← België

ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.077

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 04 juli 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.077 Arrest- Rolnummer: 77/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-08-08 Raadplegingen: 645 - laatst gezien 2026-06-15 21:15 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Vernietiging (artikel 8, § 4, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, zoals het van toepassing was tot de inwerkingtreding van de artikelen 165 en 166 van de wet van 28 maart 2024 « houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen Ibis », in zoverre het niet voorziet in een mogelijkheid voor een niet-ontvoogde minderjarige die van rechtswege de Belgische nationaliteit heeft verloren omdat de afstamming op grond waarvan die nationaliteit werd toegekend niet langer vaststaat, om een rechterlijke instantie te verzoeken dat verlies met terugwerkende kracht ongedaan te maken, wanneer de concrete gevolgen ervan buitensporig zijn) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: het beroep tot vernietiging van artikel 8, § 4, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, ingesteld door de vzw « Ligue des droits humains ». Publiek recht - Nationaliteit - Toekenning op basis van de nationaliteit van de vader of van de moeder - Verlies van rechtswege van de nationaliteit voor de persoon van wie de afstamming niet langer blijkt vast te staan vóór de leeftijd van 18 jaar - Rechtsmiddelen Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 77/2024 van 4 juli 2024 Rolnummer : 8196 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 8, § 4, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, ingesteld door de vzw « Ligue des droits humains ». Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 22 maart 2024 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 26 maart 2024, is beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 8, § 4, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit door de vzw « Ligue des droits humains », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Ronald Fonteyn, advocaat bij de balie te Brussel. Op 9 april 2024 hebben de rechters-verslaggevers Magali Plovie en Willem Verrijdt, met toepassing van artikel 72, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, het Hof ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht voor te stellen het onderzoek van de zaak af te doen met een arrest gewezen op voorafgaande rechtspleging. Memories met verantwoording zijn ingediend door : - de verzoekende partij; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Evrard de Lophem en Mr. Sébastien Depré, advocaten bij de balie te Brussel. 2 De bepalingen van voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte –A– A.1. Met toepassing van artikel 4, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, vordert de verzoekende partij de vernietiging van artikel 8, § 4, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit. Ter ondersteuning van haar beroep tot vernietiging verwijst de verzoekende partij naar het arrest van het Hof nr. 12/2023 van 19 januari 2023 (ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.012), waarbij het heeft geoordeeld dat de voormelde bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in zoverre zij niet voorziet in de mogelijkheid voor een niet-ontvoogde minderjarige die van rechtswege de Belgische nationaliteit heeft verloren omdat de afstamming op grond waarvan die nationaliteit werd toegekend niet langer vaststaat, om een rechterlijke instantie te verzoeken dat verlies met terugwerkende kracht ongedaan te maken, wanneer de concrete gevolgen ervan buitensporig zijn. A.2. Het enige middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door de bestreden bepaling, om de motieven die zijn uiteengezet in het voormelde arrest nr. 12/2023. A.3. Bij hun conclusies, genomen met toepassing van artikel 72 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, hebben de rechters-verslaggevers laten weten dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht, om dezelfde motieven als die welke in het voormelde arrest nr. 12/2023 zijn uiteengezet, aan het Hof voor te stellen de zaak af te doen met een arrest gewezen op voorafgaande rechtspleging, waarbij het beroep tot vernietiging gegrond wordt verklaard en waarbij artikel 8, § 4, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, zoals dat van toepassing was vóór de inwerkingtreding van de artikelen 165 en 166 van de wet van 28 maart 2024 « houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen Ibis » (hierna : de wet van 28 maart 2024), wordt vernietigd, wegens schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het niet voorziet in een mogelijkheid voor een niet-ontvoogde minderjarige die van rechtswege de Belgische nationaliteit heeft verloren omdat de afstamming op grond waarvan die nationaliteit werd toegekend niet langer vaststaat, om een rechterlijke instantie te verzoeken dat verlies met terugwerkende kracht ongedaan te maken, wanneer de concrete gevolgen ervan buitensporig zijn. A.4. De verzoekende partij sluit zich aan bij de conclusies van de rechters-verslaggevers. A.5.1. In zijn memorie met verantwoording doet de Ministerraad gelden dat de motieven van het voormelde arrest nr. 12/2023 hebben geleid tot een wetgevend optreden. De wetgever heeft immers de artikelen 165 en 166 van de wet van 28 maart 2024 aangenomen, net om de Belgische wetgeving in overeenstemming te brengen met het voormelde arrest nr. 12/2023. Daaruit volgt dat niet staande kan worden gehouden dat de bestreden bepaling nog steeds dezelfde grondwettigheidsgebreken vertoont als op het moment waarop het Hof die heeft onderzocht in het prejudicieel contentieux, en dat het beroep tot vernietiging dus dient te worden verworpen. A.5.2. De Ministerraad merkt op dat, op basis van het voormelde arrest nr. 12/2023, een rechter die met een soortgelijke situatie werd geconfronteerd als die welke aanleiding heeft gegeven tot dat arrest, met toepassing van artikel 26, § 4, tweede lid, 4°, van de voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989, kon vaststellen dat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet klaarblijkelijk werden geschonden en in die zin uitspraak kon doen. Hij is ook van mening dat het Hof een bepaling niet kan vernietigen uitsluitend voor de vroegere gevolgen ervan, en haar toch identiek laten voortbestaan voor de toekomstige gevolgen ervan. Een vernietiging zonder meer van artikel 8, § 4, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit zou evenwel minder gunstig zijn, zowel voor de huidige als de toekomstige situaties, dan het behoud ervan in de rechtsorde, in zoverre zij zou impliceren dat de personen van wie de afstamming na hun achttiende verjaardag wordt tenietgedaan ook van rechtswege de Belgische nationaliteit zouden verliezen. 3 Ten slotte merkt de Ministerraad op dat ter zake altijd een gemeenrechtelijk beroep mogelijk was, zoals blijkt uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 28 maart 2024. A.5.3. De Ministerraad is, om die motieven, van mening dat het beroep tot vernietiging dient te worden verworpen of dat op zijn minst het voorstel om het beroep tot vernietiging op voorafgaande rechtspleging in te willigen niet in aanmerking kan worden genomen en dat de partijen de gelegenheid moeten krijgen om zich naar behoren uit te spreken over de gevolgen van de wetswijzigingen voor het voorwerp en de gegrondheid van het beroep. –B– B.1.1. Het beroep tot vernietiging heeft betrekking op artikel 8, § 4, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit. B.1.2. Artikel 8 van het Wetboek van de Belgische nationaliteit bepaalt : « § 1. Belg zijn : 1° het kind geboren in België uit een Belgische ouder; 2° het kind geboren in het buitenland :

  1. a)uit een Belgische ouder geboren in België of in gebieden onder Belgische soevereiniteit of onder Belgisch bestuur;
  2. b)uit een Belgische ouder die, binnen een termijn van vijf jaar na de geboorte, een verklaring heeft afgelegd waarin hij verzoekt om toekenning van de Belgische nationaliteit aan zijn kind;
  3. c)uit een Belgische ouder, op voorwaarde dat het kind geen andere nationaliteit bezit of behoudt tot de leeftijd van achttien jaar of zijn ontvoogding voor die leeftijd. De verklaring bedoeld in het eerste lid, 2°, b, wordt afgelegd, en op basis ervan wordt een akte van nationaliteit opgesteld, overeenkomstig artikel 22, § 4. De verklaring heeft gevolg vanaf de opmaak van de akte van nationaliteit. Diegene aan wie de Belgische nationaliteit krachtens het eerste lid, 2°, c, is toegekend, behoudt die nationaliteit zolang niet is aangetoond, voordat hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt of ontvoogd is voor die leeftijd, dat hij een vreemde nationaliteit bezit. § 2. Voor de toepassing van paragraaf 1 dient de ouder de Belgische nationaliteit te bezitten op de geboortedag van het kind of, indien hij overleden is voor deze geboorte, op de dag van zijn overlijden. 4 § 3. De afstamming vastgesteld ten aanzien van een Belgische ouder na de datum van het vonnis of het arrest dat de adoptie homologeert of uitspreekt, verleent de Belgische nationaliteit maar aan het kind, indien die afstamming wordt vastgesteld ten aanzien van de adoptant of diens echtgenoot. § 4. De persoon aan wie de Belgische nationaliteit van zijn ouder is toegekend, behoudt die nationaliteit wanneer zijn afstamming niet langer vaststaat nadat hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt of ontvoogd is voor die leeftijd. Indien zijn afstamming niet langer blijkt vast te staan voor de leeftijd van achttien jaar of de ontvoogding voor die leeftijd, kunnen de handelingen die zijn aangegaan toen de afstamming nog vaststond en voor de geldigheid waarvan de staat van Belg vereist was, niet worden betwist enkel en alleen omdat de belanghebbende die nationaliteit niet bezat. Hetzelfde geldt voor de rechten welke zijn verkregen voor die datum ». B.2.1. Het beroep is ingesteld op basis van artikel 4, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, dat bepaalt : « Voor de Ministerraad, voor de Regering van een Gemeenschap of van een Gewest, voor de voorzitters van de wetgevende vergaderingen op verzoek van twee derde van hun leden of voor iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die doet blijken van een belang staat een nieuwe termijn van zes maanden open voor het instellen van een beroep tot vernietiging tegen een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel, wanneer het Hof, uitspraak doende op een prejudiciële vraag, verklaard heeft dat die wet, dat decreet of die in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel een van de in artikel 1 bedoelde regels of artikelen van de Grondwet schendt. De termijn gaat in op de dag na de datum van de bekendmaking van het arrest in het Belgisch Staatsblad ». B.2.2. Met het voormelde artikel 4, tweede lid, heeft de bijzondere wetgever willen beletten dat bepalingen in de rechtsorde behouden blijven wanneer het Hof op prejudiciële vraag heeft verklaard dat zij strijdig zijn met de regels die het Hof moet doen naleven (zie Parl. St., Senaat, 2000-2001, nr. 2-897/1, p. 6). B.2.3. Uitspraak doende over een beroep tot vernietiging dat is ingesteld op grond van artikel 4, tweede lid, kan het Hof dus ertoe worden gebracht de bestreden norm te vernietigen in zoverre het vooraf de ongrondwettigheid heeft vastgesteld in het prejudiciële contentieux. B.3. Bij zijn arrest nr. 12/2023 van 19 januari 2023 (ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.012) heeft het Hof voor recht gezegd : « Artikel 8, § 4, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre die bepaling niet voorziet in een mogelijkheid voor een niet-ontvoogde minderjarige die van rechtswege de Belgische nationaliteit heeft verloren omdat 5 de afstamming op grond waarvan die nationaliteit werd toegekend niet langer vaststaat, om een rechterlijke instantie te verzoeken dat verlies met terugwerkende kracht ongedaan te maken, wanneer de concrete gevolgen ervan buitensporig zijn ». B.4. Artikel 8, § 4, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit werd niet gewijzigd sinds de bekendmaking van het voormelde arrest nr. 12/2023 in het Belgisch Staatsblad. B.5.1. De wetgever heeft de in het voormelde arrest vastgestelde ongrondwettigheid daarentegen willen verhelpen door de artikelen 165 en 166 van de wet van 28 maart 2024 « houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen Ibis » (hierna : de wet van 28 maart 2024) aan te nemen. Die bepalingen maken niet het voorwerp uit van het thans onderzochte beroep. B.5.2. Artikel 165 van de wet van 28 maart 2024 voegt, in het oud Burgerlijk Wetboek, een artikel 334quater in, dat bepaalt : « In geval van betwisting van de afstamming, een nietigverklaring van een frauduleuze erkenning of een nietigverklaring van een akte van de burgerlijke stand, in voorkomend geval naar aanleiding van een beslissing genomen op grond van artikel 463 van het Wetboek van Strafvordering, die leidt tot de vernietiging van de afstammingsband ten aanzien van een Belgische ouder, spreekt de rechter zich uit over het eventuele behoud van de Belgische nationaliteit van het kind ». B.5.3. Artikel 166 van de wet van 28 maart 2024 voegt, in het Wetboek van de Belgische nationaliteit, een artikel 7ter in, dat bepaalt : « In het geval dat de afstamming van een Belgische ouder niet langer vaststaat, vindt de intrekking van rechtswege van de Belgische nationaliteit van het kind niet plaats indien in het vonnis waarbij de vernietiging van de afstamming wordt uitgesproken, is beslist om de Belgische nationaliteit te behouden overeenkomstig artikel 334quater van het oud Burgerlijk Wetboek. In het geval van intrekking van de Belgische nationaliteit, betekent de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand die intrekking onverwijld per aangetekende zending aan de betrokkene of zijn wettelijke vertegenwoordiger. Tenzij een rechter zich reeds heeft uitgesproken over het behoud van de Belgische nationaliteit overeenkomstig artikel 334quater van het oud Burgerlijk Wetboek, vermeldt de betekening dat tegen een dergelijke intrekking beroep kan worden aangetekend bij de familierechtbank binnen vijftien dagen na deze betekening ». 6 B.5.4. Geen enkele bepaling van de wet van 28 maart 2024 regelt specifiek de inwerkingtreding van de artikelen 165 en 166 ervan, die dus uitwerking hebben gekregen tien dagen na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad. Bijgevolg heeft de bestreden bepaling het in het voormelde arrest nr. 12/2023 vermelde discriminerende gevolg gehad ten aanzien van de minderjarigen van wie de afstamming van hun Belgische ouder niet langer vaststond vóór 8 april 2024. B.5.5. Uit het voorgaande volgt dat het beroep tot vernietiging zijn voorwerp slechts behoudt ten aanzien van de personen van wie de afstamming van hun Belgische ouder vóór 8 april 2024 niet langer vaststond, terwijl zij minderjarig waren, en die, met toepassing van de bestreden bepaling, hun Belgische nationaliteit hebben verloren als gevolg van dat verlies van de afstammingsband. Het voorwerp van het onderhavige beroep dient dus te worden beperkt tot de bestreden bepaling zoals die van toepassing was vóór de inwerkingtreding van de wet van 28 maart 2024. In tegenstelling tot hetgeen de Ministerraad aanvoert, belet niets dat het Hof het voorwerp van het beroep op die manier beperkt, rekening houdend met de wetswijzigingen na de saisine, en dat het Hof, in voorkomend geval, de bestreden bepaling gedeeltelijk vernietigt in zoverre die werd toegepast vóór de inwerkingtreding van de wetsbepalingen die als doel hadden de in het voormelde arrest nr. 12/2023 vastgestelde ongrondwettigheid te verhelpen. B.6. Het enige middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de bestreden bepaling niet voorziet in een mogelijkheid voor een niet-ontvoogde minderjarige die van rechtswege de Belgische nationaliteit heeft verloren omdat de afstamming op grond waarvan die nationaliteit werd toegekend, niet langer vaststaat, om een rechterlijke instantie te verzoeken dat verlies met terugwerkende kracht ongedaan te maken, wanneer de concrete gevolgen ervan buitensporig zijn. B.7.1. Het is redelijk verantwoord dat een niet-ontvoogde minderjarige aan wie de Belgische nationaliteit van een van de ouders werd toegekend, van rechtswege die nationaliteit verliest wanneer de afstamming niet langer blijkt vast te staan, terwijl een meerderjarige of een ontvoogde minderjarige in een dergelijke situatie die nationaliteit behoudt. In tegenstelling tot een meerderjarige of een ontvoogde minderjarige, staat een niet-ontvoogde minderjarige 7 immers onder het ouderlijk gezag en bevindt hij zich in beginsel in een toestand van zowel juridische als feitelijke afhankelijkheid ten aanzien van zijn ouders. B.7.2. Overigens voorziet de bestreden bepaling erin dat, wanneer een niet-ontvoogde minderjarige de Belgische nationaliteit verliest, « de handelingen die zijn aangegaan toen de afstamming nog vaststond en voor de geldigheid waarvan de staat van Belg vereist was, niet [kunnen] worden betwist enkel en alleen omdat de belanghebbende die nationaliteit niet bezat ». Dat geldt eveneens « voor de rechten welke zijn verkregen voor die datum ». Het verlies van de Belgische nationaliteit heeft dus slechts gevolgen voor de toekomst. Daarenboven maakt artikel 17 van het Wetboek van de Belgische nationaliteit het mogelijk om de Belgische nationaliteit te verkrijgen voor « de persoon te goeder trouw aan wie de Belgische nationaliteit onterecht is verleend en gedurende ten minste tien jaar zonder onderbreking door de Belgische overheden behandeld werd als Belg, [...] wanneer zijn Belgische nationaliteit wordt betwist », door binnen een termijn van een jaar vanaf de definitieve betwisting van de nationaliteit door een Belgische overheid een verklaring af te leggen overeenkomstig artikel 15 van hetzelfde Wetboek. Die termijn wordt verlengd « tot de leeftijd van negentien jaar wanneer de belanghebbende een persoon is wiens afstamming van een Belgische ouder gebleken is niet langer vast te staan voordat hij ontvoogd was en de leeftijd van achttien jaar had bereikt ». B.8.1. Het is evenwel niet evenredig met de door de wetgever nagestreefde doelstellingen dat aan de betrokken minderjarige de mogelijkheid wordt ontzegd om het verlies van rechtswege van de Belgische nationaliteit te betwisten en een rechterlijke instantie te verzoeken dat verlies met terugwerkende kracht ongedaan te maken, indien de concrete gevolgen ervan buitensporig blijken te zijn (zie HvJ, grote kamer, 12 maart 2019, C-221/17, Tjebbes e.a., ECLI:EU:C:2019:189, punten 40 tot 47). Overigens kan niet elke minderjarige die met toepassing van de bestreden bepaling de Belgische nationaliteit verliest, een beroep doen op het voormelde artikel 17 van het Wetboek van de Belgische nationaliteit om die nationaliteit alsnog te verkrijgen. Bij het onderzoek van het al dan niet buitensporige karakter van de gevolgen dient de rechter de individuele situatie van de minderjarige te beoordelen, en meer bepaald de impact van het verlies van de Belgische nationaliteit en van de daaruit voortvloeiende rechten op zijn 8 privé- en gezinsleven en op zijn persoonlijke ontwikkeling, mede in het licht van de mogelijkheden tot wettig verblijf waarover de minderjarige als vreemdeling beschikt. Daarbij moet in het bijzonder rekening worden gehouden met artikel 22bis, vierde lid, van de Grondwet, volgens hetwelk het belang van het kind de eerste overweging is bij elke beslissing die het kind aangaat. Een dergelijk onderzoek vereist daarnaast dat wordt nagegaan of de betrokken minderjarige als gevolg van het verlies van de Belgische nationaliteit staatloos dreigt te worden, met name wanneer de minderjarige in het buitenland is geboren. In dat geval kan hij zich immers niet beroepen op artikel 10, § 1, eerste lid, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, krachtens hetwelk Belg is « het kind geboren in België en dat, op gelijk welk ogenblik voor de leeftijd van achttien jaar of voor de ontvoogding voor die leeftijd, geen andere nationaliteit bezit ». B.8.2. Die mogelijkheid dient eveneens voorhanden te zijn wanneer de initiële afstammingsband tot stand is gekomen op basis van een schijnerkenning die nadien nietig werd verklaard. Het is gerechtvaardigd dat de wetgever de praktijk tracht tegen te gaan van de erkenningen die enkel zijn gericht op het verkrijgen van een verblijfsrechtelijk voordeel, door te voorzien in de nietigverklaring van zulke erkenningen en in een strafbaarstelling ten aanzien van de erkenner en de personen die hun voorafgaande toestemming geven met de erkenning (zie de artikelen 330/1 tot 330/3 van het oud Burgerlijk Wetboek en de artikelen 79ter-bis en 79quater van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen »). De handelwijze van de ouders bij de toekenning van de Belgische nationaliteit aan hun kind staat evenwel los van de concrete gevolgen die de minderjarige vervolgens kan ondervinden van het verlies van die nationaliteit. Het is perfect mogelijk dat dat kind, door een beroep te doen op de rechten die voortvloeien uit de Belgische nationaliteit, geruime tijd heeft deelgenomen aan het maatschappelijke leven in België, bijvoorbeeld door daar te wonen, naar school te gaan en een sociaal leven te ontwikkelen. Overigens is het kind niet verantwoordelijk voor het feit dat zijn ouders bij de geboorte op frauduleuze wijze, om redenen van verblijf, de toekenning van de Belgische nationaliteit hebben bewerkstelligd. B.9. Wat betreft het voorwerp van het beroep zoals het in B.5.5 is beperkt, is het enige middel gegrond. 9 Om die redenen, het Hof vernietigt artikel 8, § 4, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, zoals het van toepassing was tot de inwerkingtreding van de artikelen 165 en 166 van de wet van 28 maart 2024 « houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen Ibis », in zoverre het niet voorziet in een mogelijkheid voor een niet-ontvoogde minderjarige die van rechtswege de Belgische nationaliteit heeft verloren omdat de afstamming op grond waarvan die nationaliteit werd toegekend niet langer vaststaat, om een rechterlijke instantie te verzoeken dat verlies met terugwerkende kracht ongedaan te maken, wanneer de concrete gevolgen ervan buitensporig zijn. Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 4 juli 2024. De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.077 Gerelateerde publicatie(
  4. s)citeert: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.012 ECLI:EU:C:2019:189 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.