id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 04 juli 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.075 Arrest- Rolnummer: 75/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-08-08 Raadplegingen: 306 - laatst gezien 2026-06-14 19:35 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche - Vernietiging (artikel 153, 5°, van de wet van 5 mei 2019, in zoverre het niet voorziet in een overgangsregeling voor de personen die vóór 13 juni 2017 een verboden niet-semiautomatisch vuurwapen of een vergunningsplichtig vuurwapen, dat werd omgebouwd om enkel blanke patronen te kunnen afvuren in de zin van artikel 3, § 4, van de wet van 8 juni 2006 « houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens », rechtmatig hebben verworven en geregistreerd) - Verwerping van het beroep voor het overige (onder voorbehoud van de in B.7.3 vermelde interpretatie van artikel 163 van dezelfde wet van 5 mei 2019) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: het beroep tot vernietiging van de artikelen 153, 3° en 5°, 162 en 163 van de wet van 5 mei 2019 « houdende diverse bepalingen in strafzaken en inzake erediensten, en tot wijziging van de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie en van het Sociaal Strafwetboek », ingesteld door de vzw « Actieve verdediging van de Wapenliefhebbers » en anderen. Strafrecht - Wapens - Gedeeltelijke omzetting van de richtlijn (EU) 2017/853 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 « tot wijziging van Richtlijn 91/477/EEG van de Raad inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens » - Vuurwapens die enkel blanke patronen kunnen afvuren - Wapens registreerd vóór 13 juni 2017 - Ontstentenis van een overgangsregeling Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 75/2024 van 4 juli 2024 Rolnummer : 7310 In zake : het beroep tot vernietiging van de artikelen 153, 3° en 5°, 162 en 163 van de wet van 5 mei 2019 « houdende diverse bepalingen in strafzaken en inzake erediensten, en tot wijziging van de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie en van het Sociaal Strafwetboek », ingesteld door de vzw « Actieve verdediging van de Wapenliefhebbers » en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 22 november 2019 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 26 november 2019, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 153, 3° en 5°, 162 en 163 van de wet van 5 mei 2019 « houdende diverse bepalingen in strafzaken en inzake erediensten, en tot wijziging van de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie en van het Sociaal Strafwetboek » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 24 mei 2019) door de vzw « Actieve verdediging van de Wapenliefhebbers », Marco Kuchler en Stève Durand, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Frank Judo en Mr. Tim Souverijns, advocaten bij de balie te Brussel. Bij tussenarrest nr. 50/2021 van 25 maart 2021, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 6 mei 2021 (ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.050), heeft het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie : « Schendt artikel 7, lid 4bis, van de richtlijn 91/477/EEG, in samenhang gelezen met deel II, categorie A, punten 6 tot 9, van bijlage I bij dezelfde richtlijn, de artikelen 17, lid 1, 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het beginsel van 2 bescherming van het gewettigd vertrouwen, in zoverre het de lidstaten niet toelaat te voorzien in een overgangsregeling voor de in categorie A9 bedoelde vuurwapens die rechtmatig zijn verworven en geregistreerd vóór 13 juni 2017, terwijl het hun wel toelaat te voorzien in een overgangsregeling voor de in de categorieën A6 tot A8 bedoelde vuurwapens die rechtmatig zijn verworven en geregistreerd vóór 13 juni 2017 ? ». Bij arrest van 5 maart 2024 in de zaak C-234/21 (ECLI:EU:C:2024:200) heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie op de vraag geantwoord. Bij beschikking van 13 maart 2024 heeft het Hof, na rechter-verslaggeefster Magali Plovie en rechter Willem Verrijdt, verslaggever ter vervanging van rechter-verslaggever Danny Pieters, wettig verhinderd, te hebben gehoord, beslist : - de debatten te heropenen om uitspraak te doen ten gronde over het tweede middel, - de partijen uit te nodigen, in een uiterlijk op 10 april 2024 in te dienen aanvullende memorie, waarvan ze binnen dezelfde termijn een kopie laten toekomen aan de andere partijen, hun standpunt uiteen te zetten over de weerslag van het voormelde arrest van het Hof van Justitie voor het onderzoek van het tweede middel van de verzoekende partijen, - dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en - dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zouden worden gesloten op 24 april 2024 en de zaak in beraad zou worden genomen. Aanvullende memories zijn ingediend door : - de verzoekende partijen, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Frank Judo en Mr. Laure Proost, advocate bij de balie te Brussel; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Steve Ronse en Mr. Guillaume Vyncke, advocaten bij de balie van West-Vlaanderen. Ingevolge het verzoek van de verzoekende partijen om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 27 maart 2024 de dag van de terechtzitting bepaald op 24 april
- Op de openbare terechtzitting van 24 april 2024 : - zijn verschenen : . Mr. Laure Proost, tevens loco Mr. Frank Judo, voor de verzoekende partijen; . Mr. Guillaume Vyncke, tevens loco Mr. Steve Ronse, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers Magali Plovie en Danny Pieters verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; 3 - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten gronde A.1.
- Bij zijn arrest nr. 50/2021 van 25 maart 2021 (ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.050) heeft het Hof een prejudiciële vraag gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Het Hof van Justitie heeft die vraag beantwoord bij zijn arrest van 5 maart 2024 in zake Actieve Verdediging der Wapenliefhebbers vzw e.a. (C-234/21, ECLI:EU:C:2024:200). Bij beschikking van 13 maart 2024 heeft het Hof de heropening van de debatten bevolen en de partijen uitgenodigd om in een aanvullende memorie een standpunt in te nemen over de weerslag van het arrest van het Hof van Justitie op het onderzoek van het tweede middel. A.1.
- In wat volgt worden de standpunten van de partijen weergegeven over de weerslag van het arrest van het Hof van Justitie op het onderzoek van het tweede middel. De argumenten ten gronde werden reeds weergegeven in het voormelde arrest nr. 50/
- A.
- Volgens de verzoekende partijen kan uit het arrest van het Hof van Justitie worden afgeleid dat de wetgever in een overgangsregeling had moeten voorzien. Het tweede middel, dat is afgeleid uit het ontbreken van een dergelijke regeling, is bijgevolg gegrond. A.
- De Ministerraad verwijst naar artikel 153, 5°, van de wet van 5 mei 2019 « houdende diverse bepalingen in strafzaken en inzake erediensten, en tot wijziging van de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie en van het Sociaal Strafwetboek ». Daaruit volgt dat de omgebouwde vuurwapens tot hun oorspronkelijke categorie blijven behoren. De overgangsregeling die werd voorzien voor die oorspronkelijke categorie, kan dus ook op de omgebouwde wapens worden toegepast, op grond van een richtlijnconforme interpretatie. In die interpretatie is het middel ongegrond. -B- B.1.
- De artikelen 151 tot 163 van de wet van 5 mei 2019 « houdende diverse bepalingen in strafzaken en inzake erediensten, en tot wijziging van de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie en van het Sociaal Strafwetboek » (hierna : de wet van 5 mei 2019) wijzigen verschillende bepalingen van de wet van 8 juni 2006 « houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens » (hierna : de Wapenwet). De meeste van die bepalingen vormen een gedeeltelijke omzetting van de richtlijn (EU) 2017/853 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 « tot 4 wijziging van Richtlijn 91/477/EEG van de Raad inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens » (hierna : de richtlijn (EU) 2017/853). De andere bepalingen brengen enkele technische wijzigingen aan in de Wapenwet (Parl. St., Kamer, 2018-2019, DOC 54-3515/001, p. 245). B.1.
- De verzoekende partijen bestrijden artikel 163 (eerste middel), artikel 153, 5°, (tweede middel) en artikel 162 (derde middel) van de wet van 5 mei
- Bij zijn arrest nr. 50/2021 van 25 maart 2021 (ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.050) heeft het Hof het beroep tot vernietiging verworpen in zoverre het is gericht tegen de artikelen 162 en 163 van de wet van 5 mei
- Bijgevolg moet enkel het tweede middel nog worden behandeld. B.2.
- In het tweede middel voeren de verzoekende partijen aan dat artikel 153, 5°, van de wet van 5 mei 2019 niet bestaanbaar is met de artikelen 10, 11, 12, 14 en 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (hierna : het Eerste Aanvullend Protocol), met artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met artikel 49 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met het vertrouwensbeginsel. B.2.
- Artikel 12, tweede lid, van de Grondwet bepaalt : « Niemand kan worden vervolgd dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft ». Artikel 14 van de Grondwet bepaalt : « Geen straf kan worden ingevoerd of toegepast dan krachtens de wet ». Artikel 16 van de Grondwet bepaalt : « Niemand kan van zijn eigendom worden ontzet dan ten algemenen nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling ». Artikel 7, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : 5 « Niemand kan worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde. Evenmin zal een zwaardere straf worden opgelegd dan die welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was ». Artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bepaalt : « Alle natuurlijke of rechtspersonen hebben recht op het ongestoord genot van hun eigendom. Niemand zal van zijn eigendom worden beroofd behalve in het algemeen belang en met inachtneming van de voorwaarden neergelegd in de wet en in de algemene beginselen van het internationaal recht. De voorgaande bepalingen zullen echter op geen enkele wijze het recht aantasten dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen en boeten te verzekeren ». Artikel 15, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten bepaalt : « Niemand kan worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde. Evenmin, mag een zwaardere straf worden opgelegd dan die welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was. Indien, na het begaan van het strafbare feit de wet mocht voorzien in de oplegging van een lichtere straf, dient de overtreder daarvan te profiteren ». Artikel 49, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie bepaalt : « Niemand mag worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde van het handelen of nalaten. Evenmin mag een zwaardere straf worden opgelegd dan die, die ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was. Indien de wet na het begaan van het strafbare feit in een lichtere straf voorziet, is die van toepassing ». B.3.
- De twintigste en de eenentwintigste considerans bij de richtlijn (EU) 2017/853 vermelden dat ook vuurwapens die enkel blanke patronen kunnen afvuren en vuurwapens die alleen akoestische signalen kunnen geven, een risico voor de openbare veiligheid inhouden : « Het risico dat akoestische signalen en andere typen vuurwapens voor het afvuren van losse patronen worden omgebouwd tot echte vuurwapens is groot. Het is daarom essentieel het probleem van dergelijke omgebouwde vuurwapens die bij het plegen van strafbare feiten 6 worden gebruikt, aan te pakken, met name door deze binnen de werkingssfeer van Richtlijn 91/477/EEG te brengen. Bovendien moet de Commissie, om te vermijden dat alarm- en seinwapens worden geproduceerd op een wijze waardoor ze kunnen worden omgebouwd om een lading, een kogel of een projectiel uit te stoten door explosieve voortstuwing, technische specificaties vaststellen om te waarborgen dat zij niet zodanig kunnen worden omgebouwd. Rekening houdend met het grote risico dat het opnieuw gebruiksklaar maken van op onjuiste wijze onbruikbaar gemaakte vuurwapens met zich meebrengt en met het oog op betere beveiliging in de hele Unie, moeten dergelijke vuurwapens onder Richtlijn 91/477/EEG vallen. Een definitie van onbruikbaar gemaakte vuurwapens moet worden opgesteld die overeenstemt met de algemene beginselen van het onbruikbaar maken van vuurwapens als bedoeld in het Protocol tegen de illegale vervaardiging van en handel in vuurwapens, hun onderdelen, componenten en munitie, gevoegd bij Besluit 2014/164/EU van de Raad, waarbij dat protocol wordt opgenomen in het rechtskader van de Unie ». B.3.
- Om die reden vult artikel 1, punt 19), van de richtlijn (EU) 2017/853 bijlage I, deel II, van de richtlijn 91/477/EEG van de Raad van 18 juni 1991 « inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens » (hierna : de richtlijn 91/477/EEG) aan. Aan categorie A (verboden vuurwapens) wordt een nieuw punt 9 toegevoegd, aan categorie B (vergunningsplichtige vuurwapens) wordt een nieuw punt 8 toegevoegd en aan categorie C (aangifteplichtige vuurwapens en wapens) wordt een nieuw punt 5 toegevoegd. Die gelijkluidende punten bepalen : « Alle vuurwapens in deze categorie die zijn omgebouwd om losse patronen, irriterende stoffen, andere werkzame stoffen of pyrotechnische patronen af te vuren of zijn omgebouwd tot wapens voor saluutschoten of akoestische signalen ». Het nieuwe artikel 1, lid 1, punt 5), van de richtlijn 91/477/EEG definieert de wapens voor saluutschoten en akoestische signalen als « vuurwapens die specifiek omgebouwd zijn om enkel losse patronen af te vuren en bedoeld zijn voor gebruik in bijvoorbeeld theatervoorstellingen, fotosessies, film- en televisieopnames, het naspelen van historische gebeurtenissen, optochten, sportevenementen en opleiding ». B.3.
- Het bestreden artikel 153, 5°, van de wet van 5 mei 2019 zet die nieuwe bepalingen van de richtlijn 91/477/EEG om. Het voegt aan artikel 3 van de Wapenwet een nieuwe paragraaf 4 toe, die bepaalt : « Vuurwapens die zijn omgebouwd om blanke patronen, irriterende stoffen, andere werkzame stoffen of pyrotechnische patronen af te vuren of zijn omgebouwd tot wapens voor saluutschoten of akoestische signalen, en niet in die zin omgebouwde vuurwapens waarmee 7 enkel met de genoemde patronen of stoffen wordt geschoten, blijven ingedeeld in de categorie waartoe ze op basis van de paragrafen 1 en 3 worden ingedeeld ». Het nieuwe artikel 2, 26°/1, van de Wapenwet definieert wapens voor saluutschoten en akoestische signalen als « vuurwapens die specifiek gebouwd of omgebouwd zijn om enkel blanke patronen af te vuren en bedoeld zijn voor gebruik in bijvoorbeeld theatervoorstellingen, fotosessies, film- en televisieopnames, het naspelen van historische gebeurtenissen, optochten, sportevenementen of opleiding ». De parlementaire voorbereiding van de wet van 5 mei 2019 vermeldt : « Categorie A, punt 9 en categorie B, punt 8 van de richtlijn bepalen dat vuurwapens die zijn omgebouwd om welbepaalde patronen of stoffen af te voeren, niet veranderen van categorie. Zo zal een vergunningsplichtig vuurwapen niet vrij verkrijgbaar worden door het om te bouwen om enkel nog met blanke patronen te schieten. Dit beginsel wordt ingeschreven in een nieuwe vierde paragraaf van artikel 3 wapenwet. Het feit dat men authentieke - dus niet-omgebouwde - vuurwapens in de praktijk enkel gebruikt met de geviseerde patronen of stoffen (bv. blanke patronen, lichtkogels…) heeft evenmin tot gevolg dat dat vuurwapen plots verandert van categorie. Die bepaling staat momenteel reeds in de ministeriële omzendbrief over de wapenwetgeving, maar het is aanbevolen ze ook in de wet op te nemen » (Parl. St., Kamer, 2018-2019, DOC 54-3515/001, p. 247). B.
- De verzoekende partijen bestrijden artikel 153, 5°, van de wet van 5 mei 2019 slechts in zoverre het betrekking heeft op de verboden en de vergunningsplichtige vuurwapens die zijn omgebouwd zodat zij enkel blanke patronen kunnen afvuren. Bovendien bestrijden zij niet het verbod respectievelijk de vergunningsplicht op zich, maar slechts de ontstentenis van een overgangsregeling ten gunste van personen die dergelijke vuurwapens rechtmatig hebben verworven en geregistreerd vóór 3 juni
- Zij voeren aan dat de bestreden bepaling in die mate niet bestaanbaar is met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, in samenhang gelezen met het vertrouwensbeginsel, met het recht op het ongestoord genot van de eigendom en met het strafrechtelijk wettigheidsbeginsel. B.
- Bij het voormelde arrest nr. 50/2021 heeft het Hof geoordeeld dat, in zoverre de bestreden bepaling niet voorziet in een overgangsregeling voor vuurwapens die zijn omgebouwd zodat zij enkel blanke patronen kunnen afvuren en die rechtmatig zijn verworven 8 of geregistreerd tussen 13 juni 2017 en 3 juni 2019, zij bestaanbaar is met de in het middel aangehaalde referentienormen om de redenen die zijn uiteengezet in B.7.1 tot B.10.4 van dat arrest. De personen die in die periode een dergelijk vuurwapen hebben aangeschaft, werden immers geacht op de hoogte te zijn van het nakende verbod erop respectievelijk van het nakende vergunningsplichtige karakter ervan. Het Hof dient evenwel nog de bestaanbaarheid van de bestreden bepaling met de in het middel aangehaalde referentienormen te onderzoeken in zoverre zij evenmin voorziet in een overgangsregeling ten gunste van de personen die een vuurwapen dat is omgebouwd zodat het enkel blanke patronen kan afvuren, rechtmatig hebben verworven en geregistreerd vóór 13 juni
- B.6.
- Bij zijn arrest nr. 50/2021 heeft het Hof geoordeeld dat het, met betrekking tot het ontbreken van een overgangsregeling voor de in categorie A9 bedoelde vuurwapens die rechtmatig zijn verworven en geregistreerd vóór 13 juni 2017, noodzakelijk was om de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie : « Schendt artikel 7, lid 4bis, van de richtlijn 91/477/EEG, in samenhang gelezen met deel II, categorie A, punten 6 tot 9, van bijlage I bij dezelfde richtlijn, de artikelen 17, lid 1, 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen, in zoverre het de lidstaten niet toelaat te voorzien in een overgangsregeling voor de in categorie A9 bedoelde vuurwapens die rechtmatig zijn verworven en geregistreerd vóór 13 juni 2017, terwijl het hun wel toelaat te voorzien in een overgangsregeling voor de in de categorieën A6 tot A8 bedoelde vuurwapens die rechtmatig zijn verworven en geregistreerd vóór 13 juni 2017 ? ». B.6.
- Bij zijn arrest van 5 maart 2024 in zake Actieve Verdediging der Wapenliefhebbers vzw e.a. (C-234/21, ECLI:EU:C:2024:200) heeft de grote kamer van het Hof van Justitie van de Europese Unie de voormelde prejudiciële vraag beantwoord als volgt : «
- Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 7, lid 4bis, van richtlijn 91/477, zoals gewijzigd bij richtlijn 2017/853, gelezen in samenhang met de punten 6 tot en met 9 van ‘ Categorie A – Verboden vuurwapens ’ in bijlage I, punt II, A, bij richtlijn 91/477, zoals gewijzigd bij richtlijn 2017/853, geldig is in het licht van artikel 17, lid 1, en de artikelen 20 en 21 van het Handvest en van het vertrouwensbeginsel.
- Zoals blijkt uit zowel de toelichting van die rechter als de bewoordingen van die vraag, berust deze vraag op de aanname dat de lidstaten krachtens artikel 7, lid 4bis, van die richtlijn kunnen voorzien in een overgangsregeling voor vuurwapens van de categorieën A.6 tot en met 9 A.8 die vóór 13 juni 2017 rechtmatig zijn verworven en geregistreerd, maar niet voor vuurwapens van categorie A.
- In die omstandigheden moet om te beginnen worden nagegaan of artikel 7, lid 4bis, aldus moet worden uitgelegd dat deze bepaling het de lidstaten niet mogelijk maakt om een overgangsregeling vast te stellen voor vuurwapens van categorie A.9 die vóór 13 juni 2017 rechtmatig zijn verworven en geregistreerd.
- Om uit te maken of dat inderdaad zo is, moet bij de uitlegging van die bepaling volgens vaste rechtspraak van het Hof niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context ervan en met de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt (arrest van 1 augustus 2022, Sea Watch, C-14/21 en C-15/21, EU:C:2022:604, punt 115 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
- Voorts moet een Uniehandeling volgens een algemeen uitleggingsbeginsel zo veel mogelijk aldus worden uitgelegd dat er geen afbreuk wordt gedaan aan de geldigheid ervan en dat het gehele primaire Unierecht, waaronder met name de bepalingen van het Handvest, in acht wordt genomen. Wanneer een bepaling van afgeleid Unierecht voor meer dan één uitlegging vatbaar is, verdient de uitlegging die ervoor zorgt dat de bepaling in overeenstemming is met het primaire Unierecht dan ook de voorkeur boven de uitlegging die met zich meebrengt dat zij in strijd is met dat recht (arrest van 21 juni 2022, Ligue des droits humains, C-817/19, EU:C:2022:491, punt 86 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
- Wat in de eerste plaats de bewoordingen van artikel 7, lid 4bis, van richtlijn 91/477, zoals gewijzigd bij richtlijn 2017/853, betreft, zij eraan herinnerd dat de lidstaten op grond van deze bepaling met name kunnen beslissen om vergunningen voor in punt 6, 7 of 8 van categorie A ingedeelde semiautomatische vuurwapens te bevestigen, vernieuwen of verlengen voor wat betreft een vuurwapen dat was ingedeeld in categorie B, en dat rechtmatig was verworven en geregistreerd vóór 13 juni 2017, mits aan de andere in deze richtlijn neergelegde voorwaarden wordt voldaan ’.
- Uit die bewoordingen volgt dat de door die bepaling aan de lidstaten geboden mogelijkheid, namelijk om vergunningen te bevestigen, te vernieuwen of te verlengen, slechts bestaat ten aanzien van semiautomatische vuurwapens van de categorieën A.6 tot en met A.8 die vóór de inwerkingtreding van richtlijn 2017/853 waren ingedeeld in ‘ Categorie B - Vergunningsplichtige vuurwapens ’ in bijlage I, punt II, A, bij richtlijn 91/477, zoals gewijzigd bij richtlijn 2008/51 (hierna : ‘ categorie B ’), en rechtmatig waren verworven en geregistreerd vóór 13 juni
- Bovendien blijkt uit die bewoordingen dat deze mogelijkheid slechts bestaat indien wordt voldaan aan de andere in richtlijn 91/477, zoals gewijzigd bij richtlijn 2017/853, neergelegde voorwaarden.
- In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing om te beginnen dat het aspect van het hoofdgeding waarop de gestelde vraag betrekking heeft, semiautomatische vuurwapens betreft die onder categorie A.9 vallen en die vóór 13 juni 2017 rechtmatig zijn verworven en geregistreerd.
- Vervolgens moet worden opgemerkt dat de standpunten van de partijen in de procedure bij het Hof uiteenlopen over de vraag of semiautomatische vuurwapens die zijn omgebouwd om er losse patronen, irriterende stoffen, andere werkzame stoffen of pyrotechnische patronen mee af te vuren of tot wapens voor saluutschoten of akoestische 10 signalen, vóór de inwerkingtreding van richtlijn 2017/853 waren ingedeeld in categorie B. De Raad van de Europese Unie wijst erop dat de lidstaten richtlijn 91/477 op uiteenlopende wijzen hebben uitgelegd en betoogt met name dat het, voordat categorie A.9 werd toegevoegd bij richtlijn 2017/853, niet duidelijk was of deze vuurwapens al dan niet onder categorie B vielen.
- Tot slot is het wel zo dat alle deelnemers aan de hoorzitting van 8 mei 2023 hebben betoogd dat vuurwapens van categorie A.9 die zowel aan de criteria van deze categorie als aan die van een van de categorieën A.6 tot en met A.8 voldoen, ook onder de laatstgenoemde categorieën kunnen vallen.
- In die omstandigheden moet er, wat in de tweede plaats de context van artikel 7, lid 4bis, van richtlijn 91/477, zoals gewijzigd bij richtlijn 2017/853, betreft, worden nagegaan of de betreffende vuurwapens vóór de inwerkingtreding van richtlijn 2017/853 in categorie B waren ingedeeld en of zij kunnen vallen onder zowel categorie A.9 als een van de categorieën A.6 tot en met A.
- Wat ten eerste de vraag betreft of de betreffende vuurwapens vóór de inwerkingtreding van richtlijn 2017/853 in categorie B waren ingedeeld, moet worden vastgesteld dat, zoals de advocaat-generaal in de punten 52 tot en met 55 van zijn conclusie van 24 november 2022 in wezen heeft opgemerkt, semiautomatische vuurwapens die onder categorie A.9 vallen, te weten wapens die zijn omgebouwd om er losse patronen, irriterende stoffen, andere werkzame stoffen of pyrotechnische patronen mee af te vuren of tot wapens voor saluutschoten of akoestische signalen, ondanks het feit dat zij zijn omgebouwd voldoen aan de criteria ter bepaling van het begrip ‘ vuurwapen ’ van zowel artikel 1, lid 1,punt 1, van richtlijn 91/477 zoals gewijzigd bij richtlijn 2017/853 als artikel 1, lid 1, in de versie van vóór de inwerkingtreding van richtlijn 2017/
- Uit de bewoordingen van elk van deze bepalingen blijkt namelijk dat er, behoudens bepaalde uitzonderingen, onder vuurwapen met name wordt verstaan niet alleen een draagbaar, van een loop voorzien wapen dat is ontworpen om door explosieve voortstuwing een lading, een kogel of een projectiel uit te stoten, maar ook een draagbaar, van een loop voorzien wapen dat daartoe kan worden omgebouwd, waarbij een object wordt geacht aldus te kunnen worden omgebouwd wanneer het qua vormgeving gelijk is aan een vuurwapen en het ingevolge zijn constructie of het materiaal waarvan het is gemaakt aldus kan worden omgebouwd.
- In dit verband wordt er in overweging 20 van richtlijn 2017/853 aangegeven dat het risico dat wapens voor akoestische signalen en andere typen vuurwapens voor het afvuren van losse patronen worden omgebouwd tot echte vuurwapens groot is. Met betrekking tot specifiek onder een van de categorieën A.6 tot en met A.8 vallende semiautomatische vuurwapens die later zijn omgebouwd om er losse patronen, irriterende stoffen, andere werkzame stoffen of pyrotechnische patronen mee af te vuren of tot wapens voor saluutschoten of akoestische signalen, waardoor zij tot categorie A.9 zijn gaan behoren, staat het, aangezien deze wapens waren ontworpen om door explosieve voortstuwing een lading, een kogel of een projectiel uit te stoten, voorts vast dat zij weer net zo gevaarlijk kunnen worden als voorheen als zij opnieuw voor dat doel worden omgebouwd.
- Die beoordeling vindt steun in bijlage I, punt III, bij richtlijn 91/477, zoals gewijzigd bij richtlijn 2008/51, aangezien de Uniewetgever daarin expliciet heeft aangegeven dat de definitie van vuurwapens onder meer niet ziet op voorwerpen die voorgoed onbruikbaar zijn gemaakt door een neutralisatie die inhoudt dat alle essentiële onderdelen van het vuurwapen 11 voorgoed onbruikbaar worden gemaakt en onmogelijk zodanig verwijderd, vervangen of aangepast kunnen worden dat het wapen op enigerlei wijze opnieuw gebruiksklaar zou kunnen worden gemaakt. In bijlage I, punt III, bij die richtlijn is er evenwel geen sprake van een dergelijke uitsluiting voor wapens die zijn omgebouwd om er losse patronen, irriterende stoffen, andere werkzame stoffen of pyrotechnische patronen mee af te vuren of tot wapens voor saluutschoten of akoestische signalen.
- Het is juist dat in overweging 20 van richtlijn 2017/853 ook wordt opgemerkt dat het essentieel is het probleem van dergelijke omgebouwde vuurwapens aan te pakken door deze binnen de werkingssfeer van richtlijn 91/477 te brengen. Daaruit kan echter niet worden afgeleid dat deze omgebouwde vuurwapens pas sinds de inwerkingtreding van richtlijn 2017/853 binnen de werkingssfeer van richtlijn 91/477 vallen. Aangezien die wapens voldoen aan de definitie van een vuurwapen in artikel 1, lid 1,van richtlijn 91/477, zoals gewijzigd bij richtlijn 2008/51, moet de verduidelijking in die overweging van richtlijn 2017/853 immers aldus worden opgevat dat zij, gelet op de in punt 39 van het onderhavige arrest genoemde uiteenlopende uitleggingen, is bedoeld om te bevestigen dat omgebouwde vuurwapens binnen de werkingssfeer van richtlijn 91/477, zoals gewijzigd bij richtlijn 2017/853,vallen.
- Uit het voorgaande volgt dat de betreffende vuurwapens moeten worden geacht al van vóór de inwerkingtreding van richtlijn 2017/853 te zijn ingedeeld in categorie B, die in de punten 1 en 4 tot en met 7 betrekking heeft op semiautomatische vuurwapens.
- Wat ten tweede de vraag betreft of semiautomatische vuurwapens die zijn omgebouwd om er losse patronen, irriterende stoffen, andere werkzame stoffen of pyrotechnische patronen mee af te vuren of tot wapens voor saluutschoten of akoestische signalen, kunnen behoren tot zowel categorie A.9 als een van de categorieën A.6 tot en met A.8, moet worden opgemerkt dat categorie A.9 volgens de bewoordingen ervan ‘ alle vuurwapens in deze categorie ’ omvat die zijn omgebouwd om losse patronen, irriterende stoffen, andere werkzame stoffen of pyrotechnische patronen af te vuren of zijn omgebouwd tot wapens voor saluutschoten of akoestische signalen.
- Uit de bewoordingen van categorie A.9 volgt derhalve dat een vuurwapen alleen tot deze categorie kan behoren indien het voldoet aan de criteria die worden vermeld in punt 2, 3, 6, 7 of 8 van ‘ Categorie A – Verboden vuurwapens ’ in bijlage I, punt II, A, bij richtlijn 91/477, zoals gewijzigd bij richtlijn 2017/853 (hierna : ‘ categorie A.2, A.3, A.6, A.7 of A.8 ’), en tevens is omgebouwd om er losse patronen, irriterende stoffen, andere werkzame stoffen of pyrotechnische patronen mee af te vuren of tot wapen voor saluutschoten of akoestische signalen.
- Die bewoordingen wijzen er dus op dat de omstandigheid dat een wapen is omgebouwd en als gevolg daarvan onder categorie A.9 valt, er niet toe leidt dat het niet langer wordt ingedeeld in de categorie A.2, A.3, A.6, A.7 of A.
- Wapens die onder categorie A.9 vallen voldoen namelijk, zoals is aangegeven in punt 42 van het onderhavige arrest, aan de criteria ter bepaling van het begrip ‘ vuurwapen ’ van artikel 1, lid 1, punt 1, van richtlijn 91/477, zoals gewijzigd bij richtlijn 2017/853; daarnaast is het zo dat er in categorie A.2, A.3, A.6, A.7 of A.8 geen onderscheid wordt gemaakt naargelang de daaronder vallende vuurwapens al dan niet zijn omgebouwd. 12
- Wat in de derde plaats de doelstellingen van de richtlijnen 91/477 en 2017/853 betreft, blijkt ten eerste uit overweging 20 van de laatstgenoemde richtlijn en uit de aan het Hof ter beschikking staande informatie over de wetgevingsprocedure die tot de vaststelling van die richtlijn heeft geleid, dat de in de loop van die wetgevingsprocedure gedane toevoeging van categorie A.9 tot doel had om, gelet op de uiteenlopende situatie in de lidstaten, duidelijk te maken dat vuurwapens die zijn omgebouwd om er losse patronen, irriterende stoffen, andere werkzame stoffen of pyrotechnische patronen mee af te vuren of tot wapens voor saluutschoten of akoestische signalen, binnen de werkingssfeer van richtlijn 91/477 vallen.
- Zoals met name de Commissie heeft opgemerkt, blijkt uit die informatie echter nergens dat de Uniewetgever met die toevoeging op die manier omgebouwde vuurwapens heeft willen onttrekken aan categorie A.2, A.3, A.6, A.7 of A.8 of aan de werkingssfeer van artikel 7, lid 4bis, van richtlijn 91/477, zoals gewijzigd bij richtlijn 2017/
- In het bijzonder vloeit uit geen van de overwegingen van richtlijn 2017/853 voort dat onder categorie A.9 vallende wapens zijn uitgesloten van die categorieën of van die werkingssfeer.
- Ten tweede moet er, aangezien de Uniewetgever in overweging 31 van richtlijn 2017/853 heeft opgemerkt dat deze richtlijn de grondrechten eerbiedigt en de beginselen in acht neemt die met name in het Handvest zijn erkend, worden vastgesteld dat artikel 7, lid 4bis, van richtlijn 91/477, zoals gewijzigd bij richtlijn 2017/853, beoogt te waarborgen dat verworven rechten en in het bijzonder het in artikel 17, lid 1, van het Handvest gewaarborgde recht op eigendom worden geëerbiedigd, daar het de lidstaten in wezen de mogelijkheid laat om vergunningen die reeds waren verleend voor onder de categorieën A.6 tot en met A.8 vallende vuurwapens die vóór de inwerkingtreding van deze richtlijn in categorie B waren ingedeeld en vóór 13 juni 2017 rechtmatig waren verworven en geregistreerd, in stand te houden, wat betekent dat richtlijn 91/477, zoals gewijzigd bij richtlijn 2017/853, niet bepaalt dat houders van dergelijke wapens verplicht moeten worden onteigend (zie in die zin arrest van 3 december 2019, Tsjechië/Parlement en Raad, C-482/17, EU:C:2019:1035, punt 135).
- Gelet op die doelstelling om de verworven rechten op eigendom in acht te nemen, kan artikel 7, lid 4bis, ook al bevat het een uitzondering op het beginsel dat het voorhanden hebben van vuurwapens van de categorieën A.6 tot en met A.8 verboden is, niet aldus worden uitgelegd dat dergelijke wapens niet binnen de werkingssfeer ervan vallen wanneer zij ook voldoen aan de aanvullende criteria van categorie A.
- Zoals blijkt uit het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing zou die uitlegging immers vragen doen rijzen over de verenigbaarheid van artikel 7, lid 4bis, met artikel 17 van het Handvest, terwijl met de eerstgenoemde bepaling juist wordt beoogd te waarborgen dat het recht op eigendom wordt geëerbiedigd.
- In de derde plaats is de Uniewetgever met de vaststelling van richtlijn 2017/853 in de context van de gewijzigde veiligheidsrisico’s de doelstelling blijven nastreven die in de vijfde overweging van richtlijn 91/477 wordt genoemd, namelijk het wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten op het gebied van de bescherming van de veiligheid van personen versterken door categorieën vuurwapens vast te stellen waarvan de verwerving en het voorhanden hebben door particulieren hetzij verboden is, hetzij vergunningsplichtig dan wel aangifteplichtig is, welke doelstelling zelf de goede werking van de interne markt beoogt te verzekeren (arrest van 3 december 2019, Tsjechië/Parlement en Raad, C-482/17, EU:C:2019:1035, punt 54). 13
- Bovendien wordt met richtlijn 91/477 beoogd om de openbare veiligheid van de Unieburgers te verzekeren (zie in die zin arrest van 3 december 2019, Tsjechië/Parlement en Raad, C-482/17, EU:C:2019:1035, punten 49 en 126).
- Geen van deze doelstellingen verzet zich ertegen dat houders van vuurwapens die zowel onder een van de categorieën A.6 tot en met A.8 als onder categorie A.9 vallen, kunnen profiteren van de overgangsregeling van artikel 7, lid 4bis, van richtlijn 91/477, zoals gewijzigd bij richtlijn 2017/
- Met die uitlegging kan immers de doelstelling die erin bestaat om de werking van de interne markt te vergemakkelijken worden bereikt.
- Wat voorts de doelstelling betreft om de openbare veiligheid van de Unieburgers te verzekeren, vormen om te beginnen, zoals de advocaat-generaal in punt 72 van zijn conclusie van 24 november 2022 heeft opgemerkt, vuurwapens die voldoen aan de criteria van categorie A.9 een minder direct gevaar dan vuurwapens die uitsluitend onder de categorieën A.6 tot en met A.8 vallen, aangezien de laatstgenoemde wapens het rechtstreeks mogelijk maken om kogels of projectielen af te vuren, terwijl de eerstgenoemde wapens alleen maar gassen uitstoten en knallen. Bij het ene soort wapens is er dus sprake van een reëel gevaar, terwijl het andere soort pas een potentieel gevaar oplevert indien de wapens opnieuw worden omgebouwd.
- Vervolgens blijkt uit de bewoordingen van artikel 7, lid 4bis, van richtlijn 91/477, zoals gewijzigd bij richtlijn 2017/853, dat de in deze bepaling geboden mogelijkheid slechts geldt voor vuurwapens die vóór 13 juni 2017 rechtmatig zijn verworven en geregistreerd. Dit houdt met name in dat de in dit verband in richtlijn 91/477, in de versie die gold vóór de inwerkingtreding van richtlijn 2017/853, gestelde eisen, waaronder ook die inzake veiligheid, zijn nageleefd.
- Ten slotte impliceren deze bewoordingen dat er op het tijdstip waarop een lidstaat op grond van die bepaling een vergunning voor een semiautomatisch vuurwapen van de categorieën A.6 tot en met A.8 wil bevestigen, vernieuwen of verlengen, moet zijn voldaan aan de andere voorwaarden, waaronder ook aan die inzake veiligheid, die zijn vastgelegd in richtlijn 91/477, zoals gewijzigd bij richtlijn 2017/
- Zoals het Europees Parlement, de Raad en de Commissie ter terechtzitting van 8 mei 2023 hebben betoogd, blijkt dus niet dat de doelstelling om de openbare veiligheid van de Unieburgers te verzekeren in het gedrang kan komen door het feit dat houders van vuurwapens die zowel onder een van de categorieën A.6 tot en met A.8 als onder categorie A.9 vallen, op grond van artikel 7, lid 4bis, van richtlijn 91/477, zoals gewijzigd bij richtlijn 2017/853, kunnen profiteren van het behoud van vergunningen die reeds waren verleend voor onder de categorieën A.6 tot en met A.8 vallende wapens.
- In de vierde plaats heeft die uitlegging van artikel 7, lid 4bis, die - zoals blijkt uit de voorgaande overwegingen - in overeenstemming is met de bewoordingen en de context van deze bepaling en met de opzet en de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt, ook niet tot gevolg dat die bepaling of de bij richtlijn 2017/853 gedane toevoeging van categorie A.9 elk nuttig effect verliest. 14
- Zoals met name in de punten 53 en 54 van het onderhavige arrest is opgemerkt, waarborgt de gegeven uitlegging immers juist het nuttig effect van artikel 7, lid 4bis, daar er met die bepaling wordt beoogd om verworven rechten en in het bijzonder het in artikel 17, lid 1, van het Handvest gewaarborgde recht op eigendom te eerbiedigen.
- Daarnaast doet die uitlegging geenszins af aan de in punt 51 van het onderhavige arrest genoemde doel dat de Uniewetgever heeft willen bereiken door ter verduidelijking categorie A.9 toe te voegen. Verder komt uit de bewoordingen van deze categorie naar voren dat zij niet alleen ziet op onder de categorieën A.6 tot en met A.8 vallende vuurwapens die zijn omgebouwd om er losse patronen, irriterende stoffen, andere werkzame stoffen of pyrotechnische patronen mee af te vuren of tot wapens voor saluutschoten of akoestische signalen, maar ook op onder de categorieën A.2 en A.3 vallende vuurwapens die op deze manier zijn omgebouwd en waarop de bevoegdheid die aan de lidstaten is verleend bij artikel 7, lid 4bis, van richtlijn 91/477, zoals gewijzigd bij richtlijn 2017/853, als zodanig geen betrekking heeft.
- Gelet op een en ander moet artikel 7, lid 4bis, van richtlijn 91/477, zoals gewijzigd bij richtlijn 2017/853, bijgevolg aldus worden uitgelegd dat de lidstaten voor alle semiautomatische vuurwapens van de categorieën A.6 tot en met A.8, met inbegrip van die welke zowel onder deze categorieën als onder categorie A.9 vallen, gebruik mogen maken van de daarin geboden mogelijkheid.
- Hieruit volgt dat de in punt 32 van het onderhavige arrest weergegeven aanname waarop de vraag is gebaseerd, onjuist is.
- In die omstandigheden moet worden vastgesteld dat er bij het onderzoek van de prejudiciële vraag niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van artikel 7, lid 4bis, van richtlijn 91/477, zoals gewijzigd bij richtlijn 2017/853, kunnen aantasten in het licht van artikel 17, lid 1, en de artikelen 20 en 21 van het Handvest en van het vertrouwensbeginsel ». B.7.
- Uit dat arrest blijkt dat artikel 7, lid 4bis, van de richtlijn 91/477/EEG, zoals gewijzigd bij richtlijn (EU) 2017/853, aldus moet worden uitgelegd dat de lidstaten voor alle semiautomatische vuurwapens van de categorieën A6 tot en met A8, met inbegrip van die welke zowel onder die categorieën als onder categorie A9 vallen, gebruik mogen maken van de daarin geboden mogelijkheid om in een overgangsregeling te voorzien. B.7.
- Met artikel 163 van de wet van 5 mei 2019 maakt de wetgever gebruik van de mogelijkheid die artikel 7, lid 4bis, van de richtlijn 91/477/EEG biedt. Het voegt in de Wapenwet een nieuw artikel 45/2 in, dat bepaalt : « Personen die een vuurwapen bedoeld in artikel 3, § 1, 19° of 20°, rechtmatig verwierven en registreerden vóór 13 juni 2017, hetzij door een vergunning, hetzij door een registratie op grond van een jachtverlof, getuigschrift van bijzondere wachter of sportschutterslicentie, hetzij door een registratie in het register van een erkende persoon, mogen dit vuurwapen verder 15 voorhanden hebben, mits aan de overige wettelijke voorwaarden inzake het voorhanden hebben van wapens is voldaan. Zij kunnen het betreffende vuurwapen enkel overdragen aan de sportschutters bedoeld in artikel 27, § 3, vierde lid en aan daartoe erkende handelaars, verzamelaars en musea. Ze kunnen het vuurwapen tevens laten neutraliseren overeenkomstig artikel 3, § 2, 3°, of er afstand van doen ». B.7.
- Zoals de Ministerraad opmerkt in zijn aanvullende memorie en in het licht van het antwoord van het Hof van Justitie, moet artikel 45/2 van de Wapenwet, zoals ingevoerd bij artikel 163 van de wet van 5 mei 2019, zo worden uitgelegd dat het eveneens van toepassing is op de semiautomatische wapens zoals bedoeld in artikel 3, § 1, 19° of 20°, van de Wapenwet en die werden omgebouwd om blanke patronen af te vuren in de zin van artikel 3, § 4, van diezelfde wet (hierna : « de verboden semiautomatische wapens die werden omgebouwd om enkel blanke patronen af te vuren »). B.7.
- Het middel is bijgevolg niet gegrond ten aanzien van de personen die vóór 13 juni 2017 een verboden semiautomatisch vuurwapen dat werd omgebouwd zodat het enkel blanke patronen kan afvuren in de zin van artikel 3, § 4, van de Wapenwet rechtmatig hebben verworven en geregistreerd, onder voorbehoud van de in B.7.3 vermelde interpretatie. B.
- Wat betreft de personen die vóór 13 juni 2017 op rechtmatige wijze een vuurwapen dat niet valt onder artikel 3, § 1, 19° of 20°, van de Wapenwet dat werd omgebouwd om enkel blanke patronen af te vuren in de zin van artikel 3, § 4, van diezelfde wet (hierna : « een niet- semiautomatisch verboden wapen dat werd omgebouwd om enkel blanke patronen af te vuren ») hebben verworven en geregistreerd, alsook de personen die vóór die datum op rechtmatige wijze een vergunningsplichtig wapen in de zin van artikel 3, § 3, van dezelfde wet hebben verworven en geregistreerd en dat werd omgebouwd om enkel blanke patronen af te vuren in de zin van artikel 3, § 4, van dezelfde wet (hierna : « vergunningsplichtig vuurwapen dat werd omgebouwd om enkel blanke patronen af te vuren »), blijkt uit het punt 65 van het in B.6.2 vermelde arrest van het Hof van Justitie dat artikel 7, lid 4bis, van de richtlijn 91/477/EEG daarop geen betrekking heeft. Het Hof van Justitie stelt in de punten 42 en volgende van dat arrest vast dat de omgebouwde wapens ook vóór de inwerkingtreding van de richtlijn (EU) 2017/853 onder het toepassingsgebied van de richtlijn 91/477/EEG vielen. Aangezien de richtlijn (EU) 2017/853 geen wijziging doorvoert voor die omgebouwde wapens, is het duidelijk dat de Uniewetgever ten aanzien van de verboden niet-semiautomatische wapens en de vergunningsplichtige wapens die werden omgebouwd om enkel blanke patronen 16 af te vuren, niet de bedoeling had een overgangsregeling uit te sluiten. Integendeel, zoals vermeld in de punten 52 en 53 van dat arrest, was het de doelstelling van de Uniewetgever om de verworven rechten op eigendom in acht te nemen. Bijgevolg kan de richtlijn 91/477/EEG, zoals gewijzigd bij de richtlijn (EU) 2017/853, niet zo worden uitgelegd dat zij de lidstaten zou verbieden om maatregelen te nemen die erop gericht zijn die doelstelling na te streven. Het ontbreken van een overgangsregeling met betrekking tot de verboden niet-semiautomatische wapens en de vergunningsplichtige wapens die werden omgebouwd om enkel blanke patronen af te vuren, vindt bijgevolg niet zijn oorsprong in de richtlijn. B.9.
- Het voorhanden hebben van een wapen onder de vroegere wetgeving kan niet tot gevolg hebben dat een verworven recht wordt toegekend om het op onvoorwaardelijke en onbeperkte wijze voorhanden te hebben, en kan de wetgever dus niet beletten om een regeling in te voeren die het bezit ervan verbiedt of aan een vergunningsplicht onderwerpt. Wanneer hij de bestaande regeling verstrengt, dient de wetgever er evenwel over te waken dat degenen die onder de vroegere regeling op rechtmatige wijze een dergelijk wapen hebben verworven, in staat worden gesteld om zich aan de nieuwe regeling te conformeren. B.9.
- In zoverre zij vereisen dat elk misdrijf bij de wet moet worden bepaald, hebben artikel 7, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 15, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten een draagwijdte die analoog is aan die van artikel 12, tweede lid, van de Grondwet. De door die bepalingen verstrekte waarborgen vormen in die mate dan ook een onlosmakelijk geheel. B.9.
- Door aan de wetgevende macht de bevoegdheid te verlenen om te bepalen in welke gevallen strafvervolging mogelijk is, waarborgt artikel 12, tweede lid, van de Grondwet aan elke rechtsonderhorige dat geen enkele gedraging strafbaar zal worden gesteld dan krachtens regels aangenomen door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering. Het wettigheidsbeginsel in strafzaken dat uit de voormelde grondwetsbepaling voortvloeit, gaat bovendien uit van de idee dat de strafwet moet worden geformuleerd in bewoordingen op grond waarvan eenieder, op het ogenblik waarop hij een gedrag aanneemt, kan uitmaken of dat gedrag al dan niet strafbaar is. 17 B.10.
- Vóór de inwerkingtreding van de bestreden bepaling vielen de vuurwapens die zijn omgebouwd om enkel blanke patronen te kunnen afvuren, buiten het toepassingsgebied van de Wapenwet. Zij waren bijgevolg vrij verkrijgbaar. De bestreden bepaling brengt die vuurwapens wel onder het toepassingsgebied van de Wapenwet en deelt hen in als verboden wapens of als vergunningsplichtige wapens, naar gelang van de categorie waarin zij vielen toen zij nog niet waren omgebouwd. Bijgevolg, en onder voorbehoud van de interpretatie vermeld in B.7.3, zijn personen die vóór 13 juni 2017 een dergelijk vuurwapen hadden verworven en geregistreerd, sinds de inwerkingtreding van de wet van 5 mei 2019 op 3 juni 2019 plots bezitter van een verboden wapen of van een niet-vergund vergunningsplichtig wapen. B.10.
- Onder voorbehoud van de interpretatie vermeld in B.7.3, regelt de wet van 5 mei 2019 niet hoe de personen die vóór 13 juni 2017 een vuurwapen dat is omgebouwd om enkel blanke patronen te kunnen afvuren, rechtmatig hebben verworven, zich aan het nieuwe verboden of vergunningsplichtige statuut van dat wapen kunnen conformeren. Een amendement dat ertoe strekte in een dergelijke regeling te voorzien (Parl. St., Kamer, 2018-2019, DOC 54-3515/003, pp. 4-7), werd verworpen (Parl. St., Kamer, 2018-2019, DOC 54-3515/005, p. 66). B.10.
- Nochtans heeft de wetgever in het verleden wel steeds in een aanpassingsperiode voorzien ten gunste van personen die een verboden vuurwapen voorhanden hadden of die een vergunningsplichtig wapen voorhanden hadden zonder over de vereiste vergunning te beschikken. Zo bepaalt artikel 45, § 1, van de Wapenwet dat eenieder die op de datum van inwerkingtreding van die wet een verboden wapen of munitie bezat, daarvan uiterlijk op 31 oktober 2008 afstand kon doen bij de lokale politiedienst van zijn keuze zonder vervolgd te worden op basis van de Wapenwet. Personen die op de datum van inwerkingtreding van de Wapenwet houder waren van een vergunning tot het voorhanden hebben van een wapen dat krachtens die wet verboden werd, moesten dit krachtens artikel 45, § 3, van die wet uiterlijk op 31 oktober 2008 hetzij door de proefbank voor vuurwapens onomkeerbaar laten ombouwen of neutraliseren tot een niet-verboden wapen, hetzij het overdragen aan een persoon die gerechtigd 18 was het voorhanden te hebben, hetzij er afstand van doen bij de lokale politie van zijn verblijfplaats tegen een billijke vergoeding vastgesteld door de minister van Justitie. Artikel 44, § 1, van de Wapenwet bepaalt dat eenieder die op de datum van inwerkingtreding van die wet zonder titel een wapen of munitie voorhanden had waarvoor krachtens de wet van 3 januari 1933 « op de vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapens en op de handel in munitie » een vergunning tot het voorhanden hebben van een verweer- of een oorlogswapen was vereist, daarvoor uiterlijk op 31 oktober 2008 de nodige vergunning kon aanvragen zonder voor dat misdrijf te kunnen worden vervolgd. Krachtens artikel 44, § 2, van de Wapenwet kon eenieder die op de datum van inwerkingtreding van die wet een vuurwapen voorhanden had dat krachtens die wet vergunningsplichtig was geworden, daarvan uiterlijk op 31 oktober 2008 aangifte doen bij de gouverneur. Een vergunning zou hem worden uitgereikt mits hij meerderjarig was, hij geen veroordelingen had opgelopen en er geen redenen van openbare orde bestonden die zouden leiden tot de intrekking van de vergunning. In beide gevallen gold de aanvraag voor een vergunning als voorlopige vergunning. De artikelen 11/1 en 11/2 van de Wapenwet, ingevoegd bij de wet van 25 juli 2008 « tot wijziging van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens », bepalen dat een « vergunning tot het voorhanden hebben » zou worden afgegeven aan de personen die wensten een wapen in hun vermogen te behouden, waarvoor een vergunning was afgegeven of waarvoor geen vergunning vereist was vóór de inwerkingtreding van de Wapenwet. Die vergunning is slechts geldig voor het eenvoudig voorhanden hebben van het wapen, met uitsluiting van munitie. De aanvraag om een dergelijke vergunning te verkrijgen, moest worden ingediend binnen twee maanden na de inwerkingtreding van de artikelen 11/1 en 11/2 van de Wapenwet. Tot slot bepaalt artikel 45/1, § 1, van de Wapenwet, ingevoegd bij de wet van 7 januari 2018 « tot wijziging van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens en van het Burgerlijk Wetboek », dat eenieder die zonder de vereiste vergunning of erkenning een vergunningsplichtig wapen, een lader of munitie voorhanden had, daarvan uiterlijk op 31 december 2018 aangifte diende te doen bij de lokale politie, met het oog op de erkenning, de vergunning, de registratie, de neutralisering op eigen kosten, de overdracht of de afstand ervan. In afwachting van de beslissing van de gouverneur gold de aanvraag van een erkenning of vergunning krachtens artikel 45/1, § 2, van de 19 Wapenwet als voorlopige erkenning of vergunning. Wie gebruik maakte van die amnestieregeling, kon krachtens artikel 45/1, § 4, van de Wapenwet niet worden vervolgd wegens het gebrek aan de desbetreffende vergunning, voor zover dat feit op het moment van de aangifte geen aanleiding had gegeven tot een specifiek proces-verbaal of een specifieke onderzoeksdaad door een politiedienst of een gerechtelijke overheid. De voormelde regelingen waren slechts gedurende een beperkte periode van toepassing en kunnen bijgevolg niet worden toegepast op de vuurwapens die als gevolg van de bestreden bepaling verboden of vergunningsplichtig zijn geworden. B.10.
- Voor de verboden niet-semiautomatische vuurwapens die werden omgebouwd om enkel blanke patronen te kunnen afvuren, betekent dit dat die personen plots een vuurwapen bezitten dat zij krachtens artikel 8, eerste lid, van de Wapenwet niet mogen vervaardigen, herstellen, te koop stellen, verkopen, overdragen of vervoeren, opslaan, voorhanden hebben of dragen. Zij mogen het betrokken vuurwapen met andere woorden bijhouden noch vervreemden. Personen die niet over de juiste vergunning beschikken voor een vergunningsplichtig vuurwapen dat werd omgebouwd om enkel blanke patronen af te vuren, bezitten sinds de inwerkingtreding van de wet van 5 mei 2019 op 3 juni 2019 plots een vuurwapen dat zij krachtens artikel 11, § 1, van de Wapenwet niet voorhanden mogen hebben. Aangezien die bepaling vereist dat de wapenvergunning « voorafgaand » aan het verwerven van het wapen wordt verkregen, beschikken de betrokken personen bovendien niet over enige mogelijkheid om hun toestand te regulariseren. Nochtans bepaalt artikel 23, eerste lid, van de Wapenwet dat « zij die de bepalingen van deze wet of van haar uitvoeringsbesluiten (evenals de in artikel 47 bedoelde wet) overtreden, worden gestraft met gevangenisstraf van één maand tot vijf jaar en met een geldboete van 100 euro tot 25 000 euro, of met een van deze straffen alleen ». Dat de betrokkenen voor de strafrechter zouden kunnen aanvoeren dat het moreel element van het misdrijf ontbreekt, neemt niet weg dat de bestreden bepaling hen in een toestand plaatst waarin zij het plegen van het materieel element van het misdrijf niet kunnen vermijden. 20 B.10.
- De bestreden bepaling schendt bijgevolg artikel 12, tweede lid, van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 7, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 15, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, in zoverre zij niet in een overgangsregeling voorziet ten gunste van personen die vóór 13 juni 2017 een verboden niet-semiautomatisch vuurwapen, of een vergunningsplichtig vuurwapen dat werd omgebouwd om enkel blanke patronen te kunnen afvuren in de zin van artikel 3, § 4, van de Wapenwet, rechtmatig hebben verworven en geregistreerd. Het komt evenwel uitsluitend aan de wetgever toe een einde te maken aan de vastgestelde lacune en de wijze te bepalen waarop een dergelijke overgangsregeling moet worden georganiseerd. 21 Om die redenen, het Hof - vernietigt artikel 153, 5°, van de wet van 5 mei 2019 « houdende diverse bepalingen in strafzaken en inzake erediensten, en tot wijziging van de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie en van het Sociaal Strafwetboek », in zoverre het niet voorziet in een overgangsregeling voor de personen die vóór 13 juni 2017 een verboden niet-semiautomatisch vuurwapen of een vergunningsplichtig vuurwapen, dat werd omgebouwd om enkel blanke patronen te kunnen afvuren in de zin van artikel 3, § 4, van de wet van 8 juni 2006 « houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens » rechtmatig hebben verworven en geregistreerd; - onder voorbehoud van de in B.7.3 vermelde interpretatie van artikel 163 van dezelfde wet van 5 mei 2019, verwerpt het beroep voor het overige. Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 4 juli
- De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.075 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.050 ECLI:EU:C:2024:200 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div