id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 04 juli 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.078 Arrest- Rolnummer: 78/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-08-08 Raadplegingen: 812 - laatst gezien 2026-06-18 23:52 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Verwerping van de vordering tot schorsing Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de vordering tot schorsing van artikel 166 van de wet van 9 februari 2024 « houdende diverse bepalingen inzake economie » (vervanging van artikel 67, § 2, tweede lid, van de wet van 18 september 2017 « tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten »), ingesteld door de bv « Vermetal » en anderen. Strafrecht - Bestrijding van het witwassen van geld - Beperking van het gebruik van contanten - Verrichtingen met betrekking tot oude metalen, koperkabels of goederen die edele stoffen bevatten - Ontstentenis van een overgangsregeling - Schorsing van een nationale bepaling gebaseerd op het recht van de Europese Unie Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 78/2024 van 4 juli 2024 Rolnummer : 8198 In zake : de vordering tot schorsing van artikel 166 van de wet van 9 februari 2024 « houdende diverse bepalingen inzake economie » (vervanging van artikel 67, § 2, tweede lid, van de wet van 18 september 2017 « tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten »), ingesteld door de bv « Vermetal » en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Joséphine Moerman, Michel Pâques, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt en Kattrin Jadin, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de vordering en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 5 april 2024 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 8 april 2024, is een vordering tot schorsing van artikel 166 van de wet van 9 februari 2024 « houdende diverse bepalingen inzake economie » (vervanging van artikel 67, § 2, tweede lid, van de wet van 18 september 2017 « tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten »), bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 21 maart 2024, ingesteld door de bv « Vermetal », de nv « Schrootbedrijf A. De Rooy en zoon », de bv « Tribel Metals », de bv « De Knop Recycling », de bv « IJzerland », de bv « Alfamet », de bv « Transmétaux », de bv « Vandeweyer Recycling & Demolition », de bv « Vrints Scrap & Services », de bv « Degels-Metal », de nv « Etn. Roosen », de bv « De Cocker Geert », de bv « Bally », de bv « AF-Logi », de bv « Kabel Recycling Company » en Johan Vincent, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Wouter Vaassen, advocaat bij de balie te Brussel. Bij hetzelfde verzoekschrift vorderen de verzoekende partijen eveneens de vernietiging van dezelfde wetsbepaling. 2 Bij beschikking van 10 april 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggeefsters Joséphine Moerman en Emmanuelle Bribosia te hebben gehoord, de terechtzitting voor de debatten over de vordering tot schorsing bepaald op 15 mei 2024, na de in artikel 76, § 4, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof bedoelde overheden te hebben uitgenodigd hun eventuele schriftelijke opmerkingen, in de vorm van een memorie, uiterlijk op 8 mei 2024 in te dienen en een afschrift ervan binnen dezelfde termijn aan de verzoekende partijen over te zenden, alsook aan de griffie van het Hof via mail op het adres « griffie@const- court.be ». De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. Tine Bricout, advocate bij de balie te Gent, heeft schriftelijke opmerkingen ingediend. Op de openbare terechtzitting van 15 mei 2024 : - zijn verschenen : . Mr. Wouter Vaassen, voor de verzoekende partijen; . Mr. Tine Bricout, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggeefsters Joséphine Moerman en Emmanuelle Bribosia verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.1.1. De verzoekende partijen vorderen de schorsing van artikel 166 van de wet van 9 februari 2024 « houdende diverse bepalingen inzake economie » (hierna : de wet van 9 februari 2024), dat artikel 67, § 2, tweede lid, van de wet van 18 september 2017 « tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten » (hierna : de wet van 18 september 2017) vervangt. Zij zetten uiteen dat die bepaling met zich meebrengt dat de betaling voor koperen kabels, oude metalen of goederen die edele materialen bevatten, niet in contanten mag worden gedaan of ontvangen wanneer de koper geen consument is, tenzij deze edele materialen slechts in kleine hoeveelheden aanwezig zijn en uitsluitend vanwege hun noodzakelijke fysische eigenschappen en tenzij in het geval van een openbare verkoop onder toezicht van een deurwaarder. A.1.2. De verzoekende partijen doen gelden dat zij allen marktoperatoren zijn in de metaalrecyclagesector en menen dat de bestreden bepaling een ernstige impact heeft op hun kernactiviteiten. Zij wijzen erop dat sommigen onder hen in belangrijke mate afhankelijk zijn van de aanlevering van metalen door particulieren en dat een belangrijk deel van die aanleveringen wordt afgehandeld door middel van betaling in contanten. Zij menen dat 3 de inkomende stroom van te recycleren metalen door de voormelde bepaling ernstig in gevaar wordt gebracht. Zij leiden eruit af dat zij rechtstreeks en ongunstig worden geraakt door de bestreden bepaling. Ten aanzien van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel A.2.1. De verzoekende partijen menen dat zij, als ondernemingen die opereren binnen het kader van de wet, een moeilijk te herstellen ernstig nadeel lijden, doordat personen en ondernemingen die handelen in het zwarte economische circuit, mede gelet op het feit dat de inspectiediensten hebben aangegeven in de nabije toekomst geen controles uit te voeren, nu nog maximaal transacties kunnen doen met betaling in contanten, waardoor zij een oneerlijk economisch voordeel hebben ten aanzien van de ondernemingen die opereren binnen het kader van de wet. Zij menen dat de onmogelijkheid voor de ondernemingen die handelen binnen het kader van de wet om transacties met betaling in contanten te doen, ertoe zal leiden dat het zwarte economische circuit wordt versterkt, waardoor het herstel van het legale economische circuit onwaarschijnlijk wordt. A.2.2. De verzoekende partijen menen ook dat de bestreden bepaling met zich meebrengt dat het risico toeneemt dat personen die zich in een sociaal zwakkere positie bevinden hun bankrekening en identiteit laten misbruiken. Zij menen dat het beschermen van die personen een maatschappelijke zorg zou moeten zijn. A.2.3. De verzoekende partijen voeren eveneens aan dat de bestreden bepaling nefast is voor het leefmilieu, daar minder mensen geneigd zullen zijn om metaalafval te bezorgen aan ondernemingen die instaan voor de recyclage ervan. A.2.4. Volgens de verzoekende partijen brengt de bestreden bepaling ook met zich mee dat zij zich in een oneerlijke concurrentiepositie bevinden ten aanzien van ondernemingen in andere lidstaten van de Europese Unie. Dit geldt volgens hen des te meer voor de ondernemingen, zoals de tweede en de vijfde verzoekende partij, die dicht bij de grens van een buurland zijn gevestigd. A.2.5. De verzoekende partijen voeren ook aan dat het ontbreken van een overgangsregeling bij de bestreden bepaling ernstig is en dat het daaruit voortvloeiende nadeel niet kan worden hersteld door een latere vernietiging van die bepaling. A.2.6. Volgens de verzoekende partijen weegt het voordeel dat de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden bepaling voor hen oplevert wel degelijk op tegen de nadelen voor het algemeen belang, daar een schorsing met zich mee zou brengen dat de vroegere regeling opnieuw van kracht wordt, volgens welke een betaling in contanten aan consumenten mogelijk was voor bedragen tot 500 euro. Daar die vroegere regeling bovendien erin voorzag dat de consument in dat geval diende te worden geïdentificeerd en geregistreerd, kwam die regeling volgens hen bovendien beter tegemoet aan de door de wetgever nagestreefde doelstellingen. A.2.7. De verzoekende partijen houden ook voor dat de bestreden bepaling het monetair systeem van de Europese Unie ernstig in het gedrang brengt, ook al is het maar voor een specifieke sector ten aanzien van consumenten. Zij wijzen in dat verband erop dat de Europese Centrale Bank (ECB) herhaaldelijk heeft aangegeven dat de onmiddellijke afwikkelingsmogelijkheid van transacties onder meer het vrij verkeer waarop de Europese Unie is gesteund, vrijwaart. Zij menen dat de administratieve last die verbonden is aan een elektronische betaling onevenredig is bij kleinere transacties. In zoverre het Hof van oordeel zou zijn dat het niet afdoende duidelijk is dat de mogelijkheid om te betalen in contanten door het recht van de Europese Unie wordt beschermd, menen zij dat een prejudiciële vraag dient te worden gesteld over de bestaanbaarheid van de artikelen 10 en 11 van de verordening (EG) nr. 974/98 van de Raad van 3 mei 1998 « over de invoering van de euro » (hierna : de verordening (EG) nr. 974/98) met artikel 128, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna : het VWEU). In dat geval dient het Hof volgens hen ook te oordelen dat voldaan is aan de eerste voorwaarde bepaald in artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof (hierna : de bijzondere wet van 6 januari 1989). Wat dit laatste betreft, verwijzen zij naar het arrest van het Hof nr. 167/2020 van 17 december 2020 (ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.167). A.2.8. Volgens de verzoekende partijen vereist het recht van de Europese Unie dat zij toegang hebben tot een rechter die hun uit dat recht afgeleide rechten doeltreffend kan vrijwaren. Zij wijzen erop dat de lidstaten van de Europese Unie, volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, de bevoegde rechter moeten aanwijzen en de procesregels moeten bepalen voor rechtsvorderingen die ertoe strekken de rechten te beschermen die de rechtzoekenden aan het recht van de Europese Unie ontlenen. Volgens die rechtspraak mogen die procesregels niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke nationale vorderingen gelden 4 (gelijkwaardigheidsbeginsel) en mogen zij de uitoefening van de door het recht van de Europese Unie verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel). Zij wijzen erop dat het Hof van Justitie ook heeft geoordeeld dat kortgedingprocedures voorhanden moeten zijn om die rechten te kunnen vrijwaren. Indien te dezen zou moeten worden geoordeeld dat de vordering tot schorsing niet ontvankelijk is of dat er geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel wordt aangetoond, zou dit volgens de verzoekende partijen met zich meebrengen dat de uitoefening van de door het recht van de Europese Unie verleende rechten in de praktijk onmogelijk wordt gemaakt, wat een schending zou uitmaken van het voormelde doeltreffendheidsbeginsel. In een dergelijke situatie is de nationale rechter volgens hen verplicht om de desbetreffende nationale procesregel buiten toepassing te laten. Zij wijzen nog erop dat het Hof van Justitie eveneens heeft geoordeeld dat het zich moeten blootstellen aan administratieve of strafrechtelijke procedures en aan de daaruit voortvloeiende sancties, als enig rechtsmiddel om de verenigbaarheid van nationale bepalingen met het recht van de Europese Unie te kunnen aanvechten, niet volstaat om een effectieve rechterlijke bescherming te verzekeren. Bovendien wijzen zij erop dat volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie dient te worden voorzien in een redelijke overgangstermijn voor overheidsmaatregelen die het vrij verkeer van goederen beïnvloeden, waaraan te dezen volgens hen niet is voldaan. Indien het Hof zou oordelen dat het recht van de Europese Unie ter zake onvoldoende duidelijk is, suggereren de verzoekende partijen het Hof om over de problematiek een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie. A.3.1. De Ministerraad is van oordeel dat de verzoekende partijen nalaten om op concrete wijze aan te geven waaruit het nadeel dat de bestreden bepaling voor hen in het leven zou roepen, precies zou bestaan. Hij wijst erop dat de vroegere regeling reeds voorzag in een beperking van de mogelijkheid om te betalen in contanten en meent dat het in die context niet ernstig is te beweren dat bepaalde feitelijke omstandigheden pas zijn ontstaan naar aanleiding van de bestreden bepaling. A.3.2. Volgens de Ministerraad maken de verzoekende partijen het niet aannemelijk dat ze als gevolg van de bestreden bepaling een financieel verlies zouden lijden. Zij maken het volgens hem evenmin aannemelijk dat de bestreden bepaling tot gevolg zou hebben dat personen die zich in een sociaal zwakkere positie bevinden, hun bankrekening en identiteit zullen laten misbruiken. A.3.3. De Ministerraad betwist het standpunt van de verzoekende partijen dat de voorwaarde betreffende het moeilijk te herstellen ernstig nadeel strijdig is met het recht van de Europese Unie en meent dat er geen aanleiding is om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Het door het Hof van Justitie gehanteerde doeltreffendheidsbeginsel kan volgens hem niet in die zin worden geïnterpreteerd dat de verzoekende partijen een recht op schorsing van de bestreden bepaling hebben, zonder dat voldaan moet zijn aan de voorwaarden vervat in artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989. Volgens hem tonen de verzoekende partijen niet aan dat het beroep tot vernietiging en de bijkomende mogelijkheid om een vordering tot schorsing in te dienen, geen doeltreffende rechtsmiddelen zijn. Hij meent bovendien dat het stellen van een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie indruist tegen het spoedeisende karakter van een vordering tot schorsing. A.3.4. Uit de omstandigheid dat de inspectiediensten hebben aangegeven dat tot 31 december 2024 een tolerantieperiode loopt tijdens welke geen boetes zullen worden opgelegd, kan volgens de Ministerraad op geen enkele wijze worden afgeleid, in tegenstelling tot wat de verzoekende partijen lijken te beweren, dat de bevoegde overheidsinstanties zelf een schorsing van de bestreden bepaling beogen. Ten aanzien van de ernst van de middelen Wat het eerste middel betreft A.4. Het eerste middel is afgeleid uit de schending, door de bestreden bepaling, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 3, lid 1, c), 34, 35, 36, 56 en volgende, 63 en volgende en 127 tot en met 133 van het VWEU, met de artikelen 10 en 11 van de verordening (EG) nr. 974/98 en met artikel 2, lid 1, van de beschikking 98/415/EG van de Raad van 29 juni 1998 « betreffende de raadpleging van de Europese Centrale Bank door de nationale autoriteiten over ontwerpen van wettelijke bepalingen » (hierna : de beschikking 98/415/EG). A.5.1. De verzoekende partijen voeren aan dat uit de artikelen 127, lid 4, en 128, lid 1, van het VWEU en uit artikel 2, lid 1, van de beschikking 98/415/EG voortvloeit dat de Belgische wetgever het advies van de ECB moet vragen alvorens wetskrachtige bepalingen aan te nemen die het gebruik van contanten regelen. Zij zetten uiteen dat de bestreden bepaling oorspronkelijk niet was opgenomen in het initiële wetsontwerp dat heeft geleid 5 tot de wet van 9 februari 2024 en dat die bepaling het gevolg is van het aannemen van een door meerdere parlementsleden ingediend amendement. Zij voeren aan dat over dat amendement geen advies werd gevraagd aan de ECB. Zij verwijzen naar rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie en leiden eruit af dat een nationale wettelijke bepaling die werd vastgesteld met schending van een inhoudelijk procedureel vereiste, niet kan worden afgedwongen ten aanzien van rechtzoekenden en buiten toepassing moet worden gelaten. Zij wijzen erop dat de ECB, in haar « Gids voor het raadplegen van de Europese Centrale Bank door nationale autoriteiten over ontwerpen van wettelijke bepalingen », stelt dat in de lidstaten waarin particulieren het recht hebben procedures aan te spannen tot nietigverklaring van een nationale wettelijke bepaling vanwege een ernstig procedureel gebrek, die particulieren eveneens het recht dienen te hebben nationale wettelijke bepalingen nietig te laten verklaren die met schending van een essentieel procedureel vereiste van het recht van de Europese Unie, zoals de voorafgaande raadpleging van de ECB, zijn vastgesteld. Zij besluiten dat de bestreden bepaling in strijd is met artikel 127, lid 4, van het VWEU en met artikel 2, lid 1, van de beschikking 98/415/EG. A.5.2. De verzoekende partijen zijn van oordeel dat de bestreden bepaling dient te worden geschorst en vernietigd om een effectieve bescherming te verzekeren van de rechten die zij aan de rechtsorde van de Europese Unie ontlenen. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie leiden zij af dat er geen effectieve rechtsbescherming is indien zij zich zouden moeten blootstellen aan administratieve of strafrechtelijke procedures en aan de daaruit voortvloeiende sancties om de verenigbaarheid van de bestreden bepaling met het recht van de Europese Unie aan te vechten. A.5.3. Indien het Hof twijfels zou hebben over de juiste interpretatie van artikel 127, lid 4, van het VWEU en van artikel 2, lid 1, van de beschikking 98/415/EG, suggereren de verzoekende partijen het Hof om ter zake prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. A.6.1. De Ministerraad voert aan dat de verzoekende partijen niet uiteenzetten op welke wijze de bestreden bepaling een verschil in behandeling of een gelijke behandeling in het leven zou roepen. Zij verduidelijken volgens hem zelfs niet welke categorieën van personen ten onrechte gelijk of ongelijk zouden worden behandeld. Hij beklemtoont dat de bestreden bepaling geldt voor alle professioneel handelende personen die oude metalen, koperkabels of goederen die edele stoffen bevatten, kopen van consumenten. Hij meent dat de verzoekende partijen geenszins aantonen dat producenten en dienstenverstrekkers uit andere landen worden benadeeld op het vlak van de toegang tot de Belgische markt. Hij wijst bovendien erop dat het Hof de vroeger geldende bepaling die voorzag in een gelijksoortig verbod als het te dezen bestreden verbod, grondwettig heeft geacht. A.6.2. In zoverre het eerste middel is afgeleid uit de schending van het recht van de Europese Unie, merkt de Ministerraad op dat het Hof niet bevoegd is om wetskrachtige normen rechtstreeks te toetsen aan dat recht. Hij meent dat het louter vermelden van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in het middel, te dezen niet volstaat om een schending van het recht van de Europese Unie te kunnen aanvoeren. Om die reden is hij ook van oordeel dat het niet dienstig is om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. A.6.3. Volgens de Ministerraad kent de richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 « inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie » (hierna : de richtlijn (EU) 2015/849) aan de lidstaten van de Europese Unie een ruime reguleringsbevoegdheid toe op het vlak van betalingen in contanten. Hij verwijst ter zake naar de zesde overweging van die richtlijn. Hij wijst bovendien erop dat transacties in verband met edele metalen in het kader van die richtlijn als transacties met een potentieel hoger witwasrisico worden beschouwd. Hij is van oordeel dat de bestreden bepaling in overeenstemming is met de Europese voorschriften die witwaspraktijken en financiële criminaliteit tot een minimum beogen te beperken. A.6.4. Wat het niet-inwinnen van het advies van de ECB betreft, doet de Ministerraad gelden dat vroeger reeds adviezen werden ingewonnen betreffende voorgenomen regelgeving inzake betalingen in contanten en dat uit een advies van de ECB van 8 december 2023 blijkt dat de wetgever wel degelijk een verbod op het betalen in contanten kan invoeren. Hij meent dat te dezen is voldaan aan de voorwaarden die de ECB in dat advies heeft gesteld voor het uitsluiten van de mogelijkheid om te betalen in contanten. 6 Wat het tweede middel betreft A.7. Het tweede middel is afgeleid uit de schending, door de bestreden bepaling, van de artikelen 10, 11, 16, 19, 22bis, 22ter, 23 en 27 van de Grondwet en van artikel 6, § 1, VI, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, in samenhang gelezen met de beginselen van behoorlijk bestuur en van evenredigheid, met de vrijheid van handel en nijverheid, zoals tot bij de aanname van artikel II.3 van het Wetboek van economisch recht gewaarborgd door het decreet d’Allarde van 2-17 maart 1791, met de artikelen 3, lid 1, c), 34, 35, 36, 56 en volgende, 63 en volgende en 127 tot en met 133 van het VWEU, met de artikelen 10 en 11 van de verordening (EG) nr. 974/98, met artikel 2, lid 1, van de beschikking 98/415/EG, met artikel 2, lid 1, 3, e), en overweging 6 van de richtlijn (EU) 2015/849, met de artikelen 25, 26, 36, 37, 47, 48 en 49 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met de artikelen 6, 8 en 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de artikelen 5, 9, 12, 16, 19 en 26 van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. A.8.1. De verzoekende partijen bekritiseren allereerst het feit dat de wetgever bij de wet van 9 februari 2024, enerzijds, het recht op betalen in contanten voor consumenten in het algemeen heeft bevestigd, onder meer met het oog op het beschermen van bepaalde categorieën van personen, en, anderzijds, de mogelijkheid om te betalen in contanten in de metaalrecyclagesector volledig heeft uitgesloten en de identificatie en de registratie van de consument in het kader van die sector heeft afgeschaft zonder adequate overgangsregeling. Zij bekritiseren tevens het feit dat de ECB niet werd geraadpleegd over de tweede regeling, terwijl dat wel is gebeurd met betrekking tot de eerste regeling. Zij menen dat het aldus in het leven geroepen verschil in behandeling niet redelijk is verantwoord en dat de bestreden bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt. Zij menen eveneens dat die bepaling het recht van de Europese Unie schendt en dat een schending van dat recht eveneens een strijdigheid oplevert met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. A.8.2. De verzoekende partijen menen vervolgens dat de bestreden bepaling het vrij verkeer van goederen, diensten, personen en kapitaal beperkt, doordat zij oneerlijke concurrentie in het leven roept tussen in België gevestigde ondernemingen en ondernemingen die gevestigd zijn in buurlanden van België. Zij wijzen erop dat in Nederland en Duitsland minder strenge regels gelden op het vlak van betalingen in contanten in de metaalrecyclagesector. A.8.3. De verzoekende partijen menen eveneens dat de bestreden bepaling op onevenredige wijze afbreuk doet aan de betalingswaarde van eurobiljetten en -munten, betalingswaarde die volgens hen wordt gewaarborgd door de artikelen 3, lid 1, c), 127, lid 4, en 128, lid 1, van het VWEU en door de artikelen 10 en 11 van de verordening (EG) nr. 974/98. Zij verwijzen naar rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, waaruit zij afleiden dat een nationale regeling niet rechtens of feitelijk mag leiden tot de afschaffing van de eurobiljetten. Minstens moet een beperking van betaling in contanten volgens hen geschikt zijn om de nagestreefde doelstelling van openbaar belang te verwezenlijken en mag die beperking niet verder gaan dan hetgeen noodzakelijk is om die doelstelling te bereiken. Volgens hen is aan die voorwaarden te dezen niet voldaan. A.8.4. De verzoekende partijen bekritiseren in het kader van hun tweede middel nogmaals het feit dat geen advies werd gevraagd aan de ECB over de bestreden bepaling. Zij beargumenteren hun standpunt op een gelijksoortige wijze als bij het eerste middel. A.8.5. De verzoekende partijen wijzen vervolgens erop dat op elke onderneming reeds een meldingsplicht rust indien zij contante betalingen van 10 000 euro of meer verricht of ontvangt. Zij verwijzen daarbij naar artikel 2, lid 1, 3, e), en overweging 6 van de richtlijn (EU) 2015/849 en leiden eruit af dat contante betalingen van 10 000 euro of meer in beginsel toegelaten dienen te worden. Zij menen dat het recht op een eerlijk proces, en de daaruit voortvloeiende beginselen van het vermoeden van onschuld, niet-incriminatie en het verbod op uitlokking, verhinderen dat betalingen in contanten onder het bedrag van 10 000 euro verboden worden. Zij suggereren het Hof om met betrekking tot die problematiek een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Zij verwijzen ook naar het advies van de ECB over de vóór de inwerkingtreding van de wet van 9 februari 2024 in België geldende regeling voor de metaalrecyclagesector en wijzen erop dat de ECB van oordeel is geweest dat de toen geldende limiet van 500 euro voor betalingen in contanten onevenredig laag was, ongeacht de intentie van de wetgever. A.8.6. Volgens de verzoekende partijen discrimineert de bestreden bepaling bovendien de personen die geen of een verminderde toegang hebben tot elektronische betaalmiddelen, zoals ouderen en personen die om ethische redenen niet wensen samen te werken met banken. Zij menen dat die bepaling op een ongerechtvaardigde wijze de toegang van die personen tot goederen en diensten die publiekelijk beschikbaar zijn, beperkt. Zij zijn van 7 oordeel dat de bestreden bepaling aldus ook afbreuk doet aan het recht op een menswaardig leven. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie leiden zij nog af dat, hoewel de lidstaten van de Europese Unie betalingen in contanten kunnen beperken, zij in ieder geval aan de personen die geen toegang hebben tot elektronische betaalmiddelen, de mogelijkheid moeten bieden om in contanten te betalen. Zij beklemtonen in dat verband dat de bestreden bepaling in geen enkele uitzondering voorziet voor personen die geen toegang hebben tot elektronische betaalmiddelen. A.8.7. De verzoekende partijen bekritiseren eveneens het feit dat de metaalrecyclagesector en de consumenten in die sector niet werden betrokken bij de totstandkoming van de bestreden bepaling, terwijl andere « stakeholders » wel werden betrokken. Zij menen dat de bestreden bepaling ook om die reden strijdig is met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Zij doen ook gelden dat die bepaling nefast is voor het leefmilieu, daar zij met zich meebrengt dat minder mensen geneigd zullen zijn om metaalafval te bezorgen aan ondernemingen die instaan voor de recyclage ervan. Zij voeren eveneens aan dat die bepaling problematisch is in het kader van de vrijheid van meningsuiting en van het recht op eerbiediging van het privéleven. Zij menen dat betalingen een meningsuiting vormen en dat het recht op eerbiediging van het privéleven het recht inhoudt om bankgegevens niet door te geven. Zij menen ook dat de bestreden bepaling het vermoeden van onschuld schendt, daar die ervan uitgaat dat de metaalrecyclagesector uitsluitend bestaat uit criminelen. A.8.8. De verzoekende partijen bekritiseren ten slotte het feit dat de bestreden bepaling niet in een overgangsregeling voorziet. Zij verwijzen naar rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, waaruit zij afleiden dat dient te worden voorzien in een redelijke overgangstermijn voor overheidsmaatregelen die het vrij verkeer van goederen beïnvloeden. Zij wijzen erop dat hun sectorfederatie pas op 28 maart 2024 aan haar leden kon melden dat de bestreden bepaling in werking zou treden op 31 maart 2024 en dat op 29 maart 2024 de banken gesloten waren, evenals op 1 april 2024. Zij wijzen in dat verband ook erop dat de inspectiedienst heeft aangegeven dat zij begrijpt dat ondernemingen meer tijd nodig hebben om zich aan te passen. Zij menen dat de ontstentenis van een overgangsregeling niet alleen in strijd is met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, maar eveneens oneerlijke concurrentie in de hand werkt. A.9.1. Volgens de Ministerraad laten de verzoekende partijen na om op een concrete wijze de verschillende geschonden geachte referentienormen uiteen te zetten in het licht van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Hij wijst nogmaals erop dat het Hof niet bevoegd is om wetskrachtige normen rechtstreeks te toetsen aan internationale normen. A.9.2. De Ministerraad is van oordeel dat meerdere van de in het kader van het tweede middel aangevoerde kritieken gebaseerd zijn op loutere hypotheses die de verzoekende partijen niet uitwerken en waarbij zij evenmin aantonen dat die hypotheses berusten op waarheid of dat ze werkelijkheid zouden kunnen worden. Hij meent dat dit het geval is voor de beweringen van de verzoekende partijen dat de metaalsector niet werd betrokken bij de totstandkoming van de bestreden bepaling, dat die bepaling nefast zou zijn voor het leefmilieu, dat de vrijheid van meningsuiting zou zijn geschonden en dat de gehele metaalrecyclagesector als gevolg van de bestreden bepaling als crimineel zou worden beschouwd. A.9.3.1. Wat de aangevoerde schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie betreft, meent de Ministerraad allereerst dat de verzoekende partijen niet uiteenzetten op welke wijze de bestreden bepaling een verschil in behandeling of een gelijke behandeling in het leven zou roepen. A.9.3.2. De Ministerraad meent bovendien dat de metaalsector onvoldoende vergelijkbaar is met andere sectoren, daar er zich in de metaalsector veel misbruiken voordoen. Hij meent bovendien dat de situatie van consumenten die geen toegang hebben tot elektronische betaalmiddelen onvoldoende vergelijkbaar is met de situatie van andere consumenten. A.9.3.3. In zoverre zou moeten worden aanvaard dat de beoogde situaties vergelijkbaar zijn, meent de Ministerraad dat het verschil in behandeling redelijk is verantwoord. Met verwijzing naar het arrest van het Hof nr. 141/2019 van 17 oktober 2019 (ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.141) doet hij gelden dat het verschil in behandeling op een objectief criterium berust, meer bepaald de aard van het goed dat het voorwerp vormt van de verrichting, en dat ermee een wettig doel wordt nagestreefd, meer bepaald het voorkomen van misbruiken in de metaalrecyclagesector. Hij meent bovendien dat de bestreden bepaling pertinent en evenredig is ten aanzien van het nagestreefde doel. In dat kader doet hij gelden dat een minder verregaande maatregel, zoals die vervat in de vroegere regelgeving, niet doeltreffend is en dat elektronische betaalmiddelen wijdverspreid zijn, waardoor er alternatieven beschikbaar zijn voor het betalen in contanten. 8 A.9.4. Wat de aangevoerde schending van de vrijheid van ondernemen betreft, meent de Ministerraad allereerst dat er geen sprake is van een beperking van die vrijheid, daar elektronische betalingen mogelijk blijven en daar elke onderneming recht heeft op een basisbankdienst. Indien niettemin zou worden geoordeeld dat er wel degelijk sprake is van een beperking van de vrijheid van ondernemen, is die beperking volgens hem redelijk verantwoord door een reden van algemeen belang. Hij verwijst ter zake naar het voormelde arrest van het Hof nr. 141/2019. A.9.5. Wat de aangevoerde schending van het vrij verkeer van personen, diensten, goederen en kapitaal betreft, meent de Ministerraad dat de verzoekende partijen verkeerde conclusies trekken uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Uit die rechtspraak blijkt volgens hem dat het recht van de Europese Unie zich niet zonder meer verzet tegen nationale regelingen die beperkingen invoeren op het betalen in contanten om redenen van openbaar belang, zoals redenen die verband houden met de bestrijding van criminaliteit. Die visie sluit volgens hem ook aan bij de zesde overweging van de richtlijn (EU) 2015/849. Hij meent dat de bestreden bepaling evenredig is ten aanzien van de door de wetgever nagestreefde doelstellingen van algemeen belang. A.9.6. Wat de kritiek inzake het ontbreken van een overgangsregeling betreft, is de Ministerraad van oordeel dat het aan de wetgever staat te beoordelen of het noodzakelijk of opportuun is te voorzien in een overgangsregeling. Hij meent dat de verzoekende partijen niet aantonen dat het ontbreken van een dergelijke regeling te dezen niet verantwoord is. Hij wijst bovendien erop dat de inspectiediensten hebben medegedeeld dat er tot 31 december 2024 een tolerantieperiode loopt tijdens welke geen boetes zullen worden opgelegd. -B- Ten aanzien van de bestreden bepaling en de context ervan B.1. De verzoekende partijen vorderen de schorsing en de vernietiging van artikel 166 van de wet van 9 februari 2024 « houdende diverse bepalingen inzake economie » (hierna : de wet van 9 februari 2024), dat artikel 67, § 2, tweede lid, van de wet van 18 september 2017 « tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten » (hierna : de wet van 18 september 2017) vervangt als volgt : « Behalve in het geval van een openbare verkoop onder toezicht van een deurwaarder, mag de betaling voor koperen kabels, oude metalen of goederen die edele materialen bevatten echter niet in contanten worden gedaan of ontvangen wanneer de koper geen consument is, tenzij deze edele materialen slechts in kleine hoeveelheden aanwezig zijn en uitsluitend vanwege hun noodzakelijke fysieke eigenschappen ». Bij gebrek aan een bepaling in de wet van 9 februari 2024 op het vlak van de inwerkingtreding van artikel 166, is dat artikel in werking getreden de tiende dag na de bekendmaking van de wet van 9 februari 2024 in het Belgisch Staatsblad van 21 maart 2024. B.2. Vóór de vervanging ervan bij artikel 166 van de wet van 9 februari 2024 bepaalde artikel 67, § 2, tweede lid, van de wet van 18 september 2017 : 9 « Behalve in geval van openbare verkoop, uitgevoerd onder het toezicht van een gerechtsdeurwaarder : 1° mag de betaling van koperkabels niet in contanten worden verricht of ontvangen, wanneer de koper geen consument is; 2° mag de betaling van oude metalen of goederen die edele stoffen bevatten, tenzij deze edele stoffen slechts in kleine hoeveelheid en enkel omwille van hun noodzakelijke fysische eigenschappen aanwezig zijn :
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.