van partnergeweld inwilligt « indien de andere echtgenoot door in kracht van gewijsde gegane beslissing uit dien hoofde als dader, mededader of medeplichtige schuldig werd bevonden ». B.12.
  35. De strafrechtelijke bemiddeling waarnaar de tweede prejudiciële vraag verwijst, is de procedure van « verval van de strafvordering door de uitvoering van maatregelen en de naleving van voorwaarden » bedoeld in artikel 216ter van het Wetboek van strafvordering, zoals het werd vervangen bij artikel 11 van de wet van 18 maart 2018 « houdende wijzigingen van diverse bepalingen van het strafrecht, de strafvordering en het gerechtelijk recht » (hierna : de wet van 18 maart 2018). 16 Die procedure, die ook « procedure bemiddeling en maatregelen » wordt genoemd, omvat twee luiken : enerzijds, een luik betreffende de « maatregelen » die gericht zijn op de verdachte en, anderzijds, een luik met betrekking tot de « bemiddeling » tussen de verdachte en het slachtoffer. Artikel 216ter, § 1, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering bepaalt dat, indien het feit dat een misdrijf vormt niet van die aard lijkt te zijn dat het bestraft moet worden met een hoofdstraf van meer dan twee jaar correctionele gevangenisstraf of met een zwaardere straf en op voorwaarde dat de verdachte « in voorkomend geval zijn burgerlijke aansprakelijkheid voor het feit erkent », de procureur des Konings de verdachte kan verzoeken om de door het misdrijf veroorzaakte schade te vergoeden of te herstellen en in te stemmen met één of meerdere maatregelen. Indien door het misdrijf schade werd veroorzaakt aan een gekend slachtoffer, kan de procureur des Konings het slachtoffer en de verdachte verzoeken om in te stemmen met een bemiddeling over de schadevergoeding of het herstel en de regeling ervan (artikel 216ter, § 1, tweede lid). Indien het slachtoffer weigert deel te nemen aan de bemiddeling of indien de bemiddeling geen resultaat oplevert, kan de procedure van artikel 216ter zonder het slachtoffer worden voortgezet (Parl. St., Kamer, 2017-2018, DOC 54-2753/001, p. 43). In het tweede geval wordt het slachtoffer in kennis gesteld van de voortzetting van het dossier voor wat betreft de dadergerichte maatregelen (artikel 216ter, § 2, vijfde lid). Ongeacht de in het geding zijnde situatie (misdrijf met of zonder slachtoffer, slachtoffer dat de bemiddeling al dan niet aanvaardt; Parl. St., Kamer, 2017-2018, DOC 54-2753/001, p. 43) kan de procureur des Konings aan de verdachte voorstellen om, gedurende een periode van hoogstens één jaar, één of meerdere maatregelen bedoeld in paragraaf 1, vijfde lid, uit te voeren, namelijk : een geneeskundige behandeling of iedere andere passende therapie volgen, een dienstverlening uitvoeren of een opleiding volgen. Indien de verdachte instemt met de « maatregelen » betreffende zijn persoon en met de « voorwaarden » betreffende het slachtoffer (ibid., pp. 43, 45 en 48), wordt een overeenkomst gesloten (artikel 216ter, § 2). 17 Wanneer de verdachte van het misdrijf heeft voldaan aan alle in die overeenkomst geformuleerde maatregelen en voorwaarden, die in voorkomend geval door de bevoegde rechter werden bekrachtigd, vervalt de strafvordering. Wanneer het misdrijf schade heeft veroorzaakt aan een derde, vervalt de strafvordering indien de verdachte zijn burgerlijke aansprakelijkheid voor het schadeverwekkende feit schriftelijk erkent en het bewijs levert van de vergoeding of het herstel van het niet-betwiste gedeelte van de schade en de regeling ervan. Het verval van de strafvordering kan geen afbreuk doen aan het recht van het slachtoffer om zijn rechten te doen gelden voor de bevoegde burgerlijke rechtbank, noch aan de rechten van de gesubrogeerden in de rechten van het slachtoffer. Tegenover hen geldt het aanvaarden van het voorstel van de procureur des Konings door de verdachte als een onweerlegbaar vermoeden van fout (artikel 216ter, § 5; Parl. St., Kamer, 2017-2018, DOC 54-2753/001, p. 39). B.12.
  36. Daaruit volgt dat de procedure van artikel 216ter van het Wetboek van strafvordering het verval van de strafvordering met zich meebrengt wanneer de verdachte heeft voldaan aan alle door hem aanvaarde maatregelen en voorwaarden. Wanneer die procedure daarentegen onderbroken wordt of mislukt, « bijvoorbeeld indien de verdachte de voorwaarden aanvaard heeft doch niet heeft nageleefd », herneemt de procureur des Konings opnieuw al zijn prerogatieven inzake het uitoefenen van de strafvordering (Parl. St., Kamer, 2017-2018, DOC 54-2753/001, p. 41). De in het geding zijnde bepaling roept bijgevolg geen verschil in behandeling in het leven, wat betreft het recht om zich in principe de gezinswoning te laten toewijzen, naargelang het openbaar ministerie heeft geopteerd voor de procedure van artikel 216ter van het Wetboek van strafvordering en die procedure onderbroken wordt of mislukt, enerzijds, of naargelang het niet voor zulk een procedure heeft geopteerd, anderzijds. In beide gevallen beschikt het openbaar ministerie immers over al zijn prerogatieven met betrekking tot de leiding van de strafvordering. B.12.
  37. De tweede prejudiciële vraag dient in die zin te worden geïnterpreteerd dat het Hof wordt ondervraagd over het bij artikel 2.3.14, § 2, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek ingevoerde verschil in behandeling tussen de slachtoffers van feiten van partnergeweld (namelijk : de ex-echtgenoten die slachtoffer zijn van feiten van partnergeweld en – rekening houdend met het antwoord op de eerste prejudiciële vraag – de voormalige wettelijk samenwonenden die slachtoffer zijn van zulke feiten), naargelang het openbaar ministerie heeft geopteerd voor de procedure van artikel 216ter van het Wetboek van strafvordering en die 18 procedure met succes is afgerond, of naargelang het openbaar ministerie niet voor een dergelijke procedure heeft geopteerd of wanneer die procedure mislukt. Wanneer het openbaar ministerie voor zulk een procedure heeft geopteerd en de verdachte alle vastgestelde maatregelen en voorwaarden in acht neemt, vervalt de strafvordering, zodat het slachtoffer van feiten van partnergeweld niet het recht kan genieten om zich in principe de gezinswoning te laten toewijzen doordat het zich niet kan beroepen op een in kracht van gewijsde gegane strafrechtelijke beslissing. Wanneer het openbaar ministerie geen gebruik maakt van de procedure van artikel 216ter van het Wetboek van strafvordering of wanneer die procedure mislukt, kan de verdachte strafrechtelijk worden vervolgd en schuldig worden bevonden bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing. In dat geval geniet het slachtoffer van feiten van partnergeweld het recht om zich in principe de gezinswoning te laten toewijzen. B.
  38. De exceptie wordt verworpen. B.
  39. Het verwijzende rechtscollege vraagt het Hof of artikel 2.3.14, § 2, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het slachtoffer van feiten van partnergeweld niet de in die bepaling vastgelegde burgerrechtelijke beschermingsmaatregel kan genieten indien het openbaar ministerie ervoor kiest om, op strafrechtelijk vlak, gebruik te maken van de procedure van artikel 216ter van het Wetboek van strafvordering en indien die procedure met succes wordt afgerond. B.15.
  40. Artikel 2.3.14, § 2, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek voorziet in het recht van het slachtoffer van partnergeweld om zich in principe de gezinswoning bij voorrang te laten toewijzen. B.15.
  41. Die maatregel, die oorspronkelijk werd ingevoegd bij artikel 1447, tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek bij de wet van 28 januari 2003, samen met andere maatregelen ter verbetering van de burgerrechtelijke en strafrechtelijke bescherming van het slachtoffer van partnergeweld, tracht « de materiële gevolgen te verzachten van de scheiding » door te voorzien « in de toewijzing van het verblijf in de gezinswoning bij voorkeur aan het slachtoffer van verkrachting, van poging tot doodslag, van moordpoging of vergiftiging of van vrijwillige slagen en verwondingen, door de echtgenoot » (Parl. St., Kamer, 2001-2002, DOC 50-1693/001, pp. 3-4 en 6; DOC 50-1693/006, p. 5). 19 Artikel 1447, tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek, zoals het was ingevoegd bij artikel 4 van de wet van 28 januari 2003, bepaalde : « Behoudens uitzonderlijke omstandigheden wordt het verzoek ingewilligd dat uitgaat van de echtgenoot die slachtoffer is van een feit als bedoeld in de artikelen 375, 398 tot 400, 402, 403 of 405 van het Strafwetboek of van een poging tot een feit als bedoeld in de artikelen 375, 393, 394 of 397 van hetzelfde Wetboek, hetzij wanneer de andere echtgenoot uit dien hoofde is veroordeeld bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing, hetzij wanneer de beslissing die de echtscheiding uitspreekt geheel of gedeeltelijk op dat feit is gegrond ». Krachtens die bepaling moest de rechter in principe het verzoek om preferentiële toewijzing van de gezinswoning dat uitgaat van een onder het wettelijk stelsel gehuwde ex-echtgenoot die het slachtoffer is geweest van partnergeweld, in principe inwilligen in twee gevallen : hetzij wanneer « de veroordeling van de echtgenoot die zich schuldig heeft gemaakt aan partnergeweld uit dien hoofde kracht van gewijsde [had] verkregen », hetzij wanneer « het echtscheidingsvonnis minstens voor een deel gebaseerd [was] op die feiten van partnergeweld » (Parl. St., Kamer, 2001-2002, DOC 50-1693/005, p. 2; DOC 50-1693/006, p. 29). B.15.
  42. Tijdens de parlementaire voorbereiding die ten grondslag lag aan de wet van 28 januari 2003 was oorspronkelijk overwogen dat « ernstige aanwijzingen voor gedrag van echtelijke gewelddaden » konden volstaan om een verzoek in te willigen tot preferentiële toewijzing van de gezinswoning wegens geweld, geformuleerd na de echtscheiding (Parl. St., Kamer, 2001-2002, DOC 50-1693/001, p. 7; DOC 50-1693/006, pp. 24-25). Die mogelijkheid werd uiteindelijk niet behouden door de aanneming van een amendement van de Regering dat als volgt werd verantwoord : « Het amendement wil tegemoet komen aan een van de bemerkingen die naar voren zijn gekomen tijdens de bespreking in de Commissie voor de Justitie : rekening houdend met het feit dat de voorkeurtoewijzing van de gezinswoning na het echtscheidingsvonnis een definitief karakter bezit, dit in tegenstelling tot de andere hypothesen, lijkt het wenselijk die voorkeurtoewijzing voor te behouden voor de gevallen waarin de veroordeling van de echtgenoot die zich schuldig heeft gemaakt aan partnergeweld uit dien hoofde kracht van gewijsde heeft verkregen, of voor de gevallen waarin het echtscheidingsvonnis minstens voor een deel gebaseerd is op die feiten van partnergeweld » (Parl. St., Kamer, 2001-2002, DOC 50-1693/005, p. 2; DOC 50-1693/006, p. 29). Er werd gepreciseerd dat er enkel in het tweede geval (echtscheidingsvonnis dat geheel of gedeeltelijk op gewelddadige feiten gebaseerd is) geen voorafgaande strafrechtelijke veroordeling noodzakelijk was. In dat geval konden de feiten worden aangetoond « aan de hand 20 van stukken of getuigenissen die in aanmerking werden genomen door de rechter die de echtscheiding heeft uitgesproken » (Parl. St., Kamer, 2001-2002, DOC 50-1693/006, pp. 29-30). B.15.
  43. Dat tweede geval werd vervolgens geschrapt bij artikel 17 van de wet van 27 april 2007 in het kader van de hervorming die ertoe strekte elke verwijzing naar de fout af te schaffen in het stadium van de beslissing die de echtscheiding uitspreekt (Parl. St., Senaat, 2006-2007, nrs. 3-2068/6 en 3-2068/7). Als gevolg van die wijziging bepaalde artikel 1447, tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek : « Behoudens uitzonderlijke omstandigheden wordt het verzoek ingewilligd dat uitgaat van de echtgenoot die slachtoffer is van een feit als bedoeld in de artikelen 375, 398 tot 400, 402, 403 of 405 van het Strafwetboek of van een poging tot een feit als bedoeld in de artikelen 375, 393, 394 of 397 van hetzelfde Wetboek, wanneer de andere echtgenoot uit dien hoofde is veroordeeld bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing ». B.15.
  44. Artikel 1447, tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek werd vervolgens opgeheven en vervangen door artikel 1389/2, § 2, tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek, zoals het was ingevoerd bij artikel 9 van de wet van 22 juli
  45. Artikel 1389/2, § 2, tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek bepaalde : « Behoudens uitzonderlijke omstandigheden, wordt het verzoek ingewilligd dat uitgaat van de echtgenoot die slachtoffer is van een feit bedoeld in de artikelen 375, 398 tot 400, 402, 403, 405, 409, §§ 1 tot 3 en 5 en 422bis van het Strafwetboek of van een poging tot het plegen van een feit bedoeld in de artikelen 375, 393 tot 397, 401, 404 en 409, § 4, van hetzelfde Wetboek, indien de andere echtgenoot door in kracht van gewijsde gegane beslissing uit dien hoofde als dader, mededader of medeplichtige schuldig werd bevonden ». Bij die gelegenheid werd het recht van de ex-echtgenoot die slachtoffer is van partnergeweld op een principiële preferentiële toewijzing van de gezinswoning uitgebreid tot « de opsomming van strafbare feiten die ook in de wet van 10 december 2012 over de erfonwaardigheid en de plaatsvervulling voorkomen » (Parl. St., Kamer, 2017-2018, DOC 54-2848/001, p. 42). De vereiste bedoeld in het voormelde artikel 1447, tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek, dat de andere echtgenoot wegens partnergeweld moet zijn « veroordeeld bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing », werd overigens vervangen 21 door de vereiste dat de andere echtgenoot « door in kracht van gewijsde gegane beslissing [uit hoofde van partnergeweld] als dader, mededader of medeplichtige schuldig werd bevonden » (ibid., p. 106). B.15.
  46. Artikel 1389/2, § 2, tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek werd vervolgens opgeheven en overgenomen, zonder wijziging, in artikel 2.3.14, § 2, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek. B.16.
  47. Uit de in B.15.3 aangehaalde parlementaire voorbereiding blijkt dat de in artikel 2.3.14, § 2, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek vervatte vereiste van een in kracht van gewijsde gegane beslissing waarbij de schuld van de partner strafrechtelijk wordt vastgesteld, beantwoordt aan de noodzaak om de feiten van partnergeweld die de bij die bepaling vastgelegde burgerrechtelijke beschermingsmaatregel verantwoorden met zekerheid vast te stellen, gelet op het definitieve karakter van die maatregel. B.16.
  48. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 18 maart 2018, die de procedure van artikel 216ter van het Wetboek van strafvordering heeft hervormd, blijkt overigens dat de wetgever « bijzondere aandacht aan de positie van het slachtoffer » heeft willen schenken wanneer gebruik wordt gemaakt van die procedure (Parl. St., Kamer, 2017-2018, DOC 54-2753/001, p. 48; zie ook pp. 42-43). Zoals in B.12.3 is vermeld, wordt de procedure van artikel 216ter van het Wetboek van strafvordering pas aangevat en vervalt de strafvordering aan het einde van die procedure enkel indien de verdachte zijn burgerlijke aansprakelijkheid voor het feit erkent (artikel 216ter, § 1, eerste lid, en § 5, van het Wetboek van strafvordering). Artikel 216ter, § 5, bepaalt dat de strafvordering bovendien pas vervalt indien de verdachte het bewijs levert van de vergoeding of het herstel van het niet-betwiste gedeelte van de schade en de regeling ervan. Voor het overige kan het slachtoffer zijn rechten doen gelden voor de bevoegde burgerlijke rechtbank, in welk geval het aanvaarden door de verdachte van het voorstel van de procureur des Konings om gebruik te maken van de procedure van artikel 216ter van het Wetboek van strafvordering, als een onweerlegbaar vermoeden van zijn burgerrechtelijke fout geldt (Parl. St., Kamer, 2017-2018, DOC 54-2753/001, p. 39). 22 B.16.
  49. De vereiste vervat in artikel 2.3.14, § 2, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek van een in kracht van gewijsde gegane beslissing waarbij de schuld van de partner strafrechtelijk wordt vastgesteld, is bijgevolg niet noodzakelijk in het licht van het in B.16.1 vermelde doel wanneer het openbaar ministerie gebruikmaakt van de procedure van artikel 216ter van het Wetboek van strafvordering en wanneer die procedure met succes is afgerond. In die hypothese zijn de feiten van partnergeweld immers met zekerheid vastgesteld, aangezien de verdachte zijn burgerlijke aansprakelijkheid voor die feiten vooraf, bij het begin van de procedure, heeft erkend (zie in die zin Parl. St., Kamer, 2017-2018, DOC 54-2753/001, p. 40) en door het onweerlegbare vermoeden van zijn burgerrechtelijke fout dat voortvloeit uit zijn instemming met het voorstel van het openbaar ministerie om gebruik te maken van de minnelijke regeling van de strafvordering van artikel 216ter. B.17.
  50. Het in B.12.5 bedoelde verschil in behandeling is niet redelijk verantwoord. B.17.
  51. Artikel 2.3.14, § 2, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het slachtoffer van een feit van partnergeweld niet het recht kan genieten om zich in principe de gezinswoning te laten toewijzen wanneer het openbaar ministerie gebruikmaakt van de procedure van artikel 216ter van het Wetboek van strafvordering en wanneer die procedure met succes is afgerond. Aangezien de vaststelling van de lacune is uitgedrukt in voldoende nauwkeurige en volledige bewoordingen die toelaten de in het geding zijnde bepaling toe te passen met inachtneming van de referentienormen op grond waarvan het Hof zijn toetsingsbevoegdheid uitoefent, staat het, in afwachting van het optreden van de wetgever, aan het verwijzende rechtscollege een einde te maken aan de schending van die normen. 23 Om die redenen, het Hof zegt voor recht :
  52. - Artikel 2.3.14 van het Burgerlijk Wetboek, in zoverre het niet van toepassing is op de wettelijk samenwonenden, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet; - De ontstentenis van een wetsbepaling die erin voorziet dat wettelijk samenwonenden die een goed dat tot gezinswoning dient in onverdeeldheid hebben verworven, na de beëindiging van de wettelijke samenwoning kunnen verzoeken om de preferentiële toewijzing van dat goed, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet;
  53. Artikel 2.3.14, § 2, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het slachtoffer van een feit van partnergeweld niet het recht kan genieten om zich in principe de gezinswoning te laten toewijzen wanneer het openbaar ministerie gebruikmaakt van de procedure van artikel 216ter van het Wetboek van strafvordering en wanneer die procedure met succes is afgerond. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 20 juni
  54. De griffier, De voorzitter, Frank Meersschaut Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.062 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110429.1 ECLI:BE:GHCC:2013:ARR.028 ECLI:BE:GHCC:2015:ARR.130 ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.069 ECLI:CE:ECHR:2008:0429JUD001337805 ECLI:CE:ECHR:2011:0210JUD000995708 ECLI:CE:ECHR:2012:0403JUD004285705 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.