id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 20 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.065 Arrest- Rolnummer: 65/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-08-08 Raadplegingen: 291 - laatst gezien 2026-06-17 19:49 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de beroepen tot gedeeltelijke vernietiging van de wet van 19 december 2022 « houdende toekenning van een tweede federale elektriciteits- en gaspremie », ingesteld door Anne Thirion, door Guy van Hoye en door de vzw « OKRA, trefpunt 55+ » en anderen, en tot vernietiging van de artikelen 36 tot 40 en 58, § 1, van de wet van 30 oktober 2022 « houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de energiecrisis », ingesteld door Anne Thirion. Energie - Energiecrisis - Prijsstijgingen - Verwarmingspremie - Gezinnen die verwarmen met elektriciteit - Bewoners van woonzorgcentra Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 65/2024 van 20 juni 2024 Rolnummers : 7990, 8019 en 8041 In zake : de beroepen tot gedeeltelijke vernietiging van de wet van 19 december 2022 « houdende toekenning van een tweede federale elektriciteits- en gaspremie », ingesteld door Anne Thirion, door Guy van Hoye en door de vzw « OKRA, trefpunt 55+ » en anderen, en tot vernietiging van de artikelen 36 tot 40 en 58, § 1, van de wet van 30 oktober 2022 « houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de energiecrisis », ingesteld door Anne Thirion. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Yasmine Kherbache, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 3 mei 2023 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 4 mei 2023, heeft Anne Thirion beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 4 tot 6 en 25, § 1, van de wet van 19 december 2022 « houdende toekenning van een tweede federale elektriciteits- en gaspremie » en van de artikelen 36 tot 40 en 58, § 1, van de wet van 30 oktober 2022 « houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de energiecrisis » (bekendgemaakt respectievelijk in het Belgisch Staatsblad van 23 december 2022 en van 3 november 2022). b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 12 juni 2023 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 14 juni 2023, heeft Guy van Hoye beroep tot gehele of gedeeltelijke vernietiging ingesteld van de artikelen 3 tot 16 van dezelfde wet van 19 december 2022. c. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 22 juni 2023 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 23 juni 2023, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 4, 6, § 3, 11 en 13, § 3, van dezelfde wet van 19 december 2022 door 2 de vzw « OKRA, trefpunt 55+ », Delphine Van Dijck, Jerome Beck en Alfons Verwee, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Mieke Van Den Broeck en Mr. Pauline Delgrange, advocates bij de balie te Brussel. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 7990, 8019 en 8041 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Valérie De Schepper en Mr. Jean-François De Bock, advocaten bij de balie te Brussel, heeft memories ingediend (in alle zaken), de verzoekende partijen in de zaken nrs. 8019 en 8041 hebben memories van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook memories van wederantwoord ingediend (in de zaken nrs. 8019 en 8041). Bij beschikking van 24 april 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Magali Plovie en Willem Verrijdt te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen waren, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaken in beraad zouden worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid Wat betreft de zaken nrs. 7990 en 8019 A.1. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 7990 en 8019 zijn huishoudelijke afnemers die uitsluitend met elektriciteit verwarmen. De verzoekende partijen bekritiseren het feit dat zij krachtens de bestreden wetten, namelijk, in de zaak nr. 7990, de wet van 30 oktober 2022 « houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de energiecrisis » (hierna : de wet van 30 oktober 2022) en de wet van 19 december 2022 « houdende toekenning van een tweede federale elektriciteits- en gaspremie » (hierna : de wet van 19 december 2022), en, in de zaak nr. 8019, de wet van 19 december 2022, worden uitgesloten van de federale gaspremie, zonder recht te hebben op een gelijkwaardige premie voor hun energiebehoeften inzake verwarming. De verzoekende partij in de zaak nr. 8019 is van mening dat er, in geval van vernietiging van de artikelen 3 tot 16 van de wet van 19 december 2022, een redelijke kans bestaat dat zij voor haar elektrische verwarming een premie ontvangt. 3 A.2.1. De Ministerraad is van mening dat het beroep in de zaak nr. 7990 niet ontvankelijk is, aangezien de bestreden bepalingen de belangen van de verzoekende partij niet rechtstreeks en ongunstig kunnen raken en die partij geen nieuwe kans zou kunnen krijgen om haar situatie gunstiger geregeld te zien na een vernietiging. Volgens de Ministerraad doet de verzoekende partij in de zaak nr. 7990 niet blijken van een belang om de bepalingen met betrekking tot de federale elektriciteitspremie te bestrijden. Indien die bepalingen worden vernietigd, zou de verzoekende partij evenmin die premie ontvangen. Zij kan niet beweren dat zij een belang heeft bij de vernietiging van die bepalingen, om de enkele reden dat zij geen recht zou hebben op een andere premie. Die verzoekende partij doet evenmin blijken van een belang bij de vernietiging van de bepalingen met betrekking tot de bijzondere bijdrage energie en met betrekking tot de huishoudelijke afnemers die hetzelfde EAN-aansluitingspunt delen. Zij legt evenmin uit waarom haar beroep enkel is gericht tegen een deel van de bepalingen met betrekking tot de federale elektriciteitspremie en tegen een deel van de bepalingen met betrekking tot de bijzondere bijdrage energie, en niet tegen het geheel van de bepalingen met betrekking tot die twee stelsels. A.2.2. De Ministerraad is van mening dat de verzoekende partij in de zaak nr. 8019 doet blijken van een louter hypothetisch belang in zoverre zij ervan uitgaat dat een vernietiging van de bestreden bepalingen van de wet van 19 december 2022 de wetgever ertoe zou kunnen brengen een premie aan te nemen voor de gezinnen die met elektriciteit verwarmen. De Ministerraad merkt bovendien op dat die verzoekende partij, krachtens de wet van 30 oktober 2022 en de wet van 19 december 2022, minstens, in beginsel, recht heeft op de federale elektriciteitspremies ten bedrage van 122 euro en van 183 euro en dat zij, krachtens de wet van 28 februari 2022 « houdende diverse bepalingen inzake energie » in beginsel recht heeft op een verwarmingspremie van 100 euro en op een tijdelijke btw-verlaging voor elektriciteit. Hij voert aan dat de verzoekende partij in de zaak nr. 8019 niet repliceert op de door hem opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid. Wat betreft de zaak nr. 8041 A.3. De eerste verzoekende partij in de zaak nr. 8041, de vzw « OKRA, trefpunt 55+ », voert aan dat zij volgens haar statuten de belangen van 55-plussers behartigt. Zij zou aldus belang hebben bij het aanvechten van de uitsluiting van personen die in woonzorgcentra verblijven van de elektriciteitspremie en de gaspremie die werden ingevoerd bij de bestreden bepalingen van de wet van 19 december 2022. De tweede en de derde verzoekende partij in de zaak nr. 8041, namelijk Delphine Van Dijck en Jerome Eduard Beck, wonen beiden in een woonzorgcentrum en hebben dienvolgens geen recht op de elektriciteits- en de gaspremie. De vierde verzoekende partij in diezelfde zaak, Alfons Verwee, woont in een assistentiewoning verbonden aan een woonzorgcentrum en heeft geen eigen energiecontracten, waardoor hij geen recht heeft op de elektriciteits- en de gaspremie. Zij zouden allen aldus persoonlijk en direct worden geschaad door de bestreden bepalingen. A.4. De Ministerraad is van mening dat het belang van Alfons Verwee niet vaststaat, daar deze niet aantoont dat hij gas en elektriciteit voor zijn assistentiewoning afneemt via een woonzorgcentrum. Met betrekking tot het belang van de andere verzoekende partijen in de zaak nr. 8041 gedraagt de Ministerraad zich naar de wijsheid van het Hof. Hij meent eveneens dat het beroep niet ontvankelijk is in zoverre het is gericht tegen de artikelen 6, § 3, en 13, § 3, van de wet van 19 december 2022, daar, in geval van vernietiging van de artikelen 4 en 11 van dezelfde wet, niemand nog in aanmerking zou komen voor de elektriciteits- en de gaspremie en de vernietiging van de artikelen 6, § 3, en 13, § 3, in dat opzicht niets zou veranderen. A.5. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8041 antwoorden dat uit de woonovereenkomst voor de assistentiewoningen « Groote Broel » te Kortrijk blijkt dat de inwoners van de assistentiewoningen verplicht zijn om gas, water en elektriciteit af te nemen bij de desbetreffende vereniging zonder winstoogmerk. Ze leggen ter zake stukken ter staving voor aan het Hof en menen dat het belang van Alfons Verwee aldus afdoende is aangetoond. Met betrekking tot de artikelen 6, § 3, en 13, § 3, van de wet van 19 december 2022 antwoorden zij dat die bepalingen onlosmakelijk zijn verbonden met de artikelen 4 en 11 van dezelfde wet, daar, in geval van vernietiging van enkel die laatste bepalingen, de personen die in een collectieve woonvorm wonen nog steeds geen recht zouden hebben op het basispakket elektriciteit, omdat zij geen aanvraag hebben ingediend via het in de artikelen 6, § 3, en 13, § 3, bedoelde mechanisme. 4 Ten gronde Wat betreft de zaken nrs. 7990 en 8019 A.6.1. In haar eerste middel voert de verzoekende partij in de zaak nr. 7990 een schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. A.6.2. Het eerste onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7990 is gericht tegen de artikelen 36 tot 40 van de wet van 30 oktober 2022 en de artikelen 4 tot 6 van de wet van 19 december 2022. Die bepalingen doen een niet redelijk verantwoord verschil in behandeling ontstaan onder huishoudelijke afnemers, naargelang zij beschikken over een leveringscontract voor elektriciteit en gas of enkel over een leveringscontract voor elektriciteit. Die twee categorieën van personen zijn vergelijkbaar. Het verschil in behandeling tussen hen is niet adequaat ten aanzien van het doel om de gezinnen te helpen het hoofd te bieden aan de energiecrisis. De huishoudelijke afnemers die enkel een leveringscontract voor elektriciteit hebben, kunnen immers enkel in aanmerking komen voor de laagste van de twee in de bestreden bepalingen bedoelde premies, zonder in aanmerking te kunnen komen voor de financiële steun waarin wordt voorzien bij de wet van 26 juni 2022 « houdende toekenning van een toelage voor het aanschaffen van huisbrandolie of propaan in bulk bestemd voor de verwarming van een privéwoning » (hierna : de wet van 26 juni 2022), noch voor de financiële steun bedoeld in de artikelen 3 tot 16 van de programmawet van 26 december 2022. Aan die huishoudelijke afnemers, die 7 % van de gezinnen vertegenwoordigen, wordt 70 % van de overheidshulp ter algemene ondersteuning van gezinnen ontzegd. Er bestaan alternatieve maatregelen voor de bestreden maatregel. Het zou immers mogelijk zijn om een premie toe te kennen aan de gezinnen die uitsluitend met elektriciteit verwarmen, om te voorzien in een soepele premieregeling waarbij rekening wordt gehouden met de concrete uitgaven van de gezinnen tot een bepaald plafond, om te voorzien in een vaste premie met een vast supplement indien wordt verwarmd met elektriciteit, of nog, om de elektriciteitspremie te verhogen door het in aanmerking genomen totaalverbruik te wijzigen. Het verschil in behandeling is onevenredig in zoverre de verantwoordingen waarop het berust, verkeerd en onnauwkeurig zijn. Enerzijds had de federale overheid, aangezien de energiecrisis in 2021 is begonnen, op het einde van 2022 genoeg tijd gehad om de impact ervan te evalueren en om een niet-discriminerende ondersteuningsmaatregel te nemen voor de gezinnen. Anderzijds wordt de werklast die zou voortvloeien uit het in aanmerking nemen van het concreet verbruik van de gezinnen of de energiebronnen die zij gebruiken, niet geëvalueerd, noch aangetoond. A.6.3. Het tweede en het derde onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7990 zijn gericht tegen artikel 36 van de wet van 30 oktober 2022 en artikel 4 van de wet van 19 december 2022. A.7. In haar tweede middel voert de verzoekende partij in de zaak nr. 7990 de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, door artikel 58, § 1, van de wet van 30 oktober 2022 en door artikel 25, § 1, van de wet van 19 december 2022. A.8. De verzoekende partij in de zaak nr. 8019 leidt een enig middel af uit de schending, door de artikelen 3 tot 16 van de wet van 19 december 2022, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij de gezinnen die verwarmen met huisbrandolie, met propaan of met gas en de gezinnen die verwarmen met elektriciteit (in het bijzonder die welke verwarmen door middel van elektrische accumulatoren, elektrische vloerverwarming of enig ander elektrisch apparaat), verschillend behandelen. Die verzoekende partij zet een argumentatie uiteen die analoog is aan de argumentatie die is uiteengezet in het eerste onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7990. Het is niet de energiebron, maar de stijging van de energiekosten die pertinent is om te bepalen wie recht heeft op ondersteuning vanwege de overheid en in welke mate. A.9. Wat betreft het eerste onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7990, betwist de Ministerraad dat de huishoudelijke afnemers die beschikken over een leveringscontract voor elektriciteit en gas en de huishoudelijke afnemers die enkel beschikken over een leveringscontract voor elektriciteit, vergelijkbaar zijn. Ten eerste zijn die twee categorieën van huishoudelijke afnemers niet vergelijkbaar ten aanzien van het door de wetgever nagestreefde 5 doel om een premie toe te kennen die niet is gekoppeld aan het verbruik voor elke soort energiebron. Ten tweede vloeit de impact van de premies op de gezinnen niet voort uit de bestreden bepalingen, maar uit de feitelijke situatie van de gezinnen. De premies zijn ingevoerd op gelijkmatige wijze. Het gezin dat zijn woning en zijn water verwarmt met elektriciteit heeft recht op de federale elektriciteitspremie, net zoals het gezin dat zijn woning en zijn water verwarmt met gas. Ten derde heeft de wetgever in andere premies voorzien om het hoofd te bieden aan de stijging van de energiefacturen naast de federale premies per energiebron. Uit al die ondersteuningsmaatregelen blijkt dat de twee categorieën van huishoudelijke afnemers niet verschillend worden behandeld. De Ministerraad voert in ondergeschikte orde aan dat de bestreden bepalingen tot doel hebben de stijging van de energiefacturen te matigen, en niet die stijging volledig te compenseren, voor een zo breed mogelijke groep mensen. Dat doel is legitiem. Het criterium van de betrokken energiebron is objectief en pertinent. De bestreden elektriciteitspremies zijn bovendien adequaat ten aanzien van de door de wetgever nagestreefde doelen. Het feit dat de huishoudelijke afnemers die enkel beschikken over een leveringscontract voor elektriciteit, niet de eerste financiële steun hebben ontvangen die werd geregeld bij de wet van 26 juni 2022 en dat zij niet de federale gaspremie ontvangen, doet hieraan geen afbreuk. De wetgever beschikt over een ruime beoordelingsbevoegdheid inzake energie. Hij vermag de verscheidenheid van situaties op vereenvoudigde wijze op te vangen. Het bestaan van alternatieve maatregelen voor de bestreden maatregelen is niet relevant. De verzoekende partij toont niet aan dat de bestreden bepalingen op een duidelijke beoordelingsfout berusten, noch dat ze niet redelijk verantwoord zijn. Die elektriciteitspremies zijn noodzakelijk om de impact van de crisis op de energiefactuur te verminderen. Rekening houdend met de andere federale maatregelen die zijn genomen inzake energie, is het onjuist dat een persoon elke federale tegemoetkoming in de verwarmingskosten kan worden ontzegd en dat de huishoudelijke afnemers slechts voor een enkele premie in aanmerking komen. De keuze om geen rekening te houden met de omvang van de concrete energiekosten en het concreet energieverbruik is evenredig met het nagestreefde doel. Het is onjuist dat de wetgever de complexiteit en de administratieve last had moeten verduidelijken die de door de verzoekende partij aangevoerde alternatieve maatregelen met zich zouden hebben meegebracht. De verzoekende partij in de zaak nr. 7990 vergist zich wat betreft de impact van de crisis en de tijd die noodzakelijk is om dergelijke maatregelen in te voeren. Bovendien is het niet onredelijk dat de wetgever een mechanisme overneemt dat hij reeds heeft gebruikt. Een variabele premie zou de inwerkingstelling en de controle van de maatregel aanzienlijk bemoeilijken, hetgeen in strijd zou zijn met het doel om de impact van de energiecrisis zo snel mogelijk te verzachten. Een variabele premie zou overigens inhouden dat rekening wordt gehouden met de premies en de toelagen die reeds bestaan voor de andere energiebronnen. De gevolgen van de bestreden premies kunnen enkel algemeen worden beoordeeld. De gezinnen die met elektriciteit verwarmen, genieten in dat opzicht de btw-verlaging naar 6 % waartoe werd beslist in het kader van de energiecrisis. Op de federale maatregelen zal toezicht worden gehouden en zij zullen, in voorkomend geval, worden aangepast. Zij houden rekening met de gewestelijke maatregelen die ook de impact van de energiecrisis verlichten, zoals de gewestelijke subsidies die zijn toegekend bij de installatie van warmtepompen. Tot slot heeft de afdeling wetgeving van de Raad van State in haar advies nr. 72.459/3 van 14 november 2022 erkend dat de uit de bestreden bepalingen ontstane verschillen in behandeling niet discriminerend zijn. A.10. Wat de zaak nr. 8019 betreft, preciseert de Ministerraad dat het, aangezien de federale elektriciteitspremie geen verband houdt met het verbruik of met de concrete behoeften van de gezinnen, niet pertinent is te weten of zij al dan niet betrekking heeft op de kosten voor verwarming. A.11. De verzoekende partij in de zaak nr. 8019 preciseert dat het feit dat bij de federale elektriciteitspremie geen rekening wordt gehouden met het werkelijke verbruik van elk gezin, niet wil zeggen dat de wetgever, om het bedrag van de premie te bepalen, geen rekening heeft gehouden met een bepaald « standaardverbruik » per energiebron van een type huishouden in een type woning. Anders zou de vraag moeten rijzen of het bedrag van de verschillende premies niet willekeurig is vastgesteld, hetgeen niet toelaatbaar zou zijn in een rechtsstaat. Volgens die verzoekende partij kan worden aangenomen dat een afnemerstype dat verwarmt met gas, 17 000 kWh aardgas verbruikt, waarvan 15 000 kWh voor het verwarmen van ruimtes en 2 000 kWh voor het verwarmen van sanitair water, terwijl de gezinnen met een elektriciteitsaansluiting met exclusief nachttarief 12 500 kWh verbruiken voor het verwarmen van ruimtes en sanitair water. Bij die cijfers wordt rekening gehouden met de respectieve doeltreffendheid van elk van de energiebronnen. 6 Aangezien de wetgever geen rekening heeft willen houden met de verschillende feitelijke situaties van de gezinnen wat betreft de inspanningen die zijn geleverd om hun energieverbruik te verminderen, kan volgens die verzoekende partij evenmin daarmee rekening worden gehouden om te besluiten dat de gezinnen zich niet in voldoende vergelijkbare situaties bevinden. De verzoekende partij in de zaak nr. 8019 preciseert dat haar kritiek is gebaseerd op de cijfers die werden gegeven door de minister van Economie, de Vlaamse overheid, de CREG en de VREG. Vervolgens zijn de bestaande verschillen met betrekking tot de energieprijs in de verschillende gewesten, niet van dien aard dat zij haar stelling ongeldig maken, volgens welke gas bijna tweemaal zoveel zou kosten als huisbrandolie en propaan, en elektriciteit meer dan tweemaal zoveel zou kosten als gas. Ten slotte had de wetgever, indien hij rekening had willen houden met de gewestelijke subsidies voor warmtepompen, de gezinnen die de premie voor elektrische verwarming hebben genoten, moeten uitsluiten. A.12. De Ministerraad betwist de cijfers met betrekking tot het verbruik die door de verzoekende partij in de zaak nr. 8019 naar voren zijn gebracht, alsook het idee dat er een volledig vergelijkbare energiebehoefte tussen de verschillende gezinnen zou bestaan. Hij betwist ook de gegevens met betrekking tot de prijzen die worden gehanteerd door de verzoekende partij, die haar bronnen niet aanhaalt en geen rekening houdt met de concrete prijsschommelingen tijdens het betrokken jaar. Wat betreft de zaak nr. 8041 A.13. De verzoekende partijen voeren de schending aan, door de artikelen 4, 6, § 3, 11 en 13, § 3, van de wet van 19 december 2022, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 2 en 11 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten en met de artikelen 4, 5, 12, 19 en 28 van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. A.14.1. Het eerste onderdeel van het enige middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De bestreden bepalingen voeren een verschil in behandeling in tussen personen die een residentieel energiecontract hebben en personen die dat niet hebben, in zoverre de eerste groep een elektriciteitspremie van 183 euro en een gaspremie van 405 euro ontvangt, terwijl de tweede groep die premies niet ontvangt. Die bepalingen voeren eveneens een verschil in behandeling in tussen personen die in een collectieve woonvorm wonen, vaak een rust- en verzorgingstehuis, een assistentiewoning of een woonzorgcentrum, en anderen. Het onderscheid tussen beide categorieën is weliswaar objectief : de ene groep heeft een contract met een energieleverancier en de andere niet. Dat criterium is evenwel vreemd aan de doelstelling van de bestreden bepalingen, zijnde een financiële steun toekennen aan het grootst mogelijk aantal burgers voor de toegenomen energiekostprijs. De beide categorieën bevinden zich in een soortgelijke situatie ten aanzien van dat doel : zij hebben allebei te lijden onder de gestegen kosten, hetgeen de wetgever zelf ook toegeeft. Het kan objectief worden vastgesteld dat de dagprijzen, zijnde de prijs die een bewoner van een woonzorgcentrum betaalt, de voorbije maanden gestegen zijn vanwege de hogere energieprijzen. De dagprijs omvat immers de woonkosten, met de energiekosten als onderdeel. De stijging van de kostprijs van energie wordt bijgevolg doorgerekend aan de bewoners. Bovendien is ook de koppeling van de prijzen aan de consumptieprijsindex een koppeling aan de energieprijzen. In Vlaanderen werd bij omzendbrief beslist dat de dagprijzen vanaf 1 maart 2022 tweemaal per jaar konden worden verhoogd, in plaats van voordien slechts éénmaal per jaar, gelet op de stijging van de levensduurte en in het bijzonder van de energiefacturen. Tussen 1 maart 2022 en 28 april 2022 bedroeg de gemiddelde indexering voor de 367 voorzieningen die een indexatiedossier indienden 6,77 %, hetgeen een prijsstijging van gemiddeld 124 euro per maand voor die voorzieningen betekent. Sindsdien gaan de stijgingen gewoon door. In de loop van 2022 verhoogde de maandprijs van een gemiddelde eenpersoonskamer met 197,50 euro, of gemiddeld met 10,4 %. Ook de bewoners van de groep Orpea Belgique, een van de grootste private uitbaters van woonzorgcentra in Wallonië en Brussel, zagen de prijzen stijgen met 8,04 %, hetzij 150 euro per maand. De bewering dat de bewoners van collectieve woonvormen minder geconfronteerd worden met de stijgende prijzen, is dan ook onjuist. Het feit dat de energiekosten niet rechtstreeks maar via de dagprijs worden doorgerekend, is irrelevant. Aangezien de gestegen energiekosten mogen en zullen worden doorgerekend in de 7 dagprijs, zorgt dit hoogstens voor een vertraagde doorrekening, maar niet voor een verminderde. Het armoederisico van bewoners van woonzorgcentra was vóór de prijsstijgingen al zeer hoog. Dat maakt het des te problematischer dat die groep personen wordt uitgesloten van een maatregel die de impact van de stijging van de energiefacturen moet verzachten. Het feit dat het omslachtiger zou zijn om de premie toe te kennen aan personen die geen residentieel energiecontract hebben, kan niet worden beschouwd als een redelijke verantwoording voor het verschil in behandeling. De wet voorziet in een mechanisme voor personen die de premie niet ontvangen via hun energieleverancier. Het is dus perfect mogelijk om in een apart mechanisme te voorzien voor personen die niet over een residentieel energiecontract beschikken. Het uitsluiten van een categorie van personen omdat de administratie dan gemakkelijker haar werk kan doen, is niet redelijk. Voorts kan niet worden aangevoerd dat de toekenning van de premies een gemeenschapsbevoegdheid is in zoverre zij moeten worden uitbetaald aan de bewoners van rusthuizen. Zoals ook de afdeling wetgeving van de Raad van State heeft opgemerkt, is de toekenning van een dergelijke premie aan iedereen, met inbegrip van de bewoners van collectieve woonvormen, wel degelijk een federale bevoegdheid. Tot slot kan niet worden aangevoerd dat woonzorgcentra minder energiekosten zouden maken per hoofd dan gewone gezinnen. De wetgever koos er immers uitdrukkelijk voor de premies aan iedereen uit te betalen, ongeacht of de begunstigde effectief last heeft van de gestegen energieprijzen. Bovendien kan men zich vragen stellen bij de waarachtigheid van de stelling dat woonzorgcentra minder energiekosten zouden hebben. Rekening houdend met de kwetsbaarheid en de gevoeligheid van de bewoners moet de kamertemperatuur er immers minstens 22 °C bedragen en moet er goed worden geventileerd. Men kan voorts bezwaarlijk argumenteren dat de verschillen in de prijs voor energie die particulieren en woonzorgcentra betalen, die in sommige gevallen onbestaande zijn of zelfs omgekeerd (goedkoper voor de residentiële gebruiker dan voor de professionele gebruiker), een redelijke verantwoording bieden voor het feit dat de bewoners van de woonzorgcentra worden uitgesloten van het voordeel van de premies. Dat er andere accijnzenpercentages gelden voor zakelijke dan voor particuliere energieafnemers, laat niet toe om te oordelen dat de energieprijzen minder zouden stijgen voor bewoners van woonzorgcentra. Bovendien zijn de bedragen die de zakelijke afnemers minder aan accijnzen moeten betalen, niet in verhouding met de betaalde premies, die overigens worden toegekend ongeacht de feitelijke kostprijs die de afnemer betaalt per eenheid energie. De energienorm kan volgens de verzoekende partijen niet als een aparte milderende factor worden beschouwd, daar die norm eveneens betrekking heeft op de lagere accijnzen voor zakelijke afnemers. Zij menen ten slotte dat de gemeenschappen niet hebben voorzien in beperkingen voor de mate waarin zorginstellingen energiekosten kunnen doorrekenen aan hun bewoners. Daar het verschil in behandeling aldus steunt op argumenten die geen verband houden met de doelstelling van de premies, is het verschil in behandeling zonder redelijke verantwoording. De verzoekende partijen vermelden ook nog dat de bewoners van woonzorgcentra en rust- en verzorgingstehuizen ook uitgesloten worden van het sociaal tarief en aanvankelijk ook van de btw-verlaging voor elektriciteit. Er is dan ook geen evenredigheid tussen de bestreden maatregel en het door de wetgever nagestreefde doel. A.14.2. Het tweede onderdeel van het enige middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 2 en 11 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten. Door personen die in een woonzorgcentrum wonen van de premies uit te sluiten, wordt een bevolkingsgroep uitgesloten die voornamelijk samengesteld is uit personen van hogere leeftijd. Het ogenschijnlijk neutrale criterium van het hebben van een residentieel energiecontract, leidt dus tot een indirecte discriminatie op grond van leeftijd. Zoals reeds aangetoond in het eerste onderdeel van het enige middel, is er voor dat onderscheid geen redelijke verantwoording. Daar de premies ertoe strekken de levensstandaard te beschermen, wordt aldus afbreuk gedaan aan de artikelen 2 en 11 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, op grond waarvan het recht op een behoorlijke levensstandaard zonder discriminatie dient te worden gewaarborgd. A.14.3. Het derde onderdeel van het enige middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 4, 5, 12, 19 en 28 van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. Aangezien mensen die in woonzorgcentra wonen een zodanige verminderde zelfredzaamheid hebben dat zij niet langer zelfstandig kunnen wonen, ressorteren zij in beginsel onder de definitie van personen met een handicap die is neergelegd in artikel 1, tweede alinea, van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. Personen die in collectieve woonvormen wonen en worden uitgesloten van de energiepremies, zijn vooral mensen 8 in rusthuizen en woonzorgcentra die vanwege hun verminderde zelfredzaamheid niet (langer) zelfstandig kunnen wonen. Het gaat dan ook om een indirecte discriminatie op grond van handicap, waarvoor geen redelijke verantwoording bestaat. Bijgevolg is artikel 5 van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap geschonden, artikel dat bepaalt dat de lidstaten bij het Verdrag erkennen dat eenieder gelijk is voor de wet. Voorts schendt de wetgever aldus de algemene verplichtingen die op België rusten krachtens artikel 4 van het voormelde Verdrag. De bestreden bepalingen zijn tevens in strijd met artikel 12, lid 5, van hetzelfde Verdrag, dat bepaalt dat personen met een handicap op voet van gelijkheid met anderen recht hebben op eigendom, evenals met artikel 19 van het voormelde Verdrag, dat bepaalt dat de sociale diensten en faciliteiten voor het algemene publiek op voet van gelijkheid beschikbaar moeten zijn voor personen met een handicap. Daar de aangevoerde discriminatie op grond van handicap een invloed heeft op de leefkwaliteit van ouderen met een verhoogde zorgnood, is ook artikel 28 van het voormelde Verdrag geschonden. A.15.1. Met betrekking tot het eerste onderdeel van het middel is de Ministerraad van oordeel dat de erin beoogde categorieën van personen niet voldoende vergelijkbaar zijn, zodat de onderscheiden behandeling niet kan leiden tot een schending van het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Bewoners van collectieve woonzorgcentra kunnen eveneens met hogere energieprijzen worden geconfronteerd, doch niet op dezelfde wijze als de huishoudelijke afnemers met een eigen residentieel energiecontract voor hun woonplaats. De bewoners van woonzorgcentra worden in de regel immers pas met de stijgende energieprijzen geconfronteerd na de gecombineerde en milderende invloed van de gunstigere tarieven in de niet-residentiële energiecontracten waarover woonzorgcentra beschikken, van de energienorm waardoor de woonzorgcentra een korting op hun energiefactuur ontvangen en van het gegeven dat woonzorgcentra de elektriciteits- en gaskosten slechts kunnen doorrekenen aan hun bewoners via de dagprijs en in de mate waarin zulks toegelaten wordt door de betrokken regeling van de gemeenschappen. De energienorm waarborgt dat de prijsstijgingen die te wijten zijn aan de federale belastingen niet langer automatisch worden doorgerekend in de factuur. Zij worden vervangen door accijnzen. Aangezien de bewoners van rusthuizen hun elektriciteit afnemen via een unieke aansluiting en in het kader van een professioneel contract, komt het verbruik in een hogere schijf te liggen, waardoor de woonzorgcentra de degressieve accijnzenpercentages kunnen genieten. Ziekenhuizen en woonzorgcentra komen hierdoor in aanmerking voor een korting op de factuur ten opzichte van de voorgaande jaren, korting die merkelijk groter is dan die voor de huishoudelijke afnemers. De stijging van de dagprijs voor woonzorgcentra is overigens het gevolg van verschillende factoren, zoals de loonindexering voor de werknemers in zorgcentra. A.15.2. In ondergeschikte orde stelt de Ministerraad dat de bestreden maatregelen een legitiem doel nastreven, namelijk de impact op de energiefactuur van de energiecrisis dringend verlichten door in een goedkoper basispakket energie te voorzien voor gezinnen. In het licht van dat doel werd een regeling uitgewerkt die voor de toekenning van de premies in beginsel focust op het criterium van het beschikken over een leveringscontract voor elektriciteit en gas voor de eigen woonplaats. Het betreft een objectief en pertinent criterium. Dat criterium laat een zo breed mogelijk bereik toe van de beoogde doelgroep binnen de federale bevoegdheid inzake energieprijzen. In de regel zullen gezinnen of huishoudens immers elektriciteit en gas afnemen via het door een EAN-code identificeerbaar toegangspunt op het betrokken distributienet per wooneenheid, ook wanneer het gaat om meerdere wooneenheden binnen eenzelfde gebouw. Door het verbod op privédistributienetten is het in beginsel uitgesloten dat meerdere wooneenheden elektriciteit of gas afnemen via een collectief aansluitingspunt. Het gekozen criterium komt ook tegemoet aan de wil om de premies zo snel mogelijk en met redelijke inspanningen te kunnen uitkeren. Voor de toekenning van die premies kan immers in belangrijke mate worden teruggevallen op de gegevensstromen en de automatisering in het kader van de toekenning van het sociaal tarief voor elektriciteit en gas. Het is tot slot niet disproportioneel dat de bewoners van woonzorgcentra uitgesloten zijn van de premies door het criterium te hanteren van het beschikken over een energieleveringscontract voor de eigen woonplaats. Personen die niet beschikken over een dergelijk residentieel energiecontract voor de eigen woonplaats, en in het bijzonder de bewoners van woonzorgcentra, zullen in de regel immers minstens op een minder acute of directe wijze worden geconfronteerd met de hogere energieprijzen. De Ministerraad wijst ter zake erop dat de toekenning van de premies aan individuele bewoners van Vlaamse woonzorgcentra zou inhouden dat die federale premies in ieder geval worden toegekend, terwijl enkel de Vlaamse Gemeenschap kan beslissen of en in welke mate zij via de dagprijs daadwerkelijk geconfronteerd worden met de stijgende energiekosten. De Ministerraad beklemtoont dat de verantwoording voor het verschil in behandeling geenszins terug te voeren is op een onbevoegdheid van de federale overheid, evenals dat de federale wetgever zich loyaal heeft willen opstellen ten aanzien van de regelingen die de gemeenschappen hebben uitgewerkt in verband met de mate waarin zorginstellingen energiekosten kunnen 9 doorrekenen aan hun bewoners. Voorts dient rekening te worden gehouden met het feit dat de wetgever ernaar streefde de premies zo snel mogelijk toe te kennen, met oog voor de betrokken administratieve inspanningen. Ideeën inzake een eventuele verdere verfijning van de toekenningscriteria lijken haaks te staan op het streven naar een snelle en eenvoudige toekenning van de premies. Tot slot merkt de Ministerraad op dat de regeling inzake de premies verder kan evolueren en te analyseren is binnen een ruimer pakket aan maatregelen die de wetgever reeds genomen heeft en nog zal nemen. Indien de situatie dat vereist en de mogelijkheden zich voordoen, zal de wetgever dus niet nalaten bijkomende steun te bieden. De Ministerraad besluit dat de bestreden bepalingen het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet- discriminatie niet schenden. A.15.3. Inzake het tweede onderdeel van het enige middel voert de Ministerraad aan dat er geen sprake is van een indirecte discriminatie op grond van leeftijd. De bestreden maatregel heeft immers niet tot gevolg dat « ouderen » in vergelijking met andere personen bijzonder worden benadeeld, daar alle « ouderen » die huishoudelijk afnemer zijn met een energiecontract voor hun woonplaats in beginsel in aanmerking komen voor de premies. Het staat in ieder geval vast dat een onderscheiden behandeling gerechtvaardigd is door objectieve factoren die losstaan van enige discriminatie op grond van leeftijd. De Ministerraad verwijst ter zake naar zijn uiteenzetting inzake het eerste onderdeel van het enige middel. A.15.4. Inzake het derde onderdeel van het enige middel voert de Ministerraad aan dat de verzoekende partijen bij dat onderdeel geen belang hebben. Ten gronde stelt de Ministerraad dat er geen sprake is van een indirecte discriminatie van personen met een handicap. De bestreden maatregel heeft immers niet tot gevolg dat personen met een handicap in vergelijking met andere personen bijzonder worden benadeeld, daar alle personen met een handicap die huishoudelijk afnemer zijn met een energiecontract voor hun woonplaats in beginsel in aanmerking komen voor de premies. Aangezien de bestreden bepalingen geen directe of indirecte discriminatie inhouden, kan België niet ertoe gehouden zijn de bestreden bepalingen af te schaffen op grond van artikel 4 van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. Artikel 12 van hetzelfde Verdrag is te dezen niet van toepassing. De verzoekende partijen hebben geen belang bij het aanvoeren van een schending van artikel 19 van hetzelfde Verdrag. Voorts maakt het feit dat bewoners van woonzorgcentra uitgesloten zijn van de premies, geen schending uit van het recht op een behoorlijke levensstandaard, aangezien de bestreden premies niet beogen de levensstandaard van de Belgische bevolking te beschermen. Wat betreft de handhaving van de gevolgen A.16.1. De verzoekende partij in de zaak nr. 8019 is van mening dat de bestreden bepalingen moeten worden vernietigd door daarbij tevens de gevolgen ervan te handhaven gedurende een beperkte periode, tijdens welke de wetgever de gelijkheid zou moeten herstellen door aan de huishoudelijke afnemers die verwarmen met elektriciteit, een aangepaste premie toe te kennen. A.16.2. De Ministerraad verzoekt om, in geval van vernietiging van de bestreden bepalingen in de zaak nr. 8019, de gevolgen ervan definitief te handhaven. Het Hof is hoe dan ook niet bevoegd om aan de wetgever een positief bevel te geven om aan de gezinnen die verwarmen met elektriciteit een premie toe te kennen, zoals de verzoekende partij in de zaak nr. 8019 het Hof vraagt. A.16.3. De verzoekende partij in de zaak nr. 8019 is van mening dat het verzoek van de Ministerraad moet worden verworpen, in zoverre dat zou inhouden dat hij kan nalaten de nodige maatregelen te nemen om de ongelijkheid die de vernietiging heeft verantwoord, te verhelpen. Wat betreft haar eigen verzoek tot handhaving van de gevolgen, preciseert de verzoekende partij in de zaak nr. 8019 dat zij een suggestie formuleert om, enerzijds, de belangen te vrijwaren van de gezinnen die op basis van de bestreden bepalingen een premie hebben ontvangen of nog zullen ontvangen en, anderzijds, de rechten te vrijwaren van de gezinnen die verwarmen met elektriciteit. A.16.4. De Ministerraad is van mening dat in geval van vernietiging, het niet aan het Hof, maar aan de wetgever, toekomt om in een premie te voorzien voor de gezinnen die verwarmen met elektriciteit. 10 A.17.1. In de zaak nr. 8041 verzoekt de Ministerraad het Hof om, indien het beslist de bestreden bepalingen te vernietigen, de gevolgen van de vernietigde bepalingen te handhaven. De verzoekende partijen verzetten zich immers niet tegen de toekenning van de premies als dusdanig, doch enkel tegen het feit dat de bewoners van woonzorgcentra geen recht hebben op die premies. Een vernietiging van de bestreden bepalingen zorgt niet rechtstreeks ervoor dat ze die premies krijgen. De premies zijn ondertussen grotendeels uitbetaald aan de rechthebbenden. Een vernietiging van de rechtsgrond op basis waarvan de premies zijn uitbetaald, zou rechtsonzekerheid met zich meebrengen en zou geen toegevoegde waarde hebben voor de verzoekende partijen. A.17.2. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8041 verzetten zich niet tegen de handhaving van de gevolgen van de bestreden bepalingen. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen en de context ervan B.1. Het economisch herstel na COVID-19 en de invasie van Oekraïne door Rusland hebben aanleiding gegeven tot een aanzienlijke stijging van de energieprijzen. In die context heeft de wetgever verschillende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen genomen om de gezinnen te helpen. Tot die maatregelen behoren : een verwarmingspremie van 100 euro; een toelage van 300 euro voor het aanschaffen van huisbrandolie of propaan in bulk bestemd voor de verwarming van een privéwoning; een toelage van 250 euro voor gezinnen die met pellets verwarmen; een goedkoper basispakket energie voor de gezinnen, dat bestaat in het toekennen van een premie voor elektriciteit en gas; een tijdelijke verlaging van de accijnzen op diesel en op benzine; een tijdelijke btw-verlaging voor elektriciteit en gas; een uitbreiding van het sociaal tarief. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van verschillende wetsbepalingen met betrekking tot de federale gas- en elektriciteitspremies. B.2.1. De wet van 30 oktober 2022 « houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de energiecrisis » (hierna : de wet van 30 oktober 2022) heeft de eerste federale gas- en elektriciteitspremies ingevoerd. Bij die wet kent de wetgever een eenmalige forfaitaire premie van 122 euro toe aan elke huishoudelijke afnemer die op 30 september 2022 een 11 leveringsovereenkomst voor elektriciteit voor diens woonplaats heeft, ofwel met een vaste prijs, die afgesloten of hernieuwd werd na 30 september 2021, ofwel met een variabele prijs (artikel 36, § 1, van de wet). Bovendien wordt een eenmalige forfaitaire premie van 270 euro toegekend aan elke huishoudelijke afnemer die op 30 september 2022 een leveringsovereenkomst voor gas voor diens woonplaats heeft, ofwel met een vaste prijs, die afgesloten of hernieuwd werd na 30 september 2021, ofwel met een variabele prijs (artikel 43, § 1, van de wet). Die premies zijn geldig voor de maanden november en december 2022. Wat de federale gaspremie betreft, hebben de eindafnemers die zijn verbonden met een collectief aansluitingspunt met een gezamenlijke stookinstallatie op gas die een recht op levering genieten in het kader van een overeenkomst die voor de premie in aanmerking komt, die in hun naam en voor hun rekening werd gesloten door een andere huishoudelijke afnemer van dezelfde gezamenlijke stookinstallatie op gas of door een vereniging van mede-eigenaars, eveneens recht op de premie (artikel 43, § 1, tweede lid, van de voormelde wet). Er wordt gepreciseerd dat « de begunstigden […] ook de gas eindafnemers via een gezamenlijke stookinstallatie [omvatten] » (Parl. St., Kamer, 2021-2022, DOC 55-2915/001, p. 19). In beginsel worden de premies automatisch toegekend door de leverancier aan de rechthebbenden (artikelen 37, 38, § 1, en 44 van de wet van 30 oktober 2022). De rechthebbenden aan wie geen federale elektriciteitspremie werd toegekend, kunnen vanaf 23 januari 2023 tot en met 30 april 2023 een schriftelijke of elektronische aanvraag indienen bij de FOD Economie (artikel 38, § 3, van de wet van 30 oktober 2022). Artikel 45, § 3, van de wet van 30 oktober 2022 bevat een gelijksoortige bepaling voor het toekennen van de gaspremie. Een rechthebbende die met meerdere gezinnen of huishoudens gas aankoopt via hetzelfde EAN-aansluitingspunt op het aardgasdistributienet, moet eveneens een aanvraag in die zin indienen bij de FOD Economie (artikel 45, § 1, van dezelfde wet). B.2.2. De eerste federale elektriciteits- en gaspremies beogen « de impact op de energiefactuur van de energiecrisis te verlichten [...] voor gezinnen. Met de keuze om een federale elektriciteits- en gaspremie toe te kennen via de huishoudelijke elektriciteits- en gascontracten [wenst de wetgever] [...] de breedst mogelijke groep [te bereiken] binnen de 12 federale bevoegdheden (energieprijzen) » (Parl. St., Kamer, 2021-2022, DOC 55-2915/001, p. 19). Met betrekking tot de rechthebbenden van de premies vermeldt de parlementaire voorbereiding : « Personen die verblijven in een woongelegenheid waar de inwoners verblijfkosten betalen of waarvoor werkingstoelagen worden toegekend, kwalificeren niet als rechthebbenden aangezien zij geen leveringsovereenkomst gesloten hebben. Zo behoren rusthuizen en hun bewoners dus niet tot de rechthebbenden wegens vallende onder de bevoegdheden van de Gemeenschappen. Immers, de toekenning van een premie aan mensen in rusthuizen is gekoppeld aan de gemeenschapsbevoegdheid inzake zorg en bijstand aan personen. Echter, de gas eindafnemers achter een collectief aansluitpunt die via een gezamenlijke stookinstallatie op gas een recht op levering genieten in het kader van een overeenkomst bedoeld in het eerste lid onder deze titel 1 die in diens naam en voor diens rekening gesloten werd door een andere huishoudelijke afnemer van dezelfde gezamenlijke stookinstallatie of door een vereniging van mede-eigenaars, hebben wel recht op de premie. Zo behoren bewoners van appartementsgebouwen en andere mede-eigendom met een gezamenlijke stookinstallatie op gas wel tot de rechthebbenden » (ibid., p. 20). Wat het bedrag van de premie betreft, wordt in de parlementaire voorbereiding vermeld : « De beoogde premie bedraagt 270 euro voor gas en 122 euro voor elektriciteit. Wat de premie voor gas betreft, komt de hoogte van de premie overeen met de gemiddelde korting op jaarbasis die een huishouden zou genieten mocht deze 5 MWh aan een gereguleerd tarief (0,13 euro/kWh all-
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.