← België

ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.065

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 20 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.065 Arrest- Rolnummer: 65/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-08-08 Raadplegingen: 291 - laatst gezien 2026-06-17 19:49 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de beroepen tot gedeeltelijke vernietiging van de wet van 19 december 2022 « houdende toekenning van een tweede federale elektriciteits- en gaspremie », ingesteld door Anne Thirion, door Guy van Hoye en door de vzw « OKRA, trefpunt 55+ » en anderen, en tot vernietiging van de artikelen 36 tot 40 en 58, § 1, van de wet van 30 oktober 2022 « houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de energiecrisis », ingesteld door Anne Thirion. Energie - Energiecrisis - Prijsstijgingen - Verwarmingspremie - Gezinnen die verwarmen met elektriciteit - Bewoners van woonzorgcentra Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 65/2024 van 20 juni 2024 Rolnummers : 7990, 8019 en 8041 In zake : de beroepen tot gedeeltelijke vernietiging van de wet van 19 december 2022 « houdende toekenning van een tweede federale elektriciteits- en gaspremie », ingesteld door Anne Thirion, door Guy van Hoye en door de vzw « OKRA, trefpunt 55+ » en anderen, en tot vernietiging van de artikelen 36 tot 40 en 58, § 1, van de wet van 30 oktober 2022 « houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de energiecrisis », ingesteld door Anne Thirion. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Yasmine Kherbache, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 3 mei 2023 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 4 mei 2023, heeft Anne Thirion beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 4 tot 6 en 25, § 1, van de wet van 19 december 2022 « houdende toekenning van een tweede federale elektriciteits- en gaspremie » en van de artikelen 36 tot 40 en 58, § 1, van de wet van 30 oktober 2022 « houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de energiecrisis » (bekendgemaakt respectievelijk in het Belgisch Staatsblad van 23 december 2022 en van 3 november 2022). b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 12 juni 2023 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 14 juni 2023, heeft Guy van Hoye beroep tot gehele of gedeeltelijke vernietiging ingesteld van de artikelen 3 tot 16 van dezelfde wet van 19 december 2022. c. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 22 juni 2023 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 23 juni 2023, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 4, 6, § 3, 11 en 13, § 3, van dezelfde wet van 19 december 2022 door 2 de vzw « OKRA, trefpunt 55+ », Delphine Van Dijck, Jerome Beck en Alfons Verwee, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Mieke Van Den Broeck en Mr. Pauline Delgrange, advocates bij de balie te Brussel. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 7990, 8019 en 8041 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Valérie De Schepper en Mr. Jean-François De Bock, advocaten bij de balie te Brussel, heeft memories ingediend (in alle zaken), de verzoekende partijen in de zaken nrs. 8019 en 8041 hebben memories van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook memories van wederantwoord ingediend (in de zaken nrs. 8019 en 8041). Bij beschikking van 24 april 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Magali Plovie en Willem Verrijdt te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen waren, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaken in beraad zouden worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid Wat betreft de zaken nrs. 7990 en 8019 A.1. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 7990 en 8019 zijn huishoudelijke afnemers die uitsluitend met elektriciteit verwarmen. De verzoekende partijen bekritiseren het feit dat zij krachtens de bestreden wetten, namelijk, in de zaak nr. 7990, de wet van 30 oktober 2022 « houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de energiecrisis » (hierna : de wet van 30 oktober 2022) en de wet van 19 december 2022 « houdende toekenning van een tweede federale elektriciteits- en gaspremie » (hierna : de wet van 19 december 2022), en, in de zaak nr. 8019, de wet van 19 december 2022, worden uitgesloten van de federale gaspremie, zonder recht te hebben op een gelijkwaardige premie voor hun energiebehoeften inzake verwarming. De verzoekende partij in de zaak nr. 8019 is van mening dat er, in geval van vernietiging van de artikelen 3 tot 16 van de wet van 19 december 2022, een redelijke kans bestaat dat zij voor haar elektrische verwarming een premie ontvangt. 3 A.2.1. De Ministerraad is van mening dat het beroep in de zaak nr. 7990 niet ontvankelijk is, aangezien de bestreden bepalingen de belangen van de verzoekende partij niet rechtstreeks en ongunstig kunnen raken en die partij geen nieuwe kans zou kunnen krijgen om haar situatie gunstiger geregeld te zien na een vernietiging. Volgens de Ministerraad doet de verzoekende partij in de zaak nr. 7990 niet blijken van een belang om de bepalingen met betrekking tot de federale elektriciteitspremie te bestrijden. Indien die bepalingen worden vernietigd, zou de verzoekende partij evenmin die premie ontvangen. Zij kan niet beweren dat zij een belang heeft bij de vernietiging van die bepalingen, om de enkele reden dat zij geen recht zou hebben op een andere premie. Die verzoekende partij doet evenmin blijken van een belang bij de vernietiging van de bepalingen met betrekking tot de bijzondere bijdrage energie en met betrekking tot de huishoudelijke afnemers die hetzelfde EAN-aansluitingspunt delen. Zij legt evenmin uit waarom haar beroep enkel is gericht tegen een deel van de bepalingen met betrekking tot de federale elektriciteitspremie en tegen een deel van de bepalingen met betrekking tot de bijzondere bijdrage energie, en niet tegen het geheel van de bepalingen met betrekking tot die twee stelsels. A.2.2. De Ministerraad is van mening dat de verzoekende partij in de zaak nr. 8019 doet blijken van een louter hypothetisch belang in zoverre zij ervan uitgaat dat een vernietiging van de bestreden bepalingen van de wet van 19 december 2022 de wetgever ertoe zou kunnen brengen een premie aan te nemen voor de gezinnen die met elektriciteit verwarmen. De Ministerraad merkt bovendien op dat die verzoekende partij, krachtens de wet van 30 oktober 2022 en de wet van 19 december 2022, minstens, in beginsel, recht heeft op de federale elektriciteitspremies ten bedrage van 122 euro en van 183 euro en dat zij, krachtens de wet van 28 februari 2022 « houdende diverse bepalingen inzake energie » in beginsel recht heeft op een verwarmingspremie van 100 euro en op een tijdelijke btw-verlaging voor elektriciteit. Hij voert aan dat de verzoekende partij in de zaak nr. 8019 niet repliceert op de door hem opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid. Wat betreft de zaak nr. 8041 A.3. De eerste verzoekende partij in de zaak nr. 8041, de vzw « OKRA, trefpunt 55+ », voert aan dat zij volgens haar statuten de belangen van 55-plussers behartigt. Zij zou aldus belang hebben bij het aanvechten van de uitsluiting van personen die in woonzorgcentra verblijven van de elektriciteitspremie en de gaspremie die werden ingevoerd bij de bestreden bepalingen van de wet van 19 december 2022. De tweede en de derde verzoekende partij in de zaak nr. 8041, namelijk Delphine Van Dijck en Jerome Eduard Beck, wonen beiden in een woonzorgcentrum en hebben dienvolgens geen recht op de elektriciteits- en de gaspremie. De vierde verzoekende partij in diezelfde zaak, Alfons Verwee, woont in een assistentiewoning verbonden aan een woonzorgcentrum en heeft geen eigen energiecontracten, waardoor hij geen recht heeft op de elektriciteits- en de gaspremie. Zij zouden allen aldus persoonlijk en direct worden geschaad door de bestreden bepalingen. A.4. De Ministerraad is van mening dat het belang van Alfons Verwee niet vaststaat, daar deze niet aantoont dat hij gas en elektriciteit voor zijn assistentiewoning afneemt via een woonzorgcentrum. Met betrekking tot het belang van de andere verzoekende partijen in de zaak nr. 8041 gedraagt de Ministerraad zich naar de wijsheid van het Hof. Hij meent eveneens dat het beroep niet ontvankelijk is in zoverre het is gericht tegen de artikelen 6, § 3, en 13, § 3, van de wet van 19 december 2022, daar, in geval van vernietiging van de artikelen 4 en 11 van dezelfde wet, niemand nog in aanmerking zou komen voor de elektriciteits- en de gaspremie en de vernietiging van de artikelen 6, § 3, en 13, § 3, in dat opzicht niets zou veranderen. A.5. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8041 antwoorden dat uit de woonovereenkomst voor de assistentiewoningen « Groote Broel » te Kortrijk blijkt dat de inwoners van de assistentiewoningen verplicht zijn om gas, water en elektriciteit af te nemen bij de desbetreffende vereniging zonder winstoogmerk. Ze leggen ter zake stukken ter staving voor aan het Hof en menen dat het belang van Alfons Verwee aldus afdoende is aangetoond. Met betrekking tot de artikelen 6, § 3, en 13, § 3, van de wet van 19 december 2022 antwoorden zij dat die bepalingen onlosmakelijk zijn verbonden met de artikelen 4 en 11 van dezelfde wet, daar, in geval van vernietiging van enkel die laatste bepalingen, de personen die in een collectieve woonvorm wonen nog steeds geen recht zouden hebben op het basispakket elektriciteit, omdat zij geen aanvraag hebben ingediend via het in de artikelen 6, § 3, en 13, § 3, bedoelde mechanisme. 4 Ten gronde Wat betreft de zaken nrs. 7990 en 8019 A.6.1. In haar eerste middel voert de verzoekende partij in de zaak nr. 7990 een schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. A.6.2. Het eerste onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7990 is gericht tegen de artikelen 36 tot 40 van de wet van 30 oktober 2022 en de artikelen 4 tot 6 van de wet van 19 december 2022. Die bepalingen doen een niet redelijk verantwoord verschil in behandeling ontstaan onder huishoudelijke afnemers, naargelang zij beschikken over een leveringscontract voor elektriciteit en gas of enkel over een leveringscontract voor elektriciteit. Die twee categorieën van personen zijn vergelijkbaar. Het verschil in behandeling tussen hen is niet adequaat ten aanzien van het doel om de gezinnen te helpen het hoofd te bieden aan de energiecrisis. De huishoudelijke afnemers die enkel een leveringscontract voor elektriciteit hebben, kunnen immers enkel in aanmerking komen voor de laagste van de twee in de bestreden bepalingen bedoelde premies, zonder in aanmerking te kunnen komen voor de financiële steun waarin wordt voorzien bij de wet van 26 juni 2022 « houdende toekenning van een toelage voor het aanschaffen van huisbrandolie of propaan in bulk bestemd voor de verwarming van een privéwoning » (hierna : de wet van 26 juni 2022), noch voor de financiële steun bedoeld in de artikelen 3 tot 16 van de programmawet van 26 december 2022. Aan die huishoudelijke afnemers, die 7 % van de gezinnen vertegenwoordigen, wordt 70 % van de overheidshulp ter algemene ondersteuning van gezinnen ontzegd. Er bestaan alternatieve maatregelen voor de bestreden maatregel. Het zou immers mogelijk zijn om een premie toe te kennen aan de gezinnen die uitsluitend met elektriciteit verwarmen, om te voorzien in een soepele premieregeling waarbij rekening wordt gehouden met de concrete uitgaven van de gezinnen tot een bepaald plafond, om te voorzien in een vaste premie met een vast supplement indien wordt verwarmd met elektriciteit, of nog, om de elektriciteitspremie te verhogen door het in aanmerking genomen totaalverbruik te wijzigen. Het verschil in behandeling is onevenredig in zoverre de verantwoordingen waarop het berust, verkeerd en onnauwkeurig zijn. Enerzijds had de federale overheid, aangezien de energiecrisis in 2021 is begonnen, op het einde van 2022 genoeg tijd gehad om de impact ervan te evalueren en om een niet-discriminerende ondersteuningsmaatregel te nemen voor de gezinnen. Anderzijds wordt de werklast die zou voortvloeien uit het in aanmerking nemen van het concreet verbruik van de gezinnen of de energiebronnen die zij gebruiken, niet geëvalueerd, noch aangetoond. A.6.3. Het tweede en het derde onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7990 zijn gericht tegen artikel 36 van de wet van 30 oktober 2022 en artikel 4 van de wet van 19 december 2022. A.7. In haar tweede middel voert de verzoekende partij in de zaak nr. 7990 de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, door artikel 58, § 1, van de wet van 30 oktober 2022 en door artikel 25, § 1, van de wet van 19 december 2022. A.8. De verzoekende partij in de zaak nr. 8019 leidt een enig middel af uit de schending, door de artikelen 3 tot 16 van de wet van 19 december 2022, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij de gezinnen die verwarmen met huisbrandolie, met propaan of met gas en de gezinnen die verwarmen met elektriciteit (in het bijzonder die welke verwarmen door middel van elektrische accumulatoren, elektrische vloerverwarming of enig ander elektrisch apparaat), verschillend behandelen. Die verzoekende partij zet een argumentatie uiteen die analoog is aan de argumentatie die is uiteengezet in het eerste onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7990. Het is niet de energiebron, maar de stijging van de energiekosten die pertinent is om te bepalen wie recht heeft op ondersteuning vanwege de overheid en in welke mate. A.9. Wat betreft het eerste onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7990, betwist de Ministerraad dat de huishoudelijke afnemers die beschikken over een leveringscontract voor elektriciteit en gas en de huishoudelijke afnemers die enkel beschikken over een leveringscontract voor elektriciteit, vergelijkbaar zijn. Ten eerste zijn die twee categorieën van huishoudelijke afnemers niet vergelijkbaar ten aanzien van het door de wetgever nagestreefde 5 doel om een premie toe te kennen die niet is gekoppeld aan het verbruik voor elke soort energiebron. Ten tweede vloeit de impact van de premies op de gezinnen niet voort uit de bestreden bepalingen, maar uit de feitelijke situatie van de gezinnen. De premies zijn ingevoerd op gelijkmatige wijze. Het gezin dat zijn woning en zijn water verwarmt met elektriciteit heeft recht op de federale elektriciteitspremie, net zoals het gezin dat zijn woning en zijn water verwarmt met gas. Ten derde heeft de wetgever in andere premies voorzien om het hoofd te bieden aan de stijging van de energiefacturen naast de federale premies per energiebron. Uit al die ondersteuningsmaatregelen blijkt dat de twee categorieën van huishoudelijke afnemers niet verschillend worden behandeld. De Ministerraad voert in ondergeschikte orde aan dat de bestreden bepalingen tot doel hebben de stijging van de energiefacturen te matigen, en niet die stijging volledig te compenseren, voor een zo breed mogelijke groep mensen. Dat doel is legitiem. Het criterium van de betrokken energiebron is objectief en pertinent. De bestreden elektriciteitspremies zijn bovendien adequaat ten aanzien van de door de wetgever nagestreefde doelen. Het feit dat de huishoudelijke afnemers die enkel beschikken over een leveringscontract voor elektriciteit, niet de eerste financiële steun hebben ontvangen die werd geregeld bij de wet van 26 juni 2022 en dat zij niet de federale gaspremie ontvangen, doet hieraan geen afbreuk. De wetgever beschikt over een ruime beoordelingsbevoegdheid inzake energie. Hij vermag de verscheidenheid van situaties op vereenvoudigde wijze op te vangen. Het bestaan van alternatieve maatregelen voor de bestreden maatregelen is niet relevant. De verzoekende partij toont niet aan dat de bestreden bepalingen op een duidelijke beoordelingsfout berusten, noch dat ze niet redelijk verantwoord zijn. Die elektriciteitspremies zijn noodzakelijk om de impact van de crisis op de energiefactuur te verminderen. Rekening houdend met de andere federale maatregelen die zijn genomen inzake energie, is het onjuist dat een persoon elke federale tegemoetkoming in de verwarmingskosten kan worden ontzegd en dat de huishoudelijke afnemers slechts voor een enkele premie in aanmerking komen. De keuze om geen rekening te houden met de omvang van de concrete energiekosten en het concreet energieverbruik is evenredig met het nagestreefde doel. Het is onjuist dat de wetgever de complexiteit en de administratieve last had moeten verduidelijken die de door de verzoekende partij aangevoerde alternatieve maatregelen met zich zouden hebben meegebracht. De verzoekende partij in de zaak nr. 7990 vergist zich wat betreft de impact van de crisis en de tijd die noodzakelijk is om dergelijke maatregelen in te voeren. Bovendien is het niet onredelijk dat de wetgever een mechanisme overneemt dat hij reeds heeft gebruikt. Een variabele premie zou de inwerkingstelling en de controle van de maatregel aanzienlijk bemoeilijken, hetgeen in strijd zou zijn met het doel om de impact van de energiecrisis zo snel mogelijk te verzachten. Een variabele premie zou overigens inhouden dat rekening wordt gehouden met de premies en de toelagen die reeds bestaan voor de andere energiebronnen. De gevolgen van de bestreden premies kunnen enkel algemeen worden beoordeeld. De gezinnen die met elektriciteit verwarmen, genieten in dat opzicht de btw-verlaging naar 6 % waartoe werd beslist in het kader van de energiecrisis. Op de federale maatregelen zal toezicht worden gehouden en zij zullen, in voorkomend geval, worden aangepast. Zij houden rekening met de gewestelijke maatregelen die ook de impact van de energiecrisis verlichten, zoals de gewestelijke subsidies die zijn toegekend bij de installatie van warmtepompen. Tot slot heeft de afdeling wetgeving van de Raad van State in haar advies nr. 72.459/3 van 14 november 2022 erkend dat de uit de bestreden bepalingen ontstane verschillen in behandeling niet discriminerend zijn. A.10. Wat de zaak nr. 8019 betreft, preciseert de Ministerraad dat het, aangezien de federale elektriciteitspremie geen verband houdt met het verbruik of met de concrete behoeften van de gezinnen, niet pertinent is te weten of zij al dan niet betrekking heeft op de kosten voor verwarming. A.11. De verzoekende partij in de zaak nr. 8019 preciseert dat het feit dat bij de federale elektriciteitspremie geen rekening wordt gehouden met het werkelijke verbruik van elk gezin, niet wil zeggen dat de wetgever, om het bedrag van de premie te bepalen, geen rekening heeft gehouden met een bepaald « standaardverbruik » per energiebron van een type huishouden in een type woning. Anders zou de vraag moeten rijzen of het bedrag van de verschillende premies niet willekeurig is vastgesteld, hetgeen niet toelaatbaar zou zijn in een rechtsstaat. Volgens die verzoekende partij kan worden aangenomen dat een afnemerstype dat verwarmt met gas, 17 000 kWh aardgas verbruikt, waarvan 15 000 kWh voor het verwarmen van ruimtes en 2 000 kWh voor het verwarmen van sanitair water, terwijl de gezinnen met een elektriciteitsaansluiting met exclusief nachttarief 12 500 kWh verbruiken voor het verwarmen van ruimtes en sanitair water. Bij die cijfers wordt rekening gehouden met de respectieve doeltreffendheid van elk van de energiebronnen. 6 Aangezien de wetgever geen rekening heeft willen houden met de verschillende feitelijke situaties van de gezinnen wat betreft de inspanningen die zijn geleverd om hun energieverbruik te verminderen, kan volgens die verzoekende partij evenmin daarmee rekening worden gehouden om te besluiten dat de gezinnen zich niet in voldoende vergelijkbare situaties bevinden. De verzoekende partij in de zaak nr. 8019 preciseert dat haar kritiek is gebaseerd op de cijfers die werden gegeven door de minister van Economie, de Vlaamse overheid, de CREG en de VREG. Vervolgens zijn de bestaande verschillen met betrekking tot de energieprijs in de verschillende gewesten, niet van dien aard dat zij haar stelling ongeldig maken, volgens welke gas bijna tweemaal zoveel zou kosten als huisbrandolie en propaan, en elektriciteit meer dan tweemaal zoveel zou kosten als gas. Ten slotte had de wetgever, indien hij rekening had willen houden met de gewestelijke subsidies voor warmtepompen, de gezinnen die de premie voor elektrische verwarming hebben genoten, moeten uitsluiten. A.12. De Ministerraad betwist de cijfers met betrekking tot het verbruik die door de verzoekende partij in de zaak nr. 8019 naar voren zijn gebracht, alsook het idee dat er een volledig vergelijkbare energiebehoefte tussen de verschillende gezinnen zou bestaan. Hij betwist ook de gegevens met betrekking tot de prijzen die worden gehanteerd door de verzoekende partij, die haar bronnen niet aanhaalt en geen rekening houdt met de concrete prijsschommelingen tijdens het betrokken jaar. Wat betreft de zaak nr. 8041 A.13. De verzoekende partijen voeren de schending aan, door de artikelen 4, 6, § 3, 11 en 13, § 3, van de wet van 19 december 2022, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 2 en 11 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten en met de artikelen 4, 5, 12, 19 en 28 van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. A.14.1. Het eerste onderdeel van het enige middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De bestreden bepalingen voeren een verschil in behandeling in tussen personen die een residentieel energiecontract hebben en personen die dat niet hebben, in zoverre de eerste groep een elektriciteitspremie van 183 euro en een gaspremie van 405 euro ontvangt, terwijl de tweede groep die premies niet ontvangt. Die bepalingen voeren eveneens een verschil in behandeling in tussen personen die in een collectieve woonvorm wonen, vaak een rust- en verzorgingstehuis, een assistentiewoning of een woonzorgcentrum, en anderen. Het onderscheid tussen beide categorieën is weliswaar objectief : de ene groep heeft een contract met een energieleverancier en de andere niet. Dat criterium is evenwel vreemd aan de doelstelling van de bestreden bepalingen, zijnde een financiële steun toekennen aan het grootst mogelijk aantal burgers voor de toegenomen energiekostprijs. De beide categorieën bevinden zich in een soortgelijke situatie ten aanzien van dat doel : zij hebben allebei te lijden onder de gestegen kosten, hetgeen de wetgever zelf ook toegeeft. Het kan objectief worden vastgesteld dat de dagprijzen, zijnde de prijs die een bewoner van een woonzorgcentrum betaalt, de voorbije maanden gestegen zijn vanwege de hogere energieprijzen. De dagprijs omvat immers de woonkosten, met de energiekosten als onderdeel. De stijging van de kostprijs van energie wordt bijgevolg doorgerekend aan de bewoners. Bovendien is ook de koppeling van de prijzen aan de consumptieprijsindex een koppeling aan de energieprijzen. In Vlaanderen werd bij omzendbrief beslist dat de dagprijzen vanaf 1 maart 2022 tweemaal per jaar konden worden verhoogd, in plaats van voordien slechts éénmaal per jaar, gelet op de stijging van de levensduurte en in het bijzonder van de energiefacturen. Tussen 1 maart 2022 en 28 april 2022 bedroeg de gemiddelde indexering voor de 367 voorzieningen die een indexatiedossier indienden 6,77 %, hetgeen een prijsstijging van gemiddeld 124 euro per maand voor die voorzieningen betekent. Sindsdien gaan de stijgingen gewoon door. In de loop van 2022 verhoogde de maandprijs van een gemiddelde eenpersoonskamer met 197,50 euro, of gemiddeld met 10,4 %. Ook de bewoners van de groep Orpea Belgique, een van de grootste private uitbaters van woonzorgcentra in Wallonië en Brussel, zagen de prijzen stijgen met 8,04 %, hetzij 150 euro per maand. De bewering dat de bewoners van collectieve woonvormen minder geconfronteerd worden met de stijgende prijzen, is dan ook onjuist. Het feit dat de energiekosten niet rechtstreeks maar via de dagprijs worden doorgerekend, is irrelevant. Aangezien de gestegen energiekosten mogen en zullen worden doorgerekend in de 7 dagprijs, zorgt dit hoogstens voor een vertraagde doorrekening, maar niet voor een verminderde. Het armoederisico van bewoners van woonzorgcentra was vóór de prijsstijgingen al zeer hoog. Dat maakt het des te problematischer dat die groep personen wordt uitgesloten van een maatregel die de impact van de stijging van de energiefacturen moet verzachten. Het feit dat het omslachtiger zou zijn om de premie toe te kennen aan personen die geen residentieel energiecontract hebben, kan niet worden beschouwd als een redelijke verantwoording voor het verschil in behandeling. De wet voorziet in een mechanisme voor personen die de premie niet ontvangen via hun energieleverancier. Het is dus perfect mogelijk om in een apart mechanisme te voorzien voor personen die niet over een residentieel energiecontract beschikken. Het uitsluiten van een categorie van personen omdat de administratie dan gemakkelijker haar werk kan doen, is niet redelijk. Voorts kan niet worden aangevoerd dat de toekenning van de premies een gemeenschapsbevoegdheid is in zoverre zij moeten worden uitbetaald aan de bewoners van rusthuizen. Zoals ook de afdeling wetgeving van de Raad van State heeft opgemerkt, is de toekenning van een dergelijke premie aan iedereen, met inbegrip van de bewoners van collectieve woonvormen, wel degelijk een federale bevoegdheid. Tot slot kan niet worden aangevoerd dat woonzorgcentra minder energiekosten zouden maken per hoofd dan gewone gezinnen. De wetgever koos er immers uitdrukkelijk voor de premies aan iedereen uit te betalen, ongeacht of de begunstigde effectief last heeft van de gestegen energieprijzen. Bovendien kan men zich vragen stellen bij de waarachtigheid van de stelling dat woonzorgcentra minder energiekosten zouden hebben. Rekening houdend met de kwetsbaarheid en de gevoeligheid van de bewoners moet de kamertemperatuur er immers minstens 22 °C bedragen en moet er goed worden geventileerd. Men kan voorts bezwaarlijk argumenteren dat de verschillen in de prijs voor energie die particulieren en woonzorgcentra betalen, die in sommige gevallen onbestaande zijn of zelfs omgekeerd (goedkoper voor de residentiële gebruiker dan voor de professionele gebruiker), een redelijke verantwoording bieden voor het feit dat de bewoners van de woonzorgcentra worden uitgesloten van het voordeel van de premies. Dat er andere accijnzenpercentages gelden voor zakelijke dan voor particuliere energieafnemers, laat niet toe om te oordelen dat de energieprijzen minder zouden stijgen voor bewoners van woonzorgcentra. Bovendien zijn de bedragen die de zakelijke afnemers minder aan accijnzen moeten betalen, niet in verhouding met de betaalde premies, die overigens worden toegekend ongeacht de feitelijke kostprijs die de afnemer betaalt per eenheid energie. De energienorm kan volgens de verzoekende partijen niet als een aparte milderende factor worden beschouwd, daar die norm eveneens betrekking heeft op de lagere accijnzen voor zakelijke afnemers. Zij menen ten slotte dat de gemeenschappen niet hebben voorzien in beperkingen voor de mate waarin zorginstellingen energiekosten kunnen doorrekenen aan hun bewoners. Daar het verschil in behandeling aldus steunt op argumenten die geen verband houden met de doelstelling van de premies, is het verschil in behandeling zonder redelijke verantwoording. De verzoekende partijen vermelden ook nog dat de bewoners van woonzorgcentra en rust- en verzorgingstehuizen ook uitgesloten worden van het sociaal tarief en aanvankelijk ook van de btw-verlaging voor elektriciteit. Er is dan ook geen evenredigheid tussen de bestreden maatregel en het door de wetgever nagestreefde doel. A.14.2. Het tweede onderdeel van het enige middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 2 en 11 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten. Door personen die in een woonzorgcentrum wonen van de premies uit te sluiten, wordt een bevolkingsgroep uitgesloten die voornamelijk samengesteld is uit personen van hogere leeftijd. Het ogenschijnlijk neutrale criterium van het hebben van een residentieel energiecontract, leidt dus tot een indirecte discriminatie op grond van leeftijd. Zoals reeds aangetoond in het eerste onderdeel van het enige middel, is er voor dat onderscheid geen redelijke verantwoording. Daar de premies ertoe strekken de levensstandaard te beschermen, wordt aldus afbreuk gedaan aan de artikelen 2 en 11 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, op grond waarvan het recht op een behoorlijke levensstandaard zonder discriminatie dient te worden gewaarborgd. A.14.3. Het derde onderdeel van het enige middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 4, 5, 12, 19 en 28 van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. Aangezien mensen die in woonzorgcentra wonen een zodanige verminderde zelfredzaamheid hebben dat zij niet langer zelfstandig kunnen wonen, ressorteren zij in beginsel onder de definitie van personen met een handicap die is neergelegd in artikel 1, tweede alinea, van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. Personen die in collectieve woonvormen wonen en worden uitgesloten van de energiepremies, zijn vooral mensen 8 in rusthuizen en woonzorgcentra die vanwege hun verminderde zelfredzaamheid niet (langer) zelfstandig kunnen wonen. Het gaat dan ook om een indirecte discriminatie op grond van handicap, waarvoor geen redelijke verantwoording bestaat. Bijgevolg is artikel 5 van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap geschonden, artikel dat bepaalt dat de lidstaten bij het Verdrag erkennen dat eenieder gelijk is voor de wet. Voorts schendt de wetgever aldus de algemene verplichtingen die op België rusten krachtens artikel 4 van het voormelde Verdrag. De bestreden bepalingen zijn tevens in strijd met artikel 12, lid 5, van hetzelfde Verdrag, dat bepaalt dat personen met een handicap op voet van gelijkheid met anderen recht hebben op eigendom, evenals met artikel 19 van het voormelde Verdrag, dat bepaalt dat de sociale diensten en faciliteiten voor het algemene publiek op voet van gelijkheid beschikbaar moeten zijn voor personen met een handicap. Daar de aangevoerde discriminatie op grond van handicap een invloed heeft op de leefkwaliteit van ouderen met een verhoogde zorgnood, is ook artikel 28 van het voormelde Verdrag geschonden. A.15.1. Met betrekking tot het eerste onderdeel van het middel is de Ministerraad van oordeel dat de erin beoogde categorieën van personen niet voldoende vergelijkbaar zijn, zodat de onderscheiden behandeling niet kan leiden tot een schending van het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Bewoners van collectieve woonzorgcentra kunnen eveneens met hogere energieprijzen worden geconfronteerd, doch niet op dezelfde wijze als de huishoudelijke afnemers met een eigen residentieel energiecontract voor hun woonplaats. De bewoners van woonzorgcentra worden in de regel immers pas met de stijgende energieprijzen geconfronteerd na de gecombineerde en milderende invloed van de gunstigere tarieven in de niet-residentiële energiecontracten waarover woonzorgcentra beschikken, van de energienorm waardoor de woonzorgcentra een korting op hun energiefactuur ontvangen en van het gegeven dat woonzorgcentra de elektriciteits- en gaskosten slechts kunnen doorrekenen aan hun bewoners via de dagprijs en in de mate waarin zulks toegelaten wordt door de betrokken regeling van de gemeenschappen. De energienorm waarborgt dat de prijsstijgingen die te wijten zijn aan de federale belastingen niet langer automatisch worden doorgerekend in de factuur. Zij worden vervangen door accijnzen. Aangezien de bewoners van rusthuizen hun elektriciteit afnemen via een unieke aansluiting en in het kader van een professioneel contract, komt het verbruik in een hogere schijf te liggen, waardoor de woonzorgcentra de degressieve accijnzenpercentages kunnen genieten. Ziekenhuizen en woonzorgcentra komen hierdoor in aanmerking voor een korting op de factuur ten opzichte van de voorgaande jaren, korting die merkelijk groter is dan die voor de huishoudelijke afnemers. De stijging van de dagprijs voor woonzorgcentra is overigens het gevolg van verschillende factoren, zoals de loonindexering voor de werknemers in zorgcentra. A.15.2. In ondergeschikte orde stelt de Ministerraad dat de bestreden maatregelen een legitiem doel nastreven, namelijk de impact op de energiefactuur van de energiecrisis dringend verlichten door in een goedkoper basispakket energie te voorzien voor gezinnen. In het licht van dat doel werd een regeling uitgewerkt die voor de toekenning van de premies in beginsel focust op het criterium van het beschikken over een leveringscontract voor elektriciteit en gas voor de eigen woonplaats. Het betreft een objectief en pertinent criterium. Dat criterium laat een zo breed mogelijk bereik toe van de beoogde doelgroep binnen de federale bevoegdheid inzake energieprijzen. In de regel zullen gezinnen of huishoudens immers elektriciteit en gas afnemen via het door een EAN-code identificeerbaar toegangspunt op het betrokken distributienet per wooneenheid, ook wanneer het gaat om meerdere wooneenheden binnen eenzelfde gebouw. Door het verbod op privédistributienetten is het in beginsel uitgesloten dat meerdere wooneenheden elektriciteit of gas afnemen via een collectief aansluitingspunt. Het gekozen criterium komt ook tegemoet aan de wil om de premies zo snel mogelijk en met redelijke inspanningen te kunnen uitkeren. Voor de toekenning van die premies kan immers in belangrijke mate worden teruggevallen op de gegevensstromen en de automatisering in het kader van de toekenning van het sociaal tarief voor elektriciteit en gas. Het is tot slot niet disproportioneel dat de bewoners van woonzorgcentra uitgesloten zijn van de premies door het criterium te hanteren van het beschikken over een energieleveringscontract voor de eigen woonplaats. Personen die niet beschikken over een dergelijk residentieel energiecontract voor de eigen woonplaats, en in het bijzonder de bewoners van woonzorgcentra, zullen in de regel immers minstens op een minder acute of directe wijze worden geconfronteerd met de hogere energieprijzen. De Ministerraad wijst ter zake erop dat de toekenning van de premies aan individuele bewoners van Vlaamse woonzorgcentra zou inhouden dat die federale premies in ieder geval worden toegekend, terwijl enkel de Vlaamse Gemeenschap kan beslissen of en in welke mate zij via de dagprijs daadwerkelijk geconfronteerd worden met de stijgende energiekosten. De Ministerraad beklemtoont dat de verantwoording voor het verschil in behandeling geenszins terug te voeren is op een onbevoegdheid van de federale overheid, evenals dat de federale wetgever zich loyaal heeft willen opstellen ten aanzien van de regelingen die de gemeenschappen hebben uitgewerkt in verband met de mate waarin zorginstellingen energiekosten kunnen 9 doorrekenen aan hun bewoners. Voorts dient rekening te worden gehouden met het feit dat de wetgever ernaar streefde de premies zo snel mogelijk toe te kennen, met oog voor de betrokken administratieve inspanningen. Ideeën inzake een eventuele verdere verfijning van de toekenningscriteria lijken haaks te staan op het streven naar een snelle en eenvoudige toekenning van de premies. Tot slot merkt de Ministerraad op dat de regeling inzake de premies verder kan evolueren en te analyseren is binnen een ruimer pakket aan maatregelen die de wetgever reeds genomen heeft en nog zal nemen. Indien de situatie dat vereist en de mogelijkheden zich voordoen, zal de wetgever dus niet nalaten bijkomende steun te bieden. De Ministerraad besluit dat de bestreden bepalingen het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet- discriminatie niet schenden. A.15.3. Inzake het tweede onderdeel van het enige middel voert de Ministerraad aan dat er geen sprake is van een indirecte discriminatie op grond van leeftijd. De bestreden maatregel heeft immers niet tot gevolg dat « ouderen » in vergelijking met andere personen bijzonder worden benadeeld, daar alle « ouderen » die huishoudelijk afnemer zijn met een energiecontract voor hun woonplaats in beginsel in aanmerking komen voor de premies. Het staat in ieder geval vast dat een onderscheiden behandeling gerechtvaardigd is door objectieve factoren die losstaan van enige discriminatie op grond van leeftijd. De Ministerraad verwijst ter zake naar zijn uiteenzetting inzake het eerste onderdeel van het enige middel. A.15.4. Inzake het derde onderdeel van het enige middel voert de Ministerraad aan dat de verzoekende partijen bij dat onderdeel geen belang hebben. Ten gronde stelt de Ministerraad dat er geen sprake is van een indirecte discriminatie van personen met een handicap. De bestreden maatregel heeft immers niet tot gevolg dat personen met een handicap in vergelijking met andere personen bijzonder worden benadeeld, daar alle personen met een handicap die huishoudelijk afnemer zijn met een energiecontract voor hun woonplaats in beginsel in aanmerking komen voor de premies. Aangezien de bestreden bepalingen geen directe of indirecte discriminatie inhouden, kan België niet ertoe gehouden zijn de bestreden bepalingen af te schaffen op grond van artikel 4 van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. Artikel 12 van hetzelfde Verdrag is te dezen niet van toepassing. De verzoekende partijen hebben geen belang bij het aanvoeren van een schending van artikel 19 van hetzelfde Verdrag. Voorts maakt het feit dat bewoners van woonzorgcentra uitgesloten zijn van de premies, geen schending uit van het recht op een behoorlijke levensstandaard, aangezien de bestreden premies niet beogen de levensstandaard van de Belgische bevolking te beschermen. Wat betreft de handhaving van de gevolgen A.16.1. De verzoekende partij in de zaak nr. 8019 is van mening dat de bestreden bepalingen moeten worden vernietigd door daarbij tevens de gevolgen ervan te handhaven gedurende een beperkte periode, tijdens welke de wetgever de gelijkheid zou moeten herstellen door aan de huishoudelijke afnemers die verwarmen met elektriciteit, een aangepaste premie toe te kennen. A.16.2. De Ministerraad verzoekt om, in geval van vernietiging van de bestreden bepalingen in de zaak nr. 8019, de gevolgen ervan definitief te handhaven. Het Hof is hoe dan ook niet bevoegd om aan de wetgever een positief bevel te geven om aan de gezinnen die verwarmen met elektriciteit een premie toe te kennen, zoals de verzoekende partij in de zaak nr. 8019 het Hof vraagt. A.16.3. De verzoekende partij in de zaak nr. 8019 is van mening dat het verzoek van de Ministerraad moet worden verworpen, in zoverre dat zou inhouden dat hij kan nalaten de nodige maatregelen te nemen om de ongelijkheid die de vernietiging heeft verantwoord, te verhelpen. Wat betreft haar eigen verzoek tot handhaving van de gevolgen, preciseert de verzoekende partij in de zaak nr. 8019 dat zij een suggestie formuleert om, enerzijds, de belangen te vrijwaren van de gezinnen die op basis van de bestreden bepalingen een premie hebben ontvangen of nog zullen ontvangen en, anderzijds, de rechten te vrijwaren van de gezinnen die verwarmen met elektriciteit. A.16.4. De Ministerraad is van mening dat in geval van vernietiging, het niet aan het Hof, maar aan de wetgever, toekomt om in een premie te voorzien voor de gezinnen die verwarmen met elektriciteit. 10 A.17.1. In de zaak nr. 8041 verzoekt de Ministerraad het Hof om, indien het beslist de bestreden bepalingen te vernietigen, de gevolgen van de vernietigde bepalingen te handhaven. De verzoekende partijen verzetten zich immers niet tegen de toekenning van de premies als dusdanig, doch enkel tegen het feit dat de bewoners van woonzorgcentra geen recht hebben op die premies. Een vernietiging van de bestreden bepalingen zorgt niet rechtstreeks ervoor dat ze die premies krijgen. De premies zijn ondertussen grotendeels uitbetaald aan de rechthebbenden. Een vernietiging van de rechtsgrond op basis waarvan de premies zijn uitbetaald, zou rechtsonzekerheid met zich meebrengen en zou geen toegevoegde waarde hebben voor de verzoekende partijen. A.17.2. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8041 verzetten zich niet tegen de handhaving van de gevolgen van de bestreden bepalingen. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen en de context ervan B.1. Het economisch herstel na COVID-19 en de invasie van Oekraïne door Rusland hebben aanleiding gegeven tot een aanzienlijke stijging van de energieprijzen. In die context heeft de wetgever verschillende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen genomen om de gezinnen te helpen. Tot die maatregelen behoren : een verwarmingspremie van 100 euro; een toelage van 300 euro voor het aanschaffen van huisbrandolie of propaan in bulk bestemd voor de verwarming van een privéwoning; een toelage van 250 euro voor gezinnen die met pellets verwarmen; een goedkoper basispakket energie voor de gezinnen, dat bestaat in het toekennen van een premie voor elektriciteit en gas; een tijdelijke verlaging van de accijnzen op diesel en op benzine; een tijdelijke btw-verlaging voor elektriciteit en gas; een uitbreiding van het sociaal tarief. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van verschillende wetsbepalingen met betrekking tot de federale gas- en elektriciteitspremies. B.2.1. De wet van 30 oktober 2022 « houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de energiecrisis » (hierna : de wet van 30 oktober 2022) heeft de eerste federale gas- en elektriciteitspremies ingevoerd. Bij die wet kent de wetgever een eenmalige forfaitaire premie van 122 euro toe aan elke huishoudelijke afnemer die op 30 september 2022 een 11 leveringsovereenkomst voor elektriciteit voor diens woonplaats heeft, ofwel met een vaste prijs, die afgesloten of hernieuwd werd na 30 september 2021, ofwel met een variabele prijs (artikel 36, § 1, van de wet). Bovendien wordt een eenmalige forfaitaire premie van 270 euro toegekend aan elke huishoudelijke afnemer die op 30 september 2022 een leveringsovereenkomst voor gas voor diens woonplaats heeft, ofwel met een vaste prijs, die afgesloten of hernieuwd werd na 30 september 2021, ofwel met een variabele prijs (artikel 43, § 1, van de wet). Die premies zijn geldig voor de maanden november en december 2022. Wat de federale gaspremie betreft, hebben de eindafnemers die zijn verbonden met een collectief aansluitingspunt met een gezamenlijke stookinstallatie op gas die een recht op levering genieten in het kader van een overeenkomst die voor de premie in aanmerking komt, die in hun naam en voor hun rekening werd gesloten door een andere huishoudelijke afnemer van dezelfde gezamenlijke stookinstallatie op gas of door een vereniging van mede-eigenaars, eveneens recht op de premie (artikel 43, § 1, tweede lid, van de voormelde wet). Er wordt gepreciseerd dat « de begunstigden […] ook de gas eindafnemers via een gezamenlijke stookinstallatie [omvatten] » (Parl. St., Kamer, 2021-2022, DOC 55-2915/001, p. 19). In beginsel worden de premies automatisch toegekend door de leverancier aan de rechthebbenden (artikelen 37, 38, § 1, en 44 van de wet van 30 oktober 2022). De rechthebbenden aan wie geen federale elektriciteitspremie werd toegekend, kunnen vanaf 23 januari 2023 tot en met 30 april 2023 een schriftelijke of elektronische aanvraag indienen bij de FOD Economie (artikel 38, § 3, van de wet van 30 oktober 2022). Artikel 45, § 3, van de wet van 30 oktober 2022 bevat een gelijksoortige bepaling voor het toekennen van de gaspremie. Een rechthebbende die met meerdere gezinnen of huishoudens gas aankoopt via hetzelfde EAN-aansluitingspunt op het aardgasdistributienet, moet eveneens een aanvraag in die zin indienen bij de FOD Economie (artikel 45, § 1, van dezelfde wet). B.2.2. De eerste federale elektriciteits- en gaspremies beogen « de impact op de energiefactuur van de energiecrisis te verlichten [...] voor gezinnen. Met de keuze om een federale elektriciteits- en gaspremie toe te kennen via de huishoudelijke elektriciteits- en gascontracten [wenst de wetgever] [...] de breedst mogelijke groep [te bereiken] binnen de 12 federale bevoegdheden (energieprijzen) » (Parl. St., Kamer, 2021-2022, DOC 55-2915/001, p. 19). Met betrekking tot de rechthebbenden van de premies vermeldt de parlementaire voorbereiding : « Personen die verblijven in een woongelegenheid waar de inwoners verblijfkosten betalen of waarvoor werkingstoelagen worden toegekend, kwalificeren niet als rechthebbenden aangezien zij geen leveringsovereenkomst gesloten hebben. Zo behoren rusthuizen en hun bewoners dus niet tot de rechthebbenden wegens vallende onder de bevoegdheden van de Gemeenschappen. Immers, de toekenning van een premie aan mensen in rusthuizen is gekoppeld aan de gemeenschapsbevoegdheid inzake zorg en bijstand aan personen. Echter, de gas eindafnemers achter een collectief aansluitpunt die via een gezamenlijke stookinstallatie op gas een recht op levering genieten in het kader van een overeenkomst bedoeld in het eerste lid onder deze titel 1 die in diens naam en voor diens rekening gesloten werd door een andere huishoudelijke afnemer van dezelfde gezamenlijke stookinstallatie of door een vereniging van mede-eigenaars, hebben wel recht op de premie. Zo behoren bewoners van appartementsgebouwen en andere mede-eigendom met een gezamenlijke stookinstallatie op gas wel tot de rechthebbenden » (ibid., p. 20). Wat het bedrag van de premie betreft, wordt in de parlementaire voorbereiding vermeld : « De beoogde premie bedraagt 270 euro voor gas en 122 euro voor elektriciteit. Wat de premie voor gas betreft, komt de hoogte van de premie overeen met de gemiddelde korting op jaarbasis die een huishouden zou genieten mocht deze 5 MWh aan een gereguleerd tarief (0,13 euro/kWh all-

  1. in)beleverd worden en voor 12 MWh aan een commercieel tarief (0,26 euro/kWh all-
  2. in)tegenover een volledige afname (17 MWh) aan datzelfde commercieel tarief. De korting die op jaarbasis is berekend wordt als een eenmalige premie toegekend en wordt niet aangepast op basis van [het] verbruik van het huishouden. Wat de premie voor elektriciteit betreft, komt de hoogte van de premie overeen met de gemiddelde korting op jaarbasis die een huishouden zou genieten mocht deze 1,5 MWh aan een gereguleerd tarief (0,24 euro/kWh all-
  3. in)beleverd worden en voor 2 MWh aan een commercieel tarief (0,44 euro/kWh all-
  4. in)tegenover een volledige afname (3,5 MWh) aan datzelfde commercieel tarief. De korting die op jaarbasis is berekend wordt als een eenmalige premie toegekend en wordt niet aangepast op basis van [het] verbruik van het huishouden. In geen enkel geval doet de premie afbreuk aan de btw die verschuldigd is als aandeel in de factuur of in de openstaande schuld. Vanuit btw-perspectief moet worden opgemerkt dat deze federale elektriciteits- en gaspremie noch [kan worden gekwalificeerd] als een prijssubsidie in de zin van artikel 26, § 1, eerste lid, van het btw-wetboek, noch als een prijsvermindering in de zin van artikel 28, 2°, van voormeld wetboek. Er is immers geen noodzakelijk verband tussen de toegekende premie en de elektriciteits- en gasfactuur waarop zij wordt verrekend. In de meeste gevallen houdt de premie immers verband met de elektriciteits- en gasfactuur van het gezin waaraan de premie via de elektriciteits- en gasfactuur 13 wordt toegekend. De elektriciteitsfactuur wordt dus louter en alleen als technisch instrument gebruikt voor de toekenning van de premie. Het uitgespaarde bedrag kan vrij door het betrokken gezin [worden] gebruikt, al dan niet ter besteding aan consumentengoederen of -diensten. De termen ‘ factuur ’, ‘ creditnota ’, ‘ korting ’, etc., moeten dan ook in het kader van de specifieke voorliggende wetgeving worden geïnterpreteerd en staan los van de klassieke invulling ervan in het kader van de btw-wetgeving. De maatstaf van heffing die als heffingsbasis geldt voor de btw geheven over de levering van elektriciteit en gas, mag dus in geen enkel geval worden verminderd naar aanleiding van deze titel » (ibid., p. 21). B.3. Bij de wet van 19 december 2022 « houdende toekenning van een tweede federale elektriciteits- en gaspremie » (hierna : de wet van 19 december 2022) breidt de wetgever het basispakket energie uit tot de maanden januari, februari en maart 2023, door de tweede federale premies voor elektriciteit en gas in te voeren, in het verlengde van de eerste premies. De voorwaarden om de premies te genieten zijn grotendeels identiek aan de voorwaarden waarin is voorzien bij de wet van 30 oktober 2022, zij het dat de situatie van de rechthebbende wordt beoordeeld op 31 december 2022 en dat het bedrag van de premie 183 euro bedraagt voor elektriciteit en 405 euro voor gas (artikelen 4, § 1, en 11, § 1, van de wet van 19 december 2022). Ingevolge een opmerking van de afdeling wetgeving van de Raad van State wordt het bedrag van de premies aanvullend verantwoord als volgt : « Met de ontworpen regeling wordt beoogd eenmalig in een goedkoper basispakket energie te voorzien voor gezinnen, bestaande uit twee afzonderlijke premies bestemd voor huishoudelijk verbruik van elektriciteit en gas ongeacht de omvang van het energieverbruik en ongeacht de exclusieve dan wel gecombineerde afname van elektriciteit respectievelijk van gas voor verschillende soorten huishoudelijk gebruik (verlichting, koken, verwarming, enz.). Immers, voornoemd basispakket werd opgezet als een eenmalige en forfaitaire elektriciteits- en gaspremie telkens bestaande uit een absoluut bedrag dat het resultaat is van een gemiddeld jaarlijkse kost voor een meest voorkomend verbruiksprofiel in het land. Hierbij werd gebruik gemaakt van de redelijkerwijze beschikbare gegevens inzake het gemiddelde verbruik van huishoudelijke afnemers, rekening houdende met het streven om de premies zo snel mogelijk toe te kennen. De ratio legis van dit wetsontwerp bestaat erin om de impact van de energiecrisis op de energiefactuur van gezinnen te verlichten door een goedkoper basispakket energie te voorzien en rechtvaardigt het determinerend criterium om als rechthebbende van de premie te kwalificeren, met name de hoedanigheid van huishoudelijke afnemer en gerechtigde op een recht van levering in het kader van een leveringsovereenkomst met betrekking tot elektriciteit dan wel gas, die gesloten werd in een periode waarin de energieprijzen buitengewone hoogtes hebben bereikt, i.e. een leveringsovereenkomst die nog actief is op 31 december 2022 met een variabele prijs of met een vaste prijs mits gesloten of hernieuwd na 30 september 2021, en dat 14 ongeacht of er in de periode waarvoor de premie wordt toegekend daadwerkelijk een levering werd ontvangen of niet. De toepassing van een variërende premie op basis van concreet verbruik of een differentiatie van verbruiksprofielen op basis van de ingezette energiebronnen voor het huishouden, zou een complexe en significante administratieve last creëren die niet in verhouding zou staan tot het beoogde doel en waarbij bovendien rekening zou moeten worden gehouden met reeds bestaande premies of toelagen voor de specifieke andere energiebronnen. De uitrol van de slimme meter is ook nog niet voldoende ver gevorderd om het individueel verbruik van iedere huishoudelijke afnemer te kennen » (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3016/001, pp. 9-10). In de Kamercommissie heeft de minister van Energie uitgelegd : « Discriminatie en Gelijkheidsbeginsel De Raad van State heeft een verduidelijking gevraagd van het onderscheid tussen het basispakket gas en het basispakket elektriciteit. In de memorie van toelichting werd dit verduidelijkt op basis van vier punten : - Het gaat om een basispakket voor twee vectoren, nl. gas en elektriciteit, waarbij er gewerkt wordt met een schijf van verbruik waarop een gereguleerd en verminderd tarief wordt toegepast, los van het globale verbruik van iemand. - De forfaitaire premies zijn berekend aan de hand van gemiddelde jaarlijkse kosten voor een meest voorkomend verbruiksprofiel, op basis van de boordtabellen van de CREG. - De digitale meter is nog niet volledig uitgerold, waardoor het verbruik van de klanten niet gekend is. - De toepassing van een variërende premie naargelang van het verbruik is administratief niet eenvoudig te realiseren en brengt een snelle beslissing om de premie bij de burgers te krijgen in gevaar. Warmtepompen en accumulatie Het basispakket gaat over een tegemoetkoming voor het huishoudelijke verbruik van elektriciteit en van gas. Warmtepompen en accumulatieverwarming kwamen reeds aan bod tijdens de bespreking van de eerste premies, alsook van de Algemene Beleidsnota. De Raad van State geeft aan dat er niet kan en mag worden gedifferentieerd in de korting voor elektriciteit : ‘ Een verhoogde premie voor een huishoudelijke afnemer die enkel een leveringsovereenkomst voor elektriciteit heeft en die zijn woning met elektriciteit verwarmt, zou op gespannen voet kunnen staan met dat opzet, los van de praktische problemen om die afnemer te onderscheiden van andere huishoudelijke afnemers die enkel een leveringsovereenkomst voor elektriciteit hebben maar andere energiebronnen gebruiken om hun woonplaats te verwarmen ’. Op basis van dit advies is het probleem van de mensen die zich verwarmen met warmtepompen of accumulatie moeilijker op te lossen dan wat op het eerste [gezicht] lijkt. 15 Meerdere stookinstallaties voor één toegangspunt De minister heeft geen kennis van de specifieke situatie die [het lid] aanhaalt. Zij gaat ervan uit dat het om een privénet of een gesloten distributienet gaat, en dus niet om een levering via de publieke netten. Daardoor valt een dergelijke situatie, op [het] eerste [gezicht], buiten het toepassingsgebied van dit wetsontwerp. De minister is bereid om specifieke situaties te bestuderen maar zij kan zich moeilijk inbeelden dat het om zeer veel situaties gaat. Zij onderstreept ook dat de regelingen omtrent dergelijke privénetten of gesloten distributienetten verschillend zijn naar gelang het gewest waar ze zich bevinden » (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3016/004, pp. 9-10). Ten aanzien van de ontvankelijkheid Wat betreft de zaak nr. 7990 B.4.1. De Ministerraad voert aan dat de verzoekende partij in de zaak nr. 7990 niet doet blijken van een belang bij de vernietiging van de door haar bestreden bepalingen, die alle betrekking hebben op de federale elektriciteitspremies. B.4.2. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. B.4.3. De verzoekende partij in de zaak nr. 7990 vordert de vernietiging van de artikelen 36 tot 40 en 58, § 1, van de wet van 30 oktober 2022 met betrekking tot de eerste federale elektriciteitspremie en van de artikelen 4 tot 6 en 25, § 1, van de wet van 19 december 2022 met betrekking tot de tweede federale elektriciteitspremie. De verzoekende partij in de zaak nr. 7990 komt in beginsel in aanmerking voor die premies. Zij heeft bijgevolg geen belang bij de vernietiging van de bepalingen die in die premies voorzien. Het beroep in de zaak nr. 7990 is niet ontvankelijk bij gebrek aan belang. 16 Wat betreft de zaak nr. 8019 B.5.1. De Ministerraad voert aan dat de verzoekende partij in de zaak nr. 8019 doet blijken van een louter hypothetisch belang in zoverre zij ervan uitgaat dat een vernietiging van de bestreden bepalingen van de wet van 19 december 2022 de wetgever ertoe zou kunnen brengen een premie vast te leggen voor de gezinnen die verwarmen met elektriciteit. B.5.2. Opdat de verzoekende partij van het vereiste belang doet blijken, is niet vereist dat een eventuele vernietiging haar een onmiddellijk voordeel zou opleveren. De omstandigheid dat zij, als gevolg van de indiening van haar beroep, opnieuw een kans zou kunnen krijgen dat haar situatie in gunstigere zin wordt geregeld, volstaat om haar belang te verantwoorden. B.5.3. Zulks is te dezen het geval, aangezien de wetgever, in geval van een vernietiging van de bestreden bepalingen, ertoe zou kunnen worden gebracht nieuwe bepalingen aan te nemen waarbij een premie wordt toegekend aan de gezinnen die, zoals de verzoekende partij in de zaak nr. 8019, verwarmen met elektriciteit. Bijgevolg doet de verzoekende partij in de zaak nr. 8019 blijken van een belang om de vernietiging te vorderen van de artikelen 10 tot 16 van de wet van 19 december 2022 met betrekking tot de tweede federale gaspremie. De verzoekende partij in de zaak nr. 8019 doet daarentegen niet blijken van een belang om de vernietiging te vorderen van de artikelen 3 tot 9 van dezelfde wet met betrekking tot de tweede federale elektriciteitspremie, om dezelfde redenen als die welke in B.4.3 zijn vermeld. Wat betreft de zaak nr. 8041 B.6.1. De Ministerraad betwist niet dat de vzw « OKRA, trefpunt 55+ », die volgens haar statuten de belangen van 55-plussers behartigt, en de tweede en de derde verzoekende partij, die in een woonzorgcentrum wonen, belang hebben bij de vernietiging van de artikelen 4 en 11 van de wet van 19 december 2022, in zoverre die de bewoners van woonzorgcentra van de tweede elektriciteits- en gaspremies uitsluiten. 17 De Ministerraad voert evenwel aan dat het belang van de vierde verzoekende partij niet vaststaat omdat niet is aangetoond dat zij gas en/of elektriciteit voor haar assistentiewoning afneemt via een woonzorgcentrum, en dat de verzoekende partijen geen belang hebben bij het derde onderdeel van het door hen aangevoerde middel. B.6.2. Bij hun memorie van antwoord hebben de verzoekende partijen, door middel van de overlegging van de woonovereenkomst voor de desbetreffende assistentiewoning, aangetoond dat de vierde verzoekende partij geen eigen energiecontracten heeft en gas en elektriciteit afneemt via de desbetreffende vereniging zonder winstoogmerk. Daar de vierde verzoekende partij geen huishoudelijk afnemer van elektriciteit en gas is in de zin van de artikelen 4 en 11 van de wet van 19 december 2022, wordt zij van de tweede elektriciteits- en gaspremies uitgesloten en doet zij blijken van een belang bij het beroep in zoverre het is gericht tegen de voormelde bepalingen. B.6.3. Zodra het belang van de verzoekende partijen bij het beroep tot vernietiging is aangetoond, dienen zij niet daarenboven te getuigen van een belang bij elk van de middelen of de onderdelen van de middelen die zij aanvoeren. De door de Ministerraad aangevoerde exceptie met betrekking tot de ontstentenis van een belang bij het derde onderdeel van het middel wordt verworpen. B.7. De Ministerraad voert eveneens aan dat het beroep niet ontvankelijk is in zoverre het is gericht tegen de artikelen 6, § 3, en 13, § 3, van de wet van 19 december 2022, omdat de vernietiging van die bepalingen de situatie van de verzoekende partijen niet zou raken indien de artikelen 4 en 11 van dezelfde wet zouden worden vernietigd. Zoals in B.6.2 is vermeld, vloeit het feit dat de bewoners van woonzorgcentra worden uitgesloten van de tweede federale elektriciteits- en gaspremies voort uit de artikelen 4 en 11 van de wet van 19 december 2022. Het Hof beperkt zijn onderzoek dan ook tot die bepalingen en onderzoekt de artikelen 6, § 3, en 13, § 3, van dezelfde wet niet. Indien het Hof het middel gegrond acht, zouden de laatstgenoemde bepalingen evenwel kunnen worden vernietigd indien zou blijken dat zij onlosmakelijk verbonden zijn met de overige ongrondwettig bevonden bepalingen. 18 B.8. De beroepen zijn dus ontvankelijk in zoverre zij betrekking hebben op de artikelen 10 tot 16 van de wet van 19 december 2022 (zaak nr. 8019) en op de artikelen 4 en 11 van dezelfde wet (zaak nr. 8041). Ten gronde Wat betreft het verschil in behandeling tussen de personen die met gas, huisbrandolie of propaan in bulk verwarmen en de personen die met elektriciteit verwarmen B.9. De verzoekende partij in de zaak nr. 8019 voert aan dat de artikelen 10 tot 16 van de wet van 19 december 2022 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden, in zoverre zij de gezinnen die verwarmen met elektriciteit en de gezinnen die verwarmen met gas, met huisbrandolie of met propaan in bulk, verschillend behandelen. De gezinnen die verwarmen met elektriciteit, zouden enkel een federale elektriciteitspremie ontvangen, terwijl de gezinnen die verwarmen met gas, met huisbrandolie of met propaan in bulk, naast die federale elektriciteitspremie, een extra premie of toelage voor gas, huisbrandolie of propaan in bulk zouden ontvangen. De gezinnen die tot beide categorieën behoren, zouden nochtans om te verwarmen vergelijkbare hoeveelheden energie verbruiken, in verschillende vormen. De verzoekende partijen zijn van mening dat de gezinnen die verwarmen met elektriciteit, recht zouden moeten hebben op een premie die gelijk is aan die welke wordt toegekend aan de gezinnen die verwarmen met gas of, minstens, op een aangepaste premie. B.10.1. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. B.10.2. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende 19 beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.11. In sociaaleconomische aangelegenheden beschikt de wetgever over een ruime beoordelingsmarge. Het Hof zou de maatregelen die in die aangelegenheid door hem zijn genomen, slechts kunnen afkeuren indien zij op een manifeste vergissing zouden berusten of indien zij onredelijk zouden zijn. De wetgever kan bovendien geen rekening houden met de bijzonderheden van elk gegeven geval. Hij moet gebruik kunnen maken van categorieën die, noodzakelijkerwijs, de verscheidenheid aan toestanden slechts met een zekere graad van benadering opvangen. B.12.1. De Ministerraad voert aan dat de eventueel verschillende impact van de genomen maatregelen op de gezinnen niet voortvloeit uit die maatregelen, maar uit de feitelijke situaties van de gezinnen, die verschillen op grond van onder meer het soort van energie dat wordt gebruikt voor de verschillende energiebehoeften en op grond van de inspanningen die zijn geleverd om het energieverbruik te verminderen. Volgens de Ministerraad zijn de in B.9 vermelde categorieën van personen niet vergelijkbaar. B.12.2. Zoals het Hof bij zijn arrest nr. 166/2023 van 30 november 2023 (ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.166) heeft geoordeeld, behandelen de bestreden bepalingen, in zoverre die aan de gezinnen die een leveringsovereenkomst voor gas hebben afgesloten of die verwarmen met huisbrandolie of met propaan in bulk, een premie of toelage toekennen, mits een aantal voorwaarden in acht worden genomen, naast de federale elektriciteitspremie die zij daarenboven zouden kunnen genieten, die gezinnen anders dan de gezinnen die verwarmen met elektriciteit en die enkel recht hebben op de federale elektriciteitspremie. De omstandigheid dat die premies en toelagen een verschillende weerslag kunnen hebben op de gezinnen, rekening houdend met hun feitelijke situatie, doet daaraan geen afbreuk. B.12.3. Daarenboven zijn de in B.9 vermelde categorieën van personen vergelijkbaar, in zoverre het in beide gevallen gaat om gezinnen die kunnen worden geraakt door de stijging van de energieprijzen en die, in dat opzicht, aanspraak kunnen maken op diverse premies en toelagen van de overheid. 20 B.13.1. Het verschil in behandeling berust op een objectief criterium, namelijk het feit dat het gezin een leveringsovereenkomst voor gas heeft afgesloten of huisbrandolie of propaan in bulk geleverd heeft gekregen van een onderneming teneinde zijn hoofdverblijfplaats te verwarmen, of niet. B.13.2. Zoals in B.1 tot B.3 is vermeld, strekken de door de wetgever ingevoerde premies en toelagen ertoe de impact van de stijging van de energieprijzen op de facturen van de gezinnen zo snel mogelijk te verlichten. Ten aanzien van dat doel is het niet onredelijk dat de wetgever die premies en toelagen heeft toegekend op grond van de betrokken energiebron, zonder rekening te houden met het werkelijke verbruik van de gezinnen, noch met het concrete gebruik dat die kunnen maken van de verbruikte energie (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3016/001, pp. 8-10; Parl. St., Kamer, 2021-2022, DOC 55-2915/001, p. 21). Die vereenvoudigende benadering van een verscheidenheid aan toestanden is des te meer verantwoord, gelet op het gegeven dat de bestreden maatregelen deel uitmaken van een geheel van punctuele crisismaatregelen waarbij de wetgever snel heeft willen antwoorden op de impact van de buitengewone stijging van de energieprijzen. Het kan de wetgever bijgevolg niet worden verweten dat hij niet heeft voorzien in een bijkomende premie voor de gezinnen die verwarmen met elektriciteit, om reden van de moeilijkheden die zijn vermeld in de in B.3 geciteerde parlementaire voorbereiding. B.14. Uit het voorgaande vloeit voort dat het bestreden verschil in behandeling tussen de gezinnen die verwarmen met gas, met huisbrandolie of met propaan in bulk en de gezinnen die verwarmen met elektriciteit, redelijk verantwoord is. B.15. Het enige middel in de zaak nr. 8019 is niet gegrond. Wat betreft het verschil in behandeling tussen de personen die een residentieel elektriciteits- en gascontract hebben en de personen die in een collectieve woonvorm wonen B.16. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8041 voeren aan dat de artikelen 4 en 11 van de wet van 19 december 2022 een onverantwoord verschil in behandeling invoeren tussen 21 personen die een residentieel elektriciteits- en gascontract hebben en personen die in een collectieve woonvorm wonen, in zoverre enkel de eerstgenoemde categorie recht heeft op de tweede elektriciteits- en gaspremies. Dat verschil in behandeling zou de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden (eerste onderdeel van het enige middel). In zoverre het een indirecte discriminatie op grond van leeftijd en handicap zou vormen, zou het de artikelen 2 en 11 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (tweede onderdeel van het enige middel) en de artikelen 4, 5, 12, 19 en 28 van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (derde onderdeel van het enige middel), in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, schenden. Het Hof onderzoekt de drie onderdelen van het enige middel samen. Uit de uiteenzetting van het middel blijkt dat de verzoekende partijen in het bijzonder de uitsluiting bekritiseren van de bewoners van woonzorgcentra, evenals van de bewoners van assistentiewoningen die voor hun energielevering afhankelijk zijn van een woonzorgcentrum. Het Hof beperkt dan ook zijn onderzoek van de grondwettigheid van de bestreden bepalingen tot die categorieën van personen. B.17.1. De artikelen 2 en 11 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten bepalen : « Artikel 2 1. Iedere Staat die partij is bij dit Verdrag verbindt zich maatregelen te nemen, zowel zelfstandig als binnen het kader van de internationale hulp en samenwerking, met name op economisch en technisch gebied, en met volledige gebruikmaking van de hem ter beschikking staande hulpbronnen, ten einde met alle passende middelen, inzonderheid de invoering van wettelijke maatregelen, tot een algehele verwezenlijking van de in dit Verdrag erkende rechten te komen. 2. De Staten die partij zijn bij dit Verdrag verbinden zich te waarborgen dat de in dit Verdrag opgesomde rechten zullen worden uitgeoefend zonder discriminatie van welke aard ook, wat betreft ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status. 22 3. De ontwikkelingslanden kunnen, daarbij behoorlijk rekening houdend met de rechten van de mens en hun nationale economie, bepalen in hoeverre zij de in dit Verdrag erkende economische rechten aan niet-onderdanen zullen waarborgen ». « Artikel 11 1. De Staten die partij zijn bij dit Verdrag erkennen het recht van een ieder op een behoorlijke levensstandaard voor zichzelf en zijn gezin, daarbij inbegrepen behoorlijke voeding, kleding en huisvesting, en op steeds betere levensomstandigheden. De Staten die partij zijn bij dit Verdrag nemen passende maatregelen om de verwezenlijking van dit recht te verzekeren, daarbij het essentieel belang erkennende van vrijwillige internationale samenwerking. 2. De Staten die partij zijn bij dit Verdrag, het fundamentele recht erkennende van een ieder gevrijwaard te zijn tegen honger, nemen zowel zelfstandig als door middel van internationale samenwerking de maatregelen, waaronder mede begrepen bijzondere programma's, die nodig zijn ten einde :
  5. a)De methoden voor de voortbrenging, verduurzaming en verdeling van voedsel te verbeteren door volledige gebruikmaking van de technische en wetenschappelijke kennis, door het geven van voorlichting omtrent de beginselen der voedingsleer en door het ontwikkelen of reorganiseren van agrarische stelsels op zodanige wijze dat de meest doelmatige ontwikkeling en benutting van natuurlijke hulpbronnen wordt verkregen;
  6. b)Een billijke verdeling van de wereldvoedselvoorraden in verhouding tot de behoefte te verzekeren, daarbij rekening houdende met de problemen van zowel de voedsel invoerende als de voedsel uitvoerende landen ». B.17.2. De artikelen 1, 4, 5, 12, 19 en 28 van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap bepalen : « Artikel 1 Doelstelling Doel van dit Verdrag is het volledige genot door alle personen met een handicap van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid te bevorderen, beschermen en waarborgen, en ook de eerbiediging van hun inherente waardigheid te bevorderen. Personen met een handicap omvat personen met langdurige fysieke, mentale, verstandelijke of zintuiglijke beperkingen die hen in wisselwerking met diverse drempels kunnen beletten volledig, daadwerkelijk en op voet van gelijkheid met anderen te participeren in de samenleving ». « Artikel 4 Algemene verplichtingen 23 1. De Staten die Partij zijn verplichten zich te waarborgen en bevorderen dat alle personen met een handicap zonder enige vorm van discriminatie op grond van hun handicap ten volle alle mensenrechten en fundamentele vrijheden kunnen uitoefenen. Hiertoe verplichten de Staten die Partij zijn zich :
  7. a)tot het aannemen van alle relevante wetgevende, administratieve en andere maatregelen voor de tenuitvoerlegging van de rechten die in dit Verdrag erkend worden;
  8. b)tot het nemen van alle relevante maatregelen, met inbegrip van wetgeving, teneinde bestaande wetten, voorschriften, gebruiken en praktijken aan te passen, of af te schaffen die discriminatie vormen van personen met een handicap;
  9. c)bij al hun beleid en programma's rekenschap te geven van de bescherming en bevordering van de mensenrechten van personen met een handicap;
  10. d)te onthouden van elke handeling of praktijk die onverenigbaar is met dit Verdrag en te waarborgen dat de overheid en de overheidsinstellingen handelen in overeenstemming met dit Verdrag;
  11. e)tot het nemen van alle passende maatregelen om discriminatie op grond van een handicap door personen, organisaties of particuliere ondernemingen uit te bannen;
  12. f)tot het uitvoeren of bevorderen van onderzoek naar en ontwikkeling van universeel ontworpen goederen, diensten, uitrusting en faciliteiten zoals omschreven in artikel 2 van dit Verdrag, die zo min mogelijk moeten worden aangepast en dit tegen de laagste kosten, om te beantwoorden aan de specifieke behoeften van personen met een handicap, het bevorderen van de beschikbaarheid en het gebruik ervan, en het bevorderen van universele ontwerpen bij de ontwikkeling van normen en richtlijnen;
  13. g)tot het uitvoeren of bevorderen van onderzoek naar en ontwikkeling van, en het bevorderen van de beschikbaarheid en het gebruik van nieuwe technologieën, met inbegrip van informatie- en communicatietechnologieën, mobiliteitshulpmiddelen, instrumenten en ondersteunende technologieën, die geschikt zijn voor personen met een handicap, waarbij de prioriteit uitgaat naar betaalbare technologieën;
  14. h)tot het verschaffen van toegankelijke informatie aan personen met een handicap over mobiliteitshulpmiddelen, apparaten en ondersteunende technologieën, met inbegrip van nieuwe technologieën, alsmede andere vormen van hulp, ondersteunende diensten en faciliteiten;
  15. i)de training te bevorderen van vakspecialisten en personeel die werken met personen met een handicap, op het gebied van de rechten die in dit Verdrag worden erkend, teneinde de door deze rechten gewaarborgde hulp en diensten beter te kunnen verlenen. 2. Wat betreft economische, sociale en culturele rechten, verplicht elke Staat die Partij is zich om maatregelen te nemen met volledige gebruikmaking van de hem ter beschikking staande hulpbronnen en, waar nodig, in het kader van internationale samenwerking, om steeds dichter bij een algehele verwezenlijking van de in dit Verdrag erkende rechten te komen, onverminderd de in dit Verdrag vervatte verplichtingen die volgens het internationale recht onverwijld van toepassing zijn. 24 3. Bij de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van wetgeving en beleid tot uitvoering van dit Verdrag en bij andere besluitvormingsprocessen betreffende aangelegenheden die betrekking hebben op personen met een handicap, plegen de Staten die Partij zijn nauw overleg met personen met een handicap, met inbegrip van kinderen met een handicap, en betrekken hen daar via hun representatieve organisaties actief bij. 4. Geen enkele bepaling van dit Verdrag tast bepalingen aan die in sterkere mate bijdragen aan de verwezenlijking van de rechten van personen met een handicap en die vervat kunnen zijn in het recht van een Staat die Partij is, of in het internationale recht dat voor die Staat van kracht is. Het is niet toegestaan enig mensenrecht dat, of fundamentele vrijheid die in een Staat die Partij is bij dit Verdrag, ingevolge wettelijke bepalingen, overeenkomsten, voorschriften of gewoonten wordt erkend of bestaat, te beperken of ervan af te wijken, onder voorwendsel dat dit Verdrag die rechten of vrijheden niet of in mindere mate erkent. 5. De bepalingen van dit Verdrag strekken zich zonder beperking of uitzondering uit tot alle delen van federale Staten ». « Artikel 5 Gelijkheid en niet-discriminatie 1. De Staten die Partij zijn, erkennen dat eenieder gelijk is voor de wet en zonder onderscheid recht heeft op dezelfde bescherming door, en hetzelfde voordeel van de wet. 2. De Staten die Partij zijn, verbieden alle discriminatie op grond van handicap en garanderen personen met een handicap op voet van gelijkheid daadwerkelijke wettelijke bescherming tegen discriminatie op welke grond dan ook. 3. Teneinde gelijkheid te bevorderen en discriminatie uit te bannen, nemen de Staten die Partij zijn alle passende maatregelen om te waarborgen dat redelijke aanpassingen worden verricht. 4. Specifieke maatregelen die nodig zijn om de feitelijke gelijkheid van personen met een handicap te bespoedigen of verwezenlijken, worden niet aangemerkt als discriminatie in de zin van dit Verdrag ». « Artikel 12 Gelijkheid voor de wet 1. De Staten die Partij zijn bevestigen opnieuw dat personen met een handicap overal als persoon erkend worden voor de wet. 2. De Staten die Partij zijn erkennen dat personen met een handicap op voet van gelijkheid met anderen in alle aspecten van het leven rechtsbekwaam zijn. 25 3. De Staten die Partij zijn nemen passende maatregelen om personen met een handicap toegang te verschaffen tot de ondersteuning die zij mogelijk behoeven bij de uitoefening van hun rechtsbekwaamheid. 4. De Staten die Partij zijn waarborgen dat alle maatregelen die betrekking hebben op de uitoefening van rechtsbekwaamheid, voorzien in passende en doeltreffende waarborgen in overeenstemming met het internationale recht inzake de mensenrechten om misbruik te voorkomen. Deze waarborgen dienen te verzekeren dat maatregelen met betrekking tot de uitoefening van rechtsbekwaamheid de rechten, wil en voorkeuren van de desbetreffende persoon respecteren, vrij zijn van conflicterende belangen of onbehoorlijke beïnvloeding, proportioneel zijn en aangepast zijn aan de omstandigheden van de persoon in kwestie, van toepassing zijn gedurende een zo kort mogelijke periode en onderworpen zijn aan een regelmatige beoordeling door een bevoegde, onafhankelijke en onpartijdige autoriteit of gerechtelijke instantie. De waarborgen dienen evenredig te zijn aan de mate waarin deze maatregelen van invloed zijn op de rechten en belangen van de persoon in kwestie. 5. Met inachtneming van de bepalingen van dit artikel nemen de Staten die Partij zijn alle passende en doeltreffende maatregelen om de rechten te garanderen van personen met een handicap, op voet van gelijkheid met anderen, op eigendom of het erven van vermogen en te waarborgen dat zij hun eigen financiële zaken kunnen behartigen en onder dezelfde voorwaarden als anderen toegang hebben tot bankleningen, hypotheken en andere vormen van financiële kredietverstrekking en verzekeren zij dat het vermogen van personen met een handicap hen niet willekeurig wordt ontnomen ». « Artikel 19 Zelfstandig wonen en deel uitmaken van de maatschappij De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag erkennen het recht van alle personen met een handicap om in de maatschappij te wonen met dezelfde keuzemogelijkheden als anderen en nemen doeltreffende en passende maatregelen om het personen met een handicap gemakkelijker te maken dit recht ten volle uit te oefenen en volledig deel uit te maken van, en te participeren in de maatschappij, onder meer door te waarborgen dat :
  16. a)personen met een handicap de kans hebben, op voet van gelijkheid met anderen, vrij hun verblijfplaats te kiezen, alsmede waar en met wie zij leven, en niet verplicht zijn te leven in een bepaalde leefstructuur;
  17. b)personen met een handicap toegang hebben tot een reeks van thuis[-], residentiële en andere maatschappijondersteunende diensten, waaronder persoonlijke assistentie, noodzakelijk om het wonen en de opname in de maatschappij te ondersteunen en isolatie of uitsluiting uit de maatschappij te voorkomen;
  18. c)de sociale diensten en faciliteiten voor het algemene publiek op voet van gelijkheid beschikbaar zijn voor personen met een handicap en beantwoorden aan hun behoeften ». « Artikel 28 Behoorlijke levensstandaard en sociale bescherming 26 1. De Staten die Partij zijn erkennen het recht van personen met een handicap op een behoorlijke levensstandaard voor henzelf en voor hun gezinnen, met inbegrip van voldoende voeding, kleding en huisvesting en op de voortdurende verbetering van hun levensomstandigheden, en nemen passende maatregelen om de uitoefening van dit recht zonder discriminatie op grond van handicap te beschermen en te bevorderen. 2. De Staten die Partij zijn erkennen het recht van personen met een handicap op sociale bescherming en op het genot van dat recht zonder discriminatie op grond van handicap, en nemen passende maatregelen om de verwezenlijking van dat recht te waarborgen en te stimuleren, met inbegrip van maatregelen om :
  19. a)de gelijke toegang voor personen met een handicap tot voorzieningen op het gebied van zuiver water te waarborgen, alsmede toegang te waarborgen tot passende en betaalbare diensten, instrumenten en andere vormen van ondersteuning voor aan de handicap gerelateerde behoeften;
  20. b)de toegang voor personen met een handicap, in het bijzonder voor vrouwen, meisjes en ouderen, tot programma's voor sociale bescherming en het terugdringen van de armoede te waarborgen;
  21. c)voor personen met een handicap en hun gezinnen die in armoede leven de toegang tot hulp van de overheid te waarborgen, voor aan de handicap gerelateerde kosten, met inbegrip van adequate training, advisering, financiële hulp en mantelzorgondersteunende zorg;
  22. d)de toegang voor personen met een handicap te waarborgen tot sociale huisvestingsprogramma's;
  23. e)de toegang voor personen met een handicap te waarborgen tot pensioenuitkeringen en - programma's ». B.18. Zoals in B.11 is vermeld, beschikt de wetgever in sociaaleconomische aangelegenheden over een ruime beoordelingsbevoegdheid. Het Hof vermag, in die aangelegenheid, de beleidskeuzen van de wetgever, alsook de motieven die daaraan ten grondslag liggen, slechts af te keuren indien zij op een manifeste vergissing zouden berusten of indien zij zonder redelijke verantwoording zouden zijn. B.19. Zoals het Hof bij zijn arrest nr. 33/2024 van 21 maart 2024 (ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.033) heeft geoordeeld omtrent bepalingen die analoog zijn met de bestreden bepalingen, heeft het bestreden verschil in behandeling betrekking op personen die een residentieel elektriciteits- en gascontract hebben en op bewoners van woonzorgcentra en van assistentiewoningen die voor hun energielevering afhankelijk zijn van een woonzorgcentrum. Die bewoners zijn in de overgrote meerderheid van de gevallen ouderen of personen die, wegens een vermindering van zelfredzaamheid, niet (meer) in staat zijn om alleen 27 te wonen of zonder hulp alleen te wonen. Er kan van worden uitgegaan dat een groot aantal van die personen beantwoordt aan de definitie van een persoon met een handicap, zoals die is vastgelegd bij artikel 1, tweede alinea, van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. Daaruit volgt dat de bestreden bepalingen een indirect verschil in behandeling op grond van leeftijd en handicap teweegbrengen. B.20.1. Volgens de Ministerraad zijn personen die een residentieel elektriciteits- en gascontract hebben en bewoners van woonzorgcentra en van assistentiewoningen die voor hun energielevering afhankelijk zijn van een woonzorgcentrum niet voldoende vergelijkbaar. De laatstgenoemden zouden in de regel pas met de stijgende energieprijzen worden geconfronteerd na de milderende invloed van de gunstigere tarieven in de niet-residentiële energiecontracten van woonzorgcentra, van de energienorm waardoor de woonzorgcentra een korting op hun energiefactuur ontvangen en van het gegeven dat woonzorgcentra hun bewoners de elektriciteits- en verwarmingskosten slechts kunnen doorrekenen via de dagprijs en in de mate waarin dit toegelaten wordt door de betrokken regeling van de gemeenschappen. B.20.2. Verschil en niet-vergelijkbaarheid mogen niet worden verward. Het verschil waarnaar de Ministerraad verwijst, kan weliswaar een element zijn in de beoordeling van een verschil in behandeling, maar het kan niet volstaan om tot de niet-vergelijkbaarheid te besluiten, anders zou de toetsing aan het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie van elke inhoud worden ontdaan. B.21.1. Volgens artikel 4, § 1, van de wet van 19 december 2022 wordt de elektriciteitspremie toegekend aan « elke huishoudelijke afnemer die op 31 december 2022 een leveringsovereenkomst voor elektriciteit voor diens woonplaats heeft ». Volgens artikel 11, § 1, eerste lid, van die wet wordt de gaspremie toekend aan « elke huishoudelijke afnemer die op 31 december 2022 een leveringsovereenkomst voor gas voor diens woonplaats heeft ». Volgens artikel 11, § 1, tweede lid, van die wet kwalificeren eveneens als rechthebbenden in de zin van het eerste lid, de eindafnemers achter een collectief aansluitingspunt met een gezamenlijke stookinstallatie op gas die een recht op levering genieten in het kader van een overeenkomst bedoeld in het eerste lid, die in hun naam en voor hun rekening gesloten werd door een andere huishoudelijke afnemer van dezelfde gezamenlijke stookinstallatie op gas of door een vereniging van mede-eigenaars (hierna : de eindafnemers in de zin van artikel 11, § 1, tweede lid, van de wet van 19 december 2022). 28 De artikelen 4, § 1, tweede lid, en 11, § 1, derde lid, bepalen dat aan de huishoudelijke afnemers die op 31 december 2022 deel uitmaakten van hetzelfde gezin of huishouden en op hetzelfde adres woonden, de premies slechts één keer worden toegekend. De elektriciteitspremie en de gaspremie worden bijgevolg per huishouden slechts één keer toegekend. Zoals blijkt uit de in B.2.2 aangehaalde parlementaire voorbereiding, zijn « personen die verblijven in een woongelegenheid waar de inwoners verblijfkosten betalen of waarvoor werkingstoelagen worden toegekend » geen rechthebbenden van de elektriciteits- en de gaspremie, « aangezien zij geen leveringsovereenkomst gesloten hebben ». Bovendien zijn zij in beginsel geen eindafnemer in de zin van artikel 11, § 1, tweede lid, van de wet van 19 december 2022. B.21.2 Het bestreden verschil in behandeling berust op objectieve criteria, namelijk, voor de betrokken persoon, het al dan niet beschikken over een residentiële leveringsovereenkomst voor elektriciteit en gas, dan wel het al dan niet eindafnemer zijn in de zin van artikel 11, § 1, tweede lid, van de wet van 19 december 2022. B.22. Zoals in B.2.2 is vermeld, heeft de wetgever met de federale elektriciteits- en gaspremies beoogd om de impact op de energiefactuur van de energiecrisis te verlichten voor de gezinnen en heeft hij met de keuze om die premies toe te kennen via de residentiële elektriciteits- en gascontracten beoogd « de breedst mogelijke groep » te bereiken binnen de federale bevoegdheden. Personen met een residentiële leveringsovereenkomst voor elektriciteit en gas en eindafnemers in de zin van artikel 11, § 1, tweede lid, van de wet van 19 december 2022, enerzijds, en bewoners van woonzorgcentra en van assistentiewoningen die voor hun energielevering afhankelijk zijn van een woonzorgcentrum, anderzijds, bevinden zich objectief in verschillende situaties. Immers, ook al dekt de dagprijs die verschuldigd is door bewoners van woonzorgcentra de uitgaven verbonden aan het energieverbruik en stijgt die dagprijs gedeeltelijk door de stijgende energieprijzen, betalen die bewoners, doordat zij een globaal dienstenpakket genieten, niet zelf rechtstreeks de energie die zij verbruiken, zodat zij op een minder directe wijze worden geconfronteerd met de hogere energieprijzen. Bewoners van 29 assistentiewoningen die voor hun energielevering afhankelijk zijn van een woonzorgcentrum betalen de energie die ze verbruiken evenmin rechtstreeks aan een energieleverancier. De wetgever kon aldus redelijkerwijs ervan uitgaan dat die bewoners niet in dezelfde mate door de hogere energieprijzen worden geraakt als de personen met een residentiële leveringsovereenkomst voor elektriciteit en gas. B.23.1. Er wordt niet aangetoond dat het bestreden verschil in behandeling onevenredige gevolgen heeft voor de bewoners van de woonzorgcentra en van assistentiewoningen die voor hun energielevering afhankelijk zijn van een woonzorgcentrum. Zoals immers blijkt uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 19 december 2022, worden die bewoners slechts met de hogere energieprijzen geconfronteerd « na de gecombineerde, milderende invloed van : 1.) de gunstigere tarieven in het kader van de niet- residentiële energiecontracten waarover zorginstellingen beschikken, 2.) de energienorm die geïntroduceerd werd door de wet van 28 februari 2022 houdende diverse bepalingen inzake energie en 3.) de regelingen voorzien door de gemeenschappen die beperkingen inhouden rond de mate waarin zorginstellingen energiekosten kunnen doorrekenen aan hun bewoners en waarmee [de federale wetgever] niet wenst te interfereren » (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3016/001, p. 7). Er dient overigens rekening te worden gehouden met de steunmaatregelen van de federale overheid en van de deelentiteiten die worden toegekend aan de ondernemingen en, in voorkomend geval, aan de woonzorgcentra, om hen te helpen het hoofd te bieden aan de stijgende energiekosten. B.23.2. Het Hof moet, in zijn onderzoek van de evenredigheid van de maatregel, ook rekening ermee houden dat, zoals in B.19 is vermeld, de bestreden bepalingen tot gevolg hebben sommige ouderen of personen met een handicap ongunstig te behandelen. De betrokken personen lijden dus een specifiek nadeel dat indirect berust op hun leeftijd of op hun handicap. Daar het indirecte verschil in behandeling berust op de handicap, moet het steunen op bijzonder dwingende redenen (EHRM, 30 april 2009, Glor t. Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2009:0430JUD001344404, § 84; 10 maart 2011, Kiyutin t. Rusland, ECLI:CE:ECHR:2011:0310JUD000270010, § 63). 30 Gelet op het gegeven dat de bestreden maatregel deel uitmaakt van een geheel van maatregelen waarbij de wetgever snel een eerste antwoord heeft willen bieden op de impact van de buitengewone stijging van de energieprijzen, kan worden aangenomen dat het verschil in behandeling op bijzonder dwingende redenen van sociaaleconomische aard berust. B.24. Gelet op het voorgaande zijn de bestreden artikelen 4 en 11 van de wet van 19 december 2022 bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de in B.17.1 en B.17.2 vermelde normen, in zoverre zij de bewoners van de woonzorgcentra en van de assistentiewoningen die voor hun energielevering afhankelijk zijn van een woonzorgcentrum uitsluiten van de elektriciteits- en gaspremies. Het enige middel in de zaak nr. 8041 is niet gegrond. 31 Om die redenen, het Hof verwerpt de beroepen. Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 20 juni 2024. De griffier, De voorzitter, Frank Meersschaut Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.065 Gerelateerde publicatie(
  24. s)citeert: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.166 ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.033 ECLI:CE:ECHR:2009:0430JUD001344404 ECLI:CE:ECHR:2011:0310JUD000270010 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.