← België

ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.067

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 20 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.067 Arrest- Rolnummer: 67/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-08-08 Raadplegingen: 324 - laatst gezien 2026-06-18 12:53 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de wet van 16 december 2022 « tot wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt en tot invoering van een plafond op marktinkomsten van elektriciteitsproducenten », ingesteld door de nv « 2Valorise Ham » en anderen, door de nv « Luminus » en anderen, door de bvba « Rouge Lux » en de cv « Biospace », door de vzw « Federatie van de Belgische Elektriciteits- en Gasbedrijven » en anderen, door de nv « Electrabel » en door de nv « Eoly Energy ». Energie - Energiecrisis - Elektriciteitsmarkt - Prijsstijgingen - Surplus aan inkomsten - Heffing ten behoeve van de Staat -

  1. Toepassingsgebied - Uitsluiting - Installaties die elektriciteit opwekken uit biomethaan - Installaties met een geïnstalleerd vermogen van maximaal 1 MW -
  2. Aanslagvoet van de heffing -
  3. Prijsplafond van 130 euro/MWh -
  4. Prijsplafond van 180 euro/MWh - Installaties die elektriciteit opwekken uit vaste of gasvormige biomassabrandstoffen -
  5. Vaststelling van de marktinkomsten - Gebruik van vermoedens -
  6. Niet in rekening brengen van de onbalanskosten -
  7. Temporeel toepassingsgebied van de heffing Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 67/2024 van 20 juni 2024 Rolnummers : 8031, 8032, 8033, 8034, 8035 en 8037 In zake : de beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de wet van 16 december 2022 « tot wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt en tot invoering van een plafond op marktinkomsten van elektriciteitsproducenten », ingesteld door de nv « 2Valorise Ham » en anderen, door de nv « Luminus » en anderen, door de bvba « Rouge Lux » en de cv « Biospace », door de vzw « Federatie van de Belgische Elektriciteits- en Gasbedrijven » en anderen, door de nv « Electrabel » en door de nv « Eoly Energy ». Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging Bij verzoekschriften die aan het Hof zijn toegezonden bij op 20 en 21 juni 2023 ter post aangetekende brieven en ter griffie zijn ingekomen op 21 en 22 juni 2023, zijn beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging ingesteld van de wet van 16 december 2022 « tot wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt en tot invoering van een plafond op marktinkomsten van elektriciteitsproducenten » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 22 december 2022) respectievelijk door de nv « 2Valorise Ham », de nv « 2Valorise Amel » en de nv « 2Valorise », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. David Haverbeke, advocaat bij de balie te Brussel, door de nv « Luminus », de nv « EDF Belgium », de cv « ActiVent Wallonie », de nv « e-NosVents », de cv « Lumiwind » en de cv « Luminus Wind Together », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Axel Haelterman en Mr. Maxim Wuyts, advocaten bij de balie te Brussel, door de bvba « Rouge Lux » en de cv « Biospace », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Philippe Bossard en Mr. Thomas Deridder, advocaten bij de balie te Charleroi, door de vzw « Federatie van de Belgische Elektriciteits- en Gasbedrijven », de vzw « Organisatie voor Duurzame Energie Vlaanderen » en de nv « Wind4Wallonia 2 », bijgestaan en vertegenwoordigd door 2 Mr. Damien Verhoeven, Mr. Vincent Verbelen en Mr. Mathilde Victor, advocaten bij de balie te Brussel, door de nv « Electrabel », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Xavier Taton, Mr. Henk Vanhulle en Mr. Lieve Swartenbroux, advocaten bij de balie te Brussel, en door de nv « Eoly Energy », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Thomas Chellingsworth en Mr. Delphine Holemans, advocaten bij de balie te Brussel. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 8031, 8032, 8033, 8034, 8035 en 8037 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Bart Martel, Mr. Korneel Decroix en Mr. Kristof Caluwaert, advocaten bij de balie te Brussel, heeft memories ingediend, de verzoekende partijen hebben memories van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook memories van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 27 maart 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Danny Pieters en Kattrin Jadin te hebben gehoord : - beslist dat de zaken in staat van wijzen waren en de dag van de terechtzitting bepaald op 24 april 2024, - de verzoekende partijen uitgenodigd om, bij aangetekende brief die uiterlijk op 19 april 2024 ter post moest worden ingediend, de betalingsberichten voor de beide heffingsperiodes, overeenkomstig artikel 22quater, § 2, van de wet van 29 april 1999 « betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt », zoals ingevoerd door artikel 6 van de wet van 16 december 2022 « tot wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt en tot invoering van een plafond op marktinkomsten van elektriciteitsproducenten », voor zover die betalingsberichten aan hen reeds ter kennis zouden zijn gebracht, te bezorgen aan het Hof, en die binnen dezelfde termijn over te zenden aan de Ministerraad, alsook, via mail, aan de griffie van het Hof (griffie@const-court.be). Alle verzoekende partijen hebben de betalingsberichten ingediend. Op de openbare terechtzitting van 24 april 2024 : - zijn verschenen : . Mr. David Haverbeke, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 8031; . Mr. Axel Haelterman en Mr. Maxim Wuyts, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 8032; . Mr. Thomas Deridder, tevens loco Mr. Philippe Bossard, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 8033; . Mr. Damien Verhoeven, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 8034; . Mr. Xavier Taton en Mr. Matthieu Possoz, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. Henk Vanhulle, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 8035; 3 . Mr. Thomas Chellingsworth, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 8037; . Mr. Bart Martel, Mr. Korneel Decroix, Mr. Kristof Caluwaert en Mr. Baptiste Verbruggen, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers Danny Pieters en Kattrin Jadin verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A– Ten aanzien van de middelen Standpunt van de verzoekende partijen in de zaak nr. 8031 A.1.
  8. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8031 voeren in een eerste middel aan dat artikel 5 van de wet van 16 december 2022 « tot wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt en tot invoering van een plafond op marktinkomsten van elektriciteitsproducenten » (hierna : de wet van 16 december 2022) de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, al dan niet in samenhang gelezen met het rechtszekerheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. In een eerste onderdeel bekritiseren de verzoekende partijen het verschil in behandeling dat de bestreden bepaling in het leven roept tussen ondernemingen die onderworpen zijn aan een plafond van 130 euro/MWh en ondernemingen die zijn onderworpen aan een plafond van 180 euro/MWh, naargelang van de technologie die zij gebruiken. Volgens de verzoekende partijen steunt dat verschil in behandeling noch op een objectieve, noch op een pertinente verantwoording. De verzoekende partijen betwisten daarbij zowel het plafond van 130 euro/MWh als het plafond van 180 euro/MWh, en dan in het bijzonder de marge van 50 euro/MWh die de wetgever voor die beide plafonds heeft toegepast. In een tweede onderdeel bekritiseren de verzoekende partijen dat de bestreden bepaling alle ondernemingen die elektriciteit opwekken uit biomassa onderwerpt aan een plafond van 180 euro/MWh, hoewel er tussen die ondernemingen belangrijke verschillen kunnen zijn met betrekking tot hun investerings- en exploitatiekosten. Zij wijzen erop dat zij voor 2022 een « levelized cost of energy » (LCOE) hadden van 374,06 euro/MWh voor hun installaties in Ham en een LCOE van 421,19 euro/MWh voor hun installaties in Amel. Volgens de verzoekende partijen bestaat voor die identieke behandeling geen objectieve en pertinente verantwoording. Gelet op de objectieve en beschikbare cijfers van het Vlaams Energie- en Klimaatagentschap, had de wetgever moeten voorzien in een hoger plafond voor biomassacentrales. A.1.
  9. In een tweede middel voeren de verzoekende partijen in de zaak nr. 8031 aan dat artikel 5 van de wet van 16 december 2022 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 16, 170 en 172 ervan, schendt. In een eerste onderdeel bekritiseren zij de retroactieve werking van de bestreden bepaling, in zoverre het prijsplafond wordt toegepast van 1 augustus 2022 tot 30 juni 2023, terwijl krachtens artikel 22, lid 2, c), van de verordening (EU) 2022/1854 van de Raad van 6 oktober 2022 « betreffende een noodinterventie in verband met de hoge energieprijzen » (hierna : de verordening (EU) 2022/1854) de lidstaten slechts verplicht zijn om een 4 prijsplafond door te voeren van 1 december 2022 tot 30 juni
  10. Volgens de verzoekende partijen wordt die retroactieve werking niet verantwoord. In een tweede onderdeel bekritiseren de verzoekende partijen dat de bestreden bepaling, door te voorzien in een heffing van 100 % op inkomsten boven het prijsplafond van 180 euro/MWh, hun eigendomsrecht op een onevenredige wijze aantast. In ondergeschikte orde voeren zij de schending aan van het rechtszekerheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, om dezelfde redenen als die welke zijn weergegeven in het kader van het eerste middel. A.1.
  11. In een derde middel voeren de verzoekende partijen in de zaak nr. 8031 de schending aan, door artikel 5 van de wet van 16 december 2022, van de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van de verordening (EU) 2022/
  12. Volgens de verzoekende partijen verzet die laatste bepaling zich ertegen dat lidstaten een prijsplafond invoeren dat afbreuk doet aan het vermogen van de producenten om hun investerings- en exploitatiekosten terug te verdienen. Door te voorzien in een prijsplafond van 180 euro/MWh op elke geproduceerde MWh elektriciteit tijdens de belastbare periode, schendt de bestreden bepaling dat verbod. In ondergeschikte orde vragen de verzoekende partijen dat het Hof een prejudiciële vraag stelt aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de verenigbaarheid van de bestreden bepaling met artikel 8 van de verordening (EU) 2022/
  13. Standpunt van de verzoekende partijen in de zaak nr. 8032 A.2.1.
  14. In een eerste middel voeren de verzoekende partijen in de zaak nr. 8032 aan dat artikel 5 van de wet van 16 december 2022 in strijd is met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 2, punten 5) en 9), 6, 7 en 8 van de verordening (EU) 2022/1854, artikel 16 van de Grondwet, artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De verzoekende partijen bekritiseren de vijf vermoedens voor het bepalen van de « marktinkomsten » naargelang van de gebruikte productietechniek, zoals bedoeld in het nieuwe artikel 22ter, § 5, tweede lid, 1° tot 5°, van de wet van 29 april 1999 « betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt » (hierna : de wet van 29 april 1999). Doordat de wet niet toelaat om die vermoedens te weerleggen op basis van de reële inkomsten, kan zij volgens hen tot gevolg hebben dat belastingen moeten worden betaald op inkomsten die niet bestaan. Volgens de verzoekende partijen geldt dit niet alleen voor de vermoedens bedoeld in artikel 22ter, § 5, tweede lid, 1° en 2°, waarvoor de wet van 16 december 2022 geen tegenbewijs toelaat, maar ook voor de vermoedens vastgelegd in de bepalingen 3° tot 5° van dat artikel. Hoewel die laatste vermoedens volgens artikel 22ter, § 5, tweede lid, 6°, van de wet van 29 april 1999 wel weerlegbaar zijn, moet de belastingplichtige daarvoor gebruikmaken van andere, onweerlegbare vermoedens, zodat hij in die gevallen niet kan steunen op zijn reële inkomsten. De verzoekende partijen verwijzen daarbij in het bijzonder naar het feit dat al die vermoedens uitgaan van een verkoop van elektriciteit per dag tegen de prijs van die dag, hoewel het kan voorkomen dat de verkoopovereenkomst niet voorziet in een verkoop tegen een prijs per uur of tegen de prijs van elk uur van de maand, maar tegen de gemiddelde uurprijs van die maand. In een dergelijk geval kunnen die vermoedens tot gevolg hebben dat de betrokken producent geacht wordt het plafond van 130 euro/MWh te hebben overschreden, terwijl het maandelijks gemiddelde zich onder dat plafond bevindt. De bestreden bepaling roept dan ook een identieke behandeling in het leven tussen producenten waarvan de reële inkomsten het prijsplafond niet overschrijden en producenten waarvan de reële inkomsten het prijsplafond wel overschrijden, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. A.2.1.
  15. In een eerste onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepaling, doordat zij gebruikmaakt van onweerlegbare vermoedens, de artikelen 2, punten 5) en 9), 6, 7 en 8 van de verordening (EU) 2022/1854 schendt, die vereisen dat het plafond wordt toegepast op de inkomsten die een producent « ontvangt » uit « een transactie ». Bovendien vereist ook het evenredigheidsbeginsel zoals verankerd in het recht van de Europese Unie dat de belastingplichtige de mogelijkheid moet hebben om het tegenbewijs aan te brengen. Anders dan in de parlementaire voorbereiding van de wet van 16 december 2022 wordt voorgehouden, is het volgens de verzoekende partijen wel mogelijk om de daadwerkelijke inkomsten te berekenen. Zo zijn zij reeds onderworpen aan een door het Unierecht opgelegde verplichting om te rapporteren over elke transactie inzake de verkoop van elektriciteit op de groothandelsmarkt (de zogenaamde REMIT-rapportageverplichtingen). Uit niets blijkt waarom die gegevens ook niet voor de toepassing van de wet van 16 december 2022 zouden kunnen worden gebruikt. Bovendien vereist de wet van 16 december 2022 dat de verzoekende partijen in hun aangifte het profiel van de geproduceerde en verkochte elektriciteit per kwartier van elke installatie voor elektriciteitsproductie vermelden. Volgens de verzoekende partijen in de zaak nr. 8032 verwart de Ministerraad de onmogelijkheid om op technisch vlak een elektron op te sporen met de reële mogelijkheid om op economisch vlak de inkomsten van een bepaalde 5 productie-installatie te bepalen. Volgens hen is het in veel gevallen perfect mogelijk om de prijs waaraan een bepaalde hoeveelheid geproduceerde elektriciteit werd verkocht, te koppelen aan een bepaalde productie- installatie, zoals bijvoorbeeld in het kader van een stroomafnameovereenkomst, die onder het derde vermoeden valt. Indien de bestreden heffing op de reële inkomsten van de verzoekende partijen zou worden toegepast, dan zouden zij voor de periode van 1 augustus 2022 tot 31 december 2022 een bedrag van 19,9 miljoen euro verschuldigd zijn. De toepassing van de vermoedens leidt voor die periode evenwel tot een heffing van 41,6 miljoen euro. Voor de periode van 1 januari 2023 tot 30 juni 2023 bedraagt de meerbelasting 5,8 miljoen euro. Voorts kan niet worden uitgegaan van een vermoeden van kwade trouw van de producenten en kan uit overweging 37 van de verordening (EU) 2022/1854 niet worden afgeleid dat het gebruik van vermoedens is toegelaten. Ten slotte tast het gebruik van onweerlegbare vermoedens het eigendomsrecht van de producenten op onevenredige wijze aan. A.2.1.
  16. In een tweede onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepaling een niet redelijk verantwoord verschil in behandeling in het leven roept tussen de producenten die onder het toepassingsgebied vallen van de vermoedens bedoeld in artikel 22ter, § 5, tweede lid, 1° en 2°, van de wet van 29 april 1999 en de producenten op wie de vermoedens bedoeld in de bepalingen 3° tot 5° van dat artikel van toepassing zijn. Terwijl de eerste categorie van producenten de op hen van toepassing zijnde vermoedens niet kan weerleggen, kan de tweede categorie van producenten dat wel. In tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert, kan de loutere omstandigheid dat de verkoopstrategie betreffende de kerncentrales al is bepaald voor de toepassing van de repartitiebijdrage het onweerlegbaar karakter van de op de kerncentrales van toepassing zijnde vermoedens niet verantwoorden, daar die strategie niet overeenstemt met de werkelijkheid. De elektriciteit die EDF Belgium uit haar kerncentrale (Tihange 1) produceert, wordt verkocht volgens een intragroepsakkoord met EDF Frankrijk conform het at arm’s length-principe, dat inhoudt dat aan een concurrentiële prijs wordt verkocht, alsof EDF Belgium aan een onafhankelijke koper zou verkopen. Volgens de verzoekende partijen biedt het correctiemechanisme bepaald in artikel 22quater, §§ 5 en 6, van de wet van 29 april 1999 geen soelaas, aangezien de toepassing van de heffing op fictieve inkomsten maakt dat zij ook dan nog zwaarder worden belast dan wanneer zij hun reële inkomsten zouden kunnen aantonen. A.2.1.
  17. In ondergeschikte orde vragen de verzoekende partijen het Hof een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie teneinde te vernemen of de artikelen 2, punten 5) en 9), 6, 7 en 8 van de verordening (EU) 2022/1854 in die zin moeten worden geïnterpreteerd dat zij zich verzetten tegen het gebruik van onweerlegbare vermoedens voor het bepalen van de marktinkomsten. A.2.
  18. In een tweede middel voeren de verzoekende partijen in de zaak nr. 8032 de schending aan, door artikel 5 van de wet van 16 december 2022, van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 8 van de verordening (EU) 2022/1854, met artikel 16 van de Grondwet, met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de artikelen 16 en 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Volgens de verzoekende partijen schendt de bestreden bepaling artikel 6 van de verordening (EU) 2022/1854, doordat ze een prijsplafond invoert van 130 euro/MWh, terwijl de voormelde bepaling van de verordening slechts in een prijsplafond van 180 euro/MWh voorziet. De verwijzing, door de Ministerraad, naar het verslag van de Europese Commissie over de toepassing van de verordening, leidt niet tot een andere conclusie, aangezien dat verslag geen beoordeling van de juridische geldigheid van de tenuitvoerlegging van de verordening inhoudt. Bovendien stelt de Europese Commissie in dat verslag vast dat de toepassing, door sommige lidstaten, van het plafond op « veronderstelde » in plaats van op gerealiseerde inkomsten leidt tot paradoxale situaties waarin de producent ertoe kan worden gedwongen elektriciteit met verlies te verkopen. Daarnaast is de bestreden bepaling ook strijdig met artikel 8 van de verordening, aangezien niet voldaan is aan de in dat artikel opgenomen voorwaarden voor het kunnen aannemen van maatregelen die de marktinkomsten van marktdeelnemers verder beperken. In elk geval vormt een dergelijk plafond een onevenredige inmenging in hun eigendomsrecht alsook in hun vrijheid van ondernemen. Zo verhoogt de bestreden heffing de boekhoudkundige en fiscale verliezen van de eerste verzoekende partij met 40 miljoen euro en stemt het bedrag van de heffing overeen met de investeringsuitgaven van de verzoekende partijen, zodat zij hun het vrij beheer over hun activa en hun mogelijkheid om bijkomende investeringen te doen, ontneemt. In ondergeschikte orde vragen de verzoekende partijen het Hof een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie teneinde te vernemen of artikel 8 van de verordening (EU) 2022/1854 zo moet worden geïnterpreteerd dat het zich verzet tegen de invoering van een plafond van 130 euro/MWh. A.2.
  19. In een derde middel werpen de verzoekende partijen in de zaak nr. 8032 op dat artikel 5 van de wet van 16 december 2022 de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet schendt. Volgens de verzoekende partijen roept de bestreden bepaling een verschil in behandeling in het leven tussen de producenten die onder de toepassing 6 vallen van het vermoeden bedoeld in artikel 22ter, § 5, tweede lid, 3°, van de wet van 29 april 1999, die de kosten bij een onevenwicht van het elektriciteitsnet in rekening kunnen brengen bij het bepalen van de marktinkomsten, terwijl de producenten die vallen onder de toepassing van de bepalingen 1°, 2°, 4° en 5°, van dat artikel, dat niet kunnen. Indien de elektriciteit wordt verkocht via een stroomafnameovereenkomst, dan zijn de onevenwichtskosten inbegrepen in de prijsformule en kunnen zij dus in rekening worden gebracht. Wanneer de elektriciteit wordt verkocht op een andere wijze, dan zijn de onevenwichtskosten niet inbegrepen en kunnen zij dus niet in rekening worden gebracht. Volgens de verzoekende partijen bestaat voor dat verschil in behandeling geen redelijke verantwoording in het licht van het doel van de wet van 16 december 2022 om de overwinsten van de elektriciteitsproducenten te belasten. Standpunt van de verzoekende partijen in de zaak nr. 8033 A.3.
  20. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8033 voeren in een eerste middel aan dat de wet van 16 december 2022 de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet en het beginsel van de gelijkheid voor de belasting schendt, in zoverre zij, voor zover zij uit de tekst van de wet van 16 december 2022 kunnen opmaken, wel de producenten die elektriciteit opwekken uit biogas via een biomethanisatieproces en met behulp van een warmtekrachtkoppelingsinstallatie, maar niet de producenten die elektriciteit opwekken uit biomethaan door zuivering en compressie van biogas en via een biomethanisatieproces aan een heffing onderwerpt. In een eerste onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat dit verschil in behandeling niet op een objectief criterium van onderscheid steunt en niet redelijk verantwoord is, aangezien beide producenten vertrekken van biogas en gebruikmaken van een proces van biomethanisatie en dus van vergelijkbare productietechnieken. Het loutere feit dat de conditionering van de beide producten kan verschillen, leidt niet tot een andere conclusie, aangezien dit enkel een beperkte impact heeft op het vervoer van het product. Bovendien worden de beide productietechnieken zowel in het Unierecht als in de wetgeving van de gewesten beschouwd als gelijke technieken ter vervanging van fossiele brandstoffen. In een tweede onderdeel voeren de verzoekende partijen in de zaak nr. 8033 aan dat het verschil in behandeling niet steunt op een redelijk verband van evenredigheid tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel. Aangezien uit overweging 34 van de verordening (EU) 2022/1854 volgt dat, om de REPowerEU-doelstellingen te halen, het plafond op marktinkomsten niet van toepassing mag zijn op technologieën die als inputbrandstoffen worden gebruikt ter vervanging van aardgas, zoals biomethaan, en de techniek van warmtekrachtkoppeling eveneens gebruikmaakt van biomethaan, mag de wet van 16 december 2022 evenmin van toepassing zijn op die laatste techniek. Eenzelfde redenering geldt, zo werpen zij op in hun memorie van antwoord, in het licht van de gewestwetgeving, en dan meer bepaald in het licht van het « Plan Air Climat Énergie 2030 » van het Waalse Gewest. Anders dan de Ministerraad beweert, kan het verschil in behandeling niet worden verantwoord op grond van het feit dat de wetgever met benaderende categorieën mag werken. Aangezien artikel 8, lid 1, a), van de verordening (EU) 2022/1854 de lidstaten de mogelijkheid biedt om tussen technologieën te differentiëren, is het feit dat de Belgische wetgever van die mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt, een kennelijke beoordelingsfout. Daar de wet van 16 december 2022 dat onderscheid heeft overgenomen uit artikel 7, lid 1, van de verordening (EU) 2022/1854, vragen de verzoekende partijen in ondergeschikte orde het Hof om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de interpretatie die aan artikel 7, lid 1, van de verordening (EU) 2022/1854 moet worden gegeven. A.3.
  21. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8033 voeren in een tweede middel aan dat de wet van 16 december 2022 de artikelen 10, 11 en 170 van de Grondwet alsook het beginsel van de voorzienbaarheid van de belasting schendt, aangezien het volgens hen onzeker is of zij onder het toepassingsgebied van de wet van 16 december 2022 vallen. Die onzekerheid wordt volgens hen veroorzaakt door het feit dat de voormelde wet niet bepaalt wat onder de begrippen « biogas » en « biomethaan » moet worden begrepen. A.3.
  22. In een derde middel voeren de verzoekende partijen in de zaak nr. 8033 aan dat de wet van 16 december 2022 de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet en het beginsel van de gelijkheid voor de belasting schendt, in zoverre zij het toepassingsgebied van de heffing uitsluitend laat afhangen van het feit of de installatie al dan niet een geïnstalleerd vermogen van minimaal 1 MW heeft, zonder te voorzien in een progressiviteit van de heffing of in een afwijking of een uitzondering voor bepaalde types van installaties. Volgens de verzoekende partijen heeft die keuze van de wetgever in het bijzonder voor hen ernstige financiële gevolgen, aangezien zij voor zware investeringen staan. Aangezien artikel 7, lid 3, van de verordening (EU) 2022/1854 de lidstaten niet 7 verplicht om producenten die elektriciteit opwekken met productie-installaties met een geïnstalleerd vermogen tot 1 MW van de heffing vrij te stellen maar de lidstaten daartoe enkel de mogelijkheid biedt, moet de wetgever kunnen verantwoorden waarom hij van die mogelijkheid heeft gebruikgemaakt. Het vermijden van buitensporige administratieve kosten is in de ogen van de verzoekende partijen geen voldoende argument, aangezien de heffing steunt op een gedetailleerde aangifte die door de belastingplichtigen moet worden ingediend, waardoor de administratieve kosten van de CREG beperkt zijn. Standpunt van de verzoekende partijen in de zaak nr. 8034 A.4.
  23. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8034 voeren in een eerste middel aan dat artikel 5 van de wet van 16 december 2022 in strijd is met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6, 7, 8, 20 en 22 van de verordening (EU) 2022/1854, artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna : het VWEU), het beginsel van de loyale samenwerking, bepaald in artikel 4, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (hierna : het VEU), de beginselen van de voorrang en de effectiviteit van het Unierecht, het beginsel van de energiesolidariteit en de beginselen van rechtszekerheid en niet- retroactiviteit, in zoverre het de heffing toepast vanaf 1 augustus
  24. In een eerste onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat die temporele toepassing strijdig is met de voormelde bepalingen van de verordening (EU) 2022/1854, die de lidstaten slechts toelaten om een prijsplafond op de marktinkomsten in te voeren vanaf 1 december
  25. Volgens de verzoekende partijen roept de wet van 16 december 2022 op dat punt een verschil in behandeling in het leven ten aanzien van de ondernemingen die niet onder de heffing vallen en de ondernemingen die slechts vanaf 1 december 2022 eronder vallen. De verzoekende partijen wijzen erop dat uit zowel de tekst, het doel en de economie van de verordening (EU) 2022/1854 als uit artikel 122, lid 1, van het VWEU, dat de rechtsgrond voor de verordening vormt, volgt dat die een maximale harmonisatie beoogt, zonder dat zij de lidstaten de mogelijkheid biedt om ervan af te wijken. Die maximale harmonisatie belet de lidstaten eveneens om te anticiperen op de nakende inwerkingtreding van de verordening (EU) 2022/1854, hetgeen ook volgt uit het feit dat de anticipatieve toepassing waarin het oorspronkelijk voorstel van verordening voorzag, op uitdrukkelijk verzoek van de lidstaten niet werd overgenomen in de finale tekst van de verordening. Gelet op al die elementen is de toepassing van de wet van 16 december 2022 vanaf 1 augustus 2022 eveneens strijdig met het beginsel van de loyale samenwerking, zoals bepaald in artikel 4, lid 3, van het VEU. Op de verwijzing, door de Ministerraad, naar het verslag van de Europese Commissie over de toepassing van de verordening, antwoordt de verzoekende partij met hetgeen door de verzoekende partij in de zaak nr. 8032 wordt geantwoord, zoals weergegeven in A.2.
  26. In een tweede onderdeel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van niet-retroactiviteit, doordat de bestreden heffing van toepassing is op transacties die reeds zijn afgesloten. Zij benadrukken dat de bestreden heffing, die van toepassing is per transactie, geen directe, maar een indirecte belasting is. Doordat zij van toepassing is op de transacties die zijn afgesloten tussen 1 augustus 2022 en 22 december 2022, heeft de wet van 16 december 2022 terugwerkende kracht. Zij doet ook afbreuk aan de rechtszekerheid en de economische zekerheid van de producenten, aangezien die laatsten op het ogenblik van het sluiten van de transactie niet konden voorzien dat zij op hun transactie zouden worden belast. De doelstelling van algemeen belang die met de verordening (EU) 2022/1854 wordt beoogd, vormt geen verantwoording voor de terugwerkende kracht van de wet van 16 december
  27. Voor zover de Ministerraad bijkomend zou verwijzen naar de beperking van de impact van de sterk stijgende energieprijzen op de financiën van de Belgische Staat, kan een dergelijke reden evenmin volstaan als verantwoording voor de terugwerkende kracht. In een derde onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat, in ondergeschikte orde, zelfs als de verordening (EU) 2022/1854 de lidstaten zou toelaten om te anticiperen op de nakende inwerkingtreding ervan en zelfs al zou de terugwerkende kracht van de wet van 16 december 2022 kunnen worden verantwoord, de toepassing vanaf 1 augustus 2022 in elk geval strijdig is met het beginsel van de energiesolidariteit. Volgens de verzoekende partijen legt dat beginsel de instellingen van de Unie en de lidstaten de verplichting op om bij de uitvoering van hun energiebeleid rekening te houden met de belangen van zowel de Unie als de verschillende lidstaten en om bij een botsing van belangen een belangenafweging te maken. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 16 december 2022 blijkt volgens de verzoekende partijen niet dat de wetgever rekening heeft gehouden met de gevolgen van de toepassing van de heffing vanaf 1 augustus 2022 voor de goede werking van de interne markt en voor de belangen van de andere lidstaten. 8 A.4.
  28. In een tweede middel voeren de verzoekende partijen in de zaak nr. 8034 de schending aan, door de wet van 16 december 2022, van de artikelen 10, 11, 16 en 172 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6, 7 en 8 juncto artikel 2, punten 5) en 9), van de verordening (EU) 2022/1854, artikel 288 van het VWEU, de beginselen van de voorrang en de effectiviteit van het Unierecht en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. In een eerste onderdeel bekritiseren de verzoekende partijen het feit dat de bestreden heffing wordt gevestigd op basis van vermoedens die onweerlegbaar zijn of die enkel kunnen worden weerlegd op grond van andere vermoedens. Zij verwijzen in dat verband naar het in A.2.1.1 vermelde feit dat al die vermoedens uitgaan van een verkoop van elektriciteit per dag tegen de prijs van die dag of tegen een verkoop per uur, terwijl dat in de praktijk niet altijd het geval is. Zo ook kunnen er door producenten van hernieuwbare energie commerciële kortingen worden toegekend op de contractueel vastgestelde prijs, teneinde te waarborgen dat de lokaal geleverde elektriciteit steeds goedkoper is dan de elektriciteit die wordt afgenomen van het distributienet. De zogenaamde courante technische gegevens waarop die vermoedens volgens de Ministerraad steunen, stemmen derhalve niet overeen met de gegevens die door de betrokken productie-installaties effectief worden gebruikt. Op het argument van de Ministerraad, met betrekking tot het onweerlegbaar karakter van de vermoedens bedoeld in artikel 22ter, § 5, tweede lid, 1° en 2°, dat de verkoopstrategie voor de kerncentrales al werd bepaald voor de toepassing van de repartitiebijdrage, antwoorden de verzoekende partijen met hetgeen is weergegeven in A.2.1.
  29. Doordat de heffing wordt toegepast op inkomsten die niet werkelijk ontvangen zijn, schendt de bestreden bepaling de artikelen 6, 7 en 8 van de verordening (EU) 2022/1854, die vereisen dat het prijsplafond wordt toegepast op daadwerkelijk verkregen inkomsten. Ook uit overweging 30 van de verordening blijkt dat het prijsplafond enkel mag worden toegepast op gerealiseerde marktinkomsten. Om al de in A.2.1.2 en A.2.1.3 vermelde redenen zijn de verzoekende partijen van mening dat de beweegredenen die in de parlementaire voorbereiding van de wet van 16 december 2022 worden aangehaald om het gebruik van vermoedens te rechtvaardigen, niet kunnen overtuigen. Volgens de verzoekende partijen beoogde de wetgever met het gebruik van onweerlegbare vermoedens dan ook enkel dat de bestreden heffing voldoende inkomsten zou genereren. In ondergeschikte orde vragen de verzoekende partijen het Hof een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie die gelijkaardig is aan de in A.2.1.4 bedoelde prejudiciële vraag. In een tweede onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de combinatie van een belasting op niet- verkregen inkomsten en een belastingtarief van 100 % ertoe leidt dat de wet van 16 december 2022 neerkomt op een confiscatie en bijgevolg de artikelen 10, 11, 16 en 172 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, schendt. A.4.
  30. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8034 voeren in een derde middel aan dat de wet van 16 december 2022 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 8 van de verordening (EU) 2022/1854, artikel 288 van het VWEU, de beginselen van de voorrang en de effectiviteit van het Unierecht en het beginsel van de energiesolidariteit, in zoverre ze voorziet in een prijsplafond van 130 euro/MWh. In een eerste onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat dat prijsplafond niet bestaanbaar is met de verordening (EU) 2022/
  31. Zowel uit artikel 6 en artikel 2, punt 9), van de verordening als uit de doelstelling ervan om de stijgende energieprijzen op een gecoördineerde wijze aan te pakken, volgt dat de lidstaten slechts een prijsplafond van 180 euro/MWh mogen invoeren. Het woord « maximaal » in artikel 6, lid 1, van de verordening wijst erop dat het prijsplafond van 180 euro/MWh het meest strikte prijsplafond is, zodat de lidstaten dat prijsplafond enkel kunnen verhogen, maar niet verlagen. In het andere geval zou artikel 6, lid 1, van de verordening het woord « minimaal » hebben gebruikt. Bovendien zou in dat geval artikel 8 van de verordening (EU) 2022/1854, die de lidstaten, onder strenge voorwaarden, toelaat om door middel van « crisismaatregelen » de marktinkomsten van de elektriciteitsproducenten verder te beperken, volstrekt overbodig zijn. In ondergeschikte orde vragen de verzoekende partijen het Hof een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie die gelijkaardig is aan de in A.2.2 bedoelde prejudiciële vraag. In een tweede onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de invoering van een prijsplafond van 130 euro/MWh ook niet kan steunen op het hiervoor vermelde artikel 8 van de verordening (EU) 2022/
  32. Aangezien het gaat om een afwijking van een plafond dat op gecoördineerde wijze tot stand is gekomen op Europees niveau, moeten de toepassingsvoorwaarden van die bepaling restrictief worden geïnterpreteerd. Ten eerste volgt uit overweging 40 van de verordening (EU) 2022/1854 dat de invoering van een lager prijsplafond 9 moet kunnen worden verantwoord op grond van specifieke omstandigheden. Die omstandigheden blijken evenwel niet uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 16 december
  33. Zo wordt niet gemotiveerd waarom het plafond wordt vastgesteld op basis van de elektriciteitsprijzen van 2019, die toen relatief laag waren, terwijl het plafond dat is bepaald in artikel 6 van de verordening (EU) 2022/1854 werd vastgesteld op basis van de prijzen die golden net vóór de oorlog in Oekraïne, toen ze het hoogst waren. Anders dan de Ministerraad voorhoudt, heeft de COVID-19-crisis geen abnormale impact gehad op de energieprijzen. In de parlementaire voorbereiding wordt ook niet aangetoond welke specifieke omstandigheden eigen aan de Belgische situatie de invoering van een prijsplafond van 130 euro/MWh zouden kunnen verantwoorden. Ten tweede is volgens de verzoekende partijen ook niet voldaan aan de voorwaarden bepaald in artikel 8, lid 2, van de verordening (EU) 2022/
  34. Het prijsplafond van 130 euro/MWh is onevenredig en discriminerend, het ondermijnt de investeringssignalen en het zorgt niet ervoor dat de investerings- en exploitatiekosten worden gedekt. Tevens verstoort het de groothandelsmarkt voor elektriciteit, aangezien een centrale die onderworpen is aan de bestreden heffing de kost van die heffing moet integreren in haar werkingskosten, waardoor zij ofwel met verlies moet verkopen ofwel haar verkoop moet stilleggen zolang die kost niet gedekt is. Daardoor wordt ook haar plaats in de merit order beïnvloed. Bovendien betekent het bestreden prijsplafond dat een Belgische productie-installatie 30 % zwaarder wordt belast dan een productie-installatie die onderworpen is aan het Europese plafond. Ten slotte is het prijsplafond van 130 euro/MWh niet verenigbaar met het Unierecht. Standpunt van de verzoekende partij in de zaak nr. 8035 A.5.
  35. De verzoekende partij in de zaak nr. 8035 leidt een eerste middel af uit de schending, door artikel 5 van de wet van 16 december 2022, van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 2, punt 5), 6 en 8 van de verordening (EU) 2022/1854, in zoverre de bestreden bepaling voor de verschuldigdheid van de heffing uitsluitend rekening houdt met vermoedens, terwijl de voormelde artikelen van de verordening vereisen dat het plafond wordt toegepast op werkelijk ontvangen inkomsten. Terwijl het eerste en het tweede vermoeden onweerlegbaar zijn, kunnen het derde, het vierde en het vijfde vermoeden slechts worden weerlegd indien de producent voor zijn volledige productiepark, met inbegrip van de installaties die niet onder het toepassingsgebied van de wet van 16 december 2022 vallen, kan aantonen dat zijn reële marktinkomsten afwijken van de inkomsten die zijn vastgesteld overeenkomstig die vermoedens. Die bewijslast is dan ook onevenredig voor een producent met een dermate omvangrijk en gedifferentieerd productiepark zoals de verzoekende partij in de zaak nr.
  36. Bovendien wordt de heffing, zelfs als de verzoekende partij in die bewijslast slaagt, dan nog berekend op basis van een ander vermoeden. Nochtans is het voor de verzoekende partij wel mogelijk om de daadwerkelijke inkomsten van haar productie-installaties die onder de toepassing van de wet van 16 december 2022 vallen, te berekenen. Op de argumentatie van de Ministerraad ter ondersteuning van het onweerlegbaar karakter van het eerste en het tweede vermoeden, antwoordt de verzoekende partij met hetgeen is weergegeven in A.2.1.
  37. Volgens de verzoekende partij leidt de toepassing van het eerste en het tweede vermoeden in plaats van een heffing op basis van haar reële inkomsten, voor het eerste semester van 2023, tot een meerbelasting van 190 miljoen euro. In ondergeschikte orde vraagt de verzoekende partij het Hof een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie die gelijkaardig is aan de in A.2.1.4 bedoelde prejudiciële vraag. A.5.
  38. In een tweede middel voert de verzoekende partij in de zaak nr. 8035 aan dat de artikelen 5 en 6 van de wet van 16 december 2022 de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet schenden, in samenhang gelezen met artikel 22, lid 2, c), van de verordening (EU) 2022/1854, in zoverre die bepalingen het marktplafond toepassen vanaf 1 augustus
  39. Volgens haar laat zowel de voormelde bepaling als artikel 7, lid 2, van de verordening de lidstaten slechts toe om vanaf 1 december 2022 een marktplafond in te voeren, hetgeen ook logisch is gezien de context van de verordening als uitzonderlijke maatregel tijdens de winter van 2022-
  40. De verzoekende partij wijst in dat verband ook erop dat het de lidstaten evenmin is toegestaan te voorzien in een anticipatieve toepassing van de verordening (EU) 2022/
  41. In het oorspronkelijke voorstel van verordening was wel in een dergelijke toepassing voorzien, maar die mogelijkheid werd nadien tijdens de verdere totstandkoming van de verordening opgeheven en vervangen door de huidige tekst van artikel 22, lid 2, c). Ten slotte volgt uit verschillende overwegingen dat de verordening op een uniforme wijze moet worden toegepast door de lidstaten. De toepassing van het prijsplafond vanaf 1 augustus 2022 is dan ook niet alleen strijdig met de verordening, maar ook met het evenredigheidsbeginsel en het subsidiariteitsbeginsel. In ondergeschikte orde vraagt de verzoekende partij het Hof om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie teneinde te vernemen of de artikelen 6, 7, 8 en 22, lid 2, c), van de 10 verordening (EU) 2022/1854 in die zin moeten worden geïnterpreteerd dat zij zich verzetten tegen een toepassing van het marktplafond vanaf 1 augustus
  42. A.5.
  43. De verzoekende partij in de zaak nr. 8035 voert in een derde middel aan dat artikel 5 van de wet van 16 december 2022 in strijd is met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 2, punt 9), 6, 7 en 8 van de verordening (EU) 2022/1854, in zoverre de bestreden bepaling voorziet in een prijsplafond van 130 euro/MWh. Volgens de verzoekende partij volgt zowel uit de voormelde bepalingen van de verordening (EU) 2022/1854 als uit de bedoeling van de Raad om voor alle lidstaten op een uniforme wijze op te treden, dat de lidstaten slechts een prijsplafond van 180 euro/MWh mogen invoeren. Volgens de verzoekende partij kan de bestreden bepaling niet worden verantwoord op grond van artikel 8 van de verordening (EU) 2022/1854, daar krachtens van lid 1, d), van die bepaling de vaststelling van een specifiek plafond enkel mogelijk is voor de marktinkomsten uit de verkoop van elektriciteit uit steenkool. Indien zou moeten worden geoordeeld dat de bestreden bepaling onder het toepassingsgebied van artikel 8 valt, dan is volgens de verzoekende partij alleszins niet voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van die bepaling. Het prijsplafond van 130 euro/MWh is onevenredig en discriminerend, aangezien het, in combinatie met de andere heffingen waaraan de verzoekende partij is onderworpen, ertoe heeft geleid dat zij een aanzienlijk exploitatieverlies heeft geleden. Voorts ondermijnt het de investeringssignalen en zorgt het niet ervoor dat de investerings- en exploitatiekosten worden gedekt. Tevens verstoort het de groothandelsmarkt voor elektriciteit. Ten slotte is het prijsplafond van 130 euro/MWh niet verenigbaar met het Unierecht, aangezien de elektriciteitsproducenten zich niet eraan konden verwachten dat de Belgische wetgever een lager plafond als het Europese plafond zou invoeren. In ondergeschikte orde vraagt de verzoekende partij het Hof een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie die gelijkaardig is aan de in A.2.2 bedoelde prejudiciële vraag. A.5.
  44. In een vierde middel voert de verzoekende partij in de zaak nr. 8035 aan dat de bestreden bepaling de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet schendt, in zoverre ze een verschil in behandeling instelt tussen de producenten van elektriciteit op basis van kernenergie en de andere elektriciteitsproducenten. Terwijl de marktinkomsten voor de eerste categorie van producenten worden bepaald op basis van onweerlegbare vermoedens (artikel 22ter, § 5, tweede lid, 1° en 2°), gebeurt dat voor de tweede categorie van producenten op basis van vermoedens die weerlegbaar zijn (artikel 22ter, § 5, tweede lid, 3°, 4° en 5°). Volgens de verzoekende partij steunt dat verschil in behandeling niet op een pertinent criterium van onderscheid. Anders dan in de parlementaire voorbereiding van de wet van 16 december 2022 wordt aangehaald, kunnen de producenten van elektriciteit op basis van kernenergie net als de andere elektriciteitsproducenten de exacte prijs van de verkoop van hun elektriciteit meedelen. Om de in A.2.1.3 weergegeven reden kan de Ministerraad ter verantwoording van het onweerlegbaar karakter van het eerste en het tweede vermoeden niet nuttig verwijzen naar de repartitiebijdrage. In het licht van de doelstelling van de wet van 16 december 2022 om het totaal van de overwinsten van elektriciteitsproducenten te belasten, zouden alle installaties dan ook aan dezelfde behandeling moeten zijn onderworpen. Alleszins steunt het verschil in behandeling volgens de verzoekende partij niet op een evenredig criterium van onderscheid. Het gebruik van vermoedens die door de belastingplichtige niet kunnen worden weerlegd, gaat klaarblijkelijk verder dan wat nodig is om de door de wetgever nagestreefde doelstelling te bereiken. A.5.
  45. De verzoekende partij in de zaak nr. 8035 voert in een vijfde middel aan dat de wet van 16 december 2022 in strijd is met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het rechtszekerheidsbeginsel, het beginsel van niet-retroactiviteit en het vertrouwensbeginsel, in zoverre zij voorziet in een toepassing van het prijsplafond vanaf 1 augustus 2022 en dus vóór haar inwerkingtreding op 22 december
  46. In de mate dat het prijsplafond van toepassing is op individuele transacties en dus moet worden beschouwd als een indirecte belasting, is het van toepassing op feiten die definitief zijn voltrokken vóór de inwerkingtreding van de wet van 16 december 2022 en heeft het derhalve terugwerkende kracht. De omstandigheid dat voor de toepassing van de heffing van de marktinkomsten kosten kunnen worden afgetrokken, leidt volgens de verzoekende partij niet tot een andere conclusie, daar die kosten eveneens per individuele transactie worden afgetrokken. Evenmin is het voor de kwalificatie als directe of indirecte belasting relevant dat de bestreden heffing het voorwerp uitmaakt van een inkohiering of dat de wetgever een kwalificatie als directe belasting beoogde. Overigens is de kwalificatie als directe of indirecte belasting volgens de verzoekende partij niet relevant, wanneer, zoals in de voorliggende zaak, is aangetoond dat de bestreden heffing van toepassing is op situaties die definitief zijn geworden vóór de inwerkingtreding van de wet van 16 december
  47. Volgens de verzoekende partij wordt niet aangetoond dat die terugwerkende kracht onontbeerlijk is voor het bereiken van een doelstelling van algemeen belang. De verantwoording voor de aanneming van het prijsplafond vormt geen verantwoording voor de terugwerkende kracht ervan. Evenmin volstaat een verwijzing naar één studie van de CREG over de stijging van de elektriciteitsprijzen in
  48. Bovendien is de terugwerkende kracht niet relevant om de stijging van de 11 elektriciteitsprijzen tegen te gaan, aangezien de prijzen reeds vóór de inwerkingtreding van de wet van 16 december 2022 contractueel vastlagen en door de consumenten werden betaald. Ten slotte kan ook het doel om de overheidsfinanciën te vrijwaren de terugwerkende kracht niet verantwoorden. Minstens doet de bestreden bepaling afbreuk aan het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel, aangezien de verzoekende partij niet kon voorzien dat na het sluiten van haar transacties een wet zou worden aangenomen die een impact zou hebben op die transacties. In ondergeschikte orde vraagt de verzoekende partij het Hof een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de verenigbaarheid van het bestreden prijsplafond met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel, in zoverre het van toepassing is vanaf 1 augustus
  49. A.5.
  50. De verzoekende partij in de zaak nr. 8035 leidt een zesde middel af uit de schending, door de wet van 16 december 2022, van artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet. Volgens de verzoekende partij tast de wet van 16 december 2022 haar eigendomsrecht op onevenredige wijze aan, in zoverre ze voorziet in een belastingtarief van 100 %, in een belastbare basis bepaald op basis van (onweerlegbare) vermoedens, in een verlaging van het in de verordening (EU) 2022/1854 opgenomen prijsplafond van 180 euro/MWh naar 130 euro/MWh en in een toepassing van het prijsplafond voorafgaand aan de inwerkingtreding ervan. De verzoekende partij laat ook gelden dat elektriciteitsproducenten reeds aan verschillende heffingen zijn onderworpen, zoals de vennootschapsbelasting en de repartitiebijdrage voor de exploitatie van kerncentrales. Het geheel van die elementen heeft volgens de verzoekende partij ertoe geleid dat zij in 2022 een exploitatieverlies van 2 431 695 493 euro heeft geleden. Zij schat het bedrag van de heffing voor 2022 op 384 miljoen euro en voor 2023 op meer dan 700 miljoen euro. Standpunt van de verzoekende partij in de zaak nr. 8037 A.6.
  51. De verzoekende partij in de zaak nr. 8037 voert in een eerste middel aan dat artikel 5 van de wet van 16 december 2022 de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet en het daarin opgenomen evenredigheidsbeginsel schendt, in samenhang gelezen met de artikelen 2, punt 5), 6 en 7 van de verordening (EU) 2022/1854, artikel 288 van het VWEU en de beginselen van de voorrang en de effectiviteit van het Unierecht. Volgens de verzoekende partij roept de bestreden bepaling een verschil in behandeling in het leven tussen, enerzijds, de belastingplichtigen die onder de toepassing van de bestreden heffing vallen en die worden belast op basis van onbestaande en op onweerlegbare wijze vermoede inkomsten, en, anderzijds, de belastingplichtigen die zijn onderworpen aan andere belastingen, zoals de tijdelijke solidariteitsbijdrage voor de oliesector, die niet worden belast op basis van onbestaande en op onweerlegbare wijze vermoede inkomsten. Zij voert aan dat krachtens de verordening (EU) 2022/1854 enkel de gerealiseerde marktinkomsten aan het prijsplafond mogen worden onderworpen. Zij benadrukt voorts dat wanneer een producent zoals zij zich indekt tegen schommelingen in de groothandelsprijzen voor elektriciteit en bijgevolg geen voordeel haalt uit de pieken van de elektriciteitsprijzen die de aanleiding vormden voor de invoering van het prijsplafond, het prijsplafond niet op haar mag worden toegepast alsof zij wel voordeel haalde uit die prijspieken. Volgens haar stelt de Ministerraad ten onrechte dat, wanneer de elektriciteitsproductie onder een stroomafnameovereenkomst valt, de marktinkomsten worden berekend overeenkomstig de bepalingen van die overeenkomst. In het kader van de aangifte van de verzoekende partij voor de periode van 1 augustus 2022 tot 31 december 2022 heeft de CREG immers enkel rekening gehouden met de day ahead-prijs die is vastgelegd in de overeenkomst, ook al wordt die prijs slechts als tussenparameter gebruikt in de berekeningsformule en is dat niet de werkelijke prijs. Volgens de verzoekende partij bestaat voor dat verschil in behandeling geen redelijke verantwoording, daar de door de wetgever nagestreefde doelstelling evenzeer had kunnen worden bereikt door gebruik te maken van vermoedens die kunnen worden weerlegd op grond van de reële marktinkomsten. Anders dan de Ministerraad stelt, maken de huidige stroomafnameovereenkomsten het wel mogelijk om de werkelijk gerealiseerde prijs per geproduceerde en verkochte MWh te bepalen. De verzoekende partij betwist daarnaast ook dat de doelstelling om de administratieve lasten voor de belastingplichtigen en de overheidsinstellingen die belast zijn met de inning van de heffing te verlagen, het gebruik van vermoedens kan verantwoorden. Ten slotte is de verzoekende partij van mening dat de Ministerraad voor het bepalen van de belastbare grondslag geen gebruik kan maken van benaderende categorieën, aangezien de gebruikte vermoedens helemaal niet overeenstemmen met de werkelijkheid. A.6.
  52. De verzoekende partij in de zaak nr. 8037 leidt een tweede middel af uit de schending, door de bestreden bepaling, van artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. In zoverre de bestreden bepaling een heffing invoert van 100 % op onbestaande en op onweerlegbare wijze vermoede inkomsten, vormt zij een onevenredige aantasting van het eigendomsrecht. De verzoekende partij in de zaak nr. 8037 voegt in dat verband e-mailverkeer 12 met de CREG toe met betrekking tot haar aangifte voor de eerste heffingsperiode, waaruit volgens haar blijkt dat de CREG weigert om de vaste prijs die in de stroomafnameovereenkomst was vastgelegd, in aanmerking te nemen. Volgens haar toont dit aan dat zij niet op haar reële inkomsten uit de verkoop van elektriciteit wordt belast. Standpunt van de Ministerraad Standpunt van de Ministerraad in de zaak nr. 8031 A.7.
  53. De Ministerraad is van mening dat het eerste middelonderdeel in de zaak nr. 8031 onontvankelijk is, aangezien niet wordt uiteengezet op welke wijze de bestreden bepaling de door de verzoekende partijen aangehaalde toetsingsnormen schendt. In elk geval is het middelonderdeel volgens de Ministerraad niet gegrond. Hij wijst erop dat de verordening (EU) 2022/1854 zich niet tegen een verlaging van het prijsplafond verzet, daar artikel 6, lid 1, ervan enkel spreekt van een plafonnering op « maximaal » 180 euro per MWh en artikel 8, lid 1, a), ervan de lidstaten de mogelijkheid biedt om maatregelen te handhaven of in te voeren die de marktinkomsten van de elektriciteitsproducenten verder beperken, waaronder de mogelijkheid om tussen technologieën te differentiëren. Volgens de Ministerraad gaan de verzoekende partijen voorbij aan de omstandige verantwoording die in de parlementaire voorbereiding van de wet van 16 december 2022 wordt gegeven voor de keuze om het plafond voor installaties die elektriciteit opwekken uit vaste of gasvormige biobrandstoffen op 180 euro/MWh te bepalen. Anders dan de verzoekende partijen in de zaak nr. 8031 aanvoeren, steunt de marge van 50 euro/MWh die de wetgever voor zowel het plafond van 130 euro/MWh als voor het plafond van 180 euro/MWh heeft toegepast, op objectieve criteria. De marge van 50 euro/MWh voor het plafond van 130 euro/MWh houdt rekening met de inflatie, de gestegen kosten voor de levering van elektriciteit, de gestegen commerciële risico’s en de cijfers van de Nationale Bank over de geleden verliezen uit het verleden. Het plafond van 180 euro/MWh steunt op de stijging van de brandstofkosten voor gasvormige of vaste biomassa. A.7.
  54. In antwoord op het tweede onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 8031 voert de Ministerraad aan dat de parlementaire voorbereiding eveneens een omstandige verantwoording bevat voor het onderwerpen van zowel ondernemingen die elektriciteit opwekken uit biomassa-afval als ondernemingen die elektriciteit opwekken uit andere grondstoffen, aan het prijsplafond van 180 euro/MWh. De omstandigheid dat de eerste categorie van ondernemingen hogere investerings- en exploitatiekosten zou hebben, leidt volgens de Ministerraad niet tot een andere conclusie, daar de wetgever bij de formulering van een abstracte norm die op een onbepaald aantal gevallen van toepassing is, gebruik mag maken van algemene categorieën van personen. A.7.
  55. In antwoord op het eerste onderdeel van het tweede middel in de zaak nr. 8031 benadrukt de Ministerraad dat het bestreden prijsplafond moet worden gekwalificeerd als een directe belasting die van toepassing is op het surplus aan inkomsten die de elektriciteitsproducenten tijdens de belastbare periode hebben verworven. Aangezien de eerste belastbare periode eindigde op 31 december 2022 en de belastingschuld dus pas op dat ogenblik definitief werd, heeft de wet van 16 december 2022 geen terugwerkende kracht. Maar zelfs al zou die wet terugwerkende kracht hebben, dan is die volgens de Ministerraad alleszins onontbeerlijk voor een doelstelling van algemeen belang, namelijk het toepassen van het prijsplafond op een moment dat de elektriciteitsprijzen het sterkst stegen. A.7.
  56. Met betrekking tot het tweede onderdeel van het tweede middel in de zaak nr. 8031 wijst de Ministerraad erop dat in de parlementaire voorbereiding veel aandacht werd besteed aan de motivering van de verenigbaarheid van het prijsplafond van 180 euro/MWh met het eigendomsrecht. Meer bepaald werd in de parlementaire voorbereiding verwezen naar het feit dat het prijsplafond nog altijd hoger is dan de gemiddelde elektriciteitsprijs die de markt in 2019 redelijkerwijze kon verwachten voor 2022, naar het feit dat de belaste inkomsten onverwacht waren en werden veroorzaakt door externe en uitzonderlijke omstandigheden en naar het feit dat de belasting enkel van toepassing is van 1 augustus 2022 tot 30 juni
  57. Wat het heffingstarief van 100 % betreft, merkt de Ministerraad op dat de bestreden heffing niet wordt toegepast op de gewone belastbare inkomsten van de elektriciteitsproducenten, maar op het surplus aan inkomsten, namelijk op de inkomsten boven een plafond, in het geval van de verzoekende partijen in de zaak nr. 8031, van 180 euro/MWh. A.7.
  58. Met betrekking tot het derde middel in de zaak nr. 8031 leidt de Ministerraad uit het verzoekschrift af dat de verzoekende partijen enkel de verenigbaarheid van artikel 5 van de wet van 16 december 2022 met artikel 8, lid 2, c), van de verordening (EU) 2022/1854 betwisten. De Ministerraad merkt in dat verband op dat het prijsplafond net werd vastgesteld op 130 euro/MWh om de investeringssignalen voor de productie van elektriciteit 13 niet in gevaar te brengen. Dat plafond is immers 50 euro/MWh hoger dan de prijs die maximaal kon worden verwacht vóór de COVID-19-crisis en de energiecrisis, namelijk 80 euro/MWh. De wetgever heeft zelfs rekening gehouden met de specifieke situatie van producenten die biomassabrandstoffen gebruiken, zoals de verzoekende partijen in de zaak nr. 8031, door voor hen het prijsplafond te verhogen tot 180 euro/MWh. Volgens de Ministerraad kan van de wetgever niet worden verwacht dat hij het plafond voor hen nog meer optrekt, daar deze bij de formulering van een abstracte norm die op een onbepaald aantal gevallen van toepassing is, mag gebruikmaken van algemene categorieën van personen. Aangezien het derde middel kennelijk niet gegrond is, is er volgens de Ministerraad geen reden om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Standpunt van de Ministerraad in de zaken nrs. 8032, 8033, 8034 en 8035 Het gebruik van vermoedens voor het bepalen van de marktinkomsten A.8.
  59. De Ministerraad voert met betrekking tot het eerste onderdeel van het tweede middel in de zaak nr. 8034 aan dat de verzoekende partijen niet uiteenzetten in welk opzicht de wet van 16 december 2022 artikel 288 van het VWEU en de beginselen van de voorrang en de effectiviteit van het Unierecht schendt, zodat dat middelonderdeel niet ontvankelijk is. A.8.
  60. In antwoord op het eerste onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 8032, het tweede middel in de zaak nr. 8034, ten gronde, en het eerste middel in de zaak nr. 8035 merkt de Ministerraad op dat overweging 37 van de verordening (EU) 2022/1854 de lidstaten uitdrukkelijk toelaat om voor de berekening van het plafond van de marktinkomsten gebruik te maken van « redelijke ramingen », zodat de Belgische wetgever de marktinkomsten mocht bepalen aan de hand van vermoedens. Zulks volgt ook uit het feit dat de verordening een ruime beoordelingsvrijheid laat aan de lidstaten om te bepalen hoe het prijsplafond wordt toegepast. Anders dan de verzoekende partijen in die zaken voorhouden, vereist de verordening niet dat die ramingen weerlegbaar zijn. Het gebruik van vermoedens werd noodzakelijk geacht omdat het niet mogelijk is om een prijs te bepalen voor elke MWh die wordt verkocht. De bewering van de verzoekende partijen in de zaken nrs. 8032 en 8034 dat er een reële mogelijkheid is om op economisch vlak de inkomsten van een bepaalde productie-installatie te bepalen, is onjuist. Het feit dat de elektriciteit die wordt geproduceerd uit verschillende installaties op verschillende markten kan worden verkocht, afhankelijk van het profiel van de gebruiker, beïnvloedt ook de prijs waartegen de elektriciteit wordt verkocht. Aangezien elke elektriciteit evenwel zonder onderscheid wordt geïnjecteerd op het net, is het onmogelijk om, zeker wanneer de belastingplichtige over meerdere productie-installaties beschikt, te bepalen welke installatie een bepaalde hoeveelheid elektriciteit die aan een bepaalde gebruiker tegen een bepaalde prijs werd verkocht, heeft geproduceerd. Door gebruik te maken van vermoedens, heeft de wetgever derhalve willen vermijden dat de berekening van de heffing uitsluitend zou worden overgelaten aan de belastingplichtigen. Het feit dat de elektriciteitsproducenten zoals de verzoekende partijen reeds zijn onderworpen aan de zogenaamde REMIT-rapportageverplichtingen, is volgens de Ministerraad niet relevant, daar de informatie die in het kader van die verplichtingen moet worden overgelegd geen betrekking heeft op de prijs van de elektriciteit die door de verschillende installaties wordt geproduceerd. Bovendien verlagen die vermoedens ook de administratieve lasten voor de belastingplichtigen en de overheidsinstellingen die belast zijn met de inning van de heffing. Die vermoedens zijn gebaseerd op courante technische gegevens inzake de productie van elektriciteit, die goed zijn gekend door de schuldenaars van de heffing. Bovendien werden zij voorgesteld door de CREG en afgestemd met vertegenwoordigers van de sectoren. Doordat de wet van 16 december 2022 voorziet in verschillende vermoedens, die van toepassing zijn op de productietechnologieën naargelang van hun specifieke kenmerken, heeft de wetgever erover gewaakt dat die vermoedens zo veel mogelijk beantwoorden aan de werkelijkheid. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen in de zaken nrs. 8032, 8034 en 8035 aanvoeren, moet de belastingplichtige voor de weerlegging van het derde, het vierde en het vijfde vermoeden geen gebruikmaken van andere « vermoedens ». De elementen die in artikel 22ter, § 5, tweede lid, 6°, b), c) en d), van de wet van 29 april 1999 zijn opgenomen, zijn louter modaliteiten om de marktinkomsten per transactie te bepalen. De voorwaarde volgens welke de belastingplichtige het bewijs van de afwijkende marktinkomsten moet leveren voor zijn volledige productiepark, wordt verklaard door de hiervoor vermelde onmogelijkheid om een bepaalde hoeveelheid verkochte elektriciteit te koppelen aan een bepaalde productie-installatie, wanneer de belastingplichtige over meerdere installaties beschikt. Zonder die voorwaarde zou de belastingplichtige zijn marktinkomsten kunnen bepalen op basis van de laagste prijs die hij heeft verkregen voor de elektriciteit geproduceerd door een installatie die niet onder het toepassingsgebied van de wet van 16 december 2022 valt. De regel opgenomen in artikel 22ter, § 5, tweede lid, 6°, a), beantwoordt dan ook aan de in artikel 6, lid 3, van de 14 verordening (EU) 2022/1854 bepaalde verplichting voor de lidstaten om « doeltreffende maatregelen [te nemen] om te voorkomen dat de [...] op producenten rustende verplichtingen worden omzeild ». Zoals in de parlementaire voorbereiding van de wet van 16 december 2022 wordt aangehaald, wordt het onweerlegbaar karakter van het eerste en het tweede vermoeden verantwoord door het feit dat de verkoopstrategie betreffende de kerncentrales al is bepaald voor de toepassing van de repartitiebijdrage, zodat het niet onredelijk is om ervan uit te gaan dat de exploitanten van de kerncentrales dezelfde strategie zullen volgen voor het prijsplafond. De verwijzing, door de verzoekende partijen in de zaken nrs. 8032 en 8034, dat de elektriciteit die EDF Belgium uit haar kerncentrale (Tihange 1) produceert, wordt verkocht volgens een intragroepsakkoord met EDF Frankrijk, en dus niet volgens de vooraf bepaalde verkoopstrategie, bewijst volgens de Ministerraad de noodzaak van het onweerlegbaar karakter van het op die kerncentrale van toepassing zijnde vermoeden, aangezien intragroepsverkopen zich bij uitstek lenen tot het verkopen van elektriciteit onder de concurrentiële marktprijs. De Ministerraad is dan ook van mening dat het gebruik van vermoedens voor het bepalen van de marktinkomsten niet strijdig is met de bepalingen van de verordening (EU) 2022/1854 en bijgevolg evenmin met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De toetsing aan artikel 288 van het VWEU en aan de beginselen van de voorrang en de effectiviteit van het Unierecht, leidt volgens hem niet tot een andere conclusie. Daar het gebruik van vermoedens voor het bepalen van de marktinkomsten niet tot gevolg heeft dat er een heffing wordt geheven op fictieve of onbestaande inkomsten, is er volgens de Ministerraad evenmin sprake van een onevenredige inmenging in het eigendomsrecht. Aangezien het eerste middel in de zaak nr. 8032, het tweede middel in de zaak nr. 8034 en het eerste middel in de zaak nr. 8035 niet gegrond zijn, is er volgens de Ministerraad geen reden om de door de verzoekende partijen in die zaken gesuggereerde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te stellen. A.8.
  61. Op het tweede onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 8032 en het vierde middel in de zaak nr. 8035 antwoordt de Ministerraad ten eerste met een verwijzing naar hetgeen is uiteengezet in A.8.
  62. Het verschil in behandeling tussen de producenten van elektriciteit op basis van kernenergie en de andere elektriciteitsproducenten steunt op een objectief criterium van onderscheid, namelijk het al dan niet reeds wettelijk bepaald zijn van de verkoopstrategie, als basis voor de berekening van de heffing. Anders dan de verzoekende partijen in de zaken nrs. 8032 en 8035 beweren, volgen de producenten van elektriciteit op basis van kernenergie die onder het eerste en het tweede vermoeden vallen, die verkoopstrategie ook in de praktijk. Dat criterium van onderscheid is ook pertinent, aangezien het beoogt te vermijden dat de kerncentrales die onder het eerste en het tweede vermoeden vallen aan een dubbele belasting worden onderworpen. De wet van 16 december 2022 schendt dan ook niet de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet. A.8.
  63. In antwoord op het derde middel in de zaak nr. 8032 merkt de Ministerraad ten eerste op dat het zonder verdere details onmogelijk is om het door de verzoekende partijen beoogde verschil in behandeling vast te stellen. In elk geval kan er van een verschil in behandeling geen sprake zijn, daar het ten aanzien van geen enkel vermoeden mogelijk is om onevenwichtskosten af te trekken. Dit is ook logisch, aangezien de wet van 16 december 2022 niet de winsten, maar enkel de meeropbrengsten belast. Het temporele toepassingsgebied van het prijsplafond A.9.
  64. In antwoord op het eerste onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 8034 en het tweede middel in de zaak nr. 8035 merkt de Ministerraad ten eerste op dat de toepassing van het prijsplafond vanaf 1 augustus 2022, zoals bepaald in de wet van 16 december 2022, niet strijdig is met de verordening (EU) 2022/
  65. Aangezien die verordening een tijdelijke noodmaatregel is, wat blijkt uit het feit dat zij steunt op artikel 122, lid 1, van het VWEU, moet de daarin vastgelegde toepassing vanaf 1 december 2022 worden gezien als een verplichting voor de lidstaten om zeker vanaf die datum in een uniform prijsplafond te voorzien, zonder de lidstaten echter te verhinderen om reeds vóór die datum de toepasselijke maatregelen te nemen. Een dergelijke opvatting sluit ook aan bij zo goed als alle overwegingen van de verordening die kaderen in het doel van de verordening om de gebruikers te beschermen tegen de hoge energieprijzen. In een studie van 29 maart 2023 die in opdracht van het Europees Parlement werd gevoerd over de effectiviteit en de verdelingsgevolgen van een overwinstbelasting wordt overigens uitdrukkelijk vermeld dat het prijsplafond minstens van 1 december 2022 tot 30 juni 2023 moet worden 15 toegepast. De verordening houdt geen maximumharmonisatie in, wat blijkt uit het feit dat zij de lidstaten op tal van andere vlakken de nodige flexibiliteit biedt, alsook uit het feit dat in totaal dertien lidstaten hebben beslist om het prijsplafond ook toe te passen buiten de periode die is bepaald in de verordening. In het licht hiervan is het volgens de Ministerraad dan ook logisch dat de anticipatieve toepassing waarin het oorspronkelijke voorstel van verordening voorzag, nadien werd opgeheven, daar de verordening helemaal niet beoogt om de beslissingsvrijheid van de lidstaten voor de periode vóór 1 december 2022 aan banden te leggen. De temporele toepassing van het prijsplafond zoals ingevoerd door de wet van 16 december 2022 is dan ook niet strijdig met de beginselen van de voorrang en de effectiviteit van het Unierecht, noch met het evenredigheidsbeginsel, het subsidiariteitsbeginsel en het beginsel van de loyale samenwerking, zoals bepaald in artikel 4, lid 3, van het VEU. Ten slotte kan de toepassing van het prijsplafond vanaf 1 augustus 2022 volgens de Ministerraad ook steunen op artikel 8, lid 1, a), van de verordening (EU) 2022/1854, dat de lidstaten toelaat om maatregelen te nemen die de marktinkomsten van marktdeelnemers verder beperken. Aangezien de door de verzoekende partijen aangevoerde grieven klaarblijkelijk niet gegrond zijn, moet er volgens de Ministerraad geen prejudiciële vraag worden gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. A.9.
  66. Op het tweede onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 8034 en het vijfde middel in de zaak nr. 8035 antwoordt de Ministerraad met een verwijzing naar hetgeen is uiteengezet in A.7.
  67. De bestreden heffing wordt niet op elke individuele transactie geheven, maar op een reeks transacties in hun geheel genomen en verdeeld over een bepaalde periode, zodat pas op het einde van elke periode duidelijk is welk bedrag aan heffing verschuldigd is. De bestreden heffing vormt dus een directe belasting, zoals ook blijkt uit het feit dat verschillende kosten moeten worden afgetrokken vooraleer het bedrag van de heffing gekend is en uit het feit dat de heffing moet worden ingekohierd. In ondergeschikte orde, zelfs al zou de bestreden heffing met terugwerkende kracht zijn toegepast, dan is die terugwerkende kracht volgens de Ministerraad onontbeerlijk voor een doelstelling van algemeen belang, namelijk het toepassen van het prijsplafond op een moment dat de elektriciteitsprijzen het sterkst stegen. Volgens de Ministerraad schendt de wet van 16 december 2022 evenmin het, op het niveau van het Unierecht gewaarborgde, rechtszekerheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel. Die beginselen zijn immers niet van toepassing, aangezien de verordening (EU) 2022/1854 enkel in een verplichting tot invoering van een prijsplafond voorziet vanaf 1 december
  68. In elk geval kan de temporele toepassing bepaald in de wet van 16 december 2022 de legitieme verwachtingen van de producenten niet hebben aangetast, aangezien zij zelf niet de verwachting konden hebben dat zij dermate hoge winsten zouden kunnen opstrijken. Gelet hierop, is er volgens de Ministerraad geen reden om de door de verzoekende partijen in de zaak nr. 8035 gesuggereerde prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te stellen. In uiterst ondergeschikte orde moet de vernietiging van de wet van 16 december 2022 volgens de Ministerraad worden beperkt tot de terugwerkende kracht, zodat de heffing verschuldigd blijft vanaf de inwerkingtreding ervan op 22 december
  69. A.9.
  70. In antwoord op het derde onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 8034 merkt de Ministerraad ten eerste op dat het beginsel van de energiesolidariteit niet kan worden ingeroepen tegen de uitdrukkelijke bepalingen van een verordening. Dat beginsel kan dus niet ertoe leiden dat de verordening (EU) 2022/1854 een maximumharmonisatie inhoudt, wanneer dat noch uit de tekst, noch uit de economie van die verordening kan worden afgeleid. In elk geval blijkt uit de parlementaire voorbereiding dat de wet van 16 december 2022 een evenwicht inhoudt tussen de belangen van de Unie en de belangen van de verschillende lidstaten, zodat dat beginsel niet werd geschonden. De hoogte van het prijsplafond A.10.
  71. Op het tweede middel in de zaak nr. 8032, het derde middel in de zaak nr. 8034 en het derde middel in de zaak nr. 8035 antwoordt de Ministerraad ten eerste met een verwijzing naar hetgeen is uiteengezet onder A.7.
  72. Anders dan de verzoekende partijen in de zaak nr. 8034 aanvoeren, verzet artikel 8 van de verordening (EU) 2022/1854 zich niet tegen de interpretatie die aan het woord « maximaal » in artikel 6, lid 1, wordt gegeven. Volgens de Ministerraad is het voormelde artikel 8 vooral bedoeld om lidstaten toe te laten om, naast het, eventueel verlaagde, prijsplafond, in de strijd tegen de hoge energieprijzen nog andere maatregelen te nemen die de marktinkomsten van de elektriciteitsproducenten verder beperken. Daarnaast wijst de Ministerraad erop dat in het verslag van de Europese Commissie over de toepassing van de verordening wordt vermeld dat het prijsplafond « voornamelijk belangrijke effecten [heeft] gehad in lidstaten die overeenkomstig artikel 8, lid 1, punt a), hebben gekozen voor een lager plafond dan 180 EUR per MWh », hetgeen aantoont dat de lidstaten effectief de mogelijkheid hebben om op grond van artikel 8, lid 1, a), van de verordening (EU) 2022/1854 een lager prijsplafond in te voeren. Uit dat verslag blijkt trouwens dat zeventien lidstaten een lager prijsplafond hebben vastgesteld. Ten slotte heeft ook de afdeling wetgeving van de Raad van State die mogelijkheid erkend in haar advies over het voorontwerp van wet dat tot de wet van 16 december 2022 heeft geleid. Anders dan de verzoekende 16 partijen in de zaken nrs. 8032, 8034 en 8035 beweren, kan noch uit de tekst van artikel 8, lid 1, d), van de verordening (EU) 2022/1854, noch uit de ratio legis van de verordening worden afgeleid dat een lager prijsplafond enkel kan worden ingesteld voor de marktinkomsten uit de verkoop van elektriciteit uit steenkool. De uitdrukkelijke vermelding van steenkool in artikel 8, lid 1, d), van de verordening (EU) 2022/1854 wordt enkel verklaard doordat de productie van elektriciteit uit steenkool in principe niet onderworpen is aan het prijsplafond. De mogelijkheid voor de lidstaten om wel een lager, maar niet een hoger prijsplafond in te voeren, past binnen het algemene opzet van de verordening. Indien niet zou zijn gepreciseerd dat het een « maximum » betreft, dan zouden de lidstaten een dermate hoog prijsplafond kunnen instellen dat er in werkelijkheid geen enkel plafond op de marktinkomsten van toepassing is, waardoor het opzet van een « gemeenschappelijk » plafond zou verloren gaan. Indien de lidstaten in een lager prijsplafond voorzien, doet dat risico zich niet voor. Aangezien de tekst en de ratio legis van de verordening duidelijk zijn, is het volgens de Ministerraad niet nodig om de door de verzoekende partijen gesuggereerde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te stellen. A.10.
  73. In antwoord op de opmerking van de verzoekende partijen in de zaken nrs. 8032, 8034 en 8035 dat er niet zou zijn voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 8 van de verordening (EU) 2022/1854, verwijst de Ministerraad ten eerste naar de parlementaire voorbereiding van de wet van 16 december
  74. Daaruit blijkt dat de vaststelling van het prijsplafond op 130 euro/MWh rekening houdt met, enerzijds, de elektriciteitsprijs vóór de COVID-19-crisis en de energiecrisis, namelijk 80 euro/MWh, en, anderzijds, een marge van 50 euro/MWh om de commerciële risico’s en de opgelopen verliezen van de producenten te dekken. Volgens de Ministerraad volstaat die verantwoording en vereist noch het voormelde artikel 8, noch overweging 40 van de verordening, anders dan de verzoekende partijen aanvoeren, dat in de parlementaire voorbereiding wordt aangetoond welke omstandigheden die specifiek zijn voor de Belgische situatie de invoering van een prijsplafond van 130 euro/MWh kunnen verantwoorden. Ten tweede merkt de Ministerraad op dat de wet van 16 december 2022 voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 8, lid 2, van de verordening (EU) 2022/
  75. Het prijsplafond van 130 euro/MWh is volgens de Ministerraad evenredig en niet-discriminatoir. Het jaar 2019 is het dichtst aansluitende jaar vóór de COVID-19-crisis en de energiecrisis, waardoor een onderschatting van de verwachte inkomsten wordt vermeden. Anders dan de verzoekende partijen beweren, kan uit de verordening (EU) 2022/1854 niet worden afgeleid dat het daarin voorziene prijsplafond van 180 euro/MWh werd vastgesteld op basis van de prijzen die golden net vóór de oorlog in Oekraïne. Maar zelfs al zou dat het geval zijn, dan ziet de Ministerraad nog niet in hoe het feit dat de Belgische wetgever een ander referentiepunt heeft gekozen arbitrair zou zijn, daar noch de verordening, noch het evenredigheidsbeginsel zich daartegen verzetten. Op de door de verzoekende partijen in de zaken nrs. 8032, 8034 en 8035 geformuleerde kritiek met betrekking tot de marge van 50 euro/MWh die de wetgever heeft toegepast om tot het plafond van 130 euro/MWh te komen, antwoordt de Ministerraad met een verwijzing naar hetgeen onder A.7.1 werd uiteengezet. Voorts ondermijnt het prijsplafond van 130 euro/MWh niet de investeringssignalen en dekt het de investerings- en exploitatiekosten, gelet op de hiervoor vermelde marge van 50 euro/MWh. De Ministerraad betwist verder dat het prijsplafond de groothandelsmarkt voor elektriciteit zou verstoren. Hij herhaalt in dat verband dat de verordening (EU) 2022/1854 de lidstaten uitdrukkelijk toelaat om een lager prijsplafond in te voeren, zoals overigens in totaal zeventien lidstaten hebben gedaan. Ten slotte is het prijsplafond van 130 euro/MWh volgens de Ministerraad verenigbaar met het Unierecht. A.10.
  76. Op de in het tweede middel in de zaak nr. 8032 aangevoerde schending, door het prijsplafond, van het eigendomsrecht antwoordt de Ministerraad met een verwijzing naar hetgeen is uiteengezet onder A.7.
  77. Met betrekking tot de verhouding van het prijsplafond tot de repartitiebijdrage en de jaarlijkse vergoeding die moeten worden betaald door de exploitanten van de kerncentrales, verwijst de Ministerraad naar artikel 22quater, §§ 5 en 6, van de wet van 29 april 1999, ingevoerd bij artikel 6 van de wet van 16 december 2022, dat een correctiemechanisme bevat voor die verhouding. De marktinkomsten beneden het prijsplafond worden, zoals voorheen, aan de repartitiebijdrage of de jaarlijkse vergoeding onderworpen. De marktinkomsten die boven het plafond worden gerealiseerd, worden, net zoals dat het geval is voor de andere producenten, aan de heffing van 100 % onderworpen. In zoverre de verzoekende partijen hun kritiek zouden richten tot het tarief van 100 %, wijst de Ministerraad erop dat dit rechtstreeks voortvloeit uit artikel 6, lid 1, van de verordening (EU) 2022/1854, zodat hun kritiek niet ontvankelijk is. A.10.
  78. Op de in het tweede middel in de zaak nr. 8032 aangevoerde schending, door het prijsplafond, van de vrijheid van ondernemen antwoordt de Ministerraad met een verwijzing naar hetgeen is uiteengezet onder A.7.
  79. In zoverre de verzoekende partijen in de zaak nr. 8032 ter staving van hun kritiek verwijzen naar de impact op de financiën van de eerste verzoekende partij in die zaak, brengt de Ministerraad in herinnering dat de wetgever bij de formulering van een abstracte norm die op een onbepaald aantal gevallen van toepassing is, geen rekening moet houden met de specifieke situatie van één producent. 17 A.10.
  80. Aangezien uit het voorgaande volgt dat de kritiek tegen het in de wet van 16 december 2022 bepaalde prijsplafond klaarblijkelijk niet gegrond is, is er volgens de Ministerraad geen reden om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. De verenigbaarheid van de bestreden heffing met het eigendomsrecht A.
  81. In antwoord op het zesde middel in de zaak nr. 8035 verwijst de Ministerraad in de eerste plaats naar zijn weerlegging van de kritieken tegen de verschillende aspecten van de bestreden heffing, zoals is uiteengezet in A.8, A.9 en A.
  82. In zoverre de verzoekende partij in de zaak nr. 8035 haar kritiek richt op de marge van 50 euro/MWh die de wetgever heeft toegepast om tot het plafond van 130 euro/MWh te komen, antwoordt de Ministerraad met een verwijzing naar hetgeen onder A.7.1 werd uiteengezet. Specifiek wat betreft het tarief van de heffing, merkt de Ministerraad nog op dat de wet van 16 december 2022 niet de winsten van de elektriciteitsproducenten per MWh belast, maar enkel de « overwinsten », zijnde het positieve verschil tussen de marktinkomsten van de producenten en het prijsplafond van 130 euro/MWh. In zoverre de verzoekende partij in de zaak nr. 8035 met haar kritiek dat zij ook reeds aan andere heffingen is onderworpen, verwijst naar de repartitiebijdrage voor de exploitatie van kerncentrales, merkt de Ministerraad op dat de repartitiebijdrage geen belasting is, maar een bijdrage die ertoe strekt de belangrijke kosten verbonden aan de splijting van kernbrandstoffen en de ontmanteling van de kerncentrales te dekken. De verwijzing naar de vennootschapsbelasting is evenmin relevant, daar die, anders dan de bestreden heffing, geen tijdelijke belasting is en verschuldigd is op de brutowinsten van een onderneming. Ten slotte betwist de Ministerraad het bedrag dat de verzoekende partij in de zaak nr. 8035 als exploitatieverlies meent te hebben geleden. Het toepassingsgebied van de wet van 16 december 2022 A.12.
  83. In antwoord op het eerste onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 8033 merkt de Ministerraad in de eerste plaats op dat het personele toepassingsgebied van de wet van 16 december 2022 letterlijk werd overgenomen uit artikel 7, lid 1, van de verordening (EU) 2022/1854, zodat het middel het Hof uitnodigt om een toetsing te doen van een bepaling van een verordening van het Unierecht, waarvoor het Hof niet bevoegd is. Het eerste onderdeel van het eerste middel is dan ook onontvankelijk. In tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partijen in de zaak nr. 8033 aanvoeren, is de tekst van artikel 7, lid 1, duidelijk, zodat het niet nodig is om daarover een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. In elk geval is het eerste onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 8033 volgens de Ministerraad niet gegrond. Volgens hem blijkt uit zowel de verordening (EU) 2022/1854 als uit de richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 « ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (herschikking) » (hierna : de richtlijn (EU) 2018/2001) dat biomethaan op gelijke voet moet worden behandeld met aardgas, maar niet met biogas. Aangezien biomethaan en biogas conceptueel van elkaar verschillen, is er geen sprake van een verschillende behandeling van vergelijkbare categorieën van producenten. Minstens steunt de uitsluiting van biomethaan van het toepassingsgebied van de verordening (EU) 2022/1854 op een redelijk verantwoord criterium van onderscheid, namelijk de verschillende conditionering van die technologieën. In het licht van het doel van de wet van 16 december 2022 om de overwinsten uit de « inframarginale » technologieën te belasten en rekening houdend met de ruime beoordelingsvrijheid van de wetgever in fiscale zaken en de mogelijkheid voor hem om met benaderende categorieën te werken, is het redelijk verantwoord dat die wet niet van toepassing is op aardgas en biomethaan, die wegens hun technische karakteristieken immers « marginale » technologieën zijn. In zoverre de verzoekende partijen in de zaak nr. 8033 met hun verwijzing, in hun memorie van antwoord, naar het « Plan Air Climat Énergie 2030 » van het Waalse Gewest zouden aanvoeren dat de wet van 16 december 2022 inbreuk maakt op de bevoegdheden van het Waalse Gewest, benadrukt de Ministerraad dat het een verzoekende partij niet toegestaan is om in een memorie van antwoord de draagwijdte van een middel te wijzigen. A.12.
  84. In antwoord op het tweede onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 8033 merkt de Ministerraad op dat de verzoekende partijen niet aantonen in welk opzicht het verschil in behandeling niet zou steunen op een redelijk verband van evenredigheid tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel. Voor het overige verwijst de Ministerraad naar de ruime beoordelingsvrijheid van de wetgever in fiscale zaken en de mogelijkheid voor hem om met benaderende categorieën te werken. 18 A.12.
  85. Aangezien artikel 7, lid 1, van de verordening EU) 2022/1854 het resultaat is van een doordachte en legitieme afweging door de Europese wetgever, is er volgens de Ministerraad geen reden om in te gaan op de suggestie van de verzoekende partijen om over de interpretatie van die bepaling een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. A.12.
  86. In antwoord op het tweede middel in de zaak nr. 8033 merkt de Ministerraad op dat de Europese wetgever duidelijk de elektriciteit die wordt geproduceerd uit biomassa-brandstoffen, met inbegrip van gasvormige brandstoffen, heeft beoogd. Aangezien de verzoekende partijen elektriciteit produceren uit biogas en de richtlijn (EU) 2018/2001 « biogas » definieert als « gasvormige brandstof die uit biomassa wordt geproduceerd », vallen de verzoekende partijen onder het toepassingsgebied van de wet van 16 december
  87. A.12.
  88. Op het derde middel in de zaak nr. 8033 antwoordt de Ministerraad ten eerste dat artikel 7, lid 3, van de verordening (EU) 2022/1854 de lidstaten uitdrukkelijk toelaat om, in het bijzonder in gevallen waarin de toepassing van het prijsplafond aanzienlijke administratieve lasten met zich meebrengt, het plafond niet toe te passen op producenten die elektriciteit opwekken met productie-installaties met een geïnstalleerd vermogen tot 1 MW. In zoverre de verzoekende partijen bekritiseren dat de wet van 16 december 2022 niet voorziet in een progressiviteit van de heffing of een afwijking of een uitzondering voor bepaalde types van installaties, formuleren zij volgens de Ministerraad loutere opportuniteitskritiek. Het in ondergeschikte orde geformuleerde verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie A.
  89. In ondergeschikte orde, in zoverre het Hof van oordeel zou zijn dat er twijfel is over de interpretatie van de verordening (EU) 2022/1854, verzoekt de Ministerraad in zijn memorie van wederantwoord het Hof om vier prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. De eerste en de tweede prejudiciële vraag hebben betrekking op het gebruik van vermoedens voor de berekening van de heffing en op het feit of de belastingplichtige die vermoedens moet kunnen weerleggen; de derde prejudiciële vraag beoogt te vernemen of de lidstaten de mogelijkheid hebben om een prijsplafond op marktinkomsten van 130 euro/MWh in te voeren en de vierde prejudiciële vraag beoogt te vernemen of de lidstaten het prijsplafond op marktinkomsten kunnen toepassen vóór 1 december 2022, datum van inwerkingtreding van de artikelen 6, 7 en 8 van de verordening (EU) 2022/1854, die betrekking hebben op het plafond op marktinkomsten. Standpunt van de Ministerraad in de zaak nr. 8037 A.14.
  90. Volgens de Ministerraad is het Hof niet bevoegd om kennis te nemen van het eerste middel in de zaak nr.
  91. In de mate dat de verzoekende partij aanvoert dat de wet van 16 december 2022 geen rekening houdt met het feit dat zij zich in haar overeenkomsten heeft ingedekt tegen prijsschommelingen en bijgevolg geen voordeel heeft gehaald uit de pieken van de elektriciteitsprijzen, heeft haar kritiek betrekking op de toepassing van die wet, waarvoor het Hof niet bevoegd is. Daarnaast is het middel, bij gebrek aan uiteenzetting, onontvankelijk in zoverre het de schending aanvoert van artikel 288 van het VWEU en de beginselen van de voorrang en de effectiviteit van het Unierecht. Ten gronde antwoordt de Ministerraad met een verwijzing naar hetgeen is uiteengezet onder A.8.
  92. Aangezien artikel 22ter, § 5, tweede lid, 3°, van de wet van 29 april 1999 bepaalt dat, wanneer de elektriciteitsproductie onder een stroomafnameovereenkomst valt, de marktinkomsten worden berekend overeenkomstig de bepalingen van die overeenkomst, zal er, wanneer de stroomafnameovereenkomst in een vaste prijs voorziet, met die vaste prijs rekening worden gehouden. A.14.
  93. Daar het tweede middel in de zaak nr. 8037 net als het eerste middel in die zaak uitgaat van de premisse dat de verzoekende partij wordt belast op basis van onbestaande en op onweerlegbare wijze vermoede inkomsten, meent de Ministerraad dat het middel niet gegrond is om de redenen die in A.14.1 zijn uiteengezet. De verwijzing, door de verzoekende partij in de zaak nr. 8037, naar e-mailverkeer dat zij met de CREG zou hebben gevoerd met betrekking tot haar aangifte voor de eerste heffingsperiode, overtuigt volgens de Ministerraad niet. Niet alleen staat het niet aan de CREG om de bestreden bepalingen te interpreteren, maar bovendien heeft de CREG zich intussen op het standpunt van de Ministerraad gesteld dat voor de berekening van de heffing rekening zal worden gehouden met de toepasselijke contractuele bepalingen. 19 Ten aanzien van de handhaving van de gevolgen A.
  94. In ondergeschikte orde verzoekt de Ministerraad het Hof om de gevolgen van de bestreden bepalingen definitief te handhaven voor het verleden. Volgens de Ministerraad zou een niet-gemoduleerde vernietiging tot ernstige budgettaire en administratieve moeilijkheden leiden, daar zij tot gevolg zou hebben dat de reeds betaalde heffingen zouden kunnen worden teruggevorderd. De opbrengsten van die heffingen werden evenwel reeds gebruikt voor de financiering van verschillende maatregelen om de gevolgen van de hoge elektriciteitsprijzen voor de eindafnemers te beperken. Een niet-gemoduleerde vernietiging zou de Belgische Staat blootstellen aan fiscale minderontvangsten voor een bedrag van ongeveer 1 miljard euro. Bovendien geeft de wet van 16 december 2022 uitvoering aan een Unierechtelijke verplichting die haar grondslag vindt in een verordening. Een vernietiging met terugwerkende kracht zou tot gevolg hebben dat er in België niet langer een prijsplafond op marktinkomsten zou gelden, waardoor afbreuk zou worden gedaan aan de doelstellingen van de verordening (EU) 2022/1854 en een voor het Unierecht nadeliger « rechtsvacuüm » zou ontstaan. In ondergeschikte orde verzoekt de Ministerraad het Hof om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie teneinde te vernemen of het Unierecht zich verzet tegen een handhaving van de gevolgen van de wet van 16 december
  95. A.16.
  96. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8032 verzetten zich tegen een handhaving van de gevolgen. Volgens hen kan niet nuttig worden voorgehouden dat een niet-gemoduleerde vernietiging ernstige budgettaire moeilijkheden zou veroorzaken. Niet alleen worden de inkomsten van de bestreden heffing thans ingeschat op minder dan 200 miljoen euro. Bovendien vragen de verzoekende partijen niet om de vernietiging van de gehele bestreden wet, maar enkel van specifieke aspecten ervan. Daarnaast wijzen zij erop dat de voorrang van het Unierecht zich verzet tegen de handhaving van de gevolgen van een nationale norm die strijdig is met een norm van het Unierecht. A.16.
  97. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8033 verzetten zich eveneens tegen een handhaving van de gevolgen. Volgens hen zou een handhaving van de gevolgen het uit te spreken vernietigingsarrest elk nuttig effect ontnemen, aangezien de heffing niet meer van toepassing zal zijn op het ogenblik van de uitspraak van het Hof. A.16.
  98. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8034 wijzen erop dat de gevolgen van een nationale bepaling die strijdig is met een norm van het Unierecht slechts kunnen worden gehandhaafd wanneer het Hof van Justitie van de Europese Unie dat toestaat. Een dergelijk arrest ligt niet voor. Zij wijzen daarnaast erop dat budgettaire en administratieve redenen volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie niet kunnen volstaan om de gevolgen van een bepaling die strijdig is met een norm van het Unierecht te handhaven. Bovendien toont de Ministerraad volgens de verzoekende partijen niet aan dat een niet-gemoduleerde vernietiging van de wet van 16 december 2022 ernstige budgettaire moeilijkheden zou veroorzaken. Bovendien wist de Belgische Staat dat hij met het bestreden plafond afweek van het Europese plafond, zodat hij dan ook de gevolgen van zijn keuze moet dragen. Ten slotte betwisten zij dat een niet-gemoduleerde vernietiging van de wet van 16 december 2022 zou leiden tot een voor het Unierecht nadeliger « rechtsvacuüm ». A.16.
  99. Volgens de verzoekende partij in de zaak nr. 8035 volgt uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat de gevolgen van een nationale bepaling die strijdig is met het Unierecht niet kunnen worden gehandhaafd op grond van budgettaire redenen. In ondergeschikte orde vraagt de verzoekende partij het Hof een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de mogelijkheid voor het Hof om, ingeval het de wet van 16 december 2022 zou vernietigen, de gevolgen ervan te handhaven. A.16.
  100. Volgens de verzoekende partij in de zaak nr. 8037 kan het verzoek tot handhaving van de gevolgen niet steunen op budgettaire redenen, daar de door haar aangevoerde grieven geen betrekking hebben op de heffing zelf, maar enkel op het gebruik van vermoedens voor het bepalen van de grondslag van die heffing. 20 -B– Ten aanzien van de wet van 16 december 2022 en de context ervan B.1.
  101. De verzoekende partijen vorderen de gehele of gedeeltelijke vernietiging van de wet van 16 december 2022 « tot wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt en tot invoering van een plafond op marktinkomsten van elektriciteitsproducenten » (hierna : de wet van 16 december 2022). B.1.
  102. De wet van 16 december 2022 strekt ertoe een antwoord te bieden op de « energiecrisis, die in 2021 begon in de post-COVID-19 periode en begin 2022 verergerde met de gewapende agressie van Rusland tegen Oekraïne » (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3042/001, p. 4). Die crisis « heeft geleid tot een aanzienlijke daling en verstoring van de gasvoorziening en heeft de gasprijzen doen oplopen », waardoor « ook de prijs van elektriciteit aanzienlijk [is] gestegen », tot wel « dertien keer hoger dan het prijsniveau van vóór de COVID-crisis » (ibid.). Die crisis « treft huishoudens en bedrijven in België hard », terwijl « uit [...] studies van de [Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas] blijkt dat bepaalde elektriciteitsproducenten de voornaamste begunstigden zijn van het surplus aan inkomsten als gevolg van de hogere marktprijzen » (ibid., p. 5). Volgens de wetgever is dat een gevolg van de structuur van de elektriciteitsmarkt en het daaruit voortvloeiende prijsvormingsmechanisme, die inhouden dat de prijzen op de elektriciteitsmarkt worden bepaald door het niveau van de marginale kosten van de laatste elektriciteitscentrale waarop een beroep wordt gedaan (« pay as clear »), met andere woorden, « op elk moment bepaalt de duurste marginale eenheid de marktprijs » (ibid.). Bijgevolg « realiseren sommige producenten van elektriciteit uit zogenaamde ‘ inframarginale ’ technologieën, gezien de plaats die hun installaties innemen in de ‘ merit order ’ (d.w.z. de rangschikking van de productie-installaties volgens hun respectieve marginale kosten), een aanzienlijk surplus aan inkomsten, d.w.z. inkomsten die veel hoger liggen dan de inkomsten die redelijkerwijs konden worden verwacht toen het besluit werd genomen om in deze installaties te investeren » (ibid.). 21 De wet van 16 december 2022 beoogt dan ook « de overwinsten van producenten die geen stijging van hun variabele productiekosten ondervinden te belasten » teneinde deze « volledig of gedeeltelijk, terug te laten vloeien naar de eindconsumenten » (ibid.). B.1.
  103. Met de invoering van een plafond op marktinkomsten van elektriciteitsproducenten beoogt de wet van 16 december 2022, naar luid van artikel 2 ervan, de gedeeltelijke uitvoering van de verordening (EU) 2022/1854 van de Raad van 6 oktober 2022 « betreffende een noodinterventie in verband met de hoge energieprijzen » (hierna : de verordening (EU) 2022/1854). Die verordening beoogt een snel en gecoördineerd antwoord te bieden op de sterke stijging van de energieprijzen en de algemene inflatie in de eurozone als gevolg van de escalatie van de aanvalsoorlog van Rusland tegen Oekraïne (overwegingen 1, 4, 5 en 6 van de verordening). Daartoe voorzien de artikelen 6 tot 11 van de verordening in een gemeenschappelijk kader voor de invoering van een plafond op de marktinkomsten van de producenten van elektriciteit en een verdeling van het surplus aan inkomsten onder de eindverbruikers. Volgens de toelichting bij het voorstel dat aan de basis ligt van de verordening (EU) 2022/1854, komt die verordening neer op « het terugvorderen van buitensporige inkomsten uit elektriciteit die wordt geproduceerd door producenten met lagere marginale kosten, zoals hernieuwbare energiebronnen, kernenergie en bruinkool (‘ inframarginale technologieën ’) door een ex-postplafond vast te stellen voor inkomsten per MWh geproduceerde elektriciteit. [...] De maatregel imiteert zo de marktresultaten voor deze technologieën die konden worden verwacht als de mondiale toeleveringsketens normaal zouden functioneren en niet onderhevig zouden zijn aan het inzetten van energie als wapen door verstoringen van de gasvoorziening » COM

(2022)473 final, p. 6). De artikelen 2, punten 5) en 9), 6, 7, 8 en 10 van de verordening bepalen : « Artikel 2 Definities [...] 5) ‘ marktinkomsten ’ : de inkomsten die een producent ontvangt in ruil voor de verkoop en levering van elektriciteit in de Unie, ongeacht de contractuele vorm waarin die ruil plaatsvindt, met inbegrip van stroomafnameovereenkomsten en andere verrichtingen ter afdekking van schommelingen op de groothandelsmarkt voor elektriciteit, met uitzondering van alle door de lidstaten verleende steun; 22 [...] 9) ‘ surplus aan inkomsten ’ : een positief verschil tussen de marktinkomsten van producenten per MWh elektriciteit en het in artikel 6, lid 1, vastgestelde plafond op marktinkomsten van 180 EUR per MWh elektriciteit ». « Artikel 6 Verplicht plafond op marktinkomsten 1. De marktinkomsten van producenten die elektriciteit opwekken uit de in artikel 7, lid 1, bedoelde bronnen worden geplafonneerd op maximaal 180 EUR per MWh geproduceerde elektriciteit. 2. De lidstaten passen het plafond op marktinkomsten toe op alle marktinkomsten van producenten, en, indien van toepassing, op intermediairs die namens producenten op groothandelsmarkten voor elektriciteit actief zijn, ongeacht het markttijdsbestek waarin de transactie plaatsvindt en ongeacht of de elektriciteit op een bilaterale, dan wel een gecentraliseerde markt wordt verhandeld. 3. De lidstaten nemen doeltreffende maatregelen om te voorkomen dat de uit hoofde van lid 2 op producenten rustende verplichtingen worden omzeild. Zij zorgen er met name voor dat het plafond op marktinkomsten daadwerkelijk wordt toegepast in gevallen waarin producenten worden gecontroleerd door, of gedeeltelijk eigendom zijn van, andere ondernemingen, met name wanneer zij deel uitmaken van een verticaal geïntegreerde onderneming. 4. De lidstaten beslissen of zij het plafond op marktinkomsten toepassen bij de vereffening van de uitwisseling van energie of daarna. 5. De Commissie biedt de lidstaten sturing bij de uitvoering van dit artikel ». « Artikel 7 Toepassing van het plafond op marktinkomsten van elektriciteitsproducenten 1. Het in artikel 6 vastgestelde plafond op marktinkomsten is van toepassing op de marktinkomsten uit de verkoop van elektriciteit die wordt opgewekt uit de volgende bronnen :
  1. a)windenergie;
  2. b)zonne-energie (zowel thermische als fotovoltaïsche zonne-energie);
  3. c)geothermische energie;
  4. d)waterkracht zonder reservoir;
  5. e)biomassabrandstoffen (vaste of gasvormige biomassabrandstoffen), met uitzondering van biomethaan;
  6. f)afvalstoffen;
  7. g)kernenergie;
  8. h)bruinkool; 23
  9. i)ruwe aardolieproducten;
  10. j)turf. 2. Het in artikel 6, lid 1, vastgestelde plafond op marktinkomsten is niet van toepassing op demonstratieprojecten of op producenten waarvan de inkomsten per MWh geproduceerde elektriciteit reeds door andere, niet uit hoofde van artikel 8 vastgestelde overheidsmaatregelen worden geplafonneerd. 3. In het bijzonder in gevallen waarin de toepassing van het in artikel 6, lid 1, vastgestelde plafond op marktinkomsten aanzienlijke administratieve lasten met zich meebrengt, kunnen de lidstaten besluiten dat het plafond niet van toepassing is op producenten die elektriciteit opwekken met productie-installaties met een geïnstalleerd vermogen tot 1 MW. [...] [...] 5. De lidstaten kunnen besluiten dat het plafond op marktinkomsten slechts van toepassing is op 90 % van de marktinkomsten die het in artikel 6, lid 1, vastgestelde plafond op marktinkomsten overschrijden. 6. Producenten, intermediairs en relevante marktdeelnemers, alsook systeembeheerders, in voorkomend geval, verstrekken de bevoegde instanties van de lidstaten en, in voorkomend geval, de systeembeheerders en benoemde elektriciteitsmarktbeheerders, alle nodige gegevens voor de toepassing van artikel 6, onder meer over de geproduceerde elektriciteit en de daaruit voortvloeiende marktinkomsten, ongeacht het markttijdsbestek waarin de transactie plaatsvindt en ongeacht of de elektriciteit op een bilaterale markt, binnen dezelfde onderneming of op een gecentraliseerde markt wordt verhandeld ». « Artikel 8 Nationale crisismaatregelen 1. De lidstaten kunnen :
  11. a)maatregelen handhaven of invoeren die de marktinkomsten van de producenten die elektriciteit opwekken uit de in artikel 7, lid 1, genoemde bronnen, alsook de marktinkomsten van andere marktdeelnemers, waaronder deelnemers die zich bezighouden met elektriciteitshandel, verder beperken, inclusief de mogelijkheid om tussen technologieën te differentiëren;
  12. b)een hoger plafond op marktinkomsten vaststellen voor producenten die elektriciteit opwekken uit de in artikel 7, lid 1, genoemde bronnen, mits hun investeringen en exploitatiekosten het in artikel 6, lid 1, vastgestelde maximum overschrijden;
  13. c)nationale maatregelen handhaven of invoeren om de marktinkomsten van producenten die elektriciteit opwekken uit andere dan de in artikel 7, lid 1, genoemde bronnen te beperken; 24
  14. d)een specifiek plafond vaststellen voor de marktinkomsten uit de verkoop van elektriciteit uit steenkool; [...] 2. De in lid 1 bedoelde maatregelen, overeenkomstig deze verordening :
  15. a)zijn evenredig en niet-discriminerend;
  16. b)ondermijnen investeringssignalen niet;
  17. c)zorgen ervoor dat de investerings- en exploitatiekosten worden gedekt;
  18. d)hebben geen verstorende werking op de groothandelsmarkt voor elektriciteit en hebben in het bijzonder geen gevolgen voor de rangorde van in te zetten capaciteit (‘ merit order ’) en de prijsvorming op de groothandelsmarkt;
  19. e)zijn verenigbaar met het Unierecht ». « Artikel 10 Verdeling van het surplus aan inkomsten 1. De lidstaten wenden het surplus aan inkomsten dat voortvloeit uit de toepassing van het plafond op marktinkomsten volledig aan voor de financiering van maatregelen die de gevolgen van de hoge elektriciteitsprijzen voor eindafnemers van elektriciteit op gerichte wijze beperken. [...] 4. De in lid 1 bedoelde maatregelen kunnen bijvoorbeeld het volgende omvatten :
  20. a)financiële compensatie voor eindafnemers van elektriciteit voor het verlagen van hun elektriciteitsverbruik, onder meer door middel van vraagverminderende veilingen of aanbestedingsregelingen;
  21. b)directe overdrachten aan eindafnemers van elektriciteit, onder meer via evenredige kortingen op de netwerktarieven;
  22. c)compensatie voor leveranciers die door staats- of overheidsingrijpen in de prijsstelling overeenkomstig artikel 13 onder de kostprijs elektriciteit moeten leveren aan afnemers;
  23. d)het verlagen van de elektriciteitsprijs voor eindafnemers, onder meer voor een beperkte hoeveelheid van de verbruikte elektriciteit;
  24. e)het bevorderen van investeringen door eindafnemers van elektriciteit in decarbonisatietechnologieën, hernieuwbare energie en investeringen in energie-efficiëntie ». 25 De verordening (EU) 2022/1854 is in werking getreden op 8 oktober 2022 (artikel 22, lid 1) en de artikelen 6, 7 en 8 ervan zijn van toepassing van 1 december 2022 tot en met 30 juni 2023 (artikel 22, lid 2, c)). B.1.4.1. Ter uitvoering van de verordening (EU) 2022/1854 voegt artikel 5 van de wet van 16 december 2022 in de wet van 29 april 1999 « betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt » (hierna : de wet van 29 april 1999) een artikel 22ter in dat voorziet in een plafond op marktinkomsten van elektriciteitsproducenten ingesteld door middel van een heffing ten behoeve van de Staat op het surplus aan inkomsten die tussen 1 augustus 2022 en 30 juni 2023 wordt behaald (artikel 22ter, § 1, van de wet van 29 april 1999). Het plafond bedraagt 130 euro/MWh (artikel 22ter, § 4, eerste lid). In afwijking daarvan bedraagt het plafond 180 euro/MWh voor installaties die elektriciteit opwekken uit vaste of gasvormige biomassabrandstoffen (artikel 22ter, § 4, derde lid). Een plafond van 180 euro/MWh geldt tevens voor verbrandingsinstallaties voor stedelijk afval (artikel 22ter, § 4, vierde lid). Wanneer de verkochte elektriciteit is geproduceerd door middel van een installatie voor elektriciteitsproductie die productiesteun ontvangt welke varieert volgens de evolutie van de marktprijs van elektriciteit, wordt het plafond vastgesteld op 130 euro per MWh elektriciteit of op het niveau van de « levelized cost of energy » (LCOE) plus 50 euro per MWh elektriciteit indien dit resultaat hoger is dan 130 euro/MWh, maar niet meer dan 180 euro per MWh elektriciteit (artikel 22ter, § 4, tweede lid). De heffing is gelijk aan 100 % van het « surplus aan inkomsten », waaronder wordt verstaan, « het positief verschil tussen de marktinkomsten en het overeenkomstig paragraaf 4 vastgestelde plafond op marktinkomsten, berekend voor elke transactie tot verkoop van elektriciteit in MWh geleverd in de in paragraaf 1 bedoelde periode, en per installatie voor elektriciteitsproductie gelegen in België die gebruik maakt van een van de in artikel 7.1 van Verordening (EU) 2022/1854 genoemde technologieën, met een geïnstalleerd vermogen van minimaal 1 MW » (artikel 22ter, § 3, eerste en tweede lid). B.1.4.2. Artikel 22ter, § 2, van de wet van 29 april 1999 bepaalt wie is onderworpen aan de heffing : « De heffing is verschuldigd door : 26 1° iedere natuurlijke of rechtspersoon die in de paragraaf 1 bedoelde periode elektriciteit injecteert in het transmissienet, een net dat een transmissiefunctie heeft, een (gesloten) distributienet, een gesloten industrieel net, een tractienet spoor of een directe lijn, door middel van een in België gelegen installatie voor elektriciteitsproductie die gebruik maakt van een van de in artikel 7.1 van Verordening (EU) 2022/1854 genoemde technologieën, met een geïnstalleerd vermogen van minimaal 1 MW; 2° iedere kernexploitant in de zin van artikel 2, 5°, van de wet van 11 april 2003 op de repartitiebijdrage; 3° iedere bijdragende vennootschap in de zin van artikel 2, 11°, van de wet van 11 april 2003 op de repartitiebijdrage; 4° iedere eigenaar van de kerncentrale als bedoeld in artikel 4/1 van de wet van 31 januari 2003 houdende de geleidelijke uitstap uit kernenergie voor industriële elektriciteitsproductie. In afwijking van het eerste lid is de heffing niet verschuldigd door energiegemeenschappen van burgers en hernieuwbare energiegemeenschappen of door de gelijkgestelde energiegemeenschappen als bedoeld in de regionale wetgeving, mits het surplus aan inkomsten rechtstreeks aan consumenten die leden van deze gemeenschappen zijn wordt overgedragen ». B.1.4.3. Artikel 22ter, § 5, eerste lid, van de wet van 29 april 1999 neemt voor de invulling van het begrip « marktinkomsten » de definitie over uit artikel 2, punt 5), van de verordening (EU) 2022/1854, vermeld in B.1.3. Voor de vaststelling van de marktinkomsten bevat artikel 22ter, § 5, tweede lid, 1° tot 5°, een aantal vermoedens : « 1° voor de kerncentrales bedoeld in de wet van 11 april 2003 op de repartitiebijdrage worden de marktinkomsten berekend per installatie overeenkomstig afdeling 3 van de bijlage bij de wet van 11 april 2003 op de repartitiebijdrage, zoals gewijzigd bij de wet van 25 december 2016 tot wijziging van de wet van 11 april 2003 betreffende de voorzieningen aangelegd voor de ontmanteling van de kerncentrales en voor het beheer van splijtstoffen bestraald in deze centrales en van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, met dien verstande dat :
  25. a)het volume van op termijn verkochte elektriciteit wordt geacht te zijn verhandeld op elke dag waarop een dagelijkse notering van een baseload kalenderproduct is gepubliceerd door het in voormelde afdeling 3 platform voor de uitwisseling van energieblokken;
  26. b)het volume van elektriciteit dat op de day-ahead markt is verkocht, wordt geacht te zijn verhandeld voor elke leveringsperiode van één uur voor het desbetreffende volume op uurbasis; 2° voor de kerncentrale bedoeld in artikel 4/1 van de wet van 31 januari 2003 houdende de geleidelijke uitstap uit kernenergie voor industriële elektriciteitsproductie worden de 27 marktinkomsten berekend overeenkomstig artikel 4/1, § 2, derde lid, van de wet van 31 januari 2003 houdende de geleidelijke uitstap uit kernenergie voor industriële elektriciteitsproductie, met dien verstande dat :
  27. a)het volume van op termijn verkochte elektriciteit wordt geacht te zijn verhandeld op de eerste werkdag van elke maand waarop een dagelijkse notering van een baseload kalenderproduct is gepubliceerd door het platform voor de uitwisseling van energieblokken in het kader van de toepassing van artikel 4/1 hierboven;
  28. b)het volume van elektriciteit dat op de day-ahead markt is verkocht, wordt geacht te zijn verhandeld voor elke leveringsperiode van één uur voor het desbetreffende volume op uurbasis; 3° voor de niet onder 1° en 2° bedoelde installaties voor elektriciteitsproductie waarvan de productie onder een stroomafnameovereenkomst valt, worden de marktinkomsten berekend overeenkomstig de bepalingen van dat contract, mits de commerciële voorwaarden van het contract overeenstemmen met redelijke marktvoorwaarden, met dien verstande dat :
  29. a)het volume van op termijn verkochte elektriciteit wordt geacht te zijn verhandeld per dag die door de bovengenoemde overeenkomst in aanmerking wordt genomen om de prijs te bepalen;
  30. b)het volume van elektriciteit dat op de day-ahead markt is verkocht, wordt geacht te zijn verhandeld voor elke leveringsperiode van één uur voor het desbetreffende volume op uurbasis; 4° voor de niet onder 1°, 2° en 3° bedoelde installaties voor elektriciteitsproductie en waarvoor geen productiesteunregeling geldt, of waarvoor een productiesteunregeling geldt waarvan het bedrag niet afhankelijk is van de evolutie van de elektriciteitsprijs, of waarvoor een productiesteunregeling geldt waarvan het bedrag afhankelijk is van de evolutie van de elektriciteitsprijs op een periode van drie jaar, worden de marktinkomsten berekend op basis van het volgende :
  31. a)de verwachte gemiddelde jaarproductie voor verkoop in jaar-1 wordt geacht als op termijn verkocht te zijn op basis van een baseload kalenderproduct volgens de strategie van verkoop van een derde in jaar-3 (CAL+3), een derde in jaar-2 (CAL+2) en een derde in jaar-1 (CAL+1) tegen de prijzen die worden gepubliceerd door een platform voor de uitwisseling van energieblokken dat in België actief is. Deze verwachte gemiddelde jaarproductie voor verkoop in jaar-1 wordt beschouwd als de jaarproductie in 2019 voor installaties voor elektriciteitsproductie die vallen onder de technologieën bedoeld in artikel 7.1, onder a), b), d),
  32. e)en f), van Verordening (EU) 2022/1854. Indien de installatie voor elektriciteitsproductie in 2019 niet operationeel was, moet deze verwachte productie in jaar-1 door de schuldenaar worden gerapporteerd. Voor andere installaties voor elektriciteitsproductie wordt deze verwachte gemiddelde jaarproductie voor verkoop in jaar-1 geacht 85 % van de maximumcapaciteit van de installatie voor elektriciteitsproductie te bedragen;
  33. b)het positieve verschil tussen het geproduceerde en verkochte volume van elektriciteit per kwartier en het in
  34. a)bedoelde volume van elektriciteit wordt geacht te zijn verkocht tegen de marktreferentieprijs per uur; 28
  35. c)het volume van op termijn verkochte elektriciteit wordt geacht te zijn verhandeld per dag waarop een dagelijkse notering van een baseload kalenderproduct is gepubliceerd door een platform voor de uitwisseling van energieblokken dat in België actief is;
  36. d)het volume van elektriciteit dat op de day-ahead markt is verkocht, wordt geacht te zijn verhandeld voor elke leveringsperiode van één uur; 5° voor de niet onder 1°, 2°, 3° en 4° bedoelde installaties voor elektriciteitsproductie, worden de marktinkomsten berekend op basis van het volgende :
  37. a)de verwachte gemiddelde jaarproductie voor verkoop in jaar-1 wordt geacht als op termijn verkocht te zijn op basis van een baseload kalenderproduct in jaar-1 (CAL+1) tegen de prijzen die worden gepubliceerd door een platform voor de uitwisseling van energieblokken dat in België actief is. Deze verwachte gemiddelde jaarproductie voor verkoop in jaar-1 wordt beschouwd als de jaarproductie in 2019 voor installaties voor elektriciteitsproductie die vallen onder de technologieën genoemd in artikel 7.1, onder a), b), d),
  38. e)en f), van Verordening (EU) 2022/1854. Indien de installatie voor elektriciteitsproductie in 2019 niet operationeel was, moet deze verwachte productie in jaar-1 door de schuldenaar worden gerapporteerd. Voor andere installaties voor elektriciteitsproductie wordt deze verwachte gemiddelde jaarproductie voor verkoop in jaar-1 geacht 85 % van het maximumcapaciteit van de installatie voor elektriciteitsproductie te bedragen;
  39. b)het positieve verschil tussen het geproduceerde en verkochte volume van elektriciteit per kwartier en het in
  40. a)bedoelde volume van elektriciteit wordt geacht te zijn verkocht tegen de marktreferentieprijs per uur;
  41. c)het volume van op termijn verkochte elektriciteit wordt geacht te zijn verhandeld per dag waarop een dagelijkse notering van een baseload kalenderbasisproduct is gepubliceerd door een platform voor de uitwisseling van energieblokken dat in België actief is, op een periode van één jaar of, wanneer de productiesteunregeling gebaseerd is op de evolutie van de elektriciteitsprijs op een periode van zes maanden, op een periode van zes maanden;
  42. d)het volume van elektriciteit dat op de day-ahead markt is verkocht, wordt geacht te zijn verhandeld voor elke leveringsperiode van één uur ». Artikel 22ter, § 5, tweede lid, 6°, van de wet van 29 april 1999 bepaalt welke vermoedens kunnen worden weerlegd en hoe dat dient te gebeuren : « 6° voor de onder 3°, 4° en 5° bedoelde installaties voor elektriciteitsproductie, kan de in de paragraaf 2 bedoelde schuldenaar bewijzen dat de marktinkomsten afwijken van die welke zijn vastgesteld overeenkomstig onder 3°, 4° en 5°, op voorwaarde dat de schuldenaar dit bewijs aanbrengt voor zijn volledige productiepark, en met dien verstande dat :
  43. a)de aan- en verkoop van elektriciteit binnen een verticaal geïntegreerde onderneming of tussen ondernemingen waarvan de ene in het bezit is van of rechtstreeks of onrechtstreeks gedeeltelijk gecontroleerd wordt door de andere, wordt voor de toepassing van dit artikel geacht te zijn gesloten op basis van een prijs die overeenkomt met de marktprijs op de dag van de 29 transactie voor de leveringsperiode waarop de transactie betrekking heeft, zoals gepubliceerd door een platform voor de uitwisseling van energieblokken die in België actief is;
  44. b)elk geproduceerd en verkocht, maar niet op termijn verkocht volume van elektriciteit wordt geacht te zijn verkocht tegen de marktreferentieprijs;
  45. c)elke verkoop op termijn van elektriciteit is een transactie die wordt gedefinieerd door zijn transactiedatum, prijs en volume;
  46. d)het volume van elektriciteit dat op de day-ahead markt is verkocht, wordt geacht te zijn verhandeld voor elke leveringsperiode van één uur ». Krachtens artikel 22ter, § 5, derde lid, van de wet van 29 april 1999 wordt, behoudens voor het onder 3° bedoelde vermoeden, het surplus aan inkomsten verminderd met de kosten in verband met de aankoop van volumes van elektriciteit voor de levering van tijdens de in paragraaf 1 bedoelde periode verkochte en niet geproduceerde volumes van elektriciteit, wanneer de werkelijke productie lager is dan de op termijn verkochte productie, ten belope van het positieve verschil tussen de marktreferentieprijs en h

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.