id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 10 juli 2024 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.080 Arrest- Rolnummer: 80/2024 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-08-08 Raadplegingen: 336 - laatst gezien 2026-06-17 08:06 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche 1. Geen schending (artikel 31, tweede lid, 4°, van het WIB 1992, zoals het van toepassing was op het aanslagjaar 2012, in zoverre het de vergoedingen belastbaar stelt die zijn gevormd door middel van premies bedoeld in artikel 52, 3°, b), vierde streepje, van hetzelfde Wetboek, en die worden uitgekeerd ter uitvoering van een verzekeringsovereenkomst gesloten door de vennootschap waarvan het slachtoffer de bedrijfsleider is, ingevolge een tijdelijke arbeidsongeschiktheid die voor het slachtoffer geen daadwerkelijke derving van beroepsinkomsten heeft veroorzaakt) 2. Geen schending (artikel 34, § 1, 1°, van het WIB 1992, zoals het van toepassing was op het aanslagjaar 2015, in zoverre het de vergoedingen belastbaar stelt die worden uitgekeerd ter uitvoering van een verzekeringsovereenkomst gesloten door de vennootschap waarvan het slachtoffer de bedrijfsleider is, ingevolge een blijvende arbeidsongeschiktheid die voor het slachtoffer geen daadwerkelijke derving van beroepsinkomsten heeft veroorzaakt) 3. Geen schending (artikel 34, § 1, 2°, b), van het WIB 1992, zoals het van toepassing was op het aanslagjaar 2015, in zoverre het de vergoedingen belastbaar stelt die worden uitgekeerd ter uitvoering van een verzekeringsovereenkomst gesloten door de vennootschap waarvan het slachtoffer de bedrijfsleider is, ingevolge een blijvende arbeidsongeschiktheid die voor het slachtoffer geen daadwerkelijke derving van beroepsinkomsten heeft veroorzaakt) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen betreffende de artikelen 31, tweede lid, 4°, 32, tweede lid, 2°, en 34, § 1, 1°, 1°bis en 2°, b), van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gesteld door het Hof van Beroep te Luik. Fiscaal recht - Inkomstenbelastingen - Personenbelastingen - Vergoedingen die worden uitgekeerd ter uitvoering van een verzekeringscontract dat de arbeidsongeschiktheid dekt (gewaarborgd inkomen) - Geen inkomstenderving - Belastbaarheid Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 80/2024 van 10 juli 2024 Rolnummer : 7995 In zake : de prejudiciële vragen betreffende de artikelen 31, tweede lid, 4°, 32, tweede lid, 2°, en 34, § 1, 1°, 1°bis en 2°, b), van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gesteld door het Hof van Beroep te Luik. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij arrest van 21 april 2023, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 11 mei 2023, heeft het Hof van Beroep te Luik de volgende prejudiciële vragen gesteld : « Schenden artikel 32, tweede lid, 2°, en 31, tweede lid, 4°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre zij de vergoedingen belasten die zijn gevormd door middel van premies bedoeld in artikel 52, 3°, b), vierde streepje, en die zijn verkregen in het kader van een collectieve of individuele verzekeringsovereenkomst gesloten door de werkgever van het slachtoffer of door de vennootschap waarvan het slachtoffer bedrijfsleider is, naar aanleiding van een tijdelijke arbeidsongeschiktheid, zonder dat er voor het slachtoffer een effectieve derving van beroepsinkomsten is en zonder dat het slachtoffer ooit de verzekeringspremies met betrekking tot die ongeschiktheid heeft afgetrokken als bedrijfslasten, terwijl dezelfde vergoedingen die worden uitbetaald ter uitvoering van een individuele verzekeringsovereenkomst tegen lichamelijke ongevallen zonder dat er evenmin een inkomstenderving is voor het slachtoffer, niet aan de belasting worden onderworpen overeenkomstig artikel 38, 8°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen en terwijl dezelfde vergoedingen die worden uitbetaald als gevolg van een gemeenrechtelijke vordering inzake burgerrechtelijke aansprakelijkheid niet belastbaar zijn wanneer er geen derving van bezoldiging is ? 2 Schendt artikel 34, § 1, 1° en 1°bis, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het aan de inkomstenbelasting vergoedingen onderwerpt die zijn verkregen in het kader van een collectieve of individuele verzekeringsovereenkomst gesloten door de werkgever van het slachtoffer of door de vennootschap waarvan het slachtoffer bedrijfsleider is, naar aanleiding van een blijvende arbeidsongeschiktheid, zonder dat er voor het slachtoffer een effectieve derving van beroepsinkomsten is en zonder dat het slachtoffer ooit de verzekeringspremies met betrekking tot die ongeschiktheid heeft afgetrokken als bedrijfslasten, terwijl dezelfde vergoedingen die met toepassing van de arbeidsongevallenwetgeving overeenkomstig artikel 39, § 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 of met toepassing van het gemeen recht worden uitbetaald ter vergoeding van een blijvende arbeidsongeschiktheid, wanneer er geen derving van beroepsinkomsten is, niet aan de belasting zijn onderworpen ? Schendt artikel 34, § 1, 2°, b), van het WIB 1992 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het vergoedingen belastbaar maakt die worden uitbetaald door een verzekeringsmaatschappij naar aanleiding van een blijvende arbeidsongeschiktheid zonder dat er een derving van beroepsinkomsten is voor de begunstigde die de premies niet heeft kunnen aftrekken als bedrijfslasten, terwijl dezelfde vergoedingen, wanneer er geen derving van beroepsinkomsten is, niet belastbaar zouden zijn indien zij zouden zijn uitbetaald in het kader van de uitvoering van een individuele verzekeringsovereenkomst tegen lichamelijke ongevallen of ingevolge een gemeenrechtelijke vordering of in het kader van de uitvoering van een verzekeringsovereenkomst invaliditeit/ongeschiktheid, van het type ‘ gewaarborgd inkomen ’, gefinancierd met persoonlijke bijdragen van het slachtoffer die niet zijn afgetrokken als bedrijfslasten ? ». Geen enkele ontvankelijke memorie werd ingediend. Bij beschikking van 24 april 2024 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Magali Plovie en Willem Verrijdt te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, dat de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Een bvba heeft ten gunste van haar zaakvoerder een verzekeringspolis van het type « gewaarborgd inkomen » gesloten. Die bvba betaalt de premies van de verzekeringspolis, die zij vervolgens aftrekt als beroepskosten. Op 26 november 2008 doet de zaakvoerder-begunstigde van de verzekering een schadeaangifte, waaraan de verzekeringsmaatschappij gevolg geeft door hem vergoedingen uit te keren. Bij het Hof van Beroep te Luik is een geschil aanhangig gemaakt, tussen de Belgische Staat en de zaakvoerder van de bvba die de vergoedingen ontvangt, over de onderwerping aan de inkomstenbelasting van de vergoedingen die onder de aanslagjaren 2012 en 2015 vallen. Bij een arrest van 10 januari 2022 stelde dat Hof van Beroep de datum van consolidatie van de ongeschiktheid vast op 1 mei 2013. De begunstigde van de vergoedingen was bijgevolg tijdelijk arbeidsongeschikt in 2011 (aanslagjaar 2012) en blijvend arbeidsongeschikt in 2014 (aanslagjaar 2015). Het Hof van Beroep wijst erop dat 3 hij gedurende die twee jaar geen bezoldiging heeft gederfd, zodat de vergoedingen niet werden verkregen tot herstel van een derving van bezoldigingen. Het Hof van Beroep te Luik vraagt zich af of de bepalingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen die de door de verzekeringsmaatschappij uitgekeerde vergoedingen in geval van een tijdelijke of blijvende arbeidsongeschiktheid in het kader van een verzekeringspolis « gewaarborgd inkomen » belastbaar stellen, bestaanbaar zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Het gaat in op het verzoek van de geïntimeerde om de hiervoor weergegeven prejudiciële vragen, mits ze lichtjes worden gewijzigd, aan het Hof voor te leggen. III. En droit -A- Er werd geen enkele memorie rechtsgeldig ingediend. -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen B.1.1. De eerste prejudiciële vraag heeft betrekking op de artikelen 32, tweede lid, 2°, en 31, tweede lid, 4°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna : het WIB 1992). Zoals het van toepassing was tijdens het aanslagjaar 2012, bepaalde artikel 32 van het WIB 1992 : « Bezoldigingen van bedrijfsleiders zijn alle beloningen verleend of toegekend aan een natuurlijk persoon die : 1° een opdracht als bestuurder, zaakvoerder, vereffenaar of gelijksoortige functies uitoefent; 2° in de vennootschap een leidende functie of een leidende werkzaamheid van dagelijks bestuur, van commerciële, financiële of technische aard, uitoefent buiten een arbeidsovereenkomst. Daartoe behoren inzonderheid : […] 2° voordelen, vergoedingen en bezoldigingen die in wezen gelijkaardig zijn aan die vermeld in artikel 31, tweede lid, 2° tot 5°; 4 […] ». Zoals het van toepassing was tijdens hetzelfde aanslagjaar, bepaalde artikel 31, eerste en tweede lid, van het WIB 1992 : « Bezoldigingen van werknemers zijn alle beloningen die voor de werknemer de opbrengst zijn van arbeid in dienst van een werkgever. Daartoe behoren inzonderheid : […] 4° vergoedingen verkregen tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van bezoldigingen, daarin begrepen de vergoedingen die worden toegekend in uitvoering van een solidariteitstoezegging als bedoeld in de artikelen 10 en 11 van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid, en de vergoedingen die zijn gevormd door middel van bijdragen en premies als bedoeld in artikel 52, 3°, b, vierde streepje; […] ». B.1.2. Krachtens artikel 52, 3°, b), vierde streepje, van het WIB 1992, worden als beroepskosten aangemerkt de werkgeversbijdragen gestort ter uitvoering van : « een collectieve of individuele toezegging die moet worden beschouwd als een aanvulling van de wettelijke uitkeringen bij overlijden of arbeidsongeschiktheid door arbeidsongeval of ongeval ofwel beroepsziekte of ziekte; ». B.2.1. De tweede prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 34, § 1, 1° en 1°bis, van het WIB 1992. De derde prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 34, § 1, 2°, b), van het WIB 1992. Zoals het van toepassing was tijdens het aanslagjaar 2015, bepaalde artikel 34, § 1, van het WIB 1992 : « Pensioenen, renten en als zodanig geldende toelagen omvatten, ongeacht de schuldenaar, de verkrijger of de benaming ervan en de wijze waarop ze worden vastgesteld en toegekend : 1° pensioenen en lijfrenten of tijdelijke renten, alsmede als zodanig geldende toelagen, die rechtstreeks of onrechtstreeks betrekking hebben op een beroepswerkzaamheid; 5 1°bis pensioenen en lijfrenten of tijdelijke renten, alsmede als zodanig geldende toelagen, die het gehele of gedeeltelijke herstel van een bestendige derving van winst, bezoldigingen of baten uitmaken; 2° kapitalen, afkoopwaarden van levensverzekeringscontracten, pensioenen, aanvullende pensioenen en renten, die geheel of gedeeltelijk zijn gevormd door middel van : […]
- b)bijdragen en premies voor de vorming van een aanvullend pensioen als bedoeld in de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid, daarin begrepen de aanvullende pensioenen die worden toegekend in uitvoering van een solidariteitstoezegging als bedoeld in de artikelen 10 en 11 van de genoemde wet en de pensioenen die zijn gevormd door middel van bijdragen en premies als bedoeld in artikel 38, § 1, eerste lid, 18° en 19°; [...] ». B.2.2. Krachtens artikel 38, § 1, eerste lid, 19°, van het WIB 1992, zijn ten aanzien van de bedrijfsleiders vrijgesteld : « de voordelen die voor de bedrijfsleiders die in artikel 30, 2°, bedoelde bezoldigingen verkrijgen, voortvloeien uit de op de onderneming of op de in artikel 220 of 227, 3°, bedoelde rechtspersoon rustende betaling van bijdragen en premies als bedoeld in artikel 52, 3°, b, die betrekking hebben op bezoldigingen die regelmatig en tenminste om de maand worden betaald of toegekend vóór het einde van het belastbare tijdperk waarin de ertoe aanleiding gevende bezoldigde werkzaamheden zijn verricht en mits zij op de resultaten van dat tijdperk worden aangerekend ». Ten aanzien van de prejudiciële vragen B.3.1. De drie prejudiciële vragen hebben betrekking op het onderwerpen aan de inkomstenbelasting van vergoedingen die worden uitgekeerd door een verzekeringsmaatschappij ter uitvoering van een verzekeringsovereenkomst die door een onderneming is gesloten ten gunste van haar bedrijfsleider, ter compensatie van een tijdelijke (eerste vraag) of blijvende (tweede en derde vraag) arbeidsongeschiktheid ten gevolge van een ziekte. De premies van de verzekeringsovereenkomst zijn betaald en als beroepskosten afgetrokken door de vennootschap waarvan de begunstigde de bedrijfsleider is. 6 Het verwijzende rechtscollege heeft te dezen vastgesteld dat de betrokken bedrijfsleider geen inkomsten heeft gederfd als gevolg van zijn ziekte, en heeft daaruit afgeleid dat de in het geding zijnde vergoedingen niet zijn verkregen tot volledig of gedeeltelijk herstel van een derving van bezoldigingen. B.3.2. Met toepassing van de in het geding zijnde bepalingen worden de vergoedingen voorzien bij een verzekeringsovereenkomst van het type « gewaarborgd inkomen » die door een onderneming werd gesloten ten gunste van haar bedrijfsleider, en die worden toegekend bij het intreden van het verzekerde risico, dat wil zeggen van de tijdelijke of blijvende arbeidsongeschiktheid als gevolg van een ziekte, aan belasting onderworpen, zelfs wanneer de begunstigde geen inkomensverlies heeft geleden wegens die ongeschiktheid. B.3.3. De vergoedingen die aan een bedrijfsleider worden uitgekeerd wegens een tijdelijke arbeidsongeschiktheid, zijn immers gevormd door middel van de bijdragen en premies die door de onderneming zijn betaald en worden, ten aanzien van die laatste, als beroepskosten beschouwd (artikelen 31, eerste en tweede lid, 4°, en 52, 3°, b), vierde streepje, van het WIB 1992). Volgens het verwijzende rechtscollege kunnen de vergoedingen die aan een bedrijfsleider worden uitgekeerd wegens een blijvende arbeidsongeschiktheid ofwel worden geacht rechtstreeks of onrechtstreeks betrekking te hebben op een beroepswerkzaamheid (artikel 34, § 1, 1°, van het WIB 1992), ofwel de categorie van de vergoedingen omvatten die zijn gevormd door middel van bijdragen en premies die door de onderneming zijn betaald en die, ten aanzien van die laatste, als beroepskosten worden beschouwd (artikelen 34, § 1, 2°, 38, § 1, eerste lid, 19°, en 52, 3°, b), vierde streepje, van het WIB 1992). B.4.1. Hoewel de bepalingen betreffende de belastingheffing op de vergoeding ter compensatie van een tijdelijke ongeschiktheid, enerzijds, en op de vergoeding ter compensatie van een blijvende ongeschiktheid, anderzijds, niet identiek zijn, heeft de omstandigheid dat de vergoeding een tijdelijke ongeschiktheid of een blijvende ongeschiktheid compenseert, geen weerslag op het onderzoek van de aan het Hof voorgelegde verschillen in behandeling. Hetzelfde geldt voor de twee wetsbepalingen die, volgens het verwijzende rechtscollege, de basis zouden kunnen vormen van de belastingheffing op de vergoedingen die worden uitgekeerd wegens een blijvende ongeschiktheid. Het Hof onderzoekt de drie vragen dus samen. 7 B.4.2. Het Hof wordt verzocht de vergoedingen die worden uitgekeerd in de in de prejudiciële vragen beoogde situaties te vergelijken met de vergoedingen die worden uitgekeerd ter uitvoering van een individuele verzekeringsovereenkomst tegen lichamelijke ongevallen (eerste en derde vraag), met de vergoedingen die worden uitgekeerd door de persoon die aansprakelijk is voor een gemeenrechtelijk ongeval (eerste, tweede en derde vraag), met de vergoedingen die worden uitgekeerd met toepassing van de arbeidsongevallenwetgeving (tweede vraag) en met de vergoedingen die worden uitgekeerd ter uitvoering van een verzekeringsovereenkomst van het type « gewaarborgd inkomen » die wordt gefinancierd met persoonlijke bijdragen die de begunstigde niet in aftrek heeft gebracht als beroepskosten (derde vraag). B.5.1. De vergoedingen verkregen ter uitvoering van een individuele verzekeringsovereenkomst tegen lichamelijke ongevallen, zijn vrijgesteld krachtens artikel 38, § 1, eerste lid, 8°, van het WIB 1992. Krachtens artikel 39, § 1, van het WIB 1992 zijn de in artikel 34, § 1, 1°, vermelde pensioenen, renten of toelagen, die zijn toegekend met toepassing van de wetgeving op de arbeidsongevallen of de wetgeving op de beroepsziekten, vrijgesteld in de mate dat zij geen herstel van een bestendige derving van winst, bezoldigingen of baten uitmaken. De vergoedingen die worden uitgekeerd door de persoon die aansprakelijk is voor een gemeenrechtelijk ongeval, worden niet als belastbare inkomsten beschouwd. Tot slot leidt het verwijzende rechtscollege uit het arrest van het Hof nr. 102/2005 van 1 juni 2005 (ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.102) af dat, wanneer de begunstigde zelf een verzekeringsovereenkomst van het type « gewaarborgd inkomen » heeft gesloten en de door hem betaalde premies niet in aftrek heeft gebracht, de vergoeding die hem wordt uitgekeerd bij het intreden van het verzekerde risico, evenmin belastbaar is. Bij dat arrest, en bij het arrest nr. 73/2007 van 10 mei 2007 (ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.073), heeft het Hof immers geoordeeld dat de omstandigheid dat de jaarlijkse verzekeringspremie al dan niet door de begunstigde van de vergoeding werd afgetrokken als beroepskost, een verschil in behandeling kon verantwoorden wat betreft de belastingheffing op de vergoedingen die bij het intreden van het verzekerde risico worden uitgekeerd. 8 B.5.2. De in het geding zijnde bepalingen doen dus meerdere verschillen in behandeling ontstaan onder belastingplichtigen die vergoedingen ontvangen in geval van een arbeidsongeschiktheid die het gevolg is van een ongeval of een ziekte en die geen inkomensverlies heeft veroorzaakt. B.6. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.7.1. Bij het arrest nr. 120/2001 van 10 oktober 2001 (ECLI:BE:GHCC:2001:ARR.120) heeft het Hof voor recht gezegd : « Artikel 32bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1964, thans artikel 34, § 1, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, vóór de wijziging ervan bij de wet van 19 juli 2000, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat het de vergoedingen uitgekeerd door een verzekeringsmaatschappij tot herstel van een fysiologische en/of economische invaliditeit belastbaar stelt, zonder dat er voor het slachtoffer een inkomstenderving is, en terwijl de premies verbonden aan het verzekeringscontract door de begunstigde van de vergoeding niet als beroepskosten werden afgetrokken ». B.7.2. Bij het arrest nr. 55/2003 van 30 april 2003 (ECLI:BE:GHCC:2003:ARR.055) heeft het Hof voor recht gezegd : « Doordat het de bedragen die ter uitvoering van een collectief verzekeringscontract, gesloten door de werkgever van het slachtoffer, gestort zijn om een fysiologische en/of economische invaliditeit veroorzaakt door een ongeval te vergoeden, belastbaar maakt zonder dat het slachtoffer inkomsten heeft gederfd, schendt artikel 34, § 1, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet ». De in dat arrest vastgestelde ongrondwettigheid had betrekking op de omstandigheid dat een vergoeding die werd uitgekeerd ter uitvoering van een collectief verzekeringscontract « gewaarborgd inkomen » tot herstel van fysiologische of economische invaliditeit en zonder 9 inkomstenverlies, belastbaar was. Het betrof een verzekering, aangegaan en betaald door de werkgever van de begunstigde, die dus niet over de mogelijkheid beschikte om de premies als beroepskosten af te trekken. B.7.3. Bij het arrest nr. 146/2008 van 30 oktober 2008 (ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.146) heeft het Hof voor recht gezegd : « Artikel 31, tweede lid, 4°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, in de redactie zoals van toepassing voor het aanslagjaar 1998, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat het de bedragen die ter uitvoering van een collectief verzekeringscontract, gesloten door de werkgever van het slachtoffer, gestort zijn om een fysiologische en/of economische invaliditeit veroorzaakt door een ongeval te vergoeden, belastbaar maakt zonder dat het slachtoffer inkomsten heeft gederfd ». B.8. Voorts oordeelde het Hof, in vrijwel identieke bewoordingen, bij de voormelde arresten nrs. 55/2003 en 146/2008 : « Wanneer het verzekeringscontract is gesloten door de werkgever van de begunstigde, kan die laatste de premies niet aftrekken als beroepskosten omdat hij ze niet heeft betaald. De begunstigde van de vergoeding is vreemd aan het feit dat de werkgever de premies eventueel had kunnen aftrekken. Het feit dat de premies in voorkomend geval zijn afgetrokken, kan onmogelijk invloed hebben op de grondslag van de belasting, zoals die kan worden afgeleid uit artikel , van het WIB 1992, geïnterpreteerd in het licht van de wil van de wetgever zoals uitgedrukt in de parlementaire voorbereiding van de wet van 5 januari 1976, namelijk de belasting gronden op de derving van beroepsinkomsten en de compensatie daarvan door de gestorte vergoeding. Het criterium van onderscheid kan dan ook niet als pertinent worden beschouwd ten aanzien van het doel van de bepaling ». B.9. De arresten nrs. 55/2003 en 146/2008 hadden betrekking op aanslagjaren voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet van 28 april 2003 « betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid » (hierna : de wet van 28 april 2003), waarvan de artikelen 74, 75, 1°, en 76, 1°, respectievelijk de artikelen 31, tweede lid, 4°, 34, § 1, 2°, b), en 38, § 1, eerste lid, 19°, van het WIB 1992 hebben gewijzigd. De voorliggende prejudiciële vragen betreffen aanslagjaren na de inwerkingtreding van die wet. 10 B.10.1. Uit de verantwoording van de amendementen van de Regering die hebben geleid tot de invoeging van de voormelde bepalingen in het WIB 1992 bij de wet van 28 april 2003, blijkt dat de wetgever het beginsel wilde aannemen dat, « voor een aantal toezeggingen, slechts een belastingheffing mag plaatsvinden ofwel aan het begin (verwerping van de aftrek van de betaalde bijdragen of -premies en bijgevolg vrijstelling van de uitkeringen) ofwel aan het einde (aftrek van de bijdragen of -premies en bijgevolg belastingheffing over de uitkeringen) » (Parl. St., Kamer, 2002-2003, DOC 50-1340/007, p. 9), zodat « het voor de hiervoor bedoelde vergoedingen geen enkel belang heeft of zij al dan niet een daadwerkelijk verlies van inkomsten dekken » (ibid., p. 10). B.10.2. In haar advies over die amendementen heeft de afdeling wetgeving van de Raad van State opgemerkt dat de ontworpen bepalingen een discriminatie in stand hielden die door het Hof strijdig was geacht met het gelijkheidsbeginsel, meer bepaald bij het voormelde arrest nr. 120/2001 (ibid., p. 157). De wetgever gaf, in antwoord op die opmerking, aan : « De Raad van State merkt op dat de voorgestelde tekst niet voldoet aan het arrest nr. 120/2001 van 10 oktober 2001 van het Arbitragehof. Dit arrest stelt dat de belastingheffing over vergoedingen die rechtstreeks of onrechtstreeks betrekking hebben op een beroepswerkzaamheid en die door een verzekeringsmaatschappij worden uitgekeerd tot herstel van een fysiologische en/of economische invaliditeit, zonder dat er sprake is van inkomensderving voor het slachtoffer en zonder dat de begunstigde van de vergoeding de premies verbonden aan het contract als beroepskosten heeft afgetrokken, in strijd is met de bepalingen van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Die problematiek treft onder meer de artikelen 31, 34 en 39, WIB 92 en vereist inzonderheid de volledige herwerking van artikel 34, WIB 92. De aanpassingen die moeten worden uitgevoerd om de betrokken bepalingen in overeenstemming te brengen met het genoemde arrest, zijn te omslachtig om dit in het kader van het wetsontwerp AP te regelen. De Regering verbindt er zich evenwel toe die problematiek met een afzonderlijk wetgevend initiatief te regelen. Het advies van de Raad van State wordt voorlopig niet gevolgd » (ibid., p. 12). B.11. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie verzet zich niet ertegen dat de wetgever terugkomt op zijn oorspronkelijke doelstellingen om er andere na te streven. Inzake belastingen beschikt de wetgever bovendien over een ruime beoordelingsvrijheid. 11 Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat de wetgever in 2003 een andere keuze heeft gemaakt, waardoor het niet langer van belang is, zoals bij de vorige beleidsoptie het geval was, te weten of de betrokken vergoedingen al dan niet een inkomstenderving compenseren. Het staat niet aan het Hof te oordelen of die keuze opportuun of wenselijk is. Ten aanzien van die doelstelling is het pertinent dat de wetgever tevens de vergoedingen in aanmerking neemt die voor de begunstigde niet een inkomstenderving compenseren. Het blijkt niet dat die maatregel onevenredige gevolgen heeft. B.12. Artikel 31, tweede lid, 4°, van het WIB 1992, zoals het van toepassing was op het aanslagjaar 2012, en artikel 34, § 1, 1° en 2°, b), zoals het van toepassing was tijdens het aanslagjaar 2015, zijn bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij de vergoedingen belastbaar stellen die worden uitgekeerd ter uitvoering van een verzekeringsovereenkomst van het type « gewaarborgd inkomen » die door een onderneming werd gesloten ten gunste van haar bedrijfsleider, ingevolge een tijdelijke of blijvende arbeidsongeschiktheid die voor het slachtoffer geen daadwerkelijke derving van beroepsinkomsten heeft veroorzaakt. 12 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : 1. Artikel 31, tweede lid, 4°, van het WIB 1992, zoals het van toepassing was op het aanslagjaar 2012, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet in zoverre het de vergoedingen belastbaar stelt die zijn gevormd door middel van premies bedoeld in artikel 52, 3°, b), vierde streepje, van hetzelfde Wetboek, en die worden uitgekeerd ter uitvoering van een verzekeringsovereenkomst gesloten door de vennootschap waarvan het slachtoffer de bedrijfsleider is, ingevolge een tijdelijke arbeidsongeschiktheid die voor het slachtoffer geen daadwerkelijke derving van beroepsinkomsten heeft veroorzaakt. 2. Artikel 34, § 1, 1°, van het WIB 1992, zoals het van toepassing was op het aanslagjaar 2015, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet in zoverre het de vergoedingen belastbaar stelt die worden uitgekeerd ter uitvoering van een verzekeringsovereenkomst gesloten door de vennootschap waarvan het slachtoffer de bedrijfsleider is, ingevolge een blijvende arbeidsongeschiktheid die voor het slachtoffer geen daadwerkelijke derving van beroepsinkomsten heeft veroorzaakt. 3. Artikel 34, § 1, 2°, b), van het WIB 1992, zoals het van toepassing was op het aanslagjaar 2015, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet in zoverre het de vergoedingen belastbaar stelt die worden uitgekeerd ter uitvoering van een verzekeringsovereenkomst gesloten door de vennootschap waarvan het slachtoffer de bedrijfsleider is, ingevolge een blijvende arbeidsongeschiktheid die voor het slachtoffer geen daadwerkelijke derving van beroepsinkomsten heeft veroorzaakt. 13 Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 10 juli 2024. De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.080 Gerelateerde publicatie(
- s)citeert: ECLI:BE:GHCC:2001:ARR.120 ECLI:BE:GHCC:2003:ARR.055 ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.102 ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.073 ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.146 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div