, of in artikel 7.1.2, §
, niet geactualiseerd wanneer in de methodiek voor een projectcategorie brandstofkosten, vermeld in het eerste lid, 3°, van toepassing kunnen zijn. De onrendabele top voor de productie van groene stroom in een installatie met een startdatum voor 1 januari 2013, vermeld in artikel 7.1.1, § 1, wordt niet geactualiseerd. Voor alle andere lopende projecten en nieuwe projecten met een startdatum vanaf 1 augustus tot en met 31 december van het lopende kalenderjaar voor de productie van groene stroom of voor warmte-krachtkoppeling wordt de onrendabele top enkel geactualiseerd afhankelijk van de elektriciteitsprijs ». Die bepaling werd bij de invoeging ervan bij het decreet van 13 juli 2012 als volgt verantwoord : « Ook voor lopende projecten waarvoor een bandingfactor moet worden berekend, zal de steun jaarlijks bijgestuurd worden afhankelijk van een gewijzigde elektriciteitsprijs indien er een wijziging van de bandingfactor is met meer dan 2 % ten opzichte van de geldende bandingfactor. De elektriciteitsprijs is immers een belangrijke factor in het bepalen van de onrendabele top waarvoor goede indicatoren bestaan. Voor andere factoren die kunnen wijzigen tijdens de exploitatieperiode, is het vaak moeilijker prijsevoluties vast te leggen. Voor biomassaprijzen zijn bijvoorbeeld veel minder algemeen geldende indicatoren bekend, zeker rekening houdend met de brede range verschillende biomassastromen en biomassakarakteristieken die op de markt zijn. In dit geval wordt er rekening mee gehouden dat biomassa ook een substituut is voor fossiele brandstoffen en dus globaal genomen dezelfde tendens volgt, die ook gekoppeld is aan de elektriciteitsprijzen. Daarbij wordt geraamd dat duurdere fossiele brandstoffen leiden tot hogere elektriciteitsprijzen (meer inkomsten voor groenestroomproducenten) en gepaard gaan met hogere biomassaprijzen (meer uitgaven voor groenestroomproducenten), waardoor de totale impact op de onrendabele toppen en bandingfactoren beperkt blijft, en een actualisatieoefening zou leiden tot hogere administratieve kosten in verhouding tot de efficiëntiewinsten. Ook voor WKK-installaties worden stijgende brandstofprijzen (hogere kosten voor WKK-exploitant) voor een belangrijk deel gecompenseerd door hogere elektriciteitsprijzen die daarmee gepaard gaan (hogere inkomsten). Voor lopende biomassaprojecten en WKK-projecten wordt daarom de onrendabele top niet geactualiseerd » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2011-2012, nr. 1639/1, pp. 8-9). Krachtens artikel 7.1.4/1, § 4, vierde lid, van het Energiedecreet, zoals ingevoegd bij het decreet van 16 november 2018 « houdende diverse bepalingen inzake energie », wordt de onrendabele top tijdens de afschrijvingsperiode bovendien geactualiseerd op basis van de tarieven van de vennootschapsbelasting, en dit voor alle lopende projecten en nieuwe projecten met een startdatum vanaf 1 augustus tot en met 31 december van het lopende kalenderjaar voor de productie van groene stroom of voor warmtekrachtkoppeling. 25 B.4.2. Het bestreden artikel 26 van het decreet van 23 december 2022 wijzigt de regeling inzake de actualisatie van de onrendabele top, zoals neergelegd in het voormelde artikel 7.1.4/1, § 4, derde lid, van het Energiedecreet. Meer in het bijzonder wordt de eerste zin van die bepaling, die voorziet in de niet- actualisatie van de onrendabele top voor installaties met brandstofkosten, opgeheven. Ingevolge die wijziging kan het VEKA voor alle lopende projecten met een startdatum vanaf 1 januari 2013 en voor alle nieuwe projecten met een startdatum vanaf 1 augustus tot en met 31 december van het lopende kalenderjaar voor de productie van groene stroom of voor warmtekrachtkoppeling de onrendabele top actualiseren, ongeacht of voor die installaties al dan niet brandstofkosten van toepassing kunnen zijn. Daarenboven wordt bepaald dat de onrendabele top niet langer « enkel [wordt] geactualiseerd afhankelijk van de elektriciteitsprijs », doch wel « enkel [wordt] geactualiseerd afhankelijk van de opbrengst aan elektriciteit en overige kosten en/of opbrengsten van ingaande en uitgaande energetische stromen van het project, en indien van toepassing de berekende bandingfactor voor ofwel groenestroomcertificaten ofwel warmte-krachtcertificaten ». Daarenboven wordt de Vlaamse Regering gemachtigd om « bijkomende ingaande en uitgaande stromen [vast te leggen] die beschouwd moeten worden in de berekening van de actualisatie van de onrendabele top ». Na de inwerkingtreding van artikel 26 van het decreet van 23 december 2022 zal artikel 7.1.4/1, § 4, derde lid, van het Energiedecreet bepalen : « De onrendabele top voor de productie van groene stroom in een installatie met een startdatum voor 1 januari 2013, vermeld in artikel 7.1.1, § 1, wordt niet geactualiseerd. Voor alle andere lopende projecten en nieuwe projecten met een startdatum vanaf 1 augustus tot en met 31 december van het lopende kalenderjaar voor de productie van groene stroom of voor warmte-krachtkoppeling wordt de onrendabele top enkel geactualiseerd afhankelijk van de opbrengst aan elektriciteit en overige kosten en/of opbrengsten van ingaande en uitgaande energetische stromen van het project, en indien van toepassing de berekende bandingfactor voor ofwel groenestroomcertificaten ofwel warmte-krachtcertificaten. De Vlaamse Regering kan bijkomende ingaande en uitgaande stromen vastleggen die beschouwd moeten worden in de berekening van de actualisatie van de onrendabele top ». In de parlementaire voorbereiding worden die wijzigingen als volgt verantwoord : 26 « Voor de projecten met startdatum vanaf 1 januari 2013 wordt conform artikel 7.1.4/1, § 4, van het Energiedecreet bij de lopende projecten en nieuwe projecten met een startdatum vanaf 1 augustus tot en met 31 december van het lopende kalenderjaar voor de productie van groene stroom of voor warmte-krachtkoppeling de onrendabele top geactualiseerd afhankelijk van de elektriciteitsprijs. Voor lopende projecten en nieuwe projecten met een startdatum vanaf 1 augustus tot en met 31 december van het lopende kalenderjaar voor de productie van groene stroom of voor warmte-krachtkoppeling wordt de onrendabele top tijdens de afschrijvingsperiode bedoeld in artikel 7.1.1, §
, of in artikel 7.1.2, §
, van het Energiedecreet echter niet geactualiseerd wanneer in de door de Vlaamse Regering vastgestelde methodiek voor een projectcategorie brandstofkosten van toepassing kunnen zijn. Gelet op de snel stijgende elektriciteitsprijzen (meerinkomst voor het project) en de evolutie van de brandstofprijzen (potentiële bijkomende kost voor het project) is het gerechtvaardigd om de voormelde uitzondering voor projecten met brandstofkosten op te heffen. Op die manier wordt vermeden dat door de evoluties in de elektriciteitsprijzen of brandstofkosten een oversubsidiëring of ondersubsidiëring optreedt. Daardoor wordt tegelijk de kostenefficiëntie verbeterd en worden de risico’s voor de investeerders verlaagd. Voorgesteld wordt om daarbij niet enkel afhankelijk van de elektriciteitsprijs te actualiseren, maar op basis van de opbrengst aan elektriciteit en overige kosten en/of opbrengsten van ingaande en uitgaande energetische stromen van het project. De Vlaamse Regering kan ook bijkomende ingaande en uitgaande stromen vastleggen die beschouwd moeten worden in de berekening van de actualisatie van de onrendabele top » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2022- 2023, nr. 1467/1, p. 33). In de parlementaire voorbereiding wordt bovendien vermeld dat de bestreden bepaling « dienstige maatregelen betreft voor de nieuwe richtsnoeren staatssteun ten behoeve van klimaat, milieubescherming en energie 2022 (Climate, Energy and Environmental Aid Guidelines, CEEAG). Overeenkomstig randnummer 468, a), van de nieuwe richtsnoeren moeten bestaande steunregelingen tegen uiterlijk 31 december 2023 worden gewijzigd om ze in overeenstemming te brengen met deze richtsnoeren. Met de ontworpen bepalingen wordt er gealigneerd op de CEEAG » (ibid., p. 22). B.4.3. Het bestreden artikel 61, derde lid, van het decreet van 23 december 2022 bepaalt dat het bestreden artikel 26 van hetzelfde decreet in werking treedt op een door de Vlaamse Regering te bepalen datum. 27 Ten aanzien van de ontvankelijkheid B.5.1. De Vlaamse Regering voert aan dat de verzoekende partijen in de zaken nrs. 8039, 8046, 8047, 8048 en 8049 niet beschikken over het rechtens vereiste belang bij de vernietiging van het bestreden artikel 26 van het decreet van 23 december 2022. Hun belang zou louter hypothetisch zijn, in zoverre de bestreden bepaling slechts een algemeen kader creëert waarbinnen het voortaan voor het VEKA mogelijk wordt om de onrendabele top van zowel nieuwe als lopende projecten van milieuvriendelijke energieproductie te actualiseren volgens parameters die de Vlaamse Regering moet bepalen. Enkel uit het besluit dat de Vlaamse Regering op grond van de bestreden bepaling zal nemen, zou in voorkomend geval kunnen blijken of de verzoekende partijen ongunstig kunnen worden geraakt. Bovendien zou het belang van de verzoekende partijen onrechtmatig zijn, in zoverre hun vorderingen ertoe zouden strekken aanspraak te kunnen maken op overcompensatie. B.5.2. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. B.5.3. Met uitzondering van de vzw « Organisatie voor Duurzame Energie Vlaanderen » en de vzw « Boerenbond » zijn de verzoekende partijen in de samengevoegde zaken nrs. 8039, 8046, 8048 en 8049 allen eigenaar of uitbater van een installatie voor de productie van groene stroom of voor warmtekrachtkoppeling met brandstofkosten, die groenestroom- of warmtekrachtcertificaten ontvangen dan wel een aanvraag daartoe zullen indienen. Die verzoekende partijen kunnen rechtstreeks en ongunstig worden geraakt door het bestreden artikel 26 van het decreet van 23 december 2022, dat de uitzondering op de actualisatie van de onrendabele top voor installaties met brandstofkosten opheft, waardoor de toegekende steun tijdens de steunperiode gewijzigd kan worden, en dat bepaalt welke parameters in aanmerking kunnen worden genomen bij die actualisatie. Het feit dat de bestreden bepaling nog moet worden uitgevoerd en slechts uit het besluit van de Vlaamse Regering zou blijken in welke mate de verzoekende partijen worden benadeeld door de bestreden bepaling, ontneemt de verzoekende partijen niet het belang om de vernietiging van artikel 26 van het decreet van 23 december 2022 te vorderen. Evenmin is hun belang onrechtmatig om reden dat 28 zij met hun vorderingen het behoud van de huidige steunregeling beogen, ook al geeft die huidige regeling mogelijk aanleiding tot overcompensatie. B.5.4. Daar alle verzoekschriften in de zaken nrs. 8039, 8046, 8048 en 8049 mede werden ingediend door een eigenaar of uitbater van een productie-installatie voor de productie van groene stroom of voor warmtekrachtkoppeling met brandstofkosten, doet in elk van die zaken minstens één verzoekende partij blijken van een afdoende belang bij de vernietiging van de bestreden bepaling en dient het belang van de vzw « Organisatie voor Duurzame Energie Vlaanderen » en de vzw « Boerenbond » niet te worden onderzocht. Het is evenmin nodig om het belang van de verzoekende partij in de zaak nr. 8047, zijnde de vzw « Denuo », te onderzoeken, daar het beroep in die zaak betrekking heeft op dezelfde bepaling en steunt op middelen die soortgelijk zijn aan de middelen die zijn aangevoerd in de andere zaken. B.5.5. De exceptie wordt verworpen. B.6.1. De Vlaamse Regering betwist voorts het belang van de verzoekende partij in de zaak nr. 8039 bij de vernietiging van het eerste, tweede en vierde lid van artikel 61 van het decreet van 23 december 2022, aangezien die bepalingen geen betrekking hebben op de actualisatie van de onrendabele top. B.6.2. De verzoekende partij in de zaak nr. 8039 vordert de vernietiging van artikel 61 van het decreet van 23 december 2022, in zoverre die bepaling de inwerkingtreding van artikel 26 van hetzelfde decreet regelt. Aldus heeft het beroep uitsluitend betrekking op artikel 61, derde lid, van het decreet van 23 december 2022, in zoverre die bepaling de inwerkingtreding van artikel 26 van hetzelfde decreet regelt. 29 Ten gronde Wat de bevoegdheidverdelende regels betreft B.7. Het tweede middel in de zaak nr. 8049 is afgeleid uit de schending, door artikel 26 van het decreet van 23 december 2022, van de artikelen 143 en 170, § 1, van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, § 1, VII, eerste en tweede lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (hierna : de bijzondere wet van 8 augustus 1980) en het grondwettelijk evenredigheidsbeginsel. De bestreden bepaling zou de lopende warmtekrachtkoppelingsprojecten een betrouwbare financieringsbron ontnemen en de rendabiliteit van die projecten in gevaar brengen, hetgeen grote risico’s zou inhouden voor de energiebevoorradingszekerheid. De bestreden bepaling zou aldus afbreuk doen aan de exclusieve bevoegdheid van de federale overheid inzake de energiebevoorrading en in ieder geval het de federale overheid onmogelijk en minstens overdreven moeilijk maken om haar beleid naar behoren te voeren, en aldus afbreuk doen aan het evenredigheidsbeginsel dat inherent is aan elke bevoegdheidsuitoefening. B.8.1. Volgens de Vlaamse Regering is het tweede middel in de zaak nr. 8049 niet ontvankelijk, in zoverre het een schending aanvoert van artikel 170, § 1, van de Grondwet, aangezien de verzoekende partij dienaangaande geen enkel argument aanbrengt. B.8.2. Krachtens artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 dient het verzoekschrift een uiteenzetting van de feiten en de middelen te bevatten. Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, moeten de middelen van het verzoekschrift te kennen geven welke van de regels waarvan het Hof de naleving waarborgt, zouden zijn geschonden, alsook welke de bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn geschonden. B.8.3. Bij gebrek aan uiteenzetting is het tweede middel in de zaak nr. 8049, wat de beweerde schending van artikel 170, § 1, van de Grondwet betreft, onontvankelijk. 30 B.9.1. Krachtens artikel 6, § 1, VII, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, zijn de gewesten bevoegd voor de gewestelijke aspecten van de energie, en in ieder geval : «
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.