id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 20 juni 2024 ECLI nr: E
4, van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen », gesteld door de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Vreemdelingenrecht - Toegang en verblijf - Onderdanen van een derde land - Beslissing tot weigering van een studentenvisum - Beroep - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - Vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 66/2024 van 20 juni 2024 Rolnummer : 7996 In zake : de prejudiciële vragen over artikel 39/82, §§
4, van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen », gesteld door de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 10 mei 2023, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 19 mei 2023, heeft de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld : « Schendt artikel 39/82, §
§ 4
, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen de artikelen 10, 11, 13, 22 en 24, § 3, van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6, 8, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 2 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 7, 14, lid 1, 20, 21 en 47 van het Handvest van de grondrechten en met het doeltreffendheidsbeginsel, in zoverre : - het de onderdanen van een derde land ten aanzien van wie een beslissing tot weigering van een studentenvisum is genomen, niet de mogelijkheid biedt om hun zaak bij uiterst dringende noodzakelijkheid aanhangig te maken bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen teneinde de schorsing van die beslissing en van andere voorlopige maatregelen te vorderen of over een rechtsmiddel te beschikken dat gelijkwaardige waarborgen biedt, 2 - terwijl het rechtsmiddel bij uiterst dringende noodzakelijkheid openstaat voor de onderdanen van een derde land ten aanzien van wie een verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel is genomen waarvan de tenuitvoerlegging imminent is, - zelfs ingeval de in het eerste punt bedoelde personen zouden aantonen dat zij blijk hebben gegeven van de vereiste zorgvuldigheid en dat de naleving van de vereiste termijnen voor het instellen van een gewone procedure (schorsing/nietigverklaring) het verloop van de beoogde studie zou kunnen belemmeren en/of onherstelbaar in het gedrang brengen ? Schendt artikel 39/82, §
§ 4
, van de wet van 15 december 1980 de artikelen 10, 11, 13, 22 en 24, § 3, van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6, 8, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 2 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de artikelen 7, 14, lid 1, 20, 21 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie : - in zoverre het de onderdanen van een derde land ten aanzien van wie een beslissing tot weigering van een studentenvisum is genomen, niet de mogelijkheid biedt om hun zaak bij uiterst dringende noodzakelijkheid aanhangig te maken bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen teneinde de schorsing van die beslissing en van andere voorlopige maatregelen te vorderen of over een rechtsmiddel te beschikken dat gelijkwaardige waarborgen biedt, - terwijl het rechtsmiddel bij uiterst dringende noodzakelijkheid voor de Raad van State in beginsel openstaat voor de bestuurden tegen wie een bestuurshandeling is gericht die zij willen betwisten, onder wie met name studenten die in België verblijven, - zelfs ingeval de in het eerste punt bedoelde personen zouden aantonen dat zij blijk hebben gegeven van de vereiste zorgvuldigheid en dat de naleving van de vereiste termijnen voor het instellen van een gewone procedure (schorsing/nietigverklaring) het verloop van de beoogde studie zou kunnen belemmeren en/of onherstelbaar in het gedrang brengen ? Schendt artikel 39/82, §
§ 4
, van de wet van 15 december 1980 de artikelen 10, 11, 13, 22 en 24, § 3, van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6, 8, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 2 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de artikelen 7, 14, lid 1, 20, 21 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie : - in zoverre het de onderdanen van een derde land ten aanzien van wie een beslissing tot weigering van een studentenvisum is genomen, op dezelfde wijze behandelt als alle andere vreemdelingen ten aanzien van wie beslissingen van andere aard zijn genomen op grond van de wet van 15 december 1980, zonder rekening te houden met het omkeerbare of onomkeerbare karakter van het aangevoerde nadeel, met uitsluiting van degenen ten aanzien van wie een verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel is genomen waarvan de tenuitvoerlegging imminent wordt, door hun de toegang te ontzeggen tot de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen teneinde de schorsing van de beslissing tot weigering van een studentenvisum en van andere voorlopige maatregelen te vorderen of over een rechtsmiddel te beschikken dat gelijkwaardige waarborgen biedt, - zelfs ingeval de onderdanen van een derde land ten aanzien van wie een beslissing tot weigering van een studentenvisum is genomen, zouden aantonen dat zij blijk hebben gegeven 3 van de vereiste zorgvuldigheid en dat de naleving van de vereiste termijnen voor het instellen van een gewone procedure (schorsing/nietigverklaring) het verloop van de beoogde studie zou kunnen belemmeren en/of onherstelbaar in het gedrang brengen ? Is artikel 39/82, §
§ 4
, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, ingeval een van de hierboven gestelde prejudiciële vragen ontkennend zou worden beantwoord, in overeenstemming met de artikelen 10, 11, 13, 22 en 24, § 3, van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6, 8, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 2 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 7, 14, lid 1, 20, 21 en 47 van het Handvest van de grondrechten en met het doeltreffendheidsbeginsel, indien het zo wordt geïnterpreteerd dat het : - de onderdanen van een derde land ten aanzien van wie een beslissing tot weigering van een visum voor studiedoeleinden is genomen, - die aantonen dat zij blijk hebben gegeven van de vereiste zorgvuldigheid en dat de naleving van de vereiste termijnen voor het instellen van een gewone procedure (schorsing/nietigverklaring) van dien aard zou zijn dat zij het verloop van de beoogde studie op het Belgische grondgebied zou belemmeren en/of onherstelbaar in het gedrang brengen, - de mogelijkheid biedt om een vordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid in te stellen voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen teneinde de schorsing van de betwiste beslissing en van andere voorlopige maatregelen te verkrijgen ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - de « Ordre des barreaux francophones et germanophone », de vzw « Coordination et Initiatives pour et avec les Réfugiés et Étrangers » en Jean-Marc Picard, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Michel Kaiser, Mr. Cécile Jadot en Mr. Julien Hardy, advocaten bij de balie te Brussel; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Elisabeth Derriks, advocate bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 13 maart 2024 heeft het Hof, na rechter-verslaggeefster Kattrin Jadin en rechter Willem Verrijdt, verslaggever ter vervanging van rechter-verslaggever Danny Pieters, wettig verhinderd, te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 4 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De « Ordre des barreaux francophones et germanophone » (hierna : de OBFG) en de vereniging zonder winstoogmerk « Coordination et Initiatives pour et avec les Réfugiés et Étrangers » (hierna : de vzw « CIRE ») klagen aan dat de Staat in de wet geen daadwerkelijk rechtsmiddel heeft ingevoerd ten voordele van de vreemdeling die, met toepassing van artikel 60, § 1, van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen » (hierna : de wet van 15 december 1980), bij de diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats, de machtiging heeft aangevraagd om meer dan 90 dagen op het grondgebied van het Koninkrijk België te verblijven om er te studeren, en die de wettigheid betwist van de beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken waarbij die machtiging hem wordt geweigerd. Aangezien zij van mening zijn dat dat verzuim een fout in de zin van de artikelen 1382 en 1383 van het oud Burgerlijk Wetboek uitmaakt, verzoeken de OBFG en de vzw « CIRE » de Franstalige burgerlijke rechtbank te Brussel om de Staat te veroordelen, enerzijds, tot het invoeren, in de wet, ten voordele van de voornoemde buitenlandse student, van een rechtsmiddel dat gelijkwaardig is aan de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid die met toepassing van artikel 39/82, § 4, van de wet van 15 december 1980 kan worden ingesteld bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (in voorkomend geval aangevuld met een vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen in de zin van artikel 39/85 van dezelfde wet) en, anderzijds, tot het waarborgen van de naleving van de proceduretermijnen door het rechtscollege dat bevoegd is om kennis te nemen van die vorderingen. Gezien het dossier van de OBFG en van de vzw « CIRE » merkt de rechtbank op dat tal van Kameroeners die een machtiging tot verblijf hebben aangevraagd om in België te studeren, de weigering van de Dienst Vreemdelingenzaken vaak pas enkele weken vóór, of zelfs enkele weken na het begin van het academiejaar ontvangen. De rechtbank merkt ook op dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, bij een arrest dat op 24 juni 2020 in algemene vergadering is gewezen, heeft bevestigd dat de bevoegdheid om de tenuitvoerlegging van een bestuurshandeling bij uiterst dringende noodzakelijkheid te schorsen, die artikel 39/82 van de wet van 15 december 1980 hem verleent, geen betrekking heeft op de voormelde weigeringen van een machtiging tot verblijf door de Dienst Vreemdelingenzaken. De rechtbank merkt op dat, wanneer dat soort van beslissing het voorwerp uitmaakt van een gewone vordering tot schorsing, die bij een annulatieberoep moet worden gevoegd, de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vaak verschillende maanden na het instellen van de vordering uitspraak doet, maar nooit binnen de termijn van 30 dagen waarin de wet voorziet. De rechtbank stelt vast dat de voornoemde vreemdeling, in die omstandigheden, niet de waarborg heeft dat hij, bij een goede afloop van zijn beroep, van de Dienst Vreemdelingenzaken tijdig de aangevraagde machtiging zal kunnen verkrijgen om de beoogde studie aan te vatten. De OBFG en de vzw « CIRE » voeren in de eerste plaats aan dat de Staat een fout heeft begaan in zoverre het gebrek aan een daadwerkelijk rechtsmiddel voor de voornoemde vreemdeling onbestaanbaar is met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en afbreuk doet aan het recht op eerbiediging van het privéleven en aan het recht op onderwijs van die vreemdeling, die zijn afgekondigd in de artikelen 7 en 14, lid 1, van hetzelfde Handvest. Dienaangaande beslist de rechtbank om aan het Hof van Justitie van de Europese Unie prejudiciële vragen te stellen over de interpretatie van artikel 34 van de richtlijn (EU) 2016/801 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 « betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van derdelanders met het oog op onderzoek, studie, stages, vrijwilligerswerk, scholierenuitwisseling, educatieve projecten of au-pairactiviteiten (herschikking » (hierna : de richtlijn (EU) 2016/801), al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 7, 14 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met het doeltreffendheidsbeginsel. De aldus gestelde prejudiciële vragen werden geregistreerd onder het nummer C-299/
- De OBFG en de vzw « CIRE » klagen in de tweede plaats aan dat de Staat het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie heeft geschonden door het de voornoemde vreemdeling niet mogelijk te maken om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de administratieve weigering die hij betwist, terwijl artikel 39/82 van de wet van 15 december 1980 een dergelijke vordering toestaat voor de vreemdelingen die de wettigheid betwisten van een terugdrijvings- of verwijderingsmaatregel waarvan de tenuitvoerlegging imminent is. De rechtbank merkt op dat het Hof zich, bij het arrest nr. 141/2018 van 18 oktober 2018 (ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.141), reeds heeft uitgesproken over het verschil in behandeling tussen die laatste categorie van vreemdelingen en een andere categorie van vreemdelingen die geen zaak bij uiterst dringende noodzakelijkheid aanhangig kan maken bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Zij is evenwel van oordeel 5 dat de redenering van dat arrest niet kan worden overgenomen in het geval van de vreemdeling die vanuit het buitenland een weigering van een machtiging tot verblijf om te studeren betwist. De burgerlijke rechtbank beslist dus om het Hof de vier hiervoor weergegeven prejudiciële vragen te stellen. III. In rechte -A- Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag A.
- De OBFG en de vzw « CIRE » voeren aan dat de vraag bevestigend dient te worden beantwoord, terwijl de Ministerraad van mening is dat zij ontkennend dient te worden beantwoord. A.2.
- De OBFG en de vzw « CIRE » zetten in de eerste plaats uiteen dat de vreemdeling die een zaak aanhangig maakt bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen om de wettigheid te betwisten van een weigering van een machtiging tot verblijf van meer dan 90 dagen op het Belgische grondgebied voor studiedoeleinden, zich in een situatie bevindt die vergelijkbaar is met die van de vreemdeling die bij hetzelfde administratieve rechtscollege een zaak aanhangig maakt om de wettigheid te betwisten van een verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel waarvan de tenuitvoerlegging imminent is. Zij zijn van mening dat die twee categorieën het hoofd bieden aan een imminent gevaar. A.2.
- De OBFG en de vzw « CIRE » beklemtonen vervolgens dat niet het bestaan van een risico van aantasting van de in de artikelen 2 en 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens afgekondigde rechten maar veeleer het soort van administratieve beslissing die voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wordt bestreden, het criterium van onderscheid tussen de twee voormelde categorieën van vreemdelingen uitmaakt. A.2.
- De OBFG en de vzw « CIRE » merken ook op dat, indien het met dat onderscheid nagestreefde doel erin bestaat de uitoefening van het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel te waarborgen, het verschil in behandeling tussen de twee voormelde categorieën van vreemdelingen het niet mogelijk maakt om dat doel te bereiken. Zij merken op dat uit de verwijzingsbeslissing wel degelijk blijkt dat het annulatieberoep en de vordering tot schorsing die bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen worden ingesteld, geen daadwerkelijke rechtsmiddelen uitmaken om de wettigheid te betwisten van een weigering van een machtiging tot verblijf om te studeren, aangezien dat rechtscollege zich meestal pas na enkele maanden over dat soort van beroep uitspreekt. A.2.
- De OBFG en de vzw « CIRE » beweren bovendien dat de onmogelijkheid, voor de vreemdeling die de wettigheid betwist van een weigering van een machtiging tot verblijf om te studeren, om de zaak bij uiterst dringende noodzakelijkheid aanhangig te maken bij een administratief rechtscollege, op onevenredige wijze afbreuk doet aan het recht van die persoon op een daadwerkelijk rechtsmiddel, alsook aan zijn recht op onderwijs en aan zijn recht op eerbiediging van zijn privéleven. Zij beklemtonen dat de onmogelijkheid voor die vreemdeling om de aangevraagde machtiging snel na zijn beroep te verkrijgen, tot gevolg kan hebben dat hij niet in staat zal zijn om tijdig deel te nemen aan de activiteiten van de Belgische onderwijsinstelling waar hij wilde studeren en dat hij te laat zal zijn om te overwegen dezelfde geplande studie in een andere Staat te volgen. Zij zijn van mening dat het verlies van een studiejaar dat uit die situatie zou voortvloeien, een onherstelbaar nadeel uitmaakt waarmee op dezelfde wijze rekening dient te worden gehouden als met het risico van een nadeel waaraan de vreemdeling kan worden blootgesteld die het voorwerp uitmaakt van een maatregel tot verwijdering of terugdrijving van het Belgische grondgebied. Zij merken op dat de in de richtlijn (EU) 2016/801 vervatte waarborgen ertoe strekken migratie voor studiedoeleinden te bevorderen en te vermijden dat administratieve procedures de voortzetting van de studie van de betrokken vreemdelingen in gevaar brengen. Zij zijn van mening dat de onmogelijkheid voor de vreemdeling om een zaak bij uiterst dringende noodzakelijkheid aanhangig te maken bij een rechtscollege teneinde de weigering van de machtiging tot verblijf die hij met toepassing van die richtlijn aanvroeg, te betwisten, de toepassing van het recht van de Europese Unie, in casu de uitoefening door die vreemdeling van zijn recht om de aangevraagde machtiging te verkrijgen wanneer hij aan de in die richtlijn vermelde voorwaarden voldoet, onmogelijk of buitensporig moeilijk maakt. 6 De OBFG en de vzw « CIRE » beweren ten slotte dat het recht op eerbiediging van het privéleven dat wordt erkend bij de Grondwet, bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en bij het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, het recht omvat om een hogere studie te volgen. A.3.
- De Ministerraad antwoordt in de eerste plaats dat het in de eerste prejudiciële vraag beschreven verschil in behandeling op een objectief criterium berust en redelijk verantwoord is. Hij beklemtoont dat het gebruik van vorderingen tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid uitzonderlijk moet blijven, aangezien het de werklast van het rechtscollege verzwaart, de behandeling van de zaak beperkt en de uitoefening van de rechten van de verdediging inperkt. Uit een arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM, grote kamer, 15 december 2016, Khlaifia e.a. t. Italië, ECLI:CE:ECHR:2016:1215JUD001648312) leidt hij af dat dat soort van vordering enkel noodzakelijk is bij een risico van onomkeerbare schade, wanneer de terugdrijving of de verwijdering van een vreemdeling hem blootstelt aan een risico voor zijn leven of zijn fysieke integriteit of aan een onmenselijke of vernederende behandeling. Hij is van mening dat enkel de in artikel 39/82, § 4, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 bedoelde vreemdelingen aan een dergelijk risico worden blootgesteld. A.3.2.
- De Ministerraad zet in de tweede plaats uiteen dat het in de prejudiciële vraag beschreven verschil in behandeling geen onevenredige gevolgen met zich meebrengt voor de vreemdelingen die de wettigheid betwisten van een weigering van een machtiging tot verblijf voor studiedoeleinden. A.3.2.
- Hij merkt op dat een dergelijke weigering niet kan worden gelijkgesteld met een beslissing tot terugdrijving of verwijdering van het grondgebied. Hij voegt eraan toe dat een dergelijke weigering geen jurisdictionele band in de zin van artikel 1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens in het leven roept, zodat België niet aansprakelijk zou kunnen worden gesteld voor de niet-inachtneming van de artikelen 2 en 3 van dat Verdrag ten aanzien van de vreemdeling die die weigering krijgt. A.3.2.
- De Ministerraad is van mening dat het nadeel dat de vreemdeling lijdt aan wie een machtiging tot verblijf in België voor studiedoeleinden wordt geweigerd, niet onomkeerbaar is. Die weigering zou de vreemdeling niet verhinderen om zijn studie voort te zetten in een andere Staat. Bovendien omvat het recht op onderwijs niet het recht om in de Staat van zijn keuze te verblijven. Daarbij komt nog de grote verscheidenheid aan onderwijs- of beroepssituaties van de vreemdelingen die de machtiging tot verblijf aanvragen om in België te studeren. A.3.2.
- De Ministerraad merkt vervolgens op dat, zoals in het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van 24 juni 2020 is opgemerkt, het rechtsmiddel waarover de vreemdeling beschikt aan wie de Dienst Vreemdelingenzaken de machtiging tot verblijf voor studiedoeleinden heeft geweigerd, wel degelijk een daadwerkelijk rechtsmiddel is, aangezien hij de vernietiging en de schorsing van die weigering kan vorderen bij het voormelde administratieve rechtscollege, dat uitspraak zal doen na een debat op tegenspraak. De Ministerraad preciseert dat een bij uiterst dringende noodzakelijkheid uitgesproken schorsing de administratieve overheid niet zou kunnen dwingen om de aanvraag tot machtiging opnieuw te onderzoeken teneinde een andere beslissing te nemen. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat op 4 april 2017 in grote kamer is gewezen (C-544/15, Fahimian, ECLI:EU:C:2017:255) en uit het arrest van het Hof nr. 81/2008 van 27 mei 2008 (ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.081) leidt de Ministerraad af dat het annulatieberoep, eventueel aangevuld met een vordering tot schorsing, waarover de voornoemde vreemdeling beschikt, een daadwerkelijke jurisdictionele waarborg uitmaakt die in overeenstemming is met artikel 34, lid 5, van de richtlijn (EU) 2016/801, in samenhang gelezen met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. A.3.2.
- De Ministerraad beklemtoont eveneens dat, ook al is hij niet dwingend, de wettelijke termijn van 30 dagen waarbinnen de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen uitspraak dient te doen over een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een voor die Raad bestreden akte, kennelijk redelijk is. Hij merkt ook op dat de verzoekende vreemdeling, net zoals de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, kan voorstellen om het beroep te behandelen volgens een « louter schriftelijke procedure », die het mogelijk maakt om sneller een arrest te verkrijgen dan wanneer de regels van de gewone rechtspleging worden gevolgd. De Ministerraad voegt eraan toe dat, indien de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet in staat is om zich binnen een redelijke termijn uit te spreken wegens bijvoorbeeld het te grote aantal dossiers dat hij moet behandelen, en indien die vertraging een nadeel berokkent aan de verzoekende vreemdeling, die laatste van de Staat de vergoeding voor de geleden schade kan verkrijgen. De Ministerraad is van mening dat een dergelijk beroep tot 7 schadevergoeding een daadwerkelijk rechtsmiddel in de zin van artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie uitmaakt. De Ministerraad merkt voor het overige op dat de vertragingen die ten grondslag liggen aan de vordering die is ingesteld voor de burgerlijke rechtbank die vragen stelt aan het Hof, meer betrekking lijken te hebben op de administratieve procedure die aan de weigeringsbeslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken voorafgaat dan op het rechtsgeding dat is ingesteld om die beslissing te betwisten. Hij voert aan dat de betrokken vreemdeling die door administratieve achterstanden wordt geraakt, de zaak aanhangig kan maken bij de burgerlijke rechter in kort geding teneinde de administratie te verplichten om de bij artikel 34, lid 1, van de richtlijn (EU) 2016/801 ingevoerde termijn na te leven. Hij voegt eraan toe dat de federale overheid niet aansprakelijk kan worden gesteld voor vertragingen die voortvloeien uit de wijze waarop de toelatings- of inschrijvingsprocedures in de onderwijsinstellingen en de procedures die het mogelijk maken om de gelijkwaardigheid van buitenlandse diploma’s vast te stellen, worden georganiseerd, aangezien die procedures onder andere componenten van de Staat ressorteren. De Ministerraad relativeert ook de moeilijkheden in verband met die procedures. Hij merkt onder meer op dat de problemen die naar voren zijn gebracht in de zaak die aan de oorsprong van de prejudiciële vragen ligt, in wezen betrekking hebben op niet-tijdige aanvragen voor een machtiging tot verblijf die zijn ingediend door onderdanen van een enkele Staat en verband houden met de toepassing van regels die zijn geconcipieerd om fraude te voorkomen. A.4.
- Wat artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens betreft, voert de Ministerraad aan dat de in het geding zijnde wetsbepalingen geen afbreuk doen aan het recht van de betrokken vreemdeling op een rechterlijke instantie en dat de beperking van de beschikbare rechtsmiddelen niet onevenredig is. A.4.
- Wat artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens betreft, brengt de Ministerraad in herinnering dat een Staat enkel ertoe is gehouden het privéleven van een individu in acht te nemen indien het reeds werd opgebouwd op zijn grondgebied. Hij ziet dus niet in hoe een weigering van een machtiging om het grondgebied voor studiedoeleinden binnen te komen afbreuk zou kunnen doen aan het privéleven van de vreemdeling die die weigering krijgt. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag A.
- De OBFG en de vzw « CIRE » voeren aan dat de vraag bevestigend dient te worden beantwoord, terwijl de Ministerraad van mening is dat zij ontkennend dient te worden beantwoord. A.6.
- De OBFG en de vzw « CIRE » zijn van mening dat de twee in de prejudiciële vraag bedoelde categorieën van personen vergelijkbaar zijn, aangezien het in beide gevallen gaat om personen die een verzoekschrift toezenden aan een administratief rechtscollege. Zij brengen in herinnering dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen werd opgericht om het beheer over te nemen van een contentieux dat voordien voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State werd gebracht, hetgeen de nauwe relaties tussen de twee voormelde categorieën van rechtzoekenden aantoont. De OBFG en de vzw « CIRE » beklemtonen dat, indien een vreemdeling de machtiging tot verblijf in België aanvraagt om een bepaalde studie te volgen, dat meestal is omdat hij niet de mogelijkheid heeft om die studie in zijn land te volgen. A.6.
- De OBFG en de vzw « CIRE » zijn van mening dat het verschil in behandeling onrechtstreeks gebaseerd is op de nationaliteit van de verzoekers, aangezien enkel vreemdelingen een administratieve beslissing kunnen betwisten voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Zij brengen in herinnering dat dat criterium van onderscheid, volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, argwaan moet wekken en het voorwerp van een versterkte controle dient uit te maken. Zij voegen eraan toe dat het onderzochte verschil in behandeling niet legitiem verantwoord kan worden ten aanzien van het recht op een daadwerkelijk jurisdictioneel beroep. A.6.
- Dezelfde partijen zijn van mening dat, indien het legitiem doel dat wordt nagestreefd de bescherming van het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel is, er moet worden vastgesteld dat de in het geding zijnde wetsbepaling dat doel niet kan bereiken, aangezien het annulatieberoep en de vordering tot schorsing geen daadwerkelijke rechtsmiddelen uitmaken voor de vreemdeling die een weigering van een machtiging tot verblijf voor studiedoeleinden wenst te betwisten. 8 A.6.
- De OBFG en de vzw « CIRE » zetten ten slotte uiteen dat de onmogelijkheid voor die vreemdeling om een zaak bij uiterst dringende noodzakelijkheid aanhangig te maken bij een administratief rechtscollege, op onevenredige wijze afbreuk doet aan zijn recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel, in samenhang gelezen met zijn recht op het privéleven en zijn recht op onderwijs. Zij leggen uit dat die onmogelijkheid tot gevolg heeft dat de uitoefening van het recht om een vergunning te verkrijgen, dat voortvloeit uit artikel 5, lid 3, van de richtlijn (EU) 2016/801, wordt verhinderd of buitensporig moeilijk wordt gemaakt. Zij beklemtonen dat die richtlijn nochtans tot doel heeft de immigratie van studenten naar de Europese Unie te bevorderen door in een snelle en transparante procedure te voorzien die hun een recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel waarborgt. A.7.
- De Ministerraad antwoordt eerst dat de twee categorieën van studenten die in de prejudiciële vraag worden beoogd, zich niet in vergelijkbare situaties bevinden. Hij merkt op dat de student die voor de Raad van State een weigering tot inschrijving, een uitsluiting of een vastgestelde mislukking betwist, een administratieve beslissing in het geding brengt die een rechtstreekse invloed heeft op zijn studieloopbaan, zodat hij het bestaan van een risico van onherstelbare schade, en dus een uiterst dringende noodzakelijkheid om een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van die beslissing te onderzoeken, kan aantonen. Volgens de Ministerraad heeft een administratieve beslissing waarbij een machtiging tot verblijf wordt geweigerd die met toepassing van artikel 60, § 1, van de wet van 15 december 1980 werd aangevraagd en waartegen een vreemdeling bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een beroep instelt, daarentegen vóór alles betrekking op de toegang tot het grondgebied van die persoon, heeft zij maar een onrechtstreekse weerslag op de voortzetting van de hogere studie van die persoon en doet zij geen afbreuk aan zijn recht om een studie voort te zetten. De Ministerraad beklemtoont ook dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich onderscheidt van de Raad van State door het specifieke karakter van het contentieux dat onder zijn bevoegdheid valt, en dat dat specifieke karakter verklaart waarom specifieke procedureregels erop van toepassing zijn. Hij legt uit dat, sedert de oprichting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, de mogelijkheid om bij uiterst dringende noodzakelijkheid een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een administratieve beslissing bij die Raad aanhangig te maken, bewust werd beperkt tot daadwerkelijk dringende situaties teneinde de exponentiële toename van zaken met betrekking tot het verblijf van vreemdelingen en de gerechtelijke achterstand die eruit voortvloeit, te beheersen. A.7.
- De Ministerraad voegt eraan toe dat de nagestreefde doelstellingen het mogelijk maken te verantwoorden dat de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt voorbehouden aan de vreemdelingen die echt nood eraan hebben, aangezien zij daadwerkelijk worden blootgesteld aan een situatie die niet bestaanbaar is met de artikelen 2 en 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. A.7.
- De Ministerraad merkt ten slotte op dat de onmogelijkheid om een vordering tot schorsing van een weigering van een machtiging tot verblijf voor studiedoeleinden bij uiterst dringende noodzakelijkheid aanhangig te maken bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, niet onevenredig is met het nagestreefde doel. Hij merkt op dat de in het geding zijnde wetsbepaling aan de betrokken vreemdeling niet het voordeel van de essentiële procedureregels en van een daadwerkelijk rechtsmiddel ontzegt, aangezien hij bij het voormelde administratieve rechtscollege de vernietiging en de schorsing van de tenuitvoerlegging van de voormelde weigering kan vorderen. De Ministerraad herhaalt dat, indien dat rechtscollege zich niet tijdig uitspreekt, de vreemdeling vrij blijft om de vergoeding van zijn schade te vorderen. Ten aanzien van de derde prejudiciële vraag A.
- De OBFG en de vzw « CIRE » voeren aan dat de vraag bevestigend dient te worden beantwoord, terwijl de Ministerraad van mening is dat zij ontkennend dient te worden beantwoord. A.9.
- De OBFG en de vzw « CIRE » zetten eerst uiteen dat de vreemdeling aan wie een machtiging tot verblijf voor studiedoeleinden wordt geweigerd, zich in een situatie bevindt die wezenlijk verschilt van die van alle andere vreemdelingen die een machtiging tot verblijf aanvragen, zoals toeristen of diegenen die hun aanvraag motiveren door een bezoek of een gezinshereniging. Zij beklemtonen dienaangaande de verplichtingen die 9 voortvloeien uit de richtlijn (EU) 2016/801 en de omstandigheid dat studenten na een bepaalde datum van het academiejaar geen lessen kunnen beginnen te volgen. A.9.
- De OBFG en de vzw « CIRE » voeren vervolgens aan dat met de gelijke behandeling waarop in de prejudiciële vraag wordt gewezen, geen legitiem doel wordt nagestreefd. Zij zijn dienaangaande van mening dat de in het arrest van het Hof nr. 141/2018 uiteengezette redenering te dezen niet kan worden gevolgd. A.9.
- Dezelfde partijen zijn van mening dat, indien het legitiem doel dat wordt nagestreefd de bescherming van het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel is, er moet worden vastgesteld dat de in het geding zijnde wetsbepaling dat doel niet kan bereiken, aangezien het annulatieberoep en de vordering tot schorsing geen daadwerkelijke rechtsmiddelen uitmaken voor de vreemdeling die een weigering van een machtiging tot verblijf voor studiedoeleinden wenst te betwisten. A.9.
- Zij herhalen ten slotte wat in A.6.4 is uiteengezet. A.
- De Ministerraad is, om de in A.3.1 vermelde redenen, van mening dat de gelijke behandeling waarop in de prejudiciële vraag wordt gewezen, verantwoord is. Ten aanzien van de vierde prejudiciële vraag A.
- De OBFG en de vzw « CIRE » voeren aan dat de vraag bevestigend dient te worden beantwoord. Zij zijn van mening dat de interpretatie van artikel 39/82, §
§ 4
, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 die in de prejudiciële vraag wordt voorgesteld, de vreemdelingen die in die vraag worden beoogd, de mogelijkheid zou bieden om over een beroep te beschikken dat in overeenstemming is met de in die vraag vermelde grondwets- en internationale bepalingen. Zij brengen in herinnering dat, gedurende verschillende jaren, die wetsbepaling in tal van arresten van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in die zin werd geïnterpreteerd dat zij de in de prejudiciële vraag bedoelde vreemdelingen machtigde om, bij uiterst dringende noodzakelijkheid, de schorsing van de tenuitvoerlegging van de weigering van een machtiging tot verblijf te vorderen. Zij beweren ook dat de vierde prejudiciële vraag het Hof toelaat een verzoenende interpretatie van de in het geding zijnde wetsbepaling voor te stellen. A.12. Volgens de Ministerraad behoeft de prejudiciële vraag geen antwoord. Hij voert aan dat de interpretatie van artikel 39/82, §
§ 4
, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 die in de vraag wordt voorgesteld, onbestaanbaar is met de bewoordingen van die wetsbepaling, met de parlementaire voorbereiding van de wet van 10 april 2014 « houdende diverse bepalingen met betrekking tot de procedure voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en voor de Raad van State », met het arrest dat op 24 juni 2020 door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is gewezen en met de rechtspraak van het Hof. -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen en de context ervan B.
- De « onderdaan van een derde land » in de zin van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen » (hierna : de wet van 15 december 1980) is een vreemdeling die niet de nationaliteit heeft van een andere lidstaat van de Europese Unie en die niet het recht van vrij 10 verkeer geniet dat wordt verleend bij de richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 « betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG » (hierna : de richtlijn 2004/38/EG) of bij een overeenkomst tussen, enerzijds, de Staat waarvan die vreemdeling de nationaliteit heeft en, anderzijds, de Europese Unie en de lidstaten ervan (artikel 1, § 1, 3° en 25°, van de wet van 15 december 1980, in samenhang gelezen met artikel 2, lid 5, van de verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 « betreffende een Uniecode voor de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) »). B.2.
- Wanneer een « onderdaan van een derde land » wenst te worden gemachtigd om meer dan 90 dagen op het grondgebied van het Koninkrijk België te verblijven om er te studeren zonder dat hij reeds om een andere reden werd toegelaten of gemachtigd om op dat grondgebied te verblijven, moet hij een aanvraag tot machtiging indienen bij de diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats in het buitenland (artikelen 59, § 1, en 60, §§
2, van de wet van 15 december 1980, vervangen bij de artikelen 9 en 10 van de wet van 11 juli 2021 « tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, wat betreft de studenten » (hierna : de wet van 11 juli 2021)). B.2.
- Wanneer de bevoegde diplomatieke of consulaire post heeft vastgesteld dat alle documenten die bij de aanvraag tot machtiging moeten worden gevoegd, door de voormelde vreemdeling werden voorgelegd, geeft die post hem een ontvangstbewijs af (artikel 61/1, § 1, van de wet van 15 december 1980, ingevoegd bij artikel 12 van de wet van 11 juli 2021). Binnen 90 dagen na die afgifte moet de minister of zijn gemachtigde een beslissing nemen over de aanvraag tot machtiging en de vreemdeling ervan in kennis stellen (artikel 61/1/1, § 1, eerste lid, van de wet van 15 december 1980, ingevoegd bij artikel 13 van de wet van 11 juli 2021). B.2.
- In geval van weigering tot machtiging kan de vreemdeling een annulatieberoep instellen tegen die beslissing bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (artikelen 39/1, § 1, 11 en 39/2, § 2, van de wet van 15 december 1980, ingevoegd bij de artikelen 79 en 80 van de wet van 15 september 2006 « tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen »). B.3.
- Artikel 39/82 van de wet van 15 december 1980, ingevoegd bij artikel 185 van de voormelde wet van 15 september 2006, zoals het is verwoord sinds de wijziging ervan bij artikel 5 van de wet van 10 april 2014 « houdende diverse bepalingen met betrekking tot de procedure voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en voor de Raad van State » (hierna : de wet van 10 april 2014), bepaalt : « §
- Wanneer een akte van een administratieve overheid vatbaar is voor vernietiging krachtens artikel 39/2, dan kan de Raad als enige de schorsing van de tenuitvoerlegging ervan bevelen. Nadat de partijen gehoord zijn of behoorlijk opgeroepen, wordt de schorsing bevolen bij gemotiveerde uitspraak van de voorzitter van de geadieerde kamer of van de rechter in vreemdelingenzaken die hij daartoe aanwijst. In geval van uiterst dringende noodzakelijkheid kan de schorsing bij voorraad worden bevolen, zonder dat de partijen of sommige van hen zijn gehoord. De verzoeker dient, wanneer hij de schorsing van de tenuitvoerlegging vordert, te opteren hetzij voor een vordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid, hetzij voor een gewone schorsing. Hij kan op straffe van niet-ontvankelijkheid noch gelijktijdig noch opeenvolgend hetzij opnieuw toepassing maken van het derde lid, hetzij in zijn in § 3 bedoeld verzoekschrift andermaal de schorsing vorderen. In afwijking van het vierde lid en onverminderd het bepaalde in § 3, belet de verwerping van een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid niet dat de verzoeker nadien een vordering tot schorsing volgens de gewone procedure instelt indien deze vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid werd verworpen omdat de uiterst dringende noodzakelijkheid niet afdoende werd aangetoond. §
- De schorsing van de tenuitvoerlegging kan alleen worden bevolen als ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte kunnen verantwoorden en op voorwaarde dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de akte een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Deze laatste voorwaarde is onder andere vervuld indien een ernstig middel werd aangevoerd gesteund op de grondrechten van de mens, in het bijzonder de rechten ten aanzien waarvan geen afwijking mogelijk is uit hoofde van artikel 15, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De uitspraken waarbij de schorsing is bevolen, kunnen worden ingetrokken of gewijzigd op verzoek van de partijen. 12 §
- Behoudens in het geval van uiterst dringende noodzakelijkheid moeten in één en dezelfde akte zowel de vordering tot schorsing [als] het beroep tot nietigverklaring worden ingesteld. In het opschrift van het verzoekschrift dient te worden vermeld dat hetzij een beroep tot nietigverklaring wordt ingesteld, hetzij een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring. Is aan deze pleegvorm niet voldaan, dan wordt het verzoekschrift geacht enkel een beroep tot nietigverklaring te bevatten. Eenmaal een beroep tot nietigverklaring is ingediend, is een navolgende vordering tot schorsing niet ontvankelijk, onverminderd de mogelijkheid in hoofde van de verzoeker om, indien de beroepstermijn nog niet is verstreken, een nieuw beroep tot nietigverklaring in te stellen waar een vordering tot schorsing is bijgevoegd op de wijze bepaald als hiervoor. De vordering bevat een uiteenzetting van de middelen en de feiten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing of, in voorkomend geval, van voorlopige maatregelen rechtvaardigen. De schorsing en de andere voorlopige maatregelen die zouden zijn bevolen voor het indienen van het verzoekschrift tot nietigverklaring van de akte wordt door de voorzitter van de kamer of door de rechter in vreemdelingenzaken die hij aanwijst die ze heeft uitgesproken onmiddellijk opgeheven als hij vaststelt dat binnen de in de procedureregeling vastgestelde termijn geen enkel verzoekschrift tot nietigverklaring is ingediend waarin de middelen worden aangevoerd die ze gerechtvaardigd hadden. §
- De voorzitter van de kamer of de rechter in vreemdelingenzaken die hij aanwijst doet binnen dertig dagen uitspraak over de vordering tot schorsing. Indien de schorsing is bevolen, wordt binnen vier maanden na de uitspraak van de rechterlijke beslissing uitspraak gedaan over het verzoekschrift tot nietigverklaring. Indien de vreemdeling het voorwerp is van een verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel waarvan de tenuitvoerlegging imminent is, in het bijzonder indien hij is vastgehouden in een welbepaalde plaats zoals bedoeld in de artikelen 74/8 en 74/9 of ter beschikking is gesteld van de regering, en hij nog geen gewone vordering tot schorsing heeft ingeleid tegen de bedoelde verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel, kan hij binnen de in artikel 39/57, § 1, derde lid, bedoelde termijn de schorsing van de tenuitvoerlegging van deze maatregel vorderen bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Indien de vordering manifest laattijdig voorkomt, geeft de voorzitter van de geadieerde kamer of de rechter in vreemdelingenzaken die hij daartoe aanwijst, dit aan in zijn beschikking en roept de partijen onverwijld op te verschijnen binnen vierentwintig uur vanaf de ontvangst van de vordering. De kamervoorzitter of de rechter in vreemdelingenzaken doet een zorgvuldig en nauwgezet onderzoek van alle bewijsstukken die hem worden voorgelegd, inzonderheid die welke van dien aard zijn dat daaruit blijkt dat er redenen zijn om te geloven dat de uitvoering van de bestreden beslissing de verzoeker zou blootstellen aan het risico te worden onderworpen aan de schending van de grondrechten van de mens ten aanzien waarvan geen afwijking mogelijk is uit hoofde van artikel 15, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. 13 De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt afgedaan door de kamervoorzitter of de rechter in vreemdelingenzaken binnen achtenveertig uur na de ontvangst ervan. Deze termijn wordt evenwel uitgebreid tot vijf dagen volgend op de dag van ontvangst door de Raad van de ingeleide vordering, wanneer de effectieve verwijdering of terugdrijving van de vreemdeling voorzien is voor een datum die de acht dagen te boven gaat. Indien de kamervoorzitter of de rechter in vreemdelingenzaken niet binnen de termijn tot een uitspraak komt, dan moet hij de eerste voorzitter of de voorzitter daarvan op de hoogte brengen. Deze neemt de nodige maatregelen opdat een uitspraak wordt gewezen, al naargelang het geval, ofwel ten laatste binnen tweeënzeventig uur na de ontvangst van het verzoekschrift, ofwel zo snel mogelijk. Inzonderheid kan hij daartoe de zaak evoceren en er zelf uitspraak over doen. In afwijking van de vorige leden, doet de voorzitter van de geadieerde kamer of de rechter in vreemdelingenzaken die hij daartoe aanwijst, bij voorrang uitspraak over de ontvankelijkheid van de vordering, indien nodig zonder de partijen op te roepen, indien de volgende voorwaarden vervuld zijn : 1° het betreft een tweede verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel, en 2° de vordering is manifest laattijdig, en 3° de vordering werd minder dan twaalf uur vóór de geplande uitvoering van de maatregel ingediend, en 4° de verzoeker en desgevallend zijn advocaat werden minstens achtenveertig uur vóór de geplande uitvoering van de maatregel ingelicht. Indien hij de vordering onontvankelijk verklaart, sluit het arrest de procedure af. Indien hij de vordering ontvankelijk verklaart, wordt de procedure verdergezet zoals voorzien in het derde tot het zesde lid. §
- De Raad kan, volgens een versnelde rechtspleging vastgesteld door de Koning, de akte nietig verklaren waarvan de schorsing gevorderd wordt, indien de tegenpartij binnen acht dagen te rekenen van de kennisgeving van de uitspraak waarbij de schorsing bevolen wordt, geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging heeft ingediend. §
- Ten aanzien van de verzoekende partij geldt een vermoeden van afstand van geding wanneer de verzoekende partij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of een reglement afgewezen is, geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging indient binnen een termijn van acht dagen die ingaat met de kennisgeving van de uitspraak. §
- De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de procedure betreffende de in dit artikel bedoelde vorderingen. Voor het behandelen van kennelijk onontvankelijke en kennelijk ongegronde vorderingen tot schorsing van de tenuitvoerlegging kunnen specifieke regels worden bepaald. Voor de gevallen waarin de schorsing van de tenuitvoerlegging is bevolen kan eveneens in een specifieke procedure voor de behandeling ten gronde worden voorzien. 14 In het geval dat de schorsing van de tenuitvoerlegging wordt bevolen wegens machtsafwending, wordt de zaak verwezen naar de algemene vergadering van de Raad. Indien de algemene vergadering de akte waartegen het beroep is gericht niet vernietigt, houdt de schorsing onmiddellijk op gevolg te hebben. In dit geval wordt de zaak voor de behandeling van eventuele andere middelen verwezen naar de kamer waarbij zij oorspronkelijk werd ingeleid. §
- Indien de kamer die bevoegd is om uitspraak te doen over de grond van de zaak, de akte waartegen het beroep gericht is niet vernietigt, kan ze de bevolen schorsing opheffen of intrekken ». B.3.
- Artikel 39/57, § 1, derde lid, van de wet van 15 december 1980, ingevoegd bij artikel 4 van de wet van 10 april 2014, bepaalt : « De in artikel 39/82, § 4, tweede lid, bedoelde vordering wordt ingediend bij verzoekschrift binnen tien dagen na de kennisgeving van de beslissing waartegen ze gericht is. Vanaf een tweede verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel wordt de termijn teruggebracht tot vijf dagen ». B.3.
- Op 24 juni 2020 heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, bij een in algemene vergadering gewezen arrest, geoordeeld dat hij krachtens artikel 39/82 van de wet van 15 december 1980 slechts bij uiterst dringende noodzakelijkheid uitspraak kan doen over een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een bestuurshandeling indien die handeling een verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel is waarvan de tenuitvoerlegging imminent is. Volgens die rechtspraak is de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dus niet bevoegd om bij uiterst dringende noodzakelijkheid uitspraak te doen over een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een beslissing waarbij aan de in B.1 beoogde vreemdeling de afgifte van de in B.2 bedoelde machtiging tot verblijf wordt geweigerd. Ten aanzien van de eerste drie prejudiciële vragen B.
- Uit de eerste, tweede en derde prejudiciële vraag blijkt dat het Hof wordt verzocht om na te gaan of het voormelde artikel 39/82, §
§ 4
, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 bestaanbaar is met de artikelen 10, 11, 13, 22 en 24, § 3, van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6, 8, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor 15 de rechten van de mens, met artikel 2 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 7, 14, lid 1, 20, 21 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met het doeltreffendheidsbeginsel, ten aanzien van vreemdelingen die zich niet op het Belgische grondgebied bevinden, die niet de nationaliteit hebben van een andere lidstaat van de Europese Unie, die niet het recht van vrij verkeer genieten dat wordt verleend bij de richtlijn 2004/38/EG of bij een internationale overeenkomst tussen de Europese Unie en de lidstaten ervan, en die de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verzoeken de wettigheid te toetsen van de tenuitvoerlegging van een bestuurshandeling die betrekking heeft op hun verblijfsrecht op het Belgische grondgebied, namelijk een beslissing waarbij hun de machtiging wordt geweigerd om meer dan 90 dagen op het grondgebied van het Koninkrijk België te verblijven teneinde er te studeren, machtiging die zij hebben aangevraagd bij de diplomatieke of consulaire post met toepassing van artikel 60, § 1, van de wet van 15 december
- Zoals in B.3.3 is vermeld, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geoordeeld dat artikel 39/82 van de wet van 15 december 1980 aan de personen van de voormelde categorie van vreemdelingen niet het recht verleent om bij uiterst dringende noodzakelijkheid bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de bestuurshandeling waarvan zij de wettigheid betwisten, alsook van eventuele voorlopige maatregelen. Uit de formulering van de prejudiciële vragen kan worden afgeleid dat die zijn gebaseerd op de veronderstelling dat die vreemdelingen niet beschikken over enig ander rechtsmiddel dat toelaat om de tijdige heroverweging van hun aanvraag te verkrijgen. B.
- Uit de rechtspraak van het Hof van Cassatie blijkt dat de bevoegdheid van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op grond van artikel 39/82, geen afbreuk doet aan de rechtsmacht van de hoven en rechtbanken om op grond van artikel 144, eerste lid, van de Grondwet, uitspraak te doen over vorderingen met betrekking tot burgerlijke rechten, zelfs als daarbij wordt aangevoerd dat die burgerlijke rechten geschonden worden of dreigen te worden door beslissingen die door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kunnen worden vernietigd : « Die bepalingen, krachtens welke de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bevoegd is om, in het kader van een administratief kort geding en onder de in artikel 39/82, § 2, eerste lid, bepaalde voorwaarden, de schorsing te bevelen van de tenuitvoerlegging van de individuele beslissingen die hij kan vernietigen en, bij voorraad, alle nodige maatregelen te bevelen om de 16 belangen van de partijen of van de personen die belang hebben bij de oplossing van de zaak veilig te stellen, wijken niet af van de rechtsmacht van de hoven en rechtbanken betreffende de geschillen over burgerlijke rechten » (Cass., 5 januari 2018, C.17.0307.F, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180105.2). En : « Krachtens artikel 159 van de Grondwet hebben de met eigenlijke rechtspraak belaste organen de bevoegdheid en de plicht de interne en externe wettigheid te toetsen van gelijk welke bestuurshandeling waarop een vordering, verweer of exceptie gegrond is. Dat is het geval van de gewone rechter bij wie een vordering is ingesteld om elke onrechtmatige aantasting van een subjectief recht waaraan de administratieve overheid zich schuldig maakt in de uitoefening van haar discretionaire bevoegdheid, te voorkomen of te herstellen, ook al zou de overheid hebben gehandeld met toepassing van de wet van 15 december
- [...] Op grond van die motieven beslist het arrest wettig dat ‘ het “ werkelijk voorwerp ” [van de vordering van de verwerende partij] ertoe strekt de bescherming te verkrijgen van dat geschonden recht op onderwijs ’. [...] Het zet uiteen dat de rechter in kort geding, ‘ ertoe gehouden door artikel 159 van de Grondwet om te weigeren de onwettige weigering van het visum uitwerking te laten hebben ’, ‘ bevoegd is om, na een kennelijk onwettige weigering te hebben verworpen, [de eisende partij] te bevelen een nieuwe afdoende gemotiveerde beslissing te nemen, dat wil zeggen die de daadwerkelijke en niet-willekeurige uitoefening [...] van zijn beoordelingsbevoegdheid zou aantonen, teneinde het [aan de verwerende partij] erkende burgerlijk grondrecht op onderwijs te vrijwaren ’. Op grond van het geheel van die overwegingen beslist het arrest wettig, zonder de voormelde wettelijke bepalingen te schenden, noch het algemeen rechtsbeginsel van de scheiding der machten te miskennen, om de eisende partij te bevelen over te gaan tot een nieuwe beoordeling van de visumaanvraag van de verwerende partij » (Cass., 11 maart 2024, C.22.0492.F, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240311.3F.8, eigen vertaling). Uit die rechtspraak blijkt dat het feit dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bevoegd is om kennis te nemen van de annulatieberoepen en vorderingen tot schorsing tegen de weigering van de machtiging om meer dan 90 dagen op het grondgebied van het Koninkrijk België te verblijven teneinde er te studeren, geen afbreuk doet aan de bevoegdheid van de hoven en rechtbanken om zich, eventueel in kort geding, uit te spreken over vorderingen afgeleid uit de schending of mogelijke schending van burgerlijke rechten in verband met de voormelde 17 weigering. Het verwijzende rechtscollege is evenwel van oordeel dat het bestaan van die mogelijkheid om een zaak bij de rechter in kort geding aanhangig te maken geen toereikend alternatief bood aan vreemdelingen die niet de mogelijkheid hebben om een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in te stellen bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en om voor die Raad, in de loop van die procedure, het opleggen van voorlopige maatregelen te vorderen. Het merkt immers op dat « de rechter in kort geding overigens zonder rechtsmacht is om zijn beoordeling in de plaats te stellen van die van de Dienst Vreemdelingenzaken en om de beslissing van de laatstgenoemde te herzien; hij kan evenmin de Belgische Staat gelasten een visum uit te reiken ». B.
- In de eerste drie prejudiciële vragen wordt het Hof verzocht de situatie te beoordelen van vreemdelingen die een weigering van een visum om in België te studeren, tegengeworpen krijgen en die niet over een rechtsmiddel beschikken waarmee zij een nieuwe beslissing kunnen verkrijgen binnen een termijn die hen toelaat het verlies van een academiejaar te voorkomen, onder meer in het licht van het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel dat is gewaarborgd bij artikel 13 van de Grondwet en bij artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Door de procedure in te richten waarmee onderdanen van derde landen een visum kunnen verkrijgen om in België te studeren, brengt de Belgische Staat het Unierecht, meer bepaald de richtlijn (EU) 2016/801 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 « betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van derdelanders met het oog op onderzoek, studie, stages, vrijwilligerswerk, scholierenuitwisseling, educatieve projecten of au-pairactiviteiten (herschikking) », ten uitvoer. B.7.
- Bij zijn arrest nr. 255.381 van 23 december 2022 heeft de Raad van State drie prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, waaronder de volgende vraag : « Vereisen artikel 47 van het Handvest van de grondrechten, het doeltreffendheidsbeginsel en artikel 34, lid 5, van richtlijn 2016/801 dat het in het nationaal recht geregelde beroep tegen een besluit tot weigering van een aanvraag om toelating tot het grondgebied voor studiedoeleinden het de rechter toestaat zijn beoordeling in de plaats te stellen van die van het bestuursorgaan en het besluit van dit orgaan te herzien, of volstaat een wettigheidstoetsing waarbij de rechter een onrechtmatigheid, met name een kennelijke beoordelingsfout, kan bestraffen door het besluit van het bestuursorgaan nietig te verklaren ? ». 18 Die zaak is ingeschreven onder nummer C-14/23 van de rol van het Hof van Justitie van de Europese Unie. B.7.
- Bij hetzelfde vonnis als het vonnis waarin het een vraag stelt aan het Grondwettelijk Hof, heeft het verwijzende rechtscollege de volgende vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie : « Vereist artikel 34 van richtlijn (EU) 2016/801 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van derdelanders met het oog op onderzoek, studie, stages, vrijwilligerswerk, scholierenuitwisseling, educatieve projecten of au-pairactiviteiten, gelezen op zich dan wel in samenhang met artikel 7, artikel 14, lid 1, en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten en met het doeltreffendheidsbeginsel, in het licht van de met deze richtlijn nagestreefde doelstelling om de aan derdelanders geboden procedurele waarborgen te versterken en de komst van buitenlandse studenten naar de Europese Unie te bevorderen, dat : 1) de buitenlandse student toegang heeft tot een uitzonderlijke beroepsprocedure bij uiterste spoedeisendheid wanneer hij aantoont dat hij de vereiste zorgvuldigheid heeft betracht en dat de inachtneming van de termijnen voor het voeren van een gewone procedure (tot schorsing/vernietiging) het verloop van de studie in kwestie zou kunnen belemmeren ? Indien deze vraag ontkennend wordt beantwoord, geldt datzelfde ontkennende antwoord dan ook wanneer de betrokkene onherroepelijk een studiejaar dreigt te verliezen als er niet snel een beslissing wordt gegeven ? 2) de buitenlandse student toegang heeft tot een uitzonderlijke beroepsprocedure bij uiterste spoedeisendheid wanneer hij aantoont dat hij de vereiste zorgvuldigheid heeft betracht en dat de inachtneming van de termijnen voor het voeren van een gewone procedure (tot schorsing/vernietiging) het verloop van de studie in kwestie zou kunnen belemmeren, in welke procedure hij tegelijk met de schorsing kan verzoeken dat andere voorlopige maatregelen worden gelast om de doeltreffendheid van het recht op verkrijging van een vergunning te waarborgen indien hij voldoet aan de algemene en specifieke voorwaarden, zoals gewaarborgd door artikel 5, lid 3, van richtlijn (EU) 2016/801 ? Indien deze vraag ontkennend wordt beantwoord, geldt datzelfde ontkennende antwoord dan ook wanneer de betrokkene onherroepelijk een studiejaar dreigt te verliezen als er niet snel een beslissing wordt gegeven ? 3) het beroep tegen een besluit tot weigering van een visum het de rechter toestaat zijn beoordeling in de plaats te stellen van die van het bestuursorgaan en het besluit van dit orgaan te herzien, of volstaat een wettigheidstoetsing waarbij de rechter een onrechtmatigheid, met name een kennelijke beoordelingsfout, kan bestraffen door het besluit van het bestuursorgaan op te schorten of nietig te verklaren ? ». 19 Die zaak is ingeschreven onder het nummer C-299/23 van de rol van het Hof van Justitie van de Europese Unie. B.
- Aangezien de aan het Grondwettelijk Hof gestelde vragen en de aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gestelde vragen alle, onder meer, betrekking hebben op de vraag naar de bestaanbaarheid van de procedures waartoe vreemdelingen die onderdaan zijn van derde landen en die worden geconfronteerd met een weigering van een visum om te studeren in België, toegang hebben, met het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel, zouden de antwoorden op de aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gestelde vragen gevolgen kunnen hebben voor de onderhavige prejudiciële procedure. In het belang van een goede rechtsbedeling dient de uitspraak bijgevolg te worden aangehouden in de onderhavige zaak, in afwachting van de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de voormelde zaken. 20 Om die redenen, het Hof houdt de uitspraak over de prejudiciële vragen aan, in afwachting van de antwoorden van het Hof van Justitie van de Europese Unie op de in de zaken C-14/23 en C-299/23 gestelde prejudiciële vragen. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 20 juni
- De griffier, De voorzitter, Frank Meersschaut Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.066 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180105.2 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240311.3F.8 ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.081 ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.141 ECLI:CE:ECHR:2016:1215JUD001648312 ECLI:EU:C:2017:255 geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.022 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div