← België

ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.076

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 04 juli 2024 ECLI nr: E

§ 3

, of in artikel 7.1.2, §

§ 3

, niet geactualiseerd wanneer in de methodiek voor een projectcategorie brandstofkosten, vermeld in het eerste lid, 3°, van toepassing kunnen zijn. De onrendabele top voor de productie van groene stroom in een installatie met een startdatum voor 1 januari 2013, vermeld in artikel 7.1.1, § 1, wordt niet geactualiseerd. Voor alle andere lopende projecten en nieuwe projecten met een startdatum vanaf 1 augustus tot en met 31 december van het lopende kalenderjaar voor de productie van groene stroom of voor warmte-krachtkoppeling wordt de onrendabele top enkel geactualiseerd afhankelijk van de elektriciteitsprijs ». Die bepaling werd bij de invoeging ervan bij het decreet van 13 juli 2012 als volgt verantwoord : « Ook voor lopende projecten waarvoor een bandingfactor moet worden berekend, zal de steun jaarlijks bijgestuurd worden afhankelijk van een gewijzigde elektriciteitsprijs indien er een wijziging van de bandingfactor is met meer dan 2 % ten opzichte van de geldende bandingfactor. De elektriciteitsprijs is immers een belangrijke factor in het bepalen van de onrendabele top waarvoor goede indicatoren bestaan. Voor andere factoren die kunnen wijzigen tijdens de exploitatieperiode, is het vaak moeilijker prijsevoluties vast te leggen. Voor biomassaprijzen zijn bijvoorbeeld veel minder algemeen geldende indicatoren bekend, zeker rekening houdend met de brede range verschillende biomassastromen en biomassakarakteristieken die op de markt zijn. In dit geval wordt er rekening mee gehouden dat biomassa ook een substituut is voor fossiele brandstoffen en dus globaal genomen dezelfde tendens volgt, die ook gekoppeld is aan de elektriciteitsprijzen. Daarbij wordt geraamd dat duurdere fossiele brandstoffen leiden tot hogere elektriciteitsprijzen (meer inkomsten voor groenestroomproducenten) en gepaard gaan met hogere biomassaprijzen (meer uitgaven voor groenestroomproducenten), waardoor de totale impact op de onrendabele toppen en bandingfactoren beperkt blijft, en een actualisatieoefening zou leiden tot hogere administratieve kosten in verhouding tot de efficiëntiewinsten. Ook voor WKK-installaties worden stijgende brandstofprijzen (hogere kosten voor WKK-exploitant) voor een belangrijk deel gecompenseerd door hogere elektriciteitsprijzen die daarmee gepaard gaan (hogere inkomsten). Voor lopende biomassaprojecten en WKK-projecten wordt daarom de onrendabele top niet geactualiseerd » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2011-2012, nr. 1639/1, pp. 8-9). Krachtens artikel 7.1.4/1, § 4, vierde lid, van het Energiedecreet, zoals ingevoegd bij het decreet van 16 november 2018 « houdende diverse bepalingen inzake energie », wordt de onrendabele top tijdens de afschrijvingsperiode bovendien geactualiseerd op basis van de tarieven van de vennootschapsbelasting, en dit voor alle lopende projecten en nieuwe projecten met een startdatum vanaf 1 augustus tot en met 31 december van het lopende kalenderjaar voor de productie van groene stroom of voor warmtekrachtkoppeling. 25 B.4.2. Het bestreden artikel 26 van het decreet van 23 december 2022 wijzigt de regeling inzake de actualisatie van de onrendabele top, zoals neergelegd in het voormelde artikel 7.1.4/1, § 4, derde lid, van het Energiedecreet. Meer in het bijzonder wordt de eerste zin van die bepaling, die voorziet in de niet- actualisatie van de onrendabele top voor installaties met brandstofkosten, opgeheven. Ingevolge die wijziging kan het VEKA voor alle lopende projecten met een startdatum vanaf 1 januari 2013 en voor alle nieuwe projecten met een startdatum vanaf 1 augustus tot en met 31 december van het lopende kalenderjaar voor de productie van groene stroom of voor warmtekrachtkoppeling de onrendabele top actualiseren, ongeacht of voor die installaties al dan niet brandstofkosten van toepassing kunnen zijn. Daarenboven wordt bepaald dat de onrendabele top niet langer « enkel [wordt] geactualiseerd afhankelijk van de elektriciteitsprijs », doch wel « enkel [wordt] geactualiseerd afhankelijk van de opbrengst aan elektriciteit en overige kosten en/of opbrengsten van ingaande en uitgaande energetische stromen van het project, en indien van toepassing de berekende bandingfactor voor ofwel groenestroomcertificaten ofwel warmte-krachtcertificaten ». Daarenboven wordt de Vlaamse Regering gemachtigd om « bijkomende ingaande en uitgaande stromen [vast te leggen] die beschouwd moeten worden in de berekening van de actualisatie van de onrendabele top ». Na de inwerkingtreding van artikel 26 van het decreet van 23 december 2022 zal artikel 7.1.4/1, § 4, derde lid, van het Energiedecreet bepalen : « De onrendabele top voor de productie van groene stroom in een installatie met een startdatum voor 1 januari 2013, vermeld in artikel 7.1.1, § 1, wordt niet geactualiseerd. Voor alle andere lopende projecten en nieuwe projecten met een startdatum vanaf 1 augustus tot en met 31 december van het lopende kalenderjaar voor de productie van groene stroom of voor warmte-krachtkoppeling wordt de onrendabele top enkel geactualiseerd afhankelijk van de opbrengst aan elektriciteit en overige kosten en/of opbrengsten van ingaande en uitgaande energetische stromen van het project, en indien van toepassing de berekende bandingfactor voor ofwel groenestroomcertificaten ofwel warmte-krachtcertificaten. De Vlaamse Regering kan bijkomende ingaande en uitgaande stromen vastleggen die beschouwd moeten worden in de berekening van de actualisatie van de onrendabele top ». In de parlementaire voorbereiding worden die wijzigingen als volgt verantwoord : 26 « Voor de projecten met startdatum vanaf 1 januari 2013 wordt conform artikel 7.1.4/1, § 4, van het Energiedecreet bij de lopende projecten en nieuwe projecten met een startdatum vanaf 1 augustus tot en met 31 december van het lopende kalenderjaar voor de productie van groene stroom of voor warmte-krachtkoppeling de onrendabele top geactualiseerd afhankelijk van de elektriciteitsprijs. Voor lopende projecten en nieuwe projecten met een startdatum vanaf 1 augustus tot en met 31 december van het lopende kalenderjaar voor de productie van groene stroom of voor warmte-krachtkoppeling wordt de onrendabele top tijdens de afschrijvingsperiode bedoeld in artikel 7.1.1, §

§ 3

, of in artikel 7.1.2, §

§ 3

, van het Energiedecreet echter niet geactualiseerd wanneer in de door de Vlaamse Regering vastgestelde methodiek voor een projectcategorie brandstofkosten van toepassing kunnen zijn. Gelet op de snel stijgende elektriciteitsprijzen (meerinkomst voor het project) en de evolutie van de brandstofprijzen (potentiële bijkomende kost voor het project) is het gerechtvaardigd om de voormelde uitzondering voor projecten met brandstofkosten op te heffen. Op die manier wordt vermeden dat door de evoluties in de elektriciteitsprijzen of brandstofkosten een oversubsidiëring of ondersubsidiëring optreedt. Daardoor wordt tegelijk de kostenefficiëntie verbeterd en worden de risico’s voor de investeerders verlaagd. Voorgesteld wordt om daarbij niet enkel afhankelijk van de elektriciteitsprijs te actualiseren, maar op basis van de opbrengst aan elektriciteit en overige kosten en/of opbrengsten van ingaande en uitgaande energetische stromen van het project. De Vlaamse Regering kan ook bijkomende ingaande en uitgaande stromen vastleggen die beschouwd moeten worden in de berekening van de actualisatie van de onrendabele top » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2022- 2023, nr. 1467/1, p. 33). In de parlementaire voorbereiding wordt bovendien vermeld dat de bestreden bepaling « dienstige maatregelen betreft voor de nieuwe richtsnoeren staatssteun ten behoeve van klimaat, milieubescherming en energie 2022 (Climate, Energy and Environmental Aid Guidelines, CEEAG). Overeenkomstig randnummer 468, a), van de nieuwe richtsnoeren moeten bestaande steunregelingen tegen uiterlijk 31 december 2023 worden gewijzigd om ze in overeenstemming te brengen met deze richtsnoeren. Met de ontworpen bepalingen wordt er gealigneerd op de CEEAG » (ibid., p. 22). B.4.3. Het bestreden artikel 61, derde lid, van het decreet van 23 december 2022 bepaalt dat het bestreden artikel 26 van hetzelfde decreet in werking treedt op een door de Vlaamse Regering te bepalen datum. 27 Ten aanzien van de ontvankelijkheid B.5.1. De Vlaamse Regering voert aan dat de verzoekende partijen in de zaken nrs. 8039, 8046, 8047, 8048 en 8049 niet beschikken over het rechtens vereiste belang bij de vernietiging van het bestreden artikel 26 van het decreet van 23 december 2022. Hun belang zou louter hypothetisch zijn, in zoverre de bestreden bepaling slechts een algemeen kader creëert waarbinnen het voortaan voor het VEKA mogelijk wordt om de onrendabele top van zowel nieuwe als lopende projecten van milieuvriendelijke energieproductie te actualiseren volgens parameters die de Vlaamse Regering moet bepalen. Enkel uit het besluit dat de Vlaamse Regering op grond van de bestreden bepaling zal nemen, zou in voorkomend geval kunnen blijken of de verzoekende partijen ongunstig kunnen worden geraakt. Bovendien zou het belang van de verzoekende partijen onrechtmatig zijn, in zoverre hun vorderingen ertoe zouden strekken aanspraak te kunnen maken op overcompensatie. B.5.2. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. B.5.3. Met uitzondering van de vzw « Organisatie voor Duurzame Energie Vlaanderen » en de vzw « Boerenbond » zijn de verzoekende partijen in de samengevoegde zaken nrs. 8039, 8046, 8048 en 8049 allen eigenaar of uitbater van een installatie voor de productie van groene stroom of voor warmtekrachtkoppeling met brandstofkosten, die groenestroom- of warmtekrachtcertificaten ontvangen dan wel een aanvraag daartoe zullen indienen. Die verzoekende partijen kunnen rechtstreeks en ongunstig worden geraakt door het bestreden artikel 26 van het decreet van 23 december 2022, dat de uitzondering op de actualisatie van de onrendabele top voor installaties met brandstofkosten opheft, waardoor de toegekende steun tijdens de steunperiode gewijzigd kan worden, en dat bepaalt welke parameters in aanmerking kunnen worden genomen bij die actualisatie. Het feit dat de bestreden bepaling nog moet worden uitgevoerd en slechts uit het besluit van de Vlaamse Regering zou blijken in welke mate de verzoekende partijen worden benadeeld door de bestreden bepaling, ontneemt de verzoekende partijen niet het belang om de vernietiging van artikel 26 van het decreet van 23 december 2022 te vorderen. Evenmin is hun belang onrechtmatig om reden dat 28 zij met hun vorderingen het behoud van de huidige steunregeling beogen, ook al geeft die huidige regeling mogelijk aanleiding tot overcompensatie. B.5.4. Daar alle verzoekschriften in de zaken nrs. 8039, 8046, 8048 en 8049 mede werden ingediend door een eigenaar of uitbater van een productie-installatie voor de productie van groene stroom of voor warmtekrachtkoppeling met brandstofkosten, doet in elk van die zaken minstens één verzoekende partij blijken van een afdoende belang bij de vernietiging van de bestreden bepaling en dient het belang van de vzw « Organisatie voor Duurzame Energie Vlaanderen » en de vzw « Boerenbond » niet te worden onderzocht. Het is evenmin nodig om het belang van de verzoekende partij in de zaak nr. 8047, zijnde de vzw « Denuo », te onderzoeken, daar het beroep in die zaak betrekking heeft op dezelfde bepaling en steunt op middelen die soortgelijk zijn aan de middelen die zijn aangevoerd in de andere zaken. B.5.5. De exceptie wordt verworpen. B.6.1. De Vlaamse Regering betwist voorts het belang van de verzoekende partij in de zaak nr. 8039 bij de vernietiging van het eerste, tweede en vierde lid van artikel 61 van het decreet van 23 december 2022, aangezien die bepalingen geen betrekking hebben op de actualisatie van de onrendabele top. B.6.2. De verzoekende partij in de zaak nr. 8039 vordert de vernietiging van artikel 61 van het decreet van 23 december 2022, in zoverre die bepaling de inwerkingtreding van artikel 26 van hetzelfde decreet regelt. Aldus heeft het beroep uitsluitend betrekking op artikel 61, derde lid, van het decreet van 23 december 2022, in zoverre die bepaling de inwerkingtreding van artikel 26 van hetzelfde decreet regelt. 29 Ten gronde Wat de bevoegdheidverdelende regels betreft B.7. Het tweede middel in de zaak nr. 8049 is afgeleid uit de schending, door artikel 26 van het decreet van 23 december 2022, van de artikelen 143 en 170, § 1, van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, § 1, VII, eerste en tweede lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (hierna : de bijzondere wet van 8 augustus 1980) en het grondwettelijk evenredigheidsbeginsel. De bestreden bepaling zou de lopende warmtekrachtkoppelingsprojecten een betrouwbare financieringsbron ontnemen en de rendabiliteit van die projecten in gevaar brengen, hetgeen grote risico’s zou inhouden voor de energiebevoorradingszekerheid. De bestreden bepaling zou aldus afbreuk doen aan de exclusieve bevoegdheid van de federale overheid inzake de energiebevoorrading en in ieder geval het de federale overheid onmogelijk en minstens overdreven moeilijk maken om haar beleid naar behoren te voeren, en aldus afbreuk doen aan het evenredigheidsbeginsel dat inherent is aan elke bevoegdheidsuitoefening. B.8.1. Volgens de Vlaamse Regering is het tweede middel in de zaak nr. 8049 niet ontvankelijk, in zoverre het een schending aanvoert van artikel 170, § 1, van de Grondwet, aangezien de verzoekende partij dienaangaande geen enkel argument aanbrengt. B.8.2. Krachtens artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 dient het verzoekschrift een uiteenzetting van de feiten en de middelen te bevatten. Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, moeten de middelen van het verzoekschrift te kennen geven welke van de regels waarvan het Hof de naleving waarborgt, zouden zijn geschonden, alsook welke de bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn geschonden. B.8.3. Bij gebrek aan uiteenzetting is het tweede middel in de zaak nr. 8049, wat de beweerde schending van artikel 170, § 1, van de Grondwet betreft, onontvankelijk. 30 B.9.1. Krachtens artikel 6, § 1, VII, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, zijn de gewesten bevoegd voor de gewestelijke aspecten van de energie, en in ieder geval : «

  1. f)De nieuwe energiebronnen met uitzondering van deze die verband houden met de kernenergie; [...]
  2. h)Het rationeel energieverbruik ». Die bepaling behoudt evenwel aan de federale overheid de bevoegdheden voor met betrekking tot : « de aangelegenheden die wegens hun technische en economische ondeelbaarheid een gelijke behandeling op nationaal vlak behoeven, te weten :
  3. a)de studies over de perspectieven van energiebevoorrading; [...]
  4. c)De grote infrastructuren voor de stockering; het vervoer en de produktie van energie; [...] ». B.9.2. Voor zover zij er niet anders over hebben beschikt moeten de Grondwetgever en de bijzondere wetgever worden geacht aan de gewesten de volledige bevoegdheid te hebben toegekend tot het uitvaardigen van de regels die eigen zijn aan de hun toegewezen aangelegenheden, en zulks onverminderd de mogelijkheid om desnoods een beroep te doen op artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. Dat is het geval voor de bevoegdheid van de gewesten inzake de gewestelijke aspecten van de energie. B.9.3. Wat betreft de samenhang tussen de aan de gewesten toegekende bevoegdheden en die welke aan de federale overheid zijn voorbehouden, wordt in de parlementaire voorbereiding van de bijzondere wet van 8 augustus 1988 tot wijziging van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen uiteengezet : « Wat het energiebeleid betreft zijn de Gewesten bevoegd voor de ‘ gewestelijke aspecten van het energiebeleid ’ en in ieder geval voor de opgesomde aangelegenheden van het eerste lid van artikel 6, § 1, VII, behalve voor de aangelegenheden waarvan de technische en economische ondeelbaarheid een gelijke behandeling op nationaal vlak behoeven en die 31 limitatief en volledig worden opgesomd na de woorden : ‘ te weten ’. De nationale overheid is bevoegd voor de voormelde uitzonderingen evenals voor de niet-gewestelijke aspecten van het energiebeleid » (Parl. St., Senaat, B.Z., 1988, nr. 405/2, p. 111). B.9.4. Aldus heeft de bijzondere wetgever het energiebeleid opgevat als een gedeelde exclusieve bevoegdheid, waarbij de gewesten onder meer bevoegd zijn om het geheel aan regels aan te nemen die eigen zijn aan nieuwe energiebronnen, behoudens in zoverre zij de kernenergie betreffen, evenals voor het geheel aan regels inzake rationeel energieverbruik. De federale overheid is van haar kant bevoegd gebleven voor de grote infrastructuren voor de stockering, het vervoer en de productie van energie, hetgeen samenhangt met diens residuaire bevoegdheid inzake de energiebevoorradingszekerheid. B.10. Het bestreden artikel 26 van het decreet van 23 december 2022, dat de steun regelt die wordt toegekend aan de producenten van groene energie en van energie uit warmtekrachtinstallaties ter bevordering van de opwekking van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen en de besparing van energie door warmtekrachtkoppeling, ressorteert onder de gewestelijke bevoegdheden inzake nieuwe energiebronnen en inzake rationeel energieverbruik. B.11.1. In de uitoefening van hun bevoegdheden dienen de gewesten evenwel het evenredigheidsbeginsel, dat inherent is aan elke bevoegdheidsuitoefening, in acht te nemen. Zij moeten derhalve erover waken dat zij de uitoefening van de federale bevoegdheden niet onmogelijk of overdreven moeilijk maken. B.11.2. In tegenstelling tot wat de verzoekende partij in de zaak nr. 8049 voorhoudt, maakt de bestreden bepaling de uitoefening van de federale bevoegdheid inzake bevoorradingszekerheid niet onmogelijk of overdreven moeilijk. Het blijkt immers niet dat de bestreden bepaling, door te voorzien in een mogelijkheid tot actualisatie van de onrendabele top voor de projecten met brandstofkosten met een startdatum vanaf 1 januari 2013, de rendabiliteit van die projecten en dienvolgens de energiebevoorradingszekerheid in gevaar dreigt te brengen. De regeling inzake de berekening van de groenestroom- en warmtekrachtcertificaten gekoppeld aan de onrendabele top, zoals die is neergelegd in het Energiedecreet, strekt daarentegen ertoe de steun aan de producenten van groene energie en van energie uit warmtekrachtinstallaties af te stemmen op wat nodig is om de productie-installaties rendabel te 32 maken (Parl. St., Vlaams Parlement, 2011-2012, nr. 1639/1, p. 3). Door bij het bestreden artikel 26 van het decreet van 23 december 2022 te voorzien in een mogelijkheid tot actualisatie van de onrendabele top voor de projecten met brandstofkosten met een startdatum vanaf 1 januari 2013, beoogt de decreetgever te vermijden « dat door de evoluties in de elektriciteitsprijzen of brandstofkosten een oversubsidiëring of ondersubsidiëring optreedt » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2022-2023, nr. 1467/1, p. 33). De bestreden bepaling draagt aldus bij aan de initiële doelstelling van de decreetgever om de steun af te stemmen op wat nodig is om de productie-installaties rendabel te maken en doet bijgevolg geen afbreuk aan de rendabiliteit van de projecten met brandstofkosten met een startdatum vanaf 1 januari 2013, laat staan dat die bepaling de bevoorradingszekerheid in het gedrang dreigt te brengen. B.12. Het tweede middel in de zaak nr. 8049 is niet gegrond. B.13. Het tweede middel in de zaak nr. 8046 is afgeleid uit de schending, door artikel 26 van het decreet van 23 december 2022, van artikel 170, § 2, van de Grondwet en van artikel 1 van de wet van 23 januari 1989 « betreffende de in artikel 110 [lees : artikel 170], §§ 1 en 2, van de Grondwet bedoelde belastingsbevoegdheid » (hierna : de wet van 23 januari 1989). Volgens de verzoekende partij voert de bestreden bepaling een indirecte belasting in op de elektriciteitsproductie, terwijl de elektriciteitsproductie reeds zou zijn onderworpen aan een federale belasting. B.14.1. Artikel 170, § 2, van de Grondwet bepaalt : « Geen belasting ten behoeve van de gemeenschap of het gewest kan worden ingevoerd dan door een decreet of een in artikel 134 bedoelde regel. De wet bepaalt ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde belastingen, de uitzonderingen waarvan de noodzakelijkheid blijkt ». B.14.2. Artikel 1 van de wet van 23 januari 1989 bepaalt : « In de gevallen die niet voorzien zijn in artikel 11 van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, zijn de Gemeenschaps- en Gewestparlementen niet gemachtigd om belastingen te heffen op de materies die het voorwerp uitmaken van een belasting door de Staat, noch opcentiemen te heffen op belastingen en heffingen ten voordele van de Staat, noch kortingen hierop toe te staan behalve op minerale olie, overeenkomstig het samenwerkingsakkoord van 25 juli 2018 33 betreffende de uitvoering en de financiering van de bodemsanering van tankstations en gasolietanks voor verwarmingsdoeleinden ». B.14.3. Krachtens artikel 170, § 2, tweede lid, van de Grondwet en artikel 1 van de wet van 23 januari 1989 beschikken de gemeenschappen en de gewesten over een eigen fiscale bevoegdheid, onder het voorbehoud dat de wet de uitzonderingen waarvan de noodzakelijkheid blijkt niet heeft bepaald of nadien niet bepaalt, en mogen de gemeenschappen en de gewesten in beginsel geen belastingen heffen ten aanzien van materies die het voorwerp zijn van een federale belasting. Zij « kunnen belastingen heffen op de ‘ maagdelijke ’ materies » (Parl. St., Senaat, 1988-1989, nr. 562/2, p. 160). B.15. Het bestreden artikel 26 van het decreet van 23 december 2022, dat betrekking heeft op de steun die in de vorm van groenestroom- en warmtekrachtcertificaten wordt toegekend aan de producenten van groene energie en van energie uit warmtekrachtinstallaties, betreft geen belasting in de zin van artikel 170 van de Grondwet. Het betreft immers geen heffing met een algemene draagwijdte, die gezagshalve door de overheid wordt opgelegd om een uitgave van openbaar nut te dekken, doch wel een steun die wordt toegekend aan de energieproducenten. Het loutere feit dat het bedrag van de aldus toegekende steun kan verminderen, heeft niet tot gevolg dat het verschil tussen het initiële steunbedrag en het nieuwe bedrag kan worden gekwalificeerd als een belasting. Aangezien artikel 26 van het decreet van 23 december 2022 geen belasting betreft, kunnen artikel 170, § 2, tweede lid, van de Grondwet en artikel 1 van de wet van 23 januari 1989 niet zijn geschonden. B.16. Het tweede middel in de zaak nr. 8046 is niet gegrond. Wat het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel betreft B.17. In het eerste en het tweede middel in de zaak nr. 8039, het vierde onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 8046 en het eerste middel in de zaken nrs. 8047, 8048 en 8049 34 voeren de verzoekende partijen een schending aan, door artikel 26 van het decreet van 23 december 2022, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het rechtszekerheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, en van artikel 6 van de richtlijn 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 « ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (herschikking) » (hierna : de richtlijn (EU) 2018/2001), in zoverre de bestreden bepaling de actualisatie van de onrendabele top invoert voor lopende projecten met brandstofkosten en aldus afbreuk doet aan de rechtmatige verwachting van producenten van groene stroom en van energie uit warmtekrachtinstallaties die gebruikmaken van productie-installaties met brandstofkosten dat de bandingfactor voor hun productie-installatie ongewijzigd zou blijven gedurende de hele steunperiode. B.18. Indien de wetgever meent dat een beleidsverandering noodzakelijk is, kan hij beslissen daaraan een onmiddellijk gevolg te geven en is hij in beginsel niet ertoe gehouden in een overgangsregeling te voorzien. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie wordt slechts geschonden indien de ontstentenis van een overgangsmaatregel leidt tot een verschil in behandeling waarvoor geen redelijke verantwoording bestaat of indien op buitensporige wijze afbreuk wordt gedaan aan het vertrouwensbeginsel. Dat beginsel is nauw verbonden met het rechtszekerheidsbeginsel, dat de wetgever verbiedt om zonder objectieve en redelijke verantwoording afbreuk te doen aan het belang van de rechtsonderhorigen om in staat te zijn de rechtsgevolgen van hun handelingen te voorzien. De wetgever moet echter, wanneer hij een nieuwe wettelijke regeling invoert, van geval tot geval onderzoeken of overgangsmaatregelen noodzakelijk zijn, rekening houdend met de impact van de nieuwe regels en met de legitieme verwachtingen van de betrokken rechtsonderhorigen. B.19.1. Het vertrouwensbeginsel kan op zich niet worden aangevoerd om de handhaving van de voorwaarden van een subsidiestelsel te eisen. De decreetgever kan die voorwaarden voor de toekomst wijzigen, zij het dat hij rekening dient te houden met de invloed van de wijzigingen op al gedane investeringen. B.19.2. Artikel 7.1.14 van het Energiedecreet bepaalt bovendien : 35 « Om de drie jaar, en voor het eerst vóór 1 oktober van het jaar dat volgt op de inwerkingtreding van dit decreet, legt de Vlaamse Regering een evaluatierapport over de certificatenverplichtingen hernieuwbare energie en kwalitatieve warmtekrachtkoppeling voor aan het Vlaams Parlement. Dat rapport evalueert de effecten en de kosteneffectiviteit van de certificatenverplichtingen ». Uit die bepaling, die volgens de parlementaire voorbereiding teruggaat op de artikelen 23, § 4, en 25bis, laatste lid, van het inmiddels opgeheven decreet van het Vlaamse Gewest van 17 juli 2000 « houdende de organisatie van de elektriciteitsmarkt » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2008-2009, nr. 2165/1, p. 66), volgt dat het stelsel van de groenestroom- en warmtekrachtcertificaten op regelmatige wijze dient te worden geëvalueerd, wat betreft de effecten en de « kosteneffectiviteit » ervan. Uit die bepaling blijkt bijgevolg dat de decreetgever steeds ervan is uitgegaan dat bepaalde omstandigheden hem ertoe kunnen noodzaken het stelsel van de groenestroom- en warmtekrachtcertificaten te wijzigen en dat het om die reden is aangewezen te voorzien in een evaluatie van het stelsel. De belanghebbenden konden aldus uit de decreetgeving betreffende de groene energie en warmtek

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.