id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 20 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.067 Arrest- Rolnummer: 67/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-08-08 Raadplegingen: 324 - laatst gezien 2026-06-18 12:53 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de wet van 16 december 2022 « tot wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt en tot invoering van een plafond op marktinkomsten van elektriciteitsproducenten », ingesteld door de nv « 2Valorise Ham » en anderen, door de nv « Luminus » en anderen, door de bvba « Rouge Lux » en de cv « Biospace », door de vzw « Federatie van de Belgische Elektriciteits- en Gasbedrijven » en anderen, door de nv « Electrabel » en door de nv « Eoly Energy ». Energie - Energiecrisis - Elektriciteitsmarkt - Prijsstijgingen - Surplus aan inkomsten - Heffing ten behoeve van de Staat -
(2022)473 final, p. 6). De artikelen 2, punten 5) en 9), 6, 7, 8 en 10 van de verordening bepalen : « Artikel 2 Definities [...] 5) ‘ marktinkomsten ’ : de inkomsten die een producent ontvangt in ruil voor de verkoop en levering van elektriciteit in de Unie, ongeacht de contractuele vorm waarin die ruil plaatsvindt, met inbegrip van stroomafnameovereenkomsten en andere verrichtingen ter afdekking van schommelingen op de groothandelsmarkt voor elektriciteit, met uitzondering van alle door de lidstaten verleende steun; 22 [...] 9) ‘ surplus aan inkomsten ’ : een positief verschil tussen de marktinkomsten van producenten per MWh elektriciteit en het in artikel 6, lid 1, vastgestelde plafond op marktinkomsten van 180 EUR per MWh elektriciteit ». « Artikel 6 Verplicht plafond op marktinkomsten 1. De marktinkomsten van producenten die elektriciteit opwekken uit de in artikel 7, lid 1, bedoelde bronnen worden geplafonneerd op maximaal 180 EUR per MWh geproduceerde elektriciteit. 2. De lidstaten passen het plafond op marktinkomsten toe op alle marktinkomsten van producenten, en, indien van toepassing, op intermediairs die namens producenten op groothandelsmarkten voor elektriciteit actief zijn, ongeacht het markttijdsbestek waarin de transactie plaatsvindt en ongeacht of de elektriciteit op een bilaterale, dan wel een gecentraliseerde markt wordt verhandeld. 3. De lidstaten nemen doeltreffende maatregelen om te voorkomen dat de uit hoofde van lid 2 op producenten rustende verplichtingen worden omzeild. Zij zorgen er met name voor dat het plafond op marktinkomsten daadwerkelijk wordt toegepast in gevallen waarin producenten worden gecontroleerd door, of gedeeltelijk eigendom zijn van, andere ondernemingen, met name wanneer zij deel uitmaken van een verticaal geïntegreerde onderneming. 4. De lidstaten beslissen of zij het plafond op marktinkomsten toepassen bij de vereffening van de uitwisseling van energie of daarna. 5. De Commissie biedt de lidstaten sturing bij de uitvoering van dit artikel ». « Artikel 7 Toepassing van het plafond op marktinkomsten van elektriciteitsproducenten 1. Het in artikel 6 vastgestelde plafond op marktinkomsten is van toepassing op de marktinkomsten uit de verkoop van elektriciteit die wordt opgewekt uit de volgende bronnen :
- a)windenergie;
- b)zonne-energie (zowel thermische als fotovoltaïsche zonne-energie);
- c)geothermische energie;
- d)waterkracht zonder reservoir;
- e)biomassabrandstoffen (vaste of gasvormige biomassabrandstoffen), met uitzondering van biomethaan;
- f)afvalstoffen;
- g)kernenergie;
- h)bruinkool; 23
- i)ruwe aardolieproducten;
- j)turf. 2. Het in artikel 6, lid 1, vastgestelde plafond op marktinkomsten is niet van toepassing op demonstratieprojecten of op producenten waarvan de inkomsten per MWh geproduceerde elektriciteit reeds door andere, niet uit hoofde van artikel 8 vastgestelde overheidsmaatregelen worden geplafonneerd. 3. In het bijzonder in gevallen waarin de toepassing van het in artikel 6, lid 1, vastgestelde plafond op marktinkomsten aanzienlijke administratieve lasten met zich meebrengt, kunnen de lidstaten besluiten dat het plafond niet van toepassing is op producenten die elektriciteit opwekken met productie-installaties met een geïnstalleerd vermogen tot 1 MW. [...] [...] 5. De lidstaten kunnen besluiten dat het plafond op marktinkomsten slechts van toepassing is op 90 % van de marktinkomsten die het in artikel 6, lid 1, vastgestelde plafond op marktinkomsten overschrijden. 6. Producenten, intermediairs en relevante marktdeelnemers, alsook systeembeheerders, in voorkomend geval, verstrekken de bevoegde instanties van de lidstaten en, in voorkomend geval, de systeembeheerders en benoemde elektriciteitsmarktbeheerders, alle nodige gegevens voor de toepassing van artikel 6, onder meer over de geproduceerde elektriciteit en de daaruit voortvloeiende marktinkomsten, ongeacht het markttijdsbestek waarin de transactie plaatsvindt en ongeacht of de elektriciteit op een bilaterale markt, binnen dezelfde onderneming of op een gecentraliseerde markt wordt verhandeld ». « Artikel 8 Nationale crisismaatregelen 1. De lidstaten kunnen :
- a)maatregelen handhaven of invoeren die de marktinkomsten van de producenten die elektriciteit opwekken uit de in artikel 7, lid 1, genoemde bronnen, alsook de marktinkomsten van andere marktdeelnemers, waaronder deelnemers die zich bezighouden met elektriciteitshandel, verder beperken, inclusief de mogelijkheid om tussen technologieën te differentiëren;
- b)een hoger plafond op marktinkomsten vaststellen voor producenten die elektriciteit opwekken uit de in artikel 7, lid 1, genoemde bronnen, mits hun investeringen en exploitatiekosten het in artikel 6, lid 1, vastgestelde maximum overschrijden;
- c)nationale maatregelen handhaven of invoeren om de marktinkomsten van producenten die elektriciteit opwekken uit andere dan de in artikel 7, lid 1, genoemde bronnen te beperken; 24
- d)een specifiek plafond vaststellen voor de marktinkomsten uit de verkoop van elektriciteit uit steenkool; [...] 2. De in lid 1 bedoelde maatregelen, overeenkomstig deze verordening :
- a)zijn evenredig en niet-discriminerend;
- b)ondermijnen investeringssignalen niet;
- c)zorgen ervoor dat de investerings- en exploitatiekosten worden gedekt;
- d)hebben geen verstorende werking op de groothandelsmarkt voor elektriciteit en hebben in het bijzonder geen gevolgen voor de rangorde van in te zetten capaciteit (‘ merit order ’) en de prijsvorming op de groothandelsmarkt;
- e)zijn verenigbaar met het Unierecht ». « Artikel 10 Verdeling van het surplus aan inkomsten 1. De lidstaten wenden het surplus aan inkomsten dat voortvloeit uit de toepassing van het plafond op marktinkomsten volledig aan voor de financiering van maatregelen die de gevolgen van de hoge elektriciteitsprijzen voor eindafnemers van elektriciteit op gerichte wijze beperken. [...] 4. De in lid 1 bedoelde maatregelen kunnen bijvoorbeeld het volgende omvatten :
- a)financiële compensatie voor eindafnemers van elektriciteit voor het verlagen van hun elektriciteitsverbruik, onder meer door middel van vraagverminderende veilingen of aanbestedingsregelingen;
- b)directe overdrachten aan eindafnemers van elektriciteit, onder meer via evenredige kortingen op de netwerktarieven;
- c)compensatie voor leveranciers die door staats- of overheidsingrijpen in de prijsstelling overeenkomstig artikel 13 onder de kostprijs elektriciteit moeten leveren aan afnemers;
- d)het verlagen van de elektriciteitsprijs voor eindafnemers, onder meer voor een beperkte hoeveelheid van de verbruikte elektriciteit;
- e)het bevorderen van investeringen door eindafnemers van elektriciteit in decarbonisatietechnologieën, hernieuwbare energie en investeringen in energie-efficiëntie ». 25 De verordening (EU) 2022/1854 is in werking getreden op 8 oktober 2022 (artikel 22, lid 1) en de artikelen 6, 7 en 8 ervan zijn van toepassing van 1 december 2022 tot en met 30 juni 2023 (artikel 22, lid 2, c)). B.1.4.1. Ter uitvoering van de verordening (EU) 2022/1854 voegt artikel 5 van de wet van 16 december 2022 in de wet van 29 april 1999 « betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt » (hierna : de wet van 29 april 1999) een artikel 22ter in dat voorziet in een plafond op marktinkomsten van elektriciteitsproducenten ingesteld door middel van een heffing ten behoeve van de Staat op het surplus aan inkomsten die tussen 1 augustus 2022 en 30 juni 2023 wordt behaald (artikel 22ter, § 1, van de wet van 29 april 1999). Het plafond bedraagt 130 euro/MWh (artikel 22ter, § 4, eerste lid). In afwijking daarvan bedraagt het plafond 180 euro/MWh voor installaties die elektriciteit opwekken uit vaste of gasvormige biomassabrandstoffen (artikel 22ter, § 4, derde lid). Een plafond van 180 euro/MWh geldt tevens voor verbrandingsinstallaties voor stedelijk afval (artikel 22ter, § 4, vierde lid). Wanneer de verkochte elektriciteit is geproduceerd door middel van een installatie voor elektriciteitsproductie die productiesteun ontvangt welke varieert volgens de evolutie van de marktprijs van elektriciteit, wordt het plafond vastgesteld op 130 euro per MWh elektriciteit of op het niveau van de « levelized cost of energy » (LCOE) plus 50 euro per MWh elektriciteit indien dit resultaat hoger is dan 130 euro/MWh, maar niet meer dan 180 euro per MWh elektriciteit (artikel 22ter, § 4, tweede lid). De heffing is gelijk aan 100 % van het « surplus aan inkomsten », waaronder wordt verstaan, « het positief verschil tussen de marktinkomsten en het overeenkomstig paragraaf 4 vastgestelde plafond op marktinkomsten, berekend voor elke transactie tot verkoop van elektriciteit in MWh geleverd in de in paragraaf 1 bedoelde periode, en per installatie voor elektriciteitsproductie gelegen in België die gebruik maakt van een van de in artikel 7.1 van Verordening (EU) 2022/1854 genoemde technologieën, met een geïnstalleerd vermogen van minimaal 1 MW » (artikel 22ter, § 3, eerste en tweede lid). B.1.4.2. Artikel 22ter, § 2, van de wet van 29 april 1999 bepaalt wie is onderworpen aan de heffing : « De heffing is verschuldigd door : 26 1° iedere natuurlijke of rechtspersoon die in de paragraaf 1 bedoelde periode elektriciteit injecteert in het transmissienet, een net dat een transmissiefunctie heeft, een (gesloten) distributienet, een gesloten industrieel net, een tractienet spoor of een directe lijn, door middel van een in België gelegen installatie voor elektriciteitsproductie die gebruik maakt van een van de in artikel 7.1 van Verordening (EU) 2022/1854 genoemde technologieën, met een geïnstalleerd vermogen van minimaal 1 MW; 2° iedere kernexploitant in de zin van artikel 2, 5°, van de wet van 11 april 2003 op de repartitiebijdrage; 3° iedere bijdragende vennootschap in de zin van artikel 2, 11°, van de wet van 11 april 2003 op de repartitiebijdrage; 4° iedere eigenaar van de kerncentrale als bedoeld in artikel 4/1 van de wet van 31 januari 2003 houdende de geleidelijke uitstap uit kernenergie voor industriële elektriciteitsproductie. In afwijking van het eerste lid is de heffing niet verschuldigd door energiegemeenschappen van burgers en hernieuwbare energiegemeenschappen of door de gelijkgestelde energiegemeenschappen als bedoeld in de regionale wetgeving, mits het surplus aan inkomsten rechtstreeks aan consumenten die leden van deze gemeenschappen zijn wordt overgedragen ». B.1.4.3. Artikel 22ter, § 5, eerste lid, van de wet van 29 april 1999 neemt voor de invulling van het begrip « marktinkomsten » de definitie over uit artikel 2, punt 5), van de verordening (EU) 2022/1854, vermeld in B.1.3. Voor de vaststelling van de marktinkomsten bevat artikel 22ter, § 5, tweede lid, 1° tot 5°, een aantal vermoedens : « 1° voor de kerncentrales bedoeld in de wet van 11 april 2003 op de repartitiebijdrage worden de marktinkomsten berekend per installatie overeenkomstig afdeling 3 van de bijlage bij de wet van 11 april 2003 op de repartitiebijdrage, zoals gewijzigd bij de wet van 25 december 2016 tot wijziging van de wet van 11 april 2003 betreffende de voorzieningen aangelegd voor de ontmanteling van de kerncentrales en voor het beheer van splijtstoffen bestraald in deze centrales en van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, met dien verstande dat :
- a)het volume van op termijn verkochte elektriciteit wordt geacht te zijn verhandeld op elke dag waarop een dagelijkse notering van een baseload kalenderproduct is gepubliceerd door het in voormelde afdeling 3 platform voor de uitwisseling van energieblokken;
- b)het volume van elektriciteit dat op de day-ahead markt is verkocht, wordt geacht te zijn verhandeld voor elke leveringsperiode van één uur voor het desbetreffende volume op uurbasis; 2° voor de kerncentrale bedoeld in artikel 4/1 van de wet van 31 januari 2003 houdende de geleidelijke uitstap uit kernenergie voor industriële elektriciteitsproductie worden de 27 marktinkomsten berekend overeenkomstig artikel 4/1, § 2, derde lid, van de wet van 31 januari 2003 houdende de geleidelijke uitstap uit kernenergie voor industriële elektriciteitsproductie, met dien verstande dat :
- a)het volume van op termijn verkochte elektriciteit wordt geacht te zijn verhandeld op de eerste werkdag van elke maand waarop een dagelijkse notering van een baseload kalenderproduct is gepubliceerd door het platform voor de uitwisseling van energieblokken in het kader van de toepassing van artikel 4/1 hierboven;
- b)het volume van elektriciteit dat op de day-ahead markt is verkocht, wordt geacht te zijn verhandeld voor elke leveringsperiode van één uur voor het desbetreffende volume op uurbasis; 3° voor de niet onder 1° en 2° bedoelde installaties voor elektriciteitsproductie waarvan de productie onder een stroomafnameovereenkomst valt, worden de marktinkomsten berekend overeenkomstig de bepalingen van dat contract, mits de commerciële voorwaarden van het contract overeenstemmen met redelijke marktvoorwaarden, met dien verstande dat :
- a)het volume van op termijn verkochte elektriciteit wordt geacht te zijn verhandeld per dag die door de bovengenoemde overeenkomst in aanmerking wordt genomen om de prijs te bepalen;
- b)het volume van elektriciteit dat op de day-ahead markt is verkocht, wordt geacht te zijn verhandeld voor elke leveringsperiode van één uur voor het desbetreffende volume op uurbasis; 4° voor de niet onder 1°, 2° en 3° bedoelde installaties voor elektriciteitsproductie en waarvoor geen productiesteunregeling geldt, of waarvoor een productiesteunregeling geldt waarvan het bedrag niet afhankelijk is van de evolutie van de elektriciteitsprijs, of waarvoor een productiesteunregeling geldt waarvan het bedrag afhankelijk is van de evolutie van de elektriciteitsprijs op een periode van drie jaar, worden de marktinkomsten berekend op basis van het volgende :
- a)de verwachte gemiddelde jaarproductie voor verkoop in jaar-1 wordt geacht als op termijn verkocht te zijn op basis van een baseload kalenderproduct volgens de strategie van verkoop van een derde in jaar-3 (CAL+3), een derde in jaar-2 (CAL+2) en een derde in jaar-1 (CAL+1) tegen de prijzen die worden gepubliceerd door een platform voor de uitwisseling van energieblokken dat in België actief is. Deze verwachte gemiddelde jaarproductie voor verkoop in jaar-1 wordt beschouwd als de jaarproductie in 2019 voor installaties voor elektriciteitsproductie die vallen onder de technologieën bedoeld in artikel 7.1, onder a), b), d),
- e)en f), van Verordening (EU) 2022/1854. Indien de installatie voor elektriciteitsproductie in 2019 niet operationeel was, moet deze verwachte productie in jaar-1 door de schuldenaar worden gerapporteerd. Voor andere installaties voor elektriciteitsproductie wordt deze verwachte gemiddelde jaarproductie voor verkoop in jaar-1 geacht 85 % van de maximumcapaciteit van de installatie voor elektriciteitsproductie te bedragen;
- b)het positieve verschil tussen het geproduceerde en verkochte volume van elektriciteit per kwartier en het in
- a)bedoelde volume van elektriciteit wordt geacht te zijn verkocht tegen de marktreferentieprijs per uur; 28
- c)het volume van op termijn verkochte elektriciteit wordt geacht te zijn verhandeld per dag waarop een dagelijkse notering van een baseload kalenderproduct is gepubliceerd door een platform voor de uitwisseling van energieblokken dat in België actief is;
- d)het volume van elektriciteit dat op de day-ahead markt is verkocht, wordt geacht te zijn verhandeld voor elke leveringsperiode van één uur; 5° voor de niet onder 1°, 2°, 3° en 4° bedoelde installaties voor elektriciteitsproductie, worden de marktinkomsten berekend op basis van het volgende :
- a)de verwachte gemiddelde jaarproductie voor verkoop in jaar-1 wordt geacht als op termijn verkocht te zijn op basis van een baseload kalenderproduct in jaar-1 (CAL+1) tegen de prijzen die worden gepubliceerd door een platform voor de uitwisseling van energieblokken dat in België actief is. Deze verwachte gemiddelde jaarproductie voor verkoop in jaar-1 wordt beschouwd als de jaarproductie in 2019 voor installaties voor elektriciteitsproductie die vallen onder de technologieën genoemd in artikel 7.1, onder a), b), d),
- e)en f), van Verordening (EU) 2022/1854. Indien de installatie voor elektriciteitsproductie in 2019 niet operationeel was, moet deze verwachte productie in jaar-1 door de schuldenaar worden gerapporteerd. Voor andere installaties voor elektriciteitsproductie wordt deze verwachte gemiddelde jaarproductie voor verkoop in jaar-1 geacht 85 % van het maximumcapaciteit van de installatie voor elektriciteitsproductie te bedragen;
- b)het positieve verschil tussen het geproduceerde en verkochte volume van elektriciteit per kwartier en het in
- a)bedoelde volume van elektriciteit wordt geacht te zijn verkocht tegen de marktreferentieprijs per uur;
- c)het volume van op termijn verkochte elektriciteit wordt geacht te zijn verhandeld per dag waarop een dagelijkse notering van een baseload kalenderbasisproduct is gepubliceerd door een platform voor de uitwisseling van energieblokken dat in België actief is, op een periode van één jaar of, wanneer de productiesteunregeling gebaseerd is op de evolutie van de elektriciteitsprijs op een periode van zes maanden, op een periode van zes maanden;
- d)het volume van elektriciteit dat op de day-ahead markt is verkocht, wordt geacht te zijn verhandeld voor elke leveringsperiode van één uur ». Artikel 22ter, § 5, tweede lid, 6°, van de wet van 29 april 1999 bepaalt welke vermoedens kunnen worden weerlegd en hoe dat dient te gebeuren : « 6° voor de onder 3°, 4° en 5° bedoelde installaties voor elektriciteitsproductie, kan de in de paragraaf 2 bedoelde schuldenaar bewijzen dat de marktinkomsten afwijken van die welke zijn vastgesteld overeenkomstig onder 3°, 4° en 5°, op voorwaarde dat de schuldenaar dit bewijs aanbrengt voor zijn volledige productiepark, en met dien verstande dat :
- a)de aan- en verkoop van elektriciteit binnen een verticaal geïntegreerde onderneming of tussen ondernemingen waarvan de ene in het bezit is van of rechtstreeks of onrechtstreeks gedeeltelijk gecontroleerd wordt door de andere, wordt voor de toepassing van dit artikel geacht te zijn gesloten op basis van een prijs die overeenkomt met de marktprijs op de dag van de 29 transactie voor de leveringsperiode waarop de transactie betrekking heeft, zoals gepubliceerd door een platform voor de uitwisseling van energieblokken die in België actief is;
- b)elk geproduceerd en verkocht, maar niet op termijn verkocht volume van elektriciteit wordt geacht te zijn verkocht tegen de marktreferentieprijs;
- c)elke verkoop op termijn van elektriciteit is een transactie die wordt gedefinieerd door zijn transactiedatum, prijs en volume;
- d)het volume van elektriciteit dat op de day-ahead markt is verkocht, wordt geacht te zijn verhandeld voor elke leveringsperiode van één uur ». Krachtens artikel 22ter, § 5, derde lid, van de wet van 29 april 1999 wordt, behoudens voor het onder 3° bedoelde vermoeden, het surplus aan inkomsten verminderd met de kosten in verband met de aankoop van volumes van elektriciteit voor de levering van tijdens de in paragraaf 1 bedoelde periode verkochte en niet geproduceerde volumes van elektriciteit, wanneer de werkelijke productie lager is dan de op termijn verkochte productie, ten belope van het positieve verschil tussen de marktreferentieprijs en h